|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 090
Technische
verbeteringen en enige andere wijzigingen in wetgeving op het terrein
van de arbeidsmarkt en de bijstand en enige andere terreinen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Bij
deze wet worden in verschillende wetten op het terrein van de
arbeidsmarkt en de bijstand wijzigingen van voornamelijk technische aard aangebracht.
Het gaat onder andere om
redactionele verbeteringen en het corrigeren van onjuiste
verwijzingen. In het artikelsgewijze deel wordt nader ingegaan op de
verschillende wijzigingsvoorstellen.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wet arbeid
vreemdelingen
Onderdeel A
Met de
Wet
bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen is de bestuursrechtelijke handhaving in de
Wet arbeid
vreemdelingen geïntroduceerd. In artikel 1, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet
arbeid vreemdelingen is daartoe het begrip
beboetbaar feit omschreven. In die omschrijving is sprake van "een
gedraging". In zowel de Arbeidstijdenwet
als de Arbeidsomstandighedenwet
1998 wordt in de
omschrijving van het beboetbare feit echter gesproken van "een handelen of
nalaten". Omwille van de eenduidigheid wordt
voorgesteld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
arbeid vreemdelingen de omschrijving van het beboetbaar feit met deze beide andere wetten
te harmoniseren.
Onderdeel B
In het kader van de
Wet
bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet is in artikel 10:7 geregeld dat de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsregels vaststelt
over de hoogte van de boetebedragen. Een dergelijk expliciet voorschrift
ontbreekt in de Wet
arbeid vreemdelingen. In onderdeel B van artikel I
wordt hierin voorzien, zodat ook op dit punt sprake is van een
harmonisatie.
rblz.|2|
Artikel
II. Wet werk en
inkomen kunstenaars
Onderdeel
A, onder 1
Met de Wet op de
uitbreiding van de identificatieplicht [Wet op de
uitgebreide identificatieplicht, red.] is het rijbewijs als betrouwbaar en geldig
identiteitsbewijs voor de vaststelling van het recht op uitkering komen te
vervallen. Deze wijziging is wel doorgevoerd in de oude Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (artikel XV), maar nog niet in
de Wet werk en inkomen kunstenaars. Deze omissie wordt hiermee
hersteld.
Onderdeel
A, onder 2
Bij nota van wijziging
van 20 augustus 2004 (Kamerstukken II 2003-2004, 29 574, nr. 8) is de reïntegratiebevoegdheid, bedoeld in
artikel 21 van de Wet werk en inkomen
kunstenaars, neergelegd bij de centrumgemeenten in plaats van bij de
woongemeenten van de kunstenaars.
Reïntegratie en
uitkeringsverstrekking liggen daarmee in één hand. Deze wijziging heeft tot
gevolg dat de verplichte inschrijving bij de Centrale organisatie werk en
inkomen (CWI) niet langer noodzakelijk is. De verplichting dat
aanvragers die een beroep wilden doen op een voorziening als bedoeld in artikel 21
van de Wet werk en inkomen kunstenaars zich moesten inschrijven
bij de CWI was uitsluitend in de Wet werk en inkomen kunstenaars
opgenomen omdat de voorziening door de woongemeente zou moeten worden aangeboden en deze woongemeente de
specifieke problemen en
mogelijkheden van de kunstenaar niet kent. De kunstenaar ontvangt zijn
uitkering immers via de centrumgemeente. Bij het besluit om de reïntegratiebevoegdheid neer te leggen bij de centrumgemeenten
is de overbodig geworden inschrijvingsplicht bij de CWI uit de Wet werk en inkomen
kunstenaars niet geschrapt. De onderhavige wijziging voorziet alsnog in het
vervallen van het zesde en zevende lid van artikel 20 van de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
Onderdeel B
Met het opleggen van de
verplichting aan de centrumgemeenten om, voorafgaand aan de
indiening van een verslag over de uitvoering van de Wet werk en inkomen
kunstenaars, een voorlopig verslag in te dienen bij de minister wordt
aangesloten bij de systematiek die wordt gebruikt bij de Wet werk en
bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. In het kader van de financiering
van centrumgemeenten is met betrekking tot de Wet werk en inkomen
kunstenaars het systeem van de kwartaaldeclaraties, zoals dat gold onder de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars, afgeschaft. In de plaats
van de vier kwartaaldeclaraties is er met ingang van 1 januari 2005
nog maar één voorlopig verslag, ingericht als jaardeclaratie,
verplicht. Dit betekent voor de centrumgemeenten derapportage en vermindering van de
administratieve lasten. Het ingediende voorlopig verslag wordt gebruikt voor een voorlopige verrekening van de
uitkeringskosten en de
uitvoeringskosten met het daarvoor verleende voorschot voor het
kalenderjaar waarop de kostenopgave betrekking heeft. Met deze voorgestelde wijziging van de Wet werk en inkomen
kunstenaars wordt het
voorlopig verslag op een meer adequate wijze in de wet neergelegd.
Onderdeel C
Met dit onderdeel wordt
de Wet werk en inkomen kunstenaars aangepast rblz.|3|
naar aanleiding van het
advies van de Raad van State over het Uitvoeringsbesluit
Wwik (advies van 6 december 2004, nr.
W12.04 0510/IV, te vinden op www.raadvanstate.nl).
De Raad van State merkt
op dat in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder
b, van de Wet werk en
inkomen kunstenaars bij nota van wijziging de vaste bedragen van de
progressie-eis in genoemde wet zelf zijn opgenomen (Kamerstukken II
2003-2004,
29 574, nr. 8, onderdeel B). Daarbij is echter niet voorzien in
een aanvullende overgangsregeling voor kunstenaars die reeds een uitkering
genoten op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik) en die
in 2005 een beroep doen op de Wet werk en inkomen
kunstenaars en op grond waarvan kan worden afgeweken van artikel
11, eerste
lid, aanhef en onder b, door het treffen van een overgangsregeling
in het Uitvoeringsbesluit
Wwik (artikel 27 van dat
besluit).
Met onderhavige invoeging van artikel 78d
wordt
hierin alsnog voorzien. Het gaat hierbij zowel om kunstenaars die op 31
december 2004 recht hadden op een uitkering op grond van de Wik en
die per 1 januari 2005 doorstromen naar de Wet werk en inkomen
kunstenaars, als voor kunstenaars die eerder recht hadden op een uitkering
op grond van de Wik en die in de loop van het kalenderjaar 2005 een
beroep doen op de Wet werk en inkomen kunstenaars. Deze wijziging zal
terugwerken tot en met 1 januari 2005.
Artikel
III. Wet werk en
bijstand
Bij amendement van het
lid De Wit c.s. (Kamerstukken II 2004-2005, 29 760, nr. 28) is in de Wet
aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie
levensloopregeling een wijziging van artikel 31 van de
Wet werk en bijstand
opgenomen die erin voorziet dat het tegoed in geld op de rekening van een
levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de
Wet op de
loonbelasting 1964, dan wel de verzekerde som van een levensloopverzekering
als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die
wet, in het kader van de
uitvoering van de Wet werk en bijstand niet tot de
middelen wordt gerekend. Eén en ander zal - naar het zich thans laat aanzien
- worden
neergelegd in artikel 31, tweede lid, onderdeel
q, van de Wet werk en bijstand. In
aanmerking nemende dat uit de omstandigheid dat in afwijking van de
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel
31,
tweede lid, onderdeel l en m, het levenslooptegoed niet
uitdrukkelijk in
artikel 34, tweede lid, van de Wet werk en
bijstand is vermeld, onbedoeld
afgeleid zou (kunnen) worden dat het levenslooptegoed bij de aanvang van het
recht op bijstand als relevant vermogen zou moeten worden
aangemerkt, is ervoor gekozen om met betrekking tot het vrijlaten van het
levenslooptegoed volledig de systematiek te volgen die bij de vrijlating van
vergoedingen voor immateriële schade is gevolgd. Evenals dat bij de
vrijlating van vergoedingen voor immateriële schade het geval is, wordt
derhalve thans ook het levenslooptegoed, naast de duiding in artikel
31,
tweede lid, ook uitdrukkelijk geduid in artikel
34, tweede lid.
Artikel
IV. Wet op de
economische delicten
De verwijzing naar de Wet
op de gevaarlijke werktuigen in artikel 1, onder 4°, van de Wet
op de economische delicten kan vervallen omdat de Wet
op de gevaarlijke
werktuigen met ingang van 1 september 2003 is vervallen.
rblz.|4|
Artikel
V. Wet
dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden
In de recente wijziging
van de Wet sociale werkvoorziening en in de nieuwe
Wet werk en
inkomen kunstenaars is al rekening gehouden met de Wet
dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden. Om deze reden zullen de
artikelen
LII en LVIII, onderdeel F, G,
H, I, J
en K, van de Wet dualisering gemeentelijke
medebewindsbevoegdheden dan ook niet
in werking treden. Die
artikel(onderdel)en kunnen dan ook komen te vervallen.
Artikel
VI. Wet sociale
werkvoorziening
Een aantal artikelen is
met de wijziging van de Wet sociale werkvoorziening
per 1 januari 2005 nog
niet aangepast aan de Wet
dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden. In artikel VI wordt dit alsnog
gedaan.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|