|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2002-2003, 2003-2004, 28 747.
Handelingen II 2003-2004, blz. 5761-5765, 5905-5905.
Kamerstukken I 2003-2004, 2004-2005, 28 747 (A, B, C, D, E, F).
Handelingen I 2004-2005, blz. 631-632.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 3 februari 2005, Stb.
2005, 71, tot aanvulling van de Algemene wet
bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten over
bestuursorganen door een ombudsman, alsmede daarmee samenhangende
wijziging van de Wet
Nationale ombudsman, de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet
en de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wet extern klachtrecht). Inwerkingtreding: 15 maart 2005
onderscheidenlijk 1
januari 2006 (Stb. 2005, 116).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het,
gelet op de artikelen 78a,
derde lid, en 107, tweede lid, van de Grondwet,
wenselijk is de Algemene wet bestuursrecht
aan te vullen met bepalingen inzake de behandeling van klachten door een
ombudsman, alsmede dat het wenselijk is te voorzien in een landelijk
dekkend stelsel van externe klachtvoorzieningen en in verband daarmee
wijzigingen aan te brengen in de Wet
Nationale ombudsman, de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet
en de Wet
gemeenschappelijke regelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
[MvT]
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1:1, tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:
f. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman, en
ombudsmannen en ombudscommissies als bedoeld in artikel
9:17, onderdeel
b;.
B.
[MvT]
Na het opschrift van hoofdstuk 9 wordt ingevoegd:
TITEL 9.1. Klachtbehandeling door een bestuursorgaan.
C.
[MvT]
De afdelingen 9.1, 9.2 en
9.3 worden vernummerd tot afdelingen
9.1.1,
9.1.2
onderscheidenlijk 9.1.3.
D.
[MvT]
Artikel 9:8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te
luiden:
d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij
die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of
beroep kon worden ingesteld;
2. Aan het derde lid wordt een zin
toegevoegd, luidende: Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Da.
In artikel 9:11, eerste lid, wordt "afdeling
9.3" vervangen door:
afdeling 9.1.3.
E.
[MvT]
Artikel 9:12 komt te luiden:
Art. 9:12.
-1. Het bestuursorgaan stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in
kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel
daarover alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
-2. Bij de kennisgeving wordt vermeld bij welke ombudsman en binnen
welke termijn de klager vervolgens een verzoekschrift kan indienen.
Ea.
In artikel 9:13 wordt "afdeling 9.2" vervangen door:
afdeling 9.1.2.
F.
[MvT]
Na titel 9.1 wordt een titel ingevoegd, luidende:
TITEL 9.2. Klachtbehandeling door een ombudsman
AFDELING 9.2.1. Algemene bepalingen
Art. 9:17. [MvT]
Onder ombudsman wordt verstaan:
a. de Nationale ombudsman; of
b. een ombudsman of ombudscommissie ingesteld krachtens de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet
of de Wet
gemeenschappelijke regelingen.
Art. 9:18. [MvT]
-1. Een ieder heeft het recht de ombudsman schriftelijk te verzoeken een
onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in
een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen.
-2. Indien het verzoekschrift bij een onbevoegde ombudsman wordt
ingediend, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is
aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan de bevoegde ombudsman,
onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de verzoeker.
-3. De ombudsman is verplicht aan een verzoek als bedoeld in het eerste
lid gevolg te geven, tenzij artikel 9:22,
9:23 of 9:24 van toepassing
is.
Art. 9:19.
[MvT]
-1. Indien naar het oordeel van de ombudsman ten aanzien van de in het
verzoekschrift bedoelde gedraging voor de verzoeker de mogelijkheid van
bezwaar, beroep of beklag openstaat, wijst hij de verzoeker zo spoedig
mogelijk op deze mogelijkheid en draagt hij het verzoekschrift, nadat
daarop de datum van ontvangst is aangetekend, aan de bevoegde instantie
over, tenzij de verzoeker kenbaar heeft gemaakt dat het verzoekschrift
aan hem moet worden teruggezonden.
-2. Artikel 6:15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 9:20.
[MvT]
-1. Alvorens het verzoek aan een ombudsman te doen, dient de verzoeker
over de gedraging een klacht in bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij
dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
-2. Het eerste lid geldt niet indien het verzoek betrekking heeft op de
wijze van klachtbehandeling door het betrokken bestuursorgaan.
Art. 9:21.
[MvT]
Op het verkeer met de ombudsman is hoofdstuk 2 van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van artikel 2:3, eerste lid.
AFDELING 9.2.2. Bevoegdheid
Art. 9:22.
[MvT]
De ombudsman is niet bevoegd een onderzoek in te stellen of voort te
zetten indien het verzoek betrekking heeft op:
a. een aangelegenheid die behoort tot het algemeen
regeringsbeleid, daaronder begrepen het algemeen beleid ter handhaving
van de rechtsorde, of tot het algemeen beleid van het betrokken
bestuursorgaan;
[MvT
+ bis]
b. een algemeen verbindend voorschrift;
c. een gedraging waartegen beklag kan worden gedaan of beroep kan
worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen
van een besluit, of waartegen een beklag- of beroepsprocedure aanhangig
is;
[MvT
+ bis]
d. een gedraging ten aanzien waarvan door een administratieve
rechter uitspraak is gedaan;
e. een gedraging ten aanzien waarvan een procedure bij een andere
rechterlijke instantie dan een administratieve rechter aanhangig is, dan
wel beroep openstaat tegen een uitspraak die in een zodanige procedure
is gedaan;
[MvT
+ bis]
f. een gedraging waarop de rechterlijke macht toeziet.
Art. 9:23.
[MvT]
De ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te
zetten, indien:
a. het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in
artikel 9:28, eerste en tweede lid;
b. het verzoek kennelijk ongegrond is;
c. het belang van de verzoeker bij een onderzoek door de
ombudsman dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;
d. de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging
heeft plaatsgevonden;
e. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen
bezwaar kan worden gemaakt, tenzij die gedraging bestaat uit het niet
tijdig nemen van een besluit, of waartegen een bezwaarprocedure
aanhangig is;
[MvT
+ bis]
f. het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen door
de verzoeker bezwaar had kunnen worden gemaakt, beroep had kunnen worden
ingesteld of beklag had kunnen worden gedaan;
g. het verzoek betrekking heeft op een gedraging ten aanzien
waarvan door een andere rechterlijke instantie dan een administratieve
rechter uitspraak is gedaan;
[MvT
+ bis]
h. niet is voldaan aan het vereiste van artikel
9:20, eerste lid;
i. een verzoek, dezelfde gedraging betreffende, bij hem in
behandeling is of - behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe
omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de
bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden - door hem is afgedaan;
j. ten aanzien van een gedraging van het bestuursorgaan die nauw
samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure
aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge bezwaar,
administratief beroep of beklag bij een andere instantie;
k. het verzoek betrekking heeft op een gedraging die nauw
samenhangt met een onderwerp dat door het instellen van een
procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een
administratieve rechter onderworpen is;
[MvT
+ bis]
l. na tussenkomst van de ombudsman naar diens oordeel alsnog naar
behoren aan de grieven van de verzoeker tegemoet is gekomen;
[MvT
+ bis]
m. het verzoek, dezelfde gedraging betreffende, ingevolge een
wettelijk geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke
klachtinstantie niet zijnde een ombudsman in behandeling is of daardoor
is afgedaan.
Art. 9:24.
[MvT]
-1. Voorts is de ombudsman niet verplicht een onderzoek in te stellen of
voort te zetten indien het verzoek wordt ingediend later dan één jaar:
a. na de kennisgeving door het bestuursorgaan van de bevindingen
van het onderzoek; of
b. nadat de klachtbehandeling door het bestuursorgaan op andere
wijze is geëindigd, dan wel ingevolge artikel 9:11 beëindigd had
moeten zijn.
-2. In afwijking van het eerste lid eindigt de termijn één jaar nadat de
gedraging heeft plaatsgevonden indien redelijkerwijs niet van verzoeker
kan worden gevergd dat hij eerst een klacht bij het bestuursorgaan
indient. Is de gedraging binnen één jaar nadat zij plaatsvond aan het
oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve
rechter onderworpen, of is daartegen bezwaar gemaakt, administratief
beroep ingesteld dan wel beklag gedaan, dan eindigt de termijn één jaar
na de datum waarop:
a. in die procedure een uitspraak is gedaan waartegen geen beroep
meer openstaat; of
b. de procedure op een andere wijze is geëindigd.
Art. 9:25.
[MvT]
-1. Indien de ombudsman op grond van artikel
9:22, 9:23 of 9:24 geen
onderzoek instelt of dit niet voortzet, deelt hij dit onder vermelding
van de redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de verzoeker mede.
-2. In het geval dat hij een onderzoek niet voortzet, doet hij de in het
eerste lid bedoelde mededeling tevens aan het bestuursorgaan en, in
voorkomend geval, aan degene op wiens gedraging het onderzoek betrekking
heeft.
Art. 9:26.
[MvT]
Tenzij artikel 9:22 van toepassing is, is de ombudsman bevoegd uit eigen
beweging een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een
bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen.
Art. 9:27.
[MvT]
-1. De ombudsman beoordeelt of het bestuursorgaan zich in de door hem
onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft gedragen.
-2. Indien ten aanzien van de gedraging waarop het onderzoek van de
ombudsman betrekking heeft door een rechterlijke instantie uitspraak is
gedaan, neemt de ombudsman de rechtsgronden in acht waarop die uitspraak
steunt of mede steunt.
-3. De ombudsman kan naar aanleiding van het door hem verrichte
onderzoek aan het bestuursorgaan aanbevelingen doen.
AFDELING 9.2.3. Procedure
Art. 9:28.
[MvT]
-1. Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de verzoeker;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de gedraging waartegen het verzoek is
gericht, een aanduiding van degene die zich aldus heeft gedragen en een
aanduiding van degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden
indien deze niet de verzoeker is;
d. de gronden van het verzoek;
e. de wijze waarop een klacht bij het bestuursorgaan is ingediend en zo mogelijk de bevindingen van het onderzoek naar de
klacht door het bestuursorgaan, zijn oordeel daarover alsmede de
eventuele conclusies die het bestuursorgaan hieraan verbonden heeft.
-2. Indien het verzoekschrift in een vreemde taal is gesteld en een
vertaling voor een goede behandeling van het verzoek noodzakelijk is,
draagt de verzoeker zorg voor een vertaling.
-3. Indien niet is voldaan aan de in dit artikel gestelde vereisten,
stelt de ombudsman de verzoeker in de gelegenheid het verzuim binnen een
door hem daartoe gestelde termijn te herstellen.
Art. 9:29.
[MvT]
Aan de behandeling van het verzoek wordt niet meegewerkt door een
persoon die betrokken is geweest bij de gedraging waarop het verzoek
betrekking heeft.
Art. 9:30.
[MvT]
-1. De ombudsman stelt het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het
verzoek betrekking heeft en de verzoeker in de gelegenheid hun
standpunt toe te lichten.
-2. De ombudsman beslist of de toelichting schriftelijk of mondeling en
al dan niet in elkaars tegenwoordigheid wordt gegeven.
Art. 9:31.
[MvT]
-1. Het bestuursorgaan, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame
personen - ook na het beëindigen van de werkzaamheden - getuigen
alsmede de verzoeker verstrekken de ombudsman de benodigde inlichtingen
en verschijnen op een daartoe strekkende uitnodiging voor hem. Gelijke
verplichtingen rusten op ieder college, met dien verstande dat het
college bepaalt wie van zijn leden aan de verplichtingen zal voldoen,
tenzij de ombudsman één of meer bepaalde leden aanwijst. De ombudsman
kan betrokkenen die zijn opgeroepen, gelasten om in persoon te
verschijnen.
-2. Inlichtingen die betrekking hebben op het beleid gevoerd onder de
verantwoordelijkheid van een minister of een ander bestuursorgaan kan
de ombudsman bij de daarbij betrokken personen en colleges slechts
inwinnen door tussenkomst van de minister onderscheidenlijk dat
bestuursorgaan. Het orgaan door tussenkomst waarvan de inlichtingen
worden ingewonnen, kan zich bij het horen van de ambtenaren doen
vertegenwoordigen.
-3. Binnen een door de ombudsman te bepalen termijn worden ten behoeve
van een onderzoek de onder het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging
het verzoek betrekking heeft en bij anderen berustende stukken aan hem
overgelegd nadat hij hierom schriftelijk heeft verzocht.
-4. De ingevolge het eerste lid opgeroepen personen onderscheidenlijk
degenen die ingevolge het derde lid verplicht zijn stukken over te
leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van
inlichtingen onderscheidenlijk het overleggen van stukken weigeren of de
ombudsman mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de
inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
-5. De ombudsman beslist of de in het vierde lid bedoelde weigering
onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
-6. Indien de ombudsman heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd
is, vervalt de verplichting.
Art. 9:32.
[MvT]
-1. De ombudsman kan ten dienste van het onderzoek deskundigen
werkzaamheden opdragen. Hij kan voorts in het belang van het onderzoek
deskundigen en tolken oproepen.
-2. Door de ombudsman opgeroepen deskundigen of tolken verschijnen voor
hem en verlenen onpartijdig en naar beste weten hun diensten als
zodanig. Op deskundigen, tevens ambtenaren, is artikel
9:31, tweede tot
en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De ombudsman kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord en
tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan
na het afleggen van de eed of de belofte. Getuigen leggen in dat geval
de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de
waarheid zullen zeggen en tolken dat zij hun plichten als tolk met
nauwgezetheid zullen vervullen.
Art. 9:33.
[MvT]
-1. Aan de door de ombudsman opgeroepen verzoekers, getuigen,
deskundigen en tolken wordt een vergoeding toegekend. Deze vergoeding
vindt plaats ten laste van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan
behoort op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, indien het een gemeente,
provincie, waterschap of gemeenschappelijke regeling betreft.
In overige gevallen vindt de vergoeding plaats ten laste van het Rijk.
Het bij en krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde is van
overeenkomstige toepassing.
-2. De in het eerste lid bedoelde personen die in openbare dienst zijn,
ontvangen geen vergoeding indien zij zijn opgeroepen in verband met hun
taak als zodanig.
Art. 9:34. [MvT]
-1. De ombudsman kan een onderzoek ter plaatse instellen. Hij heeft
daarbij toegang tot elke plaats, met uitzondering van een woning zonder
toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
-2. Bestuursorganen verlenen de medewerking die in het belang van het
onderzoek, bedoeld in het eerste lid, is vereist.
-3. Van het onderzoek wordt een proces-verbaal gemaakt.
Art. 9:35. [MvT]
-1. De ombudsman deelt, alvorens het onderzoek te beëindigen, zijn
bevindingen schriftelijk mee aan:
a. het betrokken bestuursorgaan;
b. degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft;
c. de verzoeker.
-2. De ombudsman geeft hun de gelegenheid zich binnen een door hem te
stellen termijn omtrent de bevindingen te uiten.
Art. 9:36. [MvT]
-1. Wanneer een onderzoek is afgesloten, stelt de ombudsman een rapport
op, waarin hij zijn bevindingen en zijn oordeel weergeeft. Hij neemt
daarbij artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur in acht.
-2. Indien naar het oordeel van de ombudsman de gedraging niet
behoorlijk is, vermeldt hij in het rapport welk vereiste van
behoorlijkheid geschonden is.
-3. De ombudsman zendt zijn rapport aan het betrokken bestuursorgaan,
alsmede aan de verzoeker en aan degene op wiens gedraging het verzoek
betrekking heeft.
-4. Indien de ombudsman aan het bestuursorgaan een aanbeveling doet als
bedoeld in artikel 9:27, derde lid, deelt het bestuursorgaan binnen een
redelijke termijn aan de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbeveling
gevolg zal worden gegeven. Indien het bestuursorgaan overweegt de
aanbeveling niet op te volgen, deelt het dat met redenen omkleed aan de
ombudsman mee.
-5. De ombudsman geeft aan een ieder die daarom verzoekt afschrift of
uittreksel van een rapport als bedoeld in het eerste lid. Met betrekking
tot de daarvoor in rekening te brengen vergoedingen en met betrekking
tot kosteloze verstrekking is het bepaalde bij en krachtens de Wet
tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing. Tevens
legt hij een zodanig rapport ter inzage op een door hem aan te wijzen
plaats.
Art.
II. [MvT]
De Wet Nationale
ombudsman wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Onder vernummering van de hoofdstukken I, II en III tot hoofdstukken II,
III
onderscheidenlijk IV komt het opschrift voor artikel 1 te luiden:
HOOFDSTUK I. Begripsbepalingen en toepassingsbereik
B.
[MvT]
Artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en
gemeenschappelijke regelingen, tenzij voor die bestuursorganen een eigen
voorziening voor de behandeling van verzoekschriften is ingesteld op
grond van respectievelijk artikel 79q van de Provinciewet, artikel
81p
van de Gemeentewet, artikel 51b van de
Waterschapswet of artikel 10,
vierde lid, van de Wet
gemeenschappelijke regelingen;.
C.
[MvT]
Artikel 1b komt te luiden:
Art. 1b.
-1. Indien de ombudsman een besluit als bedoeld in artikel 79q, tweede
of derde lid, van de Provinciewet, artikel 81p, tweede of derde lid, van
de Gemeentewet, artikel 51b, tweede of derde lid, van de
Waterschapswet of artikel 10, vierde lid, van de
Wet
gemeenschappelijke regelingen heeft ontvangen, bevestigt hij onverwijld de ontvangst daarvan.
-2. De ombudsman registreert de provincies, gemeenten, waterschappen en
gemeenschappelijke regelingen met een eigen voorziening als bedoeld in
artikel 1a, eerste lid, onderdeel b. Hij maakt deze registratie openbaar.
D.
[MvT]
Artikel 1c, eerste lid, komt te luiden:
-1. Provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke
regelingen als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, zijn een
vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan
de behandeling van verzoekschriften ten aanzien van hun bestuursorganen
door de ombudsman. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties stelt de vergoeding vast.
E.
[MvT]
In artikel 3, tweede lid, onderdel f, en in artikel 4, eerste lid, onderdeel
c,
wordt "surséance" vervangen door: surseance.
F.
[MvT]
Aan artikel 5 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3. De betrekkingen die de ombudsman buiten zijn ambt vervult, worden
door hem openbaar gemaakt.
G.
[MvT]
In artikel 6 vervalt de zinsnede "doch de verrekening van de inkomsten
plaatsvindt overeenkomstig artikel 9 van die wet." en wordt de komma
achter "Staten-Generaal" vervangen door een punt.
H.
[MvT]
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De benoeming van een substituut-ombudsman geschiedt voor de duur van
de ambtstermijn van de ombudsman op wiens verzoek hij is benoemd,
vermeerderd met één jaar.
2. In het vierde lid wordt "18 tot en met
24 en 27, vijfde lid," vervangen door: 15, en de artikelen 9:21 en
9:30
tot en met 9:34 van de Algemene wet bestuursrecht,.
3. In het zesde lid wordt "25, 26, 27,
eerste tot en met vierde lid, en 28, derde lid," vervangen door: 16,
derde lid, en de artikelen 9:27, 9:35 en
9:36 van de Algemene wet bestuursrecht,.
I. [MvT]
Artikel 10, derde lid, komt te luiden:
-3. Indien de ombudsman overlijdt of ingevolge artikel 3 wordt
ontslagen, voorziet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk in de waarneming
van het ambt van ombudsman door een substituut-ombudsman.
J. [MvT]
Hoofdstuk III (nieuw) komt te luiden:
HOOFDSTUK III. Aanvullende bepalingen betreffende het onderzoek
Art. 12. [MvT]
De ombudsman is niet verplicht een onderzoek als bedoeld in artikel
9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in te stellen of
voort te zetten indien een verzoekschrift, dezelfde gedraging
betreffende, in behandeling is bij een tot de behandeling van
verzoekschriften bevoegde commissie uit de Eerste of Tweede Kamer of uit
de verenigde vergadering der Staten-Generaal of - behoudens indien een
nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot
een ander oordeel over de bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden - daarover door de betrokken commissie haar conclusie op een
verzoekschrift aan de Eerste of Tweede Kamer dan wel de verenigde
vergadering der Staten-Generaal is voorgesteld.
Art. 13. [MvT]
Artikel 9:31, eerste lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht
is niet van toepassing op Onze Ministers.
Art. 14. [MvT]
Onze Ministers kunnen aan de ombudsman het betreden van bepaalde
plaatsen verbieden indien dit naar hun oordeel de veiligheid van de
staat zou schaden.
Art. 15.
[MvT]
De ombudsman kan bevelen dat personen die, hoewel wettelijk opgeroepen,
niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hem worden gebracht om
aan hun verplichtingen te voldoen.
Art. 16.
[MvT]
-1. De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan
de beide kamers der Staten-Generaal en aan Onze
Ministers, alsmede aan
de vertegenwoordigende organen van provincies, gemeenten
en
waterschappen en aan de algemene besturen van gemeenschappelijke
regelingen als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b,
voor zover de
ombudsman ten aanzien van hun bestuursorganen verzoekschriften heeft
behandeld. Artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de ombudsman bij het
verslag gegevens kan voegen slechts ter vertrouwelijke kennisneming
door de leden van de Staten-Generaal en Onze Ministers.
-2. De ombudsman draagt er zorg voor dat het verslag openbaar wordt
gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
-3. De ombudsman kan ook dadelijk na het afsluiten van een onderzoek de
beide kamers der Staten-Generaal, vertegenwoordigende organen van
provincies, gemeenten en waterschappen en algemene besturen van
gemeenschappelijke regelingen inlichten omtrent zijn bevindingen en
oordeel, zo dikwijls hij de eerdere kennisneming daarvan voor het
betreffende orgaan van belang acht of een orgaan als hiervoor bedoeld
dit verzoekt.
K.
[MvT]
Hoofdstuk IV (nieuw) komt te luiden:
HOOFDSTUK IV. Overgangs- en slotbepalingen
Art. 17.
[MvT]
De voordrachten voor ter uitvoering van deze wet te nemen koninklijke
besluiten worden gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Art. 18.
[MvT]
Indien provincies, gemeenten, waterschappen of gemeenschappelijke
regelingen een eigen voorziening voor de behandeling van
verzoekschriften hebben ingesteld als bedoeld in artikel 1a, eerste lid,
onderdeel b, blijft de ombudsman bevoegd verzoekschriften ten aanzien van
hun bestuursorganen te behandelen die vóór de ingangsdatum van de eigen
voorziening door hem zijn ontvangen.
Art. 19.
[MvT]
Tot één jaar na inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel
1a, eerste lid, onderdeel e, kan met betrekking tot een gedraging van het
desbetreffende bestuursorgaan die heeft plaatsgevonden voordat het desbetreffende
bestuursorgaan is uitgezonderd, een verzoekschrift bij de ombudsman
worden ingediend.
Art. 20.
[MvT]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
Nationale ombudsman.
Art.
III. [MvT]
De Gemeentewet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen n
tot en met p tot onderdelen o tot en met q wordt in het eerste lid een nieuw
onderdeel n ingevoegd, luidende:
n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
81p, eerste lid;.
2. In het derde lid wordt "aanhef en onder
p" vervangen door: aanhef en onder q.
B.
[MvT]
Artikel 36b wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen o
tot en met s tot onderdelen p tot en met t wordt in het eerste lid een nieuw
onderdeel o ingevoegd, luidende:
o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
81p, eerste lid;.
2. In het derde lid wordt "aanhef en onder
q" vervangen door: aanhef en onder r.
C.
[MvT]
Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen o
tot en met s tot onderdelen p tot en met t wordt in het eerste lid een nieuw
onderdeel o ingevoegd, luidende:
o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
81p, eerste lid;.
2. In het tweede lid wordt "aanhef en
onder q" vervangen door: aanhef en onder r.
D.
[MvT]
Artikel 81f wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen n
tot en met s tot onderdelen o tot en met t wordt in het eerste lid een nieuw
onderdeel n ingevoegd, luidende:
n. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
81p, eerste lid;.
2. In het tweede lid wordt "aanhef en
onder q" vervangen door: aanhef en onder r.
E.
[MvT]
Na hoofdstuk IVb wordt een hoofdstuk ingevoegd, dat luidt:
HOOFDSTUK IVC. De ombudsman
§ 1. Algemene bepaling
Art. 81p. [MvT]
-1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan de raad de
behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel
9:18, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht opdragen aan een gemeentelijke
ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of
ombudscommissie.
-2. Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan
slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de raad
hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman
vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de
instelling ingaat.
-3. De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in
het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden
beëindigd. Indien de raad hiertoe besluit, zendt hij het besluit tot
beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman vóór 1 juli
van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.
§ 2. De gemeentelijke ombudsman
Art. 81q. [MvT]
-1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een
gemeentelijke ombudsman, benoemt hij deze voor de duur van zes jaar.
-2. De raad benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op
de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.
-3. De ombudsman wordt door de raad ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is
zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel
81r, eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel
toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
-4. De raad stelt de ombudsman op non-activiteit, indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg
heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft
verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Art. 81r. [MvT]
-1. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de
handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
-2. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
Art. 81s. [MvT]
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de
vergadering van de raad, in handen van de voorzitter, de volgende eed
(verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot
ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke
naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of
beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te
doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof)
dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en
dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo
waarlijk helpe mij God almachtig!"
("Dat verklaar en beloof
ik!").
Art. 81t. [MvT]
-1. Op voordracht van de ombudsman benoemt het college het personeel van
de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn
werkzaamheden.
-2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn
werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een
enkel geval.
-3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een
bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan
instellen.
-4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die
het voor de ombudsman verricht uitsluitend aan hem verantwoording
schuldig.
Art. 81u. [MvT]
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de
raad.
Art. 81v. [MvT]
De ombudsman ontvangt een bij verordening van de raad vastgestelde
vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
§ 3. De gemeentelijke
ombudscommissie
Art. 81w. [MvT]
-1. Indien de raad de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een
gemeentelijke ombudscommissie, stelt de raad het aantal leden van de
ombudscommissie vast.
-2. De raad benoemt de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes
jaar.
-3. De raad benoemt uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend
voorzitter van de ombudscommissie.
Art. 81x. [MvT]
-1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn
werkzaamheden aan de raad.
-2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen
81q, derde en vierde lid, 81r, 81s, 81t en
81v van overeenkomstige
toepassing.
§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
Art. 81y. [MvT]
-1. De raad kan voor de behandeling van verzoekschriften een
gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met
de raad of raden van één of meer andere gemeenten, dan wel met
provinciale staten van één of meer provincies, dan wel met het algemeen
bestuur van één of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur
van één of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen
ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.
-2. De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van
zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende
rechtspersonen.
-3. Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie
zijn de artikelen 81q tot en met 81t, 81v en 81w van overeenkomstige
toepassing.
Art. 81z. [MvT]
Indien de raad een ombudsman of een ombudscommissie instelt met
toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die
wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts
van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de
ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
F.
Artikel 89 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen p
en q tot onderdelen q en r wordt in het eerste lid een nieuw
onderdeel p ingevoegd,
luidende:
p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
81p, eerste lid;.
2. In het tweede lid wordt "aanhef en
onder q" vervangen door: aanhef en onder r.
3. In het derde lid wordt "aanhef en onder
p" vervangen door: aanhef en onder q.
G.
Artikel 90 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van de onderdelen p
en q tot onderdelen q en r wordt in het eerste lid een nieuw
onderdeel p ingevoegd,
luidende:
p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
81p, eerste lid;.
2. In het tweede lid wordt "aanhef en
onder q" vervangen door: aanhef en onder r.
3. In het derde lid wordt "aanhef en onder
p" vervangen door: aanhef en onder q.
Art.
IV. [MvT]
De Provinciewet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT
+ bis]
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder verlettering van onderdeel j
tot onderdeel k
wordt in het eerste lid een nieuw onderdeel j ingevoegd, luidende:
j. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
79q, eerste lid;.
2. In het derde lid wordt "aanhef en onder
j" vervangen door: aanhef en onder k.
B. [MvT
+ bis]
Aan artikel 67 wordt, onder verlettering van de onderdelen p tot en met
u tot onderdelen q tot en met v een nieuw onderdeel p ingevoegd, luidende:
p. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
79q, eerste lid.
C. [MvT
+ bis]
Na hoofdstuk IVb wordt een hoofdstuk ingevoegd, dat luidt:
HOOFDSTUK IVC. De ombudsman
§ 1. Algemene bepaling
Art. 79q. [MvT
+ bis]
-1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen
provinciale staten de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in
artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opdragen
aan een provinciale ombudsman of ombudscommissie, dan wel een
gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.
-2. Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan
slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien provinciale
staten hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman
vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar
waarin de instelling ingaat.
-3. De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in
het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden
beëindigd. Indien provinciale staten hiertoe besluiten, zenden zij het
besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling
eindigt.
§ 2. De provinciale ombudsman
Art. 79r. [MvT
+ bis]
-1. Indien provinciale staten de behandeling van verzoekschriften
opdragen aan een provinciale ombudsman, benoemen zij deze voor de duur
van zes jaar.
-2. Provinciale staten benoemen een plaatsvervangend ombudsman. Deze
paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige
toepassing.
-3. De ombudsman wordt door provinciale staten ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is
zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel
79s, eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van provinciale staten ernstig
nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
-4. Provinciale staten stellen de ombudsman op non-activiteit, indien
hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg
heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft
verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Art. 79s. [MvT
+ bis]
-1. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de
handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
-2. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
Art. 79t. [MvT
+ bis]
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de
vergadering van provinciale staten, in handen van de voorzitter, de
volgende eed (verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik,
om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder
welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of
beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te
doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof)
dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en
dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo
waarlijk helpe mij God almachtig!"
("Dat verklaar en beloof
ik!").
Art. 79u. [MvT
+ bis]
-1. Op voordracht van de ombudsman benoemen gedeputeerde staten het
personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van
de werkzaamheden.
-2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn
werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een
enkel geval.
-3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een
bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan
instellen.
-4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die
het voor de ombudsman verricht uitsluitend aan hem verantwoording
schuldig.
Art. 79v. [MvT
+ bis]
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan
provinciale staten.
Art. 79w. [MvT
+ bis]
De ombudsman ontvangt een bij verordening van provinciale staten
vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in
de kosten.
§ 3. De provinciale ombudscommissie
Art. 79x. [MvT
+ bis]
-1. Indien provinciale staten de behandeling van verzoekschriften
opdraagt aan een provinciale ombudscommissie, stellen provinciale staten
het aantal leden van de ombudscommissie vast.
-2. Provinciale staten benoemen de leden van de ombudscommissie voor de
duur van zes jaar.
-3. Provinciale staten benoemen uit de leden de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.
Art. 79y. [MvT
+ bis]
-1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn
werkzaamheden aan provinciale staten.
-2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen
79r, derde en vierde lid, 79s, 79t, 79u en
79w van overeenkomstige
toepassing.
§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
Art. 79z. [MvT
+ bis]
-1. Provinciale staten kunnen voor de behandeling van verzoekschriften
een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen
met de raad of raden van één of meer andere gemeenten, dan wel met
provinciale staten van één of meer provincies, dan wel met het algemeen
bestuur van één of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur
van één of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen
ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.
-2. De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van
zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende
rechtspersonen.
-3. Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie
zijn de artikelen 79r tot en met 79u, 79w en 79x van overeenkomstige
toepassing.
Art. 79aa. [MvT
+ bis]
Indien provinciale staten een ombudsman of een ombudscommissie instellen
met toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die
wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen
slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de
ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
Art. V.
[MvT]
De Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 31, tweede lid, komt te luiden:
-2. Een lid van het algemeen bestuur is niet tevens:
a. ambtenaar door of vanwege het waterschapsbestuur aangesteld of
daaraan ondergeschikt;
b. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
51b, eerste lid.
B.
[MvT]
Aan artikel 41, derde lid, wordt een tweede volzin toegevoegd, luidende:
Geen ontheffing wordt verleend indien het de ombudsman of een lid van de
ombudscommissie betreft als bedoeld in artikel 51b, eerste lid.
C.
[MvT]
Artikel 47, eerste lid, komt te luiden:
-1. De voorzitter is niet tevens:
a. lid van het algemeen bestuur van het waterschap waarvan hij
voorzitter is, noch, behoudens bij koninklijk besluit verleende
ontheffing, burgemeester of wethouder van een in een gebied van het
waterschap gelegen gemeente;
b. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel
51b, eerste lid.
D.
[MvT]
Na hoofdstuk VI wordt een hoofdstuk ingevoegd, dat luidt:
HOOFDSTUK VIA. De ombudsman
§ 1. Algemene bepaling
Art. 51b. [MvT]
-1. Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan het algemeen
bestuur de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel
9:18,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
opdragen aan een ombudsman
of ombudscommissie voor het waterschap, dan wel een gezamenlijke
ombudsman of ombudscommissie.
-2. Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan
slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien het
algemeen bestuur hiertoe besluit, zendt het het besluit tot instelling
aan de Nationale ombudsman vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het
jaar waarin de instelling ingaat.
-3. De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in
het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden
beëindigd. Indien het algemeen bestuur hiertoe besluit, zendt het het
besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling
eindigt.
§ 2. De ombudsman voor het waterschap
Art. 51c. [MvT]
-1. Indien het algemeen bestuur de behandeling van verzoekschriften
opdraagt aan een ombudsman voor het waterschap, benoemt het deze voor de
duur van zes jaar.
-2. Het algemeen bestuur benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze
paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige
toepassing.
-3. De ombudsman wordt door het algemeen bestuur ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is
zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel
51d, eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een
maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of
wegens schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van provinciale staten ernstig
nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
-4. Het algemeen bestuur stelt de ombudsman op non-activiteit, indien
hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg
heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is
verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft
verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Art. 51d. [MvT]
-1. De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de
handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het
vertrouwen daarin.
-2. Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.
Art. 51e. [MvT]
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de
vergadering van het algemeen bestuur, in handen van de voorzitter, de
volgende eed (verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik,
om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder
welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of
beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te
doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige
belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof)
dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en
dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo
waarlijk helpe mij God almachtig!"
("Dat verklaar en beloof
ik!").
Art. 51f. [MvT]
-1. Op voordracht van de ombudsman benoemt het dagelijks bestuur het
personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van
zijn werkzaamheden.
-2. De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn
werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een
enkel geval.
-3. Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een
bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan
instellen.
-4. Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die
het voor de ombudsman verricht uitsluitend aan hem verantwoording
schuldig.
Art. 51g. [MvT]
De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan het
algemeen bestuur.
Art. 51h. [MvT]
De ombudsman ontvangt een bij verordening van het algemeen bestuur
vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in
de kosten.
§ 3. De ombudscommissie voor het waterschap
Art. 51i. [MvT]
-1. Indien het algemeen bestuur de behandeling van verzoekschriften
opdraagt aan een ombudscommissie voor het waterschap, stelt het algemeen
bestuur het aantal leden van de ombudscommissie vast.
-2. Het algemeen bestuur benoemt de leden van de ombudscommissie voor de
duur van zes jaar.
-3. Het algemeen bestuur benoemt uit de leden de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.
Art. 51j. [MvT]
-1. De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn
werkzaamheden aan het algemeen bestuur.
-2. Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen
51c, derde en vierde lid, 51d, 51e, 51f en
51h van overeenkomstige
toepassing.
§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
Art. 51k. [MvT]
-1. Het algemeen bestuur kan voor de behandeling van verzoekschriften
een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen
met de raad of raden van één of meer andere gemeenten, dan wel met
provinciale staten van één of meer provincies, dan wel met het algemeen
bestuur van één of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur
van één of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen
ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.
-2. De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van
zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende
rechtspersonen.
-3. Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie
zijn de artikelen 51c tot en met 51f, 51h en 51i van overeenkomstige
toepassing.
Art. 51l. [MvT]
Indien het algemeen bestuur een ombudsman of een ombudscommissie instelt
met toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die
wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen
slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de
ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
Art.
VI. [MvT]
Aan artikel 10 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen wordt een vierde
lid toegevoegd, luidende:
-4. Een regeling als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, kan
aangeven dat een ombudsman of ombudscommissie van één van de deelnemers
aan de gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 81p, eerste
lid, van de Gemeentewet, artikel 79q, eerste lid, van de
Provinciewet of
artikel 51b, eerste lid, van de Waterschapswet
bevoegd is tot de
behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel
9:18, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Indien een regeling de hiervoor
bedoelde bevoegdheid instelt, dan wel deze beëindigt, zendt het bestuur
de regeling aan de Nationale ombudsman.
Art.
VIa.
In de Wet
algemene regels herindeling wordt na artikel 43 een nieuw
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 43a.
-1. In afwijking van artikel 81p van de Gemeentewet
kan de raad van een
nieuwe gemeente op uiterlijk 15 januari van het jaar waarin de gemeente
is ingesteld de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel
9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opdragen aan een
gemeentelijke ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke
ombudsman of ombudscommissie. Het besluit werkt terug tot 1 januari van
het jaar waarin het is genomen.
-2. Indien de raad een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt,
zendt hij dit binnen één week aan de Nationale ombudsman.
Art.
VIb.
In artikel V, tweede lid, van de Wet van 12 mei 1999, houdende
aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht
met een regeling over de
behandeling van klachten door bestuursorganen (Stb. 1999, 214), wordt "hoofdstuk 9 van de
Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
Art.
VIc.
In artikel 34, derde lid, van de Kaderwet
dienstplicht wordt "is
hoofdstuk 9, afdeling 2 en 3, van de Algemene wet bestuursrecht
van
overeenkomstige toepassing" vervangen door: zijn de afdelingen 9.1.2 en
9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht
van overeenkomstige toepassing.
Art.
VId.
Artikel 37v van de Luchtvaartwet
wordt gewijzigd als volgt:
1. In het derde lid wordt "Hoofdstuk 9 van
de Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
titel 9.1 van de
Algemene wet bestuursrecht.
2. In het vierde lid wordt na "de Wet
Nationale ombudsman" ingevoegd: en titel 9.2
van de Algemene wet bestuursrecht.
Art.
VIe.
In artikel 9, derde lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 wordt
"is
hoofdstuk 9, afdeling 2 en 3, van de Algemene wet bestuursrecht
van
overeenkomstige toepassing" vervangen door: zijn de afdelingen 9.1.2 en
9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht
van overeenkomstige toepassing.
Art.
VIf.
In artikel 20a, zevende lid, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet wordt
"De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn
niet van toepassing" vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur,
de Wet Nationale
ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van toepassing.
Art.
VIg.
In artikel 18b, zevende lid, van de Wet betreffende verplichte
deelneming in een beroepspensioenregeling wordt "De Wet openbaarheid
van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing"
vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur, de Wet
Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van
toepassing.
Art.
VIh.
Artikel 83 van de Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het derde lid wordt "Afdeling 9.3
van de Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
Afdeling 9.1.3 van
de Algemene wet bestuursrecht.
2. Na het derde lid worden twee leden
toegevoegd, luidende:
-4. In klachtprocedures waarbij Onze betrokken
Minister, onder zijn
verantwoordelijkheid werkzame personen of de commissie van toezicht
ingevolge artikel 9:31 van de Algemene wet bestuursrecht
worden
verplicht tot het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van
stukken aan de Nationale ombudsman, blijft artikel 9:31, vijfde en zesde
lid, van die wet buiten toepassing.
-5. Indien Onze betrokken Minister, onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen of de commissie van toezicht worden verplicht tot het
overleggen van stukken, kan worden volstaan met het ter inzage geven van
de desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken mag op generlei
wijze een afschrift worden vervaardigd.
Art.
VIi.
In artikel 26, zesde lid, van de Wet
op de rechterlijke organisatie wordt "Afdeling 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
Afdeling 9.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Art.
VIj.
In artikel 23, eerste lid, van de Wet
op het onderwijstoezicht wordt
"afdeling 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Art.
VIk.
In artikel XIII, vierde lid, van de Wet
organisatie en bestuur gerechten wordt "hoofdstuk II van de Wet Nationale ombudsman" vervangen door:
hoofdstuk III van de Wet
Nationale ombudsman.
Art.
VIl.
In artikel 33a, zevende lid, van de Wet
toezicht beleggingsinstellingen wordt "De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman
zijn niet van toepassing" vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur, de Wet
Nationale ombudsman en titel 9.2
van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van toepassing.
Art.
VIm.
In artikel 48a, zevende lid, van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995 wordt "De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman
zijn niet van toepassing" vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur, de Wet
Nationale ombudsman en titel 9.2
van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van toepassing.
Art.
VIn.
In artikel 90a, zevende lid, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 wordt
"De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn
niet van toepassing" vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur,
de Wet Nationale
ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van toepassing.
Art.
VIo.
In artikel 93a, zevende lid, van de Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf wordt "De Wet openbaarheid van
bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing"
vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur, de Wet
Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van
toepassing.
Art.
VIp.
In artikel 188a, zevende lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt "De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale
ombudsman zijn niet van toepassing" vervangen door: De Wet
openbaarheid van bestuur, de Wet
Nationale ombudsman en titel 9.2
van de Algemene wet bestuursrecht
zijn niet van toepassing.
Art.
VIq.
Indien het bij koninklijke boodschap van 11 mei 2001 tot wijziging van
de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de
politieklachtregeling aan hoofdstuk 9 van de
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken
27 731) tot wet wordt verheven en in werking is getreden, wordt in
artikel 61, derde lid, van de Politiewet
1993 "Hoofdstuk 9, afdeling
3,
van de Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
Afdeling 9.1.3 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Art.
VIr.
Indien het bij koninklijke boodschap van 27 maart 2002 ingediende
voorstel van Wet
op het Centraal bureau voor de statistiek (Kamerstukken 28 277) tot
wet is of wordt verheven en in werking is getreden, komt artikel 81,
tweede lid, van die
wet te luiden als volgt:
-2. In zaken waarin vóór het tijdstip van verzelfstandiging van het CBS
aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de
Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die
kan worden toegerekend aan het onder Onze Minister ressorterende CBS,
treedt de directeur-generaal op dat tijdstip als bestuursorgaan in de
zin van de Wet
Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister.
Art.
VIs.
Indien het bij koninklijke boodschap van 18 december 2001 ingediende
voorstel van wet houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de
bekostiging van jeugdzorg (Wet
op de jeugdzorg) (Kamerstukken 28 168) tot wet is of
wordt verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 67, tweede
lid, van de Wet op de
jeugdzorg "hoofdstuk 9 van de
Algemene wet bestuursrecht" vervangen door:
titel 9.1 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Art.
VII. [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 22 juli 2002 ingediende
voorstel van wet houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht
met
regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en
bestuursorganen en daarmee verband houdende aanpassing van enige andere
wetgeving (Wet elektronisch bestuurlijk
verkeer) (Kamerstukken II 2001-2002, 28 483, nrs. 1-2) tot wet is verheven en in werking treedt of
is getreden, wordt in artikel 9:28, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
na "de in dit artikel gestelde vereisten" ingevoegd: of
indien het verzoekschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond
van artikel 2:15.
Art.
VIII. [MvT]
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Justitie zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan
de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk.
Art.
IX. [MvT]
-1. Op verzoekschriften die bij de Nationale ombudsman
zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de
artikelen I en II van deze wet zijn de bepalingen van de
Wet Nationale
ombudsman van toepassing zoals deze vóór dat tijdstip luidden.
-2. Ten aanzien van bestuursorganen van provincies,
gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen
waarop tot de inwerkingtreding van artikel II van deze
wet de Wet
Nationale ombudsman niet van toepassing was, stelt de Nationale
ombudsman geen onderzoek in voor zover het gaat om gedragingen die plaats
vonden voordat artikel II van deze wet in werking was getreden.
Art.
X. [MvT]
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 28 februari 2005, Stb. 2005, 116, is het tijdstip
van inwerkingtreding bepaald op 15 maart 2005, met dien verstande dat de
artikelen II, onderdeel B, C en D,
III tot en met VIa, VIII en IX, tweede lid, in werking treden op 1 januari 2006, red.
Art.
XI. [MvT]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet extern klachtrecht.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
3 februari 2005
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de tweeëntwintigste
februari 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|