|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 133
Wijziging
van de Werkloosheidswet ter uitvoering van Richtlijn
nr. 2002/74/EG
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen ¹
1. Zie de
transponeringstabel onderaan deze pagina, red.
Het
doel van dit wetsvoorstel is uitvoering te geven aan de implementatie
van Richtlijn nr. 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 23 september 2002 (PbEG L 270) tot wijziging van Richtlijn
nr. 80/987/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie
van de werkgever.
Richtlijn 80/987/EG heeft tot doel werknemers bij insolventie van
hun werkgever een minimum aan bescherming te bieden. Daartoe moeten de
lidstaten een waarborgfonds oprichten dat de honorering van de
onvervulde loonaanspraken van de betrokken werknemers waarborgt. Met
betrekking tot de normatieve materiële bepalingen van Richtlijn nr.
80/987/EG, voor zover die gericht zijn aan de lidstaten, geldt dat de
Nederlandse wetgeving, in casu hoofdstuk IV
van de Werkloosheidswet (WW), daarin voorziet.
In hoofdstuk IV van de WW
is geregeld dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) -
zijnde het waarborgfonds - de
uitkering verstrekt bij betalingsonmacht van de werkgever. De
uitkeringen die het UWV (het waarborgfonds) verstrekt, komen ten laste
van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Wegens de evolutie van het insolventierecht in de lidstaten en de
ontwikkeling van de interne markt moeten sommige bepalingen van die
richtlijn worden aangepast. Richtlijn 2002/74/EG strekt daartoe. Met
betrekking tot deze Richtlijn nr. 2002/74/EG is alleen implementatie in
de Nederlandse wetgeving noodzakelijk van de inhoud van artikel 1,
vierde lid, voor zover daarmee artikel 8bis, eerste en tweede lid,
wordt ingevoegd in Richtlijn nr. 80/987/EG. De richtlijn dient op grond
van artikel 2, eerste lid, op 8 oktober 2005 te zijn geïmplementeerd.
Van de overige bepalingen van Richtlijn nr. 2002/74/EG is implementatie
niet noodzakelijk. Met betrekking tot de normatieve materiële
bepalingen van Richtlijn nr. 2002/74/EG, voor zover die gericht zijn aan
de lidstaten, geldt dat de Nederlandse wetgeving, in casu hoofdstuk
IV WW, reeds daarin voorziet: zie de transponeringstabel.
rblz.|2|
Implementatie van artikel
1, vierde lid van de Richtlijn nr. 2002/74/EG
Alleen dat onderdeel van artikel 1, vierde lid, van de richtlijn,
waarbij artikel 8bis, eerste en tweede lid, wordt ingevoegd in Richtlijn
nr. 80/987/EG, komt voor implementatie in aanmerking. Artikel 8bis,
eerste lid, bevat aanwijsregels die in grensoverschrijdende gevallen
bepalen welk waarborgfonds van welke lidstaat bevoegd is. De Nederlandse
wetgeving inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de
werkgever - hoofdstuk IV van de WW
- kent dergelijke aanwijsregels niet. De uitkering bij
betalingsonmacht van de werkgever, hoewel geïncorporeerd in hoofdstuk
IV WW, valt niet onder de materiële
werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de
Europese Gemeenschap van 14 juni 1971, zodat geen beroep kan worden
gedaan op de in deze verordening opgenomen aanwijsregels (vergelijk het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 15 december 1976, nr.
39/76 (Mouthaan), Jur. 1976, p. 1901, Rechtspraak Sociale Verzekeringen
1977/72).
Zoals uit de toelichting op het Commissievoorstel voor wijziging van
Richtlijn 80/987/EG blijkt, is in Richtlijn 80/987/EG niet uitdrukkelijk
vastgesteld welk waarborgfonds bevoegd is voor de honorering van
loonaanspraken bij insolventie van ondernemingen met activiteiten in
verscheidene lidstaten. Het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (het Hof) heeft aan de hand van een aantal zaken criteria
vastgesteld om te bepalen welk garantiefonds de loonaanspraken moet
honoreren. Het Hof heeft aangegeven dat indien de werkgever slechts in
één lidstaat van de Europese Unie is gevestigd, het waarborgfonds van
de lidstaat van vestiging bevoegd is met betrekking tot de honorering
van de onvervulde loonaanspraken. Indien de werkgever verschillende
vestigingen in verschillende lidstaten heeft, is het waarborgfonds van
die lidstaat bevoegd bij welke vestiging de werknemer werkt.
Artikel 8bis, zoals dat is opgenomen in Richtlijn nr. 2002/74/EG,
vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof en bepaalt uitdrukkelijk
welk waarborgfonds bevoegd is voor de honorering van onvervulde
loonaanspraken in grensoverschrijdende gevallen van insolventie.
Eén en ander betekent dat artikel 8bis
zo gelezen moet worden dat de werknemer zich tot het waarborgfonds moet
richten van de lidstaat waar hij werkt en waar de onderneming een
vestiging of commerciële vertegenwoordiging heeft. De term "activiteiten"
in dat artikel heeft betrekking op de onderneming zelf en niet op de
werknemer. Uit de uitvoeringstoets van het UWV blijkt dat de nieuwe
wettelijke bepaling in overeenstemming is met de huidige
uitvoeringspraktijk. Maar hoewel het UWV de uitspraak van het Hof reeds
in de praktijk toepast, moet de richtlijn desalniettemin toch
geïmplementeerd worden.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging Werkloosheidswet
Bij de tekst van het voorgestelde artikel 62,
tweede lid, van de WW is ten behoeve van de
duidelijkheid voor zowel de werknemers als het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zoveel mogelijk aangesloten bij de
jurisprudentie van het Hof en de systematiek en bewoordingen van de WW.
Aldus blijkt uit de tekst dat in het geval gewoonlijk werkzaamheden in
Nederland worden verricht, zonder dat in Nederland een vaste inrichting
is gevestigd of een vaste vertegenwoordiger woont of gevestigd is, er
geen recht bestaat op een uitkering op grond van hoofdstuk
IV van de WW. Conform de richtlijn is dan
het waarborgfonds bevoegd van de lidstaat van de vestiging waarbij de
werkzaamheden worden verricht. Door aan te geven dat "(...)
slechts recht op uitkering van dit hoofdstuk rblz.|3|
bestaat indien (...)"
is duidelijk dat de omvang van de rechten van de daarvoor in aanmerking
komende werknemers door hoofdstuk IV van de WW
wordt bepaald. Het voorgestelde artikel 62,
tweede lid, WW voorziet derhalve mede in artikel
8bis, tweede lid, van Richtlijn nr. 80/987/EG.
Artikel
II. Inwerkingtreding
Krachtens artikel 2, eerste lid, van Richtlijn nr. 2002/74/EG dienen de
lidstaten uiterlijk op 8 oktober 2005 aan die richtlijn te voldoen. Via
het onderhavige artikel wordt erin voorzien dat dat zo spoedig mogelijk
na de plaatsing van de wet in het Staatsblad gebeurt.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
rblz.|4|
TRANSPONERINGSTABEL
1. Titel communautair
besluit: Richtlijn nr. 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 23 september 2002 (PbEG L 270) tot wijziging
van Richtlijn 80/987/EG van de Raad betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de
werknemers bij insolventie van de werkgever.
2. Nummer
Raadsdocument:
Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 18 februari 2002 (EG) nr.
30/2002 (PbEG C 119 van 22 mei 2002).
3. Implementatie:
Implementatie van artikel 1, vierde lid (het onderdeel waarbij artikel 8bis,
eerste en tweede lid, wordt ingevoegd in Richtlijn 80/987/EG), en
artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 2002/74/EG zal plaatsvinden via
het voorstel van wet houdende wijziging van de Werkloosheidswet
(WW), waarop deze memorie van toelichting betrekking heeft.
Verdere implementatie van
de Richtlijn 2002/74/EG behoeft niet plaats te vinden, daar de overige,
voor implementatie in aanmerking komende, bepalingen van de richtlijn al
onderdeel uitmaken van de Nederlandse wetgeving (hoofdstuk
IV van de WW), zoals aangegeven wordt in
onderstaande tabel.
4. Tabel:
| Artikel, -lid of
-onderdeel van de richtlijn |
Verwerking
|
Artikel 1
Wijziging Richtlijn 80/987/EG |
|
A. Artikel 1, eerste lid
Vervanging titel |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat het de vervanging van de titel betreft. |
B. Artikel 1, tweede lid
Vervanging van afdeling I, de artikelen 1 en 2 |
|
| B. Artikel 1, eerste lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat het al is verwerkt in hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet
(WW). |
| B. Artikel 1, tweede en
derde lid |
Deze
artikelleden behoeven geen implementatie. In de Nederlandse
wetgeving is een bepaalde categorie huishoudelijk personeel in
dienst van een natuurlijk persoon uitgesloten van de
werkingssfeer van deze richtlijn, omdat deze categorie niet als
werknemer wordt beschouwd. Deze uitsluiting is
krachtens artikel 1, derde lid, (nog immer) geoorloofd. |
| B. Artikel 2, eerste lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat dit al is verwerkt in artikel
61, eerste lid,
van de WW. |
| B. Artikel 2, tweede lid |
De eerste volzin van dit
artikellid behoeft geen implementatie, omdat het niet de strekking heeft
de wetgevingen van de lidstaten te wijzigen. De tweede volzin behoeft
geen implementatie, omdat deze al is verwerkt in artikel
68, tweede lid,
juncto hoofdstuk I, paragraaf 2, van de WW. |
| B. Artikel 2, derde lid |
Dit
artikellid behoeft geen implementatie, omdat dit al is verwerkt
in artikel 68, eerste lid, van de WW. |
| B. Artikel 2, vierde lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat het geen beletsel betreft voor de lidstaten. |
C. Artikel 1, derde lid
Vervanging van de artikelen 3 en 4 |
|
| C. Artikel 3 |
Dit artikel behoeft geen
implementatie, omdat:
- de eerste volzin is
verwerkt in artikel 93, onderdeel a, van de WW;
en
- de tweede volzin is
verwerkt in artikel 64 van de WW. |
| C. Artikel 4, eerste lid
en tweede lid, eerste alinea |
Het eerste lid en dit
onderdeel van het tweede lid behoeven geen implementatie, omdat deze al
zijn verwerkt in artikel 64, onderdeel a en b, van de WW. |
| C. Artikel 4, tweede lid,
tweede alinea |
Dit onderdeel van het
artikellid behoeft geen implementatie, omdat geen referentieperiode van
toepassing is. |
| C. Artikel 4, derde lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat van deze bevoegdheid geen gebruik is gemaakt. |
D.
Artikel 1, vierde lid
Invoeging van afdeling IIIbis, de artikelen 8bis en 8ter |
|
| D. Artikel 8bis,
eerste en tweede lid |
Deze artikelleden zullen
worden geïmplementeerd via het wetsvoorstel tot wijziging van de
WW.
Deze transponeringstabel is een bijlage van de memorie van toelichting
bij dit wetsvoorstel. |
| D. Artikel 8bis,
derde lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat voor de Nederlandse wetgeving het niet
relevant is, voor het vaststellen van de staat van insolventie van de
wetgever in de zin van deze richtlijn, in welke lidstaat de insolventie
wordt uitgesproken. |
| D. Artikel 8 ter, eerste
lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie. Gegevensuitwisseling tussen bevoegde Nederlandse
overheidsorganen en/of het waarborgfonds is mogelijk op grond van
artikel 62 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
Gegevensuitwisseling tussen die Nederlandse instanties en organen van
andere lidstaten is mogelijk op grond van artikel 5.5 van het
Besluit SUWI. |
| D. Artikel
8ter, tweede
lid |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie, omdat het een feitelijke handeling betreft van de
lidstaat en de Commissie van de Europese Gemeenschappen. |
E. Artikel 1, vijfde lid
Toevoeging van een alinea aan artikel 9 |
De toevoeging van deze
alinea aan artikel 9 behoeft geen implementatie, omdat generlei
achteruitgang beoogd wordt ten aanzien van de in Nederland heersende
toestand qua algemeen beschermingsniveau. |
F. artikel 1, zesde lid
Toevoeging van een onderdeel ("punt") aan artikel 10 |
De toevoeging van
onderdeel c) aan artikel 10 behoeft geen implementatie, omdat dit
artikel(onderdeel) een beperking inhoudt van de reikwijdte van de
richtlijn ten opzichte van de wetgeving van de lidstaten. |
G. Artikel 1, zevende lid
Invoeging van artikel 10bis |
De invoeging van dit
artikel behoeft geen implementatie, omdat het een feitelijke handeling
betreft. |
H. Artikel 1, achtste lid
Schrapping van de bijlage |
Dit artikellid behoeft
geen implementatie. De basis van de bijlage van Richtlijn nr. 80/987/EG
is komen te vervallen door wijziging van artikel 1, tweede lid, van die
richtlijn. Het gewijzigde artikel 1, tweede én derde lid, geeft geen
aanleiding tot implementatie: zie hierboven. |
| Artikel 2, eerste lid |
De eerste, derde en
vierde volzin behoeven in zoverre implementatie dat bij het wetsvoorstel
tot implementatie van artikel 8bis, eerste en tweede lid,
voorzien moet worden in het in werking treden van het wetsvoorstel
uiterlijk op 8 oktober 2005.
De tweede volzin behoeft geen implementatie, omdat het een feitelijke
handeling betreft. De vijfde zin behoeft geen implementatie, omdat de
desbetreffende regels reeds zijn opgenomen in hoofdstuk 8 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving. |
| Artikel 2, tweede lid |
Het tweede lid behoeft
geen implementatie, omdat het een feitelijke handeling betreft. |
Artikel 3
Inwerkingtreding |
Dit artikel behoeft geen
implementatie. |
Artikel 4
Evaluatieverslag |
Dit artikel behoeft geen
implementatie, omdat het gericht is tot de Commissie van de Europese
Gemeenschappen. |
Artikel 5
Adressanten |
Dit artikel behoeft geen
implementatie. |
|
|