|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 467
Wijziging
van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten
in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurend
zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen
1. Bij derde nota van
wijziging (Kamerstukken II 2003-2004, 28 467, nr. 8) is de
financieringsregeling loopbaanonderbreking - en daarmee de financiering,
c.q. uitkering, voor langdurend zorgverlof - komen te vervallen. De
regering acht vooral werknemers zelf en hun werkgevers voor de
financiering verantwoordelijk, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1.1 |
Achtergrond |
| 1.2 |
Doelstellingen |
| 1.3 |
Noodzaak |
| 1.4 |
Vormgeving van het
verlofrecht |
| 1.4.1 |
Algemeen |
| 1.4.2 |
Kring van
rechthebbenden en hulpbehoevenden |
| 1.4.3 |
Een geclausuleerd
recht |
| 1.4.4 |
Afwijkingsmogelijkheden |
| 1.4.5 |
Duur en omvang van
het verlof |
| 1.4.6 |
Einde van het
verlof |
| 1.4.7 |
Verlof en betaling |
| 1.5 |
Langdurend
zorgverlof in relatie tot andere wetgeving |
| 1.6 |
Budgettaire gevolgen
en bedrijfseffecten |
| 1.6.1 |
Budgettaire
gevolgen voor de overheid |
| 1.6.2 |
Bedrijfseffecten
en administratieve lasten |
| 1.7 |
Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid |
| 1.7.1 |
Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid |
| 1.7.2 |
Gevolgen voor de
rechterlijke macht |
|
xArtikelsgewijs |
| xxxx| |
Artikelen
I t/m IX |
Algemeen
1.1.
Achtergrond
De
mogelijkheid en wenselijkheid van een regeling voor langdurend
zorgverlof kwamen reeds aan de orde in het regeerakkoord. In het
regeerakkoord wordt gesteld dat een goed wettelijk verlofsysteem nodig
is voor de "mantelzorg". Er zou
een verkenning worden uitgevoerd naar de vraag "of, en zo ja, onder welke
voorwaarden een wettelijk recht op betaald zorgverlof tot stand kan
worden gebracht, rekening houdend met de belangen van de
bedrijfsorganisatie, in het bijzonder het MKB [midden- en kleinbedrijf, red.]".¹
Dit voornemen is
vervolgens uitgewerkt in de nota "Op weg naar een nieuw evenwicht tussen
arbeid en zorg".² De definitieve invulling (ernst van zorgbehoefte, kring
van zorgbehoevenden, duur en uitvoerbaarheid) zou geschieden op basis
van de uitkomsten van de verkenning. Deze verkenning is uitgevoerd
door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).³ Op basis hiervan heeft
het Centraal Plan Bureau (CPB) de macro-economische effecten in beeld
gebracht.
1. Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10.
2. Kamerstukken II 1998-1999, 26 447, nr. 2.
3. J. M.Timmermans (red.)
e.a. (2001), Vrij om te helpen. Verkenning
betaald langdurig zorgverlof, Den Haag,
Sociaal en Cultureel Planbureau.
In het regeerakkoord is
afgesproken dat de bestaande wettelijke verlofregelingen in één samenhangend
wettelijk kader zullen worden opgenomen: de Wet arbeid en
zorg.
Per 1 december 2001 is deze wet in werking getreden. De Wet
arbeid en zorg voorziet reeds in verschillende verlofmogelijkheden voor
zorg in combinatie met betaald werk. In deze wet worden de
verlofregelingen die de combinatie werken en zorgen voor werknemers moeten
vergemakkelijken, gebundeld en uitgebreid. Deze wet biedt echter nog geen
recht op langdurend zorgverlof. Het geheel van verlofregelingen in de
Wet arbeid en zorg kan worden beschouwd als één verlofsysteem waaraan het
sluitstuk - een langdurend zorgverlof - nog ontbreekt.
Ook de Tweede Kamer heeft
zich uitgesproken voor een regeling voor langdurend zorgverlof,
zoals blijkt uit de motie-Bussemaker c.s., ingediend bij de behandeling van
het voorstel van Wet arbeid en zorg. Bij die gelegenheid is de regering verzocht
bij een regeling voor langdurend zorgverlof rekening te houden met
een aantal aspecten. Het moet bijvoorbeeld om een individueel
verlofrecht gaan, het recht op verlof moet worden gekoppeld rblz.|2|
aan het recht op
betaling en het verlof moet flexibel en in deeltijd kunnen worden
opgenomen.¹
Het kabinet heeft gekozen
voor een recht op een langdurend zorgverlof waarin naast het belang
van de werknemer ook het belang van de werkgever nadrukkelijk een plaats
heeft. Dit kabinetsstandpunt is bij brief van 16 november 2001 aan de
Tweede Kamer meegedeeld.² Dit standpunt houdt in:
1. een (geclausuleerd)
wettelijk recht op langdurend zorgverlof (met afwijkingsmogelijkheden)
voor werknemers die hulp bieden aan een stervende partner, kind
of ouder of aan kinderen met een levensbedreigende ziekte voor ten hoogste
zesmaal de arbeidsduur per week per jaar, voor maximaal
de helft van de arbeidsduur per week, op te nemen gedurende een
aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf weken.
2. Een verhoging van de
financiële bijdrage op grond van de financieringsregeling
loopbaanonderbreking tijdens dit verlof voor de onder 1 genoemde
werknemers tot een bedrag ter hoogte van 70% van het wettelijk minimumloon
(WML).
Op basis van dit
kabinetsstandpunt is het voorliggende wetsvoorstel tot stand gekomen.
1. Kamerstukken II 2000-2001, 27 207, nr. 60.
2. Kamerstukken II 2001-2002, 26 447, nr. 40.
1.2. Doelstellingen
Bij werkenden doen zich
bij de combinatie van arbeid en zorg knelpunten voor. Een deel van die
knelpunten wordt reeds ondervangen door de Wet arbeid en
zorg. Het
kabinet acht daarnaast uitbreiding van deze wet met een regeling voor een
langdurend zorgverlof wenselijk.
Met deze regeling wil het
kabinet werknemers ondersteunen bij het combineren van hun baan
met de (langdurende) hulp aan een stervende partner, kind of ouder of
aan een kind met een levensbedreigende ziekte. Een aantal overwegingen
speelt daarbij een rol.
Uit de SCP-verkenning
blijkt dat een aanmerkelijk aantal werkenden gedurende langere tijd naast hun
betaalde baan informele hulp geeft aan een directe naaste. Deze
informele hulp heeft, hoewel ze in de regel "onbetaald" is, een prijs. Mensen
kunnen overbelast raken en ziek worden. Informele helpers hebben
dan ook grote belangstelling voor langdurend zorgverlof. Dit geldt
vooral voor degenen die hulp bieden aan een stervende in de kring van de zeer
directe naasten (partner, kind of ouder). Juist de zorg voor
terminale patiënten vergt veel van degene die hulp geeft. Aan stervenden
wordt gemiddeld meer uren informele hulp per week gegeven dan aan
chronisch of tijdelijk ernstig zieken. Verder is de hulp aan stervenden
veelal complexer. Het gaat meestal om een combinatie van huishoudelijke hulp,
persoonlijke verzorging en psychosociale begeleiding, met een
accent op de laatste twee. Deze belastende omstandigheden gelden ook voor
werknemers die zorg geven aan een kind met een levensbedreigende
ziekte.
Met een langdurend
zorgverlof wil het kabinet de ervaren hoge tijdsbelasting voor werkenden in
periodes van intensieve hulp aan een stervende partner, kind of ouder of
aan een levensbedreigend ziek kind verminderen teneinde
overbelasting van de informele helper te voorkomen. Voorts zijn deze
zorgsituaties in de persoonlijke levenssfeer zo ingrijpend dat naar de
mening van het kabinet voorzieningen in tijd zowel als in geld nodig zijn om
deze zorg te faciliteren. Daarnaast worden met een langdurend zorgverlof
werkende informele helpers ondersteund die hun verantwoordelijkheid
voor en betrokkenheid bij zorgbehoevende naasten (partners,
kinderen, ouders) praktisch gestalte willen geven. Voor de samenleving is de
bereidheid tot dergelijke informele hulp van groot belang.
rblz.|3|
1.3. Noodzaak
In de visie van het
kabinet is er met betrekking tot verlofregelingen sprake van een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van overheid, werkgevers en werknemers. Afhankelijk
van de specifieke verlofvorm wordt bepaald wat de rol van de overheid
is: is minimale wettelijke bescherming van werknemers aangewezen of voldoen
stimulering en facilitering van onderlinge afspraken tussen
werkgevers en werknemers?
Met de inwerkingtreding
van de Wet arbeid en zorg hebben werknemers reeds ruimere
mogelijkheden gekregen om verzorging te bieden aan zieke kinderen, partners of
ouders, bijvoorbeeld door middel van het kortdurend zorgverlof. In die
gevallen waarin een partner, kind of ouder stervende is of er sprake is van
een kind met een levensbedreigende ziekte, is de situatie vaker
langdurig en ernstig van aard en zal de werknemer behoefte hebben aan een
recht op een langdurend zorgverlof. De regeling voor financiering van
loopbaanonderbreking biedt geen recht op langdurend zorgverlof. Deze regeling
biedt een financiële tegemoetkoming ter hoogte van ongeveer 40%
van het wettelijke minimumloon. Ter bescherming van de werknemer en ter
versterking van diens positie acht de regering een wettelijk recht op
langdurend zorgverlof ten behoeve van deze groep zorgbehoevenden
noodzakelijk. Een duidelijke wettelijke regeling ter zake bevordert de
rechtszekerheid en draagt ertoe bij dat onnodige conflicten worden
voorkomen.
Over een regeling
langdurend zorgverlof is ook (afzonderlijk) met de sociale partners
gesproken. De wijze waarop de sociale partners invulling wensen te geven aan de
verlofregeling is verschillend.
De werknemersorganisaties
zijn in het algemeen, met het oog op de bescherming van
werknemers, voorstander van een wettelijk recht op langdurend zorgverlof. De
werkgeversorganisaties daarentegen verzetten zich tegen
overheidsregulering. Zij vinden dat de sociale partners en de individuele werkgevers en
werknemers dit zelf moeten regelen.
In CAO’s worden echter
nog maar weinig afspraken over langdurend zorgverlof aangetroffen.
Uit het onderzoek van de Arbeidsinspectie naar afspraken in CAO’s over
het thema "arbeid en zorg" blijkt dat in slechts 6% van de CAO’s een
recht op zorgverlof van méér dan één maand wordt gegeven.¹ Voorts is er
vergeleken met de voorgaande jaren nauwelijks sprake van een toename
van het aantal CAO-afspraken over langdurend zorgverlof. Hoewel het
kabinet wil aannemen dat werkgevers in de praktijk werknemers veelal wel
verlof toekennen in geval van terminale of levensbedreigende ziekte bij een naaste,
neemt dit de wenselijkheid van een wettelijke regeling niet
weg.
1. A. Peters en F. de
Jong (2001), Arbeid en zorg in CAO’s 1999, Den Haag, ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
1.4. Vormgeving van het
verlofrecht
1.4.1. Algemeen
Het verbeteren van de
combineerbaarheid van arbeid en zorg dient niet alleen de belangen van
werkgevers en werknemers, maar ook een maatschappelijk belang, dat verder reikt
dan het privébelang van de individuele werknemer of werkgever.
Daarom hebben niet alleen werkgevers en werknemers ter zake een verantwoordelijkheid, maar ook de overheid. De
overheid heeft voor wat
betreft de combinatie van arbeid en zorg een grotere en meer
normerende verantwoordelijkheid naarmate de werknemer uit oogpunt van bescherming daarbij meer is gebaat en het onderwerp
het belang van werkgever
en werknemer overstijgt.
Het kabinet heeft gekozen
voor een (geclausuleerd) wettelijk recht op langdurend zorgverlof
(met afwijkingsmogelijkheden) voor werknemers die hulp bieden aan een
stervende partner, kind of ouder of aan kinderen met een levensbedreigende
ziekte, voor ten hoogste zesmaal de arbeidsduur rblz.|4|
per week per jaar,
voor maximaal de helft van de arbeidsduur per week, op te nemen
gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf weken. De
financiële bijdrage op grond van de financieringsregeling loopbaanonderbreking zal
voor deze groep worden verhoogd tot een bedrag per verlofuur
ter hoogte van 70% van het wettelijk
minimumuurloon.
1.4.2. Kring van
rechthebbenden en hulpbehoevenden
Het kabinet heeft
besloten tot een recht op langdurend zorgverlof voor werknemers en ambtenaren.
Aldus wordt de gelijkheid tussen werknemers en ambtenaren bevorderd.
Voor zelfstandigen en vrije beroepsbeoefenaren acht het kabinet een
dergelijk recht niet aan de orde. Voor hen bestaan er geen gezagsverhouding en arbeidsverplichting. Een verlofvoorziening
is ook niet aangewezen
gezien de mogelijkheden voor zelfstandigen om de omvang en
organisatie van het werk af te stemmen op tijdelijke extra
zorgtaken.
Het recht op betaald
zorgverlof geldt voor werknemers die een stervende partner, kind of ouder of
een kind met een levensbedreigende ziekte verzorgen. Net als bij
kortdurend zorgverlof is er bij deze groep sprake van een specifieke
betrokkenheid door de werknemer en grijpt de situatie bij deze groep het meest
direct in de persoonlijke levenssfeer van de werknemer. In gevallen waarin een
beroep wordt gedaan op langdurend zorgverlof is de situatie zo ernstig
dat het recht op verlof ook geldt als het uitwonende kinderen
betreft. Daarnaast komt de zorg door de eigen ouder, de partner of het
kind tegemoet aan de wens van veel hulpbehoevenden.
Verlofrechten voor
werknemers om zorg te verlenen aan personen in deze kring bieden ruimte voor
de gewenste zorg en kunnen ertoe bijdragen dat de relatie van de
werknemer met betaalde arbeid in stand blijft. Er is in dit wetsvoorstel rekening
gehouden met het amendement-Bussemaker en Schimmel door zorgverlof
te bieden voor de zorg voor een kind met een levensbedreigende ziekte.¹
Schoonouders zijn in dit
wetsvoorstel niet meegenomen. De Wet arbeid en zorg
heeft als doel te
bevorderen dat het combineren van betaalde arbeid en onbetaalde zorg
makkelijker wordt en dat daarmee (blijvende) arbeidsparticipatie, met
name voor vrouwen, aantrekkelijker wordt dan de arbeidsmarkt te verlaten.
Daarnaast heeft de wet als doel mannen te motiveren meer zorgtaken op zich te
nemen. Indien ook de zorg voor schoonouders wordt opgenomen in het
recht op langdurend zorgverlof, zal naar verwachting de zorg voor
een groot deel op de schouders komen van de minst verdienende partner
en dat is toch nog in veel huishoudens de vrouw. Dit komt de
doelstelling van deze wet niet ten goede. Daarnaast is de zorgrelatie in
deze
gevallen meer op afstand en er is ook minder sprake van feitelijke
zorgverantwoordelijkheid.
Voor chronisch zieken
geldt dat ten behoeve van hen in principe geen aanspraak kan worden
gemaakt op langdurend zorgverlof. De belangrijkste reden is dat zorgverlof
per definitie een tijdelijke oplossing is. In geval van chronische
hulpbehoevendheid van een naaste is er geen sprake van een tijdelijk,
maar van een structureel probleem dat daarmee ook een andere oplossing
vraagt dan verlof. Een tweede reden om het zorgverlof niet te
bestemmen voor hulp aan chronisch zieken is dat de werknemers die in deze
gevallen hulp bieden in de praktijk waarschijnlijk jaarlijks hun recht op
verlof zullen (moeten) gebruiken. Voor de betrokken werkgevers zou dit een
jaarlijks terugkerende kostenpost in verband met vervanging dan wel verminderde arbeidsproductiviteit van de verlofganger
betekenen. Van werkgevers
kan in redelijkheid niet gevraagd worden om deze
consequentie van langdurend zorgverlof ten behoeve van chronisch hulpbehoevenden te dragen. Wanneer een chronische
ziekte echter
levensbedreigend wordt, of de zieke in de terminale fase rblz.|5|
komt, kan voor de
verzorging langdurend zorgverlof worden aangevraagd.
Bij de formulering van de
kring van hulpbehoevenden voor wie de werknemer langdurend zorgverlof mag
opnemen, is nadrukkelijk gekeken naar de gevolgen hiervan voor
de individuele werkgever. Het is niet redelijk om werkgevers de lasten te
laten dragen voor een ruimere kring van zorgbehoevenden. Dit laat onverlet dat
sociale partners en individuele werkgevers en werknemers tot andere,
ruimere afspraken kunnen komen.
1. Kamerstukken II 2000-2001, 27 207, nr. 12.
2. Kamerstukken II 2000-2001, 27
207, nr. 12.
1.4.3. Een geclausuleerd
recht
Er wordt een
geclausuleerd recht voorgesteld. Met een geclausuleerd recht wordt tot
uitdrukking gebracht dat met een langdurend zorgverlof ook belangen van
werkgevers zijn gemoeid. Het langdurend zorgverlof duurt aanzienlijk langer
dan bijvoorbeeld kortdurend zorgverlof. In deze periode zit de werkgever
zonder werknemer en kan hij productieverlies lijden. De werkgever kan
een vervanger regelen of schuiven met de personeelsinzet, wat
organisatorische lasten met zich mee kan brengen. De duur van het verlof en
het productieverlies rechtvaardigen een regeling voor langdurend
zorgverlof waarin naast het belang van de werknemer ook het belang van de
werkgever wordt afgewogen.
De werkgever kan het
verlof weigeren wanneer sprake is van een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang dat het belang van de werknemer daarvoor op grond van
redelijkheid en billijkheid moet wijken. Het gaat hier om situaties waarbij
de afwezigheid van de werknemer niet via de normale bedrijfsvoering
en inzet van het overige personeel kan worden opgevangen en dit
ernstige consequenties heeft.
In de ernstige
ziektegevallen waarvoor verlof wordt gevraagd, zal afwijzing van de aanvraag
waarschijnlijk niet vaak voorkomen. Het kan wel voorkomen dat de werknemer een
voltijdsverlof wil opnemen gedurende zes weken, terwijl de
werkgever er een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang bij heeft dat de
werknemer niet zo’n periode fulltime afwezig is. Het is in dat geval, middels een
deeltijdverlof, mogelijk dat de werkgever en de werknemer tot een
compromis komen.
1.4.4.
Afwijkingsmogelijkheden
Evenals het kortdurend
zorgverlof heeft het langdurend verlof voor wat betreft het verlofrecht,
de duur en de betaling geen dwingendrechtelijk karakter. Gekozen is voor
het "ja, tenzij-principe". Werknemers hebben derhalve recht op
langdurend zorgverlof, tenzij bij CAO of bij een regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan, de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging anders wordt afgesproken. Daarmee is het recht op
verlof het uitgangspunt. Aan de ene kant kan slechts met collectieve instemming van werknemers tot een afwijkende
regeling ten nadele van
de werknemer worden besloten. Aan de andere kant biedt een dergelijk
recht sectoren, bedrijfstakken en ondernemingen de gelegenheid een maatwerkregeling te ontwerpen. De regeling laat
onverlet dat in CAO of
anderszins aanvullende afspraken kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld
door verhoging van de financiële tegemoetkoming aan verlofgangers of
uitbreiding van de kring van zorgbehoevenden. Dit heeft als gevolg dat de
kosten voor de werkgever hoger komen te liggen. Als de periode betaald
verlof wordt verlengd, kan dit ook extra lasten voor de werknemer met zich
meebrengen als de uitkering niet doorloopt.
1.4.5. Duur en omvang van
het verlof
Het verlof geldt voor ten
hoogste zesmaal de arbeidsduur per week per jaar, voor maximaal de helft
van de arbeidsduur per week, op te nemen gedurende een aaneengesloten
periode van ten hoogste twaalf weken. Met deze rblz.|6|
omvang van het verlof
sluit het kabinet aan bij de gemiddelde behoefte van degenen die stervensbegeleiding bieden en die in de SCP-verkenning
aangaven belangstelling
te hebben voor langdurend zorgverlof.
De werknemer die het
verlof over twaalf weken spreidt, zal in deze periode in deeltijd werkzaam
zijn. Dit sluit aan bij de doelstelling van de Wet arbeid en
zorg: het
bevorderen van de combinatie van arbeid en zorg zodat arbeidsparticipatie
aantrekkelijker wordt dan uittreden. Bovendien behoudt de verlofganger
zo een deel van het inkomen. Voor de werkgever is het van belang dat er
een zekere continuïteit in de werkzaamheden blijft bestaan. Gezien de
ernstige situaties waarvoor verlof kan worden opgenomen, kan de behoefte bestaan
aan flexibele opname van het verlof. Met toestemming van de
werkgever kan de werknemer het verlof aanpassen aan de persoonlijke
situatie, bijvoorbeeld gedurende een langere periode (maximaal achttien weken) of
voor meer dan de helft van de arbeidsduur per week. Gehandhaafd blijft
de ook thans reeds geldende voorwaarde voor een financiële
tegemoetkoming op grond van de financieringsregeling loopbaanonderbreking dat
het verlof ten minste een derde van de wekelijkse arbeidsduur betreft.
1.4.6. Einde van het
verlof
Het verlof eindigt zodra
de periode waarvoor het verlof was afgesproken, is verstreken. Het is
mogelijk dat voordat deze periode is verstreken de persoon voor wiens
verzorging het verlof was opgenomen, overlijdt dan wel niet meer
levensbedreigend ziek is. In die gevallen zal het verlof één dag na die gebeurtenis
eindigen. De grond voor het verlof is dan vervallen.
Dit betekent niet dat er
een abrupt einde komt aan het verlof. In het geval van overlijden kan de
werknemer immers aansluitend een beroep doen op het recht op
calamiteitenverlof. Dit recht geeft de werknemer verlof voor een naar billijkheid te
berekenen tijd voor het regelen van zaken rondom het overlijden. Aldus kan
het langdurend zorgverlof niet het karakter van een rouwverlof krijgen.
1.4.7. Verlof en betaling
Kenmerkend voor het
langdurend zorgverlof is dat de arbeidsovereenkomst ongewijzigd in stand
blijft. Tijdens het verlof wordt alleen de verplichting van de
werknemer tot het verrichten van arbeid tijdelijk opgeschort. Daarmee vervalt ook
tijdelijk de verplichting van de werkgever tot loondoorbetaling.
Daarvoor komt een collectieve betaling in de plaats. Daarmee wordt een
maatschappelijke ondersteuning gegeven aan informele zorgers in ernstige
situaties. Bovendien is gezien de lengte van het verlof afgezien van een
wettelijke verplichting tot loondoorbetaling. Dit kan in redelijkheid niet
van de werkgever gevraagd worden.
De groep werknemers op
wie het langdurend zorgverlof van toepassing is, komt in aanmerking
voor een financiële tegemoetkoming ter hoogte van 70% van het wettelijk
minimumloon op basis van de financieringsregeling loopbaanonderbreking. Zij
kunnen deze financiële tegemoetkoming elk jaar aanvragen en
niet één keer per twee jaar zoals bij de financieringsregeling
loopbaanonderbreking. Deze reeds bestaande financieringsregeling
voor verlof voor zorg of educatie met een financiële tegemoetkoming van
maximaal €|490,54 bruto per maand (ongeveer 40%
WML) wordt voor deze
doelgroep verruimd.¹
Het bedrag ter hoogte van
70% van het wettelijk minimumloon beschouwt het kabinet als de
minimumgrens van economische zelfstandigheid. Gezien de bijzondere
ernst van de reden voor het langdurend zorgverlof acht het kabinet het van
belang om eventuele financiële drempels voor het gebruik van dit
verlofrecht te verlagen. In verband daarmee wordt een hogere financiële
tegemoetkoming voorgesteld. Het vorenstaande laat rblz.|7|
onverlet dat de sociale
partners in aanvulling op de financiële basis op grond van de
financieringsregeling loopbaanonderbreking nadere afspraken kunnen maken
over (gedeeltelijke) loondoorbetaling tijdens verlof.
1. Bedrag per 1 januari
2002.
1.5. Langdurend
zorgverlof in relatie tot andere wetgeving
Er is bekeken of er in
verband met de introductie van het recht op langdurend zorgverlof aanpassing van
socialezekerheidswetten nodig is. Daarbij is geconstateerd
dat alle mogelijke belemmeringen tot het opnemen van onbetaald
verlof zijn weggenomen door middel van de Wet van 11 juni 1998 tot
wijziging van de Ziektewet, de WAO en de WW en enkele andere wetten in
verband met het wegnemen van belemmeringen in socialeverzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof
(Stb. 1998, 412). De bepalingen
omtrent onbetaald verlof in de socialezekerheidswetten zijn
onverkort van toepassing op onbetaald langdurend zorgverlof. Hetzelfde
geldt voor de gevolgen van het ontvangen van een financiële tegemoetkoming op grond van de financieringsregeling
loopbaanonderbreking bij
langdurend zorgverlof. Verdere aanpassing van de socialezekerheidswetten is derhalve niet nodig.
1.6. Budgettaire gevolgen
en bedrijfseffecten
1.6.1. Budgettaire
gevolgen voor de overheid
Tot de doelgroep van het
wettelijk recht op langdurend verlof behoren alle werknemers met een
stervende partner, kind of ouder dan wel werknemers met een kind met een
levensbedreigende ziekte. De doelgroep die jaarlijks gebruik kan
maken van het verlof is geraamd op 146 000 werknemers. Niet iedere werknemer zal
echter gebruik maken van de verlofregeling. Verder is verondersteld
dat de verlofregeling in de eerste jaren na inwerkingtreding een
oplopend gebruik zal kennen. Berekend is dat vanaf 2006 jaarlijks 33
000 werknemers van de regeling gebruik zullen maken.
Werknemers die gebruik
maken van het wettelijk recht op langdurend zorgverlof kunnen tevens
beroep doen op de bestaande financieringsregeling loopbaanonderbreking, die
wordt uitgevoerd door het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] en voor werknemers
gefinancierd wordt uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en voor ambtenaren
uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Deze
financieringsregeling bestaat sinds 1 oktober 1998 [zie ook Wet
financiering loopbaanonderbreking, red.] en kent - onder bepaalde
voorwaarden - maximaal één keer per twee jaar een financiële
tegemoetkoming toe aan verlofgangers die met hun werkgever een langdurende periode
van educatief- of zorgverlof zijn overeengekomen. De geldende voorwaarde
dat in het voorafgaande jaar niet reeds een tegemoetkoming
is ontvangen, zal buiten toepassing blijven indien werknemers een
beroep doen op een uitkering voor langdurend zorgverlof. Immers in
gevallen waarvoor langdurend zorgverlof wordt opgenomen, is de situatie zo ernstig dat zowel tijd als geld nodig zijn om
de zorg te ondersteunen.
Tevens wordt de hoogte
van de vergoeding uit de financieringsregeling loopbaanonderbreking voor
de verlofgangers behorende tot de doelgroep van het wettelijk recht
op langdurend zorgverlof aangepast. Deze verlofgangers krijgen recht op een
hogere vergoeding per uur zorgverlof, te weten een bedrag ter
hoogte van 70% van het wettelijk minimumuurloon.¹ De maximale duur van het
recht op de hogere vergoeding komt overeen met zesmaal de
wekelijkse arbeidsduur per jaar.
De totale budgettaire
gevolgen van invoering van de wettelijke regeling langdurend zorgverlof en
de wijziging van de hoogte van de vergoeding zoals hierboven
besproken, zijn geraamd op circa €|4,5 miljoen per jaar vanaf 2003 en lopen op
tot €|22,5 miljoen per jaar vanaf 2006. Deze
rblz.|8|
bedragen zijn inclusief
de uitvoeringskosten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV).
1. Uitgaande van de WML-bedragen per 1 januari 2002 is het
maximum €|844,62 bruto per maand bij
fulltimeverlof.
1.6.2. Bedrijfseffecten
en administratieve lasten
In deze paragraaf worden
de economische effecten van het langdurend zorgverlof voor bedrijven
en instellingen kort toegelicht. Het wetsvoorstel kan in beginsel voor alle
bedrijven en branches in Nederland met minstens één werknemer
effecten hebben.
De bedrijfseconomische
effecten voor de bedrijven zijn te onderscheiden in gevolgen voor
loonkosten en voor administratieve lasten. Er is een berekening gemaakt
waarbij rekening is gehouden met een besparing op loonkosten, de kosten
voor vervanging, productieverlies bij het afzien van vervanging en
administratieve lasten.
De werkzaamheden van de
verlofganger kunnen door collega’s worden opgevangen. Dit is
goedkoper dan het inhuren van extra personeel, zoals uitzendkrachten.
Uitgaande van 33 000 verlofgangers bedragen de nettokosten naar schatting minimaal
€|4 miljoen en maximaal €|12 miljoen, afhankelijk van de
vervanging en de wijze waarop dit gebeurt. Deze kosten zijn inclusief de kosten
van extra administratieve lasten, naar schatting maximaal €|1,32 miljoen.
De extra administratieve lasten worden vooral veroorzaakt door de schriftelijke mededeling van de werkgever op het
verzoek, de gezamenlijke
verklaring van werkgever en werknemer voor het UWV en de
aanpassingen in de salarisadministratie. Het wetsvoorstel is voorgelegd aan
het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) voor een
administratievelastentoets. Het College heeft het wetsvoorstel niet geselecteerd voor
een toets. Actal vond de geleverde gegevens toereikend: er was aandacht besteed aan alternatieven en de gepresenteerde
kwalitatieve en
kwantitatieve effecten waren in beeld gebracht.
1.7. Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid
1.7.1. Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid
De regering hecht veel
waarde aan een goede uitvoering en handhaving van regelgeving. In dit
kader is de evaluatie van de Wet financiering
loopbaanonderbreking ¹ relevant, omdat voor palliatief verlof reeds een uitkering aangevraagd kan
worden.
Ten behoeve van de
financieringsregeling loopbaanonderbreking werd door het Landelijke
instituut sociale verzekeringen (Lisv) ² om een aantal gegevens gevraagd. Op
grond daarvan werd in geval van palliatief verlof een doktersverklaring
gevraagd. Het verkrijgen van deze verklaring stuit in de praktijk regelmatig op
praktische problemen bij de verlofgangers alsook op meer principiële
bezwaren bij de behandelende artsen, die zich hierin gesteund voelen
door de KNMG.³ De KNMG heeft aangegeven geen voorstander te zijn
van het verstrekken van medische verklaringen door behandelend artsen,
omdat zij dan een taxatie van de gezondheidssituatie van de patiënt moeten
geven in een situatie met verschillende belangen. Dat kan de relatie arts-patiënt onder druk zetten, bijvoorbeeld
wanneer de werknemer van
mening is dat een kind levensbedreigend ziek is en dus zorgverlof
wenst, terwijl de arts de ernst van de ziekte anders taxeert. Ook voor de
inschatting op welke termijn een terminaal zieke patiënt mogelijk
overlijdt, neemt de behandelend arts volgens de KNMG liever geen
verantwoordelijkheid. De KNMG meent dat medische verklaringen wel gegeven kunnen
worden, maar dan door een onafhankelijke arts. Dit zou de arboarts van de werknemer kunnen zijn als de werkgever een medische verklaring
wenst, of de UWV-arts indien het UWV de rechtmatigheid van de uitkering wil
toetsen.
De KNMG heeft geen
bezwaar tegen het, op verzoek van de patiënt, verstrekken van
feitelijke informatie uit het medisch dossier aan de patiënt rblz.|9|
of aan genoemde artsen.
Die informatie kan worden gegeven op grond van de regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in het
Burgerlijk
Wetboek (Boek
7, titel 7, afdeling 5).
Behandelend artsen zijn
volgens de KNMG bereid nadere informatie te verstrekken aan de
genoemde onafhankelijke artsen.
1. R. van de Aa e.a.
(2000), Vrij baan voor zorg en educatie, eerste
evaluatie van de Wet financiering
loopbaanonderbreking, eindrapport, ministerie van Sociale
zaken en Werkgelegenheid.
2. Met ingang van 1
januari 2002 is het Lisv overgegaan in het UWV.
3. De Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der
Geneeskunst.
Tot nu toe zijn
verscheidene uitvoeringsinstellingen (uvi’s) "soepel" met deze door het
Lisv
gestelde uitvoeringsregel omgegaan, terwijl andere uvi’s aangeven dat het
achterwege blijven van de doktersverklaring tot vertraging in de
afhandeling van de aanvragen leidt. Volgens globale informatie van het Lisv
werden voor zo’n 30% van de aanvragen van palliatief verlof
doktersverklaringen verkregen. Verder werd het Lisv geïnformeerd als de terminale patiënt
is overleden.
Gezien de belemmeringen
voor het verkrijgen van doktersverklaringen is in dit wetsvoorstel niet
gekozen voor een verplichte medische verklaring. Wel hebben werkgever en
het UWV de mogelijkheid tot het vragen van nadere informatie,
waaronder een medische verklaring. Op grond van de regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de
Wet
bescherming persoonsgegevens zullen feitelijke gegevens alleen met medeweten en instemming
van de patiënt gevraagd kunnen worden.
De
werkgever kan een werknemer vragen aanvullende informatie te verstrekken om
aannemelijk te maken dat aan de verlofvoorwaarden is voldaan. Onder de extra
informatie kan onder andere worden verstaan: doktersverklaringen,
feitelijke informatie uit het medisch dossier van de patiënt. De werknemer is
niet tot het onmogelijke gehouden. Als een werknemer echter niets
kan overleggen om het verlof aannemelijk te maken, zal de werkgever
die om nadere informatie heeft gevraagd het verlof kunnen weigeren op
die grond dat de werkgever niet overtuigd is van de rechtmatigheid.
Indien de werkgever en
werknemer het eens zijn geworden, ontvangt de UWV in het kader van de
aanvraag voor een financiële tegemoetkoming een door beiden
ondertekende verklaring dat langdurend zorgverlof is verleend. In principe
gaat het UWV dan over tot betaling van de uitkering. Daarmee staat de
verklaring van werkgever en werknemer in de beoordeling van de rechtmatigheid van
de uitkering centraal. Wel kan het UWV, in het geval dat hij gerede
twijfel heeft over de rechtmatigheid van de aanvraag, de werknemer om extra informatie vragen. Hiervoor moeten
dan duidelijke
aanwijzingen zijn. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen in gevallen dat een bepaalde
werknemer of onevenredig veel werknemers uit een bepaalde branche,
uit een bepaald bedrijf of in een bepaalde periode een aanvraag
indienen voor een financiële bijdrage voor langdurend zorgverlof.
Indien de behandelend
arts alleen een verklaring wil afgeven aan een andere arts, bestaat de
mogelijkheid dat de arts van het UWV contact opneemt met de
behandelend arts.
Als de werknemer niet aan
het verzoek om nadere informatie van het UWV voldoet, kan het UWV
in uiterste instantie de uitkering weigeren of terugvorderen.
Het risico dat een
werkgever en een werknemer een afspraak tot verlof fingeren en ten onrechte
de financiële tegemoetkoming innen, zal naar verwachting nihil zijn.
Het betreft hier namelijk verlof om zeer ernstige redenen en het gaat niet
om zeer grote bedragen. Evenmin is steeds sprake van gelijke
belangen van werkgevers en werknemers. Voorts is uit de evaluatie van de
Wet financiering loopbaanonderbreking geen oneigenlijk gebruik van de regeling
gebleken. Verder is in de wet vastgelegd dat werkgever en werknemer schriftelijk moeten verklaren ten behoeve
van wie het verlof wordt
opgenomen. Dit zal mogelijk de "psychische" drempel tot misbruik
verhogen. Ten slotte kan het UWV (via de verzekerdenadministratie) nagaan of betrokkene tijdens zijn verlof andere
rblz.|10|
betaalde arbeid verricht.
Hiervan is in het kader van de financieringsregeling loopbaanonderbreking
niets gebleken.
Op aspecten van
uitvoerbaarheid en toezicht is advies gevraagd aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en het College toezicht sociale
verzekeringen [de rechtsvoorganger van de Inspectie
Werk en Inkomen, red.]. Het Lisv
kon niet tijdig reageren, zodat is afgezien van een formeel verzoek om
commentaar.
Op aspecten van toezicht
is commentaar gegeven door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI). Het
commentaar van de IWI is verwerkt.
1.7.2. Gevolgen voor de
rechterlijke macht
Dit wetsvoorstel geeft
een werknemer onder bepaalde voorwaarden het recht op langdurend
zorgverlof. De inhoud van het recht en de groep van zorgbehoevenden zijn
duidelijk omschreven. De werknemer heeft, indien hij recht heeft op
langdurend zorgverlof, eveneens recht op een financiële tegemoetkoming ter hoogte
van 70% van het wettelijk minimumloon.
De voorwaarden voor de
uitkering zijn eenvoudig van aard. Ook de hoogte van de uitkering
is duidelijk vastgelegd in normbedragen, die niet voor betwisting vatbaar
zijn. Ernstige meningsverschillen over de weging van het bedrijfsbelang of
de rechtmatigheid van het verlof zouden eventueel tot een beroep op de burgerlijke rechter kunnen leiden (dan wel de
bestuursrechter als het
ambtenaren betreft). Tegen voor de werknemer nadelige beslissingen met
betrekking tot de financiële tegemoetkoming kan hij opkomen bij de bestuursrechter. Het is niet aannemelijk dat dit op
grote schaal zal
voorkomen. De regering verwacht van de invoering van het onderhavige
wetsvoorstel dan ook geen (structurele) toename van de werkzaamheden voor
de
rechterlijke macht.
Artikelsgewijze
toelichting ¹
1. Bij derde nota van
wijziging (Kamerstukken II 2003-2004, 28 467, nr. 8) is de
financieringsregeling loopbaanonderbreking - en daarmee de financiering,
c.q. uitkering, voor langdurend zorgverlof - komen te vervallen. De
regering acht vooral werknemers zelf en hun werkgevers voor de
financiering verantwoordelijk, red.
Artikel I
A
De begrippen terminaal
ziek en levensbedreigende ziekte zijn ontleend aan artikel
7:8, eerste
lid, van de Wet arbeid en zorg.
Het voorgestelde derde
lid van artikel 1:3 geeft een definitie van terminaal ziek en van
levensbedreigende ziekte. Een definitie is noodzakelijk omdat op grond van
dit
wetsvoorstel het al of niet terminaal of levensbedreigend ziek zijn bepalend is
voor het recht op langdurend zorgverlof van de werknemer en voor die gevallen ook
de financiële tegemoetkoming wordt verhoogd.
De definitie wordt
opgenomen in hoofdstuk 1 van de wet en heeft zowel betrekking op de
voorgestelde regeling van het recht op langdurend zorgverlof in hoofdstuk 5, afdeling
2, als op de bestaande regeling van de financiële
tegemoetkoming ingevolge artikel 7:8.
Terminaal ziek
De definitie van het
begrip "terminaal ziek" houdt in dat de gezondheidssituatie zo ernstig
is dat het
overlijden van de persoon op korte termijn waarschijnlijk is te
achten. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het gaat om de laatste fase
van het leven, waarin de zieke sterft.
Hieruit vloeit enerzijds
voort dat de aanwezigheid van een terminale ziekte als zodanig niet onder de
begripsomschrijving valt. Het lijden aan een terminale ziekte behoeft
immers niet te betekenen dat de zieke naar verwachting op korte
termijn zal sterven.
Anderzijds heeft de
voorgestelde begripsomschrijving tot consequentie dat er ook sprake kan
zijn van "terminaal ziek" indien het overlijden van rblz.|11|
de zieke op korte termijn
te verwachten is als gevolg van een andere oorzaak dan een
ongeneeslijke en dodelijke ziekte. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
een
ongeval dat de persoon waarschijnlijk niet zal overleven of een - niet
terminale - ziekte die gelet op de algehele gezondheidssituatie in
het betreffende geval waarschijnlijk op korte termijn toch het
overlijden tot gevolg zal hebben.
De omschrijving van
terminaal ziek bevat een zekere objectivering. De persoonlijke, subjectieve
beoordeling of verwachting van de zieke of van de werknemer is niet
maatgevend. Aan de kwalificatie "terminaal ziek" liggen objectieve
medische maatstaven ten grondslag. Deze maatstaven kunnen worden gehanteerd
door een deskundige, in het bijzonder een (arbo)arts, aangezien
deze ter zake deskundig is en kan beschikken over de relevante feitelijke
medische informatie. Hiermee is geenszins gezegd dat dit steeds nodig is,
maar wel dat een medische verklaring in ieder geval toereikend is. De
werkgever zal veelal op basis van andere gegevens die de werknemer
verstrekt tot de conclusie kunnen komen dat voldaan is aan de voorwaarden
voor
het recht op verlof.
Vanwege de onzekerheid
over de duur van het stervensproces is het ongewenst en ondoenlijk het begrip
"korte termijn" nader te omschrijven. Gelet op het doel van het
langdurend zorgverlof, het bieden van zorg en bijstand aan stervende
naasten, kan worden gedacht aan een periode van enkele dagen of weken tot
een aantal maanden. De duur van het verlofrecht en van de financiële
tegemoetkoming tijdens het verlof zijn om die reden begrensd tot een
aantal maanden.
Levensbedreigende ziekte
Hetgeen hiervoor is
overwogen, geldt ook ten aanzien van de onderdelen die deel uitmaken van de
omschrijving van het begrip levensbedreigende ziekte.
Met name verdient ook
hier opmerking dat niet alleen een ziekte, maar ook een ongeval er de oorzaak
van kan zijn dat het leven van een persoon ernstig gevaar loopt.
Deze situatie is in de definitie begrepen.
Een belangrijk verschil
ten opzichte van het begrip "terminaal ziek", waarbij de
overlevingskansen van de patiënt op korte termijn gering of nihil zijn, is dat
daarvan bij een levensbedreigende ziekte geen sprake behoeft te zijn. Dit
leidt ertoe dat in geval van een levensbedreigende ziekte een verzoek om
langdurend zorgverlof ten aanzien van dezelfde persoon zich vaker kan
voordoen. Bij een terminaal zieke is dat gelet op de situatie niet
waarschijnlijk.
In dit kader verdient
aparte vermelding de verhouding van het begrip "levensbedreigende
ziekte" tot chronische ziekte. Een levensbedreigende ziekte kan een chronisch
karakter hebben. Voorstelbaar is dat ten behoeve van een kind dat lijdt
aan een levensbedreigende, chronische ziekte meer dan eens langdurend zorgverlof wordt gevraagd. In dergelijke gevallen
kan op dit recht
herhaaldelijk een beroep worden gedaan. Niet het lijden aan de levensbedreigende,
chronische ziekte als zodanig geeft deze aanspraak. Van een levensbedreigende ziekte in de zin van
deze wet is
sprake indien de
gezondheid van de persoon op korte termijn ernstig gevaar loopt. Indien
tijdens het verloop van de chronische ziekte herhaaldelijk sprake is van
dergelijke
ernstige situaties, kan ook het recht op langdurend zorgverlof bij
herhaling worden ingeroepen. Met andere woorden: voor een kind
dat bijvoorbeeld aan AIDS lijdt, geldt niet zonder meer een (bij herhaling
in te roepen) recht op langdurend zorgverlof, maar daarvoor is wel
grond als zich (eventueel bij herhaling) levensbedreigende complicaties voordoen.
rblz.|12|
B
Bij de behandeling van
het voorstel van Wet arbeid en zorg is naar aanleiding van vragen van leden van
de Eerste Kamer door de regering toegezegd dat, gezien ook de
regeling in de Arbeidstijdenwet, zou worden voorzien in een geldigheidsduur
van vijf jaar van een regeling die de werkgever op grond van de artikelen
4:7 en 5:10 (artikel 5:10 is thans in
het wetsvoorstel vervangen door
artikel 5:16) van de Wet arbeid en
zorg treft met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken
daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging.¹ Voorgesteld wordt een
geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. Deze
geldigheidsduur betreft regelingen die tot stand zijn gekomen met toepassing
van de artikelen 4:7 en 5:16, op grond waarvan afwijkingen van de wettelijke minimumbepalingen in
hoofdstuk 4 en 5 van
de Wet arbeid en zorg ten
nadele van de werknemer zijn toegestaan onder de in die artikelen
gestelde voorwaarden.
Op grond van de
voorgestelde bepaling gelden de bedoelde regelingen voor een bepaalde tijd
(vijf jaren) en kunnen overeengekomen regelingen niet voortijdig eenzijdig
worden opgezegd door de werkgever of door de ondernemingsraad dan wel
de personeelsvertegenwoordiging. Partijen kunnen desgewenst een
kortere looptijd afspreken.
Bij wijziging van de
collectieve regeling waarin afwijkende bepalingen zonder expliciet bepaalde
geldingsduur zijn opgenomen, gaat ten aanzien van de afwijking een
nieuw tijdvak lopen. Een dergelijke "verlenging" kan worden voorkomen door ten
aanzien van de afwijking expliciet een geldingsduur te bepalen.
Indien de geldingsduur van een van de artikelen 4:7 en
5:16 afwijkende
regeling uitdrukkelijk op bijvoorbeeld vier of vijf jaar is gesteld, wordt, indien
vóór het verstrijken van die periode de arbeidsvoorwaardenregeling
waarin de afwijking is geïncorporeerd op één of meer andere punten
wordt gewijzigd, deze geldingsduur hierdoor niet van rechtswege
verlengd. Dit laat uiteraard onverlet dat partijen desgewenst wel een
verlenging kunnen overeenkomen. Aan een uitdrukkelijke keuze voor een bepaalde
geldingsduur (die maximaal vijf jaar kan zijn) wordt derhalve recht
gedaan in de voorgestelde bepaling. Waar de geldingsduur niet is
vastgelegd, vindt verlenging plaats bij wijziging van de integrale regeling.
Ook bij deze gelegenheid kan echter alsnog een kortere looptijd worden
bepaald, zodat latere wijzingen niet tot verlenging krachtens de wet leiden.
1. Handelingen I, nr. 6,
13 november 2001, blz. 262.
C en
I
Voor de mogelijkheid om
bij collectieve arbeidsovereenkomst af te wijken van wettelijke normen
wordt de term "driekwartdwingend" recht gebruikt. Voor de (mogelijkheid
van) afwijking bij regeling met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging is het begrip "tweederdedwingend"
recht gebruikelijk. In
verband hiermee worden, overeenkomstig de toezegging van de
regering naar aanleiding van vragen van leden van de Eerste Kamer,¹ de
kopjes boven een aantal artikelen gewijzigd. De kopjes boven de artikelen
4:7, 5:16 en 6:8 komen te luiden: recht met afwijkingsmogelijkheden.
Deze formulering bevat geen jargon en is duidelijk. Bovendien wordt hierdoor
goed tot uitdrukking gebracht dat deze artikelen gemeen hebben
dat het wettelijk recht normstellend is en als uitgangspunt fungeert,
met verschillende mogelijkheden om desgewenst, en binnen bepaalde
voorwaarden, af te wijken. Voor de reikwijdte van de
afwijkingsmogelijkheid
is de wettekst van de genoemde artikelen bepalend. De afwijkingsmogelijkheid
die is gegeven in de artikelen 4:7 en 5:16 is van tweederdedwingend
recht, die in artikel 6:8 is van driekwartdwingend recht.
1. Handelingen I, nr. 6,
13 november 2001, blz. 261.
rblz.|13|
D en
J
Artikel 4:7 en
artikel
6:8 strekken er niet toe dat afwijkingen ten gunste van de werknemer alleen bij
collectieve arbeidsovereenkomst of andere collectieve regeling tot
stand kunnen komen. Om dit te verduidelijken, wordt voorgesteld
uitdrukkelijk te bepalen dat de in deze artikelen voorziene afwijkingsmogelijkheid
alleen betrekking heeft op afwijkingen ten nadele van de werknemer.
E,
F en G
Deze wijzigingen vloeien
voort uit de voorgestelde plaats die de regeling voor het langdurend
zorgverlof krijgt in hoofdstuk 5. De huidige
artikelen 5:9 en 5:10 zijn ook
relevant voor het voorgestelde langdurend zorgverlof. Deze bepalingen worden om
die reden in een aparte afdeling 3 van hoofdstuk 5 geplaatst en hebben
zowel betrekking op het kortdurend als het langdurend zorgverlof.
H
Artikel 5:9
Eerste lid
Op grond van het eerste
lid krijgt de werknemer een recht op verlof indien aan een aantal
voorwaarden is voldaan. De bestaande regeling in hoofdstuk 7 van
de wet kent als
uitgangspunt niet een recht op verlof, maar biedt een financiële
tegemoetkoming ingeval werkgever en werknemer over het verlof een
(vrijwillige) afspraak hebben gemaakt, ook in andere gevallen dan voor
palliatief verlof.
In het algemeen deel van
de toelichting is reeds toegelicht dat de werknemer tijdens het verlof geen
aanspraak kan maken op loon. Wel heeft de werknemer recht op een
financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7
en wel tot het niveau
van 70% van het wettelijk minimumloon. Hiertoe wordt verwezen
naar onderdeel L [vervallen, red.].
Het recht op verlof is
bedoeld voor de verzorging van de terminaal zieke naaste of het kind met
een levensbedreigende ziekte. Het begrip verzorging heeft in deze context een
ruime betekenis. Het omvat zowel het bieden van fysieke zorg
(handen aan het bed) als het doen van boodschappen, enz. of enige andere
vorm
van bijstand en ondersteuning, ook in geestelijk opzicht,
die aan de stervende persoon wordt verleend (en die de werknemer wil bieden).
De werknemer (en veelal de zieke zelf) bepalen aan welke door de werknemer te verlenen zorg behoefte bestaat.
Het spreekt vanzelf dat
het verruimen van de mogelijkheid tot het bieden van die zorg niet alleen
in het belang van de zieke, maar ook in het belang van de werknemer kan
zijn, aangezien het verlof hem meer ruimte geeft om de zware belasting
rond het sterven van een naaste of de levensbedreigende ziekte van een kind te
dragen. Door het verlof is de werknemer beter tegen die belasting
opgewassen.
Niet vereist is (zoals
bij het kortdurend zorgverlof) dat de verzorging "noodzakelijk" is in de
zin dat een noodsituatie zou ontstaan indien de werknemer niet zelf zorg
zou bieden. De aanwezigheid van adequate medische zorg, of
bijvoorbeeld thuiszorg, kan dus geen reden vormen voor weigering van het
verlof op de grond dat in de verzorging van de zieke naaste reeds op
toereikende wijze voorzien zou zijn. Het is evident dat geen recht op verlof
bestaat in de situatie dat zorg volstrekt afwezig is, zoals bijvoorbeeld in het
geval dat de zieke naaste buiten Nederland verblijft en de
werknemer voornemens is in Nederland te verblijven.
rblz.|14|
De
verzorging moet volgens het eerste lid betreffen een terminaal
ziek persoon. In de
toelichting op onderdeel A (artikel 1:3) is reeds aangegeven dat niet elke persoon die
aan een terminale ziekte lijdt ook terminaal ziek is. Hier is immers de
situatie aan de orde waarin het overlijden van de persoon op korte termijn
te verwachten is.
De kring van personen is
in belangrijke mate geënt op artikel 5:1 (kortdurend zorgverlof). De personen
ten behoeve van wie recht op langdurend zorgverlof bestaat, zijn:
de partner van de werknemer, een kind van de werknemer of de partner,
een pleegkind en de ouders van de werknemer. Er kan derhalve geen aanspraak worden gemaakt op verlof ten behoeve
van schoonouders. Voor de
ouder of kind van de werknemer is het thuis- of uitwonend zijn niet
relevant (voor wat betreft het kind is dit anders dan bij het kortdurend
zorgverlof).
Tweede lid [vervallen, red.]
Het in de toelichting
op het eerste lid gestelde met betrekking tot het begrip verzorging is ook
hier van toepassing. Dat geldt ook voor de uitleg van het begrip ziekte,
dat bijvoorbeeld ook een ongeval kan omvatten. Het verlofrecht is beperkt
tot het kind van de werknemer bij wie sprake is van een levensbedreigende
ziekte. Aldus wordt aangesloten bij artikel 7:8, eerste lid, zoals dat is
komen te luiden door de aanvaarding van het amendement-Bussemaker c.s.¹ Dit
begrip kind omvat ook het pleegkind van de werknemer.
1. Kamerstukken II 2000-2001,
27 207, nr. 58.
Derde lid [vervallen, red.]
Het derde lid geeft als
regel dat ten behoeve van dezelfde terminaal zieke persoon het verlof één
keer kan worden opgenomen.
Voor de in dit lid
neergelegde regeling is gekozen om te voorkomen dat bij een chronische,
terminale ziekte herhaaldelijk een recht op verlof aan de orde zou kunnen zijn.
Verlof ten behoeve van de
verzorging van een terminaal ziek persoon zal, gelet op de voorgestelde
definitie (overlijden is op korte termijn waarschijnlijk te achten), eenmalig aan
de orde zijn. Het voorgestelde derde lid stelt zeker dat het
verlof slechts één keer kan worden genoten voor dezelfde persoon.
Aangezien bij
levensbedreigende ziekte van een kind een eventueel herhaald recht op verlof
wel wenselijk wordt geacht, is afgezien van een vergelijkbare regel in
deze gevallen. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen is overwogen bij
artikel 1:3.
Artikel 5:10
Bij de regeling van de
omvang, duur en invulling van het verlof is gekozen voor een
standaardregeling van een zodanige opname van het verlof dat een halve werkweek
resteert. De werknemer kan hiervan met instemming van de werkgever binnen
zekere grenzen afwijken.
Wat betreft de wijze van
opneming is in het vierde lid, onderdeel a, bepaald dat de werknemer
kan verzoeken om een langere verlofperiode dan twaalf weken, tot ten
hoogste achttien weken. Dit aantal van achttien weken vloeit voort uit
het voorschrift, genoemd in artikel 7:7, eerste lid, onderdeel
d, op grond
waarvan het verlof ten minste een derde van de wekelijkse duur van de verlofganger
bedraagt.
Op grond van het eerste
lid bedraagt het verlof in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden
ten hoogste zesmaal de arbeidsduur per week.
Voor het verlof geldt dat
het aaneengesloten wordt opgenomen. Werkgever en werknemer kunnen gelet
op het minimumkarakter van de rblz.|15|
voorgestelde wettelijke
regeling afwijkingen ten gunste van de werknemer overeenkomen, zij het dat
op grond van de in onderdeel O [vervallen, red.]
neergelegde wijziging van artikel 7:9
de duur van de hogere financiële tegemoetkoming beperkt is tot de in
artikel 5:10 gestelde periode. Zoals is vermeld in paragraaf 1.4.5 sluit de
verlofduur van zesmaal de arbeidsduur per week per jaar aan bij de
gemiddelde behoefte aan verlof, zoals die naar voren komt uit de
SCP-verkenning. Onder omstandigheden kan behoefte bestaan aan een langer
verlof. Dit wetsvoorstel geeft daarop echter geen aanspraak. Voor
afwijkingen ten nadele van de werknemer geeft artikel 5:16 ruimte.
Het recht op de
financiële tegemoetkoming beperkt zich echter tot één periode.
De redenen van de eis van
een aaneengesloten verlofperiode zijn: de kortere verlofduur, de
omstandigheid dat de verzorgingssituatie waarvoor het verlof bedoeld is
zich voordoet in een betrekkelijk korte periode en beperking van
uitvoeringslasten en -kosten van het UWV. In verband hiermee is tevens (in de
in onderdeel O [vervallen, red.]
neergelegde wijziging van artikel
7:9) bepaald dat ook voor
de financiële tegemoetkoming geldt dat het een aaneengesloten periode
betreft.
Uit het voorschrift dat
het verlof aaneengesloten wordt opgenomen, vloeit tevens voort dat een
verlofrecht dat, bijvoorbeeld door overlijden van de verzorging behoevende
persoon of door herstel van het zieke kind, wordt beëindigd vóór het
verstrijken van de aanvankelijk voorgenomen verlofperiode niet op een later
tijdstip voor het nog niet genoten deel kan herleven. Dit is ook het
geval indien een verlof wordt genoten voor een kortere dan de wettelijke
maximumtermijn en later behoefte blijkt te bestaan aan een langere termijn. De werknemer doet er goed aan hiermee
rekening te houden bij
het verzoek om verlof, de duur van de aangevraagde verlofperiode, alsmede de
aanvraag van de financiële tegemoetkoming (die niet versnipperd kan
worden verleend).
Bovendien kan het verlof,
ook indien het ziekte van verschillende personen betreft, niet
vaker dan één keer per jaar worden genoten.
Artikel 5:11
In dit artikel is de
procedure neergelegd voor de aanvraag en afhandeling van een verzoek van de
werknemer om langdurend zorgverlof. Het doel van deze procedure is om
op evenwichtige wijze recht te doen aan zwaarwegende belangen van zowel de
werkgever als de werknemer.
De werknemer heeft er
belang bij dat, indien de zorg voor een terminaal zieke verwant of voor een
kind met een levensbedreigende ziekte aan de orde is, hij verlof kan
nemen op het gewenste tijdstip, zonder dat daarvoor zoveel procedurele
"hobbels" moeten worden genomen dat de effectuering van het recht op langdurend zorgverlof wordt belemmerd.
Voor de werkgever is van
belang dat hij, mede gelet op de duur van het verlof, in staat is de
gevolgen van de afwezigheid van de werknemer te beoordelen en zo nodig
voorzieningen te treffen, bijvoorbeeld ter vervanging.
De wenselijkheid om met
deze belangen rekening te houden, heeft geleid tot het voorstel om de
hoofdlijnen van de procedure aldus vast te stellen:
• de werknemer vraagt
het verlof ten minste twee weken vóór het beoogde tijdstip aan en
meldt daarbij de relevante gegevens;
• de werkgever heeft
uiterlijk één week om op het verzoek te beslissen of om de werknemer
zo nodig
om aanvullende informatie te vragen;
• de werkgever kan het
verzoek geheel of gedeeltelijk afwijzen op grond van een zwaarwegend
bedrijfs- of dienstbelang;
• de werknemer verneemt één week vóór de beoogde ingangsdatum van het verlof de
beslissing van de werkgever op zijn verzoek;
• het uitblijven van
een tijdige beslissing op het verzoek leidt ertoe dat het verlof ingaat
overeenkomstig het verzoek van de werknemer, tenzij rblz.|16|
de termijn waarbinnen de
werkgever een beslissing dient te nemen is verlengd omdat de
werknemer nog niet heeft voldaan aan het verzoek om aanvullende informatie
te verstrekken waarover hij kan beschikken;
• het verzoek tot
verlof wordt schriftelijk ingediend, ook de beslissing wordt schriftelijk
medegedeeld;
• indien de werkgever
overweegt het verzoek geheel of gedeeltelijk af te wijzen, pleegt hij
overleg met de werknemer.
Eerste lid
Op grond van het eerste
lid gaat het schriftelijke verzoek ten minste twee weken aan de beoogde ingangsdatum van het verlof vooraf. Deze termijn
biedt de werkgever de
tijd om het verzoek te beoordelen en eventueel voorzieningen te treffen.
De werkgever deelt zijn beslissing schriftelijk aan de werknemer mede. Ook
kan hij schriftelijk om aanvullende informatie verzoeken. Ook om die
reden kan een redelijke termijn niet gemist worden.
Overigens kunnen
werkgever en werknemer op grond van artikel
5:12, tweede lid, overeenkomen
dat het langdurend zorgverlof eerder ingaat. De schriftelijkheidseis
bevordert de duidelijkheid tussen werkgever en werknemer en voorkomt
onnodige conflicten over de inhoud van de gemaakte afspraken.
De werknemer verstrekt
bij het verzoek de in het eerste lid genoemde gegevens op grond waarvan
de werkgever kan vaststellen dat het verzoek inderdaad betrekking
heeft op een situatie waarop de wettelijke regeling van toepassing is.
Daarnaast geeft de werknemer aan voor hoe lang, in welke omvang en op welke
wijze hij voornemens is het verlof op te nemen, zodat de werkgever
de consequenties ervan voor de bedrijfsvoering kan beoordelen.
Tweede lid
In de regel zal de
werkgever er geen behoefte aan hebben dat de werknemer "aantoont" dat een
naaste inderdaad terminaal ziek is, dan wel een kind levensbedreigend
ziek is. Het is echter mogelijk dat de werkgever soms aanvullende
informatie noodzakelijk acht om vast te stellen of aannemelijk te achten dat
de door de werknemer aangevoerde omstandigheden zich inderdaad voordoen.
In zo’n geval kan het door de werknemer verstrekken van nadere
gegevens aan de werkgever uitkomst bieden. Hierbij kan
worden gedacht aan overlegging van een medische verklaring die aan de
zieke naaste of met diens toestemming aan de werknemer is verstrekt. De arts is
gelet op de regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst
in Boek 7, titel
7, afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek bevoegd tot het
verstrekken van informatie aan de patiënt of (met diens toestemming)
aan een derde. Ook kan de arts met toestemming van de patiënt medische
informatie van feitelijke aard aan de (arboarts van de) werkgever verstrekken. De werkgever die medische informatie
krijgt, gaat daar mee om
conform de eisen van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Ook kan het zijn, met
name als een medische verklaring niet kan worden overgelegd, dat de
werkgever behoefte heeft aan informatie van het maatschappelijk
werk, een thuiszorgorganisatie of andere gegevens die aannemelijk maken dat
terecht een beroep wordt gedaan op het recht op langdurend zorgverlof.
Ook deze informatie kan met toestemming van de zieke naaste worden
verleend. Op grond van dergelijke informatie kan niet worden aangetoond dat
voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 1:3, maar dergelijke gegevens
kunnen de werkgever die dat noodzakelijk acht wel meer houvast geven.
rblz.|17|
Derde lid
In het derde lid is
bepaald dat de werkgever het verzoek alleen kan afwijzen indien hij tegen
het opnemen van het verlof (dit omvat de voorgenomen wijze van opneming ervan)
een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft dat
het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid moet wijken.
De aard of wijze van de
zorg die de werknemer wil bieden, is voor de werkgever een gegeven. De werkgever
mag en kan dat niet inhoudelijk toetsen.
Zo is bijvoorbeeld de
omstandigheid dat een terminaal zieke naaste in een verpleeghuis is
opgenomen, en dat dus is voorzien in zorg in de zin van "handen aan het
bed",
geen factor op grond waarvan de werkgever de conclusie mag trekken dat
geen recht bestaat op langdurend zorgverlof, noch dat gelet op die
specifieke omstandigheid het bedrijfs- of dienstbelang zwaarder moet wegen. Voor
de werkgever is het een gegeven dat de werknemer in
aanmerking komt voor langdurend zorgverlof. Het belang van de werknemer moet
worden geplaatst tegen een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang. Het gaat hier om situaties waarbij de afwezigheid van de werknemer niet via
de normale bedrijfsvoering en inzet van het overige personeel of anderszins kan worden opgevangen en dit
ernstige consequenties
heeft. Het staat de werkgever met andere woorden niet vrij om bij deze
afweging andere elementen te betrekken, zoals (behalve het al genoemde voorbeeld) de overweging dat ook een ander
dan de werknemer voor de
zieke persoon kan zorgen of dat de zorg voor een terminaal zieke ouder
minder "urgent" is dan die voor de partner of kind. Deze afweging is immers reeds door de wetgever gemaakt.
Vierde lid
Op grond van het algemene
overeenkomstenrecht kan niet worden teruggekomen op een aan de werknemer
verleende toestemming op het verzoek. De toestemming
kan niet worden "herroepen". Daarvan te onderscheiden is de
situatie dat
gedurende het verlof de omstandigheden zich zodanig wijzigen dat,
hadden deze omstandigheden reeds ten tijde van de beslissing op het verzoek
bestaan, het verlof (wellicht) met een beroep op een zwaarwegend
bedrijfs-
of dienstbelang zou zijn geweigerd. Op grond van het algemene overeenkomstenrecht zou de werkgever zich
erop
kunnen beroepen dat hij
niet door de werknemer aan de inwilliging van het verlofverzoek kan
worden "gehouden" als dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar zou zijn.
Het is ongewenst dat in
een dergelijk geval alsnog met een beroep op een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang het reeds aangevangen verlof zou kunnen worden beëindigd.
In navolging van artikel 5:4, derde lid, van de
Wet arbeid en zorg wordt
in het vierde lid bepaald dat niet op een later tijdstip een beroep op
een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang kan worden gedaan, tenzij het
betreft een militaire ambtenaar. De voorgestelde bepaling geeft derhalve
een - ten opzichte van het algemene overeenkomstenrecht - bijzondere regeling.
Vijfde lid
Indien de werkgever
voornemens is het verzoek om verlof geheel of gedeeltelijk af te wijzen,
overlegt de werkgever met de werknemer. Schaadt de voorgestelde
wijze van opneming het bedrijfs- of dienstbelang ernstig, dan kunnen
werkgever en werknemer in onderling overleg een andere wijze van opneming
afspreken. Zo kan worden voorkomen dat aan de werknemer het
verlofrecht weliswaar wordt verleend, maar met betrekking tot de wijze van opneming
op een zodanig andere wijze dan verzocht rblz.|18|
dat het de werknemer geen
soelaas biedt. De werknemer kan in een dergelijk geval het
verzoek intrekken, dan wel handhaven en - indien hij vasthoudt aan de
gevraagde wijze van opneming - de afwijzende beslissing op het verzoek aan de
rechter voorleggen. Kan de werkgever met bepaalde onderdelen van
het verzoek niet instemmen, bijvoorbeeld wegens een zwaarwegend
bedrijfsbelang tegen de door de werknemer gewenste spreiding van de
uren over de week, dan kan hij daar geen eigen beslissing voor in
de plaats stellen. In het gegeven voorbeeld kan de werkgever op grond van
een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang het verzoek afwijzen om
gedurende de ochtenduren verlof toe te kennen, maar hij kan niet in
plaats daarvan bepalen dat aan de werknemer verlof wordt verleend gedurende
de middaguren. Dit is alleen mogelijk indien in het overleg met de
werknemer blijkt dat hij met dit voorstel ook kan instemmen. Het
voorgeschreven overleg strekt ertoe te bevorderen dat het verzoek zo mogelijk
wordt aangepast op een wijze die meer rekening houdt met de belangen van
de werkgever. Lukt dat niet, dan kan de werkgever het verzoek afwijzen.
Zesde lid
De werkgever heeft een
redelijke termijn om een beslissing te nemen op het verzoek van de
werknemer om langdurend zorgverlof. Voorkomen dient echter te worden
dat door het uitblijven van een beslissing van de werkgever ook het verlof
niet kan ingaan.
Daarom is in het zesde
lid bepaald dat indien de werkgever niet één week vóór het beoogde tijdstip
van ingang van het verlof de beslissing op het verzoek schriftelijk aan
de werknemer heeft medegedeeld, het verlof ingaat overeenkomstig het
verzoek van de werknemer.
De werknemer is op grond
van het eerste lid gehouden het verlof ten minste twee weken vóór de
beoogde ingangsdatum aan te vragen. Houdt de werknemer zich daaraan
niet, dan leidt het bepaalde in artikel 5:12, eerste lid (het verlof
gaat niet eerder in dan nadat twee weken zijn verstreken na het
verzoek), ertoe dat de werkgever steeds één week heeft voor de beslissing op het
verzoek, voordat aan het uitblijven van een beslissing het
rechtsgevolg wordt verbonden dat het verlof (één week later) ingaat.
De periode die de
werkgever tot zijn beschikking heeft voor het nemen van de beslissing is
"netto", aangezien deze periode verlengd wordt met het aantal dagen dat de
werknemer niet heeft voldaan aan een verzoek om schriftelijk
aanvullende informatie te verstrekken. Het verzoek om aanvullende informatie
moet ook worden gedaan in deze periode van één week. Indien het verzoek
om aanvullende informatie eerst na het verstrijken van die
periode is gedaan en de werkgever nog geen beslissing heeft genomen, is het
verlof immers op grond van het zesde lid al ingegaan.
Artikel 5:12
Het eerste lid is
complementair aan het voorschrift in artikel
5:11, eerste lid, dat de werknemer het
verlof ten minste twee weken vóór de beoogde aanvang van het verlof
aanvraagt. Houdt de werknemer zich niet aan die termijn, dan gaat het
verlof ook later in.
Indien werkgever en
werknemer daarover overeenstemming hebben bereikt, kan het verlof
echter op grond van het tweede lid eerder ingaan. In veel gevallen zal de
werkgever snel het verzoek van de werknemer om langdurend zorgverlof
kunnen inwilligen. Op grond van artikel 5:11, zesde lid, beslist de werkgever
uiterlijk één week vóór het beoogde tijdstip van ingang van het verlof. Op
grond van het tweede lid van artikel 5:12 kan de ingangsdatum van het
verlof op een eerder tijdstip worden gesteld dan twee weken na het verzoek.
rblz.|19|
Dit
impliceert dat de ingangsdatum van het langdurend zorgverlof op verzoek van de werknemer
vooraf kan gaan aan de datum waarop de werkgever heeft beslist.
Artikel 5:11, zesde lid, verzet zich daar niet tegen. Gedacht kan bijvoorbeeld
worden aan de situatie waarin de werkgever vijf dagen na het verzoek
positief beslist, de werknemer de tussenliggende dagen heeft overbrugd met
vakantiedagen en werkgever en werknemer in overleg en op verzoek van
de werknemer de ingangsdatum van het langdurend zorgverlof vaststellen op
de eerste dag waarover aanvankelijk vakantieverlof was
opgenomen. In een dergelijk geval kan de werknemer bij de indiening van het
verzoek hebben verzocht hem het verlof te verlenen met ingang van
een tijdstip dat twee weken later ligt, c.q. op een eerdere datum waarmee de
werkgever kan instemmen.
Artikel 5:13
Op grond van dit artikel
eindigt het verlof door het verstrijken van de duur waarvoor het is verleend,
dan wel door het overlijden van de terminaal zieke persoon of het kind
met een levensbedreigende ziekte of doordat het kind niet langer
levensbedreigend ziek is. Na afloop herleeft de verplichting van de
werknemer om arbeid te verrichten.
Goed werknemerschap vergt
dat de werknemer dergelijke omstandigheden uit eigen beweging meldt
aan de werkgever. Ook jegens het uitkeringsorgaan is de
werknemer verplicht tot gegevensverstrekking uit eigen beweging als het
verlof eerder eindigt dan overeengekomen (artikel 7:15
Wet arbeid en zorg).
In geval van overlijden
zal overigens op grond van het bepaalde in artikel 4:1 aansluitend een recht
op calamiteitenverlof van toepassing zijn gedurende een korte, naar
billijkheid te berekenen tijd.
Artikel 5:14
De regeling van het recht
op langdurend zorgverlof laat onverlet het in hoofdstuk 5, afdeling 1,
van de wet geregelde recht op kortdurend zorgverlof. Het is mogelijk dat
(behalve aan de voorwaarden voor het recht op langdurend zorgverlof)
tevens voldaan wordt aan de voorwaarden voor het recht op kortdurend
zorgverlof. De werknemer kan dan een beroep doen op kortdurend
zorgverlof. Artikel 5:14 houdt in dat de werknemer die de aanvraagperiode heeft
overbrugd met kortdurend zorgverlof dit met instemming van de
werkgever kan "omzetten" in langdurend zorgverlof. Indien werkgever en
werknemer daarover geen overeenstemming bereiken, wordt het verlof
over de eerste periode aangemerkt als kortdurend zorgverlof en gaat het
langdurend zorgverlof in twee weken na de aanvraag.
Artikelen 5:15 en
5:16
Deze artikelen vervangen
de huidige artikelen 5:9 en 5:10 van de
Wet arbeid en zorg, zoals
toegelicht bij de onderdelen E, F en G.
K [vervallen, red.]
Op grond van
artikel 7:5,
eerste lid, wordt een aanvraag om een financiële tegemoetkoming ingediend
uiterlijk vier weken na de ingang van het verlof. Op grond van
artikel 5:12, tweede lid, kan het verlof ingaan met ingang van een tijdstip
dat voorafgaat aan het moment waarop de beslissing op het verzoek wordt genomen. In verband hiermee wordt de periode
waarin de financiële
tegemoetkoming kan worden aangevraagd in geval van langdurend zorgverlof
met twee weken verlengd tot zes weken.
rblz.|20|
Op
grond van de voorgestelde toevoeging van het vierde lid aan
artikel 7:5 stelt de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels over de gegevens die bij de
aanvraag dienen te worden overgelegd. Deze regels kunnen ook, voor zover het
gaat om een aanvraag om langdurend zorgverlof, rechtstreeks betrekking hebben op de werkgever, waarmee een
zelfstandige
informatieverplichting van de werkgever in het leven wordt geroepen. Hierdoor wordt
voorkomen dat de aanvraag om een financiële tegemoetkoming van de werknemer niet zou kunnen worden toegekend in
gevallen waarin
informatie van de werkgever medebepalend is voor het recht van de werknemer op
de financiële tegemoetkoming en de werkgever de bedoelde informatie
niet zou verstrekken.
L [vervallen, red.]
Voor wat betreft het door
het UWV te verrichten onderzoek naar de rechtmatigheid van het recht op langdurend zorgverlof is aan het eerste lid van
artikel 7:6 toegevoegd
dat met betrekking tot de voorwaarde dat er sprake is van een terminale
zieke of een levensbedreigende ziekte van een kind het UWV kan afgaan op
hetgeen tussen werkgever en werknemer is vastgesteld.
Hierdoor wordt de omvang
van de door het UWV te verrichten toets enigszins beperkt om te
voorkomen dat het UWV in het kader van de beoordeling van de
aanvraag om een financiële tegemoetkoming standaard medische verklaringen zou
(moeten) verlangen. Indien het UWV nadere gegevens
noodzakelijk acht, bijvoorbeeld indien er aanwijzingen zijn voor oneigenlijk
gebruik, kan het UWV echter om nadere informatie verzoeken.
In geval van langdurend
zorgverlof is de financiële tegemoetkoming hoger dan voor de andere
verlofdoelen waarvoor een tegemoetkoming kan worden genoten. Dit is
neergelegd in het voorgestelde vierde lid van artikel
7:6. Op grond van
artikel 7:6 worden financiële tegemoetkomingen bij financiering van loopbaanonderbreking verleend over in de verlofperiode
gelegen volle maanden. De
wijziging van het vijfde lid is bedoeld om uitkering ook over een
deel van een maand mogelijk te maken, althans voor de financiële tegemoetkoming ingevolge het vierde lid bij langdurend
zorgverlof. Dit vergt
aanpassing van het door het UWV gebruikte uitkeringensysteem. Met
de daarmee gemoeide tijd zal rekening worden bij de implementatie en
(termijn van) inwerkingtreding van de voorgestelde wettelijke regeling.
M [vervallen, red.]
In
artikel 7:7, eerste
lid, onderdeel b, wordt abusievelijk niet verwezen naar een financiële
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7:6, eerste lid.
Vóór de inwerkingtreding van
de Wet arbeid en zorg werd in het vergelijkbare artikel van de
Wet financiering loopbaanonderbreking verwezen naar een bepaling van
die wet die
overeenkomt met artikel 7:6, eerste lid. De bij de integratie in de Wet
arbeid en zorg weggevallen verwijzing naar het laatstgenoemde artikel wordt hierbij
hersteld.
N [vervallen, red.]
De voorgestelde
wettelijke regeling van het recht op langdurend zorgverlof met een financiële
tegemoetkoming (ter hoogte van 70% van het wettelijk
minimumloon)
gaat niet gepaard met het vervallen van de mogelijkheid om ingevolge hoofdstuk 7
van de Wet arbeid en zorg op basis van een overeenkomst met de
werkgever onbetaald verlof op te nemen en gedurende het onbetaald
verlof een (lagere) financiële tegemoetkoming te ontvangen op grond van
artikel 7:6, derde lid.
rblz.|21|
Het
recht op langdurend zorgverlof is immers aan specifieke
voorwaarden gebonden. De reeds
bestaande mogelijkheden om anderszins onbetaald verlof op te nemen en
daarbij een financiële tegemoetkoming te ontvangen, wijken af van
die voorwaarden, zowel wat betreft het doel van het verlof als wat
betreft de kring van zorgbehoevenden en de duur van de financiële
tegemoetkoming.
Aangezien het recht op
langdurend zorgverlof niet dient ter vervanging van de bestaande financieringsregeling, kunnen regels over de verhouding
tussen het nieuwe recht
op langdurend zorgverlof en de bestaande mogelijkheid tot
financiering van loopbaanonderbreking ten behoeve van zorg of educatie niet
gemist worden. Dergelijke regels zijn te meer noodzakelijk omdat het (om een zo goed
mogelijke aansluiting op de behoefte te bereiken) wenselijk is
aan artikel 7:7, eerste lid, onderdeel b (de
"wachttijd"), de werking te
ontnemen in geval van langdurend zorgverlof. Bij deze regels worden de volgende
uitgangspunten gehanteerd:
• het recht op
langdurend zorgverlof en het al geldende regime voor financiering van
loopbaanonderbreking hebben bestaansrecht naast elkaar, ook indien het
palliatief verlof betreft ingevolge artikel 7:8;
• het recht op
langdurend zorgverlof en het al geldende regime voor het palliatief verlof
ingevolge artikel 7:8 zijn complementair en kunnen elkaar onder
omstandigheden ook in de tijd, en in willekeurige volgorde, opvolgen;
• indien in het jaar
voorafgaand aan het moment waarop langdurend zorgverlof wordt
opgenomen reeds een financiële tegemoetkoming is ontvangen voor verlof op
een andere grond, dient dat geen beletsel te zijn voor het ontvangen
van een financiële tegemoetkoming op titel van langdurend
zorgverlof;
• indien in het jaar
voorafgaand aan het moment waarop palliatief verlof op basis van artikel 7:8
wordt opgenomen reeds een financiële tegemoetkoming is ontvangen voor
langdurend zorgverlof, dient ook dat geen beletsel te zijn
voor het ontvangen van een financiële tegemoetkoming op titel van palliatief
verlof;
• binnen een periode
van twaalf maanden kan slechts eenmaal een financiële tegemoetkoming worden
ontvangen voor langdurend zorgverlof, maar het is wel mogelijk
om over een ander tijdvak dat is gelegen binnen die periode van één jaar tevens een tegemoetkoming te ontvangen voor palliatief
verlof op basis van artikel 7:8;
• binnen een periode
van twaalf maanden kan slechts eenmaal een financiële tegemoetkoming worden
ontvangen voor palliatief verlof op basis van artikel
7:8,
maar het is wel mogelijk (uiteraard op voorwaarde dat het om een persoon
gaat die binnen de definitie in artikel 5:9 valt) om over een
ander tijdvak dat is gelegen binnen die periode van één jaar tevens een
tegemoetkoming te ontvangen voor langdurend verlof.
Deze uitgangspunten
hebben geleid tot het volgende voorstel.
Op grond van het huidige
artikel 7:7, eerste lid, onderdeel b, kan een financiële
tegemoetkoming niet worden genoten indien de verlofganger in de periode van
één jaar voorafgaand aan het moment waarop hij verlof opneemt een financiële
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7:6, eerste lid, heeft ontvangen. Dat
is op grond van het huidige artikel 7:8 ook het geval bij palliatief
verlof.
De wijziging van
artikel
7:8 strekt ertoe om de in artikel 7:7, eerste lid, onderdeel
b, neergelegde
voorwaarde voor het recht op een financiële tegemoetkoming buiten
werking te stellen voor het geval waarin:
1. de werknemer recht
heeft op langdurend zorgverlof waarvoor hij een financiële
tegemoetkoming wil genieten en deze werknemer binnen de twaalf aan de
ingangsdatum van het verlof voorafgaande maanden een financiële
tegemoetkoming heeft ontvangen op een andere grond als rblz.|22|
bedoeld in artikel
7:1,
bijvoorbeeld in verband met studie, ouderschapsverlof of palliatief
verlof;
2. de werknemer
palliatief verlof op basis van artikel 7:8 (in deze context te onderscheiden van het
recht op langdurend zorgverlof als bedoeld in hoofdstuk 5, afdeling
2)
geniet waarvoor hij een financiële tegemoetkoming wil genieten en deze
werknemer binnen de twaalf aan de ingangsdatum van het verlof voorafgaande maanden reeds een financiële tegemoetkoming
heeft ontvangen op grond
van langdurend zorgverlof.
Op grond van de
voorgestelde wijziging kan de werknemer in een dergelijk geval toch opnieuw binnen
één jaar een financiële tegemoetkoming ontvangen. Deze
uitzondering wordt gerechtvaardigd geacht gelet op de bijzondere (en deels
onvoorziene) omstandigheden die aan het langdurend zorgverlof ten grondslag
liggen.
Het omgekeerde is niet
het geval: de werknemer die een financiële tegemoetkoming voor langdurend
zorgverlof of palliatief verlof heeft ontvangen, kan niet
binnen één jaar voor bijvoorbeeld ouderschapsverlof opnieuw een
tegemoetkoming ontvangen.
Het is evenmin mogelijk
om binnen één jaar tweemaal een tegemoetkoming te ontvangen voor
langdurend zorgverlof of palliatief verlof. Op grond van het nieuwe
artikel 7:9, tweede lid, (onderdeel O [vervallen, red.]) wordt de financiële tegemoetkoming verleend
voor verlof als bedoeld in hoofdstuk 5, afdeling
2, met
inachtneming van artikel 5:10, vierde lid, onderdeel
a.
In het tweede lid van
artikel 7:8 is sprake van "het moment waarop de verlofganger verlof
opneemt ten behoeve van de verzorging van een in het eerste lid bedoelde
zieke of ziekte". Verlof wordt niet opgenomen ten behoeve van (de
verzorging van) een ziekte, maar een zieke. De voorgestelde wijziging heeft een
taalkundige reden en heeft geen inhoudelijke betekenis.
O [vervallen, red.]
Op grond van het huidige
eerste lid van artikel 7:9 wordt de financiële tegemoetkoming verleend
voor de duur van het verlof, maar voor ten hoogste zes maanden. Het
wettelijk geregelde langdurend zorgverlof kan op grond van artikel
5:10, vierde lid, onderdeel a, niet langer zijn dan achttien weken. Nochtans kunnen
werkgever en werknemer in overleg een langere periode van langdurend
zorgverlof afspreken. Het is, gelet op de financiële en budgettaire
consequenties die dat zou hebben, ongewenst dat een dergelijke afspraak tot
gevolg zou hebben dat ook aanspraak kan worden gemaakt op een
(collectieve) financiële tegemoetkoming van langere duur.
Daarom wordt een nieuw
tweede lid van artikel 7:9 voorgesteld, op grond waarvan de (hogere)
financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel
7:6, vierde lid, wordt
verleend voor een aaneengesloten periode van ten hoogste achttien weken.
Deze termijn kan korter,
maar op grond van artikel 5:10, vierde lid, onderdeel
a, niet langer zijn dan
achttien weken.
Ingevolge het huidige
tweede lid van artikel 7:9 kan het bepaalde in
artikel 7:7, eerste lid,
onderdeel b, op grond waarvan in het jaar voorafgaande aan het moment waarop
verlof opgenomen wordt geen financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel
7:6, eerste lid, mag zijn ontvangen, bij collectieve regeling
buiten toepassing blijven. Het huidige derde lid van artikel 7:9 verbindt
daaraan dat de periode waarvoor een financiële tegemoetkoming wordt toegekend ten
hoogste achttien maanden is.
De (in onderdeel N [vervallen, red.])
voorgestelde wijziging van artikel 7:8 voorziet er reeds in dat de
"wachttijd"
niet van toepassing is indien het langdurend zorgverlof rblz.|23|
of palliatief
verlof op basis van artikel 7:8 betreft. Niettemin kunnen collectieve regelingen
afspraken ter zake bevatten. Voorop staat echter dat ook in geval van een collectieve regeling de maximumperiode van
achttien weken blijft gelden
waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden verleend als bedoeld in
artikel 7:6, vierde lid.
Hiertoe wordt een
wijziging van het vierde lid (het huidige derde lid) van artikel 7:9 voorgesteld,
op grond waarvan verlenging van de uitkeringsperiode niet mogelijk is bij
langdurend zorgverlof.
P [vervallen, red.]
In
artikel 91 van de
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is de
Wet arbeid en zorg gewijzigd in verband met de oprichting van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Op twee plaatsen, namelijk
artikel 7:12, tweede lid, en artikel 7:13, twaalfde lid, is echter
abusievelijk blijven staan "Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen". Dit
wordt thans gecorrigeerd.
Artikel II
[vervallen, red.]
Dit artikel ziet op de
situatie waarin de werknemer op de datum van inwerkingtreding van de wet reeds een
financiële tegemoetkoming ontvangt en hij tevens voldoet aan de
voorwaarden voor het recht op langdurend zorgverlof, waaraan een
hogere financiële tegemoetkoming is verbonden. Hij kan in dat geval op
grond van het eerste lid verzoeken om hem die hogere tegemoetkoming te
verlenen. Uiteraard dient daarbij wel te worden voldaan aan alle
daartoe geldende voorwaarden.
Ingevolge het tweede lid
dient een dergelijk verzoek binnen vier weken na de inwerkingtreding van
de wet te worden gedaan.
Het derde lid houdt in
dat indien de werknemer het verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft
gedaan, het vereiste van artikel 7:7, eerste lid onderdeel
b, van kracht blijft. Het
is dus niet mogelijk na afloop van het in langdurend zorgverlof "omgezette"
verlof opnieuw het niet-gebruikte deel van dat stopgezette
verlof op basis van artikel 7:8 met een financiële
tegemoetkoming te genieten. Dat zou
leiden tot onevenredige uitvoeringslasten.
Indien de werknemer die
palliatief verlof geniet dit "opmaakt" en na afloop daarvan langdurend
zorgverlof wil genieten en ook daarvoor een financiële
tegemoetkoming wil aanvragen, is dat echter mogelijk, omdat in dat geval het bepaalde
in het gewijzigde artikel 7:8, eerste lid, onderdeel
b, van toepassing is.
Artikel III
A
In de voorgestelde
wijziging van artikel 635, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek wordt
geregeld dat de werknemer aanspraak op vakantie verwerft over de
periode waarin hij geen recht heeft op loon omdat hij langdurend
zorgverlof geniet. Het derde lid van dat artikel ¹ biedt de werknemer die wegens
adoptieverlof niet gedurende een heel jaar aanspraak op loon
verwerft, over de volledige overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie
over het tijdvak dat hij recht heeft op een uitkering als bedoeld in
hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en
zorg. De voorgestelde
wijziging van het derde lid voorziet erin dat dit ook geldt voor verlof voor het
opnemen van een pleegkind.
1. Zoals gewijzigd bij de
Invoeringswet arbeid en zorg.
rblz.|24|
B
In artikel 670 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek worden de opzegverboden geregeld. Het zevende lid
van dit artikel bevat het verbod de arbeidsovereenkomst op te
zeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer zijn recht op
ouderschapsverlof te gelde maakt. In de voorgestelde wijziging van het zevende
lid wordt het opzegverbod uitgebreid tot de andere verlofrechten
die in de Wet arbeid en zorg zijn geregeld.
Artikel IV
Voor de toelichting op
dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel
B.
In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat een "afwijkende" regeling
als bedoeld in het voorgestelde dertiende lid van artikel 2 van de Wet
aanpassing arbeidsduur betrekking heeft op het elfde lid (en niet, zoals het
voorgestelde artikel 1:5, op de artikelen 4:7 en
5:16 van de Wet arbeid en
zorg).
Artikelen
V tot en met VIII [vervallen, red.]
Deze artikelen strekken
tot het aanbrengen van een tweetal kleine technische wijzigingen in artikel
9,
tweede lid, onderdeel e, van de Algemene
bijstandswet, artikel 5,
eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, artikel 6,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel
6,
eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
In deze artikelen wordt ter zake van het recht op ouderschapsverlof nog verwezen naar artikel 644
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, terwijl dit recht thans geregeld
is in hoofdstuk 6 van de per 1 december 2001 in werking getreden Wet arbeid en
zorg.
Voorts is de definitie
van onbetaald verlof in artikel 1 van de Werkloosheidswet,
waarnaar in de genoemde wetten wordt verwezen, in verband met artikel 43,
onderdeel C, onder 5, van de Invoeringswet
SUWI niet langer opgenomen in
onderdeel i, maar in onderdeel g. Deze wijziging wordt thans eveneens in
de genoemde artikelen verwerkt.
Artikel IX
[vervallen, red.]
In
artikel XXXIII van de
Invoeringswet arbeid en zorg is voorzien in aanpassing van het
voorstel van Wet
inkomstenbelasting 2001 in verband met de intrekking van de
Wet financiering loopbaanonderbreking bij de inwerkingtreding van de
Wet arbeid en zorg. In de artikelen 3.142, 8.11 en 8.16 van het genoemde
wetsvoorstel werden fiscale regels gesteld met betrekking tot
uitkeringen op grond van de Wet financiering
loopbaanonderbreking. Artikel XXXIII van de
Invoeringswet arbeid en zorg beoogde dit te wijzigen in uitkeringen op grond van de
"Wet arbeid en zorg". Thans
is het voorstel van Wet inkomstenbelasting 2001 tot wet verheven en in werking getreden.
Gebleken is dat deze aangelegenheid, die aanvankelijk in de artikelen 3.142,
8.11 en 8.16 van het voorstel van Wet
inkomstenbelasting 2001 werd geregeld, thans
is geplaatst in artikel 1.7a van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Artikel XXXIII van de de Invoeringswet arbeid en zorg heeft derhalve
niet het beoogde effect gehad.
rblz.|25|
Dit wordt hersteld door
het voorstel om alsnog artikel 1.7a te wijzigen. Uitkeringen ingevolge de
Wet arbeid en zorg worden op grond hiervan gelijkgesteld met inkomen
uit tegenwoordige arbeid.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert
De Minister van
Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
|