|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 016
Wijziging
van de Werkloosheidswet in verband met het
preventief inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de
reïntegratietaak aan overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden
bij scholing, het subsidiëren van scholing in het kader van de Wajong
en enkele andere wijzigingen in wetten die de
reïntegratie-instrumenten betreffen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Vervroegd inzetten van
reïntegratieactiviteiten |
| 3 |
De
reïntegratieverplichting van overheidswerkgevers |
| 4 |
De verlenging van de
werkloosheidsuitkering bij noodzakelijke scholing |
| 5 |
Scholing
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen |
| 6 |
Financiële gevolgen van
dit wetsvoorstel |
| 7 |
Administratieve lasten |
| 8 |
Uitvoerings- en
toezichtbaarheidstoets |
| 9 |
Toezichtbaarheid volgens
IWI |
| 10 |
Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid |
|
xArtikelsgewijs |
| xx| |
Artikelen
I t/m VI |
Algemeen
[Inleiding,
red.]
Met
dit wetsvoorstel wordt in de Werkloosheidswet (hierna: WW) een zestal wijzigingen
aangebracht alsmede een wijziging in de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten
(hierna: Wajong), de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) en de
Wet kinderopvang.¹
Het betreft twee
beleidsinhoudelijke voorstellen om te komen tot eenvoudige regelgeving en een
effectieve en efficiënte inzet van reïntegratiemiddelen in de WW.
1. De wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (artikel
VI van de wet) is ingevoegd tijdens de
behandeling van het onderhavige wetsvoorstel
door de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2004-2005, 30 016, nr. 5), red.
Een ander voorstel heeft
betrekking op de personen die in het kader van de eenmalige
herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid worden geconfronteerd met
verlaging van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering en tijdens een
werkloosheidsuitkering scholing gaan volgen. Daarnaast wordt met een wijziging
van de Wet Rea de mogelijkheid aanvragen in te dienen voor plaatsings-
en herplaatsingsbudgetten en pakketten op maat die betrekking hebben op
de periode 1998-2002 ongedaan gemaakt. Tot slot wordt voorzien in de mogelijkheid om een subsidieregeling te treffen
voor de scholing van
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen die in verband daarmee op
bijzondere faciliteiten aangewezen zijn die in het reguliere
beroepsonderwijs niet beschikbaar zijn.
De beleidsinhoudelijke
voorstellen passen in het streven van de regering om de taakverdeling
tussen de overheid en de burgers te herijken, met als doel minder regelzucht en
meer eigen verantwoordelijkheid. Dit kan enerzijds worden bewerkstelligd
door de flexibiliteit bij de uitvoering te vergroten, anderzijds
door de verantwoordelijkheden met betrekking tot reïntegratie bij andere
partijen dan de overheid neer te leggen. De regering is van mening dat zowel
werkgevers als werknemers gebaat zijn bij een zo snel mogelijk ingrijpen op het moment dat een werknemer met
werkloosheid wordt
bedreigd. Hierbij geldt een grote eigen verantwoordelijkheid op het moment dat iemand
werkloos dreigt te worden.
Om dit te bewerkstelligen,
behelst de wijziging van artikel 72 WW een vereenvoudiging en
verbetering van het nu geldende WW-experiment
"preventieve inzet wachtgeldfondsen". Daarnaast wordt artikel
72a WW rblz.|2|
zodanig gewijzigd dat de verantwoordelijkheid voor reïntegratie van ex-overheidswerknemers
wordt neergelegd bij de overheidswerkgevers, die zodoende invloed
kunnen uitoefenen op de werkloosheidsduur van die werknemers.
De wijziging van artikel
76 WW beoogt het inkomen van personen die na herbeoordeling als gevolg
van de eenmalige (WAO-)herbeoordelingsoperatie in het kader van hun
reïntegratie in arbeid deelnemen aan scholing op basis van de WW te
continueren en daarmee de scholing te faciliteren.
Met de beëindiging van
de mogelijkheid tot aanvraag van herplaatsing- en plaatsingsbudgetten en
pakketten op maat over de periode 1998-2002 wordt de mogelijkheid van
het aanvragen van een subsidie beëindigd, omdat werkgevers
voldoende in de gelegenheid zijn gesteld de subsidies voor genoemde dienstbetrekkingen aan te vragen. Op deze manier wordt
efficiënt met
reïntegratiemiddelen omgegaan.
De wijze van financiering
van de scholing van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen wordt gewijzigd op grond van besluitvorming naar aanleiding van de
evaluatie van de financieringsmethodiek die in 1999 bij wijze van
overgangsperiode naar marktwerking is ingevoerd voor de op grond van de Wet
Rea aangewezen scholingsinstituten.
Vervroegd inzetten van
reïntegratieactiviteiten
Het Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen is op 11 augustus 2000 in werking getreden.
Het in dit besluit geregelde experiment liep tot 11 augustus 2004 of tot
het moment waarop het aantal deelnemers van 1000 was bereikt. Dit
moment werd voor de doelgroep "met ontslag bedreigden" bereikt in
januari 2003. Dit tijdstip was zeer ongunstig, juist door het stijgen van de
werkloosheid in 2003. Op het moment dat het experiment zijn werking
had kunnen bewijzen, moest het van rechtswege alweer stoppen. Dit was
een onwenselijke situatie. Ook de Raad voor werk en inkomen (hierna: RWI)
en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) waren een
voorstander van verlenging van het experiment. Derhalve
is het experiment in 2003 met twee jaar verlengd tot 1 juli 2005. De Tweede
Kamer is hiervan op de hoogte gesteld middels een brief van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2003 (SOZA-03-444). Op
grond van artikel 130c WW
kan het experiment met maximaal twee jaar
worden verlengd indien vervolgens een structurele wettelijke regeling wordt
getroffen. Onderhavig wetsvoorstel regelt, in aanvulling op de
reïntegratietaak, bedoeld in artikel 72, eerste lid,
WW, structureel dat het UWV
ook de taak heeft de inschakeling in de arbeid te bevorderen van met
werkloosheid bedreigde werknemers. Met andere woorden: voor werknemers
van wie het aannemelijk is dat zij binnen vier maanden de WW
zullen instromen, zet het UWV, indien zij hulp nodig
hebben bij de
inschakeling in de arbeid, reïntegratietrajecten in. Dit sluit aan bij de taak van het
UWV om werkgevers en werknemers proactief, dus voordat werknemers recht op een uitkering hebben, te informeren
over de producten van het
UWV en deze ook aan te bieden. Daarnaast wordt de
verantwoordelijkheid daar neergelegd waar hij moet liggen: de overheid neemt de
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van personen met een afstand
tot de arbeidsmarkt, de personen met een korte afstand tot de
arbeidsmarkt vallen onder verantwoordelijkheid van de werkgever en komen
niet
in aanmerking voor een vervroegd reïntegratietraject.
Het doel van het
vervroegd inzetten van reïntegratieactiviteiten door het UWV bij met werkloosheid
bedreigden is het voorkomen van werkloosheid dan wel het verkorten van
de werkloosheidsduur.
Bij de evaluatie van het
experiment preventieve inzet wachtgeldfondsen is gebleken dat een aantal zaken niet
optimaal geregeld was. Met dit wetsvoorstel wordt dit
rblz.|3|
ondervangen. Dit
wetsvoorstel is dan ook geen directe voortzetting van het experiment. De
filosofie achter het experiment blijft wel voortbestaan in dit wetsvoorstel,
namelijk dat het vervroegd inzetten van reïntegratie-instrumenten een gunstig effect kan
hebben op de werkhervattingkans.
Samenstelling doelgroep
Bij werkloosheid dient
men, op grond van artikel 26 WW, uiterlijk op de tweede dag van
werkloosheid aangifte te doen van zijn werkloosheid bij de Centrale organisatie
werk en inkomen. (De Centrale organisatie werk en inkomen voert de haar
opgelegde taken uit in Centra voor werk en inkomen. Hierna wordt met
"de CWI" bedoeld: de Centrale organisatie werk en inkomen). Echter,
deze melding kan ook al veel eerder plaatsvinden, er hoeft niet gewacht te
worden totdat de werkloosheid daadwerkelijk is ingetreden. Wanneer
iemand zich eerder meldt, kan hij ook eerder gebruik maken van de
dienstverlening door de CWI. Op grond van deze wet kan diegene die zich
eerder meldt ook in aanmerking komen voor het het vervroegd inzetten
van reïntegratiemiddelen. Van deze werknemers moet wel redelijkerwijs aannemelijk zijn dat hun dienstbetrekking binnen
vier maanden zal eindigen
als gevolg van ontslag. Daarnaast dient het voor de werknemers, naar
het oordeel van de CWI, aannemelijk zijn dat zij na het einde van de
dienstbetrekking recht zullen krijgen op een WW-uitkering. Personen
voor wie direct aansluitend werk voor handen is, behoren dus niet tot de
doelgroep. De werknemers die in aanmerking komen voor een vervroegd
reïntegratietraject moeten een door de CWI vastgestelde afstand tot
de arbeidsmarkt hebben. Voor diegene die een geringe afstand hebben,
zijn reïntegratietrajecten ingekocht door het UWV een te zwaar middel. Deze
personen komen in eerste instantie in aanmerking voor dienstverlening door
de CWI. Bij het vervroegd inzetten van reïntegratieactiviteiten
zal er per definitie nog sprake zijn van een dienstbetrekking. Derhalve zal er rekening
worden gehouden met het feit dat de met werkloosheid bedreigde cliënten nog arbeidsverplichtingen (kunnen)
hebben. De CWI en het UWV
zullen de potentiële WW-gerechtigden, de met ontslag bedreigden,
op de hoogte moeten stellen van dit instrument.
Geen onderscheid tussen
collectief/individueel ontslag
Door
dit wetsvoorstel
wordt de reikwijdte van artikel 72, eerste lid,
WW vergroot. Op grond van
het Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen kwamen alleen werknemers
in aanmerking voor een preventief reïntegratietraject die
collectief ontslagen werden (minimaal 20 personen). Deze eis wordt
losgelaten. Iedereen die met werkloosheid bedreigd wordt, kan in aanmerking komen
voor vervroegde reïntegratieactiviteiten, al voordat de eerste
werkloosheidsdag is ingetreden, mits uiteraard door de CWI is vastgesteld dat er
een grote afstand tot de arbeidsmarkt is.
De werknemer zal wel aan
de CWI moeten aantonen dat hij over maximaal vier maanden met
werkloosheid bedreigd wordt.
Onderscheid direct/niet-direct bemiddelbaren
In de situatie dat een
werknemer zich met het oog op zijn aanstaande werkloosheid vroegtijdig
meldt bij de CWI voert de CWI direct een toets
uit waarbij de
bemiddelbaarheid van de met ontslag bedreigde vastgesteld wordt. Daarnaast voert de
CWI, tegelijk met het bepalen van de afstand tot de
arbeidsmarkt, een toets uit op het recht op WW. Het
UWV kan deelname aan
reïntegratie op grond van artikel 72, eerste lid, onderdeel
b, WW toestaan als de CWI
de met ontslag bedreigde heeft gekwalificeerd als "niet direct
bemiddelbaar" en deze direct doorstuurt naar het
UWV, zodat het UWV kan
zorgdragen voor de reïntegratie. Met ontslag bedreigden die door de
CWI gekwalificeerd zijn als "direct bemiddelbaar" rblz.|4|
worden niet direct naar
het UWV doorgestuurd voor reïntegratie, maar zullen door het CWI naar
werk worden geleid. De CWI kan ook op een later tijdstip een cliënt
kwalificeren als "niet direct bemiddelbaar" en doorsturen naar het UWV,
bijvoorbeeld nadat de CWI eerst een paar maanden de met ontslag bedreigde
zonder succes zelf heeft begeleid naar werk. In het kader van de SUWI-experimenten, waarin geëxperimenteerd wordt met (innovatieve) vormen
van samenwerking tussen de ketenpartners CWI/UWV en gemeenten die
niet binnen de wettelijke kaders passen, kan het CWI met het UWV
afspraken maken omtrent de inzet van reïntegratieactiviteiten gedurende de periode dat
de CWI de cliënt naar werk begeleid. Dit houdt in dat in de periode waarin een
WW-gerechtigde die gekwalificeerd is als direct bemiddelbaar al wel kleine
(reïntegratie-)instrumenten kan krijgen, zoals
bijvoorbeeld een korte computercursus.
Monitoring
Het
UWV is
verantwoordelijk voor de rapportage over het aantal malen dat de vervroegde
reïntegratieactiviteiten zijn ingezet alsmede de resultaten van deze trajecten. Dit
doet hij via de reguliere verantwoordingskanalen.
Overgangsrecht
Aan
hoofdstuk Xb van de
Werkloosheidswet wordt een overgangsrechtelijke bepaling omtrent het
vervallen van het Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen opgenomen (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel I,
onderdeel F, van dit wetsvoorstel).
De
reïntegratieverplichting van overheidswerkgevers
Sinds 1 januari 2001
vallen de overheidswerknemers onder de WW. Deze wijziging is gerealiseerd
via de Wet overheidswerknemers onder de werknemersverzekeringen
(OOW). In die wet is
met betrekking tot werkloosheid geregeld dat de
polisvoorwaarden van de WW van toepassing zijn op overheidswerknemers en dat overheidswerkgevers eigenrisicodragers zijn met betrekking tot
het werkloosheidsrisico. De financiering van
werkloosheidsuitkeringen aan overheidswerknemers sluit niet aan bij die van de
marktpartijen.
De overheidswerkgevers betalen premie aan het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (Ufo). Hieraan ligt ten grondslag dat overheidswerkgevers die
voordien zelf de wachtgelden betaalden in principe niet failliet
kunnen gaan en daardoor in het algemeen een lager werkloosheidsrisico
hebben.
In de
WW is geregeld dat
het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van werkloze overheidswerknemers, tenzij de overheidswerkgever
kiest om deze
verantwoordelijkheid zelf te dragen ("opting out"). De overheidswerkgevers die
deze verantwoordelijkheid zelf dragen, krijgen van het UWV een vergoeding voor de gemaakte
reïntegratiekosten. Overheidswerkgevers die
al vóór de inwerkingtreding van de OOW contracten met
reïntegratiebedrijven hadden, konden deze contracten hierdoor voortzetten.
Met
dit wetsvoorstel
wordt geregeld dat de werkgever de reïntegratieverantwoordelijkheid van het
UWV overneemt.
Dit betekent dat de werkgever zelf reïntegratieactiviteiten kan ontplooien, maar ook dat de werkgever reïntegratiediensten kan
inkopen bij derden. De reïntegratieactiviteiten kunnen al vóór de eerste
WW-dag starten.
Met het overnemen van de
reïntegratieverantwoordelijkheid van het UWV verandert er niets aan de dienstverlening die de
CWI kan bieden om de
terugkeer van werklozen
met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt te rblz.|5|
bespoedigen. Naast de
uitkeringsintake verzorgt de CWI een werkintake. Tijdens de werkintake zal
het CWI moeten vragen of zijn (ex-)werkgever een overheidswerkgever is
en derhalve verantwoordelijk voor de reïntegratie is. De dienstverlening
van de CWI kan dan zo vormgegeven worden dat het complementair is
aan de inspanningen die de werkgever verricht.
De regering streeft naar
het verbeteren van efficiënte en effectieve reïntegratie door eenvoudige
regelgeving en een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling.
Dit houdt in dat de reïntegratieverantwoordelijkheid daar wordt neergelegd
waar de besparingen als gevolg van reïntegratie worden
gerealiseerd.
Bij de
Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte 2003 is reeds bijgedragen aan dit
streven. De reïntegratieverantwoordelijkheid bij ziekte is opgedragen aan
de werkgever. De werkgever heeft immers baat bij een zo kort mogelijke
ziekteperiode. Met onderhavige regelgeving wordt artikel
72a WW hiermee gelijkgetrokken. Daarnaast wordt met de keuze voor het
verplicht stellen van de reïntegratietaak, in combinatie met het afschaffen van de
vergoeding van de uitgaven aan de overheidswerkgever, dezelfde systematiek
gehanteerd als bij de voornemens omtrent het nieuwe
arbeidsongeschiktheidsstelsel. Immers ook daar heeft de regering gekozen voor
de drietrapsraket: eigenrisicodrager betaalt de uitkering, verantwoordelijkheid voor de reïntegratie en geen overheidsvergoeding
voor de reïntegratie.
Met voorgestelde
wijziging van artikel 72a WW
wordt de reïntegratietaak verplicht gesteld voor
alle overheidswerkgevers. Dit betekent dat zij naast de verantwoordelijkheid
voor de WW-uitkeringen ook verantwoordelijk worden voor de
reïntegratie-inspanningen. De overheidswerkgevers zullen niet langer een
vergoeding voor de reïntegratie-inspanningen van het UWV
krijgen. De reden
hiervoor is dat overheidswerkgevers op deze manier optimaal
geprikkeld worden om snel en effectief werkloze ex-overheidswerknemers te
reïntegreren.
In verband met het feit
dat er geen reïntegratievergoeding vanuit de socialeverzekeringsfondsen
wordt verstrekt, worden er geen nadere eisen gesteld met betrekking
tot de te contracteren reïntegratiebedrijven.
Rechten en plichten
Op grond van
artikel 26,
eerste lid, onderdeel e, van de WW is een werknemer verplicht mee te werken
aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de
arbeid. Als een werknemer de verplichting om mee te werken aan
reïntegratieactiviteiten niet of niet behoorlijk nakomt, meldt de werkgever dit bij het
UWV. Het UWV is immers belast met de handhaving. Het UWV kan een maatregel
opleggen (tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke
weigering van de WW-uitkering), waarbij rekening gehouden wordt met de
ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Daar zowel de werkgever
als de werknemer belanghebbende zijn bij dit besluit van
het UWV, worden beiden in staat gesteld om eventueel bezwaar en/of beroep aan
te tekenen.
Overgangsrecht
Overheidswerkgevers
kunnen voor overheidswerknemers die vóór de datum van
inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel B, van
dit wetsvoorstel werkloos zijn geworden
tot een jaar na die datum een vergoeding voor de
reïntegratiekosten bij het UWV aanvragen op basis van de thans geldende regelgeving.
rblz.|6|
De verlenging van de
werkloosheidsuitkering bij noodzakelijke scholing
De WW
kende een
verlenging van de werkloosheidsuitkering indien een werkloze met een werkloosheidsuitkering een noodzakelijke scholing
volgde en de scholing
voortduurde na het einde van de werkloosheidsuitkering. In de Wet
Rea bestond een
faciliteit voor toekenning van een reïntegratie-uitkering tijdens noodzakelijke scholing van een arbeidsgehandicapte
werkloze met een
werkloosheidsuitkering. Beide uitkeringsfaciliteiten zijn met de Wet van 23
december 2004 tot wijziging van enkele socialeverzekeringswetten
en enige andere wetten in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen
(Stb. 2004, 728) (hierna: de
Vereenvoudigingswet)
vervallen.
Onder de werklozen vallen
ook personen die gedurende enige tijd en mogelijk zelfs jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben
genoten
en die op grond van het
gewijzigde Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten en de eenmalige herbeoordeling geconfronteerd worden met verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Zonder wijziging van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
en de wijziging van de WAO tot eenmalige herbeoordeling zouden ze
niet herbeoordeeld zijn of zou de herbeoordeling niet tot
vermindering of tot intrekking van uitkering hebben geleid. Voor deze
personen zijn in het algemeen niet recent reïntegratieactiviteiten
verricht of, als ze wel zijn ingezet, dan hebben ze niet tot resultaat, te
weten duurzame plaatsing, geleid.
Voor degenen onder hen
die geen werk hebben, kan het UWV werkzaamheden tot arbeidsinschakeling
laten verrichten door reïntegratiebedrijven. Indien dit traject tevens
scholing omvat, kan de scholing voortduren na het verstrijken van de
duur van de werkloosheidsuitkering. Voor deze personen zal de werkloosheidsuitkering daarom worden verlengd tot het
einde van de scholing.
Verlenging van uitkering is alleen aan de orde als de scholing is
aangevangen voordat de gewone uitkeringsduur van de werkloosheidsuitkering is
verstreken. Het gaat hier om een beperkte afwijking van de hoofdregel dat
reïntegratie, en ook scholing als onderdeel van reïntegratie, niet mag
leiden tot verlenging van de werkloosheidsuitkering. De afwijking heeft
namelijk alleen betrekking op personen die na de herbeoordeling in
aanmerking komen voor een werkloosheidsuitkering. De doelgroep is in aantal
personen beperkt. Bovendien is de afwijking in de tijd beperkt. Zodra
immers de herbeoordelingsoperatie is afgerond en alle personen waarvoor
die herbeoordelingsoperatie is bedoeld, herbeoordeeld zijn en
scholing hebben afgerond, eindigt de toepassing van de afwijking.
Een vergelijkbare
wijziging zal worden doorgevoerd voor herbeoordeelde arbeidsongeschikten die
een uitkering krijgen op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Om
te bevorderen dat
scholing al vanaf de aanvang van het reïntegratietraject in beeld komt, is
ervoor
gekozen om als voorwaarde voor verlenging op te nemen dat de
scholing in het reïntegratieplan (ook: plaatsingsplan) is opgenomen en niet een
afzonderlijke verplichting is. Het UWV stelt in zijn bestek van aanbesteding van de reïntegratietrajecten als voorwaarde
dat het
reïntegratiebedrijf na ontvangst van de aanmelding van een cliënt, met de
cliënt een "plaatsingsplan" opstelt. Dat plan moet op grond van het bestek van
aanbesteding, afhankelijk van de doelgroep waartoe de cliënt
behoort, binnen uiterlijk 56 kalenderdagen bij het UWV zijn ingediend. Als dat
plan een concrete scholing inhoudt en binnen drie maanden is ingediend bij
het UWV, kan de cliënt tijdens de scholing verlenging van
werkloosheidsuitkering krijgen, voor zover de scholing langer duurt dan de
werkloosheidsuitkering. Omdat het UWV moet kunnen beoordelen of de
scholing noodzakelijk is, dient het plaatsingsplan over de scholing precieze
gegevens daaromtrent te omvatten. Gedacht rblz.|7|
moet worden aan de naam
van de scholing, welke kwalificaties ze biedt, bij welk
opleidingsinstituut ze wordt gevolgd, wanneer ze aanvangt en wanneer ze, bij normale
voortgang, eindigt. De cliënt kan dus vanaf het moment dat het
plaatsingsplan door het UWV is goedgekeurd al weten dat en hoe lang de
uitkeringsduur van de werkloosheidsuitkering wordt verlengd. Het
plaatsingsplan wordt opgesteld door het reïntegratiebedrijf in overleg met de cliënt
en dus niet eenzijdig door het reïntegratiebedrijf. Voor zijn aanspraak op
verlenging van zijn werkloosheidsuitkering is de uitkeringsgerechtigde dus
niet geheel afhankelijk van derden. Het reïntegratiebedrijf en
de uitkeringsgerechtigde hebben er belang bij dat de scholingswensen tijdig en
volledig in het plaatsingsplan worden opgenomen.
Aanvraagtermijnen plaatsings- en herplaatsingsbudgetten en pakketten op maat
Met de inwerkingtreding
van de Wet Rea kreeg de werkgever de mogelijkheid om subsidies of een
pakket op maat aan te vragen wanneer hij een arbeidsgehandicapte
werknemer in dienst nam of wanneer hij zijn arbeidsgehandicapt
geworden werknemer een andere functie aanbood binnen zijn eigen
bedrijf.
Met de inwerkingtreding
van het Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving (hierna: Belastingplan 2002) zijn deze subsidies en het pakket op maat
vervallen en vervangen door de premiekortingsregeling. Bij de inwerkingtreding
van het Belastingplan 2002 heeft de wetgever ervoor gekozen
de mogelijkheid van aanvragen voor de plaatsings- en
herplaatsingsbudgetten en pakketten op maat open te houden. Via het Belastingplan 2002 is daarom voor het
plaatsings- en herplaatsingsbudget en
het pakket op maat de zogenaamde eerbiedigende werking opgenomen voor de
dienstbetrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2002.
Dit betekent dat er ook nog na inwerkingtreding van het Belastingplan
2002 aanvragen en toekenningen konden worden gedaan. De verwachting
was dat aanvragen met of kort na het aangaan van de dienstbetrekking
door de werkgever zouden worden gedaan. De mogelijkheid van de
subsidie of het pakket op maat is immers één van de mogelijke overwegingen
een dienstbetrekking aan te gaan. Daarnaast maakt de werkgever direct
kosten die vanuit de subsidie worden gefinancierd.
In de
Wet Rea was in
tegenstelling tot de premiekorting op grond van het Belastingplan
2002 en
voor de subsidies voor gemeentelijke uitkeringsgerechtigden niet bepaald binnen welke
termijn een aanvraag voor een plaatsings- of
herplaatsingsbudget of een pakket op maat moet zijn ingediend. Dit betekent dat er op
dit moment nog aanvragen kunnen worden ingediend voor plaatsings-
en herplaatsingsbudgetten en pakketten op maat over
dienstbetrekkingen die tussen 1998 en 2002 zijn aangegaan.
De regering is van mening
dat het in stand laten van de mogelijkheid van aanvragen voor deze
subsidies voor het plaatsings- en herplaatsingsbudget en het pakket op maat
niet langer wenselijk is. De eerbiedigende werking is thans in
voldoende mate gerespecteerd. De gebruikelijke termijn voor indiening is
immers binnen één jaar na indiensttreding of herplaatsing. Omdat deze
termijn reeds lange tijd is verstreken, is in dit wetsvoorstel een
wijziging van de Wet Rea opgenomen waardoor het vanaf 1 juli 2005 niet
meer mogelijk zal zijn aanvragen in te dienen. Deze is ook reeds genoemd in
het persbericht waarmee de inhoud van dit wetsvoorstel openbaar is gemaakt.
Op de aanvragen die vóór
die datum zijn ingediend, dient het UWV nog wel een beslissing te
nemen.
rblz.|8|
Scholing
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen
In 1999 is op grond van
de Wet Rea een subsidieregeling ingevoerd voor de financiering van scholingsinstituten die scholing verzorgen voor
arbeidsongeschikte
personen. Doel van de regeling was om toegang tot scholing te bieden om
daarmee toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt voor personen die als gevolg van hun handicap behoefte hebben aan
faciliteiten die op
andere instellingen niet beschikbaar zijn. Zonder deze faciliteiten zouden deze
personen niet kunnen deelnemen aan de voor hun reïntegratie noodzakelijke scholing. Deze regeling was bedoeld als overgang
voor de aldus aangewezen scholingsinstituten naar volledige marktwerking.
In 2003 is deze
financiering geëvalueerd. Geconstateerd is dat ook andere instellingen
dan de aangewezen scholingsinstituten in staat zijn of op termijn in
staat zullen zijn om de scholing voor deze personen te verzorgen. Voor de
personen die niet behoren tot de doelgroep van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen zijn er mogelijkheden om via de aanbesteding
van reïntegratietrajecten en de inkoop van individuele
reïntegratieovereenkomsten noodzakelijke scholing te realiseren. Voor scholing van
personen die behoren tot de genoemde doelgroep kan een subsidieregeling
op grond van het in te voegen artikel 50a
van de Wajong worden
getroffen. Het gaat hier in hoofdzaak om personen die nog
deelnemen aan het initieel onderwijs ter voorbereiding op de arbeidsmarkt en die
nog geen of nauwelijks toegang hebben gehad tot de arbeidsmarkt. Voor
deze doelgroep acht de regering een publiek gewaarborgde
scholingsregeling gewenst.
In verband met het behoud
van de expertise van de op grond van de Wet
Rea aangewezen scholingsinstituten zal in een overgangsfase worden
voorzien naar de nieuwe
financieringsstructuur van scholingen.
Financiële gevolgen van
dit wetsvoorstel
Artikel 72 WW
Onderhavig wetsvoorstel
strekt ertoe dat het UWV flexibeler kan omgaan met het beschikbare reïntegratiebudget. Immers, in voorkomende situaties
kan het UWV besluiten om
eerder met een reïntegratietraject te starten, terwijl er nu
sprake is van een wettelijke belemmering wat onnodig wachten tot
gevolg kan hebben. Het wetsvoorstel beoogt om (potentiële)
uitkeringsgerechtigden in een eerder stadium de hulp te verstrekken die zij
anders in een later stadium hadden gekregen en daarmee de effectiviteit
van reïntegratie te verhogen.
Het wetsvoorstel beoogt
geen structurele toename van het aantal trajecten en dus geen
intensivering van het reïntegratiebudget. Dit houdt in dat de structurele
middelen die het UWV tot zijn beschikking heeft voor de reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden met een WW-uitkering niet worden aangepast. Wel
leidt de mogelijkheid van het vervroegd inzetten van
reïntegratietrajecten in het jaar van invoering tot eenmalig extra trajecten en daarmee
extra kosten. Daar staat tegenover dat er structureel de gemiddelde WW-duur
verkort kan worden, wat leidt tot een besparing op de uitkeringslasten.
In de begroting van het
Algemeen Werkloosheidsfonds is een bedrag van €|80 mln beschikbaar
voor reïntegratietrajecten voor WW-ers. Bij een
gemiddelde trajectprijs
van €|2500,-
is er zodoende ruimte voor jaarlijks 32 000 trajecten, waarbij
rekening is gehouden met de no-cure-less-payfinancieringssystemathiek. De mogelijkheid van preventieve inzet van
trajecten leidt in het
jaar van invoering eenmalig tot extra trajecten, omdat een aantal trajecten die
bij ongewijzigd beleid pas in 2006 zouden starten nu reeds in 2005 zullen
starten. Niet iedereen zal echter in aanmerking rblz.|9|
komen voor een vervroegd
traject en niet bij iedereen zal het traject daadwerkelijk eerder kunnen beginnen.
Verondersteld wordt daarom dat circa twee derde van het totaal aantal
trajecten gemiddeld twee maanden eerder kunnen beginnen. Zodoende
zullen in 2005 3500 extra trajecten ingezet worden. Dit betekent
eenmalige extra kosten van een kleine €|9 mln. Deze
kosten
vallen
voornamelijk in de jaren 2005 en 2006 en zullen net als de reguliere trajectkosten
ten laste komen van het Algemeen Werkloosheidfonds.
Verondersteld wordt dat
het twee maanden eerder starten van een reïntegratietraject zal
leiden tot een vervroegde uitstroom naar werk met eenzelfde periode. Het
feit dat het UWV zich ook wil inzetten om de duur van trajecten te verkorten,
draagt hier eveneens aan bij. Dit zal leiden tot een structurele besparing in
de WW-lasten. Bij een jaarlijks aantal trajecten van 32 000, een
plaatsingspercentage van 40% en een gemiddelde WW-uitkering van €|15
000,- per jaar zal de jaarlijkse besparing kunnen oplopen tot circa
€|21
mln.
De hiermee samenhangende
uitvoeringskosten hangen af van het aantal extra trajecten. Bij 3500 extra trajecten bedragen de uitvoeringskosten
€|0,6
mln in 2005. Bij
meer trajecten stijgen de uitvoeringskosten naar rato. Om misbruik van de
vervroegde reïntegratie tegen te gaan, zal het instrument van
risicoanalyse worden aangepast. De kosten van de hiermee samenhangende
systeemaanpassing zijn circa €|30 000,-. De
kosten van de
communicatie over de voorgestelde regeling worden door het UWV
op circa €|0,55
mln geschat. In het totaal worden de uitvoeringskosten in 2005 op €|1,16
mln
geraamd.
Het
UWV rapporteert in
zijn kwartaalrapportages over de uitputting van het reïntegratiebudget
en over de effectiviteit (in termen van plaatsingspercentages) van
reïntegratietrajecten.
Artikel 72a
WW
De voorgestelde wijziging
heeft tot gevolg dat de uitgaven uit het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (Ufo) met circa €|4,5
mln worden verlaagd. De
verlaging van de Ufo-uitgaven wordt doorberekend in de Ufo-premie. Dit
betekent dat de Ufo-premie verlaagd kan worden met een gelijk bedrag,
zodat sprake is van een budgettair neutraal effect. Bij de vaststelling van
de Ufo-premie wordt ook rekening gehouden met andere overwegingen en
mutaties in de uitgaven. De artikelen met betrekking tot de lasten van het
Ufo, artikel 93 en 97f
WW, zijn overeenkomstig aangepast.
De structurele besparing
op de uitvoeringskosten wordt op €|214 000,- per jaar geschat. De
besparing in 2005 wordt op €|112 000,- begroot.
Artikel 76 WW
Het is de bedoeling dat
reïntegratieactiviteiten binnen twee maanden na de herbeoordeling in het
kader van de herbeoordelingsoperatie starten. In de berekening van de
kosten van het voorstel is ervan uitgegaan dat de scholing start binnen
vijf maanden na de herbeoordeling. In het wetsvoorstel is opgenomen dat binnen
die termijn een concreet scholingsplan bij het UWV
moet zijn
ingediend; in een aantal gevallen zal de scholing eerder en in een aantal
gevallen zal de scholing later aanvangen. Daarnaast is uitgegaan van circa 80
000 personen die na de eenmalige herbeoordeling op basis
van het gewijzigde Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten met een verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering worden geconfronteerd. Hierbij is
rekening rblz.|10|
gehouden met het
recent bereikte akkoord over verlaging van het leeftijdscriterium van 55
naar 50 jaar bij de herbeoordelingsoperatie. Naast de verlenging van
de werkloosheidsuitkering bij noodzakelijke scholing zal ook de
uitkering van degenen die een beroep doen op de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Triha) en tijdens die
uitkering starten met noodzakelijke scholing worden verlengd. Dit zal
worden geregeld door middel van een wijziging van de Triha. Verondersteld
wordt dat circa 7850 personen wegens het volgen van noodzakelijke scholing voor een verlenging van de uitkering
met enkele maanden in
aanmerking komen. Bij benadering bedragen in dit geval de netto extra
uitkeringslasten WW/Triha
€|15 mln, waarbij een vermindering van de
weglek naar de bijstand is verondersteld.
Het UWV heeft in zijn
uitvoeringstoets aangegeven een netto extra uitkeringslast van circa
€|17 mln te verwachten als gevolg van de verlenging
WW/Triha-uitkering tijdens
scholing. Dit bedrag is, zeker gezien de onzekerheden en logisch
gebrek aan uitvoeringsgegevens rondom de Triha, in lijn met de raming van
SZW en geeft daarom geen aanleiding deze bij te stellen.
De verdeling van de
€|15 mln extra WW-lasten over de jaren bedraagt,
rekening houdend met het
tempo van de herbeoordelingsoperatie, bij benadering
€|1, €|4, €|7,
€|2 en €|1
mln in de jaren 2005 tot en met 2009. Deze budgettaire consequenties worden bij
voorjaarsnota met inachtneming van de begrotingsregels binnen
het SZA-kader [SZA: sociale zekerheid en arbeidsmarkt, red.] ingepast. Bij de inboeking zal rekening worden gehouden
met de werkloosheidsregelingen voor het overheidspersoneel.
Artikel 87b
Wet Rea
Met de wijziging van
artikel 87b van de Wet Rea wordt de mogelijkheid plaatsingsbudgetten en herplaatsingsbudgetten en pakketten op maat aan
te vragen, beëindigd. Dit
is reeds in de ramingen verwerkt en heeft dus geen budgettaire
consequenties.
Het
UWV gaat uit van een
besparing op de structurele besparing op de uitvoeringskosten van
€|65 000,- per jaar. Voor 2005 is de besparing
€|32 500,-.
Artikel 50a
Wajong
Voor de nieuwe regeling
voor de scholing van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen zullen naar verwachting niet minder middelen noodzakelijk
zijn dan in de thans geldende financieringssystematiek. De kosten voor de
scholing van personen die niet behoren tot de genoemde doelgroep
zullen worden gefinancierd via de inkoop van reïntegratietrajecten.
De kosten van de scholing van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen en de uitvoering van de regeling zullen worden
gefinancierd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.
Administratieve lasten
De zes voorgestelde
wijzigingen in de WW, en de daarmee samenhangende wijziging in de
Wfsv,
alsmede de wijziging in de Wet Rea hebben vrijwel geen gevolgen
voor de informatieverplichtingen door bedrijven. Waar werkgevers voor
herplaatsers niet alleen een beroep konden doen op de
premiekortingsregeling, maar in sommige gevallen ook op plaatsings-/herplaatsingsbudgetten of pakket op maat, blijft
nu alleen de premiekortingsregeling over. Dit is per saldo
een vereenvoudiging. Vanwege dit marginale (gunstige)
effect op de administratieve lasten is dit wetsvoorstel niet voorgelegd aan het
Adviescollege toetsing administratieve lasten rblz.|11|
(Actal). De wijzigingen
in de Wet kinderopvang
en de Wajong
hebben geen gevolgen voor de
administratieve lasten van bedrijven.
Uitvoerings- en
toezichtbaarheidstoets
UWV
Het
UWV is op 10 november
2004 gevraagd het wetsvoorstel te beoordelen op de uitvoerbaarheid. Op
6 januari 2005 heeft UWV zijn advies gegeven.
Wijziging artikel 72
WW
Het voorstel om
reïntegratietrajecten te starten voor de eerste werkloosheidsdag is
volgens het UWV zeer wel uitvoerbaar en zal volgens het UWV bijdragen aan een
verhoging van de effectiviteit van reïntegratie. De opmerking die het UWV
maakt over de baten en lasten van het voorstel zijn verwerkt in de
financiële paragraaf.
Het voorstel om de
overheidswerknemers expliciet buiten de doelgroepbepaling te laten, is verwerkt in
het wetsvoorstel. Het UWV geeft aan in afstemming met de CWI
de
doelgroep te informeren over de mogelijkheden die de CWI en het UWV
kunnen bieden voor de eerste werkloosheidsdag bij het
vinden van een nieuwe baan.
Zowel de CWI als het UWV
geven aan dat het aantal potentiële deelnemers dat vóór de eerste werkloosheidsdag daadwerkelijk start met een
reïntegratietraject niet
groot zal zijn, omdat de meeste WW-gerechtigden die zich melden voor de
eerste werkloosheidsdag door de CWI als direct bemiddelbaar gekwalificeerd worden. Het UWV benadrukt wel het belang
van de overdracht door de
CWI van de potentiële WW-gerechtigden met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt vóór de eerste werkloosheidsdag aan het UWV en
constateert het belang van het maken van goede afspraken met de CWI. Het
UWV vraagt zich voorts af wat onder direct bemiddelbaar moet worden
verstaan. Zolang de CWI de kansmeter hanteert om een
WW-gerechtigde in een bepaalde fase in te delen, worden onder direct
bemiddelbaar de fase-1-WW-ers verstaan.
Wijziging artikel
72a WW
Dit voorstel heeft voor
het UWV marginale uitvoeringsconsequenties. De wijziging heeft geen
aanpassingen in systemen tot gevolg en zal een jaarlijkse besparing op
de uitvoeringskosten opleveren van €|214 000,-.
Wijziging artikel 76
WW
Het
UWV heeft erop
gewezen dat vermoedelijk maar in beperkte mate gebruik gemaakt zal
behoeven te worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de
werkloosheidsuitkering, omdat de maximale reguliere uitkeringstermijnen WW
naar zijn verwachting voldoende ruim zijn om tijdens de normale uitkeringsduur de eventuele scholing te kunnen
voltooien. Voorwaarde
voor de uitvoering is volgens het UWV dat dit voorstel wordt ingevoerd
in samenhang met het afschaffen van de verlenging in de
Vereenvoudigingswet.
Wijziging artikel 6 Wet
kinderopvang
De voorgestelde wijziging
heeft voor het UWV nauwelijks uitvoeringsconsequenties.
rblz.|12|
Wijziging artikel
87b Wet Rea
Met betrekking tot de
wijziging van artikel 87b van de Wet
Rea merkt het UWV op dat het voorstel
zonder voorbehoud uitvoerbaar is. Het UWV heeft een voorkeur voor
een snellere inwerkingtreding. Met inachtneming van de
wetgevingsprocedure is dit echter niet mogelijk.
Het UWV stelt wel de
vraag of in het kader van deze wijziging niet ook met betrekking tot het pakket
op maat, bedoeld in artikel 18 (oud) Wet
Rea, een
maximumaanvraagtermijn moet worden opgenomen. Deze suggestie is overgenomen en
verwerkt in het wetsvoorstel.
Invoeging artikel
50a Wajong
Over de precieze
invulling van de subsidieregeling en de gevolgen voor de uitvoeringslasten van
het UWV van een subsidieregeling op grond van artikel
50a Wajong wordt
met het UWV overlegd. Enerzijds vervalt na afloop van de
overgangsperiode de bestaande subsidieregeling waarin scholingen gefinancierd
werden op basis van de begrotingen en de verantwoordingen van de
scholingsinstituten van de kosten van scholing. Anderzijds zal de
noodzaak van de inzet van specifieke scholingsfaciliteiten beoordeeld moeten worden
en zal ook, voor de jonggehandicapten met een ernstige
scholingsbelemmering de noodzakelijke scholing ingezet moeten
worden. Bij de uitwerking van de subsidieregeling zullen de precieze
effecten in beeld gebracht worden.
CWI
De
CWI is op 10 november
2004 gevraagd de onderdelen met betrekking tot de aanpassing van
artikel 72 WW en 72a
WW te beoordelen op de
uitvoerbaarheid.
Wijziging artikel 72
WW
Met betrekking tot de
aanpassing van artikel 72 WW
onderschrijft de CWI het belang dat de
werknemers die met werkloosheid worden bedreigd zich al voordat de
dienstbetrekking daadwerkelijk is beëindigd, richten op het vinden van een nieuwe
dienstbetrekking. De voorgestelde wijziging is naar de mening van de CWI
zonder aanvullende voorwaarden door de CWI uitvoerbaar en de
opmerkingen van de CWI hebben derhalve niet geleid tot aanpassing van
het wetsvoorstel.
Wijziging artikel
72a WW
Met betrekking tot de
wijziging van artikel 72a WW
merkt de CWI op dat zij ervan uitgaat dat de CWI
een reïntegratieadvies blijft opstellen voor de werkloze
overheidswerknemers. De CWI merkt daarbij op dat zij op basis van de artikelen
21, onderdeel e, en 26, vierde lid, Wet
SUWI niet kan adviseren. De overheidswerkgever is
niet alleen verantwoordelijk voor de financiering van de
reïntegratie van zijn (ex-)werknemers, maar ook voor de inhoud daarvan (en kan
daarbij de expertise van een reïntegratiebedrijf inhuren). Het is derhalve
niet nodig dat de CWI een reïntegratievisie opstelt. Daarom zullen de
genoemde artikelen uit de Wet SUWI niet worden aangepast.
Toezichtbaarheid volgens
IWI
Op 11 november 2004 is de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) gevraagd om toezichtbaarheidstechnisch commentaar op
het wetsvoorstel. De IWI heeft
haar reactie op 30
november 2004 gegeven. Het was de IWI niet duidelijk tot welke datum het
Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen rblz.|13|
zou gelden en vanaf
welke
datum reïntegratieactiviteiten, op grond van het voorgestelde artikel
72 WW, preventief kunnen worden ingezet. Naar aanleiding van de
opmerking van de IWI is het wetsvoorstel aangepast.
Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid
De Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid heeft te kennen gegeven niet inhoudelijk op het
wetsvoorstel te willen reageren.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
In
onderdeel A wordt
artikel 72, eerste lid, WW opgesplitst in twee onderdelen. De huidige tekst van
artikel 72, eerste lid, is opgenomen in onderdeel a. In onderdeel
b is de
taak voor het UWV ten aanzien van met werkloosheid bedreigden opgenomen.
Uit het voorgestelde
artikel 72, tweede lid, onderdeel b, blijkt dat de werknemer moet aantonen dat zijn
dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen. Vervolgens
dient de CWI te beoordelen of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de
betrokkene na afloop van die dienstbetrekking recht zal hebben op een WW-uitkering.
Onderdeel B
In
onderdeel B wordt
artikel 72a WW gewijzigd, waardoor de overheidswerkgever verplicht wordt de
verantwoordelijkheid te dragen voor de reïntegratie van
werkloze overheidswerknemers.
Onderdeel C,
onder 1
Het is gewenst ook met
betrekking tot de opleiding of scholing als bedoeld in het
voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 76, een delegatiebevoegdheid te creëren. Daartoe
wordt artikel 76, tweede lid, gewijzigd. Omdat de
Scholingsregeling WW (Stcrt. 2004, 163) niet zodanig is geredigeerd dat die zich uitsluitend
richt op artikel 76, eerste lid, zoals dat thans luidt, is deze regeling
van toepassing op opleiding of scholing als bedoeld in artikel
76, derde lid,
zonder dat bedoelde regeling behoeft te worden aangepast.
Onderdeel C,
onder 2
Op grond van het
voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 76 kan de
WW-uitkering van de
herbeoordeelde worden verlengd indien de opleiding of scholing deel uitmaakt van het reïntegratieplan dat het
UWV door een reïntegratiebedrijf
binnen drie maanden na de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering laat opstellen. Dit is
een plan dat in de
praktijk ten behoeve van ieder reïntegratietraject wordt opgesteld door het
reïntegratiebedrijf, maar waar de wet niet toe verplicht. Dit plan wordt
in het kader van het ondertekenen daarvan door de uitkeringsgerechtigde
wel genoemd in artikel 29, derde lid. Derhalve wordt in
artikel 76,
derde lid, naar het plan in artikel 29, derde lid, verwezen. Het UWV stelt
in de praktijk geen uitgewerkt reïntegratieplan op. Wel stelt het UWV een
reïntegratievisie op na een herbeoordeling. Dat is een document dat
globaal aangeeft welke belemmeringen en mogelijkheden de cliënt heeft, wat de
wensen en inzichten van de cliënt zijn en welke activiteiten in het
reïntegratietraject passen.
rblz.|14|
Een
tweede voorwaarde
voor toepassing van artikel 76, derde lid, is dat de opleiding of scholing is
aangevangen vóór de duur van de uitkering verstrijkt. In de tekst
van artikel 76, eerste lid, zoals die luidde
vóór de inwerkingtreding van de
Vereenvoudigingswet, lag deze voorwaarde reeds besloten. In het voorgestelde
artikel 76, derde lid, is het nodig dit
expliciet te bepalen, om
te voorkomen dat verlenging van de uitkering ook aan de orde zou zijn als
het plan waarin scholing of opleiding is opgenomen weliswaar tijdig is
opgesteld, maar de betrokkene pas nadat het recht op uitkering is
geëindigd, aanvangt met de scholing of opleiding.
Omdat op grond van
artikel 76, eerste lid, de WW-uitkering na afloop van de duur daarvan eindigt,
ook wanneer op dat moment de opleiding of scholing nog niet is
beëindigd, vangt het derde lid aan met de zinsnede "in afwijking
van".
Omdat het begrip
"herbeoordeelde" niet elders in de WW
voorkomt, wordt dit begrip niet in
artikel 1, maar in artikel 76, vierde lid, gedefinieerd. Deze begripsomschrijving
is dezelfde als in artikel 1 van de
Tijdelijke regeling inkomensgevolgen
herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
Onderdeel D
In
onderdeel D wordt
artikel 93 WW technisch aangepast aan de wijziging van
artikel 97f WW.
Onderdeel E
Doordat de
overheidswerkgever verantwoordelijk wordt voor de reïntegratie van de WW-gerechtigde
overheidswerknemer en die overheidswerkgever ook de kosten daarvan
dient te dragen, is financiering van die kosten uit het Ufo niet
langer aan de orde. Artikel 97f, eerste lid,
onderdeel
m en p, WW kunnen
derhalve vervallen.
Onderdeel F
Het
Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen is in 2003 verlengd met twee jaar
tot 1 juli 2005. Op deze datum zal het besluit van rechtswege vervallen. Dit
besluit kan, gelet op artikel 130c WW, niet nogmaals worden verlengd.
De aanvraag die vóór 1 juli 2005 op grond van het Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen voor een reïntegratietraject is
ingediend, wordt vanaf die datum aangemerkt als aanvraag om werkzaamheden
ter uitvoering van de taak van het UWV, bedoeld in artikel
72,
eerste lid, onderdeel b, van de WW. Het reïntegratietraject dat is aangevangen
vóór 1
juli 2005 wordt vanaf die datum aangemerkt als een
reïntegratietraject, bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel
b, van de WW. De eerder
overeengekomen duur van het traject wordt hierdoor echter niet
verlengd. Mocht het nodig zijn dat de betrokkene toch een langer
reïntegratietraject volgt dan aanvankelijk was toegekend, dan is dat mogelijk
nadat het
UWV een nieuwe beslissing hieromtrent heeft genomen.
Opgemerkt wordt dat in
het geval dit wetsvoorstel in werking treedt op een datum gelegen na 1
juli 2005, aan het artikel dat artikel 72 WW
wijzigt terugwerkende kracht zal
worden verleend (zie ook de artikelsgewijze toelichting
bij artikel V
van dit wetsvoorstel).
rblz.|15|
Artikel II
De
Wet kinderopvang wordt
aangepast aan de wijziging in artikel 72 WW. De met werkloosheid
bedreigde werknemer die een reïntegratietraject volgt, heeft aanspraak op
een tegemoetkoming van het UWV in de kosten
voor kinderopvang. Dit
volgt uit het nieuwe onderdeel m van artikel 6, eerste lid, van de
Wet kinderopvang. Ten overvloede wordt opgemerkt dat
het nieuwe onderdeel m
aansluit op de lettering van artikel 6, eerste lid, waarvan de onderdelen
k
en l niet in werking zijn getreden.
Artikel III
Het overgangsrecht in de
Wet Rea wordt gewijzigd, waardoor het vanaf 1 juli 2005 niet
meer mogelijk zal zijn aanvragen in te dienen voor plaatsings- en
herplaatsingssubsidies, die met de invoering van de premiekorting voor
arbeidsgehandicapten via het Belastingplan 2002
zijn komen te vervallen. Vanaf
dat moment is het ook niet langer mogelijk een pakket op maat aan te
vragen. Op de aanvragen die vóór die datum zijn ingediend, dient het UWV
nog wel een beslissing te nemen.
Artikel IV
In
de Wfsv
wordt in
artikel 108 bepaald welke uitgaven ten laste komen van het Ufo. De
onderdelen m en p van het eerste lid betreffen de vergoedingen voor overheidswerkgevers
en de kosten in verband met de uitvoering van de reïntegratie van
de overheidswerknemers. Als gezegd, wordt met dit wetsvoorstel de overheidswerkgever verantwoordelijk voor de
reïntegratie en dient
hij zelf de kosten daarvan te dragen. Wanneer de Invoeringswet Wfsv in
werking treedt, komen de financieringsbepalingen uit de WW
te vervallen.
De aanpassing als opgenomen in artikel I, onderdeel D, dient dan te worden
aangebracht in artikel 108, eerste lid, van de
Wfsv,
zodat de
reïntegratiekosten ten laste van het Ufo komen.
Artikel V
Het voorgestelde
artikel 50a, eerste lid, van de Wajong
kan de basis vormen voor een
ministeriële regeling op grond waarvan het UWV
subsidie kan verstrekken
aan rechtspersonen die in het kader van de uitoefening van beroep of
bedrijf door scholing de inschakeling van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen in de arbeid bevorderen.
Het is gewenst dat het
UWV bij de subsidieverlening op grond van de genoemde ministeriële
regeling verplichtingen kan opleggen met betrekking tot het hanteren van een
registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is
bereikt.
Het is nodig dit te
bepalen in artikel 50a, tweede lid, omdat deze verplichting niet in
artikel 4:37 van
de Algemene wet bestuursrecht (Abw) wordt genoemd. Op grond van
artikel 4:38 Awb kunnen, wanneer het een subsidie betreft die op
een wettelijk voorschrift berust, doelgebonden verplichtingen die niet
in artikel 4:37 Awb worden
genoemd slechts bij of krachtens wettelijk
voorschrift bij de subsidieverlening worden opgelegd. Op grond van 4:39
Awb
kunnen niet-doelgebonden verlichtingen worden opgelegd voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
Opgemerkt wordt dat bij "registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is
bereikt"
kan worden gedacht aan het gebruik door de subsidieontvangers van
een systeem waaruit kan worden afgeleid welke opleiding door welke
cursisten is gevolgd en het behaalde resultaat van de opleiding. De vorm
waarin deze gegevens geleverd worden, moet nader vastgesteld kunnen
worden opdat ze vergelijkbaar zijn met gegevens rblz.|16|
die het UWV hanteert
in zijn verzekerdenadministratie, opdat na afronding van de
opleiding nagegaan kan worden of cursisten door de opleiding toegang hebben
gekregen tot de arbeidsmarkt.
Door de wijziging van
artikel 65 van de Wajong via artikel
V, onderdeel B, van dit voorstel van wet worden
de subsidies, bedoeld in artikel 50a, en de kosten van de uitvoering van de
subsidieregeling door het UWV, bekostigd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten.
Artikel VI
[zie art.
VII van de wet, red.]
Bij de
Vereenvoudigingswet is de mogelijkheid van toekenning van reïntegratie-uitkering
en verlenging van de werkloosheidsuitkering tijdens scholing met ingang van 1
januari 2005 komen te vervallen. Voor personen die in het kader
van de eenmalige (WAO-)herbeoordeling meer arbeidsgeschikt worden
geacht en die aanspraak hebben op werkloosheidsuitkering, wordt verlenging van de
werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing
met dit wetsvoorstel mogelijk gemaakt. Het is wenselijk dat die
mogelijkheid ontstaat met ingang van de datum van de inwerkingtreding van de
Vereenvoudigingswet. In verband met de wenselijkheid artikel I, onderdeel
C,
met terugwerkende kracht in werking te laten treden, is hiertoe
de bevoegdheid opgenomen in de inwerkingtredingsbepaling.
Overigens kan het
noodzakelijk zijn aan artikel I, onderdeel A, van
dit wetsvoorstel
terugwerkende kracht te geven. Dat is het geval wanneer dat onderdeel in werking
treedt na 1 juli 2005. Op die datum vervalt het Tijdelijk besluit preventieve inzet
wachtgeldfondsen van rechtswege en kan het nodig zijn dan
lopende reïntegratiewerkzaamheden aansluitend voort te zetten zonder een
hiaat in die werkzaamheden te laten ontstaan.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|