|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 623
Wijziging
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen 1998 en de Ziekenfondswet in verband met
invoering van een identificatieplicht bij het verkrijgen van zorg,
invoering van het sofinummer in de Wtz 1998, elektronisch
berichtenverkeer in de Ziekenfondswet en enige andere wijzigingen (fraudebestrijding
zorgverzekeringswetten)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 0 |
Inleiding |
| 1 |
Fraude met zorgpassen
door verzekerden |
| 2 |
Invoering van het
sofinummer in de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998 |
| 3 |
De elektronische
uitwisseling van gegevens in de Ziekenfondswet |
| 4 |
Overige wijzigingen in
de Wtz |
| 5 |
Overige wijzigingen in
de Zfw |
| 6 |
Financiële gevolgen
van het wetsvoorstel |
| 7 |
Advisering door het
College bescherming persoonsgegevens (CBP) |
| 8 |
Advisering door het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
[Algemeen,
red.]
Inleiding
In
het Hoofdlijnenakkoord "Meedoen, meer werk, minder regels" van 16 mei
2003 is aangegeven dat fraude met harde hand dient te worden tegengegaan
en bestreden. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer komt een ieder toe, maar
mag worden doorbroken indien wetshandhaving en bestrijding van criminaliteit dat vereisen (Kamerstukken
II 2002-2003, 28 637, nr. 19, blz. 10). In dat verband kondigt het kabinet onder meer aan dat
belemmeringen in de informatie-uitwisseling die een effectieve aanpak van misbruik van
de sociale zekerheid - waaronder de Zfw - verhinderen, zullen
worden weggenomen. De beoogde maatregelen die in
dit wetsvoorstel zijn
opgenomen, liggen in het verlengde van deze doelstellingen.
Met
het wetsvoorstel
beoogt de regering maatregelen te treffen die dienen ter voorkoming van
fraude bij de uitvoering van de socialeziektekostenverzekeringen. Fraude is een ruim
begrip. In deze toelichting wordt het begrip fraude gehanteerd zoals dat is gedefinieerd in het
rapport van de Universiteit Twente
"Frauderisicoanalyse gezondheidszorg" van 28 maart 2003
(Kamerstukken II 2002-2003, 28 828, nr. 1, bijlage): "het bewust handelen of
nalaten in strijd met wet- en regelgeving en/of het opzettelijk niet tijdig,
onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens, met het doel hierbij ten
onrechte uitgaven voor verstrekkingen (daaronder begrepen verstrekkingen
in natura) en/of uitgaven voor beheer ten laste van de voor zorg bestemde
(particuliere en publieke) middelen te brengen, minder te
betalen ten bate van die middelen of er extra inkomsten uit te ontvangen". Het
voorkomen, tegengaan en bestraffen van misbruik van de Ziekenfondswet
(Zfw) en de
Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) moet
worden gezien als een zwaarwegend maatschappelijk belang.
Het gaat immers om
uitgaven in de publieke sector. Zorgaanbieders, de
instellingen die zorg leveren, zorgverzekeraars, maar ook burgers zelf, hebben
bij het voorkomen en tegengaan van fraude een eigen verantwoordelijkheid.
Zorgverzekeraars hebben zelf ook al activiteiten ondernomen op dit
terrein, zoals het uitwisselen van informatie en rblz.|2|
het inventariseren van
oplossingen in het kader van het fraudeplatform van Zorgverzekeraars
Nederland (ZN). Om zorgaanbieders en zorgverzekeraars beter in staat te stellen
die eigen verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de Zfw en
de AWBZ ook waar te maken, moeten zij adequate instrumenten ter
beschikking hebben. Gebleken is dat de huidige wettelijke mogelijkheden in de praktijk ondersteuning behoeven
om fraude effectief te bestrijden. Naast de bestaande mogelijkheid van terugvordering of
strafrechtelijk optreden gaat het om versterking van preventieve en repressieve maatregelen die de kans op fraude verkleinen.
Met de invoering van
maatregelen om fraude door verzekerden of in de zorg tegen te gaan, beoogt
de regering zorgaanbieders en zorgverzekeraars middelen in handen te
geven die hen in staat stellen om de eigen
verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de Zfw
en de AWBZ waar te maken.
De regering beoogt een
drietal maatregelen in te voeren, te weten: een identificatieplicht in de
Zfw en de AWBZ, maatregelen ter ondersteuning van de administratieve
processen bij de uitvoering van de Zfw die de opsporing en het
tegengaan van fraude vergemakkelijken en de invoering van het
sociaal-fiscaal nummer (sofinummer) in de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998 (Wtz). Tevens wordt met
dit wetsvoorstel een aantal andere
wijzigingen in de Zfw aangebracht en wordt de Wtz aangepast aan bevindingen
die bij de evaluatie naar voren zijn gekomen. Met betrekking tot het
tegengaan van fraude gepleegd door zorgverleners worden separate
maatregelen getroffen in de Wet
tarieven gezondheidszorg.
Deze memorie van
toelichting is als volgt ingedeeld.
Hoofdstuk 1 betreft de
wijzigingen in de Zfw
en AWBZ in verband met fraude met zorgpassen.
In hoofdstuk 2 wordt de invoering van het sofinummer in de Wtz toegelicht.
Hoofdstuk 3 betreft de elektronische uitwisseling van gegevens in de
Zfw. In
de hoofdstukken 4 en 5 worden de andere wijzigingen in de Wtz
respectievelijk de Zfw toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de
financiële gevolgen van het wetsvoorstel. In de hoofdstukken
7 en 8 wordt
de advisering van respectievelijk het College bescherming
persoonsgegevens (CBP) en het Adviescollege toetsing administratieve lasten
(Actal) besproken. In
hoofdstuk 9 ten slotte volgt de artikelsgewijze
toelichting.
1. Fraude met zorgpassen
door verzekerden
"Ik moet naar de dokter,
mag ik even je zorgpas lenen?" is een kreet die een respondent die in het
rapport "Zorg om
Zorgfraude" aan het woord
komt regelmatig hoort (rapport van de Fraude Unit Oost van het openbaar ministerie van september
2001, Kamerstukken II 2002-2003, 28 600, nr. 103, bijlage 1, blz. 14).
"Een
vrouw die volgens haar medisch dossier twee keer in korte tijd is
bevallen; een man die plots geen litteken meer heeft van een forse
operatie."
Berichten zoals deze, uit de Haagsche Courant van 1 juli 2002, verschijnen steeds vaker in de
media. Ook signalen van
zorgverzekeraars wijzen erop dat de mogelijkheden tot het plegen van fraude in de zorg ook
worden benut. Het rapport "Zorg om
Zorgfraude" geeft de (on)mogelijkheden
van het plegen van fraude in de zorgsector weer. Ook het rapport "Reden tot
Zorg" dat Compliance Methodology Consultants (CMC) in
opdracht van ZN in augustus 2001 uitbracht, gaat in op de fraudegevoeligheid
van zorgverzekeringen.
Zorgaanbieders komen met
ziekenfondsen overeen om de verzekerden van dat ziekenfonds zorg
te verlenen op kosten van dat ziekenfonds. Op grond van die
overeenkomst dient een zorgaanbieder zich ervan te vergewissen dat aan een verzekerde
van dat ziekenfonds zorg wordt verleend rblz.|3|
en niet aan een
willekeurige ander. Veel ziekenhuizen volstaan ermee om degene die zich aan de
balie meldt te vragen naar een verzekeringsbewijs of zorgpas. Zij laten
daarbij na te controleren of degene die dit document presenteert daadwerkelijk
degene is op wiens naam het verzekeringsbewijs staat. Terwijl het
ziekenhuis dus niet zeker weet of degene aan wie zorg wordt gegeven
inderdaad de ziekenfondsverzekerde is waarvoor hij zich uitgeeft, stuurt het
ziekenhuis wel de rekening van de geleverde zorg naar het ziekenfonds. De
maatregel schrijft daarom aan verzekerden voor zich te legitimeren, maar
schrijft evenzeer voor dat een ziekenhuis de identiteit van de
ziekenfondsverzekerde controleert. Als dat niet gebeurt, is het niet toegestaan de
rekening van de aan die persoon verleende zorg aan een ziekenfonds te
sturen.
Het niet controleren van
de identiteit van de zorgvrager werkt fraude in de hand. Niet-ziekenfondsverzekerden
kunnen dan immers bij een ziekenhuis een verstrekking ten
laste van de ziekenfondsverzekering vragen op vertoon van een gestolen,
gehuurde of geleende zorgpas of verzekeringsbewijs van iemand die wel ziekenfondsverzekerd is.
Met "verzekeringsbewijs" of "zorgpas" wordt het bewijs van inschrijving aangeduid dat een
ziekenfonds verstrekt aan een bij dat ziekenfonds ingeschreven
verzekerde. Meestal wordt
daarvoor een plastic kaart op creditcardformaat
gebruikt waarop een aantal gegevens vermeld staat, maar het kan ook in een
andere vorm voorkomen. Bijna alle ziekenfondsen verstrekken tegenwoordig
het verzekeringsbewijs in de vorm van een plastic kaart. Hierna
wordt uit oogpunt van leesbaarheid gekozen voor het woord "zorgpas"
wanneer het bewijs van inschrijving wordt bedoeld. In het rapport "Reden
tot Zorg" is hierover aangegeven dat aan de zorgpas niet is te zien
of de persoon die zich laat behandelen ook werkelijk de persoon is aan wie de
zorgpas is afgegeven. Meerdere onverzekerde of minder goed verzekerde
personen kunnen dus één en dezelfde zorgpas gebruiken. Het rapport
vervolgt met de opmerking dat het zeker is dat dit soort fraude bestaat,
maar dat de omvang ervan onbekend is.
Indien een
niet-ziekenfondsverzekerde met de zorgpas van een ander zorg vraagt ten laste van de
ziekenfondsverzekering, heeft dat twee gevolgen. Ten eerste is er sprake
van misbruik van de Zfw. Door misbruik van de zorgpas van een ander kan
een niet-verzekerde voor ziekenfondsrekening gebruik maken van
medische hulp zonder dat daar, in de vorm van premiebetaling of eigen
betalingen, een vergoeding van zijn kant tegenover staat. Ten tweede
ontstaat er een risico op medische fouten, omdat de betrokken patiënt
wordt aangezien voor iemand anders met een ander medisch dossier.
Naar aanleiding van
bovenstaande problemen heb ik in mijn brief van 3 februari 2003
(Z/VV-2354354, Kamerstukken II 2002-2003, 28 600, nr. 103, bijlage 2) het CVZ [College
voor zorgverzekeringen, red.] verzocht om een uitvoeringstoets over het tegengaan van
zorgpasfraude. Het
CVZ
heeft op 27 maart 2003 hierover geadviseerd en het rapport "Fraude met zorgpassen en declaraties in de
zorgverzekering"
(kenmerk VERZ/23020431)
aan mij aangeboden.
Advisering door het CVZ
inzake zorgpasfraude
In het advies van 27
maart 2003 gaat het CVZ in op de in de brief van 3 februari 2003
voorgestelde maatregel waarbij sociaal verzekerden zich dienen te identificeren
bij opname in een instelling.
Het CVZ merkt op dat de
technisch meest superieure oplossing voor het identificatievraagstuk
bestaat uit de invoering van een chipkaart met een biometrisch kenmerk,
omdat daarmee zekerheid zou kunnen worden verkregen over de vraag
of de kaart en degene die de kaart in zijn bezit heeft bij elkaar horen.
Bovendien zou een chipkaart het voordeel bieden van reductie van de kans
op fouten in administratieve verwerkingsprocessen. Het CVZ
voegt hieraan
onmiddellijk toe dat het een dergelijke rblz.|4|
oplossing niet op korte termijn realiseerbaar
acht. Daarbij wijst het op
verschillende
initiatieven, waarbij men er tot op heden niet in is geslaagd een landelijke
chipkaartinfrastructuur tot stand te brengen. Een andere technische oplossing zou
het opnemen van een pasfoto op de bestaande zorgpas zijn. Het CVZ noemt
dit een "tamelijk dure, technisch inferieure oplossing". Evenals voor een
chipkaart zou voor een verzekeringsbewijs met pasfoto bij de aanmelding
bij een ziekenfonds persoonlijk contact nodig zijn om een dergelijk
systeem sluitend te maken. Dat heeft grote consequenties voor de ziekenfondsen en
voor de verzekerden. Zou het gebruik van een pasfoto niet
gekoppeld worden aan persoonlijke aanmelding, dan zou de waarde van de
zorgpas in het kader van fraudebestrijding slechts betrekkelijk zijn, aldus
het CVZ. Vervolgens concludeert het CVZ dat de mogelijkheden om op korte termijn te
voorzien in een adequate technische oplossing voor het identificatievraagstuk, klein
lijken. Daarom is
het CVZ van
mening dat de door de
regering overwogen maatregel, namelijk identificatie door middel van een
combinatie van verzekeringsbewijs en geldig identiteitsbewijs, in beginsel een redelijk effectief middel kan zijn om
zorgpasfraude tegen te
gaan.
De kans op zorgfraude
acht het CVZ het grootst wanneer er sprake is van curatieve zorg bij
massale en anonieme processen. Volgens het CVZ zal de reikwijdte van de
maatregel niet beperkt moeten blijven tot de situatie van opname in een instelling,
maar ook moeten zien op andere situaties waarin het CVZ de kans op
zorgfraude vrij groot acht, zoals huisartsenposten, poliklinieken en
eerstehulpafdelingen. Teneinde ervaring op te doen met de identificatieplicht
geeft het CVZ een stapsgewijze invoering in overweging en stelt voor te beginnen
met een identificatieplicht bij opname in een instelling.
Vanuit praktische
overwegingen ligt het volgens het CVZ in de rede dat de identiteitscontrole
plaatsvindt tijdens de administratieve procedure voor inschrijving in het
ziekenhuis ("intake").
Het CVZ
wijst erop dat
zekerheid over de vraag wie er uiteindelijk bij de zorgverlener in de spreekkamer
komt
alleen kan worden verkregen als de zorgverlener zelf de
identiteitscontrole verricht.
Het CVZ
geeft aan dat aan
degene die zorg ten laste van de ziekenfondsverzekering of AWBZ-verzekering
inroept een identificatieplicht moet worden opgelegd. Daarnaast
dient de zorgverlener of de instelling waar hij werkt betrokkene om
het identiteitsbewijs te vragen om zo vast te stellen of de zorgvrager
ook de verzekerde is voor wie hij zich uitgeeft. Deze verplichting kan
eventueel worden geregeld in de overeenkomst tussen zorgverlener of
instelling en het ziekenfonds. Daarvoor, zo stelt het CVZ, is evenwel
medewerking van de zorgverlener of instelling vereist. Als die medewerking niet
te verwachten valt, dan is een wettelijke regeling van deze verplichting
nodig. Het CVZ
merkt op dat gelet op de reactie van de Nederlandse Vereniging
van Ziekenhuizen (NVZ), bijlage bij het advies van 27 maart 2003, niet
op voorhand van deze medewerking kan worden uitgegaan.
De consequenties van
niet-naleving van de verplichtingen moeten volgens het CVZ duidelijk
zijn. Voor de zorgvrager zou moeten gelden dat het niet (kunnen of willen)
overleggen van een identiteitsbewijs als consequentie heeft dat er geen
aanspraak op (vergoeding van) zorg ten laste van de ziekenfonds- of AWBZ-verzekering
bestaat. Betrokkene zal dan de
kosten van behandeling
zelf moeten betalen.
De zorgverlener of
instelling die nalaat de identiteit van de zorgvrager ten laste van Zfw
of AWBZ te
controleren, zou de kosten van de verleende zorg niet bij het
ziekenfonds moeten kunnen declareren. Daarom moet de zorgverlener of
instelling die controle ook aantoonbaar uitvoeren. Zorgverleners hebben ook een belang bij
die controle, omdat het risico op medische fouten wordt verkleind. Bovendien benadrukt het CVZ dat
rblz.|5|
zorgverleners en instellingen
medewerker zijn van de ziekenfondsverzekering en dat zij daarom ook
medeverantwoordelijk zijn voor de controle op het rechtmatige gebruik van
die verzekering.
Het standpunt van de
regering
De burger die in het
dagelijkse leven diensten inroept, zal zich in het algemeen niet verbazen als hem om
een identiteitsbewijs gevraagd wordt. Als iemand geld van zijn
bankrekening wil opnemen, als iemand lid wil worden van een
bibliotheek, als iemand zich inschrijft bij een videotheek: in al deze gevallen wordt
aan de burger gevraagd zich te identificeren. En in het algemeen
identificeert die burger zich ook: identificatie bij het inroepen van diensten is
een maatschappelijk aanvaard verschijnsel.
In de nota "Persoonsnummerbeleid in het kader van identiteitsmanagement"
(Kamerstukken
II 2002-2003, 28 600 VII, nr. 21) heeft de regering aangegeven dat burger en
overheid een gemeenschappelijk belang hebben bij het
vaststellen van de identiteit. De burger dient zich in relatie tot de overheid te
kwalificeren als een gerechtigde tot het afnemen van bepaalde diensten of als
een burger die aan bepaalde verplichtingen voldoet. Er moet een
geldige reden bestaan om van een burger identificatie te verlangen. De regering
is van mening dat het inroepen van zorg ten laste van de socialeziektekostenverzekeringswetten een toereikende grondslag is voor de
identificatieplicht in Zfw
of AWBZ. In de socialezekerheidswetten is de identificatieplicht
overigens niet nieuw. In de sociale zekerheid bestaat
reeds jaren een identificatieplicht, bijvoorbeeld bij het aangaan van
dienstverbanden, bij de inschrijving als werkzoekende en bij de aanvraag van
uitkeringen of voorzieningen.
Tot nu toe is het niet
gebruikelijk dat de verzekerde die zorg ten laste van de Zfw
of de AWBZ vraagt
zich identificeert. Wel is in de regelgeving al opgenomen dat het
verzekeringsbewijs moet worden overgelegd en dat zorgaanbieders dienen
vast te stellen of iemand verzekerd is.
Een zorgverlener is
medeverantwoordelijk voor de controle op het rechtmatige gebruik van die
verzekering. Een zorgverlener komt met ziekenfondsen overeen om de verzekerden
van dat ziekenfonds zorg te verlenen op kosten van dat ziekenfonds.
Op grond van die overeenkomst dient de zorgverlener zich ervan
te vergewissen dat aan een verzekerde van dat ziekenfonds zorg wordt
verleend, en niet aan een willekeurige ander. Zorgverleners volstaan er
thans mee om degene die zich als patiënt meldt te vragen naar een
zorgpas. Zij laten na te controleren of degene die de pas presenteert
daadwerkelijk degene is wiens naam op de pas staat vermeld. Terwijl de
zorgverlener dus niet zeker weet of degene aan wie zorg wordt gegeven
inderdaad de ziekenfondsverzekerde is waarvoor hij zich uitgeeft, stuurt
hij wel de rekening van de geleverde zorg naar het ziekenfonds.
Door aan
degene die zorg inroept ten laste van de Zfw of AWBZ een verplichting op
te leggen zich te identificeren én door de zorgverlener te verplichten de
identiteit van die persoon te controleren, kan zorgpasfraude worden
tegengegaan. Dat dit daarnaast kan leiden tot verbetering van de
kwaliteit van de zorg is een gunstig neveneffect van deze maatregel.
Het CVZ
heeft geconstateerd dat als gevolg van zorgpasfraude risico bestaat op
(ernstige) medische fouten door onduidelijkheid over de identiteit van de
patiënt. Een dergelijke persoonsverwisseling heeft zich bij
één van de
academische ziekenhuizen al daadwerkelijk voorgedaan. Het risico als zodanig is
evenwel in elk ziekenhuis aanwezig. Zorgverleners en
instellingen hebben vanwege dit risico op medische fouten een nadrukkelijk
eigen belang bij het tegengaan van zorgpasfraude.
De Nederlandse Vereniging
van Ziekenhuizen (NVZ) en de Vereniging van Academische Ziekenhuizen (VAZ)
hebben aangegeven dat de verbetering rblz.|6|
van de kwaliteit van de
zorg voor ziekenhuizen een belangrijke factor is voor de mogelijke
invoering van een identificatieplicht. Voor de ziekenhuizen die hun patiënten nu
al
verzoeken om het verzekerings- en identiteitsbewijs mee te nemen, is, zo is
gebleken, dit kwaliteitsaspect een belangrijk argument
geweest om hun patiënten te vragen zich te identificeren.
Uit gesprekken die
gevoerd zijn met het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, het Rijnstate
Ziekenhuis te Arnhem en het Reinier de Graaf Gasthuis te Delft blijkt
dat patiënten in het algemeen begrip hebben voor dergelijke
maatregelen. Het meenemen en tonen van verzekeringsbewijs of legitimatie blijkt
vooral gebaseerd op begrip voor de maatregel, bekendheid met de
maatregel en een kwestie van gewenning. De ziekenhuizen die al vragen om een
identiteitsbewijs hebben in voorbereiding hierop hun patiënten
uitgebreid voorgelicht over het waarom van de genomen maatregel en
wijzen er ook vooraf op dat verzekeringspapieren en identiteitsbewijs
moeten worden meegenomen.
Bij de invulling van de
maatregel is een afweging gemaakt tussen het doel van de maatregel en de
praktische uitvoerbaarheid ervan.
Er is gekozen voor een
stapsgewijze invoering van de identificatieplicht. In eerste instantie wordt de
maatregel ingevoerd bij ziekenhuizen en poliklinieken, omdat daar het risico van
fraude het grootst lijkt. Dit wordt ook aangegeven in het eerder
genoemde advies van het CVZ van 27 maart 2003, het rapport van de Universiteit Twente van 28 maart 2003 en het
rapport "Risico’s op misbruik
in Ziekenfondswet
en AWBZ" van het College van toezicht op de
zorgverzekeringen van maart 2003. Stapsgewijze invoering maakt het mogelijk
ervaring op te doen met de organisatie van de identificatieplicht en de
administratieve procedures die dit met zich brengt en deze ervaring mee te
nemen bij de invoering in andere sectoren. Het kabinet onderkent dat
sommige onderdelen van de zorg minder gevoelig zijn voor zorgpasfraude
en dat het om die reden niet noodzakelijk is om een integrale
identificatieplicht in te voeren. Zo zal bijvoorbeeld een huisarts zijn patiënten meestal
kennen en is de kans op persoonsverwisseling kleiner. In de AWBZ ligt
zorgpasfraude, als gevolg van de geldende procedures en de
eigenbijdrageregeling niet zo voor de hand, hoewel die ook daar niet geheel is uit
te sluiten. Deze verschillen zijn de reden dat de identificatieplicht
gefaseerd wordt ingevoerd. Ik stel mij voor dat de effecten van de maatregel
in deze eerste fase na de invoering ervan worden geëvalueerd. Bij
die evaluatie kan ook het bedrijfseffect van de uitvoering van deze
maatregel bij ziekenhuizen in beeld worden gebracht. Op basis van deze
evaluatie kan worden bezien of en op welke wijze de maatregel wordt
uitgebreid naar andere vormen van zorg. Voor welke vormen van zorg de identificatieplicht zal gelden, wordt bij ministeriële
regeling geregeld. Dit
maakt de uitbreiding van de identificatieplicht in een later stadium
mogelijk zonder dat daartoe een wetswijziging nodig is.
Het CVZ
heeft aangegeven dat
een identificerende zorgpas voorlopig technisch niet haalbaar is. Ook ZN
heeft bij brief van 20 maart 2003 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 828,
nr. 1,
bijlage) de invoering van een identificerende zorgpas bezwaarlijk
genoemd, omdat het ombouwen van de huidige zorgpas tot een
technisch hoogstaand identiteitsbewijs/verzekeringsbewijs een
buitengewoon kostbare en omslachtige weg is. Voor identificatie zou
een echt identiteitsbewijs gebruikt moeten worden. De regering stelt zich
voor dat identificatie plaatsvindt aan de hand van een document als bedoeld
in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht (paspoort, Nederlandse
identiteitskaart of vreemdelingendocument) of een ander door de
Minister van VWS aan te wijzen document. Documenten als bedoeld in de
Wet op de
identificatieplicht zijn in het algemeen rblz.|7|
goed beveiligd tegen
vervalsing en worden bovendien onder gecontroleerde omstandigheden
uitgegeven.
Deze keuze voor
aansluiting bij reeds bestaande identificerende documenten ligt geheel in de lijn
van de kabinetsvoornemens in het kader van het Actieprogramma Andere
Overheid. De gedachte dat burgers niet overladen moeten worden
met allerlei verschillende pasjes voor de zorg, voor het voetbalstadion,
voor het openbaar vervoer, voor identificatie, enz., wordt in de Tweede Kamer
breed ondersteund. Het streven van het kabinet is er in elk
geval op gericht een zo eenvoudig mogelijke voorziening voor burgers te
realiseren (Kamerstukken II 2003-2004, 29 362, nr. 14). Voor wat betreft de
zorgsector is medio 2003 aansluiting gezocht bij de plannen van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om in het kader van
identiteitsverificatie in de socialezekerheidssector zoveel mogelijk aan te sluiten bij al
bestaande infrastructuur en identiteitsdocumenten (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600
XV,
nr. 116).
Voor zover bij het
inroepen van zorg een identificatieplicht is opgelegd, zal iedereen die zorg wil
inroepen ten laste van Zfw
of AWBZ in het bezit moeten zijn van een voor
identificatie geschikt document. Na de inwerkingtreding van het voorstel
van Wet op de uitgebreide identificatieplicht (Kamerstukken I 2003-2004, 29 218,
A) zal iedereen vanaf 14 jaar in
beginsel een legitimatiebewijs bij zich moeten hebben. De huidige
praktijk is dat (jonge) kinderen in de regel niet beschikken over een eigen
identiteitsbewijs. Zij zijn meestal bijgeschreven op het paspoort van
één
van hun ouders. In die gevallen zal identificatie moeten geschieden aan de
hand van het paspoort van de ouders. Als een kind een eigen identiteitsbewijs heeft, zal identificatie plaatsvinden aan de
hand van een eigen
Nederlandse identiteitskaart of paspoort.
Het ziekenhuis zal de
identiteit van betrokkene moeten controleren en aan de hand van een
identificerend document moeten vaststellen of betrokkene degene is die hij zegt te
zijn en of de naam van betrokkene overeenkomt met de tenaamstelling van
het verzekeringsbewijs of de zorgpas. Als niet blijkt dat het ziekenhuis de identiteit van de betrokkene die stelt
verzekerd te zijn,
controleert, mag het de kosten van de verleende zorg niet ten laste brengen van de
Zfw.
Het ziekenhuis zal dan de
kosten moeten verhalen op degene die de zorg heeft ontvangen. Het
ziekenhuis krijgt daarmee een rechtstreeks financieel belang bij het
controleren van de identiteit van betrokkene. Om te bewerkstelligen dat de kosten van
behandeling niet ten onrechte bij de ziekenfondsverzekering
worden neergelegd, zullen hierover in de overeenkomst tussen verzekeraar en
zorgaanbieder en/of zorginstelling afspraken dienen te worden gemaakt.
In de wet wordt expliciet opgenomen dat de genoemde administratieve
verplichtingen onderdeel van deze overeenkomsten dienen uit te maken.
Als
ziekenhuizen, ondanks hun inspanningen de kosten te verhalen op
onverzekerde zorgconsumenten, met oninbare vorderingen
blijven zitten, kunnen zij een beroep doen op de Beleidsregel
afschrijvingskosten dubieuze debiteuren. Deze regeling stelt ziekenhuizen in staat om
in overleg met de ziektekostenverzekeraars in hun budget een post voor oninbare vorderingen op te nemen.
De voorgestelde maatregel
staat niet in de weg aan het gegeven dat in Nederland zorgaanbieders
gehouden zijn medisch noodzakelijke hulp te verlenen, ongeacht de
vraag of iemand verzekerd is. De identificatieplicht is immers geen voorwaarde
voor zorgverlening, maar een voorwaarde voor betaling vanuit de ziekenfondsverzekering.
Er zijn omstandigheden
denkbaar dat iemand geen legitimatiebewijs bij zich heeft. Dit kan
bijvoorbeeld voorkomen in de situatie dat iemand na een ongelukje thuis of na
een ongeval bij de Eerste Hulp belandt. In dat geval zal het ziekenhuis
na behandeling alsnog moeten vaststellen of degene die de zorg heeft
gekregen ook de verzekerde was die hij stelt te rblz.|8|
zijn. In het wetsvoorstel
is geregeld dat de persoon of instelling die de zorg verleent iemand een
termijn van uiterlijk veertien dagen kan geven om zich alsnog te
legitimeren.
Door NVZ en ziekenhuizen
is naar voren gebracht dat het voorkomt dat patiënten niet bereid
zijn mee te werken aan een identificatieplicht. In dit verband is aan de orde
geweest of ziekenhuizen en zorgaanbieders in zo’n geval medische hulp
kunnen weigeren.
In Boek
7, titel 7, afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek is de overeenkomst inzake geneeskundige
behandeling geregeld. In artikel 7:452 is voorgeschreven dat de
patiënt de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking die
deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft, dient te
verstrekken. Dit is - naast de verplichting
tot betaling - de
belangrijkste verplichting van de patiënt. Van belang is daarbij dat de
hulpverlener bij de weigering van de patiënt om mee te werken daaraan
zo nodig
consequenties kan verbinden.
Ook kan dit gevolgen hebben voor de
mate waarin de patiënt de hulpverlener kan aanspreken wegens
tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst. Niet elke tekortkoming,
aldus de wetsgeschiedenis, zal ertoe mogen leiden dat de
patiënt de hulpverlener niet meer volledig kan aanspreken wegens
tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval en de mate
waarin het niet verstrekken van inlichtingen mede hebben geleid tot de tekortkoming.
Een arts die patiënt A in behandeling neemt, zal zich willen vergewissen dat de persoon die bij
hem komt voor een behandeling ook inderdaad patiënt A is.
De
patiëntgegevens in het dossier hebben dan alleen betrekking op patiënt
A. Op die
manier wordt voorkomen dat degene die zich voor patiënt A uitgeeft
in plaats van bloedgroep O-positief ineens bloedgroep AB blijkt te
hebben. De
kwaliteit van de zorg is hiermee gediend. Immers, zo kan voorkomen
worden dat iemand behandeld wordt op basis van patiëntgegevens van een
ander. De hulpverlener kan de identiteit van
die persoon in beginsel
alleen vaststellen aan de hand van een identiteitsbewijs. Zowel het nalaten van het
vaststellen van de identiteit door de hulpverlener als ook de weigering van de patiënt hieraan mee te werken,
kunnen gevolgen hebben
voor een goede uitvoering van de behandelingsovereenkomst.
Dit
impliceert dat de hulpverlener van de patiënt mag verlangen
dat hij diens identiteit kan vaststellen en dat hij, als de patiënt weigert aan
zo’n verzoek te voldoen, de behandelingsovereenkomst kan opschorten.
Deze
opschortingbevoegdheid is geregeld in artikel 6:262 van het Burgerlijk
Wetboek. Dit is een regeling die geldt
voor alle overeenkomsten,
en dus ook voor de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
De
opschorting van de behandelingsovereenkomst moet wel gerechtvaardigd
zijn. Als het gaat om iemand die een hartaanval heeft
gehad en per ambulance wordt binnengereden, bij spoedeisende of
levensbedreigende situaties derhalve, leidt het niet kunnen overleggen van een
identiteitsbewijs bezwaarlijk tot rechtvaardiging van de opschorting van de
behandeling. In andere situaties
- en dan gaat het over het
merendeel van de ziekenhuisbezoeken - ligt het belang dat een ziekenhuis of een
hulpverlener heeft om zich ervan te vergewissen dat de juiste persoon
behandeld wordt voor de hand.
In het geval dat iemand zich niet kan
legitimeren, kan in beginsel medische hulp (tijdelijk) worden opgeschort.
Deze
mogelijkheid ligt thans reeds besloten in de wettelijke bepalingen
inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Naast de bevoegdheid om
een behandelingsovereenkomst op te schorten, is ten aanzien van kwaliteitsnormen ook specifiek
één en ander geregeld
in de Kwaliteitswet
zorginstellingen. Die
wet biedt ziekenhuizen en zorgverleners de mogelijkheid om
voorwaarden te stellen aan de wijze waarop de zorg geleverd wordt,
teneinde goede kwaliteit te kunnen garanderen.
rblz.|9|
Om
verantwoorde zorg te kunnen leveren, dient een ziekenhuis bepaalde
organisatorische
maatregelen te treffen. Indien het dus gaat om zorg die wordt aangeboden in een
ziekenhuis, kan het vaststellen van de identiteit van degene die zorg
inroept zodanig georganiseerd worden dat reeds bij de "intake" die verantwoorde zorg gewaarborgd
wordt. Ook aan de balie
van het ziekenhuis mag
iemand dus teruggestuurd worden zolang die persoon weigert om zijn
medewerking te verlenen bij het vaststellen van diens identiteit.
ZN heeft aangegeven dat
de maatregel wellicht zal leiden tot een andere administratieve procedure
van inschrijving (opname of behandeling) in het ziekenhuis c.q. de
polikliniek. Degene die zich aan de balie meldt voor een behandeling wordt nu
al gevraagd waar hij verzekerd is. Deze informatie legt het ziekenhuis vast
in de administratie om te bepalen waar de rekening van de
behandeling naar toe gestuurd moet worden. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal
degene die zich presenteert als ziekenfondsverzekerde
zich ook moeten identificeren. Op die manier kan de ziekenhuismedewerker
controleren of degene die zich als ziekenfondsverzekerde presenteert ook
daadwerkelijk degene is die hij zegt te zijn.
Met de
NVZ, de VAZ en
met de hiervoor genoemde ziekenhuizen die nu al om een identiteitsbewijs
vragen, is overleg geweest over de wijze waarop de maatregel kan worden
ingevoerd. Vooropgesteld is dat grote aantallen personen jaarlijks een
ziekenhuis bezoeken voor opname of poliklinische behandeling.
In 2002 ging
het in totaal om bijna 8,3 miljoen eerste polikliniekbezoeken en
ruim 1,6 miljoen opnames (bron: CTG, juni 2003) in de circa 112 algemene,
categorale en academische ziekenhuizen. Waar het om zulke grote aantallen
gaat, is een eenvoudige procedure aangewezen. In de genoemde
ziekenhuizen blijkt de uitvoering van de procedures te verschillen.
Eén
ziekenhuis controleert wel de identiteit van betrokkene, maar legt deze niet
vast. In één ziekenhuis wordt altijd het identiteitsbewijs geregistreerd, in het
andere ziekenhuis alleen als de verzekeringsgegevens niet meteen verifieerbaar
zijn. De identificatie vindt centraal of decentraal plaats.
De wijze waarop
ziekenhuizen de onderhavige maatregel uitvoeren, kan door de ziekenhuizen zelf
worden bepaald, mits de doelstelling van de maatregel wordt
gerealiseerd: indien zorg wordt ingeroepen ten laste van de Ziekenfondswet, moet
de identiteit van degene die de zorg inroept, worden gecontroleerd. Of
dit eenmalig of bij elk bezoek gebeurt, op welke plaats dit gebeurt, met
welke waarborgen ziekenhuizen de controle omringen en dergelijke,
is afhankelijk van de situatie, de administratieve procedures in het ziekenhuis en eventueel andere overwegingen die het
ziekenhuis daarbij mocht hebben, en volledig ter beoordeling van het ziekenhuis.
Er is vooralsnog van
afgezien ziekenhuizen te verplichten te registreren welk document ter
identificatie is gebruikt. Een dergelijke registratieplicht zou door de grote
aantallen ziekenhuis- en polikliniekbezoeken extra administratieve lasten met zich
brengen. Ziekenfondsen kunnen op verschillende, door hen zelf te bepalen,
manieren controleren of identiteitscontrole in ziekenhuizen
plaatsvindt, bijvoorbeeld door ziekenhuizen te vragen naar de
administratieve procedures die voor de inschrijving voor opname of behandeling
gehanteerd worden of door feitelijke waarneming van dit proces. De wijze
waarop ziekenfondsen de wet uitvoeren, wordt gecontroleerd door het
College toezicht zorgverzekeringen.
Ik heb de verwachting dat
ziekenhuizen ook zonder een registratieverplichting het wettelijke
voorschrift om de identiteit van degene aan wie ten laste van de
ziekenfondsverzekering zorg wordt verleend, zullen uitvoeren. Indien mocht
blijken dat de identificatieplicht in de praktijk onvoldoende wordt
uitgevoerd, zal de regeling alsnog aangescherpt kunnen worden.
rblz.|10|
Het
beeld van de administratieve belasting die met de maatregel gepaard gaat, blijkt
divers. Het is
evident dat het vragen naar een identiteitsbewijs, de visuele controle van
betrokkene en van het identiteitsbewijs en het vergelijken met het
verzekeringsbewijs tijd kost. Mogelijk zullen ziekenhuizen hun administratieve
procedures moeten aanpassen. Evenwel is daarmee niet bij voorbaat
onmiskenbaar vast te stellen dat deze handelingen in het totaal van de
administratieve procedures extra lasten met zich brengen. Zo werd door
één van de genoemde ziekenhuizen aangegeven dat als gevolg van het
kunnen inzien van het identiteitsbewijs de kans op foutieve spelling
en daarmee verkeerde registratie van gegevens van de patiënt was
afgenomen. Ook kan in voorkomende gevallen doelmatiger facturering (aan de
juiste persoon aan het juiste adres) plaatsvinden als iemand niet verzekerd
blijkt te zijn. Deze administratieve belasting kan volgens de Minister
van Financiën worden gekwalificeerd als een inhoudelijke verplichting
en vormt geen administratieve last.
De regering erkent dat
het invoeren van een identificatieplicht voor verzekerden en een daaraan gekoppelde
verplichting tot vaststelling van de identiteit door de
zorgaanbieder of de instelling waar deze werkzaam is, de mogelijkheid van
zorgpasfraude niet volledig uitsluiten. Beoogd wordt een effectieve barrière
op te werpen die de kans op zorgpasfraude aanzienlijk verkleint. Mensen moeten doordrongen worden van het besef dat het belangrijk is dat
zij zich, om zowel financiële redenen als om het waarborgen van de
kwaliteit van de zorg, identificeren. Dat ziekenhuizen deze controle uitvoeren,
kan iedere burger die voor een knieoperatie naar het ziekenhuis moet, zijn
pols heeft gebroken of een afspraak in een polikliniek heeft, zelf
vaststellen. Ook ZN heeft aangegeven dat het belang van
de maatregel vooral moet
worden gezien in de preventieve werking die deze met zich zal brengen.
Hoewel elk geval van fraude er één te veel is, moeten nieuwe
beheersingsmaatregelen en de kosten daarvan in een redelijke verhouding
staan tot het risico en de omvang van de fraude. Daarnaast moet de
maatregel praktisch uitvoerbaar zijn. Maatregelen die erop gericht zijn
zorgpasfraude (vrijwel) volledig uit te sluiten, zouden niet alleen een zeer grote
administratieve belasting vergen, maar ook een andere keuze van middelen
en procedures, bijvoorbeeld een kaart met biometrische kenmerken of, bij wijze
van spreken, identiteitscontrole van een patiënt in de
operatiekamer door de chirurg zelf.
Inwerkingtreding en
voorlichting
Hierboven is gewezen op
het belang van goede voorlichting van het publiek en bekendmaking
met de administratieve procedures in ziekenhuizen. Om ziekenhuizen voldoende
voorbereidingstijd te geven en het publiek een
gewenningsperiode te gunnen, zullen artikel I,
onderdeel A en B, en artikel
III, onderdeel C en F, van het wetsvoorstel zes maanden na publicatie in het
Staatsblad in werking treden.
2. Invoering van het
sofinummer in de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
1998
Het sofinummer wordt om
twee redenen in de Wtz opgenomen. Ten eerste voor het
bestrijden van fraude en oneigenlijk gebruik van de Wtz. Ten tweede voor een
doelmatiger uitvoering van de Wtz en administratieve lastenverlichting.
De Commissie
terugdringing administratieve lasten zorgsector (commissie-De Beer) constateert in
haar rapport "Minder regels, meer
zorg" van 29 januari 2002 (op
blz. 26)
dat zich bewerkelijke mutaties voordoen bij de in- en uitschrijving van Zfw
naar Wtz en omgekeerd. Daarover meldt de commissie-De Beer het volgende.
"Mutaties veroorzaken administratieve rblz.|11|
lasten door zowel het
mutatieproces als vanwege het grote aantal complexe mutaties op
jaarbasis. Problemen in het mutatieproces worden met name veroorzaakt door
de betrokkenheid van verschillende partijen binnen en buiten de
sector en het feit dat voor het doorvoeren van een mutatie veel stappen
moeten worden doorlopen. Het grote aantal complexe c.q.
bewerkelijke mutaties wordt op jaarbasis met name veroorzaakt door studenten en
flexwerkers." De aanbeveling van de commissie-De Beer ter oplossing van
deze problematiek is het aantal complexe mutaties te verminderen door de
mobiliteit van bepaalde groepen verzekerden "aan banden te
leggen" (blz. 61).
In het rapport van de commissie-De Beer
is geconstateerd dat voor studenten het doorvoeren
van de mutaties bij de in- en uitschrijving van Zfw naar Wtz en omgekeerd
veel administratieve lasten oplevert. De commissie geeft verder
onder meer aan dat het aantal complexe mutaties voor flexwerkers bij
wijzigingen in de verzekeringssituatie administratieve lasten opleveren.
Het
betreft dan onder meer de controle en vordering bij flexwerkers bij wisseling
van verzekering ingeval een periode niet is gewerkt en er geen recht
op ziekenfondsverzekering bestaat.
Zoals ik in mijn bij
brief van 28 november 2002 aan de Tweede Kamer toegezonden
implementatieplan "Minder regels, meer
zorg" (Kamerstukken II
2002-2003, 24 036, nr. 272, blz. 8) heb aangegeven, vormt de mobiliteit van de groep studenten en
het feit dat er te weinig is geregeld rondom digitale gegevensuitwisseling een
probleem. Daarbij is aangegeven te
zullen bezien op welke
wijze dit laatste aspect kan worden gefaciliteerd. De Stichting uitvoering
omslagregelingen (Suo) heeft met betrekking tot de oplossing van dit
probleem gewezen op de mogelijkheid van het gebruik van het sofinummer.
Als voorbeeld noemt de Suo met betrekking daartoe het overgaan van een collectiviteit van de
ene particuliere ziektekostenverzekeraar naar een andere en de af- en
aanmelding van de verzekerden met standaardpakketverzekering voor de omslagregeling
ingevolge de Wtz. De controle van de gegevens gebeurt thans
handmatig en neemt daardoor veel tijd in beslag. De mogelijkheid de
gegevens van het afgemelde verzekerdenbestand en het aangemelde
verzekerdenbestand te controleren met gebruikmaking van het sofinummer zou
deze procedure vereenvoudigen en minder foutgevoelig en daardoor
minder fraudegevoelig maken. Deze problemen doen zich niet alleen
voor bij de in- en uitschrijving van studenten van ziekenfondsverzekering
naar de Wtz-verzekering, maar ook bij wisseling van verzekering van flexwerkers
(uitzend- en oproepkrachten) en bij andere mutaties waarbij
iemand vanuit een andere verzekering in de Wtz-verzekering komt of
weer uit de Wtz-verzekering gaat. Het is derhalve wenselijk voor Wtz-verzekerden het
sofinummer op te nemen en
gegevensverkeer aan de
hand van dit nummer te doen plaatsvinden.
Mutaties bij in- en
uitschrijving van Zfw
naar Wtz en omgekeerd
In artikel 3 van de Wtz
is voor ziektekostenverzekeraars de verplichting neergelegd om aan
bepaalde bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van
personen een overeenkomst van standaardverzekering aan te bieden. Dit is
onder voorwaarden onder meer geregeld voor flexwerkers die bij einde van de dienstbetrekking niet langer
ziekenfondsverzekerd zijn. In die situatie moet een ziektekostenverzekeraar die flexwerker accepteren
voor de standaardpakketverzekering. Verder is dit geregeld voor
studerenden met eventuele partner en kinderen indien zij recht hebben op
studiefinanciering ingevolge de Wet
studiefinanciering 2000 (WSF
2000).
Studenten die
recht hebben op studiefinanciering krijgen tegen een beperkte premie
recht op een zogenoemde studentenstandaardpakketverzekering (SSPP).
Exclusief
wettelijke bijdragen voor de Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ) en voor de Wtz is
een student (in 2003) tot 20 jaar rblz.|12|
€|217,80 per jaar kwijt
aan premie voor de SSPP en een student van 20 jaar of ouder een bedrag van €|9,48.
Het recht op de beperkte premie vervalt zodra geen recht op
studiefinanciering meer bestaat.
De standaardpakketverzekering kan dan voor het normale
premietarief (in 2003 €|1417,- per jaar, exclusief
wettelijke bijdragen) worden voortgezet, tenzij die verzekering door de verzekerde wordt
beëindigd. Deze acceptatieplicht geldt niet voor
WSF 2000-gerechtigden die ziekenfondsverzekerd zijn en ook niet voor
studenten die deelnemer
zijn aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren.
Veel studenten hebben
naast hun studie een baantje om bij te verdienen. Indien de student als
werknemer een inkomen heeft onder de loongrens, is hij over het algemeen
ziekenfondsverzekerd. Als de student (tijdelijk) stopt met werken (bijvoorbeeld
voor tentamens), vervalt de grond voor ziekenfondsverzekering. De student die zich als ziekenfondsverzekerde
heeft ingeschreven bij
een ziekenfonds zal zich dan als zodanig dienen uit te schrijven. Hij zal
vervolgens contact moeten opnemen met een particuliere ziektekostenverzekeraar
om een SSPP af te sluiten. Als hij weer aan het werk gaat, zal hij
zich als ziekenfondsverzekerde weer in moeten schrijven bij een
ziekenfonds als hij aanspraak op zorg wil hebben.
De administratieve
handelingen samenhangende met de controle op de verzekeringsgerechtigdheid
zijn als van het sofinummer gebruik kan worden gemaakt,
makkelijker uit te voeren. Indien daarnaast de gegevensuitwisseling elektronisch plaatsvindt,
biedt de koppeling met het sofinummer de mogelijkheid gegevens
te verifiëren en te controleren.
Daarmee wordt de
afhankelijkheid van informatie die van de student zelf afkomstig is,
teruggedrongen en de kans op ontdekking van eventueel misbruik groter.
Gedacht
kan daarbij worden aan controle door de Informatie Beheer Groep
(IB-Groep) voor
het recht op studiefinanciering ingevolge de WSF
2000.
Het gebruik van het sofinummer
Het
sofinummer is het
nummer waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de rijksbelastingdienst. Artikel 2, derde lid, onderdeel
j, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat het sofinummer het nummer is waaronder
een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de rijksbelastingdienst. Verder is in dat artikel vastgelegd dat het nummer tevens dient als
registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering van de
wettelijke voorschriften inzake de sociale zekerheid.
Het sofinummer wordt toegekend aan alle personen die volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
(GBA) in Nederland
verblijven (bij geboorte of vestiging in Nederland) alsmede aan alle personen
die onder de Nederlandse belastingwetgeving of de Nederlandse
wetgeving inzake sociale zekerheid vallen.
Indien het nummer is bekendgemaakt
aan iemand die een standaardpakketverzekering heeft gesloten, kan het
nummer in de administratie van de verzekeraar worden opgenomen.
In artikel 24 van de
Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) is bepaald dat een nummer dat ter identificatie van een persoon wettelijk is voorgeschreven,
in een
persoonsregistratie of bij verstrekken van gegevens daaruit slechts wordt
gebruikt ter uitvoering van de betrokken wettelijke regeling dan wel voor
doeleinden die bij de wet zijn bepaald. Algemene randvoorwaarde daarbij is
dat persoonsgegevens niet worden verwerkt op een wijze die
onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.
Ook het sofinummer is
een wettelijk voorgeschreven nummer als bedoeld in artikel 24 van
de Wbp. Aan organisaties en personen die ingevolge enige wettelijke regeling
met de uitvoering van een publieke taak rblz.|13|
zijn belast, kan het
gebruik van het sofinummer worden toegestaan indien dit noodzakelijk
is met het oog op de bestrijding en het tegengaan van fraude. Voorts kan
het gebruik worden toegestaan met het oog op de structurele
gegevensuitwisseling van persoonsgegevens met andere (particuliere) instanties
en personen die gerechtigd zijn het nummer te gebruiken voor zover de
uitwisseling van gegevens met die instanties bij of krachtens wet is
voorzien. Het gebruik ten behoeve van de controle op het recht op bij
voorbeeld een SSPP-verzekering voldoet aan zowel de voorwaarde voor de
gegevensuitwisseling als aan die voor de fraudebestrijding. Indien een student die
een SSPP heeft gesloten niet meldt dat hij niet langer
WSF 2000-gerechtigd is, kan hij onterecht de beperkte premie voor
die verzekering blijven betalen.
De premie voor een SSPP voor een 21-jarige bedraagt in
2003 €|9,48 per jaar, terwijl een 21-jarige die een
"gewone" standaardpakketverzekering heeft gesloten in 2003 €|1417,- per
jaar betaalt (exclusief
de wettelijke bijdragen). De mogelijkheid van controle op recht op een
SSPP is derhalve vanuit fraudeoogpunt van groot belang.
De controle met
gebruikmaking van het sofinummer vergemakkelijkt het proces.
Het doel van
de invoering van het sofinummer in de Wtz is immers het verlichten
van de administratieve lasten bij gegevensuitwisseling en fraudebestrijding.
Om ongewenste
consequenties voor de persoonlijke levenssfeer van de standaardpakketpolisverzekerden
te voorkomen, blijft het gebruik van het sofinummer in de
Wtz-verzekering strikt beperkt tot de uitvoering van die wet.
Het gebruik van het sofinummer in de Wtz
De
ziektekostenverzekeraars die de Wtz uitvoeren, zullen worden verplicht tot gebruik van het
sofinummer in de verzekerdenadministratie met betrekking tot de Wtz,
behalve in die gevallen waarin aan Wtz-verzekerden geen sofinummer is
bekendgemaakt. Verder zal de Suo het sofinummer gebruiken ten behoeve van
de uitvoering van de Wtz-omslagregeling.
Na acceptatie van een
persoon voor de standaardpakketverzekering beoordeelt de verzekeraar of het
risico van de verzekerde zodanig is dat onderbrengen van dat risico in de
omslagregeling gewenst is. De Suo controleert of de verzekerde behoort
tot de categorieën van personen voor wie de toegang tot het
standaardpakket is geregeld.
De Suo stelt vervolgens de verzekeraar van zijn
beslissing op de hoogte. Voor het berichtenverkeer met betrekking tot deze
taken mag het sofinummer gebruikt worden.
Verder
is de mogelijkheid opgenomen dat bijvoorbeeld bij het berichtenverkeer met de
IB-Groep
gecommuniceerd
wordt met behulp van het sofinummer.
Inwerkingtreding
Zorgverzekeraars zullen
in de uitwisseling van de gegevens op basis van het sofinummer het berichtenverkeer met de
Suo moeten
wijzigen. De Suo zal haar systeem ook
hierop moeten aanpassen. Om deze reden is het voornemen dit onderdeel
eerst met ingang van 1 januari 2005 in werking te doen treden.
3. De elektronische
uitwisseling van gegevens in de Ziekenfondswet
Voor de uitvoering van de
Zfw
vindt een aanzienlijke informatieoverdracht plaats tussen
ziekenfondsen enerzijds en onder meer werkgevers, verzekerden, uitvoeringsinstellingen
van de werknemersverzekeringen, rijksbelastingdienst,
pensioenfondsen en tal van andere instellingen en personen anderzijds.
Het
merendeel van deze informatie wordt op papier uitgewisseld.
rblz.|14|
Met
het verwerken van deze papieren informatiestromen in de
geautomatiseerde administraties van de diverse instanties gaan veel tijd en navenante
kosten gepaard.
De ziekenfondsen, ZN en het CVZ
hebben zich daarom beraden op mogelijkheden om bepaalde gegevensuitwisselingen efficiënter te doen plaatsvinden.
Daarbij is bezien of veel
voorkomende papieren informatiestromen ook elektronisch zouden
kunnen plaatsvinden en of voor de uitvoering van de Zfw
gebruik kan worden gemaakt van gegevens die elektronisch voor een
ander doel dan die voor de uitvoering van de Zfw bij een instantie zijn
aangeleverd. Het op elektronische wijze aanleveren en verwerken van zulk berichtenverkeer zou kunnen leiden tot een
efficiencyverbetering in
de administratieve procesvoering van de ziekenfondsen en de andere betrokken
instanties.
Het regeringsbeleid met
betrekking tot elektronische uitwisseling van gegevens
De
uitwisseling die thans
tussen de zorgsector en de socialeverzekeringssector plaatsvindt, staat niet
op zichzelf, maar vindt plaats in een groter geheel van ontwikkelingen
op het gebied van automatisering binnen de publieke sector. Het "Programma voor de ontwikkeling van het
RINIS-concept in de
zorgverzekeringssector" [RINIS: Routeringsinstituut (Inter)nationale Informatiestromen,
red.] dat in november 2001 is gestart,
werd ter stimulering mede
gefinancierd door het inmiddels afgesloten Programma Stroomlijning
Basisgegevens. Dit Programma was onderdeel van het Actieprogramma
Elektronische Overheid (Kamerstukken II 2001-2002, 26 387, nr. 1) en
viel onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. In het Programma Stroomlijning
Basisgegevens participeerden verder de ministeries van Economische
Zaken,
van Financiën, van Justitie, van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieu, van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer
en Waterstaat, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het
CBP.
Het Programma
Stroomlijning Basisgegevens had tot doel om een impuls te geven aan de
totstandkoming van een stelsel van authentieke registraties die door verschillende
overheidsorganisaties worden opgezet. Uitgangspunt
daarbij is dat de betrokken gegevens slechts eenmaal door de overheid worden
verzameld en vervolgens verplicht door alle andere overheidsorganisaties
worden gebruikt. Voorwaarde voor iedere authentieke registratie is onder
andere dat deze bij wet de enig officieel erkende registratie is voor de
gegevens die erin voorkomen.
Zo zijn in de GBA alle persoonsgegevens verzameld.
Het GBA voldoet aan de gestelde definitie voor een authentieke
registratie.
Bij de uitwisseling die
plaatsvindt tussen de zorgverzekeringssector en de socialeverzekeringssector
neemt de ontwikkeling van de uniforme verzekerdenadministratie (VZA) tot polisadministratie een belangrijke
plaats in. In het voorstel
van Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten (Walvis; Kamerstukken II 2001-2002,
28 219, nr. 2), welk voorstel valt onder de verantwoordelijkheid van de
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wordt ter vervanging van
de VZA de polisadministratie geïntroduceerd met de ambitie om haar op
termijn aan te merken als authentieke registratie van lonen, arbeids- en
uitkeringsverhoudingen (dienstverbandgegevens). Dat wetsvoorstel voorziet
onder meer in een vereenvoudiging in de vaststelling van
premieloon.
De polisadministratie
registreert dienstverbandgegevens die ter beschikking staan aan instanties
binnen én buiten het domein voor werk en inkomen, zoals in casu de
zorgsector gebruik zal maken van de dienstverbandgegevens van
het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.]. Het uiteindelijke doel dat voor ogen
rblz.|15|
staat, is dat de
polisadministratie de authentieke bron wordt voor verzekeringsgerechtigdheid
ingevolge de Zfw. Over de stand van zaken van het
(interdepartementale) Programma Stroomlijning Basisgegevens is in september 2001 een
voortgangsrapportage aan de Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2001-2002,
26 387, nr. 11).
Voorts is in de
eindrapportage van de in hoofdstuk 3 al genoemde commissie-De Beer van 29
januari 2002 de aanbeveling opgenomen de drempel voor
zorgverzekeraars om deel te nemen aan het RINIS-netwerk te verlagen door bij
deelname hieraan te garanderen dat het papieren berichtenverkeer wordt
afgeschaft. Deze aanbeveling is in lijn met de doelstellingen die de
regering met het Programma Stroomlijning Basisgegevens voor ogen staat en is
ook in lijn met de voortgang van de ontwikkeling van het RINIS-concept in
de zorgverzekeringssector zoals het CVZ
dat in zijn rapport "RINIS
in de zorgverzekeringen; een jaar verder" heeft aangegeven.
In het implementatieplan
van de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar
aanleiding van deze voorstellen van 28 november 2002
(Kamerstukken II 2002-2003, 24 036, nr. 272) is aangegeven dat het voornoemde
voorstel van de commissie-De Beer van harte ondersteund wordt en dat
het streven van het "Programma voor de ontwikkeling van het
RINIS-concept in de zorgverzekeringssector"
erop gericht is dat alle
ziekenfondsen aan de gegevensuitwisseling zullen deelnemen en dat het papieren
bericht zal komen te vervallen.
De werking van het
RINIS-netwerk
In de periode april tot
en met augustus 1999 heeft een proef plaatsgevonden met elektronische gegevensuitwisseling tussen ziekenfondsen en
uitvoeringsinstellingen (uvi’s)
van de werknemersverzekeringen (thans: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV)) over de aan- en afmelding van werknemers
voor de ziekenfondsverzekering.
Daarbij werd gebruik gemaakt van het
netwerk van het Routeringsinstituut (Inter)nationale Informatiestromen (RINIS-netwerk). Dit
is een netwerk voor intersectorale gegevensuitwisseling dat
reeds gedurende een aantal jaren in de
socialeverzekeringssector in gebruik is.
De aan- en afmelding van
werknemers gaat thans als volgt: bij indiensttreding van een werknemer stuurt
de werkgever een meldingsformulier sociale verzekering (MSV)
aan de uitvoeringsinstelling van de werknemersverzekeringen. Als het inkomen van een
werknemer in de zin van de Ziektewet onder de loongrens van de
Zfw
valt en hij derhalve
ziekenfondsverzekerd is,
stuurt de werkgever aan het ziekenfonds tevens een zogenaamde verzekeringsverklaring werkgever
(VVW). Een aantal van de gegevens die in de
MSV
staan vermeld, komen terug in de VVW. Het UWV verwerkt de gegevens
van de MSV in zijn administratie en het ziekenfonds verwerkt de
gegevens van de VVW in zijn administratie.
Tijdens de genoemde proef
is onderzocht of de ziekenfondsen de gegevens die zij nodig hebben voor
de aan- en afmelding van werknemers, in elektronische vorm uit de
administraties van de uitvoeringsinstellingen konden krijgen. De
doelstelling van de proef was tweeledig. Ten eerste ging het erom ervaring
op te doen met de technische realisatie van een gegevensuitwisseling en
ten tweede om de vraag of deze gegevensuitwisseling tussen het UWV en de
ziekenfondsen zou kunnen bijdragen aan een efficiënter aan-
en afmeldingsproces. De einddoelstelling van de proef was om te bezien of
het mogelijk zou zijn de verplichting voor werkgevers om aanvang en einde van
de ziekenfondsverzekering rechtstreeks aan het ziekenfonds te
melden, te doen vervallen. In plaats van het bestaande papieren
bericht zou het ziekenfonds dan via het RINIS-netwerk een elektronische melding
van het UWV ontvangen, welk bericht is afgeleid uit de gegevens die de
werkgever aan het UWV heeft gemeld.
rblz.|16|
Een
cruciaal punt bij de
elektronische gegevensuitwisseling is dat de gegevens die worden
aangeleverd voor verschillende ziekenfondsen bestemd zijn. Als het UWV
van een werkgever een melding ontvangt over de indiensttreding van
een werknemer die tevens ziekenfondsverzekerd is, is bij het UWV niet
bekend bij welk ziekenfonds deze werknemer is of wordt ingeschreven. Er is
derhalve evenmin bekend naar welk ziekenfonds het bericht over het
ontstaan van ziekenfondsverzekering moet worden gestuurd.
Zoals hiervoor is vermeld,
is bij de proef gebruik gemaakt van het zogenaamde RINIS-netwerk. Dit netwerk
is opgezet door het (toenmalige) Landelijk instituut
sociale verzekeringen, Arbeidsvoorziening Nederland en de
Sociale
Verzekeringsbank (SVB) en is sinds 1996 ondergebracht in de Stichting
RINIS. Het
RINIS-netwerk wordt thans gebruikt voor gegevensuitwisseling
tussen onder meer het UWV, de gemeentelijke sociale diensten, de rijksbelastingdienst, de
IB-Groep en de SVB.
Basisvoorwaarde voor de
gegevensuitwisseling in het RINIS-netwerk is dat zowel de afzender als
de ontvanger van de gegevens bevoegd zijn het sofinummer in hun
administratie te voeren en dat er een wettelijke basis moet zijn voor de
concrete gegevensuitwisseling. De ziekenfondsen voldoen aan deze
basisvoorwaarde. In
artikel 40 van de Zfw
is bepaald dat
een ziekenfonds in zijn
administratie het sofinummer opneemt en dat bij de gegevensverstrekking
van dit nummer gebruik wordt gemaakt.
In het RINIS-netwerk
kunnen meerdere partijen in verschillende (publieke) sectoren waarin het
sofinummer gebruikt wordt met elkaar communiceren. Dit gaat in grote lijnen
als volgt. Per sector is er een centrale "brievenbus"
ingericht, het
sectoraal aanspreekpunt. Het berichtenverkeer van de ziekenfondsen naar het
sectoraal aanspreekpunt van de zorgverzekeringssector (hierna te noemen:
SAP-Zorgverzekeringen (SAP-Z)) gaat via het voor dit
doel aangelegde elektronische netwerk van de ziekenfondsen. Het SAP-Z is aangesloten
op het RINIS-netwerk. De gegevens van een bij een
ziekenfonds ingeschreven verzekerde kunnen worden uitgewisseld met de
gegevens die in een andere sector van die persoon bekend zijn. Dit wordt
gedaan aan de hand van een gegevensbestand (verwijsindex) dat berust
bij het SAP-Z. In dit gegevensbestand fungeert het sofinummer als
sleutel voor de aan deze persoon hangende gegevens. In de verwijsindex is te
vinden over welke persoon en bij welke organisatie uit die
sector gegevens zijn vastgelegd. Op die manier kunnen sectoren onderling
gegevens uitwisselen, zonder dat bekend is van welke organisatie die gegevens
komen of waar ze naar toe moeten.
Toegepast op het
voorbeeld van de aan- en afmelding van ziekenfondsverzekerden loopt de gegevensuitwisseling in grote lijnen als volgt.
Het UWV (op dit moment
zijn de bij de voormalige uvi’s gebruikte geautomatiseerde systemen nog niet
geheel
geïntegreerd, zodat nog door verschillende onderdelen
van het UWV gegevens worden aangeleverd) ontvangt een melding over
indiensttreding en (onder meer) verzekering ingevolge de Zfw
van de werkgever. Nadat het UWV de melding in zijn
administratie heeft
verwerkt, worden de gegevens ten behoeve van de ziekenfondsverzekering
hieruit afgesplitst en met vermelding van het
sofinummer van de
betrokken werknemer doorgezonden naar het sectoraal aanspreekpunt van de
socialezekerheidssector (hierna te noemen: SAP-SV). Zowel het SAP-SV
als het SAP-Z zijn aangesloten op het RINIS-netwerk. Via dit netwerk wordt
aan de hand van het sofinummer dat in de verwijsindex van het
SAP-SV bekend is, nagegaan of deze persoon ook in de door de ziekenfondsen
van gegevens voorziene verwijsindex van het SAP-Z bekend is.
Als dat
het geval is, wordt het bericht van het SAP-SV naar het SAP-Z gestuurd
en vandaar naar het ziekenfonds waar die persoon in de
administratie is ingeschreven.
Door deze vorm van
uitwisseling kan de werkgever waar het oorspronkelijke gegeven dat iemand in
dienst is getreden en ziekenfondsverzekerd is, rblz.|17|
volstaan met één
(papieren of elektronische) melding aan het UWV.
Op deze wijze kunnen de
noodzakelijke gegevens volautomatisch naar het juiste ziekenfonds worden
geleid.
Het standpunt van de
regering
De regering onderschrijft
de gedachte om te komen tot elektronische uitwisseling van gegevens
ten volle. Wel wordt nadere regelgeving met betrekking tot de
deelname van ziekenfondsen aan het RINIS-netwerk en de toepassing van
elektronische gegevensuitwisseling, in aanvulling op de wetgeving die al geldt
voor het gebruik van het sofinummer en voor de bescherming van
persoonsgegevens, noodzakelijk geacht.
De brede toepassingsmogelijkheden
van het RINIS-concept en de omstandigheid dat daarmee een methode
van communiceren wordt geïntroduceerd die binnen de wettelijke
ziektekostenverzekeringen geheel nieuw is, betekent immers dat ziekenfondsen
voor de uitvoering van de Zfw
in de toekomst sterk afhankelijk worden van andere gegevens.
Het is evident dat voor
elektronische gegevensuitwisseling, waarbij een grote afhankelijkheid van
ziekenfondsen aan deze uitwisseling bestaat, zodanige eisen dienen te
gelden dat de continuïteit en de kwaliteit van de gegevensuitwisseling
gewaarborgd zijn. Dit spreekt te meer als de afhankelijkheid van ziekenfondsen van de
elektronische infrastructuur in de toekomst aanzienlijk
groter zal zijn.
In
het voorstel van wet
is bepaald dat de ziekenfondsen ten behoeve van de uitwisseling van
gegevens in het kader van de uitvoering van de Zfw
gebruik maken van een
elektronische infrastructuur. In ambtelijk overleg zijn het CVZ,
Zorgverzekeraars Nederland en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot
overeenstemming gekomen dat enkele onderwerpen van wezenlijk
belang zijn voor het goed functioneren van die gegevensuitwisseling. Het in potentie grootschalige en structurele karakter van de
gegevensuitwisseling, de afhankelijkheid die daarmee voor de ziekenfondsen
wordt gecreëerd en het belang voor het waarborgen van continuïteit,
kwaliteit en tijdigheid van de gegevensuitwisseling, vergen dat ten aanzien
van een aantal wezenlijke onderwerpen regels worden gesteld.
Het betreft onderwerpen
als de wijze waarop de uitwisseling plaatsvindt, de (verplichte)
aansluiting van een ziekenfonds op de infrastructuur die bij de gegevensuitwisseling
gebruikt zal worden, de organisatie en het beheer van de
infrastructuur (op welke wijze zorgt een ziekenfonds ervoor dat de
gegevensuitwisseling tot stand komt en in stand kan blijven en op welke wijze worden de
verantwoordelijkheden vastgelegd), regels omtrent de aard en omvang van de
gegevensuitwisseling (met betrekking tot welk doel wordt de
uitwisseling gerealiseerd), waarbij de uitwisseling in het kader van de VVW er één
is, de kwaliteit, tijdigheid en juistheid van de aangeleverde gegevens en
de wijze waarop wordt omgegaan met foutmeldingen. Ook moeten zo nodig regels
kunnen worden gesteld omtrent de financiering van het
gebruik van de infrastructuur en de toedeling van kosten.
De verantwoordelijkheid
voor de inrichting, instandhouding en toepassing van de systematische gegevensuitwisseling ligt bij de
ziekenfondsen. Het
voorstel van wet sluit
daarmee aan op de algemeen geldende verantwoordelijkheid van elk afzonderlijk
ziekenfonds voor de adequate uitvoering van de ziekenfondsverzekering.
Toegepast op het onderhavige voorstel
betekent dit dat elk
ziekenfonds zijn administratiesystemen geschikt maakt voor gegevensuitwisseling
binnen het RINIS-netwerk.
Bovendien is van belang dat - in een
structuur waarin de zorgverzekeringssector als geheel gegevens met een andere
sector uitwisselt, maar waarin de uiteindelijke rblz.|18|
verantwoordelijkheid voor
de uitvoering van de Zfw
bij elk van de ziekenfondsen afzonderlijk ligt - tussen
de afzonderlijke ziekenfondsen afstemming en coördinatie plaatsvindt. Ziekenfondsen nemen hierin overigens
zelf het voortouw
blijkens de inmiddels door de ziekenfondsen gezamenlijk opgerichte Stichting
Sectoraal Aanspreekpunt Zorgverzekeringen (Stichting SAPZ).
Het voorgaande maakt
duidelijk dat ziekenfondsen hun infrastructuur zodanig dienen in te
richten dat van het RINIS-netwerk gebruik kan worden gemaakt én dat de
deelname van alle ziekenfondsen aan de gegevensuitwisseling
noodzakelijk is. Om dit te bereiken, zou kunnen worden volstaan met het CVZ
op basis van artikel 1x7 van de Zfw
regels te laten stellen, zo nodig
afdwingbaar door gebruik te maken van de in artikel
1x8 tot en met 1x10
gegeven mogelijkheden. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal
dat ook daadwerkelijk geschieden. Inmiddels is een
wijziging van het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering gepubliceerd
(Stb. 2003, 357), die het mogelijk maakt voor werkgevers om bepaalde
gegevens elektronisch rechtstreeks aan het UWV
aan te leveren en
niet langer aan de ziekenfondsen. Het UWV geeft dan door middel van het
RINIS-concept bepaalde gegevens aan de ziekenfondsen door.
Ik acht het echter
noodzakelijk dat ter onderstreping van het belang van de totstandkoming van de
elektronische gegevensuitwisseling er een formeelwettelijke basis
onder wordt gelegd; daartoe dient dit
wetsvoorstel. Het verplicht de
ziekenfondsen van de elektronische infrastructuur gebruik te maken voor
door het CVZ aan te wijzen gegevens, waarbij voorzien is in de
bevoegdheid voor het CVZ tot nadere regelgeving om daarmee rechtstreeks de
individuele ziekenfondsen te kunnen aansturen. Zo kan het CVZ in dit
verband regels vaststellen over de vormgeving van de elektronische
gegevensuitwisseling en de voorwaarden waaraan deze moet voldoen, over de
aard van de gegevensuitwisseling en over de organisatie en het beheer van de
infrastructuur en de financiering daarvan. Door dit op hoofdlijnen
aan te geven, wordt eveneens de mogelijkheid van toekomstige
uitwisselingstrajecten, waarvan er in het eindrapport van 28 januari 2003 van het
Programma 2002 "Van brievenbus tot inbox" in
paragraaf 5.5 een aantal worden
genoemd, alvast ingebouwd. De regering acht het niet noodzakelijk dat op
wettelijk of ministerieel niveau verdergaande voorschriften worden
gegeven over de wijze waarop de uitvoeringsorganisatie van de ziekenfondsverzekering vorm dient te geven aan de
elektronische gegevensuitwisseling dan die welke thans in het wetsvoorstel zijn
opgenomen. Het
wettelijk voorschrift geeft aan dát met betrekking tot bepaalde onderwerpen
het één en ander geregeld kan worden, maar niet hóe één en ander
geregeld dient te worden. Het CVZ krijgt daarmee regelstellende
bevoegdheden voor de uitwisseling van gegevens door de ziekenfondsen en de wijze
waarop ziekenfondsen ten behoeve daarvan een gemeenschappelijke infrastructuur (database) beheren en uitvoeren.
Welke regels door het CVZ
uiteindelijk gesteld worden, is enerzijds afhankelijk van hetgeen voor een
goede uitvoering van de Zfw
in een situatie waarin een structurele en
afhankelijke gegevensuitwisseling bestaat noodzakelijk wordt geacht.
Anderzijds
hangt dit af van de mate waarin op uitvoerend niveau door de
ziekenfondsen afspraken worden gemaakt of overeenkomsten worden
gesloten die deze goede uitvoering garanderen.
Bij de bovengenoemde
wijziging van het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering is nadrukkelijk rekening
gehouden met een fasegewijze overgang naar de elektronische
gegevensuitwisseling. Afhankelijk van de wijze waarop die uitwisseling
vorm krijgt, kan besloten worden dat in termen van continuïteit,
kwaliteit en tijdigheid de uitwisseling zodanig is dat het elektronische bericht het
papieren bericht kan vervangen. In de overgangssituatie kan per
sector (werkgeversbranche of UWV-branche) rblz.|19|
bezien worden of de
elektronische uitwisseling voldoet aan de gestelde normen. Als een sector
gegevens op elektronische wijze mag aanleveren, dan kan de VVW
vervallen. Het CVZ kan aangeven onder welke voorwaarden een dergelijke elektronische uitwisseling kan
plaatsvinden. Inmiddels is
voor de uitzendbranche
het papieren bericht afgeschaft.
Zodra zicht bestaat op
een uitsluitend elektronische uitwisseling van gegevens waarbij de continuïteit,
kwaliteit en tijdigheid van de gegevensstroom structureel voldoende
gewaarborgd is, dit ter beoordeling van het CVZ, zal de papieren
uitwisseling naast uitwisseling van dezelfde gegevens in elektronische vorm
integraal tot het verleden gaan behoren. Het streven is erop gericht
in het voorjaar van 2004 de elektronische uitwisseling integraal te doen
plaatsvinden.
4. Overige wijzigingen in
de Wtz
In de Wtz zijn nog enkele
wijzigingen opgenomen waarvan de noodzaak naar voren is gekomen bij
de uitvoering van de evaluatie van de Wtz die eind 2001 plaatsvond. Het
resultaat van deze evaluatie is aan de Tweede Kamer bij brief van 11
februari 2002 (kenmerk Z/F-2254772) ter kennis gebracht. De wijzigingen betreffen de verplichting van de ziektekostenverzekeraar
om de accountant te
machtigen om alle benodigde inlichtingen te verstrekken aan het
uitvoeringsorgaan en inzage in zijn dossier te verlenen. Daarnaast
bevat het wetsvoorstel de mogelijkheid voor de minister om beleidsregels
inzake de taakuitoefening door het uitvoeringsorgaan vast te stellen, alsmede
enkele meer technische aanpassingen. Geen gevolg is gegeven aan de aanbeveling om een boetebepaling in de
wet op te nemen ter zake
van het niet (tijdig) aanleveren van informatie door de
ziektekostenverzekeraars. Gelet op de aard van de overtreding waarop die boete
betrekking zou moeten hebben, is een boete geen geschikt middel. Om die
aanlevering van de benodigde informatie af te dwingen, kan bij het niet
tijdig nakoming van deze verplichting reeds een dwangsom worden
ingezet. Dat is voor dit soort verplichtingen het meest passende middel.
5. Overige wijzigingen in
de Zfw
Het partnerbegrip in de Wet
inkomstenbelasting 2001
Op 1 januari 2000 is de
Wet van 28 oktober 1999, houdende uitbreiding van de kring van
verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet
met zelfstandigen voor wie, gelet op hun
inkomen, toegang tot de sociale ziektekostenverzekering is aangewezen en
tijdelijke wijziging van de indexering van de loongrens alsmede wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 (zelfstandigen in Zfw)
(Stb. 1999, 461), in werking getreden. Daarmee werd de kring van
verzekerden Ziekenfondswet uitgebreid met zelfstandigen met winst uit onderneming
die een belastbaar inkomen genieten dat niet meer bedraagt
dan het in de Zfw genoemde bedrag.
Met ingang van 1 januari
2001 is de belastingwetgeving gewijzigd en is in artikel
3d van de Zfw
geregeld dat het inkomen wordt bepaald volgens de regels van de
hoofdstukken 3, 4 en 5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
Er is
echter geen bepaling opgenomen op welke wijze bepaalde inkomsten en aftrekposten (gemeenschappelijke inkomensbestanddelen)
en bestanddelen van de
rendementsgrondslag van de verzekerde en zijn
partner bij het bepalen van het vorenbedoelde inkomen in aanmerking moeten
worden genomen. Voor de inkomstenbelasting is de wijze waarop de
toerekening van de vorenbedoelde inkomensbestanddelen en bestanddelen van de
rendementsgrondslag moet plaatsvinden, opgenomen in artikel 2.17
van de Wet
IB 2001. Deze toerekening beïnvloedt de hoogte van
het belastbaar inkomen voor de inkomstenbelasting rblz.|20|
van de
belastingplichtige en zijn partner.
In verband hiermede dient voor vaststelling
van het inkomen voor de ziekenfondsverzekering de toerekening van de
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de
rendementsgrondslag van de zelfstandige en zijn partner te geschieden
overeenkomstig die bepaling.
Met de voorgestelde wijziging wordt daarin voorzien.
Bij de invoering van de Wet
IB 2001 is niet onderkend een
dergelijke bepaling op te nemen in de Zfw, nu deze bepalingen geen onderdeel
uitmaken van de hoofdstukken 3, 4 en 5 Wet
IB 2001, maar van de hoofdstukken 1 en 2. In de Aanpassingswet
Wet IB 2001 is dit dan ook niet
meegenomen.
Voor de
inkomstenbelasting is in artikel 1.2 van de Wet
IB 2001 bepaald wat onder een partner
wordt verstaan. Voor niet-inwoners is voor de toepassing van artikel
3d van de Ziekenfondswet, in verband met de vrije toerekening van
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag een apart partnerbegrip
nodig als zij niet
belastingplichtig zijn of als zij niet hebben gekozen voor behandeling als
binnenlands belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet
IB 2001. De
voorgestelde wijziging voorziet mede hierin.
Met de voorgestelde
wijziging wordt verder bereikt dat de keuze die huisgenoten maken voor het al dan
niet partner zijn voor de Wet IB 2001, en de keuze die partners
voor de Wet IB 2001 maken voor de toerekening van de gemeenschappelijke
inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag, ook
van toepassing zijn voor artikel 3d van de
Zfw. Aan de wijziging zal
terugwerkende kracht worden gegeven tot 1 januari 2001, opdat de
vaststelling van het inkomen voor de ziekenfondsverzekering vanaf de inwerkingtredingdatum van de
Wet IB 2001 op
dezelfde wijze kan
geschieden als de vaststelling van het inkomen ingevolge die
wet. Tot op heden
vindt de inkomensvaststelling in de uitvoeringspraktijk
plaats als ware deze bepaling steeds onderdeel geweest van de wet- en
regelgeving inzake de ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen.
Dit
omdat het van meet af aan de bedoeling is geweest om voor de
toepassing van artikel 3d Zfw
ook op dit punt aan te sluiten bij het in de Wet
IB 2001 bedoelde inkomensbegrip. Deze handelwijze heeft in de
uitvoeringspraktijk tot op heden geen problemen meegebracht.
Opgemerkt wordt dat deze
gelijkstelling van het partnerbegrip en de keuzemogelijkheid voor
partners sinds 16 juni 2003 is opgenomen in artikel 4a van de
Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen. Na
inwerkingtreding van deze wetswijziging verliest voornoemde bepaling van de
ministeriële regeling zijn belang.
Integriteit van
bestuurders
Daarnaast worden enkele
wijzigingen aangebracht die zien op de integriteit van bestuurders.
Ingevolge
de huidige redactie van artikel 34, derde lid, onderdeel
e, van de Zfw
mogen de handelingen en antecedenten van (mede)beleidsbepalers van
het ziekenfonds het CVZ geen aanleiding geven tot de
veronderstelling dat de belangen van de verzekerden gevaar lopen. Deze eis is
ontleend aan artikel 29, tweede lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993); vergelijk ook artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de
Wet
toezicht kredietwezen 1992, artikel 5, derde lid, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet, artikel 68, tweede lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 179, tweede lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. De
bepaling in de Zfw
wijkt op twee punten af van de tekst in vorengenoemde artikelen. Zo ontbreekt in artikel 34, derde lid, onderdeel
e, de
mogelijkheid de "voornemens" van de (mede)beleidsbepalers te toetsen en kan het CVZ
pas optreden tegen een ziekenfonds indien het van oordeel is
dat "de handelingen en antecedenten van de (mede)beleidsbepalers van
het ziekenfonds aanleiding geven tot het oordeel dat de belangen
van de verzekerden bij de uitoefening van de rblz.|21|
taken van een ziekenfonds
(...) in gevaar zouden kunnen komen". Voorgesteld wordt om de redactie van
artikel 34, derde lid, onderdeel e, van de Zfw
op deze twee punten
aan te scherpen.
In de eerste plaats
betreft dit de toevoeging van het begrip "voornemens" aan "handelingen en
antecedenten".
Dat betekent dat ook de intenties van de betrokken personen van
belang worden voor hun betrouwbaarheid. Naast het verleden en het
heden worden dus ook de verwachtingen van de te toetsen personen in
de toekomst in het toetsingsproces betrokken. In de tweede plaats wordt
bepaald dat het CVZ kan optreden tegen een ziekenfonds indien het
van oordeel is dat "met het oog op de belangen van de verzekerden
(...)
de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat".
Ten opzichte van de huidige tekst is de voorgestelde formulering aangescherpt
en laat zij er geen misverstand over bestaan dat, in die gevallen dat
de betrouwbaarheid van bestuurders niet geheel buiten twijfel staat, het
CVZ, bijvoorbeeld door het weigeren van een toelating, zijn bezwaren
tegen de betrokken persoon kenbaar kan maken. Hiermee wordt de
mogelijkheid voor een effectief optreden van het CVZ vergroot.
Door het laten aansluiten
van de onderhavige bepaling aan artikel 29, tweede lid, van de Wtv
1993 kan voldaan worden aan de in de brief van het CVZ van 20 december
2001 geuite wens dezelfde beleidsregels te mogen hanteren als de
beleidsregels die de Pensioen- & Verzekeringskamer (PVK), De Nederlandsche
Bank NV, de Stichting Toezicht Effectenverkeer en de Minister van
Financiën gezamenlijk hebben geformuleerd voor de
betrouwbaarheidstoetsing.
In artikel 75, derde lid,
van de Wtv 1993 is voorts geregeld dat de verzekeraar de PVK onverwijld
schriftelijk in kennis stelt van wijzigingen in de antecedenten van
beleidsbepalers en medebeleidsbepalers. In de Regeling regelmatige verstrekking
gegevens en inlichtingen van het CVZ van 26 april 2001
(Stcrt. 2001, 86), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2002
(Stcrt. 2002, 248), is bepaald dat een ziekenfonds besluiten tot benoeming
van bestuurders, commissarissen en andere functionarissen die het
beleid van het ziekenfonds bepalen of mede bepalen ten minste één
maand vóór inwerkingtreding aan het CVZ overlegt. Het CVZ acht het
noodzakelijk om tijdig kennis te (blijven) nemen van deze gegevens welke
tussentijdse toetsing aan de in artikel 34 van de
Zfw
neergelegde
toelatingsvoorwaarden en artikel 33 van de
AWBZ mogelijk maken. Het ligt in de rede
dat het CVZ (overeenkomstig de Wtv 1993) in genoemde regeling tevens bepaalt dat het ziekenfonds het CVZ schriftelijk
in kennis stelt van
wijzigingen van de antecedenten van de (mede)beleidsbepalers van het ziekenfonds.
Executoriale titel bij
beslissing tot terugvordering
In
artikel 65d van de AWBZ
en 83d van de Zfw
is thans geregeld dat het ziekenfonds of het uitvoeringsorgaan
van degene die opzettelijk aanspraken als verzekerde doet gelden
de kosten van de verleende zorg terug kan vorderen. Deze bepalingen
zien op alle vormen van misbruik. De kosten kunnen ook verhaald
worden als iemand daaraan opzettelijk medewerking heeft verleend.
Blijkens de
wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1967-1968, 8457, nrs. 3-4) is deze bepaling in de
AWBZ opgenomen om bij opzettelijk misbruik geëigende maatregelen te kunnen
treffen. Bij de Wet
invoering en versterking regresrecht in AWBZ en Zfw (Kamerstukken II 1998-1999, 26 238) is deze bepaling om dezelfde reden ook in de Zfw opgenomen.
Indien iemand zonder
daartoe gerechtigd te zijn aanspraken als verzekerde doet gelden, ofwel, zoals
de wetgever bedoelde, misbruik heeft gemaakt van de Zfw
of
AWBZ, kan het ziekenfonds of het uitvoeringsorgaan de gemaakte kosten dus
terugvorderen. Ter ondersteuning van de rblz.|22|
administratieve processen
en om in zo’n situatie de verhaalsmogelijkheid te ondersteunen, is in
het wetsvoorstel geregeld dat het besluit tot terugvordering een executoriale titel
oplevert. In de socialezekerheidswetgeving (onder meer de artikelen
24a van de Algemene
Ouderdomswet, 54 van de Algemene
nabestaandenwet, 24a van de Algemene
Kinderbijslagwet, 57a van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en
36a van de Werkloosheidswet) is dit reeds gangbaar.
6. Financiële gevolgen
van het wetsvoorstel
Invoering van de
identificatieplicht
Als gevolg van de
invoering van de identificatieplicht bij het inroepen van zorg ingevolge de
Zfw
of
de AWBZ ontstaan er uitvoeringskosten in verband met het nakomen
van deze wettelijke verplichting. Ziekenhuizen zullen de identiteit van
een zorgvrager moeten controleren. Deze kosten zijn relatief gering
omdat er toch al een inschrijving van de patiënt plaatsvindt om medische gegevens en
verzekeringsgegevens vast te leggen of te controleren. Nieuw is
dat de identiteit moet worden gecontroleerd. Daartegenover staan
minder kosten ten laste van Zfw of AWBZ als direct resultaat van het
terugdringen van misbruik en fraude.
In beginsel worden de
kosten voor verleende medische zorg aan een niet-verzekerde in
rekening gebracht bij de patiënt. Als die geen verhaal biedt, kan een ziekenhuis
dergelijke kosten onder de bestaande Beleidsregel afschrijvingskosten
dubieuze debiteuren brengen. Kosten van medische behandeling van onverzekerden zullen als gevolg van de maatregel
minder vaak (ten
onrechte) ten laste van de Zfw worden gebracht, maar zullen - doordat de
post dubieuze debiteuren in het tarief verwerkt is - vaker ten laste komen
van
zowel de ziekenfondsverzekering als de particuliere verzekering.
Het is evident dat meer
controle als gevolg van de identificatieplicht voor ziekenhuizen en
instellingen extra kosten met zich brengt. In hoeverre kosten worden uitgespaard
als gevolg van de terugdringing van de fraude is moeilijk in cijfers
uit te drukken. Uiteindelijk is de zorgsector er in zijn totaal mee gediend dat de
kosten voor de zorg verminderen doordat misbruik en fraude worden
teruggedrongen. Het uiteindelijke saldo is niet alleen een kwestie van
een cijfermatige benadering van hoeveel het oplevert en hoeveel het kost, maar
dient daarnaast ook een maatschappelijk zwaarwegend belang.
Invoering van het sofinummer
Met betrekking tot de
invoering van het sofinummer in de Wtz zijn verschillende
ontwikkelingen in gang gezet die maken dat een besparing op de uitvoeringskosten
mag worden verwacht als gevolg van de invoering van het sofinummer. Te denken valt met name aan zaken als elektronisch declaratieverkeer tussen
zorgverleners en ziektekostenverzekeraars. Verder is elektronische
uitwisseling van persoonsgegevens via het RINIS-concept in ontwikkeling.
Door het sofinummer bij dergelijke uitwisseling van gegevens te hanteren, wordt veel tijdwinst geboekt en kunnen fouten
door handmatige invoering
worden voorkomen. Door invoering van het
sofinummer in de Wtz zal
de gegevensuitwisseling doelmatiger kunnen plaatsvinden.
Daarnaast
zal het opsporen van fraude verbeteren.
Een kwantificering van deze
opbrengsten is niet mogelijk. Verwacht wordt wel dat de efficiencywinst
zodanig zal zijn dat invoeringskosten hierdoor worden gecompenseerd.
rblz.|23|
Elektronische
uitwisseling van gegevens
Met betrekking tot de
elektronische gegevensuitwisseling tussen ziekenfondsen en het UWV
over de aan-
en afmelding van werknemers voor de ziekenfondsverzekering is
een inschatting gemaakt van de verwachte kostenbesparingen als het
papieren bericht verdwijnt en ziekenfondsen via het RINIS-netwerk een elektronische melding van het UWV ontvangen.
Als de situatie met
papieren berichtenverkeer wordt vergeleken met de situatie met elektronisch
berichtenverkeer, dan is de inschatting dat hiermee bij werkgevers
een kostenbesparing optreedt van circa €|20 miljoen en bij
ziekenfondsen van circa €|10 miljoen.
Deze kostenbesparing is pas mogelijk als de
elektronische berichten alle papieren verzekeringsverklaringen hebben
vervangen. Dat is
het geval als de elektronische uitwisseling voldoet aan
de eisen van continuïteit, kwaliteit en tijdigheid. De berekening is
gebaseerd op 10,5 miljoen berichten en de tijdwinst die bij elektronische
verwerking respectievelijk bij werkgevers en ziekenfondsen wordt gemaakt.
In
onderstaand overzicht worden de berekeningen nader gespecificeerd.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Aantal
berichten |
Tijds-
besparing |
Kosten per
minuut |
Kostenbesparing |
| Ziekenfondsen (21) |
10,5
mln |
3 minuten |
€|0,32 |
ca. € 10,0 mln |
Werkgevers met
werknemers
(360 000) |
10,5
mln |
5 minuten |
€|0,42 |
ca. € 20,0 mln |
Bron: VWS op basis van
informatie van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het EIM [Economisch
Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, red.].
Het gebruik maken van een
elektronische infrastructuur voor uitwisseling van gegevens draagt bij
tot per saldo lagere uitvoeringskosten. Kostenvoordelen treden op bij de
verzender en de ontvanger van het bericht. Het aanmaken en het verwerken
van een elektronisch bericht is aanzienlijk goedkoper dan het aanmaken en het verwerken van een papieren bericht.
Als vuistregel wordt een
reductie in de kosten van wel 90% aangehouden. Daartegenover staan wel
extra kosten. Bij veel van deze kosten gaat het om eenmalige kosten.
Onder
eenmalige kosten moet onder meer begrepen worden kosten
voor het testen, beschrijven en inrichten van administratieve
processen, de aanschaf, installatie en aanpassing van de nodige hard- en software
voor de systemen en eindgebruikers en de aansluiting op het SAP-Z. Voorts wordt bij het intersectorale berichtenverkeer gebruik gemaakt van
tussenstations zoals het SAP-SV en het SAP-Z.
Ook voor deze
stations geldt dat voor het nieuw berichtenverkeer bepaalde aanpassingen
noodzakelijk zijn. Voorts zullen voor deze stations zekere structurele
exploitatielasten gemaakt worden.
Berekend is dat aan eenmalige en initiële
kosten globaal een bedrag van zo’n €|100 000,- per ziekenfonds is gemoeid en
dat de kosten voor grote en kleine ziekenfondsen min of meer gelijk zijn.
De ziekenfondsen hebben
incidenteel een bedrag ontvangen van €|100 000,- per
ziekenfonds als bijdrage voor de kosten in verband met inspanningen om te komen
tot een verdere elektronische berichtenuitwisseling. Dit is geregeld in de
Regeling beschikbare middelen beheerskosten Zfw 2003.
De bijdrage had
in het bijzonder tot doel dat ultimo 2003 alle ziekenfondsen een
volwaardige aansluiting op het RINIS-netwerk hebben. Volwaardig in dit
verband betekent dat er sprake moet zijn van het hebben van een
elektronische postbus bij het SAP-Z, dat het ziekenfonds het nodige doet om de
verwijsindex actueel en volledig te houden en dat hij zijn
administratie en systemen inricht op het verwerken van elektronische meldingen
inzake (mutaties in) dienstbetrekkingen. Tot slot kan worden opgemerkt dat
het overstappen van het papieren bericht op het elektronisch bericht
noodzaakt dat alle onderdelen in de informatieketen rblz.|24|
goed op elkaar zijn
en blijven afgestemd. Dit zal afstemmingskosten met zich
brengen. Voor de
meeste berichten zal overigens gelden dat de kostenvoordelen een
veelvoud bedragen van de noodzakelijke extra kosten.
7. Advisering door het
College bescherming persoonsgegevens (CBP)
Het CBP
heeft op 25
augustus 2003 zijn advies uitgebracht (kenmerk Z2003-0788).
Met betrekking tot de
invoering van de identificatieplicht geeft het CBP aan het met de regering
eens te zijn dat er een toereikende grondslag is voor een
identificatieplicht in de Zfw
en AWBZ. Het CBP neemt aan dat misbruik van de
voorzieningen uit de Zfw en AWBZ op die wijze kan worden beperkt. Wel heeft
het CBP er nadrukkelijk op gewezen dat de invoering van een
identificatieverplichting binnen de context van de zorgverlening onaanvaardbare
consequenties kan hebben wanneer het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs leidt tot ontoegankelijkheid van
noodzakelijke - zij het
mogelijk niet steeds spoedeisende - gezondheidszorg. Het CBP onderkent dat
deze gedachte in de toelichting bij het wetsvoorstel wordt onderschreven, maar
vraagt zich af of de maatregel om noodzakelijke medische
hulp te regelen in de praktijk voldoende is om de noodzakelijke toegang tot
de zorg te garanderen.
Met betrekking tot de
invoering van het sofinummer in de Wtz komt het CBP
tot de conclusie dat
de invoering van het sofinummer in de Wtz voldoende is onderbouwd,
niet onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor het nummer is ingericht
en aansluit bij het bestaande wettelijk stelsel met betrekking tot dat
nummer. Wel acht het CBP voorwaarde voor een
juist gebruik door de Suo
en de ziektekostenverzekeraars dat het nummer uitsluitend wordt
vastgelegd, gebruikt en bewaard voor zover en zolang dat in het kader van de
uitvoering van de Wtz noodzakelijk is.
Met betrekking tot het
gebruik van een elektronische infrastructuur merkt het CBP
op dat de Wet
bescherming persoonsgegevens, alsook bijzondere regelgeving ten aanzien
van de aspecten van gegevensuitwisseling, dwingendrechtelijke
regels stelt. Het gebruik daarvan kan alleen verplicht worden als dit ook kan
geschieden conform de reeds bestaande regelgeving omtrent het verkeer van
persoonsgegevens. Het CVZ is derhalve slechts bevoegd nadere
regels vast te stellen voor zover die niet in strijd komen met bestaande
wetgeving. Een zelfde bevoegdheid zou overigens kunnen worden ontleend
aan de geldende Zfw, aldus het CBP.
8. Advisering door het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal)
Het Adviescollege
toetsing administratieve lasten heeft op 19 juni 2003 positief geadviseerd over
de hiervoor genoemde wijziging van het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering, waarmee feitelijk de mogelijkheid van elektronisch
berichtenverkeer en afschaffing van het papieren VVW-bericht is
gerealiseerd.
Op 18 september 2003
heeft Actal advies uitgebracht over het
wetsvoorstel. Actal heeft aangegeven
dat met het totaalpakket aan maatregelen een reductie van de
administratieve lasten wordt bewerkstelligd. Dit wordt geheel toegeschreven aan
de invoering van het sofinummer en de elektronische gegevensuitwisseling via
het RINIS-netwerk. Actal heeft geadviseerd ervoor te zorgen dat
deze reductiepotentie niet teniet wordt gedaan door een stijging van de
administratieve lasten als gevolg van de invoering van de
identificatieplicht en de daaraan verbonden controle door de ziekenhuizen.
rblz.|25|
De
regering is van mening
dat een stijging van de administratieve lasten als gevolg van de
invoering van de identificatieplicht op de voorgestelde wijze niet aan de orde
is. Welbewust is gekozen voor een vorm die naast de controle geen verdere
informatieverplichting oplegt aan de ziekenhuizen. De Minister van
Financiën heeft op 30 september 2003 bevestigd dat uitsluitend de
controle van identiteit door een ziekenhuis geen administratieve last, maar een
inhoudelijke verplichting betreft, en dit aan Actal medegedeeld.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
(artikel 10a AWBZ)
In het eerste lid wordt
bepaald dat degene die aanspraak maakt op zorg ten laste van de AWBZ
waarvoor een identificatieplicht geldt, zich aan de hand van een met name
genoemd document moet identificeren. In het tweede lid wordt bepaald
dat een instelling die zorg levert de identiteit van de persoon die een
beroep doet op zorg ten laste van de AWBZ, moet controleren.
Artikel I, onderdeel C
(artikel 65d AWBZ)
Geregeld is dat een
beslissing om over te gaan tot het terugvorderen van een onverschuldigde
betaling op grond van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een executoriale titel oplevert. Dit betekent dat een
ziekenfonds of uitvoeringsorgaan op relatief eenvoudige wijze deze onverschuldigde betaling kan invorderen.
Artikel
II, onderdeel A
(artikel 4a en 4b Wtz)
Met het nieuwe artikel
4a
van de Wtz worden de ziektekostenverzekeraars die de Wtz uitvoeren,
verplicht het sofinummer in de verzekerdenadministratie op te nemen. Voorts wordt
het Suo verplicht bij de gegevensverstrekking ten
behoeve van de uitvoering van de Wtz het sofinummer als persoonsidentificatienummer te
gebruiken. Dit indien de
organen en personen die
de gegevens verstrekken en de organen en personen die de gegevens
ontvangen daartoe bevoegd zijn.
Het betreft de gegevensverstrekking
aan het Suo, de Informatie Beheer Groep, de rijksbelastingdienst, het gemeentebestuur, ziekenfondsen en andere
ziektekostenverzekeraars.
In artikel 4b is de
mogelijkheid van berichtenverkeer geregeld voor zover noodzakelijk voor de
uitvoering van de Wtz met gebruikmaking van het sofinummer van de
ziektekostenverzekeraars die de Wtz uitvoeren en het Suo met de
rijksbelastingdienst, het gemeentebestuur, de Informatie Beheer Groep,
ziekenfondsen en andere ziektekostenverzekeraars. Voor zover het
gegevensverstrekking door de rijksbelastingdienst betreft, gaat het uitsluitend om de
verificatie van sofinummers.
Artikel
II, onderdeel B
(artikel 8 Wtz)
Een verzekeraar kan
verlies lijden op een overeenkomst van standaardverzekering. Indien deze
overeenkomst
door het uitvoeringsorgaan is geaccepteerd voor
deelname aan de omslagregeling, kan dit verlies worden vergoed door het
uitvoeringsorgaan. Hiertoe dient de verzekeraar op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel
b, van het schadebedrag dat hij uitkeert op basis van de
overeenkomst van standaardverzekering opgave te doen aan het
uitvoeringsorgaan. Alleen schades waarvan opgave is gedaan, kunnen worden
meegenomen bij de bepaling van het saldo van de schadebedragen en
premies.
rblz.|26|
Artikel
II, onderdeel C
(artikel 10 Wtz)
Tot nu toe kan het
uitvoeringsorgaan te allen tijde een beslissing herroepen indien de ziektekostenverzekeraar bij de aanmelding onjuiste of
onvolledige gegevens
heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot
een andere beslissing zou hebben geleid. Dat is een risico voor de
ziektekostenverzekeraar vooral als een portefeuille van een andere
ziektekostenverzekeraar wordt overgenomen. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt heeft de
ziektekostenverzekeraar baat bij zekerheid omtrent de aanvaarding
van zijn bij het uitvoeringsorgaan aangemelde ziektekostenverzekeringen.
Daarom
wordt thans de mogelijkheid om de beslissing om een
aangemelde ziektekostenverzekering te aanvaarden alsnog te herroepen,
ingeperkt tot een termijn van vijf jaar.
Hiermee wordt voorkomen dat de ziektekostenverzekeraar na vijf jaar nog kan worden
geconfronteerd met de
negatieve financiële gevolgen van herroeping van een eerdere aanvaarding
van de aangemelde ziektekostenverzekering.
Artikel
II, onderdeel D
(artikel 23a Wtz)
De overheid is
verantwoordelijk voor de toegankelijkheid, de betaalbaarheid en de beschikbaarheid van
de zorg en afgeleid daarvan voor een rechtmatige, doelmatige
en doeltreffende uitvoering. De uitvoering heeft onder andere uitwerking
gekregen in de Wtz 1998.
Het uitvoeringsorgaan is
een zelfstandig bestuursorgaan en niet hiërarchisch ondergeschikt aan de
minister. De minister draagt echter de politieke verantwoordelijkheid voor
het functioneren van de zorgsectoren en de organen die daarin hun
wettelijk gereguleerde taken, waaronder het uitvoeringsorgaan,
vervullen. Het uitvoeringsorgaan voert de
Wtz-omslagregeling uit. De
omslagbijdrage, bedoeld in artikel 13, behoort tot de publieke middelen.
Het betreft de opbrengst van een bij de Wtz 1998 ingestelde heffing.
Alle particulier verzekerden jonger dan 65 jaar zijn verplicht de heffing te
betalen.
De hoofdlijnen van het
beleid worden uitgezet door en onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van
de minister; de vertaling van die hoofdlijnen naar individuele gevallen
komt voor rekening van het uitvoeringsorgaan. Sturing op hoofdlijnen
door de minister is aangewezen; binnen die hoofdlijnen is onafhankelijke oordeelvorming bij de nadere uitwerking
onontbeerlijk. De minister
beschikt over een aantal instrumenten waarmee hij het
uitvoeringsorgaan kan aansturen en waarmee hij toezicht kan houden op het
functioneren. Deze instrumenten zijn nodig om de minister in staat te
stellen de politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren van het
uitvoeringsorgaan te dragen. Deze verantwoordelijkheid maakt het nodig om de
minister ook de mogelijkheid te geven beleidsregels voor het
uitvoeringsorgaan vast te stellen. Met deze beleidsregels kan de minister de kaders
waarbinnen het uitvoeringsorgaan de wettelijk opgedragen
taken moet uitvoeren nader preciseren. De kaders kunnen inhoudelijk,
financieel en procedureel van aard zijn. Een zodanige beleidsregel betreft geen
individuele gevallen.
Een zelfde bevoegdheid om
beleidsregels te stellen, heeft de minister ook ten aanzien van
andere zelfstandige bestuursorganen die opereren in de zorgsector. De bepaling
is vergelijkbaar met artikel 1k van de
Ziekenfondswet.
Artikel
II, onderdeel E
(artikel 24, tweede lid, Wtz)
De Pensioen- &
Verzekeringskamer heeft na controle geconstateerd dat de kwaliteit van de
ingediende opgaven door de ziektekostenverzekeraars en de ingediende
accountantsverklaringen en mededelingen van accountants nog niet van dien aard is
dat hierop in alle gevallen voldoende kan worden gesteund. Vanwege de grote financiële belangen die met de
rblz.|27|
uitvoering van de
standaardverzekeringen zijn gemoeid, moet de kwaliteit hiervan
verbeteren. Teneinde dit te realiseren, kan het uitvoeringsorgaan, na de Pensioen- &
Verzekeringskamer hierover te hebben gehoord, hiervoor regels stellen.
Artikel
II, onderdeel F
(artikel 24, vierde en vijfde lid, Wtz)
In het derde lid wordt de
ziektekostenverzekeraar verplicht om het uitvoeringsorgaan
gegevens te verstrekken die betrekking hebben op de uitvoering van de
omslagregeling. Daarnaast heeft het uitvoeringsorgaan ook behoefte aan gegevens
van de accountant die het controleonderzoek uitvoert naar de door de
ziektekostenverzekeraar gedane opgaven. In het vierde lid is geregeld
dat de ziektekostenverzekeraar de accountant machtigt om alle inlichtingen aan
het uitvoeringsorgaan te verstrekken die redelijkerwijze geacht
kunnen worden nodig te zijn voor de invulling van diens bij of krachtens
deze wet opgelegde taak. Bovendien heeft de accountant de
verplichting om volledige medewerking te verlenen aan onderzoeken van het
uitvoeringsorgaan en hem inzage te geven in de zakelijke bescheiden
betrekking hebbende op de gedane opgaven. In het periodiek overleg dat in
het kader van het toezicht op het Wtz-uitvoeringsorgaan met de Pensioen- &
Verzekeringskamer wordt gehouden, is van die zijde aangedrongen op het
treffen van voorgestelde maatregelen. De redenen hiervoor zijn
dezelfde als die er destijds toe hebben geleid dat vergelijkbare bepalingen
in artikel 27, zevende en achtste lid, van de Wtz 1998 en in artikel 72a,
eerste en vijfde lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 zijn opgenomen.
Vanwege de omvang van de
financiële middelen die met de uitvoering van de
standaardverzekeringen zijn gemoeid, is het voor het uitvoeringsorgaan van groot belang dat de
accountant de hem toevertrouwde taak naar behoren vervult. In
het vijfde lid is geregeld dat indien de accountant hiervoor niet of niet
meer de benodigde waarborgen kan bieden, het uitvoeringsorgaan,
gehoord de Pensioen- & Verzekeringskamer, kan bepalen dat hij niet
bevoegd is een verklaring als bedoeld in het tweede lid tot die
ziektekostenverzekeraar af te leggen. Indien het uitvoeringsorgaan bezwaar maakt tegen een
accountant, is de ziektekostenverzekeraar verplicht een andere
accountant in de arm te nemen. De ziektekostenverzekeraar tegen wiens accountant
het uitvoeringsorgaan bezwaar maakt en de accountant zelf
hebben op grond van artikel 34 de mogelijkheid een bezwaarschrift in te
dienen bij het uitvoeringsorgaan en vervolgens beroep in te stellen bij
het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Deze twee leden zijn
ontleend aan het vergelijkbare artikel 100a van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
Artikel
II, onderdeel G
(artikel 27 Wtz)
Er zijn grote financiële
belangen gemoeid met de uitvoering van de Wtz-omslagregeling. De
minister is politiek verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van deze
uitvoering. Het is daarom niet voldoende dat de accountant zich in zijn
verklaring alleen uitlaat over de getrouwheid van de jaarrekening van het
uitvoeringsorgaan. Het is nodig dat hij de jaarrekening van het uitvoeringsorgaan
ook controleert op rechtmatigheid en hierover een verklaring afgeeft.
Met de wijziging wordt aangesloten bij de formulering van de in
artikel 15, tweede lid, van de Wtz 1998 genoemde verklaring.
Artikel
III, onderdeel A
(artikel 3 Zfw)
Deze wijziging betreft
een correctie van verwijzing naar relevante regelgeving.
rblz.|28|
Artikel
III, onderdeel C
(artikel 9a Zfw)
In het eerste lid wordt
bepaald dat degene die aanspraak maakt op een verstrekking ten laste
van de Zfw
waarvoor een identificatieplicht geldt, zich aan de hand van een
met name genoemd document moet identificeren. In het tweede lid wordt
bepaald dat een zorgverlener of instelling die deze verstrekking levert, de identiteit van de persoon die een beroep doet op zorg ten laste
van de Zfw, moet vaststellen.
Artikel
III, onderdeel E
(artikel 39 Zfw)
In het eerste lid wordt
de wettelijke basis gelegd voor de elektronische uitwisseling van
gegevens. In het tweede lid wordt aan het CVZ
de mogelijkheid gedelegeerd om ter zake
van die elektronische uitwisseling regels te stellen omtrent bepaalde
in de verschillende onderdelen aangeduide onderwerpen.
Artikel
III, onderdeel G
(artikel 83d Zfw)
Zie
onder artikel I,
onderdeel C.
Artikel IV
Het voorstel van wet
houdende wijziging van de Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en enkele andere
wetten in verband met herziening van het
overeenkomstenstelsel in de sociale ziektekostenverzekering alsmede enkele andere
wijzigingen (Wet herziening overeenkomstenstelsel
zorg) zal naar alle waarschijnlijkheid in werking treden op 1 januari 2004,
derhalve voordat deze wet in werking treedt. Artikel IV zorgt ervoor
dat in dat geval de in de artikelen I, onderdeel B, en
III, onderdeel F, van het
onderhavige wetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de Zfw
en de AWBZ aan
de gewijzigde situatie worden aangepast.
Artikel V
(inwerkingtreding)
Het streven is
erop
gericht het wetsvoorstel op 1 oktober 2004 in werking te laten treden.
Om ziekenhuizen voldoende
voorbereidingstijd te geven en in verband met voorlichting aan het
publiek zullen artikel I, onderdeel A en B,
en artikel III, onderdeel C en F, zes maanden na publicatie in het
Staatsblad in werking treden.
De beoogde datum van
inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, is 1 januari 2005.
Artikel III, onderdeel
B,
werkt terug tot en met 1 januari 2001.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
|