|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2002-2003, 28 994
Wijziging van de Ziekenfondswet,
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
enkele andere wetten in verband met herziening van het
overeenkomstenstelsel in de sociale ziektenkostenverzekering alsmede
enkele andere wijzigingen (Wet herziening
overeenkomstenstelsel zorg)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Aanleiding tot het
wetsvoorstel |
| 2.1 |
Van aanbod- naar
vraaggericht |
| 2.2 |
Gebrek aan dynamiek
in het stelsel |
| 2.3 |
Spanning tussen het
overeenkomstenstelsel en het mededingingsrecht |
| 3 |
De maatregelen |
| a |
Het afschaffen van de
uitkomst van overleg en de modelovereenkomst |
| b |
Het opheffen van de
contracteerplicht |
| c |
Het wegnemen van
belemmeringen voor hulp in het buitenland |
| 4 |
De uitvoeringstoetsen |
| 4.1 |
Bevindingen van het
CVZ |
| 4.2 |
Bevindingen van het
CTG |
| 4.3 |
Bevindingen van het
CBZ |
| 4.4 |
Bevindingen van het
CSZ |
| 4.5 |
Bevindingen van het
CTZ |
| 5 |
Waarborging van
kwaliteit en doelmatigheid van de zorg |
| 6 |
Toezicht |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv |
Artikelen
I t/m X |
Algemeen
deel
1.
Inleiding
De
verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) hebben aanspraak op zorg in natura. Zij ontvangen geen geldelijke
vergoeding voor genoten of te genieten zorg, maar hebben van hun
zorgverzekeraar recht op zorgverlening door een hulpverlener of
instelling waarmee door het ziekenfonds of het uitvoeringsorgaan AWBZ
(verder ook wel: verzekeraar) een overeenkomst is gesloten. In die
overeenkomsten leggen verzekeraars en zorgaanbieders afspraken vast over onder
meer de inhoud, de kwaliteit, het volume en de prijs van de zorg die aan
de verzekerden wordt verleend. Die overeenkomsten zijn de neerslag van
hetgeen de verzekeraar ten behoeve van zijn verzekerden wenst in te
kopen. De aanpassing van het overeenkomstenstelsel als gevolg van dit wetsvoorstel past in de overgang van een stelsel
van centrale
aanbodsturing - waarbij de inrichting en de omvang van de zorg door de wetgever
worden bepaald - naar een decentraal vraaggericht stelsel, waarbij de
feitelijke omvang en inrichting van de zorg, onder door de overheid te
stellen randvoorwaarden, worden bepaald door de bij de zorgverlening
direct betrokken partijen.
De redenen voor dit
wetsvoorstel zijn de volgende. De maatregelen zijn nodig ter versterking van
de regierol van de verzekeraars in het kader van de beleidsontwikkeling in
de gezondheidszorg, die als vraaggericht omschreven wordt, maar
ook vanwege het gebrek aan dynamiek in het overeenkomstenstelsel als
gevolg van verplichte landelijke overeenkomsten. Hierna worden in hoofdstuk
2 de
redenen nader toegelicht.
In hoofdlijn worden met
dit wetsvoorstel de volgende maatregelen genomen:
• het afschaffen van de
landelijke geldende uitkomsten van overleg en modelovereenkomsten in de
Zfw en de AWBZ;
• het faciliteren van
de contracteervrijheid voor verzekeraars en zorginstellingen, door te regelen dat de
contracteerplicht en de omgekeerde contracteerplicht voor
bij of krachtens AMvB te bepalen vormen van zorg en categorieën
zorginstellingen afgeschaft kunnen worden; rblz.|2|
dit is van belang voor de
introductie van outputfinanciering via bijvoorbeeld vrij
onderhandelbare "diagnose-behandelingcombinaties" (DBC’s);
• het wegnemen van (formele)
belemmeringen voor zorgaanbieders gevestigd in een ander EU- of EER-land
[EER: Europese Economische Ruimte, red.],
of in een verdragsland, om zorg aan Nederlandse verzekerden te verlenen.
De herziening van het
overeenkomstenstelsel vindt voornamelijk plaats door het aanbrengen van
wijzigingen in de
Zfw en de AWBZ. In samenhang daarmee vervalt de
bepaling over het restitutietarief in de Wet
tarieven gezondheidszorg (Wtg).
De
Raad van State
adviseerde de (omgekeerde) contracteerplicht jegens instellingen niet
afzonderlijk af te schaffen, maar het voornemen tot afschaffing in
samenhang te bezien met de beleidsvoornemens in het kader van de
prijzen- en bouwwetgeving (Wtg respectievelijk de Wet ziekenhuisvoorzieningen en het wetsvoorstel Wet exploitatie
zorginstellingen ¹ (Kamerstukken II 2000-2001, 27 659, nrs. 1-3). De Raad
van State achtte de stelselherziening in de zorg eigenlijk het
aangewezen moment om alles ten gronde goed te regelen.
1. Tijdens de parlementaire
behandeling is de citeertitel van de Wet exploitatie zorginstellingen (Wez) vervangen door Wet
toelating zorginstellingen (Wtzi), red.
Naar aanleiding van dit
advies van de Raad van State, en mede in het licht van het feit dat
zowel het eervorige ("Vraag aan bod") ¹ als het vorige kabinet
("Strategisch Akkoord") op afzienbare termijn tot een
stelselherziening in de zorg wilden komen, werd aanvankelijk besloten om
het voorliggende wetsvoorstel te incorporeren in de wetgeving die dat
nieuwe stelsel tot stand zou moeten brengen. Echter, inmiddels is er ook
wat betreft de opheffing van de (omgekeerde) contracteerplicht een
nieuwe noodzaak om het wetsvoorstel alsnog bij het parlement aanhangig
te maken. Die reden ligt in de introductie van het werken met DBC’s in
ziekenhuizen.
De thans gepresenteerde
voorstellen zijn erop gericht de verzekeraars en de aanbieders van zorg
meer mogelijkheden te bieden zelf invulling te geven aan hun
contractuele relatie dan thans het geval is. Door aanpassingen in het
overeenkomstenstelsel zal meer ruimte ontstaan voor het maken van
afspraken die zijn toegesneden op de lokale vraag naar zorg. Met dit
wetsvoorstel wordt gestimuleerd dat ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ
zorg inkopen die - voor zover binnen de aanspraken mogelijk - meer rekening houdt met de vraag van de verzekerde. Daartoe vervalt
onder meer het voorschrift dat verzekeraars en aanbieders bij het
sluiten van hun overeenkomsten rekening moeten houden met collectieve
afspraken die op landelijk niveau tot stand zijn gekomen. Deze
beleidslijn volgt ook uit het Hoofdlijnenakkoord voor een kabinet van
CDA, VVD en D66. Dat hoofdlijnenakkoord, gevoegd bij de brief van 16 mei
2003 van de informateurs, geeft aan in welk perspectief de zorg in de
komende tijd zal worden vormgegeven (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637,
nr. 19). In het hoofdlijnenakkoord wordt opgemerkt: "De centrale
aanbodsturing is vastgelopen en wordt zo snel als verantwoord is,
vervangen door gereguleerde marktwerking" en "Eigen
verantwoordelijkheid en initiatief van partijen in de zorg komt voorop
te staan. De overheid blijft uiteraard toegankelijkheid, betaalbaarheid
en kwaliteit van de zorg garanderen". Over de kostenontwikkelingen
vermeldt het akkoord: "Er moet ernstig mee rekening worden gehouden dat
de uitgaven van de zorg verder zullen doorgroeien dan nu reeds in de
meerjarenramingen is voorzien. Het kabinet zal alsdan maatregelen nemen
om de zorguitgaven binnen het budgettair kader te houden en het beslag
op de collectieve middelen niet verder te laten oplopen. Daarbij zal het
gaan om verdere pakketbeperkingen, de verhoging van eigen bijdragen in
de AWBZ en een eigen risico in het ziekenfonds, en maatregelen om de
doelmatigheid te rblz.|3|
vergroten". Met
laatstgenoemde maatregelen wordt een beheerste kostenontwikkeling
mogelijk gemaakt. Tegelijkertijd blijft de transitie van aanbodsturing
naar gereguleerde marktwerking een belangrijke beleidsdoelstelling,
waardoor de behoeften van patiënten en cliënten in de zorg centraal
komen te staan. Daaraan draagt dit wetsvoorstel bij.
1. Vraag aan bod,
Hoofdlijnen van vernieuwing van het zorgstelsel, Kamerstukken II 2000-2001, 27 855,
nrs.
1-2.
Vrijstelling
contracteerplicht/behoud van overeenkomsten
Als gevolg van
deze wet
kunnen ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ
ten aanzien van bepaalde
vormen van zorg worden vrijgesteld van de verplichting om die zorg in te
kopen bij alle instellingen, die die zorg in hun werkgebied kunnen (en
mogen) leveren. De plicht om desgevraagd met een instelling te
contracteren, wordt wel de "contracteerplicht" voor het ziekenfonds
genoemd. De contracteerplicht moet overigens onderscheiden worden van de
plicht van het ziekenfonds respectievelijk het uitvoeringsorgaan AWBZ om
zorg te leveren (zorgplicht) en daarvoor overeenkomsten te sluiten. Die
- aan het naturastelsel verbonden - zorgplicht vergt van
ziekenfondsen en uitvoeringsorganen dat zij contracten sluiten met
zorgaanbieders. Afschaffing van de contracteerplicht voor bepaalde
vormen van zorg betekent dus niet dat het ziekenfonds of het
uitvoeringsorgaan AWBZ voor die vormen van zorg in het geheel geen
contracten meer hoeft te sluiten. Integendeel, het sluiten van
contracten zal nog steeds moeten gebeuren, wil het ziekenfonds of het
uitvoeringsorgaan aan zijn zorgplicht kunnen voldoen. Het betekent
slechts dat hij niet met iedere zorgaanbieder die de desbetreffende
Zfw- of AWBZ-vorm(en) van zorg mag, kan en wil leveren, een contract
moet afsluiten. De Zfw en de AWBZ bevatten ook een "omgekeerde
contracteerplicht". Dit is de plicht van zorgaanbieders om, indien zij
een overeenkomst met één ziekenfonds of uitvoeringsorgaan AWBZ hebben
gesloten, desgevraagd een overeenkomst onder gelijke voorwaarden met een
ander ziekenfonds of uitvoeringsorgaan te sluiten. Dit wetsvoorstel
maakt het mogelijk om ook deze omgekeerde contracteerplicht voor bij
AMvB aan te wijzen vormen van zorg of categorieën zorginstellingen af
te schaffen.
Een aantal van de
voorgestelde maatregelen is reeds aangekondigd in de Wtg-notitie "Speelruimte en
verantwoordelijkheid" (Kamerstukken II 1999-2000, 27
156, nr. 2) en in de brief van de Minister van VWS over de modernisering
van de curatieve zorg, tweede fase (Kamerstukken II 2000-2001, 23 619,
nr. 18). Het beoogt de verantwoordelijkheden van ziekenfondsen,
uitvoeringsorganen AWBZ en instellingen te vergroten. Daarmee past de
voorgestelde mogelijkheid tot afschaffing van de (omgekeerde)
contracteerplicht uitstekend binnen de in het Hoofdlijnenakkoord
aangekondigde stelselherziening. Met de invoering van die mogelijkheid
hoeft evenwel niet gewacht te worden tot het moment van invoering van de
stelselherziening. De afgelopen jaren is reeds een flink aantal stappen
gezet om de mogelijkheden van ziekenfondsen voor onderhandelingen met
zorgaanbieders te vergroten. Hiermee zijn de verantwoordelijkheden van
de ziekenfondsen voor doelmatige zorginkoop stelselmatig vergroot. De
onderhavige voorstellen liggen in die lijn. De voortschrijdende
ontwikkeling van de vraagsturing, en met name de ontwikkeling van het
zogenoemde "DBC-beleid", leidt ertoe dat het met ingang van 1 januari
2004 wettelijk mogelijk moet zijn om de (omgekeerde) contracteerplicht
in de
Zfw, onderdeel van het aanbodgerichte stelsel, voor (groepen van)
DBC’s af te schaffen. Overigens kent de AWBZ al de mogelijkheid om bij
AMvB te bepalen in welke gevallen van de contracteerplicht kan worden
afgeweken. Tot dusver is daar geen gebruik van gemaakt. De
contracteerplicht voor verzekeraars jegens vrije beroepsbeoefenaren is
al sinds 1992 afgeschaft.
Naast dit wetsvoorstel
wordt ook op andere wijze gewerkt aan het ombouwen van het aanbodgerichte
systeem in de zorgsector in de richting van een vraaggericht stelsel. Te
noemen zijn:
rblz.|4|
- vervanging van de Wet
ziekenhuisvoorzieningen (Wzv) door de Wet exploitatie zorginstellingen
(Wez),
Kamerstukken II 2000-2001, 27 659, nrs. 1-3;
- introductie van
prestatiebekostiging (onder andere via DBC’s);
- invoering eigen risico in
de ziekenfondsverzekering;
- invoering van een algemene
verzekering curatieve zorg;
- in het leven roepen van
een marktmeester voor de zorgsector.
Bij de hervorming van het
overeenkomstenstelsel vormen de algemeen aanvaarde uitgangspunten voor
de zorgsector: waarborgen van de toegankelijkheid, doelmatigheid,
kwaliteit, gelijke behandeling en solidariteit, grondslag voor het
handelen van de regering. Kernbegrippen daarbij zijn gereguleerde
competitie, transparantie, verantwoording en de vraag van de
verzekerden.
Het
algemeen deel van
deze toelichting is als volgt ingedeeld. In het vervolg van deze
inleiding wordt een beschrijving gegeven van de plaats van de overeenkomst in de
sociale ziektekostenverzekeringen (AWBZ en
Zfw). In hoofdstuk 2
wordt uiteengezet welke redenen er zijn voor een herziening van het overeenkomstenstelsel in de AWBZ en de
Zfw. In
hoofdstuk 3 wordt op de
verschillende maatregelen afzonderlijk ingegaan. In hoofdstuk 4 komen de
uitvoeringstoetsen aan de orde die zijn uitgebracht door het College voor
zorgverzekeringen, het College tarieven gezondheidszorg, het
College bouw ziekenhuisvoorzieningen en het College sanering
zorginstellingen. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het waarborgen van de
kwaliteit en de doelmatigheid in de zorg en ten slotte wordt in hoofdstuk 6
ingegaan op een aantal toezichtaspecten.
Verder is het van belang
dat het wetsvoorstel op 1 januari 2004 in werking treedt in verband met de
daarin opgenomen mogelijkheid om de contracteerplicht af te
afschaffen ten behoeve van de introductie van vrije (tarief)onderhandelingen
over diagnose-behandelingcombinaties (DBC’s). Op dit aspect wordt in
paragraaf 3b nader ingegaan.
Actal-toets
Het wetsvoorstel is
voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Het
College heeft het wetsvoorstel niet geselecteerd voor een Actal-toets op de
gevolgen van de regeling voor de administratieve lasten voor het
bedrijfsleven. De totale omvang van de door de regeling veroorzaakte administratieve lasten is beperkt. De onderhavige
regeling houdt louter
inhoudelijke verplichtingen in, die niet gekoppeld zijn aan een
informatiebericht. Daarom is het voorstel niet relevant voor de vermindering
van de
administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
De overeenkomst in de
sociale ziektekostenverzekering
De ziekenfondsen en de
uitvoeringsorganen AWBZ kennen een zorgplicht voor de verzekerden die
bij hen zijn ingeschreven. Dat is geregeld in artikel 8 van de
Zfw respectievelijk artikel 6 van de AWBZ. Zij dienen een zodanig aantal
instellingen en beroepsbeoefenaren te contracteren dat de verzekerden hun
aanspraken kunnen realiseren. De wet schrijft voor dat die overeenkomsten
- ook wel zorg- of medewerkersovereenkomsten genoemd - moeten worden
gesloten met inachtneming van de op landelijk niveau overeengekomen
uitkomsten van overleg (uvo’s). Uvo’s komen tot stand na overleg
tussen de brancheorganisaties van verzekeraars en aanbieders in een
bepaalde sector; zij behoeven de goedkeuring van het College voor
zorgverzekeringen (CVZ). De uitkomst van overleg bepaalt of er op individueel niveau
nog ruimte is voor aanvullende of eventueel van de uitkomst van overleg
afwijkende afspraken. Indien er op landelijk niveau geen uitkomst van
overleg voor een bepaalde sector tot stand komt, stelt het CVZ een modelovereenkomst vast. Er kan niet eerder een
rblz.|5|
individuele overeenkomst
tussen verzekeraar en zorgaanbieder worden gesloten dan nadat op
landelijk niveau overeenstemming is bereikt over de uvo of bij gebreke
daarvan een modelovereenkomst door het CVZ is vastgesteld.
De uitkomst van overleg
of de modelovereenkomst dient, zo bepalen de
Zfw en de AWBZ,
bepalingen te bevatten over aanvang en looptijd van de overeenkomst, de
wederzijdse rechten en verplichtingen, de te verlenen verstrekkingen of zorg,
kwaliteit en doelmatigheid, administratie en controle, beëindiging, voorzieningen voor situaties waarin kan worden
afgeweken van de uvo of
modelovereenkomst en de mogelijkheid van instelling van een
geschillencommissie. Met al deze bepalingen moet rekening worden gehouden
bij de onderhandelingen tussen verzekeraar (ziekenfonds en
zorgkantoor) en de zorgaanbieder. Dat geldt zowel voor de overeenkomsten met
individuele beroepsbeoefenaren als voor overeenkomsten met instellingen in de
gezondheidszorg. Het "startpunt" van het onderhandelingsproces
tussen verzekeraars en aanbieders ligt dus op centraal niveau. Het
resultaat van het collectief overleg op centraal niveau tussen de betrokken
representatieve organisaties van verzekeraars en zorgaanbieders bepaalt in
hoge mate de inhoud van de individuele overeenkomsten. Deze wet beoogt daarin
verandering aan te brengen en partijen niet langer door
de wet gemodelleerd te laten onderhandelen.
Als
gevolg van de Wet van 20 november 1991, ook wel genoemd de Wet beperking
contracteerplicht en invoering maximumtarieven (Stb. 1991, 584), en de novelle daarop
(Stb. 1991, 585) is de contracteerplicht voor verzekeraars jegens
individuele beroepsbeoefenaren afgeschaft. Ten opzichte van instellingen
is die plicht blijven bestaan. Deze plicht houdt in dat de ziekenfondsen
respectievelijk de uitvoeringsorganen AWBZ, indien een toegelaten instelling
in het werkgebied daar om vraagt, met die instelling moeten contracteren. Ook
regelt de wet de zogenoemde omgekeerde contracteerplicht. Die
houdt in dat een instelling die een overeenkomst heeft gesloten met een
verzekeraar, op verzoek van een andere verzekeraar gehouden is op dezelfde
voorwaarden met hem te contracteren.
In de curesector heeft
het geleid tot het zogenoemde regiomodel, waarbij de onderhandelingen met
instellingen namens verzekeraars plaatsvinden door de regionaal
dominante verzekeraar(s) aangevuld met de regiovertegenwoordigers van de particuliere
ziektekostenverzekeraars en van de Kontaktkommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenverzekeringen.
In de praktijk hebben de
AWBZ-uitvoeringsorganen in een bepaalde regio hun werkzaamheden op het gebied van contracteren opgedragen aan één
van hen (meestal het
verbindingskantoor), die dan de onderhandelingen namens hen (overigens ook
namens de publiekrechtelijke ziektekostenregelingen) met zorgaanbieders voert.
De bepalingen over de
overeenkomsten in de AWBZ en Zfw zijn een aanvulling op de
bepalingen in het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht in Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de overeenkomsten die
verzekeraars met aanbieders sluiten, zijn naast de algemene bepalingen ook
de daarvoor geschreven bijzondere bepalingen van het BW over
overeenkomsten van opdracht van toepassing (artikel 7:400 BW
en verder), voor
zover niet anders wordt overeengekomen. Die bepalingen hebben onder meer betrekking op het handelen als een goed
opdrachtnemer, het
afleggen van verantwoording aan de opdrachtgever, het overlaten van de
uitvoering door de opdrachtnemer aan anderen, de opzegging van de overeenkomst en de verschuldigdheid van het loon
(tarief).
2. Aanleiding tot het
wetsvoorstel
Er zijn verschillende
redenen waarom het overeenkomstenstelsel in de sociale
ziektekostenverzekering herziening behoeft. De eerste reden is gelegen in de veranderde
gedachten over de inrichting en sturing van het rblz.|6|
stelsel: van centraal
aanbodgestuurd naar decentraal vraaggericht. Dat vertaalt zich in een bestuurlijke vormgeving waarbij de primaire verantwoordelijkheid
voor de organisatie van
de feitelijke zorg bij de verzekeraars ligt. Daarvoor is nodig
dat de positie van de verzekeraar wordt versterkt en ook zorgaanbieders meer ruimte wordt gegeven om in te
spelen op de vraag van
zorgverzekeraars.
Bij instellingen als
ziekenhuizen en revalidatiecentra wordt steeds meer overgegaan op prestatiebekostiging (door middel van
DBC’s) in plaats van
budgetfinanciering. Dat
biedt mogelijkheden om per verzekeraar volume- en prijsafspraken te maken.
Voor verzekeraars dient zich daarmee de mogelijkheid aan om
concurrerende afspraken met instellingen te maken. Een plicht tot
contracteren past daar niet bij. Voorgesteld wordt om bij of krachtens
AMvB uitzonderingen op de contracteerplicht te kunnen maken ten aanzien van bepaalde
vormen van zorg, zoals de DBC’s. Voor categorieën van instellingen is dat
nu al mogelijk op grond van artikel 47, tweede lid,
juncto
artikel 8a,
tweede lid,
Zfw.
De tweede reden voor de
herziening van het overeenkomstenstelsel is gelegen in het gebrek aan
dynamiek die het huidige stelsel vertoont als gevolg van de rol die de
wet aan de brancheorganisaties oplegt. De voorgestane gereguleerde competitie
in de zorg kan daardoor onvoldoende tot stand komen. Ten slotte bestaat er een zekere spanning tussen het
overeenkomstenstelsel en
het mededingingsbeleid. Die spanning maakt het gewenst om de
collectieve elementen in het overeenkomstenstelsel in de AWBZ
en de
Zfw waar
mogelijk te reduceren.
In het navolgende wordt
nader ingegaan op deze overwegingen.
2.1. Van aanbod- naar
vraaggericht
Onder de zogenoemde
paarse kabinetten heeft het begrip "compartimentenmodel" ingang gevonden. Het
eerste compartiment bevat de particulier moeilijk te
verzekeren risico’s, die zijn verzekerd via de AWBZ. Het tweede compartiment
bevat een pakket van aanspraken op curatieve zorg, die is verzekerd
via de
Zfw of, voor bepaalde groepen ambtenaren, via ambtelijke
regelingen. Voor een pakket van veelal dezelfde omvang brengen daarnaast
particuliere verzekeraars polissen op de markt voor dat deel van de bevolking
dat
niet krachtens de Zfw verzekerd is. Het derde compartiment bevat de
overige niet wettelijk verzekerde zorg. Burgers kunnen zich voor die zorg
aanvullend verzekeren.
In de brief van de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 1999
(Kamerstukken II 1998-1999, 26 517, nr. 1) over de bestuurlijke vormgeving van het tweede
verzekeringscompartiment is aangekondigd dat nader zal worden
ingegaan op de herziening van het overeenkomstenstelsel. Die brief was een reactie
op adviezen die de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) in 1998
heeft uitgebracht: te weten de adviezen "Verzekeraars op de
zorgmarkt", april 1998, "Prikkels tot doelmatigheid", april 1998,
"Naar een
meer vraaggerichte zorg", mei 1998, "Besturen in overleg", juni 1998, en
"Tussen markt en overheid", december 1998. De voornoemde brief geeft
deels het inhoudelijke en bestuurlijke kader weer dat voor het
overeenkomstenstelsel in de ziekenfondsverzekering in de toekomst van belang is.
Onderwerp van de RVZ-adviezen was het vraagstuk van
doelmatigheidsvergroting en zorgsturing in het complexe veld van de gezondheidszorg.
In voornoemde brief van 29 april 1999 is uitvoerig ingegaan op de
mogelijkheden die overheid en partijen in het veld ter beschikking
staan om in het tweede compartiment een passend evenwicht te vinden
tussen de zorgvraag en de mogelijkheden van het zorgveld. Recentelijk
bracht de RVZ advies uit over marktwerking in de medisch-specialistische
zorg (Zoetermeer, 2003). De Raad merkt op dat het schrappen van de
contracteerplicht een absolute voorwaarde voor marktwerking is, omdat de verzekeraars
anders gedwongen blijven om het rblz.|7|
geplande aanbod te
contracteren. Dat tast hun onderhandelingspositie aan en belemmert de
toetreding van nieuwe aanbieders op de markt. Het gevoerde beleid van
aanbodregulering is de belangrijkste oorzaak van de wachtlijstproblematiek en
het gebrek aan klantgerichtheid, innovatie en doelmatigheid van de
Nederlandse gezondheidszorg.
In de beleidsbrief
Modernisering Curatieve Zorg, tweede fase (Kamerstukken II 2000-2001, 23 619, nr.
18) is aangekondigd dat de aanbieders van curatieve zorg beter
zullen worden toegerust om met zorgverzekeraars te onderhandelen en dat de
vraagkant van de curatieve sector, vertegenwoordigd door verzekerden en
patiënten en - uit hun naam - de zorgverzekeraars, zal worden versterkt.
Ziekenfondsen vormen in de onderhandelingen met de aanbieders van
zorg een "countervailing power". Zij worden gestimuleerd door
een normatief budgetsysteem enerzijds en de keuzevrijheid van de
verzekerden (acceptatieplicht) anderzijds. Beide dragen ertoe bij dat het
ziekenfonds in zijn onderhandelingen met de zorgaanbieders de wensen
van zijn verzekerden ter harte zal nemen.
Het project Modernisering
AWBZ en het MDW-project AWBZ [MDW: project
Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, red.] betreffen de bestuurlijke vormgeving
van het eerste verzekeringscompartiment. Het eerste project heeft
geresulteerd in de nota over de modernisering van de AWBZ "Zicht op
zorg"
(Kamerstukken II 1998-1999, 26 631, nr. 1), waarin de voornemens staan met
betrekking tot structuur van en sturing in de AWBZ. Deze hebben
overigens voor een belangrijk deel hun beslag gekregen op 1 april 2003,
toen het Besluit zorgaanspraken AWBZ in werking trad. Ook bij de modernisering van het eerste compartiment staat
de omslag van aanbod-
naar vraaggericht centraal.
Een voorwaarde voor
vraaggeleiding is dat de verzekeraar zijn zorginkoop vrij kan richten op
datgene wat de verzekerde aan zorg verlangt, uiteraard binnen het kader van de
wettelijke aanspraken. Daarbij past niet de verplichting voor de
verzekeraar om met bepaalde instellingen te contracteren. Ook moet de verzekeraar
niet gevangen zitten in het keurslijf van de op landelijk niveau tot
stand gekomen (raam)overeenkomsten, de uitkomsten van overleg. De
onderhandelingen tussen verzekeraars en zorgaanbieders moeten in een zo groot
mogelijke vrijheid kunnen plaatsvinden. In de individuele overeenkomsten kan dan goed rekening worden gehouden
met de wensen van de
verzekerden en de mogelijkheden van de zorgaanbieder.
Hoewel de bestuurlijke
aansturing van het eerste en tweede compartiment verschilt, gaan beide ten
behoeve van de verzekerde uit van dezelfde grondslagen en
kernbegrippen. Zowel in de ziekenfondsverzekering als in de AWBZ
is de
zorgovereenkomst het instrument bij uitstek om sturing te geven aan het gehele
zorgproces, waarbij rekening wordt gehouden met de vraag van de
verzekerde. In het eerste compartiment (ook wel caresector genoemd) wordt daaraan
overigens ook tegemoet gekomen door de functiegerichte
omschrijving van de aanspraken en de uitbouw van het persoonsgebonden budget.
2.2. Gebrek aan dynamiek
in het stelsel
Een tweede reden voor de
herziening van het overeenkomstenstelsel is gelegen in het gebrek aan dynamiek in de onderhandelingen over de
overeenkomsten. De
huidige bepalingen over de overeenkomsten in de
Zfw en de AWBZ stimuleren
verzekeraars en aanbieders onvoldoende om hun contracten toe te
snijden op de lokale situatie. Lokale partijen moeten met elkaar onderhandelen
over punten waarover nauwelijks valt te onderhandelen omdat deze al vrijwel
uitputtend in de landelijke uitkomst van overleg zijn geregeld of
omdat rendement voor de direct betrokken partijen niet of
nauwelijks aanwezig is. Dat kwam ook omdat de betrokken rblz.|8|
partijen op regionaal en
niet op individueel niveau onderhandelen. De regionale vereniging van
zorgaanbieders deed daarbij veelal een stevig beroep op adviseurs van
de landelijke organisatie(s). Die landelijke adviseurs waren immers bij de
totstandkoming van de uitkomsten van overleg betrokken geweest. Door
hun inbreng sloten partijen over het hele land min of meer gelijke
overeenkomsten. Door uitspraken van de Nederlandse Mededingingsautoriteit
(NMa)
behoort dat echter steeds meer tot het verleden, zeker wat
betreft het prijs- en vestigingsbeleid. De NMa heeft op 25 oktober 2002
richtsnoeren voor de zorgsector vastgesteld. Beroepsbeoefenaren, zorgverzekeraars en
andere ondernemers in de zorgsector kunnen met behulp van die
richtsnoeren zelf hun samenwerkingsvormen en gedragingen toetsen
aan de Mw [Mededingingswet, red.].
Het gebrek aan dynamiek
bij het contracteren wordt ook veroorzaakt door de contracteerplicht in
de
Zfw. De contracteerplicht en de omgekeerde contracteerplicht hebben
tot gevolg dat er landelijk identieke overeenkomsten tot stand komen.
Uit onder meer een
evaluatie van het overeenkomstenstelsel door de toenmalige
Ziekenfondsraad (uitgave Ziekenfondsraad 1995, nr. 673) en uit een onderzoek van de
Commissie toezicht uitvoeringsorganen, CTU (thans College toezicht
zorgverzekeringen, CTZ genaamd), "Sturing door overeenkomsten"
¹ bleek
dat de doelen die de wetgever zich stelt niet werden gehaald. Doel van
het laatstgenoemde onderzoek was inzicht te krijgen in hoe en in
welke mate ziekenfondsen gebruik maken van de overeenkomst om invloed uit te oefenen op de wijze waarop de ziekenhuizen
en de daarin werkzame
specialisten aan hun verzekerden zorg verlenen. De conclusie
van het rapport is dat ziekenfondsen zonder een oorspronkelijk regionaal
werkgebied zich beperken tot het sluiten van standaardcontracten via
machtiging van Zorgverzekeraars Nederland; aldus vindt er door die
ziekenfondsen geen zorginhoudelijke sturing plaats. Ook ziekenfondsen
die een oorspronkelijk regionaal werkgebied hebben, benutten de
overeenkomsten maar in beperkte mate als instrument voor het voeren van de
regie in de zorg. Zo maken niet alle ziekenfondsen verdergaande afspraken
dan de standaardbepalingen van de uitkomst van overleg en
zijn gemaakte nadere afspraken toch nog vrijblijvend van aard en globaal van
inhoud. In een aantal gevallen zijn gemaakte afspraken wel
concreet uitgewerkt, maar niet in een contractuele vorm vastgelegd. Die afspraken blijken dan uit correspondentie en
gespreksverslagen.
1. Uitgave Commissie
toezicht uitvoeringsorganisatie, juli 2000,
publicatienummer 6.
De individuele
overeenkomst tussen ziekenfonds en zorgverlener blijkt vooral te fungeren als
formaliteit voor de verzekeraar en aanbieder. De overeenkomst verschaft de
betaaltitel. Zonder het bestaan van een overeenkomst worden betalingen van het
ziekenfonds niet door het College toezicht
zorgverzekeringen (CTZ) geaccepteerd.
In de overeenkomst met
een individuele beroepsbeoefenaar staan weliswaar volume- en
prijsbepalingen, maar over de prijs (tarief) wordt op individueel niveau niet
of nauwelijks onderhandeld. Dat is echter als gevolg van de eerder
genoemde Wet van 20 november 1991 wel mogelijk, want voor prestaties van
individuele beroepsbeoefenaren gelden er sinds 1 januari 1992
maximumtarieven. De wettelijke vereisten voor de overeenkomsten hebben geen betrekking op
de tarieven voor te verlenen zorg voor zover die tarieven
op grond van de Wtg
zijn onderworpen aan goedkeuring van het College tarieven
gezondheidszorg (CTG). Het topdownmodel uvo’s individuele overeenkomst heeft echter een zodanig effect op de onderhandelingen
over de contracten dat ook wat betreft de prijs het maximumtarief zoals
dat door het CTG is vastgesteld, op individueel niveau het
standaardtarief geworden. Dat werd mede veroorzaakt door de collectieve opstelling
van de brancheorganisatie op regionaal niveau. De betrokken partijen - verzekeraars en regiovertegenwoordigers
- spraken rblz.|9|
af dat het maximumtarief
het tarief voor alle aanbieders zal zijn. Ook uit onderzoeken van de
Economische Controledienst [ECD, red.] naar de mededinging bij apotheekhoudenden en
huisartsen (Onderzoeken ECD 1994/95) bleek dat het door de wetgever
beoogde doel niet wordt bereikt. Individuele tarieven onder de
landelijke maximumtarieven komen niet tot stand. Dit werd nog eens bevestigd
door een ECD-onderzoek bij tandartsen (brief van de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 1999, Z/P991 241). De beroepsbeoefenaren die sinds 1992 niet meer de wettelijke
garantie op een
overeenkomst wordt geboden, smeedden zich hecht aaneen tot voor de
zorginkoper niet te passeren machtsblokken. De vrijheid die de publieke
regelgeving bood, werd in het veld door private collectieve afspraken
vrijwel volledig tenietgedaan. De wettelijke verplichting tot het maken van
collectieve afspraken in de vorm van een uvo draagt ook niet direct
bij aan een vrij onderhandelingsklimaat. Voor substantiële
onderhandelingen tussen verzekeraars en zorgaanbieders is het stelsel van uvo’s
en modelovereenkomsten geen bestaansvoorwaarde. Integendeel, het leunen
op de collectieve verantwoordelijkheid van de onderhandelende
organisatie heeft er in de praktijk toe geleid dat het belang van de
individuele overeenkomsten op de achtergrond is geraakt. Door het
schrappen van de verplichting tot collectief onderhandelen op landelijk niveau
- met de hiervoor beschreven effecten op regionaal en individueel niveau
- komt het accent te liggen op de individuele onderhandelingen. Daarbij
is de verwachting gerechtvaardigd dat zich dat ook in de prijs vertaalt,
omdat de onderhandelingen niet langer plaatsvinden vanuit een vooraf
collectief overeengekomen raamwerk. Daarbij is ook meer speelruimte in
de Wtg-tarieven gewenst. De eerder genoemde Wtg-notitie "Speelruimte
en verantwoordelijkheid" bevat voornemens en maatregelen die zullen
leiden tot meer ruimte voor onderhandelingen over prijs, doelmatigheid
en kwaliteit.
Wil het
overeenkomstenstelsel zijn rol goed kunnen vervullen, dan zal het eerder tot het sluiten
van overeenkomsten moeten uitnodigen dan daartoe verplichten,
zoals nu nog het geval is als gevolg van de contracteerplicht.
Daardoor kan onderlinge concurrentie ontstaan tussen zorgaanbieders en tussen
verzekeraars.
2.3. Spanning tussen het
overeenkomstenstelsel en het mededingingsrecht
In de paragrafen 2.1 en
2.2 zijn de twee belangrijkste motieven vermeld voor het voorstel om de
uvo’s, de modelovereenkomsten en de contracteerplicht in de
Zfw en de AWBZ te schrappen. Er is echter nog een reden.
Artikel 6 van de
Mw verbiedt overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke
gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging
op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt
of vervalst. Dergelijke overeenkomsten en besluiten zijn van
rechtswege nietig.
Tot 1 januari 2003 was in
artikel 16 Mw geregeld dat artikel 6
Mw (het "kartelverbod") niet
gold voor overeenkomsten, besluiten en gedragingen als bedoeld in dat
artikel die ingevolge het bepaalde bij of krachtens enige andere wet zijn
onderworpen aan goedkeuring of door een bestuursorgaan onverbindend verklaard,
verboden of vernietigd kunnen worden, dan wel op grond van
enige wettelijke verplichting tot stand zijn gekomen. Gezien de inhoud van de
uvo’s en de modelovereenkomsten kan betwijfeld worden of deze te zien
zijn als documenten die de mededinging verhinderen, beperken of
vervalsen. Uit diverse beschikkingen van de rblz.|10|
NMa over collectieve
afspraken ¹ kan het volgende worden afgeleid. Voor zover de collectieve
afspraken betrekking hebben op objectieve (minimum)kwaliteitseisen
of puur administratieve of procedurele aspecten van de
zorgverlening, beperken zij de mededinging niet wanneer zij uitsluitend de
verantwoordelijkheid en de bekwaamheid van de zorgverlener betreffen. Collectieve
afspraken daarover zijn toegestaan als maar wordt voldaan aan de
voorwaarde dat er geen uitsluiting van andere belanghebbenden mee kan
worden bewerkstelligd. Dat geldt echter niet voor afspraken over
tarieven en vestiging. Collectieve afspraken daarover zijn - tenzij een
vrijstelling of ontheffing van de NMa zou kunnen worden verkregen - altijd
verboden. In de modelovereenkomst en de uvo’s worden echter geen
afspraken over tarieven of vestiging gemaakt, terwijl juist wel afspraken over
kwaliteit, administratie en procedures worden gemaakt. De vraag of uvo’s
en modelovereenkomsten daarnaast afspraken bevatten die
wél in strijd zijn of zouden kunnen zijn met het mededingingsrecht valt
niet in algemene zin te beantwoorden: dit hangt af van de individuele uvo’s
of modelovereenkomsten. Het antwoord op die vraag was tot 1
januari 2003 niet zo van belang, omdat uvo’s aan goedkeuring van het CVZ
- een bestuursorgaan - onderhevig waren, terwijl modelovereenkomsten op grond van een verplichting in de
Zfw en AWBZ tot stand kwamen. De
uvo’s en modelovereenkomsten konden, ook als zij
mededingingsbeperkende gevolgen zouden hebben, op grond van artikel 16 Mw
blijven
bestaan.
1. Besluit
directeur-generaal NMa d.d. 15 december 2000, zaken
590 en 1972/Amicon - vrijgevestigd fysiotherapeut; besluit
directeur-generaal NMa d.d. 11 april 2001,
zaak 537 nr. 116/Landelijke Huisartsen
Vereniging; besluit
directeur-generaal NMa d.d. 6 juli 2001,
zaak 912/CZ - apotheker.
Zoals gezegd, is artikel
16 Mw op 1 januari 2003 vervallen. Daarom is nog eens bekeken of het
handhaven van de uvo’s en modelovereenkomsten wel gewenst is.
Geconcludeerd is dat, of uvo’s en modelovereenkomsten nu wel of niet
mededingingsbeperkende bepalingen bevatten, het opheffen van het systeem
waarin met uvo’s en modelovereenkomsten wordt gewerkt in ieder
geval past in de lijn van de Mw. Dit vormt derhalve de derde reden
om de uvo’s en de modelovereenkomst af te schaffen.
3. De maatregelen
a. Het afschaffen van de
uitkomst van overleg en de modelovereenkomst
De bepalingen over de
(totstandkoming van) de landelijke uitkomst van overleg en de
modelovereenkomst in de AWBZ en de
Zfw komen te vervallen. Daarmee
vervalt ook de vereiste goedkeuring van het CVZ
voor die uitkomsten. Hiermee
wordt eens te meer aangegeven dat de directe onderhandelingspartijen verantwoordelijk zijn voor de
zorgcontractering. Zij kunnen straks niet
meer terugvallen op wettelijk voorgeschreven, op landelijk niveau tot
stand gekomen uitkomsten van overleg of op een door het CVZ vastgestelde
modelovereenkomst. Zorgverzekeraars en aanbieders zullen in hun
nieuwe rol moeten groeien.
Overeenkomsten komen tot
stand op basis van inventarisatie van de zorgbehoefte van de
verzekerden. De verzekeraar is bij uitstek degene die weet heeft van de vraag
en het aanbod. De overeenkomst regelt niet enkel de verhouding tussen de
individuele zorgaanbieder en de verzekeraar, maar kan ook afspraken bevatten over de werkwijze van de individuele
zorgaanbieder binnen het
geheel van (onderling te onderscheiden) multidisciplinaire zorgaanbieders. Bij het
tot stand brengen van zorgketens, zorgvernieuwing,
flexibiliteit en transmuralisering van de zorg hebben de verzekeraars met de
overeenkomst een goed instrument om de zorg meer op de zorgvraag van de
verzekerden af te stemmen.
Door onderhandelingen
kunnen partijen een optimum bereiken in de verhouding kwaliteit,
doelmatigheid, volume en prijs, waarbij rekening wordt gehouden met de
vraag van de verzekerde. Waar moet worden rblz.|11|
gevreesd dat het optimum
op onderdelen vanwege onvoldoende "countervailing power" van één van de
partijen of door andere oorzaken niet tot stand komt, is in
aanvullende wetgeving voorzien (onder andere door de Wet ziekenhuisvoorzieningen
en de toekomstige Wet exploitatie zorginstellingen, de Wet
op bijzondere medische verrichtingen, de Wet
tarieven gezondheidszorg en de Kwaliteitswet
zorginstellingen).
Het wettelijke stelsel
waarin partijen overeenkomsten sluiten met betrekking tot de levering van
diensten maakt mogelijk dat inhoudelijke ontwikkelingen op zorg- of
verzekeringsterrein tussen de individuele zorgaanbieder en de verzekeraar steeds
kunnen worden geactualiseerd. Een stelsel dat snel
evoluerende ontwikkelingen zou willen vatten in centrale regelgeving door de
overheid holt voortdurend achter de feiten aan. Een goed functionerend
overeenkomstenstelsel in
Zfw en AWBZ maakt het mogelijk dat de overheid
terugtreedt, omdat overeenkomsten een vorm van zelfregulering bieden
die zowel de kosten als de inhoud van de zorg betreft. Het biedt de
mogelijkheid van afstemming op lokaal niveau. De wetgever geeft daarvoor
het kader aan. Voor die zelfregulering is de overeenkomst een onmisbaar instrument.
De aanpassing van het overeenkomstenstelsel
leidt tot ruimte voor het maken van substantiële afspraken. Daarbij gaat
het om afspraken over doelmatigheid van en informatievoorziening
over de prestaties en over het functioneren van de zorgaanbieder. De
contracterende verzekeraar moet van elke instelling adequate informatie
krijgen over de financiële positie van de instelling.
Gezien de
beleidsontwikkelingen in de care- en curesector strekt deze maatregel zich uit over
zowel het eerste als het tweede compartiment (AWBZ en
Zfw). Het kader
wordt herzien, aan verzekeraars en zorgaanbieders is de uitwerking.
Natura/restitutie
In
samenhang met het
wettelijke financieringssysteem blijft de zorgplicht rusten op de
uitvoeringsorganen van de sociale ziektekostenverzekeringen. Het naturakarakter van de
verzekeringen blijft gehandhaafd.
Tegenover
de verzekering van rechtswege staat het recht op verstrekking van zorg in
natura. Het
naturastelsel biedt de mogelijkheid om met behulp van de overeenkomsten tot
doelmatige zorgverlening te komen. Daarnaast heeft het naturastelsel
nog andere voordelen. Zo worden de kosten voor de geleverde zorg
zonder tussenkomst van de verzekerde afgerekend. Daarmee heeft de
zorgaanbieder de zekerheid dat hij wordt betaald voor zijn prestatie en de
uitvoerder (verzekeraar) de zekerheid dat de nodige zorg wordt geleverd aan de verzekerde. Indien de wetgever niet
zou bepalen dat er
overeenkomsten moeten worden gesloten, is er ook geen garantie dat aan de
(natura)verplichtingen ten aanzien van de verzekerde kan worden voldaan. En
niet in de laatste plaats vervult de overeenkomst een belangrijke rol met
het oog op de toegankelijkheid van de gezondheidszorg, vooral
voor die sectoren waarin het aanbod om wat voor reden dan ook
schaars is. Indien gewenst, kunnen verzekeraar en aanbieder afspraken maken
over een gelijkmatige verdeling van een budget (volume) over het
gehele kalenderjaar ter aanwending van de zorg aan de verzekerden en
kunnen zij afspraken maken over wachttijden.
Het wetsvoorstel biedt
wel de mogelijkheid om voor bepaalde vormen van zorg op een
restitutiemodel over te gaan. De nota "Vraag aan bod" vermeldt dat als voordeel
van een restitutiesysteem geldt dat de verzekerde zich in principe tot elke
gekwalificeerde aanbieder kan wenden, ook in het buitenland. Inmiddels hebben ziekenfondsverzekerden door een
uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaken-Müller-Fauré en -Van ’t Riet
¹ dat recht
in andere landen van de Europese Unie wat betreft extramurale zorg in feite
al gekregen. Wel kunnen er nog nadere voorwaarden worden gesteld, maar die
doen aan het principe niet af. Het Hof oordeelde dat het
(Nederlandse) vereiste van voorafgaande toestemming rblz.|12|
voor extramurale zorg in
het buitenland in strijd is met het vrije verkeer van goederen en diensten
in de Europese Unie. De gevolgen van dit arrest zullen worden uitgewerkt
in een ministeriële regeling. Het Hof heeft in de uitspraak overwogen dat
de verzekerden slechts aanspraak kunnen maken op vergoeding van de
behandeling binnen de grenzen van de dekking die in de lidstaat van
inschrijving door het stelsel van ziektekostenverzekering is gegarandeerd. Ook
overwoog het Hof dat de bevoegde lidstaat waar een naturastelsel geldt
de hoogte van de vergoeding kan bepalen waarop patiënten die een
behandeling in een andere lidstaat hebben ondergaan recht hebben, mits deze
bedragen berusten op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria.
1. EHvJ 13 mei 2003,
C-385/99.
Met name uit het oogpunt
van beheersing van de kostenontwikkeling en doelmatige zorgverlening
is het gewenst nader onderzoek te doen naar de combinatie van
zorgplicht (van verzekeraars) en de keuzemogelijkheid tussen een natura- en een
restitutiestelsel, mede in verband met de mogelijkheid van effectief gebruik van
zorg op de verschillende deelmarkten en de toepassing van
preferredpoviderarrangementen.
Het wetsvoorstel biedt de
mogelijkheid om, zo uit de uitkomsten van deelmarktonderzoeken
blijkt dat er sprake is van voldoende marktwerking en garantie voor
verzekerden op doelmatige hulp, voor bepaalde vormen van zorg op restitutie
over te gaan (restitutie in plaats van natura). Deze vormen van zorg zullen
dan bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden aangewezen. In
principe gaat het dan om restitutie met achterliggende overeenkomsten, dat wil
zeggen een door een ziekenfonds of uitvoeringsorgaan AWBZ
gedane keuze voor restitutie ontslaat hem voor
de betrokken vorm van
zorg niet van de plicht contracten met aanbieders te sluiten. Bij eerder
bedoelde AMvB kán worden bepaald dat het aan verzekeraars wordt overgelaten of zij kiezen voor een restitutiesysteem
zonder overeenkomsten.
Restitutie zonder overeenkomsten geeft burgers maximaal de mogelijkheid
om zelf - voor de betrokken zorgvorm - een zorgaanbieder te kiezen.
Het bieden van een keuze tussen restitutie met of zonder overeenkomsten kan
tot meer concurrentie tussen verzekeraars leiden, omdat zij met
overeenkomsten wellicht lagere tarieven of meer service voor hun
verzekerden kunnen bereiken dan bij restitutie zonder overeenkomsten. Tot een
dergelijke keuzevrijheid voor verzekeraars kan eerst worden besloten
wanneer de (deel)markt zo concurrerend is dat de uitkomsten ten aanzien
van kwaliteit en doelmatigheid van de zorg niet onderdoen voor een markt
met verplichte overeenkomsten. Het gaat om zorgvormen waarvan
vaststaat dat het aanbod (ruim) voldoende is voor de verzekerden en waarbij
in voldoende mate sprake is van informatiesymmetrie tussen zorgaanbieder en
zorgvrager (transparantie). De zorg moet van voldoende
kwaliteit zijn in het licht van de Kwaliteitswet
zorginstellingen, de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en de Wet op de
geneeskundige behandelingsovereenkomst (artikel 446 tot en met 468 van Boek
7 van het BW).
De (deel)markt moet net zo goed in staat zijn om de aanspraken van
verzekerden te waarborgen als het systeem waarin de verzekeraars de regierol
vervullen door middel van overeenkomsten.
Deze mogelijkheid laat
onverlet dat de hoofdlijn van het beleid is gericht op zorgverlening in
natura en op een actieve regierol van de verzekeraars, waarbij overeenkomsten
onontbeerlijk zijn.
Een systeem dat volledig
op restitutie - het achteraf vergoeden van genoten zorg - zou zijn
gebaseerd, zou het doel van de overheid om te komen tot een door de
direct betrokken partijen afgestemde, doelmatige en toegankelijke
zorgverlening moeilijk bereikbaar maken.
Een restitutiestelsel is
niet verantwoord als er nog sprake is van aanbodschaarste. Alleen voor goed
functioneerde (deel)markten is het toestaan van restitutie aan de
orde.
Terwijl een
restitutieverzekering ook met overeenkomsten is uit te rusten, is een naturastelsel
zonder overeenkomsten ondenkbaar. Het naturastelsel rblz.|13|
zet verzekeraars en
aanbieders aan om zich actief in te zetten voor deugdelijke en effectieve contracten.
Wanneer die contracten qua prijs en kwaliteit niets meer toevoegen aan de werking van de desbetreffende
(deel)markt, zou tot
invoering van de restitutiemogelijkheid zonder achterliggende overeenkomsten voor die
deelmarkt kunnen worden overgegaan.
Zoals gezegd, blijft het
naturasysteem en daarmee het sluiten van contracten tussen
ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ enerzijds en zorgaanbieders
anderzijds voorop staan. Voor het geval er onverhoopt onvoldoende
overeenkomsten tot stand komen, is de mogelijkheid gehandhaafd om bij ministeriële regeling te bepalen dat verzekerden recht
hebben op vergoeding van
kosten die zij voor het verkrijgen van zorg hebben moeten maken. Van
die mogelijkheid is in het verleden slechts een enkele keer gebruik
gemaakt. De verwachting is dat dit ook in de toekomst het geval zal
zijn. In ieder geval zal er van dit instrument een uiterst terughoudend
gebruik worden gemaakt, omdat de direct verantwoordelijke partijen in de zorg
(verzekeraars en aanbieders) verantwoordelijk zijn voor het tot stand
brengen van voldoende overeenkomsten.
Hoewel
het CVZ heeft aangegeven dat deze wettelijke voorziening gemist kan worden, maar een
beperkte wettelijke voorziening nodig is in bepaalde situaties, is er
zekerheidshalve voor gekozen de mogelijkheid tot het nemen van een
restitutiebesluit vooralsnog te handhaven. Bij de evaluatie van de wet zal
worden bezien of de voorziening geschrapt kan worden.
In de diverse
uitvoeringstoetsen die zijn uitgebracht naar aanleiding van het voornemen om het
overeenkomstenstel te herzien en waarvan in hoofdstuk 5 een
samenvatting wordt gegeven, is opgemerkt dat door het vervallen van de
uitkomsten van overleg en de toepassing van de Mw, aan de huidige praktijk
van het voeren van effectieve onderhandelingen - door zowel verzekeraars
als aanbieders - een einde komt. Daarmee zouden er zwaardere
administratieve lasten op instellingen en beroepsbeoefenaren komen te drukken dan nu
het geval is. Ook Zorgverzekeraars Nederland heeft dit
opgemerkt. Het afschaffen van de uvo’s en modelovereenkomsten laat echter onverlet dat
brancheorganisaties van zorgaanbieders en zorgverzekeraars, al
dan niet gezamenlijk, modellen ontwikkelen die op het
lokale/regionale niveau als voorbeeld kunnen dienen voor het sluiten van
individuele overeenkomsten (vergelijk in dit verband bijvoorbeeld de service
die de Consumentenbond biedt aan haar leden in de vorm van modelhuurcontracten). Bij het ontwikkelen van die modellen
moet wel rekening worden
gehouden met de Mw. Het verschil met de huidige situatie is dat
straks een wettelijke verplichting om op centraal niveau raamovereenkomsten
te maken, ontbreekt. Het ontwikkelen van landelijke modellen is
niet per definitie uit den boze, evenmin als samenwerking op lokaal en regionaal
niveau. Gezamenlijke inkoop (inkoopcombinaties) zal moeten voldoen aan de
eisen die de Mw stelt. Normaal gesproken zal
gezamenlijke inkoop, al dan niet via een branchevereniging, niet leiden tot een
beperking van de mededinging en daarmee tot toepasselijkheid van artikel 6 van de
Mw.
Hiervan zou slechts sprake kunnen zijn indien de gemeenschappelijke inkoop zou leiden tot aanzienlijke inkoopmacht
op de markten waarop
wordt ingekocht, de gemeenschappelijke inkoop leidt tot
aanzienlijke gemeenschappelijke kosten of de leden van de branchevereniging
gedwongen zouden zijn via de branchevereniging in te kopen.
Collectieve (horizontale)
en verticale afspraken over kwaliteit zijn geoorloofd, maar toetsing mag niet
door directe concurrenten plaatsvinden. Erkennings- of
certificeringsystemen zijn op zich geen probleem, maar dat kan wel het geval zijn
met de voorwaarden die eraan verbonden worden.
rblz.|14|
Vaak
worden er terecht door de verzekeraar waarnemingsafspraken verlangd als voorwaarde
voor een contract, maar de beroepsgroep eist daar vaak bepaalde zaken omheen die niet zijn toegestaan, bijvoorbeeld het uitsluiten van
parttimers en de bepaling dat het patiënten verboden is om definitief naar
een
waarnemer over te stappen.
Collectieve afspraken
over automatisering kunnen ertoe leiden dat men uitsluitend op één
automatiseerder of één clearinghouse is aangewezen. In een dergelijk geval
mag de afspraak niet tot gevolg hebben dat de mededinging voor andere
aanbieders van dergelijke automatisering merkbaar wordt beperkt. Er mag
geen sprake zijn van toetredingsbelemmeringen ten aanzien van de
toegang van (nieuwe) zorgaanbieders tot (essentiële) systemen.
Afspraken over verplichte
deelname aan overlegvormen zijn geoorloofd wanneer zij
zorginhoudelijke aangelegenheden betreffen. In geval van het hanteren van een
formularium of merkenvoorkeurslijst rijst de vraag of tengevolge van een
dergelijk formularium de mededinging op de markt van die geneesmiddelen wordt beperkt. Indien dat het geval is, zal er
sprake kunnen zijn van
overtreding van artikel 6 van de Mw.
Tegen het hanteren van algemene voorwaarden bestaat op zich geen bezwaar, maar afhankelijk
van de inhoud kunnen de voorwaarden in strijd zijn met de Mw. De NMa
beoordeelt de inhoud van algemene voorwaarden.
In dit verband zij nog
gewezen op artikel 7 van de Mw
- de zogenoemde bagatelbepaling - die
bepaalde collectieve afspraken uitzondert van het kartelverbod.
Collectieve afspraken
over prijzen/tarieven en vestiging zijn altijd verboden. Onlangs heeft
de NMa richtsnoeren ontwikkeld voor de beoordeling van samenwerking tussen
bedrijven binnen en buiten brancheorganisaties. Deze richtsnoeren kunnen
er goed toe dienen om duidelijk te maken welke rol de brancheorganisaties in het onderhandelingsproces
kunnen spelen. Zoals
hierboven vermeld, heeft de NMa inmiddels specifieke richtsnoeren voor
samenwerking in de zorgsector vastgesteld.¹
1. De richtsnoeren voor de
zorgsector en achtergrondinformatie
zijn te vinden op de website van de NMa: www.nma-org.nl [www.nmanet.nl,
red.].
Als partijen rekening
houden met het bovenstaande, zijn er voor hen verschillende
mogelijkheden om doeltreffend te contracteren bijvoorbeeld door openbare
aanbesteding of door gebruik te maken van tussenpersonen, waaronder bijvoorbeeld in
concernverband werkzame dochterondernemingen. Het ziekenfonds of het
uitvoeringsorgaan AWBZ kan de bevoegdheid om
overeenkomsten te sluiten aan derden overdragen. Tussenpersonen
worden daarmee bevoegd om namens hen overeenkomsten te sluiten. Ook bij de
inkoop van zorg door tussenpersonen geldt uiteraard dat de Mw
van
toepassing is.
De informatiserings- en
communicatietechnologie kan bij genoemde wijzen van contracteren
een grote rol spelen. Inmiddels is een wijziging van onder meer het Burgerlijk
Wetboek in werking getreden waardoor een elektronische
handtekening onder voorwaarden dezelfde rechtsgevolgen heeft als een
handgeschreven handtekening (Wet
elektronische handtekeningen, Stb. 2003, 199, in
werking getreden op 21 mei 2003).
Het oogmerk van de
herziening van het overeenkomstenstelsel is dat er substantiële afspraken
tot stand komen. Het gaat daarbij om afspraken over de hoeveelheid en de
soort prestatie(s) als ook over de wijze waarop die prestatie(s) worden
geleverd aan de verzekerden. Op lokaal niveau kan bijvoorbeeld worden overeengekomen dat een huisarts kleine verrichtingen
doet die in andere
gebieden door een medisch specialist in een ziekenhuis worden gedaan.
De afspraken in de
zorgovereenkomsten zullen het karakter van een resultaatverbintenis op
individueel niveau moeten krijgen. Partijen kunnen daarmee elkaar onderling
toetsen en afrekenen. De bepalingen in de
Zfw en de AWBZ zijn erop
gericht om de overeenkomst die betekenis te rblz.|15|
geven. Afspraken over
doelmatigheid, wachtlijstregistratie, protocollering en toetsing moeten op een
toetsbare, concrete en kwantificeerbare wijze in de overeenkomst worden
verankerd. Transparantie is van essentieel belang: de verzekeraar
dient inzicht te hebben in de wensen van de verzekerden, in de kwaliteit
van de
producten van de zorgaanbieder en in de mate waarin bepaalde
zorgvoorzieningen voorhanden zijn. De eisen die het CTZ aan de
verantwoordingsverslagen van de verzekeraars stelt, zullen hiertoe zeker
kunnen stimuleren.
Het CVZ heeft in zijn
uitvoeringstoets opgemerkt dat uvo’s en modelovereenkomsten niet noodzakelijk zijn
voor de werking van het overeenkomstenstelsel in
de
Zfw en AWBZ.
b. Het opheffen van de
contracteerplicht
In het wetsvoorstel zoals
dat ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd, werd voorgesteld de
contracteerplicht en de omgekeerde contracteerplicht in de
Zfw met ingang van 1 januari 2004 geheel op te heffen. Het eervorige
kabinet vond namelijk dat dit het beste paste in het beleid om verzekeraars
optimaal te voorzien van instrumenten om de omslag naar een
vraaggestuurd systeem te maken. Overigens zou het opheffen van de
(omgekeerde) contracteerplicht in het tweede compartiment slechts gevolgen hebben
voor zorginstellingen, aangezien voor individuele
beroepsbeoefenaren al sinds 1992 geen (omgekeerde) contracteerplicht meer
geldt.
Het eervorige kabinet
realiseerde zich dat het opheffen van de contracteerplicht tot minder zekerheid voor
instellingen zou leiden. Er ontstaan immers exploitatierisico’s
wanneer instellingen niet op voorhand zekerheid hebben over de
opbrengsten van hun activiteiten. Gevolg van deze wijzigingen kan enerzijds
zijn dat kapitaalverschaffers hogere renten aan de instellingen zouden
kunnen gaan vragen, anderzijds dat instellingen die onvoldoende
overeenkomsten met ziekenfondsen in de wacht zouden slepen, op termijn zouden
moeten sluiten. In dit verband speelt het aspect van de kapitaallasten.
Elementen hiervan zijn onder meer de verschillen die bestaan in
kapitaallasten tussen zorginstellingen en de huidige afschrijvingstermijnen.
Er is een relatie tussen de (omgekeerde) contracteerplicht en de
huidige wijze van kapitaallastenbekostiging. Op dit moment dienen
instellingen via de Wet ziekenhuisvoorzieningen (Wzv) toestemming te krijgen
voor hun investeringen in gebouwen. De Wzv kent hiervoor
verschillende procedures, waarbij afhankelijk van de omvang en het doel van de
investering lichter of zwaarder wordt getoetst. Als een investering de
procedure succesvol heeft doorlopen, worden de afschrijving en de
rentekosten van de investering op een normatieve wijze in het budget van de
instellingen opgenomen. Hierbij gelden lange afschrijvingstermijnen,
voor nieuwe gebouwen op dit moment 50 jaar. De instellingen lenen in de
regel het investeringsbedrag. Ze hebben daarbij geen problemen met het
aantrekken van kapitaal, omdat de rente en aflossing van de leningen
gegarandeerd zijn. Het budget van de instellingen, waar de kapitaallasten in
op zijn genomen, wordt namelijk via de Wtg-tarieven opgebracht
door de ziektekostenverzekeraars. De ziekenfondsen zijn verplicht met alle
instellingen te contracteren en daarbij de vastgestelde Wtg-tarieven
te betalen. Particuliere verzekeraars betalen ook deze Wtg-tarieven. Al
met al komt het erop neer dat instellingen in de huidige situatie
verzekerd zijn van vergoeding van hun kapitaallasten.
Met het afschaffen van de
(omgekeerde) contracteerplicht zullen de onzekerheden respectievelijk het
bedrijfsrisico in aanleg toenemen. Maar dit is nu eenmaal inherent aan
prestatiebekostiging. Immers, als instellingen hun middelen moeten
verwerven op grond van verrichte prestaties, dan staat op voorhand niet vast of zij al hun vaste en variabele lasten uit de
rblz.|16|
opbrengsten van hun
activiteiten kunnen bekostigen. De keerzijde is dat prestatiebekostiging
uitdaagt tot meer, beter en efficiënter presteren.
Dat een zorginstelling
moet kunnen omgaan met onzekerheden is natuurlijk niet nieuw. Stellig gaat
het niet om een abrupte overgang van een situatie zonder enige
onzekerheid naar een situatie zonder enige zekerheid. Met name het
boter-bij-de-visprincipe, dat enkele jaren terug is geïntroduceerd, brengt
al de nodige risico’s met zich. Zonder vis is er immers geen boter. Dit
houdt in dat bij een tegenvallende productie de middelen zullen
achterblijven bij de personele en materiële kosten - kosten die wegens
bestaande (arbeids)contracten niet van de ene op de andere dag kunnen worden
aangepast - waardoor instellingen in financiële problemen kunnen geraken.
Overigens zij opgemerkt dat de financiële risico’s voor de
instellingen beperkter zijn naarmate er sprake is van een schaars aanbod.
De
Raad van State raadde
in zijn advies af de contracteerplicht af te schaffen voordat er een
oplossing voor de kapitaallastenproblematiek was gevonden. In dat licht is
nogmaals nagegaan of het wenselijk is de (omgekeerde)
contracteerplicht in de
Zfw te laten vervallen. Van groot belang daarbij is dat
het in verband met het zogenoemde DBC-beleid met ingang van 1 januari
2004 ten minste mogelijk moet zijn de (omgekeerde) contracteerplicht af te
schaffen voor die vormen van zorg die in DBC’s zullen worden uitgedrukt. Het gaat hier om medisch-specialistische
zorg (ziekenhuiszorg en
zorg van zelfstandige behandelcentra), revalidatiezorg en om zorg van
dialysecentra. In het hiernavolgende wordt dit aan de hand van de
medisch-specialistische zorg uiteengezet.
Het huidige systeem van
bekostiging van de medisch-specialistische zorg is gebaseerd op de
verdeling van een macrobudget, via grofmazige parameters, naar individuele
ziekenhuisbudgetten (functionele budgettering, oftewel fb-systematiek).
Dit topdownsysteem van bekostiging heeft weinig relatie met de werkelijke prestaties en de werkelijke kosten. Het
huidige systeem geeft dan
ook niet altijd de juiste kostensignalen af. Dat kan leiden tot ongewenste
keuzen (bijvoorbeeld patiënten niet in dagopname behandelen
omdat dat verliesgevend is, maar met een opname en dus
overnachting), een slechte aansluiting bij de vraag van de patiënt, en
wachtlijsten.
Het kabinet wil
- net
als overigens het eervorige en vorige kabinet - de fb-systematiek dan ook
vervangen door een systeem op grond waarvan ziekenhuizen voor iedere
verrichte prestatie worden vergoed. In dat kader is de afgelopen jaren
onder meer een omvangrijke inspanning verricht voor de ontwikkeling van producten die geschikt zijn voor prijsvorming in
een normale markt van
vraag en aanbod, de DBC’s. De topdownbenadering van de aanbodsturing (het
stelsel van aanbodsturing) wordt dan vervangen door de bottomupbenadering van de vraagsturing
(het stelsel van
vraagsturing), waarbij - groepen van - DBC’s in lokale
onderhandelingen tussen ziekenhuizen en
zorgverzekeraars en in een competitieve omgeving worden voorzien
van een prijs.
Er bestaat een
gemeenschappelijk plan van aanpak (gpva) van de Stuurgroep DBC 2003 (verder:
Stuurgroep)
voor de invoering van DBC’s per 1 januari 2004. In het model van
het gpva worden vrije prijsonderhandelingen per 1 januari 2004 voor alle
DBC’s ingevoerd, gecombineerd met een vangnet. In september 2003 vindt
door het kabinet definitieve besluitvorming plaats over de vraag of aan de
voorwaarden is voldaan om dit scenario uit het gpva te kunnen
realiseren. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal het kabinet zich beraden over
de dan te nemen stappen per 1 januari 2004. Eén van de opties is het
toestaan van vrije prijsonderhandelingen voor een beperkt aantal DBC’s.
rblz.|17|
De
(omgekeerde)
contracteerplicht belemmert vrije prijsonderhandelingen. Gezien het voorgaande is
het dan ook noodzakelijk dat de (omgekeerde) contracteerplicht in de
Zfw met ingang van 1 januari 2004 ten minste kan worden
afgeschaft voor die DBC’s waarvoor vanaf die datum vrije prijsvorming zal
gelden. Indachtig het advies van de Raad van State
is daarom besloten om in
voorliggend wetsvoorstel niet een algehele afschaffing van de
(omgekeerde) Zfw-contracteerplicht op te nemen, maar slechts te bepalen dat de
(omgekeerde) contracteerplicht voor bij of krachtens AMvB aan te wijzen
categorieën van instellingen of vormen van zorg kan worden afgeschaft.
Afhankelijk van de besluitvorming in september 2003 zal aldus de (omgekeerde) contracteerplicht voor alle
DBC-zorg
kunnen worden afgeschaft
of slechts voor een beperkt aantal DBC’s. De contracteerverplichtingen
tussen zorgverzekeraars enerzijds en Zfw-instellingen die op 1 januari 2004 niet met
DBC-instellingen zullen
gaan werken anderzijds
zullen vooralsnog niet gewijzigd worden.
Wat betreft de
kapitaallastenproblematiek die tengevolge van dit beleid bij de DBC-instellingen
en met name bij de ziekenhuizen zou kunnen ontstaan, geldt het
volgende. Thans zijn de voorbereidingen gaande voor invoering van de DBC-systematiek per 1 januari 2004. De Stuurgroep heeft geadviseerd om per
genoemde datum vrije prijsonderhandeling voor alle DBC’s in te voeren voor
ziekenhuizen, revalidatie-instellingen, dialysecentra en zbc’s (verder ook
DBC-instellingen genoemd). Daarbij is ook de wijze van vergoeding of doorberekenen van de kapitaallasten aan de orde.
De stuurgroep heeft
geadviseerd om de eerste jaren een vangnet te hanteren. Om grote
omzetfluctuaties voor instellingen die louter te wijten zijn aan prijsstijgingen
of -dalingen tegen te gaan, wordt de omzet achteraf gecorrigeerd.
Hierbij wordt de huidige budgetsystematiek als uitgangspunt gehanteerd
en een bandbreedte om dit budget gebruikt. In de tijd neemt de
bandbreedte toe en in 2006 verdwijnt vervolgens deze bandbreedte. Bij de
bepaling van budget en bandbreedte wordt de meerproductie ten opzichte van het
voorgaande jaar verwerkt. De DBC-omzet is hierbij het uitgangspunt.
Correctie hierop zal alleen plaatsvinden bij prijseffecten. In september 2003 zal
definitieve besluitvorming door het kabinet plaatsvinden over
de te zetten stappen per 1 januari 2004. Ik verwijs hiervoor naar
mijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d.
19 mei 2003, kenmerk CZ/B 2379223.
Het kabinet zal zich
nader beraden op de te nemen stappen per 1 januari 2004. Eén van de
mogelijkheden is het invoeren van vrije onderhandelingen voor een beperkt aantal
(groepen) van DBC’s. Het wetsvoorstel faciliteert dat. De
contracteervrijheid voor delen van de zorg zal na inwerkingtreding van het voorstel bij of
krachtens AMvB geregeld kunnen worden. Op het "vrije deel" van de ziekenhuisproductie zal er in dit scenario marktwerking
ontstaan. Momenteel wordt bezien wat hierbij de meest adequate manier is
waarop de ziekenhuizen kunnen voorzien in de financiering van de bij
het vrije deel behorende kapitaallasten. Verschillende modaliteiten zijn
denkbaar. Het ene uiterste wordt bepaald door een normatieve opslag voor
de
kapitaallasten op de verder vrij onderhandelbare DBC-tarieven en wel
zodanig dat de instellingen volledig zeker blijven van vergoeding
van hun kapitaallasten. Het andere uiterste is dat de vrije onderhandelingen
de integrale DBC-tarieven betreffen. De keuze omtrent deze modaliteiten
wordt betrokken bij de hiervoor geduide besluitvorming in
september aanstaande over de per 1 januari 2004 te zetten stappen inzake de
invoering van de DBC-bekostiging.
Hoe dan ook zal niet
eerder tot volledige invoering van de DBC-bekostiging worden overgegaan dan
wanneer voor die situatie duidelijkheid bestaat over de financiering van
de kapitaallasten.
rblz.|18|
De
invoering van de DBC-systematiek vergt overigens ook wijziging van de Wtg. Deze wet zal zo
gewijzigd moeten worden dat het ziekenhuizen (en andere instellingen die
met DBC’s gaan werken, te weten, vooralsnog, revalidatie-instellingen,
dialysecentra en zelfstandige behandelcentra) verboden wordt voor andere prestaties prijzen in rekening te
brengen dan
voor DBC’s. Voorts kan
vrije onderhandeling niet tot stand komen indien het CTG tarieven voor
DBC’s
zou vaststellen. De huidige tarifering van de zorg die door DBC-instellingen wordt geleverd, zal derhalve in het beoogde
eindmodel moeten komen te
vervallen. Een Wtg-wijziging ter facilitering van het
voorgaande zal
zo snel mogelijk bij het parlement worden ingediend. Daarnaast wordt een
wetsvoorstel voorbereid dat duidelijk maakt welke DBC-informatie de DBC-instellingen aan de zorgverzekeraars dienen te verstrekken.
Het afschaffen van de
(omgekeerde) contracteerplicht voor bij of krachtens AMvB aangewezen vormen
van zorg of categorieën instellingen zal leiden tot minder
collectief onderhandelen. In feite vond de "regiovertegenwoordiging",
dat wil zeggen het voeren van
onderhandelingen door de in een regio dominante verzekeraar(s) mede namens anderen, in de omgekeerde
contracteerplicht haar
voedingsbodem. Er wordt wel de vraag gesteld of individueel
onderhandelen niet zal leiden tot een ongewenste toename van de bureaucratie. Wat dit betreft het volgende. Er blijven
zaken over waarover ook
in de toekomst collectief onderhandeld kan worden. Van belang is
welke zaken dat zijn. Wat betreft de prijs is het uit mededingingsrechtelijk
oogpunt niet geoorloofd. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen
over gezamenlijke inkoop in paragraaf 3a is opgemerkt en nogmaals gewezen op de
Richtsnoeren voor de zorgsector, zoals gepubliceerd op de website van de
NMa.
Ook zij nog opgemerkt dat aan de NMa een ontheffing voor
de machtiging of mandaatconstructie kan worden gevraagd op grond
van artikel 17 van de Mw. Daarbij moet het dan gaan om afspraken die
bijdragen tot verbetering van de productie of van de distributie, mits
een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers
ten goede komt zonder dat het overigens (onder meer) leidt tot de
mogelijkheid voor ondernemingen om voor een wezenlijk onderdeel van de betrokken goederen en diensten de mededinging uit
te schakelen. Het gaat
daarbij derhalve om de (wijze van) gezamenlijke zorginkoop als zodanig,
maar niet over mogelijke prijsafspraken; wat het laatste betreft, zal een
ontheffing in ieder geval niet gemakkelijk kunnen worden verkregen.
In de memorie van
toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel heeft het eervorige kabinet in
verband met de vraag of het opheffen van de contracteerplicht niet
leidt tot een voldoende zorgaanbod en het contracteerbeleid van
verzekeraars het volgende geschreven.
"Er hoeft niet voor te
worden gevreesd dat er als gevolg van het afschaffen van de
contracteerplicht niet voldoende zorgovereenkomsten tot stand zullen komen.
De zorgplicht die de verzekeraars in de sociale ziektekostenverzekeringen
hebben, stimuleert verzekeraars voldoende om overeenkomsten tot stand
te brengen waarmee zij de aanspraken van hun verzekerden kunnen
waarborgen. Mocht dit niet het geval zijn, dan kan een verzekerde die daardoor
wordt benadeeld zijn verzekeraar daarop - in het uiterste geval eventueel
in rechte - aanspreken. Ook hoeft er niet voor te worden gevreesd dat de
keuzevrijheid van verzekerden als gevolg van het afschaffen van de
contracteerplicht zal worden beperkt, zoals het CTG heeft opgemerkt. De
verzekerde kan, wanneer hij ontevreden is over de zorginkoop van zijn
verzekeraar, jaarlijks van verzekeraar veranderen. Van belang in dit verband is
dat ziekenfondsen een acceptatieplicht hebben".
Daaraan kan nog worden
toegevoegd dat wanneer de verzekerde dringend zorg nodig zou hebben van
een instelling die niet door zijn verzekeraar is gecontracteerd, de
verzekeraar hem altijd nog op grond van rblz.|19|
artikel 9
Zfw toestemming
kan geven om de zorg toch bij die instelling in te roepen. Mocht hij
onbewust bij een niet door zijn verzekeraar gecontracteerde instelling
terechtkomen,
dan zal hij - net als nu al het geval is bij individuele
beroepsbeoefenaren waarvoor al geen contracteerplicht geldt - te horen
krijgen dat hij zich beter tot een andere instelling kan wenden, omdat hem daar wel
hulp in natura kan worden geboden en hij zijn kosten anders niet
vergoed krijgt.
Contracteerplicht AWBZ
Het moderniseringstraject
voor de caresector zal gefaseerd plaatsvinden. Het bestaande artikel 45
van de AWBZ geeft al naargelang de ontwikkelingen voldoende mogelijkheden
om de contracteerplicht in de AWBZ gefaseerd en sectorgewijs
op te heffen. Het artikel wordt wel enigszins aangepast. Bij de
modernisering van de AWBZ is een speerpunt de functiegerichte
omschrijving van de aanspraken. De mogelijkheid die artikel 45 AWBZ
reeds
biedt voor het opheffen van de contracteerplicht - bij AMvB voor
categorieën instellingen - wordt daarom met de functiegerichte omschrijving van zorg in
overeenstemming gebracht. Dit in verband met het feit dat
instellingen tegenwoordig meerdere vormen van zorg kunnen verlenen. Bij
een gefaseerde afschaffing van de contracteerplicht kan het zich voordoen dat
de contracteerplicht voor één of meer vormen van zorg geleverd
door een instelling wordt afgeschaft en voor één of meer andere
vormen, geleverd door diezelfde instelling, voorlopig nog wordt gehandhaafd.
Zoals opgemerkt in de
brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
d.d. 17
juli 2001 (Kamerstukken II 2000-2001, 26 631 en 25 657, nr. 14) wordt
voorshands de beleidsprioriteit gelegd bij het verruimen van het
toelatingsbeleid voor instellingen.
Volgens de NMa is er in
de AWBZ niet of nauwelijks sprake van marktwerking en van marktconforme financiële
prikkels.¹ Verzekeraars, namens
hen de zorgkantoren, zijn
voor hun uitgaven in de AWBZ niet gebudgetteerd. Afgezien van de vraag of
dit wenselijk of mogelijk is, wordt de huidige situatie in de
AWBZ vooral gekenmerkt door instellingsbudgettering en niet door
verzekeraarbudgettering. Het opheffen van de contracteerplicht in de
AWBZ heeft gevolgen voor de uitvoeringsorganisatie van de AWBZ
(zorgkantoor). In de nota Vraag aan Bod wordt daarover opgemerkt dat de
stap naar een eenduidige uitvoeringsstructuur (overname van de functie
van het zorgkantoor door verzekeraars) niet eerder wordt gezet dan
dat de invoering van een algemene verzekering voor de curatieve zorg
heeft geleid tot een uniform verzekeringslandschap waarin alle
zorgverzekeraars aan dezelfde wettelijke bepalingen en economische prikkels onderhevig zijn.
Wel zijn per 1 april 2003 een aantal maatregelen in het kader van de modernisering van de AWBZ
ingevoerd die de marktwerking in die sector beogen te verbeteren. De
NMa heeft een informatie- en consultatiedocument gepubliceerd, waarop
partijen kunnen reageren. Met inachtneming van de reacties van betrokkenen zal de NMa haar visie op de marktwerking
in de AWBZ-sector
neerleggen in een "Visiedocument AWBZ". Naar verwachting wordt
dit document in het derde kwartaal van 2003 gepubliceerd.
1. Besluit
directeur-generaal NMa d.d. 10 maart 1999, zaaknummer
181/Ontheffingsaanvraag zorgkantoren.
c. Het wegnemen van
belemmeringen voor hulp in het buitenland
De toegenomen mobiliteit
van de Europese burger stelt eisen aan de wijze waarop in zijn
gezondheidszorg wordt voorzien. Weliswaar zijn de lidstaten vrij wat
betreft de wijze waarop zij hun stelsels van sociale zekerheid inrichten, maar zij
moeten daarbij wel rekening houden met de bepalingen uit het EG-verdrag.
Illustratief daarvoor zijn de inmiddels algemeen bekende arresten van het
Europees Hof van Justitie in de zaken-Kohll en -Decker (C-158/96 en
C-120/95). Centraal in deze arresten staat dat de rblz.|20|
lidstaten hun stelsels
van gezondheidszorgverzekering niet zodanig mogen inrichten dat deze
een directe of indirecte belemmering vormen voor het vrije verkeer
van personen, goederen en diensten. Deze omwikkeling gaat aan Nederland
uiteraard niet voorbij.
Het Nederlandse systeem
van sociale ziektekostenverzekeringen wordt gekenmerkt door het
naturasysteem. Overeenkomsten zijn daarbij onontbeerlijk. Onder bepaalde
omstandigheden is het voor verzekerden mogelijk om al dan niet met
toestemming voor gefinancierde hulp naar het buitenland te begeven.
Als gevolg van het eerder vermelde arrest van het Europees Hof in de
zaken-Müller-Fauré en -Van Riet (C-385/99) is het mogelijk om zonder voorafgaande
toestemming van het ziekenfonds extramurale hulp buiten Nederland toch vergoed te krijgen.
In het kader van het
naturastelsel hebben sommige verzekeraars overeenkomsten met buitenlandse
zorgaanbieders gesloten, waardoor verzekerden op eenzelfde wijze als
in Nederland zorg in het buitenland kunnen ontvangen. Een
verzekeraar kan het uit het oogpunt van doelmatigheid, wachttijden alsook met
het oog op de keuzevrijheid van verzekerden van belang achten om zorg in
het buitenland in te kopen. Daarom wordt met dit wetsvoorstel door de
aanpassing van het begrip "instelling" nog eens onderstreept dat verzekeraars zich bij hun reguliere zorginkoop niet
behoeven te beperken tot
instellingen in Nederland. Door een uitbreiding van de definitie van het
begrip "instelling" kunnen zij het aanbod in het buitenland bij hun zorginkoop betrekken, waardoor zij selectiever kunnen
inkopen. De te
contracteren instellingen moeten wel zorg verlenen in het kader van een in dat land
bestaand stelsel van sociale zekerheid, dan wel zorg verlenen aan
bepaalde groepen van publieke functionarissen. De verzekeraar beoordeelt in
het kader van zijn contracteerbeleid of de instelling in het
buitenland kwalitatief goede en doelmatige zorg verleent. Naar verwachting sorteert
de maatregel vooral effect in de grensgebieden, maar het aanbod in het
buitenland kan ook van belang zijn in het geval dat er in Nederland
sprake is van onaanvaardbare wachttijden in de gezondheidszorg.
Overigens wordt met dit
wetsvoorstel door middel van wijziging van de artikelen 9
Zfw en 10 AWBZ de ruimte geschapen om de gevolgen van het
arrest-Müller-Fauré/Van
Riet te regelen (zie ook paragraaf 3a
Natura/restitutie).
4. De uitvoeringstoetsen
De voornemens tot
herziening van het overeenkomstenstelsel zijn, met het verzoek om een
uitvoeringstoets te verrichten, voorgelegd aan het CVZ, het
CBZ, de College
sanering ziekenhuisvoorzieningen (CSZ) (laatstgenoemde colleges na
inwerkingtreding van de Wez College bouw respectievelijk College sanering genoemd), het CTG en de toenmalige
Commissie toezicht
uitvoeringsorganisatie, thans College toezicht zorgverzekeringen (CTZ) genaamd.
In
het wetsvoorstel is
getracht zoveel mogelijk rekening te houden met de resultaten van en
opmerkingen in de uitvoeringstoetsen. In dit hoofdstuk wordt een samenvatting
van de bevindingen van de genoemde uitvoeringsorganen ten
aanzien van de voornemens weergegeven.
4.1. Bevindingen van het
CVZ
Het CVZ
merkt in zijn
rapport "Herziening overeenkomstenstelsel" ¹ op dat de toegenomen betekenis
van de sturende rol van de verzekeraars en de beperkingen die de Mw
stelt aan collectief optreden, maken dat individuele zorgverzekeraars en
zorgaanbieders een forse extra inspanning moeten leveren om de benodigde zorgovereenkomsten te sluiten. De
rblz.|21|
nadruk komt meer te
liggen op de individueel afgesloten overeenkomsten. Aanhaken en gezamenlijke
inkoop zijn niet meer vanzelfsprekend, omdat altijd beoordeeld moet
worden of dergelijk gedrag tot een merkbare beperking van de
mededinging leidt. Er zou meer speelruimte voor verzekeraars moeten komen
zoals een
ruimer zorgaanbod en meer ruimte om in prijs te variëren,
anders wordt de extra administratieve last als onproductieve bureaucratie ervaren,
waardoor het draagvlak voor het voorgenomen beleid in gevaar komt. In
dit verband kan worden opgemerkt dat zowel het wetsvoorstel Wez
(Kamerstukken
II 2000-2001, 27 659, nrs. 1-3) als ook de Wtg-notitie
"Speelruimte en verantwoordelijkheid" (Kamerstukken II 1999-2000, 27
156,
nr. 2) daarvoor diverse aanzetten geven.
De reden voor het
afschaffen van de uitkomsten van overleg en de modelovereenkomsten kan volgens het
CVZ niet
gelegen zijn in het mededingingsrecht. Uvo’s
en modelovereenkomsten vormen op dit moment hoogstwaarschijnlijk een met het EG-verdrag strijdige
belemmering
van het vrije verkeer van
goederen en diensten. Uvo’s en modelovereenkomsten zijn toegespitst op de
Nederlandse situatie. Daardoor kunnen in het buitenland
gevestigde zorgaanbieders geen overeenkomsten sluiten die in
overeenstemming zijn met de geldende uvo of modelovereenkomst.
Het College merkt op dat
het afschaffen van de contracteerplicht naar verwachting wel leidt tot
ruimte voor mededinging. Verzekeraars kunnen als gevolg daarvan niet
langer meer gezamenlijk onderhandelen met ziekenhuizen of andere
zorgaanbieders.
Het College heeft het
niet zinvol geacht om rapport uit te brengen over de gevolgen van het
afschaffen van de uvo’s en de modelovereenkomsten in de AWBZ
aangezien de
modernisering van de AWBZ nog onderwerp van discussie is. Hierover
kan opgemerkt worden dat zolang de contracteerplicht in de AWBZ nog gehandhaafd blijft, gezamenlijke afspraken over
zorginkoop door het
zorgkantoor in ieder geval niet als mededingingsbelemmerend kunnen worden gezien,
omdat er dan van marktwerking in de caresector niet of nauwelijks sprake kan zijn.
Het CVZ geeft aan het
eind van zijn rapport een overzicht van de conclusies over de concrete door de
Minister van VWS gestelde vragen:
1. Uvo’s en
modelovereenkomsten vervullen een nuttige functie in het huidige
overeenkomstenstelsel, maar zijn niet onmisbaar voor het functioneren van dat
stelsel. Het afschaffen van de uvo’s en modelovereenkomsten leidt overigens op
zichzelf niet tot een beter functioneren van dat stelsel, maar kan daar wel een bijdrage aan leveren. Het
CVZ is van mening dat de
grond voor afschaffing van de uvo’s en modelovereenkomsten ook
gevonden kan worden in de mogelijke strijdigheid met de
EG-bepalingen over het vrij verkeer van goederen en diensten. Uvo’s en
modelovereenkomsten zijn immers toegespitst op de Nederlandse
situatie, terwijl de zorginkoop ook over de grens mogelijk moet zijn.
2. De wettelijke
bemoeienis met de inhoud van de overeenkomst dient zich gelet op de
budgettering van de zorgverzekeraars te beperken tot een minimum. Het CVZ
pleit er daarom voor dat in de wet geen dwingendrechtelijke
bepalingen over de inhoud van de zorgovereenkomst worden opgenomen. Een zorgovereenkomst dient wel
op een kenbare en
controleerbare wijze vooraf te zijn vastgelegd en van beperkte duur te
zijn.
3. De mogelijkheden voor
verzekeraars om ten behoeve van "verre" verzekerden
overeenkomsten te sluiten, zijn beperkt vanwege de noodzaak om voor een beperkt
aantal verzekerden grote aantallen overeenkomsten te sluiten en de
mogelijke onwil bij zorgaanbieders om voor een paar patiënten een
overeenkomst te sluiten. In het uiterste geval kan een verzekeraar
besluiten zijn werkgebied te verkleinen.
4. In het belang van de
verzekerden dienen verzekeraars in verband met de "verreverzekerdenproblematiek" om twee redenen doorlopend te
rblz.|22|
worden gevolgd om zo nodig
maatregelen te kunnen nemen. Als alle verzekeraars besluiten
hun werkgebied te verkleinen, zou dit tot gevolg kunnen hebben dat een
verzekerde zich niet kan inschrijven bij een verzekeraar. Als een
verzekeraar onvoldoende zorgovereenkomsten sluit en daarmee zijn
zorgplicht niet nakomt, kan de verzekerde daarvan de dupe worden.
5. De diverse bestaande
wettelijke voorzieningen voor contractloze periodes, inclusief de
bevoegdheid van de minister om een restitutiemaatregel te treffen ter
overbrugging van een contractloze periode, kunnen worden geschrapt.
Wel is het nodig een beperkte wettelijke voorziening te treffen
die, als de bescherming van de belangen van verzekerden daartoe
noodzaakt, het mogelijk maakt dat de overheid (bijvoorbeeld het CVZ)
kan besluiten tot het toestaan van de mogelijkheid tot restitutie bij een
collectieve weigering van zorgaanbieders om overeenkomsten te sluiten
in de bepaalde situaties.
6. De contracteerplicht
van verzekeraars ten opzichte van zorginstellingen kan, gelet op de Mw,
slechts worden afgeschaft als de financiering van die instellingen niet
meer geschiedt op basis van een collectieve afspraak van alle
verzekeraars met de instelling. De contracteerplicht van zorginstellingen
jegens verzekeraars kan dan ook worden afgeschaft.
7. Het wegnemen van met
het EG-verdrag strijdige belemmeringen van het vrij verkeer van
diensten omvat meer dan alleen de toelating van instellingen. Het
verdient de voorkeur in het buitenland (Europese Economische Ruimte)
gevestigde instellingen niet op grond van de
Zfw en AWBZ categoriaal
toe te laten, maar om de definitie van instellingen te wijzigen. Het is dan
mogelijk de zorgverzekeraars te laten toetsen of de betreffende
instelling gekwalificeerd en gerechtigd is in het land van vestiging de
betreffende zorg te verlenen.
1. Rapport uitgebracht aan
de Minister van VWS op 21 december 2000,
publicatie CVZ, nr. 41.
4.2. Bevindingen van het
CTG
Het CTG is van mening dat
de afschaffing van de uvo’s en modelovereenkomsten geen directe gevolgen zal
hebben voor de uitvoering van de Wtg
voor wat betreft
de instellingen, maar voor de vrije beroepsbeoefenaren zal leiden tot hogere
transactiekosten die de aanbieders vertaald willen zien in
hogere tarieven. Hierboven is in paragraaf 3a ingegaan op de
mogelijkheden om
doeltreffend en eventueel met behulp van de informatiserings- en
communicatietechnologie te contracteren. In dit verband kan nog worden
opgemerkt dat de inzet die brancheorganisaties gewend zijn op landelijk
niveau in te zetten voor collectieve onderhandelingen voortaan in adviserende
zin naar de individuele leden kan worden ingezet. Ook kunnen zij
voorbeeldcontracten ontwikkelen, waarmee hun leden hun voordeel kunnen
doen.
Het College stelt dat de
afschaffing van de contracteerplicht - waardoor het gezamenlijk optreden
van verzekeraars niet langer vanzelfsprekend is - ertoe leidt dat de
vaststelling van een integraal instellingsbudget op basis van een individuele
kostenbeoordeling onuitvoerbaar wordt. De individuele kostenbeoordeling zou echter kunnen worden vervangen door
een andere
bekostigingssystematiek. Het College merkt op dat de beoogde flexibiliteit en
dynamiek ook binnen het huidige stelsel van individuele kostenbeoordeling
mogelijk zijn. Dat zou kunnen worden gerealiseerd door het inbouwen van
gradaties van vrijheden, maar dat heeft vergaande consequenties
voor zowel de planning als de bekostiging van de zorg.
4.3. Bevindingen van het
CBZ
Het CBZ is van mening dat
het afschaffen van de contracteerplicht een belangrijke pijler
wegslaat onder de samenhang in het stelsel. Er zou een rblz.|23|
keuze moeten worden
gemaakt tussen een stevige overheidsrol en een marktsysteem. De keuze
heeft gevolgen voor capaciteitsbepaling van voorzieningen, het
rendement van de bouw, de budgettering en de thans van toepassing zijnde
financiële kaders op macroniveau.
Ervaringen met het
loslaten van de contracteerplicht bij de revalidatiezorg wijzen op ongunstige
effecten voor de financiering van kapitaalgoederen. Het College pleit daarom
voor aanvullende voorzieningen om minder gewenste effecten te
mitigeren.
Voor instellingen zal het
loslaten van de contracteerplicht leiden tot hogere
financieringslasten, vanwege de noodzaak tot vermogensopbouw en stijging van de rente.
Het College bepleit een overgangstraject waarbij geleidelijk de condities
op de zorgmarkt worden gecreëerd om het contracteerbeleid een
reële werking te geven.
Hierboven is in paragraaf 3b ingegaan op mogelijk hogere financieringslasten voor instellingen als
gevolg van het afschaffen van de contracteerplicht.
4.4. Bevindingen van het
CSZ
Het CSZ is van mening dat
zekerheden door de marktwerking zullen afnemen en er individuele
prijzen zullen komen. Dat kan ertoe leiden dat een aantal instellingen
in financiële problemen komt. De richtlijnen die het CTG hanteert bij het
oplossen van financiële problemen voorzien niet in situaties die een gevolg
zijn van het vervallen van de contracteerplicht.
Het
College sanering komt
in beeld als de rol van het CTG is uitgespeeld. Als er onder de huidige
stand van de wetgeving sluitingsbeslissingen moeten worden genomen, zal
het CSZ een aanvullende rol kunnen blijven vervullen.
Het CSZ wil eventuele
nadere opmerkingen maken nadat duidelijk is dat het stelsel van
aanbodplanning wordt gewijzigd.
4.5. Bevindingen van het
CTZ
De CTU, sinds 1 april
2001 het College toezicht zorgverzekeringen geheten (CTZ), vraagt aandacht
voor de te verwachten forse toename van inspanningen die de maatregelen
opleveren voor verzekeraars en aanbieders en voor de gevolgen van met
name de beoordeling van de financiële rechtmatigheid als de partijen er niet
in slagen tijdig de benodigde overeenkomsten te sluiten. Daarvoor moet
wettelijk een overgangstermijn worden vastgelegd. Aan de hand
van de nieuwe situatie moeten er nadere maatstaven worden ontwikkeld om te
kunnen beoordelen in hoeverre een verzekeraar daadwerkelijk ervoor zorg draagt dat zijn verzekerden de wettelijke aanspraak
kunnen realiseren.
Het College heeft niet
beoordeeld wat de gevolgen zijn van de afschaffing van de uvo’s en modelovereenkomsten in de
AWBZ.
Hoewel het buiten het
kader van haar toezichttoets valt, hecht de CTU eraan om op te merken dat
de ontwikkeling naar een inhoudelijker en dynamischer
overeenkomstenstelsel positief is. De maatregelen vormen volgens de CTU een eerste
stap in die richting.
5. Waarborging van
kwaliteit en doelmatigheid van de zorg
Er is uitdrukkelijk voor
gekozen om in het overeenkomstenstelsel zoals dat in de
Zfw en de AWBZ is neergelegd geen nadere kwaliteitseisen op te nemen. Waarborging van
kwaliteit wordt gerealiseerd doordat zorgaanbieders zich ten minste dienen te
houden aan de voor de desbetreffende categorie zorgaanbieders geldende kwaliteitswetten (de Wet beroepen in
de individuele
gezondheidszorg en de Kwaliteitswet
zorginstellingen). In deze kwaliteitswetten
wordt geen onderscheid gemaakt tussen groepen verzekerden die van de
zorg gebruik maken, hetgeen de rechtsgelijkheid rblz.|24|
tussen ziekenfonds-,
niet-ziekenfonds- en publiekrechtelijk verzekerden bevordert.
Waarborging van
doelmatigheid dient zowel in enge als in brede zin te worden gerealiseerd.
Doelmatigheid in enge zin houdt onder meer in dat afspraken gemaakt worden
over protocollering, over de hantering van "medische standaarden"
en over de verantwoording ten behoeve van de materiele controle.
Doelmatigheid in brede zin komt neer op afspraken over vergelijkende
kwaliteitsbewaking. Benchmarking is een instrument ten behoeve van die
kwaliteitsbewaking. Kwaliteitsbewaking dient plaats te vinden voor iedere
patiënt, ongeacht de wijze waarop deze tegen ziektekosten is verzekerd, maar is
voor het ziekenfonds van groot belang voor zijn verzekerden en voor
zijn zorginkoopbeleid.
6. Toezicht
Nu de verplichting tot
collectief overleg op landelijk niveau wordt geschrapt, ontstaat een
situatie waarin de onderhandelingen op het laagste niveau (tussen
verzekeraar en aanbieder) bepalend zijn voor de afspraken over de zorg.
Het CVZ heeft niet langer de taak om collectieve overeenkomsten goed te
keuren. Er is derhalve geen sprake meer van enige beoordeling vooraf.
Het CTZ heeft tot taak
toezicht uit te oefenen op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de
wettelijke ziektekostenverzekeringen door de zorgverzekeraars. Daarbij
gaat het zowel om de financiële rechtmatigheid als om een rechtmatige en
doelmatige uitvoering door de zorgverzekeraars. Als gevolg van de
inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Wet
instelling College van toezicht op de zorgverzekeringen (Stb. 2001, 23) moeten verzekeraars de
noodzakelijke maatregelen treffen om te garanderen dat zij recht- en doelmatig handelen. Daarover moeten zij
vóór
1 maart volgend op het
verslagjaar verantwoording afleggen door middel van een
uitvoeringsverslag en een financieel verslag aan het CTZ en het CVZ.
Het CTZ bewaakt daarbij
onder meer of aan elke uitgave voor een verstrekking een
rechtsgeldige overeenkomst ten grondslag ligt. Ook bewaakt het CTZ dat een
zorgverzekeraar er door het sluiten van overeenkomsten zorg voor draagt dat zijn
verzekerden de wettelijke aanspraken op zorg tot gelding
kunnen brengen. Daarbij moet hij de nodige maatregelen treffen ter voorkoming
van onnodige verstrekkingen en van uitgaven welke hoger dan
noodzakelijk zijn. Naast het toezicht op de individuele zorgverzekeraar heeft het
CTZ ook een signalerende taak met betrekking tot het
functioneren van de uitvoeringsorganisatie en de rechtmatige en doelmatige uitvoering
van de wettelijke ziektekostenverzekeringen als geheel.
De voorgestelde
maatregelen leveren voor het CTZ geen wijziging op ten aanzien van het toezicht
of aan de verstrekking een rechtsgeldige overeenkomst ten grondslag ligt. Wel
zal er in de toekomst naar verwachting sprake zijn van meer
verschillende overeenkomsten.
Over de inspanningen die
zorgverzekeraars moeten verrichten in het onderhandelingsproces
vergaart het CTZ informatie. Hij kan dit doen door eisen te stellen aan de
inhoud van de verantwoordingsverslagen. Zorgverzekeraars hebben er daarom ook zelf
belang bij die eisen in de overeenkomst waar relevant te vertalen
in concrete en zo nodig afdwingbare afspraken.
Het CTZ rekent het tot
zijn taak te signaleren of er in Nederland gebieden ontstaan die niet meer
(of door onvoldoende) zorgverzekeraars of overeenkomsten worden gedekt, waardoor
de toegankelijkheid van zorg onvoldoende is
gewaarborgd.
rblz.|25|
Flankerende maatregelen
Voor de herziening van
het overeenkomstenstelsel in de sociale ziektekostenverzekeringen is een wijziging
van de AWBZ en de
Zfw noodzakelijk. Voor het beoogde effect
is echter meer nodig dan alleen wetswijziging. Alle betrokkenen - zorgverleners, verzekeraars, zelfstandige bestuursorganen en de overheid
- zullen op
de nieuwe situatie moeten inspelen. Een adequaat
handhavingsbeleid met betrekking tot het overeenkomstenstelsel door het CTZ en de NMa is
daarbij een voorwaarde. Beide toezichthouders kunnen sancties opleggen
wanneer de praktijk zich niet aan de regels houdt.
De verzekeraar zal
adequaat moeten inspelen op de gewijzigde situatie en inzicht moeten bieden in
zijn contracteerbeleid c.q. zijn beleid ter bevordering van de doelmatigheid in
de zorg. Dat contracteerbeleid zal ook in zoverre transparant
moeten zijn dat verzekeraars in hun polisvoorwaarden duidelijk aangeven bij
welke zorgaanbieders de verzekerden terechtkunnen en wijzigingen tijdig aan
de verzekerden meedelen. Uitvoeringsverslagen van verzekeraars die
nuttige informatie bevatten over verzekeraars moeten voor een groter
publiek toegankelijk worden gemaakt opdat verzekerden beter in
staat zijn om welbewust te kiezen voor een verzekeraar. Er wordt naar gestreefd
om reeds per 1 januari a.s. de uitvoeringsverslagen van de ziekenfondsen voor
een bredere groep toegankelijk te maken. Daarnaast wordt
subsidie verleend aan de Nederlandse patiënten- en consumentenfederatie, de
NPCF, en de Consumentenbond om methodes te ontwikkelen
om de transparantie te bevorderen en het beleid van zorgverzekeraars te
beïnvloeden, waardoor rekening wordt gehouden met de vraag van de
verzekerden.
Bij dit alles is van het
grootste belang dat de inbreng van de verzekerde wordt gewaarborgd. Een naturaverzekering met vraagsturing vraagt om
een duidelijke inbreng
van de verzekerde. De verzekeraar vertegenwoordigt immers zijn verzekerden
bij de onderhandelingen over de contracten op grond waarvan de zorg
aan hen wordt verleend. De positie van de verzekerde verdient het
daarom om verder te worden versterkt. Onder andere door de invoering
van verzekerdenpanels met behulp van consumentenorganisaties die zorgaanbieders, ziekenfondsen en zorgkantoren
stimuleren tot een meer
op de vraag afgestemde gezondheidszorg.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikelen I, onderdeel
A,
en II, onderdeel A
Ziekenfondsen en
uitvoeringsorganen in de zin van de AWBZ (verder
uitvoeringsorganen
AWBZ genoemd) mogen naar de letter van de huidige
Zfw en AWBZ
alleen contracten sluiten met instellingen die door het CVZ
zijn toegelaten
(artikelen 1, eerste lid, onderdeel f, juncto
8a juncto 44, eerste lid,
Zfw, en artikelen 1, onderdeel d, juncto
8 juncto 42, eerste lid,
AWBZ). In de
praktijk sluiten ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ ook contracten met
niet-toegelaten, in het buitenland gevestigde instellingen
die in het buitenland zorg verlenen. Dit past ook binnen het Europese
recht. Om te verhelderen dat het vrij verkeer van diensten in de zin van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag)
niet belemmerd wordt, wordt door middel van een aanpassing van de
definitie van het begrip "instelling" in de Zfw en AWBZ geregeld dat
rechtspersonen gevestigd op het grondgebied van andere landen - dus ook
de lidstaten van de Europese Unie (EU) - geen toelating behoeven om
door de uitvoerders van de Zfw en de AWBZ als een in het buitenland
zorg verlenende instelling te kunnen worden gecontracteerd. Wel geldt als voorwaarde
voor de mogelijkheid van het tot stand komen van overeenkomsten dat de buitenlandse rechtspersoon in
rblz.|26|
het kader van het in het
desbetreffende land geldende socialezekerheidsstelsel zorg verleent, dan wel
zich richt op het verlenen van zorg aan specifieke groepen van
publieke functionarissen (te denken valt bijvoorbeeld aan hospitalen voor
militairen). Aldus wordt bewerkstelligd dat de zorg van een buitenlandse
instelling waarmee een contract wordt gesloten in ieder geval
het kwaliteitsniveau heeft dat in het desbetreffende land acceptabel is. Het
is aan de ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ om na te gaan of de
buitenlandse instellingen waarmee zij een overeenkomst wensen te
sluiten aan het voorgaande voldoen.
Artikel I,
onderdeel B, H, I en N [zie art.
I, onderdeel B, I, J
en O, van de wet, red.]
Op grond van
artikel 8
Zfw hebben verzekerden aanspraak op verstrekkingen die verschillende vormen
van zorg behelzen. Deze aanspraak kan geldend worden gemaakt
jegens het ziekenfonds waarbij de verzekerde is ingeschreven. Om de
aanspraken te honoreren, dienen ziekenfondsen overeenkomsten te sluiten
met personen en instellingen die de zorg kunnen leveren
(zorgaanbieders). Bij het opstellen van de
Zfw is ervoor gekozen het woord
"verstrekkingen" louter te gebruiken indien prestaties van de ziekenfondsen
jegens de verzekerden worden bedoeld. Prestaties van zorgaanbieders
(jegens verzekerden) zouden niet met het woord "verstrekkingen", maar
met het woord "zorg" moeten worden aangeduid. In de loop der tijd is de
Zfw vele malen gewijzigd, waarbij in enkele artikelen ten onrechte is komen te
staan dat zorgaanbieders verstrekkingen verlenen. In de
onderdelen B, H, I en N van artikel I [zie art.
I, onderdeel B, I, J
en O, van de wet, red.]
wordt dit rechtgezet.
Artikel I,
onderdeel C, P, onder 1, en T, [zie
art.
I, onderdeel D, R, onder1, en V,
van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel
O, onder 1, en R
De
Zfw en AWBZ kennen
zowel nu als na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel geen
verschil tussen aan verzekerden te betalen vergoedingen en aan
verzekerden te betalen uitkeringen. Met het oog op harmonisatie van
terminologie is besloten in de Zfw en de AWBZ slechts te spreken van
vergoedingen. Deze wijzigingen strekken hiertoe.
Artikel I,
onderdeel D, H en S, [zie
art.
I, onderdeel E, I en U,
van de wet, red.]
en artikel X
In artikel I, onderdeel
K, [zie art.
I, onderdeel L, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel H, wordt onder meer voorgesteld artikelen aan de
Zfw en
de AWBZ toe te voegen op grond waarvan het mogelijk is
bij AMvB voor in die AMvB aan te wijzen vormen van zorg ziekenfondsen
respectievelijk uitvoeringsorganen AWBZ de vrijheid te geven te
kiezen voor het direct aan de verzekerde doen verstrekken van zorg
(verstrekking in natura), dan wel de verzekerde de voor zorg gemaakte kosten
te vergoeden (restitutie).
Met het oog hierop wordt
voorgesteld artikel 1x12, tweede lid,
Zfw zo te wijzigen dat in de daar
bedoelde ministeriële regeling ook kan worden bepaald dat de
uitvoeringsorganen Zfw en AWBZ statistische gegevens betreffende vergoeding
van de voor zorg gemaakte kosten verzamelen. De artikelen over
restitutie zullen in de Zfw worden opgenomen in de paragraaf over de
aanspraken, die nu nog "Verstrekkingen" heet. Nu naast verstrekking van zorg de
mogelijkheid wordt ingevoerd om bij AMvB voor in die AMvB aan te wijzen
vormen van zorg restitutie te introduceren (naar keuze van de
ziekenfondsen), is het aangewezen de titel van paragraaf
b van hoofdstuk II van de
Zfw "De verstrekkingen en de vergoedingen" te noemen.
Artikel 83d
Zfw regelt
dat ziekenfondsen van verzekerden die, zonder daartoe gerechtigd te
zijn, opzettelijk aanspraken op verstrekkingen hebben doen gelden een
geheel of gedeeltelijk met de verleende verstrekkingen
overeenkomend bedrag kunnen vorderen. Uiteraard dient rblz.|27|
hetzelfde te gelden als
een verzekerde opzettelijk een kostenvergoeding waarop hij geen recht
had, heeft gevraagd en gekregen.
Ook de via artikel V
voorgestelde wijzigingen in artikel 4 van de Wet exploitatie zorginstellingen
hangen met de mogelijkheid van het bij AMvB introduceren van
restitutie (naar keuze van de ziekenfondsen of uitvoeringsorganen AWBZ)
samen.
Artikel I, onderdeel E
[zie art.
I, onderdeel F, van de wet, red.]
De eerste twee
wijzigingen zijn van louter terminologische aard en vloeien voort uit het Verdrag
betreffende de Europese Unie, dat per 1 november 1993 in werking is
getreden. Met de derde wijziging wordt beoogd, helderder dan dit op dit
moment het geval is, aan te geven dat de daar bedoelde personen rechten
op prestaties naar het recht van andere landen dienen te hebben.
Dit kunnen rechten op zorg zijn (naturaprestaties) of rechten op vergoeding
van voor het verkrijgen van zorg door de verzekerde
gemaakte kosten (restitutie). Het op dit moment in artikel
3, achtste lid,
gebruikte woord "verstrekkingen" wordt elders in de
Zfw op vele plaatsen
gebruikt om een verstrekking volgens het nationale recht (te weten de Zfw
zelve) aan te geven, welke verstrekking bovendien beperkt is tot een
naturaprestatie. Om verwarring te voorkomen, wordt het woord "verstrekking" in
artikel 3, achtste lid,
Zfw vervangen door het woord
"prestaties".
Artikel I, onderdeel G
[zie art.
I, onderdeel H, van de wet, red.]
Artikel
8, eerste lid,
Zfw stipuleert een aanspraak op verstrekkingen van in dat lid opgesomde vormen
van zorg en hulpmiddelen. Via het voorliggend wetsvoorstel zullen in de
Zfw enkele artikelen worden ingevoegd waarin naar vormen van
zorg wordt verwezen. Opdat niet telkens naar "vormen van zorg of
vormen van hulpmiddelen" hoeft te worden verwezen, is besloten de
opsomming in artikel 8, eerste lid, zo te
wijzigen dat alleen naar zorg
wordt verwezen. Dit betekent dat de verstrekking "hulpmiddelen" is
gewijzigd in de verstrekking "zorg bestaande uit hulpmiddelen".
Voorgesteld wordt de
inhoud van artikel 8, zesde lid,
Zfw, op te nemen in een nieuw artikel
11b Zfw, nu die inhoud ook zal moeten zien op voortzetting
- na het einde van de
verzekering - van vergoedingen van voor zorg gemaakte kosten.
Artikel I,
onderdeel H
en I, [zie
art.
I, onderdeel I en J, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel D en
E
Instellingen dienen door
het CVZ te zijn toegelaten, willen zij contractspartners van ziekenfondsen kunnen
zijn (artikel 8a Zfw). Nu wordt via het Besluit erkenning
categorieën van instellingen Ziekenfondswet een aanzienlijk aantal
soorten instellingen als toegelaten aangemerkt, maar de overige instellingen,
waaronder ziekenhuizen en revalidatie-instellingen, dienen een aanvraag in te
dienen bij het CVZ. Wordt de toelating verleend, dan dient de instelling
haar werkzaamheden te verrichten op de wijze en in de omvang overeenkomstig de
gegevens, verstrekt bij de aanvraag om
toelating, zo bepaalt
artikel 8f Zfw. Deze bepaling dient om drie redenen te worden gewijzigd. De
eerste reden is dat ook artikel 8f weer spreekt van door instellingen te
verlenen verstrekkingen. In de toelichting op artikel I,
onderdeel B, H, I en N, is reeds aangegeven dat dit onjuist is. (Dit is overigens ook de reden
van de wijziging van artikel 8a, eerste lid,
Zfw). Voorts wekt artikel
8f Zfw de indruk dat bij de aanvraag om een toelating altijd gegevens over de
omvang van de voorgenomen werkzaamheden en over de werkwijze worden
verstrekt. Met name wat betreft de omvang van de werkzaamheden is dit
echter in de praktijk vaak niet het geval, zonder dat echter de toelating
hierom geweigerd wordt. Ten slotte is het rblz.|28|
verstrekken van gegevens
over de omvang van het werk voor die instellingen waarvoor in de toekomst
de (omgekeerde) contracteerplicht voor (clusters van) DBC’s wordt opgeheven sowieso zinloos, omdat juist die
opheffing ertoe kan
leiden dat een instelling in enige periode meer of minder werkzaamheden
verricht dan verwacht. Met het oog hierop wordt voorgesteld artikel
8f Zfw zo te wijzigen dat men (tenzij de toelating anders bepaalt) slechts
verplicht is overeenkomstig de bij de aanvraag om toelating verstrekte gegevens
omtrent omvang en werkwijze te werken indien men deze gegevens heeft
aangeleverd. Artikel 8e AWBZ wordt om gelijksoortige redenen gewijzigd.
De wijziging van
artikel
8a, vierde lid,
Zfw en artikel 8, vierde lid, AWBZ beoogt slechts de plicht
tot het treffen van een AMvB om te zetten in de bevoegdheid om dat te
doen. Dit is gewenst nu de desbetreffende AMvB(’s) niet getroffen
zijn.
Artikel I, onderdeel J
(het voorgestelde artikel 9
Zfw), [zie
art.
I, onderdeel K, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel F (het
voorgestelde artikel 10 AWBZ)
Zoals in het
algemeen
deel van deze toelichting is betoogd, is uitgangspunt van de
Zfw en van de AWBZ dat de verzekerde zorg wordt verstrekt
(naturastelsel) en wel
door zorgaanbieders waarmee de ziekenfondsen respectievelijk de
uitvoeringsorganen AWBZ overeenkomsten hebben gesloten. Het
naturakarakter van de verzekeringsprestatie is geregeld in artikel
8, eerste lid,
Zfw en de plicht zich te wenden tot gecontracteerde zorgaanbieders is te
vinden in artikel 9, eerste lid,
Zfw. In de AWBZ gaat het om de artikelen 6
(zie echter ook de toelichting op artikel II, onderdeel
B) en 10. In de artikelen
44
Zfw respectievelijk 42 AWBZ is het complement op de plicht van de
verzekerde om zich tot een gecontracteerde zorgaanbieder te wenden, geregeld. In
die artikelen wordt immers geregeld dat de ziekenfondsen
respectievelijk de uitvoeringsorganen AWBZ contracten sluiten met
zorgaanbieders. Het is de bedoeling dat dergelijke contracten voor meerdere
verzekerden tegelijk worden gesloten. Dat wil zeggen dat een
verzekerde, op het moment dat hij zorg nodig heeft, terecht kan bij een reeds
gecontracteerde zorgaanbieder. De Zfw en de AWBZ sluiten echter niet
uit dat in sommige gevallen pas een contract met een bepaalde
zorgaanbieder wordt gesloten op het moment dat een verzekerde zorg van die
aanbieder behoeft.
De
Zfw en de AWBZ kennen
op het naturakarakter van de verzekeringsprestaties en de plicht zich te
wenden tot een gecontracteerde zorgverlener een aantal
uitzonderingen, dan wel maken het mogelijk bij AMvB of ministeriële regeling
dergelijke uitzonderingen te regelen. In de Zfw zijn deze uitzonderingen op
dit moment in de artikelen 9 tot en met 11 te vinden, en in de
AWBZ
in
de artikelen 10 tot en met 12.
De eerste uitzondering is
neergelegd in het huidige eerste lid van artikel 9
Zfw respectievelijk 10 AWBZ: de verplichting zich te wenden tot een door het ziekenfonds van
inschrijving gecontracteerde zorgverlener geldt niet voor gevallen, genoemd in
de AMvB krachtens artikel 8, tweede lid,
Zfw respectievelijk genoemd
in de AMvB krachtens artikel 6, eerste lid, AWBZ. In artikel I, onderdeel
I, [zie art.
I, onderdeel J, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel F, wordt voorgesteld om in de
Zfw en de AWBZ artikelen op te nemen die het mogelijk maken bij
AMvB voor één of meer
zorgvormen te bepalen dat het ziekenfonds respectievelijk het
uitvoeringsorgaan AWBZ de keuze tussen verstrekking van zorg (natura) of
vergoeding van voor zorg gemaakte kosten (restitutie) heeft. Handhaving van de
huidige uitzonderingsmogelijkheden naast deze nieuwe bepalingen is
niet zinvol. Daarom wordt voorgesteld in artikel
9, eerste lid,
Zfw respectievelijk 10, eerste lid, AWBZ de verwijzing naar
rblz.|29|
gevallen, genoemd in de
AMvB’s op grond van artikel 8, tweede lid,
Zfw en 6, eerste lid, AWBZ, te
laten vervallen.
Een tweede uitzondering
houdt verband met het feit dat het in sommige gevallen voor een
verzekerde niet mogelijk is zorg bij een door zijn ziekenfonds of uitvoeringsorgaan
gecontracteerde zorgverlener te betrekken. De huidige artikelen 9,
vierde lid,
Zfw en 10, tweede lid, AWBZ bepalen in de eerste volzin dat het
ziekenfonds respectievelijk het uitvoeringsorgaan de verzekerde in dergelijke
gevallen toestemming kan verlenen zich tot een niet-gecontracteerde
persoon of instelling te wenden indien dit voor de geneeskundige verzorging
van de verzekerde nodig is. Indien de hulpverlenende persoon of instelling
buiten Nederland is gevestigd, aldus de tweede volzin, dient
bovendien voldaan te zijn aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden. In
dit soort gevallen krijgt de verzekerde in plaats van zorg in natura een vergoeding van de kosten die hij voor de zorg heeft gemaakt
(restitutie).
Deze bepalingen kunnen,
gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 12 juli 2001, C-157/99
(Smits/Peerbooms) en van 13 mei 2003, C-385/99 (Müller-Fauré/Van
Riet), niet zonder meer gehandhaafd worden. Immers, in het arrest-Smits/Peerbooms stelde het Hof dat het hanteren van een toestemmingsvereiste voor
het betrekken van intramurale zorg in een andere EU-lidstaat is
toegestaan, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan, terwijl het Hof
in het arrest-Müller-Fauré het stellen van een eis van voorafgaande
toestemming voor het betrekken van extramurale zorg in een andere EU-lidstaat
verbiedt. Wel kunnen de lidstaten voorwaarden stellen en de hoogte van
de vergoeding aan regels binden. Door in de voorgestelde artikelen 9
Zfw en 10 AWBZ eerst te regelen dat met toestemming kan worden
afgeweken van de regel dat de verzekerde zich voor het betrekken van
zorg tot een gecontracteerde zorgaanbieder dient te wenden (derde
respectievelijk tweede lid) en daarna te regelen dat bij ministeriële regeling
wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden geen
toestemming nodig is en hoe hoog de vergoeding is, wordt voldoende ruimte
geschapen om de gevolgen van voornoemde arresten te verwerken. De
onderdelen c en d van artikel 9, vierde lid,
Zfw en artikel 10, derde lid, AWBZ geven de mogelijkheden voorwaarden te stellen waaraan de
verzekerde moet voldoen, wil toestemming kunnen worden verleend en geven
de mogelijkheid gevallen aan te wijzen waarin de toestemming niet mag
worden verleend. Deze onderdelen behelzen in wezen een vertaling van
hetgeen nu reeds op grond van artikel 9, vierde lid,
Zfw respectievelijk
artikel 10, tweede lid, AWBZ in de daar bedoelde ministeriële regeling
kan worden neergelegd.
Artikel I,
onderdeel K
en L, [zie
art.
I, onderdeel L en M, van de wet, red.],
artikel II, onderdeel H en
I, en
artikelen III en
IV
Inleiding
In de
toelichting op
artikel I, onderdeel J, en II, onderdeel F, is aangegeven dat de
Zfw en de AWBZ uitzonderingen bevatten of mogelijk maken op het aan die wetten ten
grondslag liggende uitgangspunt van naturaverstrekking door gecontracteerde
zorgaanbieders. Naast de op individuele toestemmingen gebaseerde
uitzonderingen op de plicht zorg te betrekken van
gecontracteerde zorgaanbieders (artikel 9
Zfw, artikel 10 AWBZ) bestaat op grond
van artikel 10
Zfw en 11 AWBZ de mogelijkheid bij of krachtens
AMvB te regelen in welke mate, in gevallen waarin de
verzekerde zorg heeft
gekregen of nodig heeft van een niet-gecontracteerde persoon of instelling,
zorg verstrekt of vergoed kan worden. Deze mogelijkheid
is ook daadwerkelijk gebruikt: in het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering en het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, die mede op de
artikelen 10
Zfw respectievelijk 11 rblz.|30|
AWBZ zijn gebaseerd,
wordt voor sommige situaties een uitzondering gemaakt op het beginsel
dat de zorg in natura wordt verstrekt.
Ten slotte kennen de Zfw
en de AWBZ in de artikelen 11 respectievelijk
12 de mogelijkheid om bij ministeriële regeling restitutie in plaats van zorglevering
te regelen in die gevallen waarin alle of bepaalde ziekenfondsen respectievelijk
uitvoeringsorganen AWBZ in de onmogelijkheid verkeren op voor hen aanvaardbare
voorwaarden met een genoegzaam aantal aanbieders
zorgovereenkomsten te sluiten. Het gaat hier om een noodvoorziening waarmee kan worden
voorkomen dat verzekerden het slachtoffer worden van problemen in
de totstandkoming van contracten tussen zorgverzekeraars en
zorgaanbieders. Omdat naturalevering door gecontracteerde zorgaanbieders het
uitgangspunt van de Zfw en de AWBZ is, zullen de inspanningen
bij dreigende conflicten erop gericht moeten zijn alsnog contracten te
sluiten, zodat niet snel tot het opstellen van eerder bedoelde ministeriële regeling
zal worden overgegaan.
In de artikelen I,
onderdeel K en L, [zie art.
I, onderdeel L en M, van de wet, red.]
en II, onderdeel H en I, worden twee wijzigingen op het
systeem van (mogelijke) uitzonderingen op het uitgangspunt "naturaverstrekking
door gecontracteerde zorgaanbieders" voorgesteld.
Voorgestelde
artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ
Allereerst wordt
voorgesteld in nieuwe artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ te bepalen dat bij
AMvB vormen van zorg kunnen worden aangewezen waarvoor ziekenfondsen
respectievelijk uitvoeringsorganen AWBZ mogen kiezen of zij voor de
zorg zelve zorgen (zorg in natura, waartoe contracten met zorgaanbieders zullen
moeten worden afgesloten) dan wel of zij door verzekerden gemaakte
kosten voor zorg vergoeden (restitutie). De aan te wijzen vormen van zorg
hoeven niet gelijk te zijn aan één van de in artikel
8, eerste lid,
Zfw of
artikel 2 van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering respectievelijk de in het
Besluit zorgaanspraken AWBZ opgenomen categorieën, maar mogen
ook één of meer deelcategorieën binnen die categorieën
betreffen. Met het oog op de rechtszekerheid voor de cliënt dienen de
ziekenfondsen respectievelijk uitvoeringsorganen AWBZ wel in hun reglement op
te nemen of zij de aangewezen vormen van zorg in natura leveren of de
kosten vergoeden. Differentiatie hierin is mogelijk: zo kan een ziekenfonds
er, indien er in de AMvB meerdere zorgvormen zouden worden aangewezen,
voor kiezen de ene vorm in natura te leveren en de andere
niet. De regels in het reglement dienen zo helder te zijn dat het verzekerden
vooraf duidelijk is in welke omstandigheden hun ziekenfonds of
uitvoeringsorgaan de zorg in natura levert en in welke gevallen gemaakte kosten
worden vergoed.
De voorgestelde artikelen 11, eerste lid,
Zfw en 12, eerste lid, AWBZ bepalen uitdrukkelijk dat
het moet gaan om gemaakte kosten. Zorgverzekeraars kunnen een verzekerde die
een bij de AMvB aangewezen zorgvorm nodig heeft
derhalve niet op grond van deze artikelen vooraf een budget toekennen
waarmee de verzekerde de benodigde zorg kan kopen. Mogelijkheden tot
het vooraf toekennen van persoons- of productgebonden budgetten zijn in de
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
opgenomen. Voorts wordt opgemerkt dat de keuze voor de zorgverzekeraar zal
zijn: naturaverstrekking of vergoeding van de gemaakte kosten. De zorgverzekeraar heeft dus niet de vrijheid om in zijn
reglement te bepalen dat
slechts een gedeelte van de gemaakte kosten wordt vergoed. De
tarieven die zorgaanbieders mogen berekenen, worden door het CTG vastgesteld.
Indien maximumtarieven gelden en de zorgverlener de verzekerde dat tarief
voor geleverde zorg ook werkelijk in rekening heeft gebracht,
dient de zorgverzekeraar derhalve dat tarief vervolgens aan de
verzekerde te vergoeden. Indien een ziekenfonds van mening is dat zorg
waarvoor een maximumtarief geldt voor de bij hem rblz.|31|
ingeschreven verzekerden
voor een lagere prijs moet worden geleverd, staat hem de weg vrij
alsnog contracten met de desbetreffende zorgaanbieders te sluiten en in dat
kader een lagere prijs te bedingen. Voor zover geen tarieven gelden - hetgeen bijvoorbeeld voor
DBC’s zou kunnen worden ingevoerd
- geldt als restitutiebedrag het bedrag dat het ziekenfonds met de instelling voor de
desbetreffende DBC is overeengekomen. In het derde lid is op de
verplichting alle gemaakte kosten te vergoeden een uitzondering gemaakt,
in die zin dat de vergoeding wordt verminderd met eventueel te betalen
eigen bijdragen.
In het algemeen deel van
deze toelichting is uiteengezet dat naturaverzekeringen en het sluiten van
contracten tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders
onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hoewel restitutie juist vaak samengaat met
de vrijheid voor een verzekerde om te kiezen van welke zorgverlener
hij de benodigde zorg betrekt, is een systeem waarin een
zorgverzekeraar gemaakte kosten alleen vergoedt indien de verzekerde zorg heeft
betrokken van een door de verzekeraar gecontracteerde zorgverlener, niet
uitgesloten. Het kabinetsbeleid is erop gericht de ziekenfondsen en de
uitvoeringsorganen AWBZ op het terrein van de zorg een sterkere regie
te laten voeren. Het sluiten van contracten tussen deze zorgverzekeraars en
zorgaanbieders is één van de instrumenten die hieraan kunnen bijdragen.
Met het oog hierop is door middel van het van overeenkomstige
toepassing verklaren van de artikelen 9
Zfw respectievelijk 10 AWBZ in de tweede
leden van de voorgestelde artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ vooropgesteld dat zelfs indien bij
AMvB een vorm van zorg is
aangewezen waarvoor de
zorgverzekeraar restitutie mag invoeren en de zorgverzekeraar daarvan
gebruik heeft gemaakt, de verzekerde zich voor die zorg dient te wenden
tot een gecontracteerde zorgverlener. Dit betekent automatisch dat
verzekeraars contracten met zorgaanbieders moeten blijven sluiten.
Een dergelijk systeem van "restitutie met achterliggende
overeenkomsten" is
zinvol voor die vormen van zorg waarvoor onverkort behoefte
bestaat aan de regierol van de zorgverzekeraars en waarvoor tevens eigen
bijdragen gelden. Gekozen is voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van
alle voorwaarden voor het tot gelding brengen van een aanspraak op zorg in plaats van alleen de eerste
leden van de artikelen 9
Zfw en 10 AWBZ, omdat ook de overige leden in een systeem van "restitutie met achterliggende
overeenkomsten" moeten kunnen worden toegepast.
Overigens is "restitutie met achterliggende overeenkomsten" voor de
AWBZ niet nieuw. In artikel 6 van die wet is een dergelijke mogelijkheid
namelijk reeds opgenomen. Handhaving van deze - overigens nooit
benutte - mogelijkheid naast de mogelijkheid van artikel 12 AWBZ is niet zinvol.
Voorgesteld wordt daarom de mogelijkheid van restitutie uit artikel 6
te schrappen, zodat in dat artikel, net als in artikel 8
Zfw en bovendien in
aansluiting op de huidige uitvoeringspraktijk, het naturakarakter van de
verzekeringsprestaties in de aansprakenartikelen van de
Zfw en de AWBZ
voorop staat.
Nieuw voor zowel de Zfw
als de AWBZ is de in de vierde leden van de voorgestelde artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ neergelegde mogelijkheid te komen tot "restitutie
zonder achterliggende overeenkomsten". Dit is vormgegeven door te
bepalen dat voor die vormen van zorg waarvoor de zorgverzekeraars tengevolge van de AMvB, bedoeld in de eerste leden van de artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ, mogen kiezen tussen naturaprestaties en restitutie, tevens bij
die AMvB kan worden bepaald dat zorgverzekeraars hun ingeschrevenen kunnen
vrijstellen van de plicht zich te wenden tot een
gecontracteerde zorgverlener. Voor die vormen van zorg zal de noodzaak tot het
sluiten van contracten tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders derhalve
niet meer bestaan. Mochten als vormen van zorg waarvoor voor restitutie
zonder overeenkomsten kan worden gekozen ooit vormen van zorg worden
aangewezen waarvoor de prijzen in onderhandeling worden overeengekomen
(zoals het geval zal zijn bij DBC’s) en kiest het ziekenfonds dan inderdaad voor restitutie zonder overeenkomsten,
rblz.|32|
dan dient het ziekenfonds
de werkelijk gemaakte kosten te vergoeden. De kans dat die kosten heel
hoog zijn omdat de zorgaanbieder een hoge prijs heeft berekend, wordt
ingeperkt door het feit dat in eerder bedoelde AMvB, zoals in het algemeen
deel van deze toelichting is aangegeven, slechts getroffen zal worden voor
die vormen van zorg waarvoor voldoende concurrerend aanbod
geldt. Vindt het ziekenfonds de prijzen van één of van enkele zorgaanbieders
desalniettemin te hoog (bijvoorbeeld omdat de zorgaanbieder meer
service verleent dan uit het oogpunt van geneeskundige verzorging gewoonlijk
noodzakelijk is), dan kan het in zijn reglement bepalen dat een
verzekerde zijn toestemming behoeft om zorg bij die zorgaanbieder te
betrekken. Vindt het ziekenfonds de kosten over de gehele linie te hoog, dan
kan het zijn reglement aanpassen en weer zorg in natura gaan leveren.
Ten slotte wordt
opgemerkt dat zorgverzekeraars, indien zij voor ingevolge het eerste lid van de
artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ aan te wijzen zorgvormen besluiten op
restitutie over te gaan, daarbij tevens dienen te regelen hoe één en ander
administratief wordt vormgegeven. Naast terugbetaling van rekeningen die de
verzekerde reeds aan de zorgverlener heeft voldaan, is een stelsel
denkbaar waarin de verzekerde de rekening direct ter voldoening aan de
verzekeraar doorzendt, die deze dan namens de verzekerde (en tevens ter
voldoening van zijn eigen verplichting jegens de verzekerde) betaalt, of
zelfs een stelsel waarin de zorgaanbieder de rekening direct aan de
zorgverzekeraar zendt, die deze dan in naam van de verzekerde betaalt.
Voorgestelde artikelen
11a Zfw en 12a
AWBZ; voorstel artikel 17f Wtg te laten vervallen
De tweede wijziging
betreft de restitutie als noodvoorziening, die nu in de voorgestelde artikelen
11a Zfw en 12a
AWBZ
wordt neergelegd. De hoofdlijn, namelijk dat bij
ministeriële regeling restitutie kan worden geregeld in die gevallen waarin
onvoldoende overeenkomsten tot stand komen, is gehandhaafd. De eerste leden van deze artikelen bevatten ten opzichte
van de huidige artikelen
11
Zfw en 12 AWBZ slechts redactionele wijzigingen. Zo wordt nu bepaald dat
tot het treffen van een ministeriële regeling over kan worden gegaan
indien "een" ziekenfonds respectievelijk "een" uitvoeringsorgaan
in de onmogelijkheid verkeert voldoende overeenkomsten te sluiten. Voor zich
spreekt dat hieraan ook is voldaan indien meerdere of zelfs
alle ziekenfondsen of uitvoeringsorganen AWBZ dit probleem hebben.
Daarnaast is nu expliciet opgenomen dat de regeling tijdelijk zal zijn.
De huidige procedure om
te komen tot het restitutiebedrag houdt in dat eerst de minister in
eerder genoemde ministeriële regeling het bedrag bepaalt tot welk gemaakte
kosten worden vergoed. Vervolgens kan een op grond van artikel 46a
Zfw respectievelijk 44a
AWBZ
ingestelde commissie op grond van artikel 17f,
eerste en tweede lid van de Wtg
een tarief vaststellen dat lager is dan het
vigerende Wtg-tarief. Dit tarief wordt vastgesteld voor een door de
commissie te bepalen periode van ten hoogste zes maanden. Nadat een dergelijk tarief is vastgesteld, wordt het meegedeeld
aan de minister, die het
tarief vervolgens bekendmaakt. In artikel 17f, vierde lid, van de
Wtg wordt het zorgaanbieders verboden de verzekerden een tarief in rekening te
brengen dat hoger is dan het op grond van artikel 17f, eerste
en tweede lid, van de Wtg
vastgestelde tarief.
Indien het door eerder
bedoelde commissie vastgestelde Wtg-tarief lager is dan het door de
minister bepaalde bedrag tot welk
Zfw- en AWBZ-verzekerden voor de desbetreffende
zorg gemaakte kosten worden vergoed, geldt dus in
wezen dit lagere Wtg-tarief als maximumrestitutiebedrag. De mogelijkheid te komen
tot lagere Wtg-tarieven dan de vigerende is bedoeld
als prikkel om zorgaanbieders te bewegen rblz.|33|
alsnog overeenkomsten met
zorgverzekeraars af te sluiten. In de praktijk blijken eerder genoemde
commissies en daarmee lagere Wtg-tarieven dan de normale niet tot
stand te komen. Voorgesteld wordt daarom de artikelen 46a
Zfw, 44a AWBZ en 17f
Wtg te schrappen. Wat betreft de eerste twee artikelen is
dit geregeld door ze in de nieuwe Zfw- en AWBZ-hoofdstukken over de overeenkomsten
niet meer terug te laten keren (zie ook de toelichting op de
artikelen I, onderdeel M, en II, onderdeel K).
Derhalve zullen voor
zorgaanbieders indien de minister een regeling als bedoeld in artikel 11a
Zfw of 12a
AWBZ
heeft getroffen, de vigerende Wtg-tarieven gelden.
Zoals hiervoor reeds is
toegelicht, wordt voorgesteld in de artikelen 11
Zfw respectievelijk 12 AWBZ te regelen dat ziekenfondsen respectievelijk uitvoeringsorganen AWBZ
voor bij AMvB aan te wijzen zorgvormen mogen kiezen tussen het
leveren van zorg (naturaprestatie) of vergoeding van voor de zorg gemaakte
kosten. Indien voor de aangewezen vormen van zorg de verplichting
in stand blijft tot het sluiten van overeenkomsten tussen zorgverzekeraars
en zorgaanbieders ("restitutie met achterliggende overeenkomsten"), kan
zich, indien de zorgverzekeraar voor restitutie heeft gekozen (en de
verzekerde derhalve reeds een aanspraak op vergoeding in plaats van een
aanspraak op zorg heeft), een met het eerste lid van de voorgestelde artikelen
11a Zfw en 12a
AWBZ
vergelijkbare situatie voordoen. Daarom is het
van belang dat ook voor een dergelijke situatie de minister een
ministeriële regeling kan vaststellen. De derde leden van de voorgestelde artikelen
11a Zfw en 12a
AWBZ
voorzien hierin.
Overigens bestaat, zoals
in het algemeen deel van deze toelichting is verwoord, het voornemen
de noodvoorziening op termijn te schrappen.
Voorgestelde artikelen
11b Zfw en 13 AWBZ
De inhoud van de
voorgestelde artikelen 11b Zfw
en 12b [13, red.] AWBZ is op dit moment nog opgenomen in
artikel 8, zesde lid,
Zfw respectievelijk artikel 6, vijfde en zesde lid, AWBZ. Hetgeen in laatstbedoelde artikelen is geregeld, dient ook te gelden
indien sprake is van restitutie. Daarom is de inhoud van laatstgenoemde artikelleden in twee nieuwe artikelen opgenomen.
Voorgestelde artikelen
11c Zfw en 14 AWBZ
Het is wenselijk dat
ziekenfondsen respectievelijk uitvoeringsorganen AWBZ
bij reglement binnen
hetgeen bij en krachtens de
Zfw en de AWBZ geregeld is voorwaarden
kunnen stellen waaronder het recht op (verstrekking van) zorg
dan wel het recht op een kostenvergoeding tot gelding kan worden
gebracht. Voor de AWBZ was dit reeds geregeld in artikel
6, zevende lid,
voor de
Zfw is dit geregeld in artikel 2a
van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering. Voorgesteld wordt dit nu voor beide wetten, en
zowel voor naturaprestaties als voor vergoedingen, in de Zfw en AWBZ te
regelen.
Het belang van de
reglementen voor de verzekerden neemt toe. Zo zijn, met het oog op vergroting
van de uitvoeringsvrijheid van ziekenfondsen, enkele ministeriële
regelingen waarin aanspraken worden geregeld, ontdaan van een aantal
procedurele voorwaarden (zie de wijziging van de Regeling hulpmiddelen
1996 bij Regelingen van de Minister van VWS van 27 november 2001, Stcrt.
2001, 232, en van 17 december 2001, Stcrt. 2001, 248, alsmede de wijziging
van de Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet bij
Regeling van 2 september 2002, Stcrt. 2002, 169). De uitvoeringsruimte die de
ziekenfondsen hiermee krijgen, kunnen zij - uiteraard binnen de
grenzen van de bij en krachtens de wet geregelde aanspraken - via hun reglementen invullen. Ook spelen de reglementen
een grote rol voor vormen
van zorg die worden aangewezen in een AMvB als bedoeld in de
voorgestelde artikelen 11
Zfw en 12 AWBZ. Met het oog
rblz.|34|
hierop dienen verzekerden
zich gemakkelijk op de hoogte te kunnen stellen van de inhoud van
het reglement van het ziekenfonds of AWBZ-uitvoeringsorgaan waarbij zij zijn
ingeschreven. Aangezien reglementen besluiten zijn in de zin
van de Algemene wet bestuursrecht, dient ieder reglement na vaststelling
alsmede iedere vastgestelde wijziging daarvan in de Staatscourant, in
een dagblad of op andere geschikte wijze te worden bekendgemaakt.
Niet iedere ingeschrevene zal echter de Staatscourant of de relevante dagbladen
lezen en bovendien kent de Awb geen verplichting
geconsolideerde versies te publiceren. Met het oog daarop wordt in voorliggend
wetsontwerp voorgesteld te regelen dat de ziekenfondsen en de uitvoeringsorganen
AWBZ ervoor zorgen dat iedere verzekerde bij inschrijving en
voorts periodiek een exemplaar van het reglement of een weergave van de
inhoud daarvan ontvangt. De frequentie van het verzenden van
bijgewerkte reglementen (of de inhoud daarvan) wordt aan het ziekenfonds of
het uitvoeringsorgaan AWBZ overgelaten. Zo kan worden besloten dit ieder
jaar tezamen met de informatie over de nominale premie te doen. Maar ook
kan ervoor worden gekozen een bijgestelde versie van het reglement
telkens na wijziging van voor de ingeschrevenen relevante artikelen te
zenden.
De regering is van mening
dat de doelmatigheid van de uitvoering van de zorgverzekeringen wordt bevorderd indien verzekerden zelf kunnen kiezen
bij welk ziekenfonds zij
zich inschrijven. Ziekenfondsen die goed presteren, zullen dan immers
verzekerden winnen en slecht presterende ziekenfondsen zullen hen verliezen. De
inschrijvingsduur bij een ziekenfonds is dan ook beperkt tot één
jaar (zie artikel 17 van het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering).
Zoals hiervoor is aangegeven, zullen de reglementen aan belang winnen. Het
derde lid van de voorgestelde artikelen 11c
Zfw en 14 AWBZ beoogt
een mede op basis van de inhoud van reglementen gemaakte afgewogen keuze
van verzekerden tussen verschillende ziekenfondsen te
vergemakkelijken.
Artikel I, onderdeel M
[zie art.
I, onderdeel N, van de wet, red.]
Via
dit wetsvoorstel
wordt de mogelijkheid in de
Zfw en AWBZ opgenomen om voor bij AMvB te
bepalen zorgvormen over te gaan op een restitutiesysteem. Het
voorgestelde artikel 20 houdt daar, anders dan het bestaande artikel,
rekening mee.
Artikel I, onderdeel O,
[zie art.
I, onderdeel Q, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel M
In de huidige
Zfw- en AWBZ-hoofdstukken over de overeenkomsten tussen ziekenfondsen
respectievelijk AWBZ-uitvoeringsorganen enerzijds en zorgaanbieders
anderzijds wordt uitvoerig geregeld aan welke voorwaarden de zogenoemde uvo’s en
de modelovereenkomsten, die de individuele zorgverzekeraars bij het
sluiten van contracten met individuele zorgaanbieders in acht
moeten nemen, moeten voldoen en hoe deze tot stand moeten komen.
Daarnaast wordt geregeld dat de zorgverzekeraars jegens zorgverlenende instellingen een contracteerplicht
hebben en dat,
andersom, zorgverlenende
instellingen een contracteerplicht jegens de zorgverzekeraars hebben.
Zoals in het algemeen deel van deze toelichting uitgebreid is
beargumenteerd, wordt voorgesteld in de toekomst de overeenkomsten niet meer op basis van
uvo’s of modelcontracten vorm te laten geven. Tevens wordt
voorgesteld te regelen dat de plicht voor ziekenfondsen en
uitvoeringsorganen AWBZ enerzijds en zorginstellingen anderzijds om desgevraagd
zorgcontracten met elkaar af te sluiten (de contracteerplicht) niet
alleen ten aanzien van categorieën instellingen bij of krachtens AMvB kan
worden afgeschaft, maar ook ten aanzien van vormen van zorg. In het algemeen deel van de toelichting is reeds uiteengezet
dat de nieuwe
mogelijkheid tot het gedeeltelijk afschaffen van de rblz.|35|
contracteerplicht voor de
Zfw mogelijk al met ingang van 1 januari 2004 voor een beperkt aantal
(clusters van) DBC’s gebruikt zal worden.
De nieuwe hoofdstukken
zijn, gezien het voorgaande, korter dan de bestaande. Artikel 44
Zfw bepaald dat tussen ziekenfondsen en zorgaanbieders schriftelijke
(zorg)contracten worden gesloten. Door niet meer te verwijzen naar
"instellingen die één of meer van de verstrekkingen kunnen verlenen waarop
(...) aanspraak bestaat", maar naar "instellingen die zorg kunnen verlenen
op verstrekking waarvan (...) aanspraak bestaat", wordt
enerzijds bereikt dat de
Zfw-terminologie weer consequent wordt (zie ook de
toelichting op artikel I, onderdelen B, H, I en N) en wordt - en dat is
belangrijker - anderzijds expliciet aangegeven dat een contract niet een hele
verstrekking in de zin van een heel onderdeel van artikel
8, eerste lid,
Zfw hoeft te betreffen. Dit is van belang met het oog op de introductie van de
DBC-systematiek en daarbinnen van de vrij onderhandelbare DBC’s. Vrije
onderhandeling kan ook betekenen dat wordt afgezien van contractering. Op grond van het nieuwe
artikel 44
Zfw zal het een zorgverzekeraar of
een zorginstelling die vrij onderhandelbare DBC’s kan leveren derhalve
vrijstaan voor die DBC’s of voor een deel van die DBC’s geen overeenkomst
te sluiten. Uiteraard is dit slechts mogelijk indien tegelijkertijd de
contracteerplicht van ziekenfondsen en instellingen wordt afgeschaft. Dit is
voor vrij onderhandelbare DBC’s dan ook de bedoeling. In het
hiernavolgende wordt nader ingegaan op de wijze waarop dit zal gebeuren.
Opgemerkt wordt dat in de Aanpassingswet
richtlijn inzake elektronische handel (Kamerstukken II
2001-2002, 28 197, nrs. 1-3) wordt voorgesteld een artikel 227a aan
Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek (BW) toe te voegen, op grond waarvan
langs elektronische weg tot stand gekomen overeenkomsten als
schriftelijke overeenkomsten zijn te beschouwen, mits aan een aantal in
dat artikel opgenomen vereisten is voldaan. Op moment van
inwerkingtreding van dit nieuwe BW-artikel zullen de zorgovereenkomsten
- onder eerder bedoelde
voorwaarden - derhalve ook elektronisch tot stand
kunnen komen. De overeenkomsten mogen - inclusief eventuele verlengingen
- niet langer duren dan vijf jaar. Hiervoor is gekozen om te bewerkstelligen dat partijen zich ten minste eenmaal in de
vijf jaar beraden over de
inhoud van hun contract. De nu nog in artikel
44, tiende lid,
Zfw opgenomen
gelijkstelling van door rechtspersonen als bedoeld in artikel 14 met
bepaalde zorginstellingen afgesloten contracten met contracten als
bedoeld in artikel 44, eerste lid, keert in het nieuwe
artikel 44 niet terug.
Enerzijds niet omdat er op grond van artikel 14
Zfw geen rechtspersonen zijn
aangewezen, anderzijds niet omdat, zouden deze rechtspersonen al
worden aangewezen, hen ingevolge de redactie van artikel 14
Zfw de
bevoegdheid ontbreekt contracten te sluiten met zorginstellingen. Het op
eigen naam sluiten van contracten kan immers niet worden gezien als
het verzorgen van administratie of het uitoefenen van controle.
Ook
artikel 42
AWBZ is in
deze lijn vereenvoudigd. Hier bleek het echter nodig de door personen en
instellingen verleende zorg aan de in artikel 6 AWBZ
bedoelde
justitiepatiënten buiten het overeenkomstenstelsel te blijven houden (het
voorgestelde derde lid). De mogelijkheid voor de zorgkantoren om op eigen
naam contracten met zorgaanbieders te sluiten - nu nog opgenomen in
artikel 42, elfde lid, AWBZ - keert niet terug. Zorgkantoren contracteren wel met
zorgaanbieders, maar doen dat op basis van een overdracht van
bevoegdheden van de uitvoeringsorganen AWBZ, zodat die
uitvoeringsorganen formeel de wederpartij van de zorgaanbieders zijn. Een bepaling
volgens welke een zorgkantoor op eigen naam een overeenkomst kan
sluiten (mede) ten behoeve van verzekerden die niet bij dat zorgkantoor
maar bij andere uitvoeringsorganen AWBZ zijn ingeschreven, past niet
binnen de AWBZ.
rblz.|36|
De
voorgestelde artikelen
45
Zfw en 43 AWBZ bepalen aan welke onderwerpen in de overeenkomsten
tussen ziekenfondsen respectievelijk uitvoeringsorganen en
zorgaanbieders in ieder geval aandacht moet worden besteed. Deze
onderwerpen zijn grotendeels gelijk aan de onderwerpen waaraan op dit moment
aandacht moet worden besteed in de modelovereenkomsten en de
uvo’s. De ten opzichte van de bestaande artikelen 45
Zfw en 43 AWBZ nieuwe, in de onderdelen b opgenomen verplichting om in de
overeenkomsten ook de kwaliteit en de doelmatigheid van de te verlenen zorg
te regelen, is afkomstig uit de huidige artikelen 44, derde lid,
Zfw en 42,
vierde lid, AWBZ. De in de onderdelen d opgenomen verplichting om
in de contracten afspraken te maken over de wijze waarop verzekerden
van informatie worden voorzien, vloeit voort uit de wens het zorgaanbod
voor verzekerden transparanter te doen worden. Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat, indien het CTG op grond van de Wtg-tarieven
de gecontracteerde zorg heeft goedgekeurd of vastgesteld, de in de
overeenkomst op te nemen bepalingen over de prijs van de zorg gelijk aan
die tarieven dienen te zijn (bij punttarieven) dan wel gelijk aan of lager dan
die tarieven dienen te zijn (maximumtarieven). Gebeurt dat niet, dan
zullen de zorgaanbieders op het moment dat zij overeenkomstig de
contracten declareren in strijd met de Wtg
komen. Gaan de overeenkomsten
(mede) over vrij onderhandelbare DBC’s, dan dienen de afgesproken
prijzen in de overeenkomst te worden opgenomen.
De inhoud van de
voorgestelde artikelen 46
Zfw en 44 AWBZ is op dit moment opgenomen in de
artikelen 44, zesde lid, van de
Zfw en 42, zevende lid, van de AWBZ,
zij het dat daar bepaald is dat aan overeenkomsten gesloten in strijd met
het in de
Zfw en de AWBZ bepaalde geen rechten kunnen worden
ontleend. Nietigheid van de contracten in dergelijke gevallen sluit echter
beter aan op het in het BW
geregelde.
Artikel 47 bevat de
plicht van ziekenfondsen om desgevraagd een zorgcontract met een zorginstelling te
sluiten. Deze plicht geldt niet voor een aantal van de
categorieën instellingen die op grond van het Besluit erkenning categorieën instellingen
Ziekenfondswet geen toelating tot het verlenen van
Zfw-zorg
behoeven. Artikel 48 bevat de plicht van
instellingen om, indien het reeds een
overeenkomst met ziekenfonds A heeft, desgevraagd een gelijke
overeenkomst met ziekenfonds B te sluiten (omgekeerde
contracteerplicht). Hiervoor zagen we al dat ziekenfondsen en instellingen die met
DBC’s gaan werken voor die DBC’s die vrij onderhandelbaar zullen
zijn geen (omgekeerde) contracteerplicht dienen te hebben. Daarom is aan
de artikelen 47 en 48
Zfw de mogelijkheid toegevoegd om bij of
krachtens AMvB te regelen dat de (omgekeerde) contracteerplicht niet
geldt voor bepaalde vormen van zorg. In het licht van het voorgaande zal
het duidelijk zijn dat onder "vormen van zorg" daarbij niet per se
gehele verstrekkingen in de zin van onderdelen van artikel
8, eerste lid,
Zfw worden verstaan. Ook (kleine) delen van zo’n onderdeel zijn vormen van
zorg. Zo zal bij of krachtens eerder genoemde AMvB de (omgekeerde)
contracteerplicht voor medisch-specialistische zorg kunnen worden
opgeheven, maar ook kan besloten worden dat slechts voor één of meer
specialismen te doen (bijvoorbeeld alleen voor orthopedie), dat slechts
voor bepaalde clusters van DBC’s binnen een specialisme te doen
(bijvoorbeeld knie-ingrepen binnen de orthopedie) of zelfs voor individuele
DBC’s (bijvoorbeeld de DBC "reguliere zorg/meniscuslaesie/operatief
poliklinisch").
In
artikel 1, onderdeel
f,
onder 2º, Zfw worden bepaalde buitenlandse instellingen die in het
buitenland zorg aan Zfw-verzekerden verlenen onder de definitie van
"instellingen" gebracht. Het EU-recht brengt met zich dat aan deze
instellingen geen omgekeerde contracteerplicht mag worden opgelegd. Immers,
daarmee zouden op basis van de Nederlandse rblz.|37|
wetgeving beperkende
voorwaarden worden opgelegd aan volgens het buitenlands recht louter in het buitenland werkende instellingen. Daarom ziet de
contracteerplicht van artikel 47 alleen op instellingen met een toelating,
dat wil zeggen instellingen die in Nederland zorg verlenen.
De voorgestelde
artikelen
45 en 46 AWBZ bevatten de contracteerplicht en de omgekeerde
contracteerplicht in de AWBZ. Ook in deze artikelen is de mogelijkheid opgenomen
bij of krachtens AMvB voor daarin aan te wijzen zorgvormen de
contracteerplicht op te heffen. De reeds in de AWBZ opgenomen mogelijkheid om dit
voor
categorieën instellingen te doen, wordt daarnaast gehandhaafd. De
nieuwe mogelijkheid leidt ertoe dat, wanneer in de toekomst
instellingen meerdere vormen van zorg gaan leveren, die instellingen voor de ene
vorm van zorg van de contracteerplicht kunnen worden vrijgesteld en
voor de andere niet. Dit kan met name van belang zijn in het kader van de
functiegerichte omschrijving van aanspraken AWBZ, die met de inwerkingtreding van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ
op 1 april 2003 is gaan
gelden. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat ook hier met "vormen
van zorg" niet per se hele onderdelen als bedoeld in artikel
2,
eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ worden bedoeld. Overigens
bestaan er, anders dan bij de Zfw, geen voornemens om met ingang van 1
januari 2004 DBC’s in de AWBZ in te voeren, zodat ook geen sprake zal
zijn van afschaffing van de (omgekeerde) contracteerplicht AWBZ
voor (clusters van) DBC’s.
De artikelen
46a Zfw en 44a
AWBZ
komen in onderhavig wetsvoorstel niet terug. Voor de reden
hiervan wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen I, onderdeel I
en J, artikel II, onderdelen F en G, en artikel IV (bij de voorgestelde artikelen
11a Zfw en 12 AWBZ
en het voorstel om 17f Wtg te schrappen).
De
artikelen
49 en 47 van
de huidige Zfw en AWBZ zijn geschreven met het oog op situaties
waarin wegens het ontbreken van uvo’s onvoldoende contracten tot stand
komen. Sinds opneming van de bepalingen in de huidige Zfw
en AWBZ,
inhoudende dat het CVZ een modelovereenkomst moet opstellen indien een
uvo niet tijdig tot stand komt, zijn deze bepalingen niet meer gebruikt.
Voorts ontbreekt, gezien de voorgestelde artikelen 11a
Zfw en 12 AWBZ, de
ratio voor handhaving van deze artikelen. Zij maken dan ook geen
deel meer uit van de nieuwe Zfw- en AWBZ-hoofdstukken inzake de overeenkomsten.
Artikel I, onderdeel
Q, [zie art.
I, onderdeel S, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel P
Artikel
1:3, eerste lid,
van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan: een
schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke
rechtshandeling. Ook algemeen verbindende voorschriften - waaronder
ministeriële regelingen - zijn derhalve besluiten. Op grond van artikel 8:2
Awb
kan tegen algemene voorschriften echter geen beroep worden ingesteld.
Artikel 7:1 Awb
leidt er vervolgens toe dat daartegen ook geen bezwaar openstaat. De huidige artikelen 77 Zfw
en 62 AWBZ bepalen dat tegen ingevolge die wetten genomen besluiten van
Onze Minister, van het CVZ of van het
CTZ beroep kan worden ingesteld bij de
Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit zou de vraag kunnen doen
rijzen
of hier is beoogd in afwijking van de Awb
te regelen dat ook tegen
algemeen verbindende voorschriften van de minister, het CVZ of het
CTZ in beroep kan worden gegaan. Dit is echter geenszins de bedoeling.
Daarom worden de artikelen 77 Zfw
en 62 AWBZ zo
gewijzigd dat van de
mogelijkheid van bezwaar en beroep worden uitgezonderd die besluiten die ook in artikel 8:2
Awb
van die mogelijkheden worden uitgezonderd.
Het
belang van deze wijziging voor het onderhavige wetsvoorstel
is dat daarmee duidelijk wordt gemaakt dat rblz.|38|
tegen een ministeriële
regeling houdende introductie van restitutie als noodvoorziening (als
bedoeld in de voorgestelde artikelen 11a
Zfw en 12a
AWBZ) geen bezwaar of
beroep mogelijk is.
Artikel I, onderdeel
R, [zie art.
I, onderdeel T, van de wet, red.]
en
artikel II, onderdeel Q
De artikelen
79 Zfw en 64 AWBZ
regelen dat de beslissing van het CVZ kan worden ingeroepen indien ziekenfondsen, uitvoeringsorganen of zorginstellingen
ondanks hun
contracteerplicht weigeren een contract te sluiten. Deze artikelen
zijn voor die categorieën instellingen of vormen van zorg waarvoor de contracteerplicht in de toekomst bij of krachtens
AMvB kan worden afgeschaft
overbodig.
Artikel II, onderdeel B
Artikel 6 van de
AWBZ is één van de kernartikelen van die
wet. Het eerste lid van dat artikel bevat
de hoofdregel met betrekking tot de aanspraken waarop de verzekerden
recht hebben, de kapstok voor nadere regeling van die aanspraken en de
zorgplicht van de uitvoeringsorganen.
Sinds de Wet van 20
november 1991, Stb. 1991, 587, is het tweede lid van artikel 6 bepaald dat de
uitvoeringsorganen bij reglement bepalen of de zorg, bedoeld in het
eerste lid, in natura wordt verstrekt dan wel of de verzekerde de voor de
zorg gemaakte kosten worden gerestitueerd. De mogelijkheid van het regelen van restitutie door de
uitvoeringsorganen
liet onverlet dat de
uitvoeringsorganen met personen en instellingen zorgcontracten dienden te
sluiten en dat verzekerden voor de zorg naar gecontracteerde zorgaanbieders dienden te gaan. De geboden mogelijkheid
is in de praktijk nooit
gebruikt. Ook in de huidige AWBZ-uitvoeringspraktijk staat de
naturaverstrekking derhalve voorop.
Via artikel II, onderdeel
F, van het voorliggende wetsvoorstel wordt voor bij
AMvB aan te wijzen
zorgvormen de mogelijkheid geïntroduceerd bij reglement te bepalen dat
niet de zorg wordt verstrekt, maar een vergoeding voor de kosten van zorg
die een verzekerde heeft gemaakt. Anders dan nu het geval is,
bevat dat artikel echter ook een mogelijkheid bij AMvB "restitutie zonder
achterliggende overeenkomsten" te introduceren.
Gezien het voorgaande
wordt het niet zinvol geacht de restitutiemogelijkheid van artikel
6, tweede
lid, naast het voorgestelde artikel 12 AWBZ te laten bestaan.
Voorgesteld wordt dan ook deze te schrappen. Dit heeft gevolgen voor de
formulering van de overige leden van dat artikel. De inhoud van de huidige
tweede en derde volzin van het eerste lid is in het nieuwe tweede en
derde lid opgenomen. Opgemerkt wordt dat in het tweede lid de nu nog in
de tweede volzin van het eerste lid opgenomen clausule "daarbij kunnen
met betrekking tot de inhoud en de omvang van de desbetreffende zorg
beperkingen worden gesteld" niet terugkeert. Immers, nu de AWBZ zelf
geen regels bevat met betrekking tot de inhoud [en, red.] de omvang van de
zorg en
deze derhalve alle in de in het tweede lid bedoelde AMvB zullen
moeten worden gesteld, is daarmee vanzelf al de bevoegdheid gegeven
beperkingen aan te brengen. Aparte vermelding van deze bevoegdheid is
derhalve overbodig. Zoals in de toelichting op artikel II, onderdeel H
en I, (bij het voorgestelde artikel 13 AWBZ) is opgemerkt, is de inhoud van
het vijfde en zesde lid van het huidige artikel 6 AWBZ naar
artikel 13
AWBZ verplaatst.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om tevens de gebruikte terminologie aan te passen. Het
huidige artikel 6 bepaalt in het eerste lid in wezen dat er aanspraken bestaan
op zorg, die ingevolge het tweede lid als verstrekking of als
vergoeding wordt verleend. Het woord "zorg" impliceert taalkundig echter een
naturaverstrekking. Gekozen is voor wijziging van de AWBZ zodanig dat
daar waar het woord "zorg" wordt gebruikt, steeds de
naturaverstrekking wordt bedoeld. Gaat het om restitutie, dan wordt de term
"vergoeding (van gemaakte kosten) voor zorg" gebruikt.
rblz.|39|
Ten slotte wordt
voorgesteld de op dit moment in het achtste lid van artikel 6 AWBZ
geregelde
voorhangprocedure niet in het nieuwe artikel terug te laten keren. Dit
lid is via de Wet stelselwijziging ziektekostenverzekering tweede fase in de
AWBZ opgenomen, opdat het parlement invloed zou kunnen uitoefenen op
de wijze waarop de verstrekkingen uit het tweede compartiment onder
de AWBZ zouden worden gebracht. Inmiddels is het voornemen verlaten
om zorg uit het tweede compartiment onder de AWBZ te brengen,
verlaten. De huidige bepaling noodzaakt echter wel nog steeds
iedere wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ dertig dagen voor te
hangen. Dit leidt tot vertraging.
Artikel II,
onderdeel C, G,
J,
K,
L,
N en
R
De in deze onderdelen
voorgestelde wijzigingen hangen samen met de wijziging van artikel 6 AWBZ, zoals
toegelicht bij artikel II, onderdeel B, (één na laatste alinea).
Artikel V
De voorgestelde
wijzigingen in de Wez hangen samen met de opname, in voorliggend
wetsvoorstel,
van de mogelijkheid bij AMvB te bepalen dat ziekenfondsen
respectievelijk uitvoeringsorganen AWBZ voor bepaalde vormen van zorg over
mogen gaan op restitutie in plaats van verstrekking in natura.
Artikelen VI en
VII
Op grond van de
Zfw en de AWBZ moet een instelling door het
CVZ zijn toegelaten, wil zij in
opdracht van het ziekenfonds respectievelijk het uitvoeringsorgaan AWBZ
Zfw- respectievelijk AWBZ-zorg kunnen leveren. Met de Wez
(Kamerstukken
II 2000-2001, 27 659, nrs. 1-3) zal dit systeem, alsmede het in de Wet ziekenhuisvoorzieningen opgenomen
vergunningensysteem,
vervangen worden door een nieuw systeem, dat exploitatietoestemmingen
en bouwvergunningen kent. Instellingen waarmee ziekenfondsen
respectievelijk uitvoeringsorganen mogen contracteren, zullen dan
in plaats van een toelating een exploitatietoestemming op grond van de Wez
moeten hebben. Dit is geregeld in de artikelen 38, onderdeel A, en 39,
onderdeel A, van de Wez [zie artikelen
39, onderdeel A, en 40, onderdeel A,
van de Wez,
red.], waarmee via een wijziging van de artikelen 1,
eerste lid, onderdeel f, Zfw en 1, eerste lid, onderdeel f
[onderdeel d, red.], van de
AWBZ de definitie
van "instelling" in laatstgenoemde wetten wordt aangepast. Ook
voorliggend wetsvoorstel wijzigt echter deze definitie en wel om duidelijk te
maken dat in het buitenland gevestigde, aldaar zorgverlenende
instellingen geen toelating behoeven (zie artikelen I,
onderdeel A, en II, onderdeel A).
Mutatis mutandis moet hetzelfde gelden na inwerkingtreding van de Wez: van
buitenlandse instellingen die op grond van een contract met een
ziekenfonds of uitvoeringsorgaan aldaar zorg willen verlenen, dient geen
exploitatietoestemming te worden geëist. De voorliggende artikelen regelen dit.
Het is niet zeker welk wetsvoorstel eerder in werking zal treden: de Wez
of voorliggend wetsvoorstel. Indien de Wez eerder in werking treedt,
zullen de artikelen I,
onderdeel A, en II, onderdeel A, van voorliggend wetsvoorstel
van inwerkingtreding worden uitgezonderd en zullen de artikelen VI en
VII wél in werking treden. Indien voorliggend wetsvoorstel eerder dan
de Wez in werking treedt, zullen totdat de Wez inwerking treedt de artikelen I,
onderdeel A, en II, onderdeel A, regelen dat een in het buitenland zorg
verlenende instelling geen toelating behoeft en zal dit vanaf de inwerkingtreding
van de Wez op grond van de artikelen VI en VII van
voorliggend
wetsvoorstel gelden. In dat geval zullen de artikelen 38, onderdeel
A, en 39, onderdeel A, van
de Wez [zie artikelen 39, onderdeel A, en 40,
onderdeel A, van de Wez,
red.] buiten inwerkingtreding worden gehouden. Het inwerkingtredingsartikel van de
Wez - artikel 57 [zie artikel 67, red.]
- biedt
hier voldoende ruimte
voor.
rblz.|40|
Artikel VIII
Het wetsvoorstel
tot wijziging van diverse wetten op het terrein van
VWS, teneinde enkele wetstechnische gebreken te herstellen of
andere wijzigingen van
ondergeschikte aard aan te brengen (technische
aanpassingen van VWS-wetgeving 2003), welk wetsvoorstel Uw Kamer op korte termijn zal worden
aangeboden, laat artikel 89b Zfw
vervallen en wijzigt artikel 76a AWBZ.
Deze artikelen worden daarnaast via het voorliggende wetsvoorstel gewijzigd
(artikel I, onderdeel T, [zie art.
I, onderdeel V, van de wet, red.]
en artikel II, onderdeel S). Indien eerder
bedoeld wetsvoorstel eerder in werking treedt dan voorliggend
wetsvoorstel, dienen de
betreffende onderdelen in voorliggend wetsvoorstel te
vervallen. Artikel VIII regelt dat.
Artikel IX
Streefdatum voor
inwerkingtreding van voorliggende wetsvoorstel is 1 januari 2004.
Overeenkomsten tussen ziekenfondsen respectievelijk AWBZ-uitvoeringsorganen
enerzijds en zorgaanbieders anderzijds dienen zo kort mogelijk na die
datum volgens de nieuwe wettelijke bepalingen tot stand te komen. Om te
voorkomen dat de inhoud van de huidige contracten via verlenging nog
langdurig van kracht kan blijven, wordt in het eerste lid van artikel IX bepaald
dat contracten gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van het nieuwe
overeenkomstenstelsel uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van de
bepalingen omtrent het nieuwe overeenkomstenstelsel vervallen.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat de invoering van contractering op vrij onderhandelbare
DBC’s per 1 januari 2004 ziekenfondsen enerzijds en
ziekenhuizen, revalidatie-instellingen en zelfstandige behandelcentra
anderzijds mogelijk zullen nopen bestaande contracten reeds met ingang van 1
januari 2004 te beëindigen (of te wijzigen).
Dit hangt af van de vraag
of de bestaande overeenkomsten voldoende ruimte bevatten om met DBC’s te gaan werken of niet.
De uvo’s en
modelovereenkomsten zullen met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
nieuwe Zfw- en AWBZ-hoofdstukken inzake overeenkomsten een wettelijke basis
komen te ontberen. Dit brengt echter niet automatisch met zich dat
zij niet meer gelden. Om verwarring te voorkomen, wordt in het tweede lid
van artikel IX expliciet bepaald dat de uvo’s en
modelovereenkomsten met ingang van laatstbedoelde datum vervallen.
Artikel X
Deze bepaling voorziet in
evaluatie van het in dit wetsvoorstel neergelegde beleid na drie jaar en
vervolgens nog eenmaal na weer drie jaar. Omdat bestaande
overeenkomsten nog maximaal één jaar kunnen doorlopen (zie artikel
IX, eerste lid) en nieuwe overeenkomsten een maximumduur van vijf jaar
mogen hebben, wordt aldus bereikt dat in de twee evaluaties iedere
contractsrelatie tussen ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ
enerzijds en zorgaanbieders anderzijds betrokken zal zijn. Zoals
in het algemeen gedeelte van deze toelichting is aangegeven, zal de
evaluatie onder meer betrekking hebben op de mate waarin gebruik is gemaakt
van het treffen van een noodvoorziening als bedoeld in de artikelen 11a
Zfw en
12a AWBZ en de gevolgen daarvan.
rblz.|41|
Blijkt uit de evaluatie
dat aan deze artikelen geen behoefte meer bestaat, dan zal te zijner tijd
worden voorgesteld ze te laten vervallen. Overigens kent het DBC-beleid zijn
eigen evaluatietraject.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
|
|