|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 27 826
Wijziging
van de artikelen 7:629 en 7:670 van het Burgerlijk
Wetboek, artikel 214
van de Overgangswet
nieuw Burgerlijk Wetboek en van een aantal artikelen
in enkele
socialezekerheidswetten
| Nr.r5 |
NOTA
NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG |
Ontvangen 20 februari 2004
Naar
aanleiding van het verslag van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
merken wij op dat de beantwoording van het verslag enige tijd op
zich heeft laten wachten, omdat naar aanleiding van de opmerkingen in het
verslag het voorstel is heroverwogen en hierover advies is gevraagd aan de
Commissie gelijke behandeling (CGB). Vervolgens is een ingrijpende
wijziging van het voorstel voorbereid. Bij de beantwoording van de
gestelde vragen en de reacties op de gemaakte opmerkingen zal hier
nader op worden ingegaan.
De leden van de PvdA-fractie
vroegen waarom de Minister van Justitie de eerste ondertekenaar is
en niet de (voormalige) Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De Minister van Justitie
is de eerste ondertekenaar van dit wetsvoorstel aangezien het uitsluitend
een wijziging betrof van titel 7.10 BW [Burgerlijk
Wetboek, red.],
dat een onderdeel is van de
algemene wetboeken waarvoor hij verantwoordelijk is. De (voormalige) Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid is tweede
ondertekenaar, omdat het onderhavige wetsvoorstel
betrekking heeft op een
beleidsterrein waarvoor zij verantwoordelijk was en de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid thans verantwoordelijk is.
De leden van de PvdA-fractie
wensten een overzicht van het aantal gevallen van ziekte
ingevolge zwangerschap direct voorafgaand aan en tijdens het
zwangerschapsverlof in de afgelopen jaren en wat de ontwikkeling is van het gebruik van
het ZW-vangnet bij zwangerschap.
Het is niet gemakkelijk
hier inzicht in te verschaffen, enerzijds omdat tot voor kort ziekte vanwege
zwangerschap niet apart werd geregistreerd en anderzijds vanwege
recente wijziging in de regelgeving. Tot voor kort kregen vrouwen een
uitkering uit het ZW-vangnet voor zowel het zwangerschaps- en
bevallingsverlof als voor ziekte vanwege zwangerschap en bevalling. In de
statistieken van het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] werd geen onderscheid gemaakt tussen beide
redenen voor een uitkering. Er kan daarom ook geen onderscheid
worden gemaakt tussen uitkeringen in verband met zwangerschap voorafgaand
en na afloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.
In 2001 werden ruim 124
000 uitkeringen toegekend vanwege zwangerschaps- en
bevallingsverlof en vanwege ziekte als gevolg van rblz.|2|
zwangerschap en
bevalling. Het gemiddeld aantal lopende uitkeringen per dag bedroeg circa 51 100.
Vanaf 1 december 2001 valt het zwangerschaps- en bevallingsverlof onder de
Wet arbeid en zorg (Wazo). Ziekte vanwege zwangerschap en bevalling
is onder het ZW-vangnet gebleven. Voor de statistiek was 2002 een
overgangsjaar. Het onderscheid is daarin nog niet volledig zichtbaar. In
het ZW-vangnet werden in 2002 ruim 88 300 uitkeringen vanwege ziekte als gevolg
van zwangerschap en bevalling toegekend en bedroeg het gemiddeld
aantal lopende uitkeringen per dag aan deze categorie ongeveer
23 600. In de Wazo werden in 2002 circa 134 000 uitkeringen aan zwangere
vrouwen toegekend en bedroeg het gemiddeld aantal lopende
uitkeringen per dag aan deze groep circa 32 500.
Nogmaals zij opgemerkt
dat deze cijfers nog geen volledig beeld geven, omdat 2002 een
overgangsjaar was.
Inmiddels zijn voorlopige
cijfers voor het eerste halfjaar van 2003 beschikbaar. In het
ZW-vangnet werden in deze periode circa 35 300 uitkeringen vanwege ziekte als gevolg
van zwangerschap en bevalling toegekend en bedroeg het gemiddeld
aantal lopende uitkeringen per dag aan deze groep ruim 13 700.
In de Wazo werden in deze periode bijna 87 400 uitkeringen toegekend en
bedroeg het gemiddeld aantal lopende uitkeringen per dag in deze categorie
circa 44 300.
Vanwege de genoemde
overgang naar de Wazo en de gevolgen voor de statistiek kunnen de
genoemde aantallen toekenningen van de verschillende jaren niet met elkaar
vergeleken worden. Dit zal pas mogelijk zijn met de cijfers van de
jaren 2003 en later. Wel kan opgemerkt worden dat het totaal aantal
toekenningen, bij vergelijking van 2001 met de periode
na de introductie van de Wazo, is toegenomen, vanwege administratieve redenen. In de nieuwe
systematiek ontstaan door de overgang van ziekte vanwege zwangerschap naar
het zwangerschaps- en bevallingsverlof namelijk extra
toekenningen. Daarnaast leiden meerdere ziekteperioden tijdens de zwangerschap
en nabetalingen tot meerdere toekenningen. Het gemiddeld aantal
lopende uitkeringen per dag van de beide regelingen tezamen is vergelijkbaar.
Daaraan kan worden afgelezen dat het beroep op de regelingen
enigszins is toegenomen. Het gemiddeld aantal lopende uitkeringen per
dag tezamen is toegenomen van 51 100 in 2001 naar 56 100 in 2002 tot
58 000 in de eerste helft van 2003.
De leden van de PvdA-fractie
vroegen voorts door wie en op welke wijze wordt bepaald dat een
ziekte haar oorsprong vindt in zwangerschap. Deze beoordeling wordt
gedaan door de verzekeringsartsen van het UWV.
Immers, indien sprake is
van ziekte die samenhangt met de zwangerschap of bevalling, bestaat
recht op ziekengeld. In de dagelijkse praktijk zien uitvoerende
verzekeringsartsen zich regelmatig geplaatst voor deze vaak moeilijke beoordeling van
de causaliteitsvraag bij arbeidsongeschiktheid in samenhang met en al
dan niet veroorzaakt door zwangerschap. Het Landelijk Instituut
sociale verzekeringen (de rechtsvoorganger van het UWV) heeft daarom in
april 1999 de verzekeringsgeneeskundige standaard "Zwangerschap en
bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid"
vastgesteld. Deze standaard geeft de uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag
of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap of bevalling. In de standaard wordt
een aantal categorieën
van oorzaken van arbeidsongeschiktheid genoemd en wordt een set van
algemene criteria gegeven. Om te beoordelen of de klachten van de vrouw een
gevolg zijn van zwangerschap of bevalling wordt een afweging
gemaakt op basis van deze oorzaken en op basis van de algemene criteria.
De vraag van de leden van
de PvdA-fractie of bij de vaststelling van de
tweejaarstermijn een rol
speelt of de ziekte na het bevallings- en zwangerschapsverlof een relatie heeft met de
bevalling of de zwangerschap, kan ontkennend worden
beantwoord. De leden van de CDA-fractie vroegen in
rblz.|3|
dit verband of dat niet
haaks staat op het argument dat ontslag wegens een door de zwangerschap
veroorzaakte ziekte een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht
vormt.
De oorzaak van de ziekte die zich na het
zwangerschaps- of bevallingsverlof
voordoet, is niet
relevant. Dit houdt naar onze mening ook geen ongelijke behandeling van
vrouwen in. Het Hof van Justitie heeft in overweging 26 van het Brown-arrest
aangegeven dat ziektes die hun oorsprong vinden in de
zwangerschap of bevalling en optreden na het einde van het
zwangerschapsverlof onder de gewone ziekteregeling vallen. In een dergelijke
situatie is de enige vraag - aldus het Hof - of afwezigheid van de
vrouwelijke werknemer na het zwangerschapsverlof wegens door deze
stoornissen ontstane arbeidsongeschiktheid,
op dezelfde wijze worden
behandeld als de afwezigheid van een mannelijke werknemer wegens een
arbeidsongeschiktheid van dezelfde duur. Wanneer
dat het geval is, is er geen sprake van rechtstreekse discriminatie op grond van
geslacht, aldus het Hof.
De leden van de PvdA-fractie
wensten een nadere motivering van de conclusie dat de
samentelregeling geen ongelijke behandeling van vrouwen zou zijn. Ook de
leden van de D66-fractie vroegen naar een grondige motivering van de
samentelregeling en meer in het bijzonder of de voorgestelde wijze van
vaststelling van de vierwekenperiode in overeenstemming is met het Brown/Rentokil-arrest.
De in het onderhavige
wetsvoorstel uitgewerkte samentelregeling houdt in dat
ziekteperioden die
elkaar binnen vier weken opvolgen, worden samengeteld voor de
berekening van de termijn van twee jaar gedurende welke een opzegverbod bij
ziekte geldt (artikel 7:670, eerste lid, BW). Voor de berekening van de termijn
gedurende welke de werkgever verplicht is het loon bij ziekte te
betalen (artikel 7: 629 BW), geldt eenzelfde regeling. Dit geldt ook voor de
berekening van de termijn gedurende welke een recht op uitkering bestaat op
grond van de Ziektewet en voor de berekening van
de verschillende (wacht)termijnen, genoemd in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet terugdringing
ziekteverzuim, de Overgangswet
nieuw Burgerlijk Wetboek,
de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 en de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Met de samentelregeling
wordt voorkomen dat bij relatief korte onderbrekingen
telkens een nieuwe termijn gaat lopen.
Net als in de hiervoor
genoemde regelingen is in het onderhavige wetsvoorstel bij de samentelregeling
bepaald dat bij de vaststelling van de
vierwekenperiode perioden van zwangerschaps- en bevallingsverlof buiten beschouwing
blijven (en in het onderhavige wetsvoorstel ook perioden van
ongeschiktheid tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
zwangerschapsverlof). De periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
als het ware volledig geknipt uit de samentelregeling als het gaat om de
vaststelling van de periode van vier weken. Nadere beschouwing heeft
echter geleerd dat de samentelregeling zoals thans vormgegeven nadelig
kan uitwerken voor zwangere werkneemsters in vergelijking met
andere werknemers. Aan de hand van het volgende voorbeeld,
dat betrekking
heeft op het opzegverbod bij ziekte,
wordt dit toegelicht.
Een zwangere werkneemster
is ziek. Eén week vóór aanvang van het zwangerschaps- en
bevallingsverlof hervat zij haar werkzaamheden. Na het verlof gaat zij weer
aan de slag, maar na één week meldt zij zich ziek. Omdat het
zwangerschaps-
en bevallingsverlof niet meetelt voor de berekening van de vier weken
termijn, is er een onderbreking van twee weken
en worden de beide
ziekteperioden bij elkaar geteld. Er gaan dus geen nieuwe termijnen lopen
gedurende welke het opzegverbod bij ziekte geldt. rblz.|4|
Zou
zij niet zwanger zijn geweest (of zou het om een man gaan), dan zou er van samentelling geen
sprake zijn, omdat tussen de ziekteperioden een periode van achttien weken
ligt.
Met andere
woorden, een
vrouw kan - als gevolg van haar zwangerschap - nadeel ondervinden
van de voorgestelde regeling. In de hiervoor geschetste situatie
is de
zwangere werkneemster - als gevolg van haar zwangerschap - immers
slechter af dan de niet-zwangere werknemer. De regeling leidt er
mitsdien toe dat een voor vrouwen nadelig direct onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt. De voorgestelde regel houdt - ook volgens de CGB aan wie de
kwestie is voorgelegd - onvoldoende rekening met zwangerschap als eigensoortige sekse gebonden omstandigheid. De
CGB wijst erop dat een
regeling die een nadelig effect sorteert voor zwangere vrouwen op grond van de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen direct onderscheid op grond van geslacht
oplevert en concludeert dat de voorgestelde samentelregeling de toets aan de gelijke
behandelingswetgeving niet kan doorstaan.
Het zonder meer in
aanmerking nemen van de periode van zwangerschaps- en
bevallingsverlof voor de berekening van de vierwekentermijn zal echter
evenzeer tot ongerechtvaardigde uitkomsten kunnen leiden. Het volgende
voorbeeld dient ter toelichting.
Een zwangere vrouw is
direct voorafgaand, ten tijde van het zwangerschaps- en
bevallingsverlof en na afloop hiervan ziek door eenzelfde oorzaak die
geen verband houdt met de zwangerschap. De periode van zwangerschaps-
en bevallingsverlof telt voor de berekening van de termijn gedurende
welke een opzegverbod wegens ziekte geldt niet mee en valt er dus
als het ware tussenuit,
waardoor er sprake is van een onderbreking. In dat
geval is samentelling van de ziekteperioden voorafgaand aan en
volgend op het zwangerschaps- en bevallingsverlof gerechtvaardigd. Zonder
samentelling zou na afloop van het zwangerschaps- en
bevallingsverlof immers een nieuwe termijn gaan lopen,
terwijl er in feite
sprake is van een doorlopende ziekteperiode.
Uit de voorbeelden
blijkt dat zowel het buiten aanmerking laten als het meetellen van de periode
van het zwangerschaps- en bevallingsverlof bij de toepassing van de
samentelregeling tot ongerechtvaardigde uitkomsten kan leiden. Om hieraan
tegemoet te komen, wordt in de nota van wijziging voorgesteld dat
bij ziekteperioden die worden onderbroken door perioden van
zwangerschaps- en bevallingsverlof samentelling plaatsvindt, tenzij de
ziekte redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. In de nota van wijziging wordt overigens niet alleen de eerder
voorgestelde wijziging van artikel 670, eerste lid, Boek
7 BW dienovereenkomstig
aangepast, maar ook artikel 629, tiende lid, Boek
7 BW en een aantal bepalingen in
andere hiervoor genoemde regelingen op het terrein van de sociale
zekerheid waarin soortgelijke samentelregelingen zijn opgenomen.
In de situatie waarin
ziekte direct voorafgaand aan en volgend op zwangerschaps- en
bevallingsverlof dezelfde oorzaak heeft, kan worden uitgegaan van de
veronderstelling dat er in feite sprake is van een doorlopende ziekteperiode. In die
situatie achten wij samentelling gerechtvaardigd. Immers zonder samentelling zou na afloop van het
zwangerschaps- en
bevallingsverlof een
nieuwe termijn gaan lopen, waardoor de zwangere vrouw in vergelijking tot
een man (of niet-zwangere vrouw) ten onrechte wordt bevoordeeld. Het voorgaande wordt aan de hand van een
aantal voorbeelden nader
toegelicht.
1. Een zwangere vrouw is
ziek. Eén week voorafgaand aan het zwangerschaps- en
bevallingsverlof is zij hersteld. Na afloop van het verlof gaat zij weer aan
het werk, maar na één week valt ze opnieuw uit. In deze situatie
wordt niet samengeteld, omdat de ziekteperioden rblz.|5|
niet direct voorafgaan
aan en volgen op het verlof en er tussen de ziekteperioden een
onderbreking is van achttien weken. In een dergelijke situatie zou voor een man
(of niet-zwangere vrouw) evenmin worden samengeteld.
2. Een zwangere vrouw is
al enige tijd ziek thuis. Vervolgens gaat het zwangerschaps- en
bevallingsverlof in. Na afloop van het verlof blijkt dat de vrouw om dezelfde
reden als voorafgaand aan het verlof nog steeds ongeschikt is om
haar arbeid te verrichten. De ziekteperioden voorafgaand en volgend op
het verlof worden wel samengeteld, omdat aangenomen kan worden dat er sprake is van een doorlopende ziekteperiode.
3. Een zwangere vrouw kan
al enige tijd niet werken omdat zij haar been heeft gebroken. Het
zwangerschaps- en bevallingsverlof gaat in. Na afloop van het verlof
blijkt dat zij tijdens het verlof hersteld is van haar beenbreuk, maar na afloop
van het verlof niet kan werken vanwege het feit dat zij overspannen
is. De ziekteperioden voorafgaand en volgend op het zwangerschaps- en
bevallingsverlof worden niet samengeteld. De oorzaken van
ongeschiktheid tot werken voorafgaand en volgend op het verlof zijn immers
verschillend, waardoor vaststaat dat er geen sprake is van een
doorlopende ziekteperiode die samentelling rechtvaardigt (vergelijk voorbeeld 2).
Als in een dergelijke situatie wel wordt samengeteld, dan kan de zwangere vrouw nadeel ondervinden ten
opzichte van een man (of niet-zwangere vrouw), waardoor er wederom sprake zou zijn van
strijd met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het
Brown-arrest.
Voorts houdt de thans
voorgestelde wijziging van artikel 7:670, eerste lid, BW
in dat perioden van
ongeschiktheid die niet hun oorzaak vinden in de zwangerschap en die
worden onderbroken door een periode van ongeschiktheid tengevolge van
zwangerschap worden samengeteld als de periode van ongeschiktheid wegens zwangerschap korter duurt dan vier
weken. Duurt de periode
van ongeschiktheid tengevolge van zwangerschap langer dan vier weken,
dan
vindt geen samentelling plaats.
Daarmee
is de uitkomst gelijk aan de uitkomst als de vrouw niet ziek zou zijn geweest wegens
zwangerschap. De zwangere vrouw wordt aldus gelijk behandeld met een
man of een niet-zwangere vrouw. Ook voor hen geldt in een dergelijke
situatie dat de ziekteperioden respectievelijk wel en niet worden samengeteld. De volgende voorbeelden dienen ter verdere
toelichting.
1. Een zwangere vrouw is
ziek. Zij herstelt, maar is na één week weer ziek, dit keer in verband met
zwangerschap. Eén week later is zij hiervan hersteld. Na één week te
hebben gewerkt, wordt zij vervolgens weer ziek (niet wegens
zwangerschap). In een dergelijke situatie worden de perioden van ziekte (die
geen verband houden met de zwangerschap) samengeteld. Immers de
periode tussen de beide in aanmerking te nemen ziekteperioden
bedraagt minder dan vier weken (namelijk drie weken).
2. Een zwangere vrouw is
ziek. Zij herstelt, maar is na één week weer ziek, dit keer in verband met
zwangerschap. Zes weken later is zij hiervan hersteld. Na één week te
hebben gewerkt, wordt zij vervolgens weer ziek (niet wegens
zwangerschap). In een dergelijke situatie worden de perioden van ziekte (die
geen verband houden met de zwangerschap) niet samengeteld. Immers
de periode tussen de beide in aanmerking te nemen ziekteperioden
bedraagt meer dan vier weken (namelijk acht weken).
rblz.|6|
De leden van de PvdA-fractie
vroegen of artikel IX van de Invoeringswet
arbeid en zorg (artikel
629, tiende lid, Boek
7 BW) in overeenstemming is met het voorliggende
voorstel.
Artikel 7:629,
tiende lid, BW, zoals vastgesteld in de Invoeringswet arbeid en
zorg, volgt dezelfde lijn
als de oorspronkelijk voorgestelde regeling voor artikel 7:670 BW.
Perioden van ongeschiktheid tengevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling
worden op grond van artikel 7:629,
tiende lid, BW
samengeteld als zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Perioden
waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, blijven evenals in de oorspronkelijk voorgestelde bepaling van het onderhavige
wetsvoorstel buiten beschouwing bij de vaststelling van de periode van vier
weken. Artikel 7:629, tiende
lid, BW wordt in de thans voorgestelde nota van
wijziging in de hierboven aangegeven zin aangepast, zodat samentelling
plaatsvindt van perioden van ongeschiktheid die direct voorafgaan aan en
aansluiten op het zwangerschaps- of bevallingsverlof als de ongeschiktheid
redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Daarnaast vindt samentelling plaats als perioden van
ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
De Wet arbeid en zorg
heeft ertoe geleid dat het recht op ziekengeld tijdens het zwangerschaps-
of bevallingsverlof is vervangen door een specifiek recht op
zwangerschaps- of bevallingsuitkering, gekoppeld aan een verlofrecht ter
zake.
Tijdens dit verlof bestaat er geen loondoorbetalingsplicht meer voor de werkgever.
Deze periode telt dus niet mee voor de berekening van de
termijn gedurende welke de werkgever verplicht is het loon bij
ziekte door te betalen. Voor zover er buiten het zwangerschaps- of bevallingsverlof sprake is van ziekte in verband met
zwangerschap of bevalling, blijft de loondoorbetalingsplicht van de werkgever bestaan alsmede het
daarmee verrekenbare recht op een ziekengelduitkering. Deze
periode wordt wel meegeteld voor de berekening van de hiervoor genoemde termijn.
De leden van de PvdA-fractie
begrepen niet dat er in de memorie van toelichting geen relatie
is gelegd met het VN-Vrouwenverdrag, zoals dat nog wel in de brief van
16 juli 1999 wordt gedaan.
In de door de leden van
de PvdA-fractie genoemde brief van de toenmalige Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw A.E. Verstand-Bogaert, van
16 juli 1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 206, nr. 16) wordt inderdaad
verwezen naar het VN-Vrouwenverdrag. Vervolgens is in antwoord op vragen
van het lid Bussemaker over de WAO als gevolg van ziekte of
klachten tijdens de zwangerschap (Aanhangsel Handelingen II 1999-2000, nr.
1134) aangegeven dat het meetellen van het zwangerschaps- en bevallingsverlof in de periode voorafgaand aan de
WAO-uitkering niet in
strijd is met het Vrouwenverdrag of andere internationale verdragen,
omdat tijdens
het verlof een inkomen op het niveau van het loon gegarandeerd
wordt en het verlof niet leidt tot verlies van uitkeringsrechten. Bij de
beantwoording van deze vragen is voorts aangegeven dat desalniettemin bezien
zou worden of met de invoering van de Wet arbeid en zorg
bewerkstelligd kan worden dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet
langer in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de termijn gedurende
welke de werkgever gehouden is het loon bij ziekte door te betalen,
bedoeld in artikel 629 Boek
7 BW, en de wachttermijn,
bedoeld
artikel 19 van de WAO. Inmiddels is dit in het kader
van de Invoeringswet
arbeid en zorg gerealiseerd. Daar al eerder geconcludeerd was dat ook de
"oude regeling" niet in strijd was met internationale
verdragen, bestond er geen
aanleiding om te refereren aan het Vrouwenverdrag.
rblz.|7|
De
leden van de fracties van PvdA en D66 vroegen naar de wijze van invulling van
voorlichtingsactiviteiten ten behoeve van werknemers en werkgevers.
Aan de gevolgen van het
Brown-arrest voor het ontslagrecht is aandacht besteed in de brochure
"Gelijke behandeling op het werk", die in 2001 is verspreid. Deze brochure
is een gezamenlijke uitgave van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de CGB. Tevens wordt dit onderwerp behandeld op de website van het
ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Als
het onderhavige wetsvoorstel tot wet is verheven, zal de website
worden aangepast. De hiervoor genoemde brochure zal dan bij een eerstvolgende gelegenheid worden aangepast.
Voor ambtenaren zijn de
gevolgen van het arrest onder de aandacht gebracht van het VSO [Verbond
Sectorwerkgevers Overheid, red.].
De leden van de CDA-fractie
vroegen wat de consequenties van het Brown-arrest zijn voor
werknemers die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van een seksespecifieke
ziekte, zoals prostaatkanker of baarmoederhalskanker.
Het Brown-arrest beperkt
zich tot de situatie van ontslag van een vrouwelijke werknemer op enig moment
tijdens haar zwangerschap wegens afwezigheden die het
gevolg zijn van een arbeidsongeschiktheid die is veroorzaakt door een uit
die zwangerschap voortvloeiende ziekte. Het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen komt tot de conclusie dat de artikelen 2, eerste
lid, en 5, eerste lid, van Richtlijn 76/207/EEG zich daartegen verzetten. Ten aanzien
van ziektes die hun oorsprong vinden in de zwangerschap en de
bevalling en die optreden na het einde van het zwangerschapsverlof overweegt het Hof dat zij
vallen onder de gewone ziekteregeling. Gelet op de inhoud van
dit arrest zijn wij van mening dat dit arrest geen consequenties
heeft voor arbeidsongeschiktheid als gevolg van een seksespecifieke
ziekte.
Tot slot vroegen de leden
van de D66-fractie naar de administratieve lasten voor de werkgever.
Naar onze mening nemen de administratieve lasten van de werkgever
niet toe door deze regeling. De werkgever houdt immers nu ook al perioden
van ziekte en van zwangerschaps- of bevallingsverlof bij.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|