|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2002-2003, 28 747
Aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht met een
regeling over de behandeling van klachten over bestuursorganen door een
ombudsman, alsmede daarmee samenhangende wijziging van de Wet
Nationale ombudsman, de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet
en de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wet extern
klachtrecht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Totstandkoming van
het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Inhoud van het
wetsvoorstel |
| 1.3 |
Opbouw van de
memorie van toelichting |
| 2 |
Motieven voor het
wetsvoorstel |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Nut van extern
klachtrecht |
| 2.3 |
Stand van zaken
extern klachtrecht |
| 2.4 |
Noodzaak tot
opvullen van leemtes; systematiek van het wetsvoorstel |
| 3 |
Eisen aan externe
klachtvoorzieningen |
| 3.1 |
Achtergrond |
| 3.2 |
Welke eisen kunnen
worden gesteld? |
| 3.3 |
Zijn alle eisen
"beslissend"? |
| 4 |
Inpassing in de
Algemene wet bestuursrecht |
| 4.1 |
Structuur |
| 4.2 |
Terminologie |
| 4.3 |
Naamsbescherming van
de (Nationale) ombudsman |
| 4.4 |
Voorwerp van
onderzoek |
| 4.5 |
Bevoegdheid |
| 4.6 |
Procedure |
| 4.7 |
Motiveringsplicht
van het oordeel |
| 5 |
Consequenties van de
regeling van het extern klachtrecht in de Awb voor de Wet
Nationale ombudsman |
| 5.1 |
Algemeen |
| 5.2 |
Overgangsbepalingen |
| 6 |
Regeling voor de
decentrale overheden |
| 6.1 |
Algemeen |
| 6.2 |
Institutionele
bepalingen |
| 7 |
Overige onderwerpen |
| 7.1 |
Bestuurslasten |
| 7.2 |
Inwerkingtreding |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv |
Artikelen
I t/m XI |
Algemeen
1.
Inleiding
Met de invoering
van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn de regels vastgelegd voor
de interne behandeling van klachten (in dit wetsvoorstel wordt dit
titel 9.1). Naast het recht op een behoorlijke klachtbehandeling door het bestuursorgaan
zelf heeft de burger ook recht op een onafhankelijke,
externe behandeling van klachten over gedragingen van bestuursorganen. Met
betrekking tot gedragingen van bestuursorganen van het Rijk is daarvoor
de Nationale ombudsman in het leven geroepen. Daarnaast zijn
de bestuursorganen van de provincies, de waterschappen en een aantal
gemeenten
en gemeenschappelijke regelingen op hun verzoek onder de
competentie van de Nationale ombudsman gebracht. Dit
wetsvoorstel voorziet in een eenvormige regeling voor de externe klachtbehandeling
en een landelijk dekkend stelsel van onafhankelijke klachtinstanties.
1.1. Totstandkoming van
het wetsvoorstel
In maart 2001 heeft de
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht een
voorontwerp uitgebracht inzake een regeling van het extern klachtrecht in de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiermee heeft de Commissie
voldaan aan het verzoek, gedaan begin 1998 door de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken, J. Kohnstamm, om advies uit te brengen
over een regeling van de eisen die aan een externe klachtvoorziening gesteld
kunnen worden. In het voorontwerp zijn tevens bepalingen opgenomen ter wijziging van de
Wet Nationale
ombudsman,
de Gemeentewet, de Provinciewet, de
Waterschapswet en de Wet
gemeenschappelijke regelingen.
Na aanbieding van het
voorontwerp aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie is het voorontwerp voor commentaar
toegestuurd aan een aantal organisaties, die tot rblz.|2|
1 juli 2001 gelegenheid
hadden hun opmerkingen aan de ministers kenbaar te maken. Wij
hebben de volgende commentaren ontvangen: ¹
- de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), brief van 27 juni 2001;
- de Nationale ombudsman (No), brief van 13 juli 2001 en brief van 28 september 2001;
- de
Sociaal-Economische Raad (SER), brief van 29 juni 2001;
- de VAR (Vereniging
voor Bestuursrecht), brief van 12 juli 2001;
- de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), brief van 25 juli 2001;
- de Gemeentelijke ombudsman Amsterdam, brief van 28 juni 2001;
- een gezamenlijk
commentaar van de Gemeentelijke ombudsvrouw van Groningen en Leek, de Gemeentelijke ombudsman van Heemskerk en
de Gemeentelijke
ombudsman van Rotterdam, Vlaardingen, Bleiswijk, Bergschenhoek en Capelle
aan den IJssel (tevens externe klachtinstantie van diverse gemeenschappelijke regelingen), brief van 29 juni
2001.
1. De commentaren zijn ter
inzage gelegd bij het Centraal
Informatiepunt Tweede Kamer.
De teneur van de reacties
is op hoofdlijnen positief. Nut en noodzaak van een wettelijke regeling
van het extern klachtrecht voor alle bestuursorganen worden breed
onderschreven. De gemeentelijke ombudsinstanties, de VAR en de VNG gaven
aan dat de regeling wel voldoende ruimte zou moeten laten voor de
praktijk zoals die door de jaren heen bij gemeentelijke
ombudsinstanties is ontstaan. Aan die wens hebben wij gehoor gegeven door
minder en minder gedetailleerde bepalingen in de Gemeente-,
Provincie-
en Waterschapswet op te nemen dan in het voorontwerp was gedaan. Instemmend is
gereageerd op het uitgangspunt dat elke decentrale overheid
moet voorzien in een externe klachtvoorziening en dat de keuze voor de
vorm wordt overgelaten aan de decentrale overheden.
Van de ontvangen
commentaren is bij het opstellen van het wetsvoorstel dankbaar gebruik gemaakt.
1.2. Inhoud van het
wetsvoorstel
De in dit wetsvoorstel
voorgestelde regeling van het extern klachtrecht heeft een drieledig doel,
te weten:
1. het bieden van een
algemene regeling voor het indienen en behandelen van klachten bij externe
klachtvoorzieningen;
2. het voorzien in een
landelijk dekkend stelsel van volwaardige externe klachtvoorzieningen bij
decentrale overheden; en
3. het harmoniseren van
bestaande eisen waaraan externe klachtvoorzieningen moeten voldoen.
Dit betekent dat in het
wetsvoorstel voor een bredere opzet is gekozen dan strikt genomen uit de
motie-Scheltema-De Nie c.s.¹ voortvloeit. Waar in deze motie wordt
gevraagd om al dan niet met behulp van een wettelijke verplichting
te bevorderen dat alle gemeenten vóór 2002 in een met waarborgen omklede
ombudsfunctie zullen hebben voorzien, stellen wij hier voor om te
kiezen voor een wettelijke stok achter de deur. Tevens zijn procedureregels
ontworpen voor deze externe klachtvoorzieningen. Voorgesteld wordt om het
grootste deel van het procedurele hoofdstuk van de Wet
Nationale ombudsman (WNo) over te hevelen naar de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Die operatie is echter niet beperkt gebleven tot een louter verplaatsen van artikelen van de ene wet naar de
andere. De voorgestelde
procedurele bepalingen zijn ook in harmonie gebracht met de rest van
de Awb en in het bijzonder met de regeling in de Awb van het interne klachtrecht. Verder is deze gelegenheid benut om een
wettelijke bescherming
van het gebruik van de naam ombudsman in de publieke sector in het
wetsvoorstel op te nemen. Ook worden nog enkele andere inhoudelijke
aanpassingen voorgesteld, zoals het in de wet neerleggen rblz.|3|
van de
interventiemethode van de (Nationale) ombudsman en het aanpassen van de
ambtstermijn van de substituut-ombudsman in de WNo.
1. Kamerstukken II 1998-1999, 26 445, nr. 3.
1.3. Opbouw van de
memorie van toelichting
Deze memorie van
toelichting is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 staan wij wat
uitgebreider stil bij de ontwikkelingen die hebben geleid tot de totstandkoming van
dit wetsvoorstel. Hoofdstuk 3 is gewijd aan de eisen die aan externe
klachtvoorzieningen worden gesteld. Daarbij wordt aangegeven welke keuzen
zijn gemaakt bij de uiteindelijke formulering van de voorgestelde
bepalingen op dit punt.
Hoofdstuk 4 gaat in op de
wijze waarop de bepalingen en de procedure van klachtbehandeling
zoals die op dit moment in de WNo
te vinden zijn een plaats hebben
gekregen in de voorgestelde wijzigingen van de Awb. In
hoofdstuk 5 zal worden
ingegaan op de consequenties van de regeling van het externe
klachtrecht voor de WNo. Aansluitend behandelt hoofdstuk 6 de wijzigingen die
worden voorgesteld in de organieke wetten. Het hoofdstuk waarin aandacht
wordt besteed aan de bestuurslasten en de inwerkingtreding (hoofdstuk
7) besluit het algemeen deel van deze
memorie van toelichting.
In het artikelsgewijze
deel van de toelichting wordt onder andere uitgebreid ingegaan op de
wijzigingen in de Gemeentewet. Aan de nagenoeg gelijkluidende bepalingen
in de andere twee wetten zal alleen waar nodig nog apart aandacht worden
geschonken.
2. Motieven voor het
wetsvoorstel
2.1. Algemeen
Hoofdstuk 9
van de Awb,
dat een regeling bevat over het klachtrecht bij en over bestuursorganen (het
intern klachtrecht), is op 1 juli 1999 in werking getreden. Daarmee is voor
de behandeling van klachten een belangrijke stap gezet met de
codificatie van de eisen die voortvloeien uit de algemene beginselen van
behoorlijk
bestuur. Als sluitstuk van een volwaardige klachtprocedure is zowel
vanuit het kabinet als vanuit organisaties als VNG
en IPO [Interprovinciaal Overleg, red.] de
noodzaak onderschreven van het treffen van een externe klachtregeling
voor alle bestuursorganen, in aansluiting op het intern klachtrecht. Ook
het parlement heeft bij diverse gelegenheden daarvoor gepleit. Wij
sluiten ons hierbij aan. Een regeling van minimumeisen voor alleen interne
klachtprocedures - waarin hoofdstuk 9
van de Awb
voorziet - is
immers in feite niet "af". In de praktijk behoren interne klachtprocedures mede te
fungeren als voorprocedure voor een eventuele externe klachtbehandeling, die dan ook als sluitstuk van de gehele
klachtprocedure kan worden beschouwd.
Voor de harmonisatie en gelijkwaardigheid van externe
klachtvoorzieningen is het gewenst dat er ook voor de externe klachtbehandeling
eenduidige regels worden gesteld. Het is niet wenselijk dat
bestuursorganen eigen externe voorzieningen creëren die onderling sterk van
elkaar verschillen wat betreft de waarborgen voor een onafhankelijke en
behoorlijke klachtbehandeling.
2.2. Nut van extern
klachtrecht
Bij de totstandkoming van
hoofdstuk 9 van de Awb
is uitgebreid ingegaan op de motieven die hebben
geleid tot de regeling van de interne klachtbehandeling.¹ Daarbij is onder meer
overwogen dat het de plicht is van bestuursorganen om van
buiten komende signalen die erop duiden dat aan de dienende functie
van het bestuur op enige wijze afbreuk wordt gedaan, op hun merites te
beoordelen en zo nodig corrigerend op te treden. Hoewel de nadruk
behoort te liggen op de interne klachtbehandeling, rblz.|4|
spreekt het
voor zich dat dergelijke signalen aan kracht winnen wanneer zij na een onafhankelijke behandeling en beoordeling
door een externe
klachtvoorziening worden ondersteund. Omgekeerd biedt een gedraging die
de toets der kritiek van een ombudsman heeft doorstaan het bestuursorgaan een leidraad voor toekomstig handelen.
1. Zie Kamerstukken II
1997-1998, 25 837, nr. 3 e.v.
Extern klachtrecht stelt
de klager in de gelegenheid om zich in laatste instantie over het gedrag
van het betreffende bestuursorgaan uit te laten. De mogelijkheid van de
burger om een gedraging van het bestuursorgaan, daaronder begrepen de
wijze waarop de interne klachtbehandeling heeft plaatsgevonden, aan
een onafhankelijk oordeel te onderwerpen, vormt een
onmisbaar onderdeel in het stelsel van rechtsbescherming van de Awb.
Daarnaast is het, naar
het oordeel van de Staatscommissie dualisme en lokale democratie, voor
de versterking van de lokale democratie van belang dat er ter
ondersteuning van de verantwoordings- en controlemogelijkheden van de gemeenteraad
- naast een interne - ook een onafhankelijke externe klachtvoorziening
bestaat.¹ De aanwezigheid van een lokale of regionale
ombudsman of ombudscommissie kan bijdragen aan de controlerende functie
van de raad. Door de aanbevelingen van een dergelijke klachtinstantie kan het inzicht in het functioneren van het
bestuur worden vergroot,
waardoor de controlerende taak van de raad vergemakkelijkt wordt. De
Staatscommissie meent dat het ontbreken van een externe
klachtregeling bij veel gemeenten niet bijdraagt aan een heldere verhouding tussen
burger en bestuur en bepleit dan ook dat gemeenten een externe
klachtregeling invoeren. De regering heeft in het Kabinetsstandpunt dualisme en lokale democratie dit advies onderschreven en opgemerkt dat dit
advies aansluit bij de reeds eerder in de Tweede Kamer kenbaar
gemaakte wens een landelijk dekkend stelsel van externe
klachtvoorzieningen tot stand te doen komen.²
1. Zie "Dualisme en
lokale democratie", rapport van de
Staatscommissie Dualisme en lokale democratie, blz. 261.
2. Kamerstukken II 1999-1900, 26 800 VII, nr. 42, blz. 19.
Door een externe
klachtregeling als sluitstuk voor het beoordelen van het handelen van
bestuursorganen kan een verdere bijdrage worden geleverd aan informatie over de
kwaliteit van het bestuur. Daarmee wordt duidelijker zichtbaar in hoeverre
bestuursorganen klantgericht werken. Ook kunnen zo nodig organisatorische maatregelen worden getroffen wanneer
er zich al dan niet
structureel een probleem blijkt voor te doen in de relatie tussen het bestuursorgaan
en de burgers of het personeel. Met name wordt hier ook het
personeel genoemd om mogelijke verwarring rond het begrip "extern"
klachtrecht te voorkomen. Extern klachtrecht ziet op de onafhankelijke
behandeling én beoordeling van een klacht buiten het bestuursorgaan waar de
klacht over gaat. Dat kunnen dus klachten zijn die van buiten de organisatie
komen (van burgers), maar ook klachten van het eigen personeel. Beter is
het dan wellicht te spreken van onafhankelijke klachtbehandeling. Omdat
in het spraakgebruik de begrippen intern en extern klachtrecht
evenwel steeds meer ingeburgerd raken, worden deze begrippen ook in de
toelichting gebruikt.
2.3. Stand van zaken
extern klachtrecht
Voor veel bestuursorganen
is er nu al een externe klachtvoorziening in de vorm van de Nationale ombudsman.
Ministers, bestuursorganen op het
terrein van de politie,
zelfstandige bestuursorganen, de provincies en de
waterschappen en
- per
peildatum 1 januari 2002 - zo’n 200 gemeenten alsmede enkele gemeenschappelijke regelingen vallen onder de competentie
van de Nationale
ombudsman. Daarin wordt met dit wetsvoorstel materieel geen
verandering gebracht.
rblz.|5|
Omdat
provincies, waterschappen, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen die bij de
Nationale ombudsman zijn aangesloten de (wettelijke) mogelijkheid hebben om te
verzoeken de aansluiting bij de Nationale ombudsman te beëindigen,
is het wetsvoorstel voor hen wel van belang. De voorgestelde regeling van het extern klachtrecht is echter vooral van
belang voor gemeenten en
gemeenschappelijke regelingen die op dit moment niet bij de
Nationale ombudsman zijn aangesloten. Daaronder zijn gemeenten en gemeenschappelijke regelingen die wel en die niet
over een eigen externe
klachtvoorziening beschikken.
Nog niet alle gemeenten
zijn overgegaan tot het daadwerkelijk implementeren van een externe klachtvoorziening in enigerlei vorm (aansluiting bij
de Nationale ombudsman,
een eigen gemeentelijke of een gezamenlijke ombudsman of
ombudscommissie). De laatste tijd is evenwel een sterke toename te zien van het
aantal gemeenten dat vrijwillig is gaan beschikken over een
externe klachtvoorziening.
Die ontwikkeling heeft
plaatsgevonden mede dankzij de voorlichtings- en stimuleringsactiviteiten
die de VNG heeft georganiseerd. Binnen het project "Stimuleren
extern klachtrecht bij gemeenten" zijn afgelopen jaren diverse regionale
bijeenkomsten georganiseerd, is er een website opgezet en zijn er
nieuwsbrieven en brochures uitgegeven. Deze inspanningen hebben duidelijk hun
vruchten afgeworpen. Volgens onderzoek van de VNG beschikten
medio 2001 ruim 430 gemeenten over een externe klachtvoorziening of
hadden er een in voorbereiding.¹ Niettemin is er nog steeds een aantal witte
vlekken. Bovendien moet bedacht worden dat ook binnen
samenwerkingsverbanden op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen aandacht
moet
worden gegeven aan de klachtvoorziening (zowel intern als extern)
om te kunnen komen tot het gewenste sluitende stelsel.
1. VNG-nieuwsbrief Extern
klachtrecht bij gemeenten, nr. 2,
september 2001.
2.4. Noodzaak tot
opvullen van leemtes; systematiek van het wetsvoorstel
Over het feit dat
aanvankelijk slechts een beperkt aantal gemeenten had voorzien in een externe
klachtvoorziening of aangesloten was bij de Nationale ombudsman, heeft het
kabinet zijn zorgen uitgesproken.¹ In de brief van 22 januari 1998 wees
de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken aan de Tweede
Kamer ² reeds op het feit dat er overeenstemming met de VNG
en de
Nationale ombudsman bestond over de noodzaak van beschikbaarheid voor
alle gemeenten van een externe klachtvoorziening als sluitstuk op de interne klachtbehandeling. Hoewel
door de Nationale
ombudsman en de VNG de komst van een wettelijke plicht tot een externe
klachtvoorziening niet werd uitgesloten, stond de regering een ontwikkeling
van onderop voor. Gemeenten zouden op vrijwillige basis in een dergelijke
externe klachtvoorziening kunnen (en behoren te) voorzien. Bij
de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel intern
klachtrecht ³ heeft
de regering gemeld dat de VNG is gevraagd om de gemeenten
aan te sporen tot het treffen van een voorziening. Het lokaal bestuur zou
door samenwerking een dekkend net van ombudsvoorzieningen
kunnen maken. Daarbij werd toegezegd dat in het jaar 2000 zou worden
bezien of de oproep aan de gemeenten voldoende resultaat had opgeleverd
dan wel dat een ander landelijk dekkend systeem voor het externe
klachtrecht zou moeten worden opgezet.
1. Zie onder andere de
brief van 15 januari 1999 van de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
aan de gemeenten, kenmerk CW99/U54271.
2. Kamerstukken II 1997-1998, 25 854, nr. 1.
3. Handelingen I 1998-1999,
blz. 1306.
Ook de Tweede Kamer heeft
zich enkele keren uitgesproken over de wenselijkheid van een
landelijk dekkend stelsel voor het externe klachtrecht. In de hiervoor genoemde,
kamerbreed ondersteunde motie-Scheltema-De Nie c.s.,
ingediend bij de behandeling in de Tweede Kamer van het jaarverslag Nationale ombudsman
op 3 juni 1999, is de regering verzocht om "al dan niet
met behulp van een wettelijke regeling te bevorderen rblz.|6|
dat iedere gemeente
vóór 1 januari 2002 in een met waarborgen omklede ombudsfunctie zal
hebben voorzien".¹ Bij de behandeling van het Jaarverslag Nationale
ombudsman 1999 is vanuit de Tweede Kamer nogmaals gewezen op de
breed onderschreven wens dat op korte termijn alle gemeenten over een
externe klachtvoorziening beschikken.²
1. Kamerstukken II 1998-1999, 26 445, nr. 3.
2. Handelingen II 1999-2000, nr. 101, blz. 6553 e.v.
Ter
uitvoering van de motie-Scheltema-De Nie is in samenspraak met de VNG
het in paragraaf 2.3
genoemde project gestart om gemeenten te stimuleren zelf te
voorzien in een externe klachtvoorziening. Daarnaast zijn de gemeenten bij
brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van
21 februari 2000,¹ onder verwijzing naar de eerder genoemde motie, nog eens
gewezen op de mogelijkheid om zich aan te sluiten bij de Nationale ombudsman.
In aanvulling daarop
stellen wij in dit wetsvoorstel voor om het voorzien in een externe
klachtvoorziening te verplichten. Het wetsvoorstel bepaalt aan welke minimale eisen
van onafhankelijkheid en onpartijdigheid een klachtvoorziening moet
voldoen om daadwerkelijk de naam "ombudsman" te kunnen voeren.
1. Brief van 21 februari
2000 van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aan de gemeenten, kenmerk
CW2000/U56 169.
Daarbij
is gekozen voor
het volgende systeem. Ten aanzien van de bestuursorganen van het
Rijk en de politie en de zelfstandige bestuursorganen blijft de Nationale ombudsman
competent conform de huidige bepalingen in de WNo.
Hierin brengt het wetsvoorstel geen verandering. Voorts wordt de Nationale
ombudsman bevoegd ten aanzien van bestuursorganen van gemeenten,
provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen, tenzij op
grond van respectievelijk de Gemeentewet,
Provinciewet, Waterschapswet
of Wet
gemeenschappelijke regelingen een eigen
ombudsvoorziening is ingesteld. Wanneer een decentrale overheid
opteert voor een eigen ombudsvoorziening, bestaat keuzevrijheid ten aanzien
van de vorm. Van belang is dat een eigen ombudsvoorziening voldoet
aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die de wet stelt. Het kan
gaan om een eigen ombudsman of ombudscommissie of om een gezamenlijke, samen met andere decentrale
overheden. Ook is het
mogelijk dat men gebruik maakt van de diensten van de ombudsman van een
andere decentrale overheid. Zo is bijvoorbeeld de gemeente
Almere aangesloten bij de ombudsman van Amsterdam.
Op deze manier wordt een
landelijk dekkend stelsel van externe klachtvoorzieningen bereikt. De systematiek
van het wetsvoorstel is een andere dan die van het
voorontwerp. In het voorontwerp moesten decentrale overheden kiezen voor
hetzij aansluiting bij de Nationale ombudsman, hetzij een eigen
voorziening. Voor decentrale overheden die deze keuze niet maakten, gold dat
zij van rechtswege onder de bevoegdheid van de Nationale ombudsman
kwamen te vallen.
Terecht geeft de
Raad van
State aan dat een vangnet met name relevant moet worden geacht voor
de vele honderden gemeenschappelijke regelingen. Zeker daar waar het gaat
om gemeenschappelijke regelingen met publiekscontacten is het
van belang dat burgers met klachten terecht kunnen bij een externe klachtvoorziening. Voor zover ons bekend bestaan
onder de
gemeenschappelijke regelingen nog veel "witte vlekken".
Hoewel
idealiter elke decentrale overheid, dus ook een gemeenschappelijke regeling, afgewogen
beslist over de vorm van de externe klachtvoorziening, moet niet worden
uitgesloten dat sommige gemeenschappelijke regelingen hier niet toe
overgaan. Hetzelfde geldt wellicht voor een enkele gemeente. In dat
soort gevallen behoort niet de burger de dupe te worden van het feit dat
de decentrale overheid in kwestie niet aan de verplichting voldoet over
een externe klachtvoorziening te beschikken. Hij moet te allen tijde
terecht kunnen bij een ombudsinstantie.
rblz.|7|
Mede
op advies van de Raad van
State hebben wij gekozen voor de systematiek dat in beginsel de Nationale ombudsman
bevoegd is, tenzij sprake is van een eigen
ombudsvoorziening. In de Provincie-,
Gemeente- en Waterschapswet
is bepaald
dat, mocht een provincie, gemeente
of waterschap kiezen voor een eigen voorziening, de Nationale ombudsman het
instellingsbesluit krijgt
toegezonden. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in de Wet
gemeenschappelijke regelingen. Toezending van dit besluit aan de Nationale
ombudsman is noodzakelijk omdat de Nationale ombudsman anders niet
precies weet welke decentrale overheden onder zijn competentie vallen.
Met het oog daarop is ook bepaald dat decentrale overheden de Nationale
ombudsman informeren wanneer zij besluiten de eigen externe
klachtvoorziening te beëindigen. In dat geval moet het besluit tot beëindiging
van de instelling aan de Nationale ombudsman worden gezonden. Het
instellen van een eigen voorziening of het beëindigen ervan kan slechts per 1
januari van enig jaar plaatsvinden, waarbij geldt dat het informeren
van de Nationale ombudsman vóór 1 juli daaraan voorafgaand dient te
geschieden. Voor deze regeling van data is gekozen om de bevoegdheid van de
Nationale ombudsman en eigen ombudsvoorzieningen overzichtelijk te houden,
zodat geen twijfel ontstaat welke ombudsman op een bepaald
moment bevoegd is. De Nationale ombudsman wordt een halfjaar van tevoren op de hoogte gesteld wanneer er iets in zijn
competentie ten aanzien van de decentrale overheden verandert. Dat betekent
dat hij voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op
een eventuele uitbreiding of inkrimping van zijn bevoegdheid ten aanzien
van decentrale overheden. De twee data - en dus de termijn van een halfjaar
- komen overeen met de data zoals die onder de huidige
wetgeving gelden voor decentrale overheden die zich op vrijwillige basis
aanmelden voor aansluiting bij de Nationale ombudsman.
Opdat voor iedereen
kenbaar is welke ombudsman (de Nationale ombudsman
of een eigen
voorziening) bevoegd is, registreert de Nationale ombudsman de decentrale
overheden waarvan hij een instellingsbesluit van een eigen voorziening
heeft ontvangen en maakt hij deze registratie openbaar.
Wanneer de Nationale ombudsman een besluit van beëindiging van een
eigen voorziening heeft ontvangen, schrapt hij de betreffende decentrale
overheid uit de openbare registratie. Dat betekent dat onder de nieuwe
wetgeving een lijst zal bestaan van decentrale overheden die niet onder de
competentie van de Nationale ombudsman vallen, aangezien zij
beschikken over een eigen externe klachtvoorziening. Dit in tegenstelling tot
de huidige systematiek, waarin een lijst bestaat van decentrale overheden
waarover de Nationale ombudsman wél competent is (omdat deze overheden
zich vrijwillig door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben laten aanwijzen). Alle overige
decentrale overheden, die
geen eigen externe klachtvoorziening hebben, vallen op grond van
artikel 1a, onderdeel b, van de WNo
onder de Nationale ombudsman. Aldus is
sprake van het beoogde landelijk dekkend stelstel van externe
klachtvoorzieningen, ook voor gemeenschappelijke regelingen. In paragraaf
5.2 van deze toelichting wordt aandacht besteed aan het overgangsrecht.
Het is evident dat een
eigen externe klachtvoorziening van een decentrale overheid moet voldoen aan
de eisen die de wet daaraan stelt. Het is evenwel niet de bedoeling
dat de Nationale ombudsman hierin een toetsende rol gaat vervullen. Het
door hem registreren van decentrale overheden met een eigen externe klachtvoorziening moet louter worden
gezien als een
administratieve taak. Wij gaan ervan uit dat decentrale overheden die opteren
voor een eigen externe klachtvoorziening in plaats van de Nationale
ombudsman, hun voorziening zodanig opzetten en inrichten dat deze
voldoet aan de wettelijke eisen.
rblz.|8|
3. Eisen aan externe
klachtvoorzieningen
3.1. Achtergrond
In het kader van de
discussie over externe klachtvoorzieningen op met name gemeentelijk niveau
heeft de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken, J.
Kohnstamm, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
een notitie gezonden over de eisen die aan een externe
klachtvoorziening kunnen worden gesteld.¹ Mede naar aanleiding van deze notitie is bij
de behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet
Nationale ombudsman en de Wet
openbaarheid van bestuur (Kamerstukken 25 456) en het
algemeen overleg met de Tweede Kamer over de
ontwikkeling van het
instituut Nationale ombudsman (Kamerstukken 25
650) gesproken over externe
klachtvoorzieningen.
1. Kamerstukken II 1997-1998, 25 854, nr. 1.
3.2. Welke eisen kunnen
worden gesteld?
In de bovengenoemde
notitie over eisen aan externe klachtvoorzieningen is aan de hand van
literatuuronderzoek ¹ en in overleg met de
VNG en de Nationale ombudsman
een
aantal eisen gesteld die primair bedoeld zijn om de onafhankelijkheid
van de klachtinstantie ten opzichte van het bestuursorgaan te waarborgen. In
dit wetsvoorstel voor een wettelijke
regeling van het extern
klachtrecht zijn deze als vertrekpunt gehanteerd bij de keuze en de
formulering van de eisen. Uit een algemeen overleg tussen de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken, J. Kohnstamm, en de
Vaste
Tweede-Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken op 4 februari 1998 bleek
dat deze eisen door de Tweede Kamer breed worden onderschreven. De
eisen zijn - kort weergegeven - de volgende:
a. basis in een wettelijk
voorschrift;
b. benoeming door een
vertegenwoordigend lichaam;
c. rechtspositionele
onafhankelijkheid;
d. benoeming voor een
bepaalde duur;
e. tussentijds ontslag
alleen op bepaalde gronden;
f. bevoegdheid een eigen
oordeel te geven over de klacht;
g. bevoegdheid
aanbevelingen te doen;
h. bevoegdheid onderzoek
te doen op eigen initiatief;
i. onderzoeksbevoegdheden
vergelijkbaar met die van de Nationale ombudsman;
j. voldoende materiële
en personele ondersteuning;
k. benoeming van de
ondersteuning op voordracht van de externe klachtvoorziening;
l. medewerkers van de
klachtinstantie mogen niet tevens deel uitmaken van de ambtelijke
ondersteuning van het bestuursorgaan over wiens gedragingen de
klachtinstantie oordeelt.
1. Zie J.B.J.M. ten
Berge, De betekenis van de Nationale ombudsman voor het bestuursrecht, VAR-geschrift 106, Samsom
H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den
Rijn 1991, blz. 73 en 74; M.P. Gerrits-Janssens,
Behoorlijke klachtbehandeling: contouren van een
geharmoniseerd klachtprocesrecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1994,
blz. 326 en 327; J.B.J.M. ten Berge, M.P.
Gerrits-Janssens en R.J.G.M. Widdershoven,
Blik op de toekomst van de Nationale
ombudsman, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer 1997, blz. 88, en M. Oosting, Een externe
klachtvoorziening, ook voor gemeenten; De rol van de
Nationale ombudsman, in: Bestuurswetenschappen 1997, nr. 3, blz. 155 en
156.
3.3. Zijn alle eisen
"beslissend"?
Een belangrijke vraag is
of elke eis of norm als "beslissend" moet worden beschouwd. Met andere
woorden: is er (pas) sprake van een externe klachtvoorziening als aan
alle bovengenoemde eisen is voldaan, of zijn voor de beantwoording van
die vraag slechts bepaalde eisen relevant of doorslaggevend? Dit
brengt specifieke vragen mee over een aantal van de hiervoor genoemde eisen,
waarop wij hierna ingaan.
Uitgangspunt bij
dit
wetsvoorstel is geweest dat alle genoemde eisen - althans naar de intentie
ervan - relevant zijn, maar dat de vorm waarin aan de eisen wordt
voldaan, kan verschillen en dat daarom de regeling ervan niet telkens
volledig en uitputtend in dit wetsvoorstel zelf behoeft te worden opgenomen.
Daarbij
hebben wij ook overwogen dat de vele gemeenten die op dit
moment op eigen initiatief een externe rblz.|9|
klachtvoorziening hebben
gecreëerd, dat op uiteenlopende manieren hebben gedaan, waarbij de ene
manier niet per se beter is dan de andere. Het opnemen van één
uniforme gedetailleerde regeling in de wet zou dan betekenen dat de
gemeenten die hierin voorop hebben gelopen, worden gestraft in die zin dat
zij zich alsnog aan die uniforme regeling zouden moeten aanpassen. Om die
reden zijn met name de in dit wetsvoorstel voorziene wijzigingen in
de Gemeentewet enigszins summier gehouden en bestaat er voor de gemeenten ruimte om een aantal zaken naar eigen
inzicht te regelen. Dit
wijkt af van het voorontwerp en ook van de in de Gemeentewet opgenomen
regeling voor de gemeentelijke rekenkamer. Die afwijking is volgens
ons gerechtvaardigd, nu de rekenkamer voor nagenoeg alle gemeenten
wel een geheel nieuw instituut is en de ombudsman niet. Naar
aanleiding van het advies van de Raad van
State hebben wij de wettelijke
regeling van de eisen wel op sommige punten uitgebreid. De
voorgestelde wijzigingen in de Provinciewet
en de Waterschapswet volgen
hetzelfde stramien. Waar in het navolgende wordt gesproken van gemeenten
en Gemeentewet kan steeds ook gelezen worden provincies of
waterschappen, respectievelijk Provinciewet of Waterschapswet.
Naast de bovengenoemde
eisen is de Raad van
State in zijn advies ingegaan op de professionaliteit
van de lokale ombudsman. Terecht wijst de Raad op het belang van
voldoende kennis en juridische en bestuurlijke ervaring bij de ombudsman
om zijn functie goed te kunnen vervullen. Naar onze mening zou bij
de procedure van selectie en benoeming van de lokale ombudsman hiervoor
veel aandacht moeten zijn. Voor de Nationale ombudsman
geldt dat een
comité van aanbeveling, bestaande uit de vice-president van de Raad van State, de president van de
Hoge Raad en
de president van de
Algemene Rekenkamer, een voordracht voor benoeming doet aan het tot
benoeming bevoegde orgaan, de Tweede Kamer. Wij zijn van mening dat
een comité van aanbeveling zoals dat fungeert voor de selectie van de
Nationale ombudsman op zich ook een goed idee zou zijn voor het
selecteren van een decentrale ombudsman. Alleen is niet goed voorstelbaar wie op
decentraal niveau in een dergelijk comité zitting zouden moeten hebben. Een
samenstelling van het comité die vergelijkbaar is met het comité van
aanbeveling voor de Nationale ombudsman laat zich moeilijk
bedenken. Wij vertrouwen er evenwel op dat het tot benoeming bevoegde orgaan
voldoende aandacht heeft voor de professionaliteit van de lokale ombudsman.
Uiteraard staat het dit orgaan vrij om zich bij zijn keuze te
laten adviseren door personen die hiervoor in het bijzonder oog hebben.
3.3.1. Rechtspositionele
onafhankelijkheid
Hierbij gaat het om de
hierboven genoemde punten: benoeming door een vertegenwoordigend
lichaam, benoeming voor een bepaalde duur en tussentijds ontslag of op
non-activiteit stellen alleen op bepaalde gronden. Voorts gaat het
om de incompatibiliteiten, oftewel de onverenigbaarheid van functies.
De benoeming voor
bepaalde duur en de beperking van de ontslaggronden en de gronden voor het op
non-activiteit stellen zijn cruciaal voor de
onafhankelijkheid. Deze eisen zijn daarom in het wetsvoorstel opgenomen. De
gemeenteraad is als vertegenwoordigend orgaan de aangewezen instantie om
tot benoeming, ontslag en op-non-activiteitstelling over te gaan. De
benoeming geschiedt voor een termijn van zes jaar, conform de
termijn die in de WNo
voor de Nationale ombudsman
is opgenomen.
Dat betekent dat de termijn van de ombudsman niet gelijk
oploopt met de zittingstermijn van de raad, die immers steeds voor vier
jaar wordt gekozen. Dit verschil in termijnen is rblz.|10|
vanuit het oogpunt van
onafhankelijkheid van de ombudsman wenselijk. De gronden voor ontslag
of het op non-activiteit stellen die in de WNo voor de Nationale
ombudsman zijn opgenomen, gelden ook - limitatief - voor de lokale
ombudsman,¹ op twee uitzonderingen na. Waar voor de Nationale ombudsman geldt
dat hij wordt ontslagen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
(artikel 3, eerste lid, van de WNo), ontbreekt voor de lokale ombudsman deze
ontslaggrond. Het tot benoeming bevoegde orgaan kan steeds zelf
bepalen of de ombudsman, ongeacht zijn leeftijd, na het aflopen van zijn
benoemingstermijn voor herbenoeming in aanmerking komt. Voor de
leden van de lokale rekenkamer, waarvoor de ontslaggronden eveneens
grotendeels ontleend zijn aan de WNo, geldt het bereiken van de
65-jarige leeftijd evenmin als ontslaggrond. Hetzelfde geldt voor het verlies
van het Nederlanderschap (artikel 3, tweede lid, onderdeel d, van de
WNo).
Het Nederlanderschap is geen voorwaarde om tot lokale ombudsman
benoemd te kunnen worden en is derhalve ook niet als ontslaggrond opgenomen.
De scheiding van functies
is van belang vanwege de onafhankelijke positie die een ombudsman
of leden van een ombudscommissie moeten innemen ten opzichte van
het bestuursorgaan waarover zij oordelen. Voorgesteld wordt dan ook
om aan de bepalingen over incompatibiliteiten van raadsleden,
wethouders, de burgemeester en leden van de rekenkamer toe te voegen dat zij
niet tegelijkertijd gemeentelijke ombudsman kunnen zijn of lid van
een gemeentelijke ombudscommissie. Verder wordt voorgesteld om in de Gemeentewet
een bepaling op te nemen waarin het
de gemeentelijke
ombudsman wordt verboden om functies uit te oefenen waarvan de uitoefening
ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de
handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen
daarin. Met deze algemene formule, die is ontleend aan de WNo, kan hier worden volstaan. Desgewenst kan
de raad bij verordening
regelen welke andere functies in elk geval niet mogen worden uitgeoefend
naast de functie van ombudsman. Uitputtend kan en hoeft een
dergelijke regeling niet te zijn, omdat daarnaast het meer algemene wettelijk verbod
blijft gelden.
1. Waar in de toelichting
wordt gesproken van "lokale ombudsman"
wordt daarmee een ombudsman of ombudscommissie van een gemeente,
provincie,
waterschap of gemeenschappelijke regeling bedoeld, dus een externe klachtvoorziening
op decentraal niveau.
Bijzondere aandacht
verdient in dit verband de positie van gemeenteraadsleden. Uit onderzoek
¹ is
gebleken dat sommige gemeenten bij de vraag hoe invulling
gegeven moet worden aan het extern klachtrecht hier een rol weggelegd zien
voor de reeds bestaande bezwaar- en beroepscommissies, waarin vaak ook raadsleden zitting hebben. Wij vinden dat
geen goede zaak.
Bij gemeenten komt het
voor dat leden van de raad zitting nemen in commissies die primair
zijn ingesteld om als bezwaarschriftencommissie als bedoeld in artikel
7:13 van de Awb advies uit te brengen aan het bestuursorgaan. Wanneer
wordt voldaan aan de vereisten die de Awb stelt voor de
samenstelling van dergelijke commissies, is daartegen geen overwegend bezwaar.
Immers, het gaat hier om adviezen aan het bestuursorgaan dat
vervolgens de beslissing neemt op het bezwaar. Ook het toedelen van een
functie in het interne klachtrecht, met name als het gaat om toepassing van
afdeling 9.3 van hoofdstuk 9 (klachtadviesprocedure), behoeft hier niet op
bezwaren te stuiten. Ook hier gaat het om een adviesfunctie waarna
het bestuursorgaan zelf een oordeel uitspreekt over de gedraging
waartegen de klacht gericht is.
Anders wordt dit wanneer
een dergelijke commissie belast zou worden met de externe
klachtbehandeling. Een wezenlijk kenmerk van externe klachtbehandeling is nu
juist dat de externe klachtvoorziening zelfstandig en onafhankelijk van het
bestuursorgaan ten aanzien waarvan de voorziening competent is een eindoordeel uitspreekt over het gedrag van het
betreffende
bestuursorgaan. Met de eis van onafhankelijkheid en onpartijdigheid verdraagt zich niet dat
leden van de raad tevens zitting hebben in die commissie. Om die reden stellen wij voor in de
Gemeentewet vast te rblz.|11|
leggen dat raadsleden
geen ombudsman of lid van een ombudscommissie kunnen zijn.
1. Zie "Extern
klachtrecht voor gemeenten, de stand van zaken",
SGBO, Onderzoeks- en adviesbureau van de VNG,
december 2000, blz. 31 e.v.
3.3.2. Onpartijdigheid
Uitgangspunt van
het
wetsvoorstel is de keuzevrijheid van de decentrale overheden om zelf, binnen
de gegeven mogelijkheden, vorm te geven aan het extern klachtrecht.
Dit brengt mee dat de mogelijkheid, ook voor kleine gemeenten, om te
kiezen voor een eigen ombudsman een reële optie moet blijven. Om
die reden is de eis dat de medewerkers van de klachtinstantie geen deel
mogen uitmaken van de ambtelijke ondersteuning van het bestuursorgaan
niet in het wetsvoorstel opgenomen. Niettemin is het van belang dat de
onpartijdigheid van het ondersteunend personeel van de
klachtinstantie gewaarborgd wordt.¹
1. Zie ook eerder
genoemde
notitie, Kamerstukken II 1997-1998, 25 854, nr.
1, blz. 11.
De ombudsman krijgt
volgens het wetsvoorstel zelf de bevoegdheid het personeel dat hij nodig
heeft, voor benoeming voor te dragen. Dit betekent dat hij zelf aangeeft of
hij personen van buiten de organisatie in dienst wil hebben.
Noodzakelijk is dit niet. Het gaat erom dat degenen die werkzaamheden verrichten
voor de ombudsman voor die werkzaamheden onafhankelijk zijn ten opzichte van de
bestuursorganen die onder de competentie van de
ombudsman vallen. Daarom wordt voorgesteld te bepalen dat het personeel
van de ombudsman voor de werkzaamheden die het voor de ombudsman
verricht uitsluitend aan hem verantwoording schuldig is.
Voorts wordt voorgesteld
in artikel 9:29 van de Awb vast te leggen dat de behandeling van het
verzoek gebeurt door een persoon die niet betrokken is geweest bij de
gedraging waar de klacht over gaat. Het is aan de lokale ombudsman om erop toe te
zien dat het hem toegewezen personeel niet wordt ingezet bij de behandeling van klachten over dienstonderdelen van
het bestuursorgaan waar
dat personeel nauwe banden mee heeft en zo te waken over de
onafhankelijkheid van de klachtbehandeling. Het bestuursorgaan kan daarbij helpen door
de ambtenaren die de externe klachtvoorziening ondersteunen zodanig in
de ambtelijke organisatie te positioneren dat de kans op
betrokkenheid bij de te behandelen klachten zo gering mogelijk is. Daarbij moet er overigens rekening mee worden
gehouden dat personeel
dat een taak vervult bij de interne klachtbehandeling reeds daarom niet in
aanmerking komt voor een rol bij de behandeling van klachten
door de externe klachtvoorziening. Ingeval een aantal gemeenten besluit
een gezamenlijke ombudsman in te stellen, kan aparte ondersteuning
eenvoudiger gerealiseerd worden. Het punt van de ondersteuning kan daarom
mede van invloed zijn op de wijze waarop de externe klachtvoorziening
vorm wordt gegeven.
3.3.3.
Onderzoeksbevoegdheden
Bij de
onderzoeksbevoegdheden van een lokale ombudsman gaat het om de wijze waarop invulling
gegeven wordt aan de eis, zoals hiervoor genoemd in onderdeel i,
dat die onderzoeksbevoegdheden vergelijkbaar zijn met die van de Nationale ombudsman. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de zogenoemde zware bevoegdheden. De vraag is of het
wel noodzakelijk of
gewenst is dat de lokale ombudsman (of -commissie) ook de zware bevoegdheden
krijgt die de Nationale ombudsman reeds bezit. De bevoegdheid om
te bevelen voor de klachtinstantie te verschijnen en, wanneer
daar geen gehoor aan wordt gegeven, de mogelijkheid om de "sterke
arm" in
te roepen (vergelijk artikel 21, tweede lid, van de WNo
(oud)), behoren
tot de zwaarste bevoegdheden. Uit informatie van het Bureau Nationale
ombudsman blijkt overigens dat van deze bevoegdheid tot nu toe
nooit gebruik is gemaakt. In de regel wordt uit eigen beweging aan een
oproep gevolg gegeven. De Nationale rblz.|12|
ombudsman is wel van
mening dat de "sterkearmbevoegdheid" in dit verband werkt als stok
achter de deur.
Wij hebben ervoor gekozen
de "sterkearmbevoegdheid" niet toe te kennen aan de lokale
ombudsman. Reden daarvoor is dat het niet nodig leek om een dergelijke
zware bevoegdheid in het leven te roepen waar de gemeentelijke praktijk
tot nu toe steeds goed zonder kon.
4. Inpassing in de
Algemene wet bestuursrecht
4.1. Structuur
Voorgesteld wordt de
algemene bepalingen over de externe klachtbehandeling onder te brengen in een
nieuwe titel 9.2 Klachtbehandeling door een ombudsman. Deze
titel is onderverdeeld in een drietal afdelingen, te weten: afdeling 9.2.1
Algemene bepalingen, afdeling 9.2.2 Bevoegdheid en
afdeling
9.2.3 Procedure. De bepalingen over het interne klachtrecht worden
ondergebracht in titel 9.1 (nieuw).
Grondgedachte bij de
invoering van het interne klachtrecht was het bieden van een regeling
die het evenwicht hield tussen enerzijds het vastleggen van voldoende waarborgen
voor een zorgvuldige klachtbehandeling en anderzijds het
voorkomen van nodeloze formalisering of bureaucratisering. Hoofdstuk 9
schrijft dan ook een aantal minimumeisen voor waaraan elke interne
klachtbehandeling door een bestuursorgaan moet voldoen. Daarbij
laten de bepalingen de mogelijkheid van een informele afdoening steeds open.
Bij de regeling van het
externe klachtrecht, die uniformiteit en gelijkwaardigheid in externe klachtbehandeling beoogt, past een dergelijke terughoudendheid
minder. Om tot een
heldere en eenduidige normering te komen, zijn de artikelen
uit hoofdstuk II van de WNo
als leidraad genomen bij het formuleren van de
bepalingen die op alle externe klachtvoorzieningen van toepassing zijn. De
bepalingen uit de WNo
zijn aangepast om ze voor algemene
toepassing geschikt te maken en ook om aansluiting te vinden bij
de regeling van het intern klachtrecht. Daarbij is de huidige reikwijdte van
de WNo intact gelaten.
4.2. Terminologie
Invoeging van de
bepalingen uit de WNo
werpt tevens de vraag op in hoeverre uniformering in
terminologie mogelijk is. De WNo gaat in tegenstelling tot hoofdstuk 9, dat de
begrippen "klacht" en "klager" hanteert, uit van het begrippenpaar
"verzoek" en "verzoeker". Het omzetten van deze termen naar de
termen die voor het interne klachtrecht worden gebruikt. brengt evenwel
verwarring mee. Immers, bij het hanteren van het begrip "klacht" in
bijvoorbeeld de bepalingen over de bevoegdheid of de verplichting een
onderzoek in te stellen, ontstaat snel onduidelijkheid of hiermee nu gedoeld
wordt op de klacht zoals ingediend bij de ombudsman of de
oorspronkelijke klacht bij het bestuursorgaan zelf.
Daarom
wordt voorgesteld de terminologie van de WNo te handhaven. Dit betekent dat bij het
bestuursorgaan een klacht onderscheidenlijk klaagschrift wordt ingediend en dat
gesproken wordt van een verzoek onderscheidenlijk verzoekschrift wanneer
het gaat om het vragen van een oordeel van een externe klachtvoorziening over de wijze waarop een
bestuursorgaan zich in
een bepaalde aangelegenheid gedragen heeft, hoewel dit materieel ook
als klacht is aan te duiden. Met dit onderscheid, dat vergelijkbaar is met
het onderscheid in terminologie tussen bezwaarschrift en beroepschrift, wordt
het verschil tussen intern en extern klachtrecht duidelijk verwoord. Omdat
het oordeel van een ombudsman geen besluit of beschikking
is, bestaat er geen bezwaar om hier van "verzoek" te spreken.
rblz.|13|
Eveneens
is de term "ombudsman" gehandhaafd, alhoewel de externe klachtvoorzieningen op
decentraal niveau ook de vorm kunnen hebben - zoals in de praktijk al
gebeurt - van een commissie. In de definitiebepaling (artikel
9:17) wordt dit
expliciet gemaakt.
Een andere term uit de
WNo die bij inbedding in de Awb moet worden aangepast, is
"wettelijk
geregelde administratiefrechtelijke voorziening". Dit begrip, dat onder
andere in artikel 14 van de WNo
is gebruikt, is verouderd ¹ en wordt daarom in de
voorgestelde Awb-bepalingen vervangen door bezwaar, beroep of beklag. De twee eerstgenoemde begrippen zijn
al bekend in de Awb. Dat
geldt niet voor "beklag".
Onder "beklag" moet
worden verstaan de gespecialiseerde bestuursrechtelijke voorzieningen, in het
leven geroepen ter bescherming van de rechtspositie van
bepaalde categorieën rechtssubjecten die doorgaans in een bijzondere
afhankelijkheidsrelatie tot de overheid staan, welke voorzieningen, anders dan een
klachtvoorziening, tot een rechtens bindende uitspraak leiden. Een
duidelijk voorbeeld daarvan is de beklagregeling zoals die geldt voor
gedetineerden.
De term "beklag" komt
in een aantal wetten en lagere regelingen voor.² Met name in de
justitiële regelgeving gaat het daarbij (op hoofdlijnen) om beslissingen van
directeuren van instellingen over de positie van bewoners van de instelling
(bijvoorbeeld verlof, plaatsing in afzondering, onderzoek verblijfsruimte,
enz.). Tegen deze beslissingen kan beklag
worden ingesteld bij een
beklagcommissie. Vaak is dit een onderdeel van een commissie van toezicht. De beklagcommissie kan veelal besluiten van de directeur schorsen
en doet na behandeling van het klaagschrift uitspraak. Daarbij kan
bijvoorbeeld de beslissing van de directeur worden vernietigd en kan hem
worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen of kan de
beslissing van de commissie in de plaats worden gesteld van die van de directeur.
Vervolgens is er de mogelijkheid van (administratief) beroep tegen de uitspraak
(zowel voor de directeur als voor betrokkene) bij een
beroepscommissie, die een bindende uitspraak ³ doet.
1. In het
onderzoeksrapport "Blik op de toekomst van de Nationale ombudsman" van de Universiteit Utrecht uit 1997 wordt reeds de aanbeveling gedaan om het
begrip "wettelijk geregelde administratieve voorziening" aan te passen aan de Awb-terminologie.
2. Beginselenwet
verpleging terbeschikkinggestelden, Penitentiaire
beginselenwet, Wet op de
jeugdhulpverlening,
Besluit regels inrichtingen voor
justitiële kinderbescherming, Penitentiaire maatregel, Reclasseringsregeling
1995, Reglement regime grenslogies, Wet
militair tuchtrecht, Wetboek
van Koophandel en Advocatenwet.
3. Uitspraakmogelijkheden: niet-ontvankelijkverklaring
van het beroep, bevestiging uitspraak van
de beklagcommissie (eventueel met
verbetering van gronden), vernietiging van de
uitspraak alsmede hetgeen doen wat de
beklagcommissie had behoren te doen.
4.3. Naamsbescherming van
de (Nationale) ombudsman
Met het gebruik van de
term "ombudsman" treedt ook de vraag op naar de bescherming van dit
begrip. In het verleden is door de Nationale ombudsman
diverse malen
aandacht gevraagd voor de verwarring en misverstanden die worden
opgeroepen door het ruime gebruik dat in de praktijk wordt gemaakt
van de naam "ombudsman".¹ Door de toenmalige Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm, is aan de Kamer een notitie toegezegd
over de voors en tegens van een wettelijke verankering of een andere vorm
van
bescherming van de naam ombudsman. Op 16 augustus 1999 bracht
de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
een notitie ² uit waarin - kort gezegd - werd aangegeven dat onvoldoende grond
bestaat voor wettelijke bescherming van de termen "Nationale
ombudsman" of "ombudsman". Vanuit de Tweede Kamer is deze conclusie
destijds niet weersproken. In de notitie wordt gewezen op het feit dat
de ombudsman zelf door middel van voorlichting een belangrijke bijdrage
kan leveren aan het tegengaan van verwarring en misverstand over het
gebruik van de naam ombudsman. Daarnaast wordt ook de verwachting
uitgesproken dat voor wat betreft de publieke sector het voorstel van Wet
extern
klachtrecht duidelijkheid kan bieden omtrent de vraag wanneer een
voorziening het predikaat "ombudsman" waardig is. In het onderhavige
wetsvoorstel wordt door het definiëren van het begrip ombudsman in het
voorgestelde artikel 9:17 van de Awb die duidelijkheid geschapen. Wij gaan ervan
uit dat de in artikel 9:17 gegeven omschrijving richtinggevend is voor
instanties die zich willen tooien met de term ombudsman en in beginsel
ook voor de wetgever in formele zin. Het gaat bij een ombudsman om de Nationale ombudsman of om een decentrale rblz.|14|
externe klachtvoorziening
die voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zoals
die in de wet zijn uitgewerkt.
1. Zie de Jaarverslagen
1992, blz. 9-13; 1997, blz. 9-10, en 1998, blz.
54-55.
2. Kamerstukken II 1998-1999, 26 445, nr. 4.
4.4. Voorwerp van
onderzoek
In artikel 12 van de
WNo (oud) wordt aangegeven waarop het onderzoek van de Nationale ombudsman
gericht is, te weten de wijze waarop een bestuursorgaan zich in
een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon
heeft gedragen. Hieruit volgt dat een klacht bij de Nationale
ombudsman niet alleen gericht behoeft te zijn op een gedraging tegenover
degene die het verzoek indient, maar ook kan gaan over een gedraging
tegenover een derde. Verder schrijft de WNo
voor dat een klacht schriftelijk
moet worden ingediend. In het wetsvoorstel is de schriftelijkheidseis
overgenomen. Indien de ombudsman aangeeft dat ook de elektronische weg voor
het indienen van klachten wat hem betreft openstaat, kunnen verzoekschriften ook per e-mail worden ingediend. Bij
de Nationale ombudsman is
dit nu reeds praktijk. In het voorstel van Wet elektronisch bestuurlijk
verkeer, dat thans bij de Tweede Kamer aanhangig is,¹ is dat ook
één van
de uitgangspunten.
Het vereiste van
schriftelijkheid betekent niet dat het nut van inloopspreekuren, waar gemeentelijke
ombudsinstanties doorgaans gebruik van maken en waar een klager
mondeling zijn verhaal kan doen, teniet wordt gedaan. Het zal bij
dergelijke inloopspreekuren toch al praktijk zijn dat mondelinge klachten door
de ombudsman worden opgetekend en vervolgens in behandeling worden
genomen. Dan is daarmee aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan. Het is niet
noodzakelijk dat de klager zelf zijn klacht op schrift stelt.
Er mag van worden uitgegaan dat in dit soort gevallen de klager de
aldus op schrift gestelde klacht ondertekent en daarvan een kopie
ontvangt.
1. Kamerstukken II 2001-2002, 28 483,
nrs. 1-2.
De regeling van het
interne klachtrecht gaat eveneens uit van de mogelijkheid te klagen over
gedragingen van een bestuursorgaan zowel jegens de klager als jegens een
ander (zie artikel 9:1, eerste lid). De plicht van het bestuursorgaan om zorg te
dragen voor een behoorlijke behandeling van klachten beperkt zich
evenwel niet tot schriftelijke klachten, maar strekt zich ook uit tot
mondelinge blijken van ongenoegen. Alleen voor de behandeling van
klaagschriften bevat hoofdstuk 9 nadere regels en dan nog uitsluitend voor
zover het betreft klachten over een gedraging jegens de klager zelf (zie
artikel 9:4, eerste lid). Het is dus aan het bestuursorgaan overgelaten te bepalen op
welke wijze mondelinge of schriftelijke klachten over gedragingen jegens
een derde en mondelinge klachten over gedragingen jegens de klager worden
behandeld.
Het uitgangspunt bij het
overbrengen van de bepalingen uit de WNo
naar de Awb dat de
rechtsbescherming die de Nationale ombudsman biedt niet geringer mag worden,
brengt mee dat de reikwijdte van de bepaling over het voorwerp van
onderzoek in de Awb gelijk moet zijn aan die van de WNo. Dit betekent dat
ook klachten die buiten het bereik van artikel 9:4 vallen en de wijze waarop
deze klachten zijn behandeld, aan het oordeel van een externe
klachtvoorziening onderworpen moeten kunnen worden. In de toelichting
op artikel 9:2 ¹ is ook met zoveel woorden
aangegeven dat de burger
die ontevreden is met de afhandeling van een mondelinge klacht
vervolgens een klacht bij de Nationale ombudsman kan indienen, wanneer
deze althans bevoegd is kennis te nemen van een klacht over het
desbetreffende bestuursorgaan. Dit past ook in de gedachte dat de interne
klachtbehandeling als een voorprocedure werkt voor die bij een ombudsman. Het streven naar een gelijkwaardige klachtvoorziening
op decentraal niveau
brengt ook mee dat in dit opzicht geen verschil mag bestaan
tussen decentrale overheden die in een eigen rblz.|15|
externe klachtvoorziening
hebben voorzien en decentrale overheden die onder de competentie van
de Nationale ombudsman vallen.
1. Kamerstukken II 1997-1998, 25 837, nr. 3, blz.
13.
4.5. Bevoegdheid
In het wetsvoorstel zijn
in afdeling 9.2.2 de bepalingen opgenomen die de bevoegdheden van een ombudsman regelen. De bepalingen uit de
WNo hebben hierbij model
gestaan.
Om te beginnen is in deze
afdeling vastgelegd - hiervoor is daar reeds op ingegaan - wat het
voorwerp van onderzoek van een ombudsman kan zijn. Dit geldt zowel de Nationale ombudsman
als de andere externe klachtvoorzieningen.
Tevens is het
kenbaarheidsvereiste geformuleerd. Dit vereiste houdt in dat een verzoeker, voordat
hij zich tot een ombudsman wendt, in beginsel eerst een klacht moet
indienen bij het betrokken bestuursorgaan, om dit in de gelegenheid te stellen
daarop te reageren.
De artikelen 9:22 tot en
met 9:24 bepalen vervolgens in welke gevallen de ombudsman niet bevoegd of
verplicht is een onderzoek in te stellen of voort te zetten. De
onbevoegdheid kan een absolute zijn (bijvoorbeeld voor klachten over
algemeen verbindende voorschriften of gedragingen waarover een administratieve rechter zich heeft uitgesproken) of een
tijdelijke (bijvoorbeeld
de onbevoegdheid tijdens een procedure bij een andere rechterlijke
instantie dan een administratieve rechter). Zodra een dergelijke procedure
beëindigd is, ontstaat of herleeft de bevoegdheid van de ombudsman.
Omdat in beginsel eerst
de interne klachtprocedure doorlopen zal worden, is de termijn (één jaar)
waarbinnen een burger zich tot een ombudsman kan wenden en deze ook
verplicht is een onderzoek te starten, gekoppeld aan het moment waarop die
interne procedure eindigt of beëindigd had moeten worden. Slechts
ingeval redelijkerwijs niet van verzoeker kan worden gevergd dat hij
eerst bij het bestuursorgaan te rade gaat, is de termijn gerelateerd aan
het moment waarop de gedraging heeft plaatsgevonden.
Tot slot regelt afdeling 9.2.2
dat de ombudsman ook op eigen initiatief een onderzoek kan instellen,
het oordeel dat hij kan uitspreken en de bevoegdheid om het bestuursorgaan
aanbevelingen te doen.
4.6. Procedure
Afdeling
9.2.3 bevat de
procedureregelingen. Ook hier is grotendeels de lijn van de WNo
gevolgd.
Wanneer de burger een gedraging van het bestuursorgaan aan het
oordeel van een ombudsman wil voorleggen, dient hij een
verzoekschrift in met een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is
gericht en mededeling wie zich aldus heeft gedragen en jegens wie
de gedraging heeft plaatsgevonden. Voorts bevat het verzoek de gronden
van de klacht en een weergave van de wijze waarop een klacht is
ingediend bij het bestuursorgaan (interne klachtprocedure). Zo mogelijk bevat het
verzoek ook de bevindingen van het onderzoek naar de klacht
door het betrokken bestuursorgaan.
Om de onpartijdigheid van
de behandelaar van het verzoek te garanderen, vindt de behandeling
plaats door een persoon die niet betrokken is geweest bij de gedraging
waarover de klacht gaat. Deze bepaling is van belang in die gevallen
waarin personeel dat de externe klachtvoorziening ondersteunt tevens
werkzaam is bij het bestuursorgaan waartegen de klacht gericht is.
De ombudsman stelt het
bestuursorgaan, degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft
en de verzoeker in de gelegenheid hun standpunt toe te lichten.
rblz.|16|
Het
bestuursorgaan, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen,
getuigen en de verzoeker
verstrekken de ombudsman de benodigde inlichtingen en
verschijnen op een daartoe strekkend verzoek voor hem. Inlichtingen over het
beleid gevoerd onder de verantwoordelijkheid van een minister of een ander
bestuursorgaan kan de ombudsman bij de daarbij betrokken
personen en colleges slechts inwinnen door tussenkomst van de minister
onderscheidenlijk dat bestuursorgaan.
Op grond van gewichtige
redenen kan het geven van inlichtingen of het overleggen van stukken
geweigerd worden of kan aan de ombudsman worden meegedeeld dat
uitsluitend hij daarvan kennis zal mogen nemen. De ombudsman beoordeelt
of een dergelijke weigering of beperkte kennisneming
gerechtvaardigd is. Is de weigering gerechtvaardigd, dan vervalt de plicht tot het
verschaffen van de betreffende inlichtingen.
Verder staan de ombudsman
allerlei onderzoeksmiddelen ten dienste, zoals het opdragen aan
deskundigen van werkzaamheden, het oproepen van deskundigen of tolken
en de bevoegdheid alle plaatsen te betreden voor zover dat
redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van zijn taak. Toegang tot een woning
heeft de ombudsman slechts met toestemming van de bewoner.
Voordat hij het onderzoek
beëindigt, deelt de ombudsman aan betrokkenen zijn bevindingen mee en
stelt hen in de gelegenheid daar hun visie op te geven. Aansluitend
maakt hij een rapport op en geeft daarin zijn oordeel. Dit rapport
wordt toegezonden aan het bestuursorgaan, de verzoeker en degene over
wiens gedraging de aanvankelijke klacht ging. Wanneer de ombudsman aan
het bestuursorgaan een aanbeveling doet, moet het bestuursorgaan
de ombudsman in kennis stellen van de wijze waarop aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Is het bestuursorgaan
niet van plan de
aanbeveling op te volgen, dan deelt het dat met redenen omkleed aan de
ombudsman mee.
Tevens draagt de
ombudsman zorg voor openbaarmaking van het rapport of van een uittreksel
daarvan. Hij legt daartoe een geanonimiseerde versie van het rapport ter
inzage. Verder verstrekt hij afschriften of uittreksels van de rapporten aan
een ieder die daarom verzoekt.
4.7. Motiveringsplicht
van het oordeel
Voorgesteld wordt om in
de Awb te bepalen dat de ombudsman - indien hij van oordeel is dat de
klacht gegrond is en de gedraging van het bestuursorgaan mitsdien
niet behoorlijk was - in het rapport vermeldt welke behoorlijkheidsnorm
geschonden is. Hiermee wordt de normering die de ombudsman toepast
kenbaar en toetsbaar, zowel voor de burger als voor de
bestuursorganen. Deze verplichting is nieuw en is te vergelijken met de bepaling van
artikel 8:77, tweede lid. De "behoorlijkheidsjurisprudentie"
van de Nationale ombudsman kan daarbij richtinggevend zijn.
Reeds vele jaren hanteert
de Nationale ombudsman een aantal beoordelingscriteria.
Deze criteria zijn in het Jaarverslag 1988 van de Nationale ombudsman
geïntroduceerd en zijn een uitwerking van de behoorlijkheidsnorm die
besloten ligt in de opdracht aan de Nationale ombudsman (zoals
vastgelegd in artikel 26, eerste lid, van de WNo) om een oordeel te geven over
een onderzochte gedraging, in termen van behoorlijkheid. De WNo
geeft geen verdere criteria voor de beantwoording van de vraag wanneer en
om welke reden een gedraging al dan niet als behoorlijk moet
worden aangemerkt. In het Jaarverslag 1988 ¹ is het belang van de uitwerking
van de behoorlijkheidsnorm in een stelsel van beoordelingscriteria
uiteengezet aan de hand van een vijftal redenen. Twee daarvan worden hier
met name genoemd. Ten eerste mag van een rblz.|17|
(Nationale) ombudsman
worden verlangd dat hij in zijn rapportage aan hen die in het onderzoek
zijn betrokken, aangeeft langs welke weg hij tot zijn
behoorlijkheidsoordeel komt. Wanneer een gedraging van een ambtenaar als
"niet behoorlijk"
wordt aangemerkt, wordt een dergelijk oordeel niet zelden als zwaar ervaren. Het oordeel van een ombudsman dient te
voldoen aan het vereiste
van motivering, wil de uitspraak als gezaghebbend worden erkend. De
motivering kan bijdragen aan de legitimatie van het werk van de ombudsman. Ten tweede kan publicatie van de gehanteerde
beoordelingscriteria en
het geven van inzicht in de wijze waarop zij worden gehanteerd,
bijdragen aan de educatieve en preventieve functie die een instituut als de
Nationale ombudsman kan hebben bij bestuursorganen, met name op het terrein
van hun op de uitvoering gericht kwaliteitsbeleid. Dit
geldt uiteraard evenzeer voor een lokale ombudsman.
1. Kamerstukken II 1988-1989, 21 075,
nrs. 1-2, blz. 63 e.v.
De beoordelingscriteria,
die naar aanleiding van de invoering van de Awb
in 1994 nog een kleine
herziening hebben ondergaan, zijn in drie categorieën onder te verdelen:
1. regels van geschreven recht;
2. ongeschreven
rechtsnormen zoals die in rechtspraak en doctrine zijn ontwikkeld; en
3. oriëntatienormen voor
het bestuur.
De eerste categorie
betreft de wetmatigheid van de gedraging, de eerste en tweede categorie samen
hebben betrekking op de rechtmatigheid en de derde categorie
betreft de "eigen ruimte" die de behoorlijkheidsnorm aan de ombudsman biedt.
De criteria in deze laatste categorie zijn alle aspecten van het begrip
zorgvuldigheid. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de
categorieën verwijzen wij naar de jaarverslagen van 1989 en 1995 ¹ van de
Nationale ombudsman. Hier is volstaan met een korte schets. Bedacht
moet worden dat de opsomming van criteria in de jaarverslagen geen
gesloten stelsel vormt, getuige het feit dat de lijst wordt afgesloten met de
open categorie "overige eisen van behoorlijkheid". Bij het formuleren
van de criteria wordt ook gekeken naar de praktijk zoals die zich aandient
en welke patronen zich daarin laten onderkennen. Daar waar de praktijk
steeds nieuwe, onvoorziene zaken kan presenteren, moet ook het
denken over de wijze van beoordelen van die praktijk aan vernieuwing
onderhevig kunnen zijn.
1. Kamerstukken II 1995-1996, 24 635,
nrs. 1-2, blz. 73 e.v.
5. Consequenties van de
regeling van het extern klachtrecht in de Awb voor de Wet
Nationale ombudsman
5.1. Algemeen
De voorgestelde opzet van
het extern klachtrecht brengt een ingrijpende wijziging van de WNo
mee.
De processuele bevoegdheden en de bepalingen over de te volgen
procedure, neergelegd in hoofdstuk II van de WNo
(oud), worden
grotendeels overgeheveld naar de Awb. De WNo wordt dan een
voornamelijk institutionele wet waarin een basis wordt gegeven voor het
instituut Nationale ombudsman en waarin de reikwijdte van de WNo wordt
aangegeven. Over het onderzoek zullen in de WNo nog slechts aanvullende bepalingen worden opgenomen.
Hetzelfde geldt overigens
voor de regeling van externe klachtvoorzieningen in organieke wetten. Ook
die regelgeving zal voornamelijk het karakter krijgen van
institutionele regelgeving.
In de
WNo is de bepaling
gehandhaafd over de situatie waarin er tevens een verzoekschrift bij
één der verzoekschriftencommissies in het parlement in behandeling is,
evenals de bijzondere bepalingen over de verschijningsplicht van
ministers en het verbod bepaalde plaatsen te betreden in verband met
de staatsveiligheid. Tot slot regelt artikel 16 de jaarlijkse verslaglegging
van de Nationale ombudsman.
rblz.|18|
Voorts
is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de hoofdstukindeling van de WNo
te vervolmaken
en enkele redactionele verbeteringen aan te brengen. Ook is een
wijziging aangebracht in de ambtstermijn van de substituut-ombudsman. In
zijn jaarverslagen heeft de Nationale ombudsman
meerdere malen
de wens uitgesproken om de ambtstermijnen van de Nationale
ombudsman en de substituut-ombudsman te laten overlappen.¹ Dit
komt de continuïteit van het instituut Nationale ombudsman ten goede.
Bovendien leidt dit voor de substituut-ombudsman tot meer zekerheid over
zijn rechtspositie.
Volgens artikel 9 van de WNo
(oud) kan een nieuwe ombudsman de Tweede Kamer verzoeken om
de ambtstermijn van de zittende substituut-ombudsman te verlengen voor de duur
van ten hoogste zes maanden. In de praktijk is deze
verlengingstermijn echter te krap gebleken. Daarbij komt dat de zittende
substituut-ombudsman in onzekerheid verkeert over de vraag of de nieuwe
ombudsman hem zal voordragen voor verlenging. Het is voorstelbaar dat
de substituut-ombudsman het antwoord op die vraag niet zal afwachten
en zich reeds bij voorbaat verbindt aan een nieuwe betrekking met
ingang van de datum waarop zijn ambtstermijn als substituut-ombudsman
wettelijk afloopt. De nieuwe ombudsman kan er dus niet zonder meer van
uitgaan dat hij door de zittende substituut-ombudsman wegwijs in het ambt kan
worden gemaakt.
1. Kamerstukken II 2000-2001, 27 645,
nrs. 1-2, blz. 41, en
Kamerstukken
II 1999-2000, 27 050, nrs. 1-2, blz. 60 e.v.
Om aan deze onzekerheden
een einde te maken, wordt nu voorgesteld om de ambtstermijn van de substituut-ombudsman
één jaar later te laten
eindigen dan die van de Nationale ombudsman. Het voorstel houdt naar onze mening voldoende
rekening met het eenhoofdige karakter van het ambt van Nationale ombudsman. Weliswaar zal een nieuw benoemde
ombudsman telkens
gedurende één jaar van rechtswege moeten werken met een
substituut-ombudsman die op verzoek van zijn voorganger is benoemd, maar
daarmee is
hij aan het begin van zijn ambtsperiode verzekerd van de bijstand van een
ervaren substituut-ombudsman en heeft hij desgewenst alle
gelegenheid om op zoek te gaan naar een substituut-ombudsman van eigen keuze, met wie
hij dan nog vijf jaar kan samenwerken.
5.2. Overgangsbepalingen
Er kan onderscheid worden
gemaakt tussen twee soorten overgangsrecht voor de decentrale
overheden. Enerzijds moet worden voorzien in gevallen waarin de
bevoegdheid van de Nationale ombudsman begint of
eindigt als de Wet
extern klachtrecht reeds in werking is getreden. Het gaat dan om de situatie
waarin een decentrale overheid besluit met een eigen voorziening te
stoppen of juist te starten. Op deze gevallen ziet het nieuwe artikel 18 van de
WNo. Anderzijds gaat het om hetgeen geldt op het moment waarop voor decentrale overheden de wettelijke verplichting
tot het beschikken over
een externe klachtvoorziening in werking treedt. Hierop heeft artikel IX
van het wetsvoorstel betrekking.
Als de
Wet
extern klachtrecht eenmaal in werking is getreden, geldt het volgende.
- Om te waarborgen dat
de burger niet tussen wal en schip valt, is bepaald dat de Nationale ombudsman
"oude verzoekschriften" mag afhandelen wanneer op een
gegeven moment een eigen externe klachtvoorziening door
een decentrale overheid wordt ingesteld. Dat betekent dat de Nationale
ombudsman bevoegd blijft tot behandeling van verzoekschriften die
hij vóór de ingangsdatum van de eigen voorziening heeft ontvangen (artikel
18 van de WNo (nieuw)).
- Vanaf de ingangsdatum
van een eigen externe klachtvoorziening is die voorziening meteen
bevoegd tot het behandelen van nieuwe verzoekschriften, ook als het gaat om
gedragingen daterend van vóór de rblz.|19|
ingangsdatum van de
voorziening. Hetzelfde geldt voor de omgekeerde situatie, dat wil zeggen
het geval waarin een eigen externe klachtvoorziening ophoudt
te bestaan, waardoor de Nationale ombudsman bevoegd wordt:
in dat geval is de Nationale ombudsman meteen bevoegd, ook als
het gaat om gedragingen daterend vóór de datum van beëindiging
van de decentrale voorziening. In deze gevallen geldt dus onmiddellijke
werking van de bevoegdheid van de externe klachtvoorziening, wat
betekent dat geen aanvullend overgangsrecht nodig is.
De volgende bepalingen
zijn relevant ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet
extern klachtrecht.
- Op verzoekschriften
die de Nationale ombudsman
heeft ontvangen voordat de nieuwe titel
9.2 van de Awb
en de gewijzigde bepalingen van de WNo
in werking
zijn getreden, blijven de huidige (oude) WNo-bepalingen van
toepassing. Deze bepaling is van belang voor de decentrale overheden die
reeds op vrijwillige basis bij de Nationale ombudsman waren
aangesloten (artikel IX, eerste lid).
- Voor decentrale
overheden die eerst onder de Nationale ombudsman komen te vallen wanneer
de vangnetvoorziening in werking treedt, geldt dat hun gedragingen
pas vanaf dat moment voorwerp van onderzoek bij de Nationale
ombudsman kunnen zijn. Voor decentrale overheden die reeds op vrijwillige
basis bij de Nationale ombudsman waren aangesloten, geldt
dat de bevoegdheid van de Nationale ombudsman gewoon
doorloopt. Dus ook "oude gedragingen" van bestuursorganen van deze
overheden kunnen door de Nationale ombudsman in onderzoek
worden genomen (artikel IX, tweede lid).
Ten slotte betreft
artikel 19 van de WNo
(nieuw) een overgangsrechtelijke bepaling die betrekking
heeft op zelfstandige bestuursorganen die krachtens artikel 1a, eerste lid,
onderdeel e, van de WNo
van de competentie van de Nationale ombudsman
worden uitgezonderd. Nog tot één jaar na inwerkingtreding van het uitzonderingsbesluit kan bij de Nationale
ombudsman een verzoek
worden ingediend over een gedraging van dat bestuursorgaan. Deze
bepaling komt overeen met artikel 30a, onderdeel a, van de
WNo (oud).
6. Regeling voor de
decentrale overheden
6.1. Algemeen
Over de externe
klachtvoorziening voor de decentrale overheden worden in de diverse organieke
wetten institutionele bepalingen opgenomen. Daartoe worden
wijzigingen voorgesteld in de Gemeentewet, de
Provinciewet en de Waterschapswet. Deze bepalingen geven allereerst aan dat aan de plicht van
de decentrale overheden om te voorzien in een externe klachtvoorziening
voldaan kan worden door een eigen ombudsman of
ombudscommissie in te stellen, al dan niet gezamenlijk met andere decentrale
overheden. Als gezegd in paragraaf 2.4 is het ook mogelijk dat men gebruik
maakt van de diensten van de ombudsman van een andere decentrale
overheid. Indien een decentrale overheid geen actie onderneemt, is op
grond van het nieuwe artikel 1a, onderdeel b, van de WNo
de
Nationale ombudsman bevoegd. Niet alleen voor de eigen bestuursorganen moet er
een externe klachtvoorziening zijn. Ook moeten de decentrale overheden erop bedacht zijn dat gemeenschappelijke regelingen
waaraan zij deelnemen
over een externe klachtvoorziening beschikken. Daarom is ook
de Wet
gemeenschappelijke regelingen aangepast.
Verder geven de
voorgestelde wijzigingen invulling aan de hiervoor rblz.|20|
weergegeven eisen waaraan een
onafhankelijke externe klachtvoorziening ten minste moet voldoen.
6.2. Institutionele
bepalingen
6.2.1. De Gemeentewet, de
Provinciewet en de Waterschapswet
Bij het formuleren van de
institutionele bepalingen is, naast de bepalingen uit de WNo, aansluiting
gezocht bij de regeling van de gemeentelijke rekenkamer, zij het dat
in de regeling van de gemeentelijke ombudsman - om eerder uiteengezette
redenen - meer zaken ter nadere regeling aan de raad zijn overgelaten dan
bij de gemeentelijke rekenkamer. Om eenvormigheid van de regelgeving te
bewaren, hebben wij ervoor gekozen in de Provinciewet
en de Waterschapswet
gelijkluidende bepalingen op te nemen, tenzij dat binnen
het systeem van die wetten uitdrukkelijk niet past. Op dit moment zijn
de provincies en waterschappen op hun verzoek onder het bereik van de
Nationale ombudsman
gebracht.¹ Niettemin is er in dit
wetsvoorstel,
uitgaande van het feit dat provincies en waterschappen ook kunnen besluiten de
aanwijzing te doen beëindigen, voorzien in een voor die overheden
vergelijkbare constructie.
In alle drie de wetten
wordt voorgesteld een afzonderlijk hoofdstuk getiteld "De ombudsman" op te
nemen. Dat hoofdstuk is voor zowel de Gemeentewet
als de
Provinciewet als de Waterschapswet ondergebracht in titel II, waarin
bepalingen staan over de inrichting en samenstelling van de organen van
respectievelijk een gemeente, provincie of waterschap.
1. Zie de Regeling
toepassing Wet Nationale ombudsman van 21 december
1998, nr. CW98/U62 550, Stcrt. 1998, 249.
De benoeming van de
lokale ombudsman onderscheidenlijk de leden van de ombudscommissie
geschiedt voor de duur van zes jaar. Het staat de decentrale regelgevers
vrij om herbenoeming mogelijk te maken. Ook dient een
plaatsvervangend ombudsman te worden benoemd. Indien wordt gekozen voor een
ombudscommissie, bestaat geen verplichting om ook plaatsvervangende
leden te benoemen, met uitzondering van een plaatsvervangend
voorzitter. Het tot benoeming, ontslag en op-non-activiteitstelling bevoegde orgaan is de
raad, respectievelijk provinciale staten of het algemeen
bestuur van het waterschap.
De Gemeentewet, de
Provinciewet en de Waterschapswet
bevatten bepalingen over de openbaarheid van
nevenfuncties van raadsleden, leden van provinciale staten en
leden van het algemeen bestuur van het waterschap. Deze bepalingen zijn ook
van toepassing op de lokale ombudsman.
In de onderscheiden
wetten wordt, al dan niet uitvoerig, aangegeven welke betrekkingen
onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de gemeenteraad, de
provinciale staten of het algemeen bestuur van het waterschap.¹ Aan die
bepalingen is telkens toegevoegd de betrekking van ombudsman of lid van de
ombudscommissie. Voor de ombudsman en de leden van de
ombudscommissie is verder een algemeen geformuleerd verbod opgenomen tot het
vervullen van betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog
op een goede vervulling van hun ambt of op de handhaving van
hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2. Zie artikel 13 van de Gemeentewet,
artikel 13 van de Provinciewet
en artikel 33 van de Waterschapswet.
Om duidelijk te
onderstrepen dat de ombudsman volstrekt onafhankelijk van de decentrale
overheid functioneert, wordt voorgesteld te bepalen dat hij over de uitoefening
van zijn werkzaamheden geen enkele instructie ontvangt en dat het
personeel dat is aangesteld om de ombudsman te ondersteunen over die werkzaamheden uitsluitend aan hem verantwoording
schuldig is.
rblz.|21|
6.2.2. De gezamenlijke
ombudsman
Het zal voor kleinere
gemeenten in de praktijk niet altijd goed mogelijk zijn een eigen ombudsman of
ombudscommissie in te stellen. Ook het aantal gevallen waarin een
beroep op een dergelijke instantie gedaan zal worden, kan daarbij een
rol spelen. De Wet
dualisering gemeentebestuur, waar dit voor de lokale rekenkamer onder ogen is gezien, voorzag er
daarom in dat gemeenten
ook op dit punt kunnen samenwerken. Ook voor de gemeentelijke
ombudsman is een dergelijke mogelijkheid gewenst, net als overigens voor de provinciale ombudsman en de
ombudsman voor het
waterschap. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een gemeente samen met één of
meer andere gemeenten een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie in het leven roept.
Het wetsvoorstel
laat ook de mogelijkheid
open dat provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen daaraan
meedoen.
Naar aanleiding van het
advies van de Raad van State hebben wij overwogen of in
het wetsvoorstel
moest worden bepaald dat een dergelijke samenwerkingsvorm alleen
op basis van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gestalte
mag krijgen. Strikt genomen lijkt het ons overbodig om in het wetsvoorstel op
te nemen dat samenwerking via de publiekrechtelijke weg
zou moeten geschieden. In de organieke wetten wordt bepaald dat slechts
tot de oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke vormen als stichtingen
wordt besloten indien dat in het bijzonder aangewezen moet
worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen
openbaar belang (bijvoorbeeld artikel 160, tweede lid, van de Gemeentewet).
Hieruit wordt duidelijk dat het behartigen van openbare belangen bij
voorkeur langs de publiekrechtelijke weg geschiedt. Het
onderhavige wetsvoorstel wil hieraan niet afdoen. Ratio achter de bedoelde
bepaling is dat in de organieke wetten en in de Wet gemeenschappelijke
regelingen waarborgen zijn opgenomen voor het gebruik van bevoegdheden,
besluitvormingsstructuren, beïnvloedingsmogelijkheden, toezicht en democratische
controle.
Alleen wanneer de
overtuiging zou bestaan dat het bij een gezamenlijke ombudsinstantie altijd
moet gaan om een publiekrechtelijke samenwerkingsvorm
- en
de hierboven genoemde algemene bepaling voor dit geval dus niet
ver genoeg zou gaan - ligt een expliciete verplichting tot samenwerking in
Wgr-verband in de rede. Daar valt op zich wel iets voor te zeggen. Het
gaat bij een ombudsvoorziening bij uitstek om een publiek instituut. Zo
is ook geredeneerd bij de figuur van de gemeenschappelijke lokale rekenkamer.
Daarbij bleek echter dat de Wgr niet is toegespitst op een
onafhankelijk orgaan als de rekenkamer. De Wgr
beschermt juist de
controle op en het afleggen van verantwoording door openbare lichamen en
gemeenschappelijke organen, terwijl dergelijke controle en
verantwoording in strijd zijn met de beoogde onafhankelijke positie van de rekenkamer
ten opzichte van de gemeentelijke bestuursorganen. Daarom is voor de
gemeenschappelijke rekenkamer weliswaar voorgeschreven dat deze
in Wgr-verband moet worden vormgegeven, maar is een flink aantal
artikelen van de Wgr buiten toepassing verklaard.
De positie van een
ombudsman of ombudscommissie is in grote mate vergelijkbaar met die van
de rekenkamer. Ook bij een ombudsvoorziening gaat het immers om een
orgaan dat onafhankelijk is ten opzichte van de bestuursorganen waarover
de voorziening bevoegd is. Dat betekent dat het verplicht voorschrijven van een
Wgr-constructie voor een gezamenlijke
ombudsman of
ombudscommissie ook in dit geval ten gevolge zou hebben dat veel artikelen
van de Wgr moeten worden uitgezonderd, omdat de Wgr eigenlijk
niet geschikt is voor een onafhankelijk instituut.
rblz.|22|
Een
verschil met de invoering van de wettelijke bepalingen over de lokale rekenkamer is dat op het
gebied van externe klachtvoorzieningen al veel initiatieven zijn genomen
of gaande zijn. Zoals reeds eerder aangegeven, is er geen sprake van een
"nulsituatie". Sommige van de initiatieven dateren al van jaren geleden (bijvoorbeeld de ombudsmannen in de grote
steden), andere zijn tot
stand gekomen na aanmoediging door de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten
en het ministerie van BZK. Dit geldt ook voor een aantal
gezamenlijke externe klachtvoorzieningen. Het gaat hier in feite om decentrale
overheden die een soort voortrekkersrol hebben vervuld, dat wil zeggen
vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voor een goed kwalitatief bestuur
een externe klachtvoorziening hebben opgericht, zonder dat daartoe een
wettelijke verplichting bestond. Het scala is divers. Waar het gaat om
samenwerkingsvormen komen gemeenschappelijke regelingen voor, maar ook
overeenkomsten met buurgemeenten (bijvoorbeeld Almere-Amsterdam) en
stichtingen (bijvoorbeeld in de provincies Zeeland en Overijssel).
In zijn advies op het voorontwerp extern klachtrecht heeft de VNG
ervoor
gepleit deze mogelijkheden te laten bestaan. Het kiezen voor een
andere juridische basis dan het volgen van een Wgr-constructie behoeft
geen afbreuk te doen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de
ombudsvoorziening.¹ Wij delen de opvatting van de VNG op dit punt.
Daarom willen wij andere vormen dan een Wgr-constructie niet op
voorhand voor de toekomst uitsluiten. Niet de vorm als zodanig, maar de
waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de voorziening staan
voorop. Wanneer voor een privaatrechtelijke vorm is gekozen, gaan wij
ervan uit dat de betreffende overheden daarvoor een goede reden
hebben. Wanneer overheden voor hun gezamenlijke ombudsman of
ombudscommissie kiezen voor een Wgr-constructie, is in
het wetsvoorstel bepaald dat de bepalingen van de Wet
gemeenschappelijke regelingen slechts van toepassing zijn voor zover de aard van de aan
de ombudsman of ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet
verzet.
1. Brief van de VNG
aan de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 27 juni 2001.
6.2.3. De Wet
gemeenschappelijke regelingen
Er moet ook kunnen worden
geklaagd over bestuursorganen van gemeenschappelijke regelingen. Bij regelingen op grond van het eerste lid van
artikel 8 [van de Wgr, red.] valt te denken
aan uitvoerende taken van veelal uiteenlopende aard, zoals bijvoorbeeld
intergemeentelijke milieudiensten, geneeskundige diensten, recreatieschappen en intergemeentelijke sociale diensten.
Bij gemeenschappelijke
organen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
van de Wgr
kan worden gedacht aan intergemeentelijke overleg- en
adviesorganen, bijvoorbeeld op het terrein van welzijn en volkshuisvesting. Verder
biedt artikel 8, derde lid, van de Wgr
de mogelijkheid van het aanwijzen van een
centrumgemeente. In de praktijk laten randgemeenten de
uitoefening van bepaalde (grootschalige), meestal uitvoerende taken, zoals
het ophalen van huisvuil, soms over aan de grotere kerngemeente. Het
is van belang hierbij in het oog te houden dat de uitoefening van
bevoegdheden in dat geval plaatsvindt op naam en onder
verantwoordelijkheid van het orgaan dat de uitoefening heeft
overgedragen. Eventuele klachten in het
kader van het intern klachtrecht moeten dan ook op grond
van artikel 9:2 door dat bestuursorgaan worden afgehandeld. Daaruit
volgt dat de ombudsman van de eigen gemeente aangewezen is de externe
klachtbehandeling voor zijn rekening te nemen. Voor de goede orde merken
wij op dat de hier weergegeven voorbeelden weliswaar gaan over gemeenschappelijke regelingen aangegaan door
gemeenten, maar dat
gemeenschappelijke regelingen ook kunnen worden aangegaan door andere
(decentrale) overheden. Zo zijn er regelingen waarbij door waterschappen een gemeenschappelijk belastingadministratiekantoor
is opgericht. Tevens
bestaat de mogelijkheid dat het rblz.|23|
Rijk deelneemt aan een
gemeenschappelijke regeling met andere overheden. Ook in die gevallen is
een externe klachtvoorziening noodzakelijk.
In het voorgestelde
vierde lid van artikel 10 van de Wgr
wordt bepaald dat een gemeenschappelijke
regeling kan aangeven dat een ombudsman of ombudscommissie van één
van de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling bevoegd is voor
de externe klachtbehandeling. In dat geval moet het bestuur van de
gemeenschappelijke regeling de Nationale ombudsman
hiervan in
kennis stellen. De Nationale ombudsman wordt ook in kennis gesteld van
een eventuele beëindiging van de bevoegdheid van de ombudsvoorziening.
Is er geen sprake van
aansluiting bij een eigen ombudsvoorziening van één van de deelnemers,
dan is op grond van het voorgestelde artikel 1a, onderdeel b, van de
WNo de Nationale ombudsman competent ten aanzien van de
bestuursorganen van de gemeenschappelijke regeling. Anders dan het geval is
voor gemeenten, provincies en waterschappen, geldt voor
gemeenschappelijke regelingen niet de bepaling dat de bevoegdheid van een
decentrale ombudsvoorziening slechts per 1 januari kan beginnen of eindigen.
Het beperken tot die datum achten wij in het geval van
gemeenschappelijke regelingen niet wenselijk, omdat deze regelingen op elk
willekeurig moment van het jaar kunnen aanvangen. Het is de bedoeling dat zij
bij aanvang meteen kunnen beschikken over de externe klachtvoorziening
van hun voorkeur. Indien de voorkeur bestaat om aan te sluiten bij een
eigen ombudsvoorziening van één van deelnemers maar dit pas per 1
januari mogelijk zou zijn, zou voor de - relatief korte - tussenliggende
periode de bevoegdheid van de Nationale ombudsman gelden. Alweer
na een paar maanden zou de competentie om klachten over bestuursorganen van de gemeenschappelijke regeling
te behandelen, overgaan
naar de eigen ombudsvoorziening van één van de deelnemers. Dit zou de
duidelijkheid niet ten goede komen. Daarom is ervoor gekozen het
instellen of beëindigen van de aansluiting bij een eigen ombudsvoorziening
van één van de deelnemers niet op een bepaalde datum te
fixeren.
7. Overige onderwerpen
7.1. Bestuurslasten
Bij de voorbereiding van
het wetsvoorstel hebben wij ons ook gebogen over de vraag wat de
gevolgen zijn van het formuleren van de eisen die aan een externe
klachtvoorziening moeten worden gesteld voor de uitvoeringslasten van het
openbaar bestuur. De bestuurslasten zullen naar verwachting in het
algemeen vergelijkbaar zijn met de lasten die verbonden zijn aan het
voeren van bezwaarschriftenprocedures. Voor zover er sprake is van
kosten komen deze voort uit de wijze waarop de externe klachtvoorziening
organisatorisch wordt vormgegeven. Daarnaast zijn er de kosten die de
burger moet maken om een verzoek bij de ombudsman in te dienen.
Deze laatste zullen gelet op de eenvoudige wijze van indienen van het verzoek en het feit dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging
is gering zijn.
De hoogte van de
eventuele extra kosten van de organisatorische inbedding die uit dit wetsvoorstel
voortvloeien, zijn afhankelijk van de vraag of het desbetreffende
overheidsorgaan reeds over een eigen externe klachtvoorziening beschikt, en zo ja, in
welke vorm. Voor de provincies en waterschappen en voor de
gemeenten die
reeds bij de Nationale ombudsman waren aangesloten,
verandert er niets. Ook voor de overheden die op decentraal niveau reeds
over een eigen externe klachtvoorziening beschikken, zal de uniformering van de vereisten en de verplichting tot het
voorzien in een externe
klachtvoorziening nauwelijks of geen financiële rblz.|24|
gevolgen meebrengen. Uit
onderzoek van de VNG blijkt dat de meerderheid van de gemeenten al een
externe klachtvoorziening heeft, deels via aansluiting bij de
Nationale ombudsman, deels via een eigen ombudsvoorziening. Daar
waar aanvullende voorzieningen nodig zijn voor gemeenschappelijke
regelingen zullen deze desgewenst kunnen aansluiten bij bestaande
klachtinstanties.
Een precieze raming van
de kosten die verbonden zijn aan een externe klachtvoorziening is
niet te geven. Uit onderzoek ¹ is gebleken dat deze kosten sterk uiteenlopen.
De kosten zijn veelal niet rechtstreeks herkenbaar. Gemeenten die een
afzonderlijk instituut hebben ingesteld, zoals de gemeente Rotterdam, hebben wel een helder beeld. Zo blijkt uit het Jaarverslag
1999 van de Gemeentelijke
ombudsman Rotterdam dat de totale kosten van het instituut
omgerekend per inwoner van de gemeente zo’n ƒ1,60
bedroegen.² Voor
gemeenten zullen de kosten vermoedelijk niet een bedrag van
€|1,- per
inwoner overschrijden. Vaak zal dat lager zijn. Voor provincies, waterschappen
en gemeenschappelijke regelingen zullen de kosten naar mijn oordeel
vermoedelijk lager kunnen zijn.
1. Zie "Extern
klachtrecht voor gemeenten, de stand van zaken",
SGBO, Onderzoeks- en Adviesbureau van de
VNG,
december 2000, blz. 12.
2. Verslag van
werkzaamheden 1999, Gemeentelijke ombudsman Rotterdam, november 2000, blz. 51.
De
VNG doet in haar
reactie op het voorontwerp extern klachtrecht een beroep op artikel 2 van
de Financiële-verhoudingswet, artikel 108 van de
Gemeentewet en de
afspraken die in het kader van het bestuursakkoord zijn gemaakt. De VNG
concludeert dat sprake moet zijn van een adequate vergoeding om de taken
die uit de Wet extern klachtrecht zullen
voortvloeien uit te voeren.¹
1. Brief van de VNG aan de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 27 juni 2001.
Artikel 108, derde lid,
van de Gemeentewet stelt dat de kosten die verbonden zijn aan de
uitvoering van medebewindstaken, voor zover zij ten laste van de
betrokken gemeenten blijven, door het Rijk aan het
[hen, red.] worden vergoed. Wij zijn
echter van mening dat het voorzien in een externe klachtvoorziening
geen medebewindstaak is. Dit wetsvoorstel stelt regels die de
kwaliteit van het bestuur beogen te verbeteren. Op grond van artikel 2 van
de Financiële-verhoudingswet
dienen evenwel de financiële gevolgen van
beleidsvoornemens van het Rijk die leiden tot een wijziging van de
uitoefening van taken of activiteiten door provincies of
gemeenten onder ogen te
worden gezien. Aangegeven moet worden via welke bekostigingswijze
de financiële gevolgen voor de provincies of gemeenten kunnen worden
opgevangen.
Bekostiging uit eigen
inkomsten is naar ons oordeel niet passend: het heffen van een retributie
(tarief) zou een ongewenste drempel oproepen. Bekostiging door
verhoging van de lokale belastingen is strijdig met de wens van het kabinet om
de lokale lasten niet te verhogen. Resteert derhalve bekostiging door
de algemene uitkering.
De eerste vraag is dan of
aanpassing van de verdeling in de rede ligt. Naar ons oordeel is dat niet
nodig. Overwegingen daarbij zijn de geringe hoogte van de
veronderstelde kosten (niet meer dan €|1,-
per inwoner) en de recente herijking van
het gemeentefonds, met name het cluster bestuursorganen. Daarbij
is overigens niet gebleken dat het al dan niet hebben van een externe
klachtvoorziening tot een waarneembaar kostenverschil leidde. Dit bevestigt
onze veronderstelling over de lage kosten. Vervolgens is de vraag
aan de orde of daarvoor compensatie in het gemeentefonds voor de
hand liggend is. Artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet
verplicht daartoe niet.
De verplichting tot compensatie heeft alleen betrekking
op taken in medebewind.
Wij zien geen aanleiding
om, gezien de ontwikkeling van het gemeentefonds als gevolg van de
normering en de hoogte van de totale verwachte kosten (maximaal
€|16 mln), tot een aanvullende verhoging van het
gemeentefonds over te
gaan. Hetzelfde geldt voor het provinciefonds. Wij menen dat deze conclusie
niet ingaat tegen hetgeen in het kader van het bestuursakkoord is
afgesproken.
rblz.|25|
De
waterschappen zullen de kosten kunnen bestrijden uit de opbrengst van eigen heffingen. Voor
de gemeenschappelijke regelingen zullen de kosten gevolgen kunnen
hebben voor de hoogte van de bijdragen van de deelnemers.
7.2. Inwerkingtreding
Artikel X regelt de
inwerkingtreding van deze wet. De wet treedt op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip in werking, waarbij voor een aantal artikelen en onderdelen
een ander tijdstip kan worden vastgesteld. Van belang is dat decentrale
overheden voldoende gelegenheid krijgen om in te spelen op de vereisten
die aan de externe klachtvoorziening worden gesteld en een besluit
kunnen nemen, al dan niet in overleg met andere decentrale overheden,
over de wijze waarop zij in een externe klachtvoorziening willen voorzien.
Wij menen dat het
redelijk is om de decentrale overheden één jaar de tijd te geven om te gaan
beschikken over een externe klachtvoorziening of hun eventueel bestaande
externe klachtvoorziening aan te passen aan de eisen van de wet. Andere
onderdelen van de wet kunnen wel vrijwel meteen nadat het voorstel
kracht van wet heeft gekregen in werking treden.
Artikelsgewijs
Artikel I
(wijziging van
de Algemene wet bestuursrecht)
A
Ingevolge
artikel 1:1
tweede lid, onderdeel f, van de Awb worden de
Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen niet aangemerkt als
bestuursorgaan. In de
memorie van toelichting bij de eerste tranche van de Awb
is reeds
stilgestaan bij de reden voor deze uitzondering.¹ Door het voorgestelde artikel I,
onderdeel A, wordt bewerkstelligd dat de lokale ombudsmannen en
ombudscommissies eveneens worden uitgezonderd van het begrip "bestuursorgaan". Voor zover ombudsmannen of ombudscommissies besluiten
nemen of
handelingen verrichten jegens de ambtenaren die hen ondersteunen,
worden zij, ingevolge artikel 1:1, derde lid, uiteraard wel als
bestuursorgaan aangemerkt.
1. Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 29
e.v.
B en
C
Door invoeging van de
bepalingen over het externe klachtrecht is een wijziging van de indeling
van hoofdstuk 9 noodzakelijk. Daartoe worden de
artikelen 9:1 tot en
met 9:16 in een nieuwe titel, Interne klachtbehandeling door een bestuursorgaan,
geplaatst.
De nieuwe indeling brengt
ook een vernummering mee van de bestaande afdelingen
9.1, 9.2 en 9.3.
D
Tijdens de behandeling
van het Jaarverslag 1999 van de Nationale ombudsman
is de wens naar
voren gekomen om ook voor het klachtrecht een algemene
rechtsgangverwijzing in de Awb op te nemen. Daarbij werd gewezen op het feit dat
het bestuursorgaan niet in alle gevallen toekomt aan een situatie waarop
artikel 9:12 ziet, te weten het na een onderzoek aan de klager meedelen
van de bevindingen en conclusies en het vervolgens wijzen op de externe
klachtmogelijkheid. Dit blijft achterwege als het bestuursorgaan de klacht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Denkbaar is dat dit oordeel achteraf
onjuist blijkt te zijn en de vraag is of ook in zo’n rblz.|26|
geval niet gewezen zou
moeten worden op de externe klachtvoorziening, zo viel in de Kamer te
beluisteren.¹
1. Handelingen II, 1999-2000, nr. 101, blz. 6567.
Daarom wordt voorgesteld
om aan artikel 9:8, derde lid, een tweede volzin toe te voegen waarin de
bepaling van artikel 9:12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing wordt
verklaard. Dit brengt mee dat wanneer het bestuursorgaan de klager
in kennis stelt van het feit dat zijn klacht niet in behandeling wordt
genomen, hij daarbij tevens gewezen wordt op de klachtmogelijkheid bij
een ombudsman.
E
Nu door een wettelijke
verplichting een landelijk dekkend stelsel van externe
klachtvoorzieningen wordt gecreëerd, moet het tweede lid van artikel 9:12 worden
aangepast. Bij de beslissing op de klacht in de interne klachtprocedure moet
worden vermeld bij welke ombudsman de klager vervolgens terecht kan en binnen welke termijn. Verder is de zinsnede
"een persoon of college,
aangewezen om klachten over het bestuursorgaan te behandelen" vervangen
door: een ombudsman. Zo wordt aangesloten bij de nieuwe definitiebepaling
(artikel 9:17).
F
Artikel 9:17
Artikel 9:17 bevat de
definitiebepaling van het begrip "ombudsman" en onderscheidt de twee
vormen van externe klachtbehandeling. Onder ombudsman wordt verstaan
de Nationale ombudsman of een ombudsman of
ombudscommissie ingesteld krachtens de Gemeentewet, de
Provinciewet, de Waterschapswet
of de Wet
gemeenschappelijke regelingen. Langs deze weg wordt
vastgelegd dat onder "ombudsman" alleen die klachtinstanties
worden verstaan die voldoen aan de vereisten zoals die in titel 9.2 van de
Awb en in de drie eerstgenoemde wetten zijn opgenomen. Door te bepalen dat die
andere klachtinstantie moet zijn aangewezen krachtens de wet in
formele zin mag ervan worden uitgegaan dat er alleen ombudsmannen in de zin van de
Awb kunnen bestaan waarvoor
een basis in de wet is
neergelegd. Overigens blijft de reikwijdte van deze definitie niet beperkt
tot de Awb. Wanneer dit begrip elders in de wetgeving in materiële zin wordt
gebruikt, mag worden verondersteld dat dit gebeurt in de betekenis
die de Awb daaraan geeft. Het is in principe niet de bedoeling dat in een
andere regeling het begrip "ombudsman" in een van de Awb afwijkende
betekenis wordt gebezigd.
Artikel 9:18
In dit artikel wordt het
recht van een ieder vastgelegd om bij een ombudsman een verzoek in
te dienen om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een
bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen. Deze
bepaling is overgenomen uit de WNo
(artikel 12, eerste lid (oud)). Zij
ziet in dit wetsvoorstel op zowel de Nationale ombudsman
als op de
lokale ombudsman. De klacht die bij een ombudsman wordt
ingediend, moet gaan over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in
een bepaalde aangelegenheid jegens de verzoeker of een ander heeft
gedragen. Onder een dergelijke aangelegenheid wordt tevens begrepen de wijze
waarop de interne klachtbehandeling door het bestuursorgaan op grond
van titel 9.1 heeft plaatsgevonden. Voor de volledigheid wijzen wij
erop dat een gedraging ook een nalaten kan zijn. Evenals in artikel 12,
eerste lid, van de WNo
(oud) ziet "hem of een ander" op natuurlijke personen
of rechtspersonen.
Het tweede lid van dit
artikel bepaalt dat verzoekschriften die bij een onbevoegde rblz.|27|
ombudsman worden
ingediend door deze worden doorgezonden aan de klachtinstantie
die wel bevoegd is. Aansluitend regelt het derde lid dat in het verkeer met
een ombudsman vertegenwoordiging en bijstand mogelijk is.
Vertegenwoordiging is uiteraard niet mogelijk wanneer de ombudsman de persoonlijke
verschijning heeft gelast.
In het derde lid is een
soortgelijke bepaling als artikel 12, vijfde lid, van de WNo
(oud) opgenomen.
Tegenover het recht van een ieder om bij de ombudsman een verzoek in
te dienen, staat de plicht van de ombudsman om aan dat verzoek gevolg
te geven, tenzij een onbevoegdheidsgrond aan de orde is (artikel
9:22)
of de ombudsman volgens artikel 9:23 of 9:24 wel bevoegd maar niet
verplicht is een verzoek te behandelen.
Artikel 9:19
In artikel 13 van de
WNo (oud) is een uitgebreide doorzendregeling getroffen voor gevallen
waarin naar het oordeel van de Nationale ombudsman
tegen de in het
verzoekschrift bedoelde gedraging een - in de terminologie van de WNo
(oud) - wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat.
Deze bepaling kan in vereenvoudigde vorm worden overgebracht
naar de Awb. Van belang bij deze doorzendplicht is dat in verband met
eventuele ontvankelijkheidsvragen het tijdstip van ontvangst bij de ombudsman wordt vastgelegd. Voor de toepassing
van de regeling waarop de
openstaande voorziening berust, geldt daarom het tijdstip waarop het
verzoekschrift door de ombudsman is ontvangen als het tijdstip waarop
de zaak bij de in die regeling bedoelde instantie aanhangig is gemaakt.
Voorgesteld wordt artikel 6:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing te verklaren.
Overigens is deze bepaling aangepast door middel van de Eerste
evaluatiewet Awb.¹ Voor de vraag hoe verder moet worden
omgegaan met het geschrift (bijvoorbeeld vanwege de vereisten waaraan het
geschrift moet voldoen) door de instantie waarnaar het door de ombudsman is
toegezonden, geldt artikel 6:15, derde lid. In de nieuwe redactie
luidt deze regeling als volgt: het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan
is bepalend voor de vraag of het bezwaar of beroepschrift tijdig is
ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
1. Stb. 2002,
53.
Artikel 9:20
Het in dit artikel
neergelegde kenbaarheidsvereiste is gelijk aan dat van artikel 12, tweede lid,
van de WNo (oud). De klachtinstantie kan een verzoeker die niet in
staat is aan dit vereiste te voldoen naar een instantie (bijvoorbeeld een
Bureau Sociaal Raadslieden) verwijzen die de klager bij het indienen van zijn
klacht of het op schrift stellen daarvan behulpzaam kan zijn. Als het verzoek
uitsluitend gericht is tegen de wijze waarop het bestuursorgaan intern de
klacht heeft behandeld, is het niet nodig daarover eerst een klacht bij het
bestuursorgaan in te dienen. Het tweede lid ontslaat de verzoeker in
dat geval van de verplichting om zich eerst tot het bestuursorgaan te wenden.
Artikel 9:21
Dit artikel verklaart
hoofdstuk 2 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het verkeer met de
ombudsman, met uitzondering van artikel 2:3, eerste lid. Het van
overeenkomstige toepassing verklaren is noodzakelijk, omdat hoofdstuk 2 niet
vanzelf geldt voor de ombudsman aangezien hij geen bestuursorgaan is.
Bijna alle bepalingen van
afdeling 2.1 waren in het voorontwerp reeds afzonderlijk van
overeenkomstige toepassing verklaard op het verkeer met de ombudsman. Nu wordt de
toepasselijkheid van deze bepalingen in één keer in artikel 9:21
geregeld. Om wetssystematische redenen verdient dit rblz.|28|
de voorkeur. Alleen
artikel 2:3, eerste lid, wordt niet van overeenkomstige toepassing verklaard
(doorzendverplichting wanneer kennelijk een (ander) bestuursorgaan bevoegd
is), omdat dit wetsvoorstel zelf al een voorziening geeft voor de situatie
waarin voor de verzoeker de mogelijkheid van bezwaar, beroep of beklag
openstaat. In dat geval wijst de ombudsman de verzoeker op die
mogelijkheid, maar hij draagt het geschrift slechts aan de bevoegde instantie over
als de verzoeker dat wenst.
Afdeling 2.2 betreft het
gebruik van de taal, waaronder de Friese taal, in het bestuurlijk verkeer.
Het ligt in de rede dat deze bepalingen ook voor het verkeer met de
ombudsman gelden.
De in het voorstel van Wet
elektronisch bestuurlijk verkeer ¹ voorgestelde afdeling 2.3 geeft
bepalingen voor het verkeer langs elektronische weg. Voorgesteld wordt om ook
deze bepalingen van overeenkomstige toepassing te verklaren op het
verkeer met de ombudsman. Het per e-mail indienen van
verzoekschriften is mogelijk als de ombudsman kenbaar heeft gemaakt dat hij die
weg heeft geopend.
1. Kamerstukken 2001-2002,
28 483, nrs. 1-2.
Artikel 9:22
Artikel 9:22 regelt de (on)bevoegdheid
van de ombudsman. Dit artikel is geënt op artikel 16 van
de WNo (oud), zij het dat één onbevoegdheidsgrond uit dat artikel hier niet
is overgenomen. Het gaat hier om het voormalige onderdeel f:
aangelegenheden betreffende belastingen en andere heffingen indien tegen
de gedraging bezwaar kon worden gemaakt, beroep kon worden
ingesteld of beklag kon worden gedaan. In zijn schriftelijk commentaar op het
voorontwerp heeft de Nationale ombudsman geadviseerd deze grond te
schrappen.
Sinds de intrekking van
de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het van toepassing
worden van het uniforme Awb-procesrecht voor de
fiscus lijkt een
afwijkende regeling voor de fiscus van de bevoegdheid van de
ombudsman niet langer voor de hand te liggen. Gevallen als bedoeld in
artikel 16, onderdeel f, van de WNo
(oud) komen volgens het wetsvoorstel
te vallen onder artikel 9:23, onderdeel e.
Artikel 9:23 (zie hierna
toegelicht) bepaalt wanneer de ombudsman wel bevoegd maar niet verplicht is om
een gedraging te onderzoeken. De Nationale ombudsman maakt van zijn
bevoegdheid op grond van artikel 9:23, onderdeel
e (artikel 14, onderdeel g, van de WNo
(oud)), in beginsel alleen gebruik als het
betreffende bestuursorgaan heeft verzuimd om de belanghebbende te wijzen op het
rechtsmiddel dat voor hem openstaat. Dat verzuim komt de Nationale
ombudsman niet vaak tegen en al zeker niet snel bij stukken van de belastingdienst. Mede dankzij de geautomatiseerde werkprocessen is de
rechtsmiddelverwijzing onder besluiten van de belastingdienst goed
op orde. In de praktijk zal dit onderdeel van het wetsvoorstel dan ook
niet leiden tot een bevoegdheidsuitbreiding van de ombudsman ten aanzien
van belastingaangelegenheden. Overigens geldt dat de ombudsman
een verzoekschrift overdraagt aan de bevoegde instantie indien tegen de
in het verzoekschrift bedoelde gedraging de mogelijkheid van beklag,
bezwaar of beroep openstaat en de verzoeker hiervan gebruik wenst te
maken. Dit is bepaald in artikel 9:19.
Ten slotte geldt in het
algemeen dat een externe klachtprocedure niet moet worden gebruikt om
wettelijke termijnbepalingen te ontlopen die gelden voor het indienen
van een bezwaar- of beroepschrift of het doen van beklag.
Onderdeel
a
Onderdeel
a van artikel
9:22 betreft de onbevoegdheid een onderzoek in te stellen of voort te
zetten naar een klacht over een aangelegenheid die behoort tot het algemeen
regeringsbeleid, daaronder begrepen het algemeen beleid ter handhaving van
de rechtsorde, of tot het algemeen beleid rblz.|29|
van het betrokken
bestuursorgaan. Op grond van de wetsgeschiedenis interpreteert de Nationale ombudsman
deze bepaling aldus dat hij zich ten aanzien van de
rijksoverheid in beginsel alleen dan onbevoegd acht in geval van algemeen
beleid wanneer het gaat om algemeen regeringsbeleid. Dat wil zeggen beleid dat
- kort gezegd - onderwerp is geweest van beraadslaging in de
ministerraad en waarover de Tweede Kamer zich heeft kunnen uiten. Deze
interpretatie is in overeenstemming met de ratio van deze bepaling,
namelijk dat de Nationale ombudsman zich niet te veel op het terrein van het
parlement moet bewegen.¹ Wanneer een individuele minister zich beroept op
door hem eigenstandig vastgesteld algemeen beleid, wordt dat over
het algemeen dan ook niet gehonoreerd. Voor zelfstandige
bestuursorganen en decentrale overheden die tot de competentie van de
Nationale ombudsman behoren, wordt, mutatis mutandis, een zoveel
mogelijk vergelijkbare lijn gevolgd.
1. Kamerstukken II 1976-1977, 14 178,
nrs. 1-3, blz. 27.
Onderdeel
c
Wanneer tegen een
gedraging beklag kan worden gedaan, bezwaar of beroep kan worden
ingesteld of wanneer een beklag-, bezwaar- of beroepsprocedure
aanhangig is, is de ombudsman onbevoegd een klacht tegen de betreffende
gedraging in behandeling te nemen. Dit is alleen anders indien er sprake
is van het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan.
De gemeentelijke
ombudsinstanties en de Nationale ombudsman hebben in hun commentaar op het
voorontwerp gewezen op de goede ervaringen die gemeentelijke
ombudsinstanties tot nu toe hebben opgedaan met het - in gevallen die zich
daarvoor lenen - interveniëren in een periode waarin verzoeker ook bezwaar kan
maken of beroep kan instellen (of dit gedaan heeft). In de regel
levert in die gevallen een interventie door de gemeentelijke ombudsman voor alle
betrokkenen een bevredigend resultaat op: het probleem van de verzoeker
wordt opgelost met als gevolg dat hij geen behoefte meer heeft aan
het doorlopen van de bezwaar- of beroepsprocedure. Deze methode werkt dus
dejuridiserend. Om deze praktijk niet te blokkeren, hebben de
gemeentelijke ombudsinstanties geadviseerd - daarin gesteund door de
Nationale ombudsman - de ombudsman voor dit soort situaties niet
wettelijk onbevoegd te verklaren. Onderdeel c zou volgens hen beter kunnen
worden ondergebracht in artikel 9:21, waarin wordt bepaald wanneer een
ombudsman wel bevoegd maar niet verplicht is een gedraging te
onderzoeken.
Uit een oogpunt van
dejuridisering vinden wij de methode die de gemeentelijke
ombudsinstanties volgen zeer aantrekkelijk, maar wij menen dat de implicaties
van hun advies nader bezien zouden moeten worden. Indien de
ombudsman volgens dit wetsvoorstel in zijn algemeenheid bevoegd zou worden om in
lopende of mogelijke beklag-, bezwaar- of beroepsprocedures te
interveniëren, moet ervoor worden gewaakt dat de ombudsman deze
procedures niet op ongewenste wijze doorkruist. Wij zijn daarom thans niet
overgegaan tot het opvolgen van het advies van de gemeentelijke
ombudsinstanties en de Nationale ombudsman, maar zullen naar de voor- en
nadelen ervan nog nader onderzoek doen.
Onderdeel
e
Zoals indertijd bij de
totstandkoming van de WNo
is bedoeld en ook in de praktijk van de Nationale ombudsman
wordt uitgelegd, moet in onderdeel e onder "een andere
rechterlijke instantie" uitsluitend de Nederlandse rechter worden verstaan
en niet een internationale rechter. Verder wordt een onderscheid gemaakt
tussen de administratieve rechter (waartoe in de zin van artikel 1:4
van de Awb ook de belastingrechter behoort) enerzijds en bijvoorbeeld de
civiele rechter of de strafrechter anderzijds. De ombudsman is onbevoegd
een onderzoek in te stellen naar een gedraging rblz.|30|
waarover een
administratieve rechter een uitspraak heeft gedaan. Is een gedraging onderwerp van
een procedure bij één van de andere rechters geweest, dan kan de
ombudsman wel een uitspraak doen, zij het dat hij ingevolge artikel
9:27,
tweede lid, de rechtsgronden waarop die uitspraak (mede) steunt in acht
behoort te nemen. De in artikel 9:22, onderdeel
e, gekozen formulering stemt
overeen met de formulering die gebruikt is in artikel
9:8, eerste lid,
onderdeel e.
Artikel 9:23
Dit artikel regelt dat
een klachtinstantie onder bepaalde omstandigheden niet verplicht maar wel
bevoegd is een onderzoek in te stellen of voort te zetten. Dit artikel is
gebaseerd op artikel 14 van de WNo
(oud). De terminologie is aangepast aan het
vergelijkbare artikel 9:8 van de Awb. In het
algemeen deel van de
toelichting is al uitvoerig op het begrip "beklag" ingegaan.
Onderdeel
e
Met de formulering
"had
kunnen ..." in onderdeel e wordt aangesloten bij de formulering die
gebruikt is in artikel 9:8, eerste lid, onderdeel
c. Het gaat hier om de situatie
waarbij voor de verzoeker de mogelijkheid van bezwaar, beroep of beklag
heeft opengestaan, maar hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft
gemaakt (vergelijk artikel 14, onderdeel g, van de WNo
(oud)).
Onderdeel
g
Anders dan in artikel 14,
onderdeel h, van de WNo
(oud) wordt in het hier voorgestelde onderdeel
g
volstaan met de gekozen, kortere, redactie. Nadere bestudering van de
zinsnede "tenzij van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden gevergd
dat hij de uitkomst van de behandeling van de klacht door het
bestuursorgaan verder afwacht", zoals opgenomen in artikel 14 van de
WNo (oud), heeft geleerd dat deze uitzondering zich moeilijk verhoudt met de
in het eerste deel van de bepaling beoogde situatie en aanleiding
tot verwarring kan geven. Bedoeld is aan te geven dat de ombudsman niet
verplicht is een onderzoek aan te vangen of voort te zetten als de
verzoeker niet eerst een klacht heeft ingediend bij het bestuursorgaan
(kenbaarheidsvereiste). Zolang verzoeker nog geen klacht heeft ingediend, kan hij
echter evenmin de afhandeling daarvan afwachten. Als wel een
klacht is ingediend maar de behandeling daarvan onvoldoende voortvarend
plaatsvindt of wanneer om andere reden niet gevergd kan worden dat
betrokkene nog langer wacht, biedt de voorgestelde regeling voldoende ruimte
voor de ombudsman om een verzoek in behandeling te nemen (zie
ook hierna bij onderdeel k).
Onderdeel
k
Onderdeel
k ziet op de
interventiemethode, die steeds vaker door de Nationale ombudsman
(en
andere klachtinstanties) wordt gebruikt (zie bijvoorbeeld Jaarverslag
1997, blz. 31, en Gemeentelijke ombudsman Rotterdam, Verslag van werkzaamheden
1997/1998, blz. 13).
Als de Nationale
ombudsman besluit om naar aanleiding van een verzoekschrift een onderzoek in te
stellen, kan hij dat op twee manieren doen. In de eerste plaats kan hij
onderzoek doen naar de feitelijke toedracht van de gedragingen van het
bestuursorgaan en de bevindingen en aanbevelingen vastleggen in een
rapport. In de tweede plaats kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde
interventiemethode. Deze methode wordt vooral gevolgd voor die
zaken waarin de klager een direct belang heeft bij een snelle tussenkomst
van de Nationale ombudsman, gericht op het rblz.|31|
wegnemen van het probleem
dat aanleiding was voor de klacht, en waarin de verwachting
bestaat dat zo’n tussenkomst effectief zal kunnen zijn. Vaak leidt dit tot
een snelle oplossing en is het niet meer noodzakelijk een rapport uit te
brengen, nu de verzoeker reeds tevreden is gesteld. Interventie kan alleen
aan de orde komen als de klachtinstantie bevoegd is de gedraging te
onderzoeken en de klager in beginsel ontvankelijk is in zijn verzoek (vgl.
Jaarverslag 1994 van de Nationale ombudsman, blz. 51). Het is de eigen
verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om al dan niet aan een interventie
mee te werken. Is het niet bereid tot medewerking (en is de interventie dus
mislukt), dan zal het onderzoek moeten worden voortgezet en rapport
moeten worden uitgebracht.
Bij de formulering van
onderdeel l is bewust gekozen voor het begrip "grieven", in plaats
van klacht of verzoek, om aan te geven dat interventie zowel kan plaatsvinden in
de fase dat er nog sprake is van klachtbehandeling bij het bestuursorgaan
(maar deze bijvoorbeeld onvoldoende voortvarend plaatsvindt)
als in de fase dat er een verzoek is gedaan bij de ombudsman.
Een geslaagde interventie
ontslaat de klachtinstantie van de plicht het onderzoek te voltooien en
een rapport uit te brengen. Niettemin zal vermelding - in
geaggregeerde vorm - in het jaarverslag van de Nationale ombudsman plaatsvinden
bij de verslaglegging van de werkzaamheden. Andere ombudsinstanties
kunnen dit in hun verslaglegging eveneens doen. Inzicht in de wijze
waarop het instrument interventie wordt toegepast, biedt het bestuursorgaan
ook informatie voor verbetering van de kwaliteit van het
bestuur.
Onderdeel
l
Van
"beklag" moet
worden onderscheiden de situatie waarbij sprake is van een wettelijk
geregelde klachtvoorziening bij een onafhankelijke klachtinstantie niet
zijnde een ombudsman als bedoeld in dit voorstel. Het gaat dan bijvoorbeeld om
de klachtregeling op grond van artikel 1:239, vijfde lid, BW [Burgerlijk
Wetboek, red.] bij de Raad voor de
Kinderbescherming. Anders dan bij beklag is een dergelijke
uitspraak niet bindend. Om te voorkomen dat, bij gebreke van een met
artikel 14, onderdeel f, van de WNo
(oud) vergelijkbare bepaling, het in
behandeling zijn van een klacht bij een klachtencommissie van de Raad voor de
Kinderbescherming de onderzoeksverplichting van de Nationale ombudsman
niet (tijdelijk) zou opheffen, wordt de bepaling in
onderdeel l voorgesteld.
Artikel 9:24
Dit artikel regelt de
termijnen waarbinnen in beginsel een verzoek tot het instellen van een
onderzoek moet worden gedaan. Deze termijnen gelden zowel een verzoek gericht
aan de Nationale ombudsman als aan een andere externe
klachtvoorziening. In de WNo
wordt in artikel 12, eerste lid (oud), bepaald dat een
ieder het recht heeft de Nationale ombudsman te verzoeken een onderzoek
in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde
aangelegenheid heeft gedragen, tenzij sedertdien meer dan één jaar is
verstreken. Deze bepaling wekt de suggestie dat na dat jaar de ombudsman
niet meer bevoegd zou zijn. Dat is evenwel niet het geval. Deze
bepaling dient slechts als aanknopingspunt voor hetgeen in artikel 14,
aanhef en onder a, van de WNo
(oud) is vastgelegd, namelijk dat de ombudsman
niet langer verplicht is een onderzoek in te stellen of voort te zetten als het verzoekschrift te laat is ingediend.
Nu de
interne
klachtbehandeling in hoofdstuk 9 is vastgelegd en
- een enkele uitzondering
daargelaten - als verplichte voorprocedure wordt doorlopen voordat een
externe klachtvoorziening begonnen kan worden, is bovengenoemde termijn
gekoppeld aan het moment waarop de interne rblz.|32|
klachtprocedure
beëindigd wordt of beëindigd had moeten zijn. Slechts wanneer er geen
voorafgaande interne procedure is geweest, wordt de termijn gekoppeld aan het
moment van de gedraging waartegen de klacht gericht is.
In het eerste lid,
onderdeel b (laatste zinsnede), wordt voorgesteld de termijn vast te stellen
op één jaar nadat de klachtbehandeling beëindigd had moeten zijn. Van de
concrete omstandigheden van het geval zal afhangen of hiervan
gesproken kan worden. Sommige klachten zijn dermate ingewikkeld dat
behandeling niet altijd binnen de in artikel 9:11 genoemde termijn kan
plaatsvinden. Mits de behandeling voortvarend plaatsvindt en de klager
regelmatig van de voortgang op de hoogte wordt gehouden, is dat ook niet
bezwaarlijk. Verwacht mag worden dat de ombudsman bij zijn
beslissing over het al dan niet in behandeling nemen van het verzoek zal
meewegen in hoeverre het aan het bestuursorgaan te wijten is dat verzoeker
in een positie is komen te verkeren waarin zijn verzoek op deze grond
buiten behandeling zou kunnen blijven.
Artikel 9:25
Op grond van de
artikelen 9:22, 9:23 en
9:24 kan de klachtinstantie beslissen geen onderzoek
in te stellen of een reeds gestart onderzoek niet voort te zetten. Het is
voor betrokkenen van belang op korte termijn daarvan in kennis te
worden gesteld. Artikel 9:25 strekt daartoe.
Artikel 9:26
Dit artikel biedt de
ombudsman de mogelijkheid een onderzoek in te stellen ook als er geen
verzoek aan ten grondslag ligt. Bij het regelen van de bevoegdheid van de
klachtinstantie om uit eigen beweging onderzoek in te stellen, heeft
artikel 15 van de WNo
(oud) model gestaan. Met het bepaalde dat artikel 9:22
niet van toepassing mag zijn, is verzekerd dat de ombudsman niet
zelfstandig tot een onderzoek mag overgaan in gevallen waarin hij wegens
bevoegdheidsgebreken als in dat artikel genoemd ook geen onderzoek mag
instellen op basis van een verzoekschrift.
Artikel 9:27
Het toetsingscriterium
van de ombudsman is of het bestuursorgaan zich al dan niet behoorlijk
heeft gedragen. Voor de goede orde wijzen wij erop dat dit oordeel geen
besluit in de zin van de Awb is. Artikel 9:27 regelt verder de bevoegdheid van
een ombudsman om aanbevelingen te doen. De WNo
kende de term "aanbeveling" niet, maar in de rapporten en jaarverslagen van de
Nationale ombudsman wordt hij veelvuldig gebruikt. De klachtinstantie neemt
de rechtsgronden waarop een rechterlijke uitspraak over een
onderzochte gedraging (mede) steunt in acht. Daartoe is in het tweede lid een
bepaling gelijk aan artikel 26, tweede lid, van de WNo
(oud) opgenomen.
Artikel 9:28
Dit artikel bepaalt aan
welke vereisten het verzoekschrift ten minste moet voldoen. Anders dan bij
het intern klachtrecht wordt hier de eis van schriftelijkheid gesteld. In vergelijking
met artikel 9:4 is onderdeel e extra.
Omdat er reeds een
interne klachtprocedure vooraf is gegaan, wordt hier een zwaardere eis aan het
verzoekschrift gesteld dan in die voorafgaande procedure. In het
algemeen deel van de toelichting is er reeds op gewezen dat de
schriftelijkheidseis niet in de weg hoeft te staan aan het nut van inloopspreekuren, waar
een klager mondeling zijn verhaal kan doen. Als klachten die op deze
manier worden geuit vervolgens worden opgetekend, rblz.|33|
is toch aan het
schiftelijkheidsvereiste voldaan en kan de klacht in behandeling worden
genomen.
In het derde lid wordt
vastgelegd dat de ombudsman, voordat hij beslist het onderzoek niet in te
stellen of voort te zetten omdat het verzoekschrift niet aan de gestelde
eisen voldoet, eerst de verzoeker de gelegenheid biedt het verzuim te
herstellen. Allereerst zal de ombudsman zich moeten beraden op de vraag of
het verzuim zodanig is dat hij herstel daarvan noodzakelijk acht voor de
verdere behandeling. Ingevolge artikel 9:23 is de
ombudsman immers niet
verplicht maar wel bevoegd een onderzoek in te stellen of voort te
zetten wanneer niet aan de vereisten van artikel
9:28, eerste en tweede lid, is
voldaan. De ombudsman heeft dus de mogelijkheid om een vormgebrek te
passeren. Alleen indien hij overweegt een onvolledig verzoek niet
in behandeling te nemen omdat niet aan alle vormvereisten is voldaan,
moet hij op grond van het derde lid de verzoeker eerst de
gelegenheid geven het verzuim te herstellen.
Artikel 9:29
Om
partijdigheid of ook
maar de schijn daarvan te voorkomen, moet de ombudsman ervoor waken
dat degenen die meewerken aan de behandeling van het verzoek op
enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij de gedraging waarover
geklaagd wordt. Deze bepaling is vooral van belang als de personele
ondersteuning van de ombudsman tevens werkzaam is bij het bestuursorgaan
waarover de klacht gaat.
Artikel 9:30
Anders dan in
artikel 9:8
is hier wel een bepaling opgenomen over het al dan niet in elkaars
tegenwoordigheid horen. De term "horen" is niet gebruikt, omdat ook
schriftelijk of elektronisch een standpunt kan worden toegelicht. Dit sluit aan
bij het eerste lid van artikel 18 van de WNo
(oud).
Artikel 9:31
In het eerste lid wordt
bepaald dat ook ex-ambtenaren en ex-bestuurders de benodigde inlichtingen
moeten verstrekken en een verschijningsplicht hebben. Volgens
informatie van het Bureau Nationale ombudsman komt het nogal eens voor dat
aan ex-ambtenaren wordt gevraagd om inlichtingen te verstrekken. De
verschijningsplicht geldt niet voor ministers. Daartoe is een
uitzonderingsbepaling opgenomen in artikel 13 van de WNo
(nieuw). Deze
bepaling stemt overeen met artikel 19, tweede lid, van de WNo
(oud).
Het tweede lid van
artikel 9:31 is nagenoeg ongewijzigd overgenomen van artikel 19, derde lid,
van de WNo (oud).
Artikel
9:31, derde lid,
legt de verplichting vast tot het verschaffen van stukken aan de ombudsman.
Deze formulering lijkt beperkter dan de formulering die in
artikel 24, eerste lid, van de WNo
(oud) wordt gehanteerd, maar is dat niet. Het
betreft hier onder meer stukken gebezigd bij de vervulling van de
overheidstaak in de aangelegenheid waarover het onderzoek gaat. De
ombudsman moet niet alleen de stukken over de zaak zelf kunnen krijgen, maar
bijvoorbeeld ook (algemene) achtergrondstukken, beleidsdocumenten en
stukken over vergelijkbare gevallen. In dit verband is ook de
verplichting van belang ingevolge het eerste lid van artikel 9:31 om aan de
ombudsman de benodigde inlichtingen te verstrekken. Dat kunnen
dus ook inlichtingen zijn die van meer algemene aard zijn en die inzicht
bieden in het gevoerde beleid tegen de achtergrond waarvan een bepaalde
gedraging kan worden beoordeeld.
rblz.|34|
Het
vierde tot en met zesde lid zijn afgeleid van artikel 8:29 van de Awb.
Anders dan bij dat artikel is
hier niet de bepaling opgenomen dat bij een gerechtvaardigde weigering stukken te
verschaffen onderscheidenlijk inlichtingen te verstrekken de
ombudsman slechts met toestemming van de andere partij zijn oordeel mede
op die stukken of inlichtingen zou mogen baseren (vergelijk artikel
8:29,
vijfde lid). De hoofdregel moet zijn dat het onderzoek transparant is en dat
alle betrokkenen bekend moeten zijn met alle relevante informatie.
Indien echter informatie die geheim moet worden gehouden van belang is
voor de zaak, moet de ombudsman die informatie kunnen betrekken bij zijn
oordeel en op dat punt niet afhankelijk zijn van de instemming van een
betrokkene (die ook een ander kan zijn dan verzoeker). Juist in
zaken waarin geheime informatie een belangrijke rol speelt, zoals
bijvoorbeeld bij de Nationale ombudsman vaak het geval is bij klachten over
inlichtingen- en veiligheidsdiensten of over de Criminele Inlichtingeneenheid
(CIE),
kan de ombudsman, als hij het vertrouwen geniet van de verzoeker,
een zeer zinvolle rol spelen. Hij krijgt in beginsel alle informatie en is
aldus in staat te beoordelen of al dan niet behoorlijk is gehandeld. Zo kan
ondanks de onmogelijkheid om opening van zaken te geven toch een
toetsing van het overheidsoptreden plaatsvinden.
Artikel 9:32
Deze bepaling over het
opdragen van werkzaamheden aan deskundigen en tolken sluit aan bij
de regeling van artikel 20 van de WNo, eerste en tweede lid (oud). Het
derde lid van artikel 20 van de WNo
(oud) ("De tolken en deskundigen zijn
verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun ter zake van hun
dienstverlening ter kennis komt") wordt vervangen door de bepaling in
artikel 9:21
waardoor artikel 2:5 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. In
artikel 22, derde lid, van de WNo
(oud) wordt alleen gesproken over het
"onpartijdig en naar beste weten" vervullen van de opdracht van
deskundigen. Nu wordt dat ook bepaald voor tolken (hetgeen ook in lijn is
met artikel 8:35).
Artikel 9:33
Dit artikel regelt de
vergoeding aan opgeroepen getuigen, deskundigen en tolken. De kosten worden
toegerekend aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort op
wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, indien het gaat om
een decentrale overheid. Betreft het ministers, zelfstandige
bestuursorganen of de politie, dan vindt de vergoeding plaats ten laste van het Rijk.
In het tweede lid worden van vergoeding uitgezonderd de personen in openbare
dienst die zijn opgeroepen in verband met hun taak als zodanig.
Artikel 9:34
Voor het goed
functioneren van een klachtinstantie is van belang dat zij beschikt over de
relevante stukken en dat zo nodig een descente kan plaatsvinden. Dit artikel
voorziet daarin. Aansluiting is gezocht bij artikel 24, eerste lid, van de
WNo (oud). Schriftelijke inlichtingen vallen overigens al onder het bereik van
artikel 9:31.
Voor de formulering van
de uitzondering van de bevoegdheid tot het betreden van woningen is
aangesloten bij artikel 5:15, eerste lid.
Artikel 9:35
De klachtinstantie moet
haar bevindingen schriftelijk meedelen en de betrokkenen de
gelegenheid geven zich te uiten over de bevindingen. Artikel 25 van de WNo
(oud) bevat een vergelijkbare bepaling.
rblz.|35|
Artikel 9:36
Na afsluiting van het
onderzoek moet de klachtinstantie een rapport met haar bevindingen en
oordeel opstellen en ervoor zorg dragen dat dit naar de betrokkenen wordt
verzonden. Artikel 27 van de WNo
(oud) heeft hiermee een plaats
gekregen in de Awb.
In de algemene
toelichting is reeds uitvoerig ingegaan op de motiveringsplicht die wordt voorgesteld in
het tweede lid. Deze bepaling is nieuw in vergelijking met artikel
27 van de WNo (oud). Nieuw is bovendien de verplichting voor het
bestuursorgaan, neergelegd in het vierde lid, om te reageren op een
aanbeveling van de ombudsman.
Artikel
II (wijziging van
de Wet Nationale
ombudsman)
A
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om de indeling van de wet te verbeteren.
B
In het voorgestelde
artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, wordt bepaald dat bestuursorganen van
provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen onder de
competentie van de Nationale ombudsman vallen, tenzij
een eigen ombudsvoorziening is ingesteld. Via deze vangnetvoorziening
wordt een landelijk dekkend stelsel van externe klachtvoorzieningen
bereikt. Voor een uitgebreidere beschouwing zij verwezen naar paragraaf
2.4 van deze toelichting.
C
In het nieuwe artikel
1b
wordt de Nationale ombudsman de administratieve taak gegeven om
decentrale overheden die een eigen ombudsvoorziening hebben ingesteld te
registreren. De registratie wordt openbaar gemaakt, zodat voor een
ieder kenbaar is welke ombudsman ten aanzien van welke bestuursorganen
bevoegd is. Indien de Nationale ombudsman een instellingsbesluit
ontvangt of een besluit waarbij de instelling van een eigen ombudsvoorziening
wordt beëindigd, stuurt hij een ontvangstbevestiging naar de desbetreffende
decentrale overheid.
D
Net als onder het huidige
recht zijn provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke
regelingen die onder de competentie van de Nationale ombudsman
vallen een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding wordt
vastgesteld en geïnd door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Eén en ander is nader uitgewerkt in het Vergoedingenbesluit
Wet Nationale ombudsman.
E
Dit betreft een
taalkundige correctie.
F
Het is reeds praktijk dat
de Nationale ombudsman zijn nevenfuncties openbaar maakt. Deze
verplichting wordt nu wettelijk vastgelegd conform de wettelijke bepalingen
die gelden voor leden van andere Hoge Colleges van Staat (vgl. artikel
7, derde lid, van de Wet
op de Raad van State en artikel 42, vierde lid,
van de Comptabiliteitswet [zie Comptabiliteitswet
2001, red.]).
rblz.|36|
G
Volgens artikel 6 van de
WNo wordt de ombudsman voor de bepalingen van de
Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) gelijkgesteld met een lid van de Tweede
Kamer. Alleen voor de anticumulatiebepalingen geldt gelijkstelling met
een bewindspersoon. Inmiddels zijn de anticumulatiebepalingen in de Appa voor bewindslieden dezelfde als die voor
leden van de Tweede Kamer. Daarmee is de noodzaak vervallen voor opname van
de laatste zinsnede van artikel 6 van de WNo.
H en
I
In het algemeen deel van
de toelichting (paragraaf 5.1) is op de wijziging die
onderdeel H beoogt
reeds ingegaan. De wijziging in onderdeel H,
onder 1, betreft een aanpassing
van de benoemingstermijn van de substituut-ombudsman (artikel 9, tweede lid,
van de WNo). Volgens de oude regeling kan de Tweede Kamer op
verzoek van de nieuw benoemde Nationale ombudsman
de ambtstermijn
van een substituut-ombudsman met ten hoogste zes maanden
verlengen. De nieuwe ombudsman heeft daardoor de gelegenheid om zich
met hulp van de nog zittende substituut-ombudsman te oriënteren op zijn
nieuwe werkzaamheden. In de praktijk bleek deze periode van
zes maanden echter aan de korte kant te zijn. Bovendien geeft de oude
regeling onzekerheid voor zowel de nieuwe ombudsman als voor de
zittende substituut-ombudsman. Van tevoren is immers niet zeker of een
nieuwe ombudsman de Tweede Kamer zal verzoeken om verlenging
van de termijn van de zittende substituut-ombudsman, terwijl laatstgenoemde
niet bij voorbaat weet of de nieuw benoemde ombudsman hem
zal voordragen voor verlenging.
Om redenen van
continuïteit en om de substituut-ombudsman meer zekerheid te verschaffen
over zijn rechtspositie. achten wij het gewenst dat de ambtstermijn van
een substituut-ombudsman wettelijk één jaar naijlt op die van de
Nationale ombudsman.
Onderdeel I bevat een
aanpassing van artikel 10, derde lid, van de WNo
aan deze nieuwe situatie.
Onderdeel H,
onder 2 en 3, betreft een aanpassing van respectievelijk het vierde en het zesde
lid van artikel 9 van de WNo
aan de Awb-bepalingen die in
het
wetsvoorstel worden voorgesteld.
J
Artikelen 12 tot en met
16
De bepalingen van de
artikelen 14, onderdeel e, 19, tweede lid, 24, derde lid, en 28 van de
WNo (oud) hebben een plaats gevonden in de nieuwe artikelen 12 tot en met
16. In artikel 16 is opgenomen dat de ombudsman zijn jaarverslag - en
desgewenst ook zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een
bepaald onderzoek - ook zendt naar de decentrale overheden ten aanzien
waarvan hij bevoegd is en waarover hij verzoekschriften heeft behandeld. Voor het
overige is de redactie van de artikelen 12 tot en met 16 nagenoeg
ongewijzigd gebleven en behoeft hier als zodanig geen nadere
toelichting.
K
Artikel 17
Het betreft
hier een
technische aanpassing aan de huidige situatie.
rblz.|37|
Artikelen 18 en
19
Deze artikelen zijn
toegelicht in het algemeen deel in de paragraaf over het overgangsrecht in de
WNo (paragraaf 5.2).
Artikel 20
De redactie is in
overeenstemming gebracht met de bepalingen in de Aanwijzingen voor de
regelgeving over de citeertitel.
Artikel
III (wijziging
van de Gemeentewet)
A tot en met D
Door de voorgestelde
wijzigingen in de Gemeentewet
waarbij de bepalingen over de gemeentelijke
ombudsman worden ingevoegd, is het noodzakelijk ook op
andere plaatsen in die wet
een aantal technische aanpassingen door te
voeren. Deze aanpassingen beogen onder meer de incompatibiliteiten te
regelen op een wijze die in de Gemeentewet gebruikelijk is. Dit brengt mee dat
aan de opsomming van onverenigbare functies van leden van de raad
(artikel 13), de wethouder (artikel 36b), de burgemeester (artikel 68)
en leden van de rekenkamer (artikel 81f) in de genoemde artikelen de
functie van ombudsman of lid van een ombudscommissie wordt toegevoegd. De
overige wijzigingen zijn het gevolg van de verlettering die de
bedoelde aanpassingen teweegbrengen.
E
Artikel
81p
Met de voorgestelde
wijziging van de Gemeentewet
wordt een nieuw hoofdstuk IVc ingevoegd.
Artikel 81p geeft aan dat een gemeenteraad ervoor kan kiezen om de
externe klachtbehandeling op te dragen aan een ombudsman of
ombudscommissie, al dan niet gezamenlijk met andere decentrale overheden.
Wanneer de raad een eigen voorziening instelt, kan deze slechts per 1
januari van enig jaar ingaan. Een halfjaar van tevoren moet het besluit van
instelling aan de Nationale ombudsman worden gezonden, waarna deze de gemeente
registreert. Ook als een gemeente de instelling van een
eigen ombudsvoorziening beëindigt, kan dit slechts per 1 januari van enig
jaar geschieden en moet de Nationale ombudsman vóór 1 juli daaraan
voorafgaand worden geïnformeerd. De Nationale ombudsman schrapt de
gemeente in geval van beëindiging van de eigen ombudsvoorziening uit de
registratie. De registratie is openbaar (zie het voorgestelde artikel 1b
van de WNo en de toelichting daarop, alsmede de algemene toelichting in
paragraaf 2.4).
Wanneer een gemeente geen
eigen ombudsvoorziening heeft ingesteld, dan geldt op grond van
artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de WNo
dat de Nationale ombudsman
ten aanzien van de bestuursorganen van de betreffende gemeente
bevoegd is.
Artikel
81q
Dit artikel bevat enkele
voorschriften over benoeming en ontslag van leden van de
ombudscommissie die bijdragen aan een onafhankelijke positie van de commissie
ten opzichte van de raad. In paragraaf 3.3.1 en in
hoofdstuk 6 van het
algemeen deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan.
De benoeming vindt plaats
door de raad en geschiedt voor de duur van zes jaar. Tevens benoemt
de raad, met het oog op (langdurige) afwezigheid van de ombudsman, een
plaatsvervanger.
rblz.|38|
De
gronden die gelden voor (tussentijds) ontslag en het op non-activiteit stellen van een
gemeentelijke ombudsman zijn nagenoeg dezelfde gronden als die gelden
voor de Nationale ombudsman. Deze gronden zijn opgesomd in de
WNo. De
raad kan daaraan geen andere gronden toevoegen. Voor wat
betreft de onverenigbaarheid van het ambt van ombudsman met andere
ambten en betrekkingen moet evenwel getoetst worden aan de betreffende
bepaling in de Gemeentewet
(artikel 81r, eerste lid) en niet aan
die in de WNo.
Artikel
81r
In andere artikelen van
de Gemeentewet (zie hiervoor) is al geregeld dat de functie van
gemeentelijke ombudsman onverenigbaar is met die van raadslid, wethouder,
burgemeester of lid van de rekenkamer van de betrokken gemeente.
Daaraan wordt hier een algemene formule toegevoegd die de ombudsman verbiedt
om functies te vervullen die - kort gezegd - twijfel kunnen
wekken over zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Het staat de raad
overigens vrij om krachtens artikel 81q bij verordening een opsomming te geven
van functies die hij in elk geval onverenigbaar acht met de functie van
gemeentelijke ombudsman. Daarboven blijft dan echter steeds het
hier opgenomen algemene verbod van kracht.
Het is gelet op
transparantie en betrouwbaarheid van het bestuur van belang dat andere
functies van een ombudsman of leden van een ombudscommissie openbaar
zijn. Om die reden is in het tweede lid bepaald dat deze functies
openbaar moeten worden gemaakt.
Artikel
81s
Voorafgaand aan de
uitoefening van zijn functie legt de ombudsman de eed of de belofte af in
de raadsvergadering, in handen van de voorzitter van de raad.
Artikel
81t
Dit artikel onderstreept
de onafhankelijke positie die de ombudsman ten opzichte van het bestuur
behoort te hebben. Hij ontvangt van het bestuur geen instructies. Voorts
doet hij zelf een voordracht voor het door hem benodigde personeel,
waarna het college van burgemeester en wethouders benoemt. Voor het
personeel geldt dat het ter zake van de werkzaamheden die het voor de ombudsman
verricht alleen aan hem verantwoording schuldig is.
Artikel
81u
Analoog aan de bepaling
dat de Nationale ombudsman zijn jaarverslag stuurt aan de Tweede
Kamer wordt in artikel 81u bepaald dat de gemeentelijke ombudsman jaarlijks een
verslag van zijn werkzaamheden zendt aan de gemeenteraad.
Artikel
81v
De ombudsman zal
uiteraard niet kunnen functioneren zonder toereikende financiële middelen. Dit
artikel draagt de raad op daarin te voorzien.
Artikelen
81w en
81x
Als de raad kiest voor
het instellen van een gemeentelijke ombudscommissie, dan is dit artikel van
toepassing. Bij verordening moet in dat geval het aantal leden van de
commissie worden geregeld. De leden worden door de raad voor zes
jaar benoemd. Uit de leden benoemt de raad een rblz.|39|
voorzitter en een
plaatsvervangend voorzitter. Voor het overige gelden vergelijkbare
voorschriften als bij een gemeentelijke ombudsman of zijn bepalingen over de
gemeentelijke ombudsman van overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel
81y
In dit artikel wordt
bepaald dat gemeenten ook kunnen kiezen voor een gezamenlijke ombudsman.
Zij kunnen daartoe samenwerken met één of meer andere gemeenten
en/of met provincies, waterschappen of gemeenschappelijke regelingen.
Het tweede en derde lid
zorgen ervoor dat in dat geval de bepalingen uit paragraaf 2 en
3 van
overeenkomstige toepassing zijn op de gezamenlijke ombudsman.
Artikel
81z
Wanneer de raad kiest
voor een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie met
toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr), is een
flink aantal Wgr-bepalingen niet toepasbaar, omdat in de Wgr geen
rekening is gehouden met gemeenschappelijke organen die een
onafhankelijke positie innemen ten opzichte van het bestuur (zie hiervoor ook
het algemeen deel van de toelichting, paragraaf 6.2.3). Het betreft met
name artikelen over controle en verantwoording aan bestuursorganen van
een gemeente, provincie of waterschap. Dit artikel zorgt ervoor
dat de betrokken bepalingen in dat geval buiten toepassing blijven.
Daarmee wordt de mogelijkheid geopend om de Wgr te gebruiken bij het
instellen van een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.
Artikel
IV (wijziging van
de Provinciewet)
Bij de aanpassing van de
Provinciewet is uitgegaan van de tekst van de wet zoals die komt te
luiden na inwerkingtreding van het voorstel van Wet
dualisering provinciebestuur (Kamerstukken II
2001-2002, 28 384, nrs. 1-2). Dat wetsvoorstel is thans
aanhangig bij de Tweede Kamer.
A en
B
Door de voorgestelde
wijzigingen in de Provinciewet
waarbij de bepalingen over de provinciale
ombudsman worden ingevoegd, is het noodzakelijk ook op andere plaatsen in
die wet een aantal technische aanpassingen door te voeren. Deze
aanpassingen beogen onder meer de incompatibiliteiten te
regelen op een wijze die in de Provinciewet gebruikelijk is. Dit brengt mee dat
aan de opsomming van de onverenigbare functies van leden van
provinciale staten (artikel 13) en de commissaris van de Koning (artikel
67) in de genoemde artikelen de functie van provinciale ombudsman of lid van de
provinciale ombudscommissie worden toegevoegd. De overige
wijzigingen zijn het gevolg van de verlettering die de bedoelde aanpassingen
teweegbrengen.
C
Voor de artikelsgewijze
toelichting op de institutionele bepalingen verwijzen wij naar die
over de aanpassingen in de Gemeentewet. Deze zijn het spiegelbeeld van de
onderhavige artikelen.
rblz.|40|
Artikel
V (wijziging van
de Waterschapswet)
A tot en met C
Door de voorgestelde
wijzigingen in de Waterschapswet
waarbij de bepalingen over de ombudsman voor
het waterschap worden ingevoegd, is het noodzakelijk ook op
andere plaatsen in die wet een aantal technische aanpassingen door te
voeren. Deze aanpassingen beogen onder meer de incompatibiliteiten te
regelen op een wijze die in de Waterschapswet gebruikelijk is. Dit
brengt mee dat aan de opsomming van de onverenigbare functies van leden van
het algemeen bestuur (artikelen 31 en 41) en de voorzitter (artikel
47) in de genoemde artikelen die van ombudsman of lid van de
ombudscommissie voor het waterschap wordt toegevoegd.
Bij de wijziging van
artikel 41, derde lid, onderdeel b, gaat het om de mogelijkheid dat, met
ontheffing van gedeputeerde staten, in het dagelijks bestuur een persoon wordt
benoemd die niet afkomstig is uit het algemeen bestuur. Om te voorkomen
dat in zo’n geval een "buitenlid" wordt benoemd dat tevens
ombudsman is, kan van de verplichting om vanuit het algemeen bestuur te
benoemen in zo’n geval geen ontheffing worden verleend.
D
Voor de artikelsgewijze
toelichting op de institutionele bepalingen verwijzen wij naar die
over de aanpassingen in de Gemeentewet. Deze zijn het spiegelbeeld van de
onderhavige artikelen.
Artikel
VI (wijziging van
de Wet gemeenschappelijke regelingen)
Dit betreft een
aanpassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, zodat ook voor
gemeenschappelijke regelingen de verplichting geldt om te voorzien in een
externe klachtvoorziening.
Artikel
VII (afstemming
wetsvoorstel elektronisch bestuurlijk verkeer)
Het
voorstel van Wet elektronisch bestuurlijk verkeer is thans aanhangig bij de Tweede Kamer
(Kamerstukken II
2001-2002, 28 483, nrs. 1-2). Na de inwerkingtreding van dat wetsvoorstel
dient het voorstel van Wet extern klachtrecht op één punt te worden
aangepast.
Artikel
VIII (evaluatie)
Wij stellen voor om
binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Wet extern klachtrecht
een evaluatie
te houden en het verslag naar de Tweede en Eerste Kamer te zenden.
Artikelen
IX en X
(overgangsrecht en inwerkingtreding)
Op het overgangsrecht bij
dit wetsvoorstel is reeds ingegaan in paragraaf 5.2 van het algemeen
deel. De inwerkingtreding van de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan kan volgens artikel X bij koninklijk besluit verschillend
worden vastgesteld. Wij vinden het redelijk dat decentrale overheden
één jaar de
gelegenheid hebben om te gaan voldoen aan de wettelijke
verplichting tot het beschikken over een externe klachtvoorziening. Wij stellen ons dan ook
voor dat de vangnetvoorziening, zoals opgenomen in
artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de WNo
(artikel
II), rblz.|41|
één jaar later in
werking treedt dan de rest van de wet, die vrijwel meteen nadat het voorstel
kracht van wet heeft gekregen in werking kan treden.
Artikel
XI (citeertitel)
De citeertitel van
de wet luidt: Wet extern klachtrecht.
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|