|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29
762.
Handelingen II 2004-2005, blz. 2291-2322, 2323-2332, 2336-2365,
2506-2506, 2506-2507.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 762 (A, B, C, D, E, F, G, H, I).
Handelingen I 2004-2005, blz. 1183-1263, 1301-1304.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET van 16 juni 2005, Stb.
2005, 369, houdende regels inzake de aanspraak op een financiële
tegemoetkoming in de premie van een zorgverzekering vanwege een laag
inkomen (Wet op de zorgtoeslag). Inwerkingtreding:
1 januari 2006 (Stb. 2005, 649).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is dat personen voor wie de premie voor een zorgverzekering in
verhouding tot hun inkomen een te zware last vormt, een financiële
tegemoetkoming kunnen krijgen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. 1.
-1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. zorgverzekering: de
schadeverzekering, bedoeld in artikel 1, onderdeel
d, van de Zorgverzekeringswet;
c. verzekerde: de
persoon, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de
Zorgverzekeringswet,
vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand
waarin hij 18 jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, van die
wet;
d. zorgtoeslag: een
tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering;
e. drempelinkomen: 108%
van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per
maand, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge
artikel 3.2.3.1,¹ tweede lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding
ingevolge artikel 46,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet over dat loon;
f. de standaardpremie:
het op grond van artikel 3 vastgestelde bedrag;
g. de normpremie: de aan
de hand van het drempelinkomen en het toetsingsinkomen van de
verzekerde berekende premie voor een zorgverzekering in het
berekeningsjaar.
-2. De hoogte van de
zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 3.2.3.1" te
worden vervangen door: artikel 25.
Art. 2.
-1. Indien de normpremie
voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, heeft de verzekerde
aanspraak op een
zorgtoeslag ter grootte van dat verschil. Voor een verzekerde met een
partner wordt daarbij tweemaal de standaardpremie in aanmerking genomen; in dat geval worden de
verzekerde en zijn
partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één
aanspraak te hebben.
-2. De normpremie bedraagt
een percentage van het drempelinkomen in het berekeningsjaar,
vermeerderd met een percentage van het toetsingsinkomen van de verzekerde in dat
jaar voor zover dat toetsingsinkomen het drempelinkomen te
boven gaat. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij het
gezamenlijke toetsingsinkomen in aanmerking genomen.
-3. De percentages worden
voor verzekerden met een partner vastgesteld op 6,5% van het
drempelinkomen, vermeerderd met 4% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde
zonder partner op 4% van het drempelinkomen, vermeerderd met 4% van
het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
Deze percentages kunnen bij algemene maatregel van bestuur
worden gewijzigd.
-4. In afwijking van het eerste lid
bedraagt de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een
partner die geen verzekerde is 50% van het op grond van het eerste lid
berekende bedrag.
-5. In afwijking van het eerste lid heeft
een verzekerde met een partner die niet heeft voldaan aan de voor hem op
grond van artikel 2 van de Zorgverzekeringswet
geldende verplichting zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren
geen aanspraak op een zorgtoeslag.
-6. De aanspraak op een
zorgtoeslag wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.
-7. Bij regeling van Onze Minister
kunnen omtrent het bepaalde in het vijfde lid nadere regels
worden gesteld.
Art.
3.
De voordracht voor een krachtens artikel 2, derde lid,
vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan
dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Art.
4.
-1. Onze Minister
stelt
vóór 1 november van het jaar voorafgaande aan het berekeningsjaar bij
regeling een bedrag vast dat wordt gevormd door de geraamde gemiddelde
premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in het
berekeningsjaar te verminderen met het geraamde gemiddelde bedrag dat een
verzekerde naar verwachting in het daaropvolgende jaar terugontvangt
ingevolge artikel 22 van de Zorgverzekeringswet. Het vastgestelde bedrag
geldt als standaardpremie voor het berekeningsjaar.
-2. In de maand april van
het berekeningsjaar bepaalt Onze Minister aan de hand van het Centraal Economisch Plan of de standaardpremie afwijkt
van het werkelijke
gemiddelde van de premie. Indien hij een afwijking constateert van €|25,00 of
meer, stelt hij de standaardpremie voor dat jaar opnieuw vast.
Art.
5.
-1. De Belastingdienst/Toeslagen is belast met de uitvoering van deze wet.
-2. De zorgtoeslag komt
ten laste van het Rijk.
Art.
6.
Onze Minister
zendt binnen vier jaar na de
inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan
de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van deze wet in de praktijk, in het bijzonder van de in of krachtens
deze wet vastgelegde percentages ter bepaling van de normpremie.
Art.
7.
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
1. Ingevolge artikel
3 van het Besluit van 9 december 2005, Stb.
2005, 649, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
2006, red.
Art.
8.
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet op de zorgtoeslag.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
16 juni 2005
BEATRIX
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
De Staatssecretaris
van Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de zesentwintigste
juli 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|