|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 051
Verklaring dat er grond
bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet
tot aanvulling van de bepalingen inzake de verkiezing van de Tweede
Kamer en de Eerste Kamer, de provinciale staten en de gemeenteraden in
verband met de tijdelijke vervanging van hun leden wegens zwangerschap,
bevalling of ziekte
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| I |
Algemeen |
| IIx |
Achtergrond |
| IIIx |
Korte schets van het
probleem |
| IV |
De wenselijkheid van
een vervangingsregeling |
| V |
Stemoverdracht als
alternatief? |
| VI |
Wegnemen van
bestaande grondwettelijke belemmering |
| VIIv |
De inhoud van de
toekomstige regeling |
I.
Algemeen
Het
onderhavige overwegingsvoorstel strekt ertoe om in de Grondwet twee
bepalingen op te nemen die voor de wetgever de mogelijkheid openen om
een regeling te treffen voor de tijdelijke vervanging van leden van de
Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal respectievelijk provinciale
staten en de gemeenteraad. De tijdelijke vervanging dient dan wel haar
oorzaak te vinden in afwezigheid in verband met zwangerschap en
bevalling of wegens verhindering op grond van ziekte.
Het is thans niet
mogelijk om bij wet of lagere regelgeving het lidmaatschap van de
vervanger te doen eindigen op een andere wijze dan door ontslag of
wegens het niet meer voldoen aan de vereisten voor het lidmaatschap. De
bepalingen waarin de vereisten voor het lidmaatschap van
Staten-Generaal, provinciale staten en gemeenteraden zijn opgenomen,
impliceren immers een limitatief stelsel van de gronden voor
beëindiging van het lidmaatschap van genoemde vertegenwoordigende
organen. Dit betekent dat onder de huidige Grondwet
degene die zich
tijdelijk wil laten vervangen geen juridisch bindende zekerheid op
terugkeer in het vertegenwoordigende orgaan kan worden geboden.
II. Achtergrond
Reden waarom het kabinet
dit voorstel indient, is gelegen in de voortgegane maatschappelijke
ontwikkeling op het punt van de combinatie van arbeid en zorg. Daarbij
is van belang dat het kabinet voornemens is voorzieningen te treffen
voor het combineren van arbeid en zorg voor provinciale en gemeentelijke
politici.¹ Het kabinet acht het ontbreken van een vervangingsregeling
een belemmering voor vrouwen bij het uitoefenen van het passief
kiesrecht. Door een wettelijke vervangingsregeling vermindert de druk om
ontslag te nemen bij zwangerschap, dan wel te lang door te gaan c.q. om
weer te snel te beginnen met de werkzaamheden. Een goede regeling op dit
punt zal het voor vrouwen aantrekkelijker maken om zitting te nemen of
te blijven nemen in vertegenwoordigende organen. Dat is gunstig voor het
aandeel van vrouwen in de politiek. Fracties, zeker de kleinere, komen
dan niet langer in de problemen rblz.|2|
doordat andere leden
extra belast worden of omdat een "stem" gemist wordt.² Dit probleem
doet zich in nog sterkere mate voelen bij fracties die zouden bestaan
uit één vrouw.
De tweede reden om dit
voorstel in te dienen, is gelegen in de verbreding van de
vervangingsregeling om ook in verband met ziekte de mogelijkheid te
openen tot het tijdelijk neerleggen van de functie. Bij de discussies
over het eerdere grondwetsvoorstel met een tijdelijke
vervangingsregeling werd als bezwaar aangevoerd dat de regeling te
beperkt was. Om daaraan tegemoet te komen, acht het kabinet van belang
dat behalve de mogelijkheid van tijdelijke vervanging wegens
zwangerschap en bevalling ook een dergelijke mogelijkheid openstaat
indien men op grond van ziekte verhinderd is om het lidmaatschap van een
vertegenwoordigend lichaam uit te oefenen. Daarvan kan gedurende een
vaste - gefixeerde periode - van zestien weken gebruik worden gemaakt.
Gedurende die tijd is het mogelijk om bijvoorbeeld een medische
behandeling te ondergaan, dan wel een herstelperiode in te lassen voor
de gevolgen van ziekte. Gekozen
wordt voor een gefixeerde periode om het nadeel te ondervangen dat bij
ziekte - zoals gesteld bij de behandeling van het eerdere voorstel tot
wijziging van de Grondwet
- het niet mogelijk is de aanvang en de duur
daarvan vooraf vast te stellen. Gezien de periode van vier jaar waarvoor
een lid van een vertegenwoordigend lichaam wordt gekozen, dient de duur
van de periode voor verhindering op grond van ziekte een zekere omvang
te hebben, maar ook niet te lang te duren, omdat anders het begrip
"tijdelijk" te veel wordt opgerekt. Hoewel de keuze van elke periode
in deze een zekere mate van willekeur heeft, dient naar de mening van de
ondergetekenden om reden van eenvormigheid aangesloten te worden bij
dezelfde in tijdsduur beperkte periode als voor zwangerschap en
bevalling. Deze periode sluit aan bij dezelfde periode die geldt voor
het zwangerschaps- en bevallingsverlof van werknemers en ambtenaren.
Voor degene die zich tijdelijk laat vervangen in verband met ziekte
wordt eveneens de - in deze gefixeerde - periode van zestien weken
gehanteerd. Omdat het hier een regeling betreft die leidt tot vervanging
van rechtswege, is het van belang dat de vervanging een vaste periode
beslaat. Na deze periode wordt het vervangen lid weer van rechtswege lid
van het vertegenwoordigend lichaam, terwijl de vervanger van rechtswege
ontslagen wordt.
Bovendien heeft
eenvormigheid het voordeel dat er maar één type van tussentijdse
vervanging ontstaat. In alle gevallen is gedurende de vaste periode van
zestien weken de vervanger als volksvertegenwoordiger werkzaam.
Bij de opstelling van dit
ontwerp is gebruik gemaakt van de voorstellen 23 430 (eerste lezing) en
23 798 (tweede lezing) tot aanvulling respectievelijk wijziging van de
Grondwet, die eveneens tot doel hadden om zekerheid op terugkeer te
bieden voor degenen die wegens zwangerschap en bevalling tijdelijk hun
werk voor de Tweede of de Eerste Kamer dienden te onderbreken. Dat
voorstel werd in tweede lezing door de Eerste Kamer afgewezen. Voor de
behandeling van dat voorstel zij verwezen naar deel 34 uit de
documentatiereeks "Naar een nieuwe Grondwet", blz. 99-185 en 327-339.
1. Kamerstukken II 2000-2001,
27
263, nr. 1.
2. Kamerstukken II 1999-2000,
27 411, nr. 1, blz. 25 en 26.
III. Korte schets van het
probleem
In 1917 werd het algemeen
mannenkiesrecht ingevoerd voor de verkiezingen van de gemeenteraden,
provinciale staten en de Tweede Kamer. Bovendien werden de vereisten
voor het lidmaatschap van de Eerste Kamer gelijkgetrokken met die voor
het lidmaatschap van de Tweede Kamer. In datzelfde jaar werd vrouwen het
passief kiesrecht toegekend, twee jaar later het actief kiesrecht.
In 1918 werd de eerste
vrouw tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Het aantal vrouwen dat is
verkozen tot lid van vertegenwoordigende organen rblz.|3|
is sedertdien toegenomen,
doch is minder groot dan het aantal mannen dat werd verkozen. Verwezen
zij naar de Voortgangsrapportage 2000 met betrekking tot vrouwen in
politiek en openbaar bestuur van het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties.
Pas in het laatste
decennium is van een belangrijke toename van het aantal vrouwen in
vertegenwoordigende organen sprake. Tevens is het aantal relatief jonge
leden van vertegenwoordigende organen, waaronder vrouwen, toegenomen. Eén en ander heeft tot gevolg gehad dat het verschijnsel van in
verwachting zijnde leden van vertegenwoordigende organen zich pas veel
later dan de introductie van het vrouwenkiesrecht heeft voorgedaan.
Als gevolg van
zwangerschap en bevalling kunnen leden van vertegenwoordigende organen
tijdelijk hun taken als volksvertegenwoordiger niet vervullen. Vooral in
kleine fracties kan dit, bijvoorbeeld wat het overleg in commissies
betreft, aanleiding tot problemen geven. Het is voor de overblijvende
fractieleden niet altijd mogelijk om de werkzaamheden van het afwezige
lid op te vangen. Nog daargelaten dat daarmee betrokkene, voor zover deze
de werkzaamheden van het afwezige kamerlid overneemt, nog niet dezelfde
politieke positie inneemt als het in verwachting zijnde kamerlid. Deze
zal zelf feitelijk niet in staat zijn om haar rechten als kamerlid uit
te oefenen. Indien zij er niet in slaagt afspraken over de vervanging te
maken, kan zij zich ertoe gedwongen voelen toch ontslag te nemen, omdat
anders haar fractiegenoten haar werkzaamheden tijdelijk moeten overnemen
en omdat de fractie, indien zij geen ontslag neemt, tijdelijk een stem
minder heeft. Tevens kan zij onder druk komen te staan om langer met
haar werkzaamheden door te gaan, respectievelijk eerder weer te beginnen,
dan gelet op haar gezondheid en op die van haar kind wenselijk is. Deze
problemen doen zich bij eenmansfracties nog sterker voor.
Mutatis mutandis gelden
bovenstaande beperkingen evenzeer voor degenen die tijdelijk afwezig
zouden willen zijn om te herstellen van een ziekte.
Ook als het overnemen van
werkzaamheden door fractiegenoten wel mogelijk is, dan kan echter het
belangrijkste recht van het afwezige lid, namelijk het stemrecht, niet
worden uitgeoefend.
Bij de behandeling van
het vorige grondwetsherzieningsvoorstel zijn uitgebreid de bestaande
mogelijkheden aan de orde geweest om te voorzien in de tijdelijke
afwezigheid van een kamerlid wegens haar zwangerschap en bevalling.
Aan deze bestaande
mogelijkheden kleven ernstige bezwaren. Op grond van de Kieswet
kan een
lid van een vertegenwoordigend orgaan zich slechts tijdelijk doen
vervangen op basis van ontslag en van afspraken met de kandidaat die als
eerste voor benoeming in aanmerking komt in de vacature die zou ontstaan
door haar ontslag. Met de "vervanger" moet het lid dat zich tijdelijk
wil laten vervangen, afspreken dat deze ontslag zal nemen na een
overeengekomen periode. Na deze afspraken te hebben gemaakt, neemt het
lid ontslag, waarop in haar vacature wordt voorzien door benoeming van
haar "vervanger". Indien deze vervolgens na de afgesproken periode
ontslag neemt, kan in de vacature die daardoor ontstaat in beginsel
degene die zich heeft laten vervangen weer als lid worden benoemd. Het
punt is echter dat dergelijke afspraken slechts een vrijwillig karakter
hebben en niet in rechte afdwingbaar zijn. Dit blijkt onder meer uit de
wetsgeschiedenis van de Kieswetwijziging 1989 ¹ en uit de
jurisprudentie. Verwezen zij naar de uitspraken HR [Hoge
Raad, red.] 26 maart 1971, AB
1971, 135 (verkiezingsafspraak Elsloo); KB 5 oktober 1979, AB 1980, 21;
Afdeling rechtspraak RvS [Afdeling
rechtspraak van de Raad van State, red.]18 juni 1982, AB 1983, 41; Afdeling rechtspraak
rblz.|4|
RvS 6 september 1982, AB
1983, 114 (Beeselse verkiezingsafspraak); HR 18 november 1988, AB 1989,
185, NJ 1990, 564 (verkiezingsafspraak Aruba).
De Hoge Raad zag blijkens
de uitspraak in de verkiezingsafspraak Elsloo gelet op artikel 2 WRO [Wet
op de Ruimtelijke Ordening, red.] geen bevoegdheid voor de burgerlijke rechter om een op de publieke orde
betrekking hebbend voorschrift zijn kracht te ontnemen. De Afdeling
rechtspraak RvS volgt deze lijn in de hier vermelde uitspraken en gaat ervan
uit dat de bepalingen van de Kieswet betrekking hebben op de
publieke orde en van dwingend recht zijn, zodat daaraan niet bij
overeenkomst de kracht kan worden ontnomen. In het arrest van 1988 heeft
de HR een dergelijke overeenkomst expliciet als nietig aangemerkt.
Hieruit blijkt dat afspraken waarin bewust wordt afgeweken van de
ingevolge de Kieswet vastgestelde aanwijzing van benoemden rechtens
nietige verbintenissen bevatten. Juridisch zijn deze afspraken dan ook
niet relevant.²
Dit betekent dat het lid
dat zich wil laten vervangen afhankelijk is van de goede wil van de
vervanger. Dat geldt zowel voor de vraag of betrokkene zal kunnen
terugkeren als lid van het vertegenwoordigende orgaan, als voor de
periode waarna deze zal kunnen terugkeren. Daarnaast is betrokkene voor
haar of zijn terugkeer ook afhankelijk van de kandidaten die op grond
van de Kieswet eerder voor benoeming in een vacature in aanmerking
komen. Deze kandidaten moeten ofwel bij voorbaat verklaren niet voor
benoeming in aanmerking te willen komen, óf, indien zij worden benoemd
in de vacature die ontstaat door het ontslag van de "vervanger", de
benoeming niet aanvaarden.
Indien de "vervanger"
geen ontslag neemt omdat er geen afspraken zijn gemaakt of omdat deze
zich niet aan de afspraken houdt, blijft de "vervanger" in beginsel
lid tot het eind van de zittingsperiode van het vertegenwoordigend
orgaan.
1. Kamerstukken II 20
264, nr. 8, blz. 64; nr. 14, blz. 31 en 32 en nr. 18, blz 39.
2. D.J. Elzinga, Het
Nederlandse kiesrecht, 1997, blz. 241-245.
Ook de positie van de
"vervanger" heeft zonder verdere regeling, ervan uitgaande dat deze
bereid is om afspraken over ontslag na een bepaalde periode na te komen,
in de bestaande situatie onaantrekkelijke kanten. Afhankelijk van het
tijdsbeslag dat het lidmaatschap op hem of haar legt, zal de "vervanger"
gedwongen worden diens "oorspronkelijke" werkzaamheden
voor de overeengekomen periode geheel of gedeeltelijk te beëindigen of
althans te onderbreken. Dit zal vooral het geval zijn voor "tijdelijke" leden van de Tweede Kamer en van raden van grote
gemeenten. In alle gevallen zal hij of zij zich moeten inwerken voor een
relatief korte periode van het lidmaatschap. Daarnaast wordt de "vervanger"
in alle gevallen benadeeld ten opzichte van kandidaten
die na hem of haar in een "gewone" vacature worden benoemd die valt in
diens vervangingsperiode. Deze kan immers, anders dan de "vervanger",
in principe wél tot het einde van de zittingsperiode van het
vertegenwoordigend orgaan lid blijven. Gelet op deze onaantrekkelijke
kanten van de tijdelijke vervanging zal het in de praktijk moeilijk zijn
om kandidaten bereid te vinden voor een relatief korte periode zitting
te nemen in een vertegenwoordigend orgaan.
De bestaande
rechtspositionele voorzieningen zijn niet adequaat voor het kamerlid dat
niet aanwezig kan zijn wegens zwangerschap, bevalling of wegens ziekte,
noch voor diens "vervanger". Voor zover een kamerlid erin slaagt
afspraken over tijdelijke vervanging te maken - en dus ontslag zal
moeten nemen - heeft dit altijd in meer of mindere mate negatieve
financiële gevolgen. Ook deze gevolgen kunnen vrouwen belemmeren in de
uitoefening van hun passief kiesrecht, c.q. kamerleden belemmeren de
nodige tijd voor hun gezondheid te reserveren.
rblz.|5|
IV. De wenselijkheid van
een vervangingsregeling
Nu ook in de afgelopen
jaren vrouwelijke leden van vertegenwoordigende organen wegens
zwangerschap geconfronteerd zijn met problemen voortvloeiend uit hun
noodzakelijke afwezigheid is er een reden te meer om te bezien welke
voorziening hiervoor moet worden getroffen. Deze omstandigheden zullen
zich vaker gaan voordoen, gezien het groeiend aantal jonge vrouwen dat
lid is van een vertegenwoordigend orgaan. Het is bovendien ongewenst dat
een in verwachting zijnd kamerlid rond haar bevalling onder druk kan
komen te staan om langer door te gaan respectievelijk eerder na haar
bevalling weer te beginnen dan gelet op haar gezondheid en die van haar
kind wenselijk is.
Zwangere kamerleden of
leden van andere vertegenwoordigende organen kunnen rond hun bevalling
tijdelijk hun werkzaamheden die voortvloeien uit het lidmaatschap niet
of slechts beperkt uitvoeren. Het verdient dan ook aanbeveling dat voor
in verwachting zijnde leden de mogelijkheid wordt verwezenlijkt dat zij
gedurende een bepaalde periode het recht hebben om hun taken als
volksvertegenwoordiger niet te vervullen en zich eventueel gedurende die
periode te laten vervangen. Het ligt voor de hand daarbij aan te sluiten
bij de duur van de verlofperiode van vrouwen in dienstbetrekking
(zestien weken).
Het ontbreken van een
adequate regeling in geval van zwangerschap en bevalling kan voor
vrouwen een drempel vormen om zich verkiesbaar te stellen, om een
benoeming tot lid van een vertegenwoordigend orgaan te aanvaarden of om
daarvan lid te blijven. Dit is niet aanvaardbaar. Het gaat hier om een
onnodige beperking van de mogelijkheid voor vrouwen om daadwerkelijk
gebruik te maken van hun passief kiesrecht. Mede gelet op de
verplichtingen die Nederland op zich genomen heeft door partij te worden
bij het Internationaal verdrag inzake uitbanning van discriminatie
jegens de vrouw dienen barrières die specifiek voor vrouwen bestaan om
lid te kunnen worden en blijven van vertegenwoordigende organen waar
mogelijk te worden weggenomen. Wij zijn van oordeel dat het streven naar
een grotere participatie van vrouwen aan het openbaar bestuur met zich
brengt dat de bestaande belemmering wordt weggenomen. Dit is naar ons
oordeel een zwaarwegend argument om tot grondwetswijziging over te gaan.
In geval van ziekte
achten wij de gezondheid van een lid van een vertegenwoordigend lichaam
evenzeer van doorslaggevende betekenis om een tijdelijke
vervangingsregeling mogelijk te maken. Deze mogelijkheid zal beperkt
worden tot een vaste periode, teneinde tegemoet te komen aan het
terechte bezwaar dat anders de periode van afwezigheid onbepaalbaar
wordt.
Het is niet de bedoeling
dat deze mogelijkheid gebruikt wordt voor een eenvoudig griepje. Het
dient te gaan om een ziekte die bij voorkeur op grond van een deskundig
medisch advies noodzaakt tot het tijdelijk neerleggen van de functie van
volksvertegenwoordiger.
Terecht wijst de Raad van
State er in zijn advies op dat de regeling aan bijzondere eisen moet
voldoen, waarbij ermee rekening wordt gehouden dat het ambt van
volksvertegenwoordiger een persoonlijk karakter draagt. Overdracht van
de aan het ambt van volksvertegenwoordiger verbonden
verantwoordelijkheden voor een vrij korte periode mag geen afbreuk doen
aan de kwaliteit en het gezag van het ambt. Het is de invulling van hun
taak als volksvertegenwoordigers die primair bepalend is voor de
kwaliteit en het gezag van het ambt. Degene die als vervanger optreedt,
zal voor de opgave komen te staan om zich snel en voor een korte periode
de werkzaamheden eigen te maken en invulling te geven aan de functie van
volksvertegenwoordiger. Desalniettemin heeft de mogelijkheid van
vervanging rblz.|6|
de voorkeur boven
het geheel ontbreken van deze mogelijkheid, zeker ook bezien vanuit het
belang van het functioneren van de volksvertegenwoordiging. De regeling
is uiteraard niet bedoeld voor een lichtvaardige toepassing. De regeling
in verband met afwezigheid vanwege ziekte zal aan het gezag en de
kwaliteit van het ambt kunnen bijdragen, indien deze zekere waarborgen
bevat alsmede objectiveerbare criteria in de vorm van een onafhankelijk
medisch rapport.
Aan het passieve
kiesrecht dienen feitelijke en materiele voorwaarden verbonden te zijn
waaronder dit recht kan worden gerealiseerd. De mogelijkheid om
tijdelijk vervangen te worden vanwege zwangerschap, bevalling of ziekte
met de wettelijke garantie om terug te keren als volksvertegenwoordiger
vormt een bijdrage aan de zelfstandigheid en de toegankelijkheid van het
ambt van volksvertegenwoordiger.
Wij concluderen derhalve
dat het wenselijk is een wettelijke regeling van tijdelijke
plaatsvervanging van leden van de Staten-Generaal, provinciale staten en
gemeenteraden te treffen. Deze regeling zal zich beperken tot het
tijdelijk neerleggen van de functie wegens zwangerschap en bevalling,
dan wel in verband met ziekte.
Alvorens daartoe te
kunnen overgaan, dient echter de bestaande constitutionele belemmering te
worden weggenomen.
Bij de behandeling van
het vorige voorstel tot wijziging van de Grondwet
is nog aan de orde
geweest de vraag of het wenselijk is een algemene vervangingsregeling,
bijvoorbeeld voor langdurige ziekte of verblijf buitenlands, in het
leven te roepen. Het toenmalige kabinet voelde daar indertijd niet voor.
De argumentatie voor een vervangingsregeling wegens zwangerschap en
bevalling, te weten de eis om belemmeringen voor vrouwen weg te nemen
teneinde op gelijke voet als mannen gebruik te maken van hun passief
kiesrecht, geldt niet voor de andere situaties. Daarnaast wordt in de
destijds op verzoek van het toenmalige kabinet uitgebrachte adviezen
door de drie hoogleraren negatief geoordeeld over een algemene
vervangingsregeling.¹ De ondertekenaren onderschrijven dit oordeel. Een
algemene vervangingsregeling wordt dan ook niet voorgesteld. Wel achten
de ondertekenaren het van belang dat leden van vertegenwoordigende
lichamen prioriteit aan hun gezondheid kunnen geven. Door in geval van
ziekte de vervangingsperiode te fixeren op zestien weken meent het kabinet
tegemoet te kunnen komen aan de in het verleden gesignaleerde nadelen,
met name dat van de onbepaalbaarheid van de afwezigheid indien deze
afhankelijk is van duur van de ziekte.
1. Adviezen van prof. mr.
C.A.J.M. Kortmann, prof. mr. M.C. Burkens en prof. mr. J. Goldschmidt:
Documentatiereeks "Naar een nieuwe Grondwet", deel 34, blz. 177-182.
V. Stemoverdracht als
alternatief?
In het kader van het
vorige voorstel tot wijziging van de Grondwet
is in twee adviezen ¹ gewezen op de mogelijkheid om het instituut van de stemoverdracht te
introduceren teneinde tegemoet te komen aan de bezwaren verbonden aan
de afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling. Ook de Raad van
State gaf in zijn advies van 14 september 1993 hieraan de voorkeur. In zijn
advies van 6 juli 2001 adviseert de Raad nogmaals de tijdelijke
stemoverdracht als alternatief voor de voorgestelde tijdelijke
vervanging te heroverwegen.
Wij zijn echter van
oordeel dat het niet wenselijk is om in de Grondwet een dergelijk
instituut op te nemen dan wel mogelijk te maken, dat in onze visie
onvoldoende recht doet aan het functioneren als volwaardig lid van een
vertegenwoordigend orgaan. Stemoverdracht aan een collega-volksvertegenwoordiger betekent ook dat het inhoudelijke werk van de te
vervangen collega wordt overgenomen, omdat men anders geen weloverwogen
gebruik kan maken van het stemrecht. Dit betekent dat men inhoudelijk de
portefeuille van de collega erbij gaat doen en derhalve een verzwaring
van de werkzaamheden voor de vervanger. Dit nadeel legt een onnodige
druk op de beslissing van de te vervangen volksvertegenwoordiger, rblz.|7|
zoals in
hoofdstuk II van de memorie van toelichting aangegeven. Bovendien zullen in het
bijzonder in kleinere fracties moeilijkheden ontstaan bij het overnemen
van de niet onaanzienlijke politieke werkzaamheden die door het
betrokken lid worden verricht. Weliswaar zou een aantal van dergelijke
werkzaamheden door bijvoorbeeld een extra fractiemedewerker of een
schaduwlid kunnen worden overgenomen, maar dat doet minder recht aan
het lidmaatschap van een vertegenwoordigend lichaam in al zijn facetten.
Daarbij denken wij aan de
rechten van een volksvertegenwoordiger als het stellen van vragen of het
verzoeken om een interpellatie te mogen houden, het spreekrecht in
commissieverband en plenair, het recht om moties en (eventueel)
amendementen in te dienen. Daartoe is informele vervanging onvoldoende.
De Staatscommissie tot
herziening van de Grondwet ingesteld bij Koninklijk besluit van 17 april
1950 (commissie-Van Schaik) heeft reeds ter ondervanging van de bezwaren
van tijdelijke afwezigheid van kamerleden het instituut van
stemoverdracht, zoals Frankrijk dat kent, in beschouwing genomen. Tegen
een regeling van stemoverdracht had zij echter fundamentele bezwaren. De
commissie wijst erop dat als beginsel voorop moet worden gesteld dat
elk kamerlid zijn stem naar eigen inzicht uitbrengt na kennis te hebben
genomen van de argumenten pro en contra het aanhangige voorstel of
ontwerp. Daarbij vestigt de commissie de aandacht op de praktische
moeilijkheden die zich kunnen voordoen in geval van indiening van
amendementen. Een kamerlid dat zijn stem aan een medelid overdraagt, zal
in de regel niet kunnen voorzien dat, laat staan welke, amendementen
zullen worden ingediend. Daarnaast achtte de commissie de vrees niet
ongegrond dat indien stemoverdracht in geval van verblijf buitenslands
zou worden toegestaan, dat ook voor andere gevallen redelijk zou zijn,
waarna het einde niet meer is te overzien. De commissie wees daarbij op
de in Frankrijk met de met het instituut van de stemoverdracht opgedane
ervaringen, alwaar de stemoverdracht vrijwel onbeperkt is toegelaten
(Eindrapport, blz. 54).
De bezwaren van de commissie-Van Schaik - die door ons gedeeld worden - gelden nog
onverkort. Wij voegen daaraan nog toe dat het lidmaatschap van een
vertegenwoordigend orgaan niet kan en mag worden gereduceerd tot de
bevoegdheid om een stem uit te brengen. De functie van een kamerlid is
aanmerkelijk omvangrijker. Voorts biedt de stemoverdracht geen oplossing
voor de eenpersoonsfractie. De Raad van State suggereert in zijn advies
dat in deze een collegiale oplossing mogelijk zou kunnen zijn. Die
oplossing staat volgens ons op gespannen voet met het feit dat het
stemrecht verbonden is aan een door een politieke partij behaalde zetel.
De kiezers hebben hun stem uitgebracht op een bepaalde persoon van een
politieke partij. Met die legitimatie is een kandidaat gekozen. Het ligt
dan niet voor de hand om de stemoverdacht te laten plaatsvinden aan een
volksvertegenwoordiger van een andere politieke partij.
De druk op betrokkene om
de werkzaamheden zo kort mogelijk te onderbreken of om ontslag te nemen
als volksvertegenwoordiger blijft met de mogelijkheid van stemoverdracht
bestaan. De tijdelijke vervanging achten wij niet alleen adequaat, maar
veel meer nog een volwaardige voorziening die recht doet aan het
lidmaatschap van een vertegenwoordigend orgaan in al zijn facetten.
Een andere mogelijkheid
om tot een vervangingsregeling te komen, zou gelegen kunnen zijn in de
combinatie van de stemoverdracht met informele oplossingen die in de
praktijk kunnen worden gevonden. Tegen deze informele oplossingen hebben
wij het bezwaar dat zij afbreuk doen aan het karakter van het
voorstel.
De mogelijkheid van tijdelijk verlof in verband met zwangerschap,
bevalling of ziekte vormt in het voorstel een recht en niet een gunst,
die wordt bepaald door informele afspraken. Alleen door een wettelijk
recht op verlof en terugkeer worden de zelfstandigheid rblz.|8|
en de toegankelijkheid van de functie van volksvertegenwoordiger
ondersteund.
1. Documentatiereeks
"Naar een nieuwe Grondwet", deel 34, blz. 177 en
179.
De redactie van
artikel 57a biedt de wetgever overigens niet de ruimte voor een regeling van de
stemoverdracht.
VI. Wegnemen van
bestaande grondwettelijke belemmering
Om een wettelijke
regeling inzake tijdelijke plaatsvervanging van leden van de
Staten-Generaal, provinciale staten en gemeenteraden wegens
zwangerschap, bevalling of ziekte te kunnen treffen, is het nodig de Grondwet
te wijzigen. Zo bepaalt de Grondwet ten aanzien van de Staten-Generaal de zittingsduur voor beide kamers, behoudens tussentijdse
ontbinding, op vier jaren (artikel 52 juncto
artikel 64). Kamerleden die
verkozen worden, worden voor de zittingsduur van vier jaren verkozen (artikelen 54 en
55 juncto artikel
52). Slechts indien een gekozene niet
meer voldoet aan de vereisten voor het lidmaatschap (vgl. de artikelen
56 en 57), is dit anders. Gegeven de strekking van het grondwettelijk
stelsel van verkiesbaarheid is er naar ons oordeel dan ook geen ruimte
om thans een wettelijke regeling te treffen voor de tijdelijke
vervanging wegens zwangerschap, bevalling of ziekte van een kamerlid,
die na afloop van de vervangingsperiode het recht heeft om terug te
keren. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor leden van provinciale
staten en gemeenteraden. Voorts moet uit de artikelen
56, 57 en 129 van
de Grondwet
voor kamerleden respectievelijk voor leden van gemeenteraden
en provinciale staten een limitatief stelsel van beëindiging van het
lidmaatschap worden afgeleid. Het constitutionele systeem impliceert
derhalve dat onder de huidige Grondwet rechtens geen mogelijkheid
bestaat voor de wetgever om het lidmaatschap van een vervanger van
rechtswege te doen eindigen na afloop van de vervangingstermijn. Ook de Raad van
State en de indertijd door de regering geraadpleegde adviseurs
oordeelden met betrekking tot het vorige ontwerp dat wijziging van de
Grondwet nodig was alvorens een vervangingsregeling kon worden
getroffen.
Het voorliggende
wetsvoorstel heeft tot doel het mogelijk te maken dat een dergelijke
wettelijke regeling kan worden getroffen. De grond voor een
constitutionele opening voor een specifieke vervangingsregeling voor
zwangerschap en bevalling is gelegen in het wegnemen van een barrière,
respectievelijk het scheppen van een voorwaarde voor een aan mannen
gelijkwaardige mogelijkheid voor het uitoefenen van het passief
kiesrecht door vrouwen. Een dergelijke regeling kan eenvoudig van aard
zijn en zal ook goed kunnen aansluiten bij de bestaande wet- en
regelgeving. Daarnaast wordt de mogelijkheid geopend tot tijdelijke
vervanging in verband met ziekte. Ook deze regeling behoeft niet
ingewikkeld te zijn.
VII. De inhoud van de
toekomstige regeling
De regeling die wij voor
ogen hebben, zal neerkomen op een vergelijkbare regeling als het
voorontwerp van wet tot wijziging van de Kieswet
dat in het kader van
het vorige voorstel tot wijziging van de Grondwet
werd gepubliceerd.¹ Een lid van een vertegenwoordigend orgaan zal ingevolge deze regeling
door middel van tijdelijk ontslag de uitoefening van haar of zijn
functie tijdelijk kunnen neerleggen. De tijdelijke opvulling van de
vacature ingevolge een tijdelijk ontslag vindt plaats op basis van de
lijst die na de verkiezingen ingevolge artikel P 19 van de Kieswet
is
opgemaakt en waarin de rangschikking is vastgesteld van de kandidaten op
grond van de verkiezingsuitslag.
Deze lijst is bepalend
voor de benoeming in tussentijdse vacatures en zal dat evenzeer zijn
voor de benoeming in tussentijdse vacatures die veroorzaakt rblz.|9|
zijn door
zwangerschap, bevalling of ziekte. In de te treffen regeling in de
Kieswet zal degene die zich wegens zwangerschap en bevalling dan wel
wegens ziekte laat vervangen, na ommekomst van de periode van zestien weken
van rechtswege weer lid worden van het vertegenwoordigend orgaan. De
vervanger wordt na de periode van zestien weken van rechtswege ontslagen.
Noodgedwongen langere afwezigheid moet evenals bij werknemers en
ambtenaren worden aangemerkt als ziekte. In dat geval geldt voor
betrokkene hetzelfde als voor andere leden van vertegenwoordigende
organen die ziek zijn.
Het is de bedoeling dat
de materiele rechtspositie van de tijdelijk ontslagen
volksvertegenwoordiger zoveel mogelijk gelijk blijft aan de positie die
hij had als lid. Dit betekent dat het bedrag van de schadeloosstelling
voor Tweede-Kamerleden voor 100% doorbetaald wordt, de pensioenopbouw
doorloopt en het recht op uitkering na het definitieve einde van het
lidmaatschap ongewijzigd blijft. De periode van vervanging heeft geen
nadelige invloed op de duur van het latere recht op uitkering na het
(definitieve) aftreden. Bij gemeenteraadsleden en leden van provinciale
staten dient de materiele rechtspositie tijdens de periode van
vervanging eveneens zoveel mogelijk gelijk te blijven aan de positie die
men als lid heeft. Uiteraard geldt doorbetaling niet indien de
vergoeding bestaat uit presentiegeld.
De tijdelijke vervanger
krijgt voor de duur van de vervanging de rechtspositie van het vervangen
lid van het vertegenwoordigend lichaam. De vervanger heeft op
gelijke voet als de overige leden van het desbetreffende
vertegenwoordigende lichaam recht op schadeloosstelling en/of
onkostenvergoedingen. Gezien de korte periode waarin deze het
lidmaatschap van het vertegenwoordigend orgaan bekleedt, ligt het echter
niet in de rede om de vervanger in aanmerking te doen komen voor de
gebruikelijke wachtgeldregeling. Eén en ander zal nader uitgewerkt
worden in de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers. Ten behoeve
van de vervanger wordt gedacht aan een wettelijk recht op onbetaald
buitengewoon verlof van zijn dienstbetrekking. Hiermee wordt het
probleem ondervangen om voor een periode van zestien weken een kandidaat
bereid te vinden haar of zijn dienstbetrekking te onderbreken.
Aangesloten kan worden bij artikel 7:643 van het Burgerlijk
Wetboek, dat
al een regeling van "politiek verlof" bevat.
Omdat verwacht wordt dat
de te ontwerpen regeling gecompliceerd zal zijn, wordt in artikel III de
wetgever een extra termijn van vier jaar gegeven om een vervangingsregeling
te ontwerpen.
1. Documentatiereeks
"Naar een nieuwe Grondwet", deel 34, blz. 175-176.
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
|
|