|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2004-2005, 30 034.
Handelingen II 2004-2005, blz. 5841-5869, 5904-5929, 6058-6060,
6062-6063
Kamerstukken I 2004-2005, 30 034 (A); 2005-2006, 30 034 (B, C, D, E, F).
Handelingen I 2005-2006, blz. 154-176, 187-211, 226-227.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 10 november 2005, Stb. 2005, 572,
houdende bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of
van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn
en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen
alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn
(Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Inwerkingtreding: 29
december 2005 (Stb. 2005, 619).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om werknemers die gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden deel
te laten blijven nemen aan het arbeidsproces alsmede om een
inkomensverzekering te regelen voor deze werknemers en voor werknemers
die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn geworden en in verband
daarmee een nieuwe wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
en algemene bepalingen
§
1.1. Diverse algemene begrippen
Art.
1.
Algemene begrippen (1.1.1)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
- arbeidsongeschiktheidsuitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in hoofdstuk 6;
- arbodienst: een dienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
- eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel
40, aanhef en eerste lid, onderdeel b of c,¹ van de Wet financiering sociale
verzekeringen toestemming is verleend om zelf het risico te dragen
van betaling van het daarvoor in aanmerking komende deel van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering;
- justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting
voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
- lichaam: publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon, maat-
en vennootschap, samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die
maatschappelijk kan worden gelijkgesteld met een vereniging, onderneming
van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
- maatmaninkomen: hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen;
- onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte
of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof waarin de
werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
- reïntegratie: herstel, behoud en bevordering van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid en bevordering van inschakeling in de arbeid;
- reïntegratiebedrijf: een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de mogelijkheden
tot het verrichten van arbeid herstelt, behoudt of bevordert en de
inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
- reïntegratieplan: het plan, bedoeld in artikel 39,
derde lid;
- reïntegratievisie: de reïntegratievisie, bedoeld in artikel
39, eerste lid;
- sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel j, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
- UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
- vreemdeling: de persoon, bedoeld in de Vreemdelingenwet
2000;
- wachttijd: de wachttijd, bedoeld in artikel 23;
- WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7;
- zelfstandige: de persoon jonger dan 65 jaar:
1º. die in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming als
bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van
die wet,
geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk
drijft;
2º. die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse
onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening
feitelijk drijft; of
3º. die directeur-grootaandeelhouder is en het werk tot stand brengt
uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de
rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
1. Volgens de redactie
dient "artikel
40,
aanhef en eerste lid, onderdeel b of c" te worden vervangen
door: artikel
40, eerste lid, aanhef en onder b of c.
Art.
2.
Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden (1.1.2)
-1. Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
-2. Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in
ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is
geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan
de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als
een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met
de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het
derde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid,
onderdeel d.
Art.
3.
Woon- en
vestigingsplaats (1.1.3)
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam
gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
worden schepen die binnen Nederland hun thuishaven hebben als deel van
Nederland beschouwd.
§
1.2. Begrip volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk
arbeidsgeschikt
Art.
4.
Definitie
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (1.2.1)
-1. Volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te
verdienen van het maatmaninkomen per uur.
-2. In het eerste
lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch en arbeidskundig stabiele
of verslechterende situatie.
-3. Onder duurzaam
wordt mede verstaan een medisch en arbeidskundige situatie waarbij op
lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Art.
5.
Definitie
gedeeltelijk arbeidsgeschikt (1.2.2)
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen
van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is.
Art.
6.
Nadere
bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie
gedeeltelijk arbeidsgeschikt (1.2.3)
-1. De beoordeling
of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en
een arbeidskundig onderzoek.
-2. Bij het
vaststellen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid wordt, zo mogelijk, rekening gehouden
met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten beschouwing gelaten
of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-3. Onder arbeid als
bedoeld in
artikel 4, eerste lid, en 5 wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste,
tweede en derde lid en de artikelen
4 en 5 nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld die voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en
gedeeltelijk arbeidsgeschikten verschillend kunnen zijn. Hierbij kan
tevens onderscheid worden gemaakt tussen de situaties, bedoeld in artikel
4, tweede en derde lid.
-5. De voordracht
tot vaststelling, wijziging of intrekking van een op grond van het
vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling wordt pas gedaan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is
geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister
te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
-6. Bij
ministeriële regeling wordt een lijst opgesteld die aan de hand van
wetenschappelijke gegevens de hersteltermijnen van ziekten bevat. Bij de
beoordeling, bedoeld in het eerste lid, hanteert de verzekeringsarts
deze lijst als uitgangspunt.
§
1.3. Begrip verplicht verzekerde
Art.
7.
De
verplicht verzekerde (1.3.1)
-1. Verplicht verzekerd is de werknemer.
-2. Een aanvraag tot het geven van een
beschikking over het verplicht verzekerd zijn op grond van deze wet kan
door de werknemer uitsluitend bij het UWV
worden ingediend.
Art.
8.
De
werknemer (1.3.2)
-1. Werknemer is de werknemer in de zin
van de
Ziektewet met uitzondering van de werknemer
die zijn werknemerschap ontleent aan artikel
4, eerste lid, onderdeel g, van die wet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer
worden aangemerkt, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid
blijft
artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet
buiten toepassing ten aanzien van de persoon die geen arbeid verricht
wegens het genieten van ononderbroken onbetaald verlof tot een maximum
van achttien maanden, waarbij perioden van onbetaald verlof die elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen als
ononderbroken onbetaald verlof worden aangemerkt.
Art.
9.
Uitbreiding
werknemerschap (1.3.3)
Als werknemer wordt mede beschouwd:
a. in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen de
persoon die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren
per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet,
doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling
van die wet of van een regeling als bedoeld in
onderdeel b;
b. de persoon die wegens
werkloosheid niet werkt en die op grond van een bij ministeriële
regeling aan te wijzen, van overheidswege getroffen, regeling uitkering
ontvangt.
Art.
10.
Nawerking
verzekering (1.3.4)
-1. De persoon die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen
verzekerd is geweest; of
b. in de loop van de twee maanden
voorafgaande aan het einde van zijn verzekering op ten minste zestien
dagen verzekerd is geweest;
wordt, indien hij in het in onderdeel a bedoelde geval binnen
één maand na het einde van die twee maanden en in het in onderdeel b
bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn verzekering ziek
wordt, voor het recht op een uitkering op grond van deze wet beschouwd
alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3
van de Ziektewet, is de eerste zin eerst na het
eindigen van die dienstbetrekking van toepassing.
-2. De in het eerste
lid, onderdeel a, genoemde termijn van twee maanden wordt geacht
niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende niet meer dan
zeven dagen niet verzekerd is geweest. Voor de toepassing van dit en het
eerste lid wordt arbeid in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen
verricht, gerekend als arbeid op één dag.
-3. Het eerste lid
blijft buiten toepassing ten aanzien van de persoon die op grond van artikel 6,
eerste lid, onderdeel a of b, van de
Ziektewet niet verzekerd is.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan personen die niet verzekerd zijn en die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden als gevolg van
bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten, voor het recht op een
uitkering worden beschouwd alsof zij verzekerd zijn.
§
1.4. Begrip werkgever
Art.
11.
De
werkgever (1.4.1)
-1. Werkgever is de werkgever in de zin
van de
Ziektewet behoudens voor zover deze zijn
werkgeverschap ontleent aan artikel
10, onder 1º, onder g, van die wet.
-2. In de gevallen, bedoeld in artikel
8, tweede lid, is werkgever de natuurlijke persoon tot wie, het
lichaam of het orgaan van een lichaam tot welk, de werknemer in
dienstbetrekking staat.
-3. In de gevallen, bedoeld in artikel
9, wordt als werkgever aangemerkt de persoon of instantie die door Onze Minister
als werkgever wordt aangewezen.
§
1.5. Het begrip loon en het begrip dagloon
Art.
12.
Het loon (1.5.1)
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3
van de
Wet financiering
sociale verzekeringen; en
b. minimumloon: het minimumloon,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van laatstgenoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag,
bedoeld in artikel 15 van die
wet.
-2. Loon door verschillende personen
tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere
verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn
genoten.
Art.
13.
Dagloon en
maandloon (1.5.2)
-1. Voor de berekening van een uitkering
waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd
1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van
één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak
voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de
zwangerschap of de bevalling die tot volledig en duurzame
arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid,
is ingetreden, doch ten hoogste het in artikel 17,
eerste lid, van de
Wet financiering sociale
verzekeringen bedoelde bedrag.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
in het in
artikel 21
bedoelde geval het dagloon op de daar genoemde wijze vastgesteld.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon,
bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig
afwijkende regels gesteld. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld
ter bepaling van het dagloon ten behoeve van de vaststelling van de
hoogte van de vervolguitkering van de WGA-uitkering, bedoeld in artikel 62,
derde lid. [Bdw]
-4. Het maandloon bedraagt:
a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige
kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of
b. indien niet over een volledige
kalendermaand recht op een uitkering bestaat: de uitkomst van het aantal
dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht op een uitkering
bestaat, gedeeld door het totaal aantal dagen in de betreffende
kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Bij het
bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten
beschouwing gelaten.
Art.
14.
Indexering (1.5.3)
-1. De daglonen worden herzien met ingang
van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag, genoemd in artikel 8,
eerste lid, onderdeel c, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt herzien.
-2. Onze Minister
maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en
met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid
plaatsvindt.
-3. Op een beschikking als gevolg van een
herziening van het dagloon op grond van dit artikel zijn de artikelen 3:41
en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
§
1.6. Het begrip arbeidsverleden
Art.
15.
Arbeidsverleden (1.6.1)
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt onder arbeidsverleden verstaan de periode die wordt
berekend door samentelling van:
a. het aantal kalenderjaren, gelegen in de periode vanaf en
met inbegrip van 1998 tot en met het kalenderjaar voorafgaand aan het
kalenderjaar waarin de dag is gelegen waarop het recht op een uitkering
op grond van deze wet is ontstaan of zou zijn ontstaan als artikel 23,
zesde lid, of 64, zevende lid, niet zou zijn
toegepast, waarover de werknemer aantoont over 52 of meer dagen per jaar
loon te hebben ontvangen; en
b. het aantal kalenderjaren vanaf
en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag
bereikte tot 1998.
-2. Een kalenderjaar wordt in aanmerking
genomen bij de berekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
indien volgens de beschikking, bedoeld in artikel 83c
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, de werknemer in dat jaar over 52 of meer dagen loon
heeft ontvangen.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid,
onderdeel
a, wordt, indien over een kalenderjaar een beschikking als
bedoeld in het tweede lid niet is afgegeven, dat kalenderjaar in
aanmerking genomen indien de werknemer aantoont daarin over 52 of meer
dagen loon te hebben ontvangen.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel
a, worden met dagen waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar
aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of met een uitkering op grond van
deze wet voor zover deze uitkering wordt toegekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend
over periodes waarin de verzekerde slechts in staat is om met arbeid ten
hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur;
b. dagen waarover een persoon een
uitkering ontvangt op grond van
hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet
vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt
van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
zijn berekend.
-5. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel
a, worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin
een persoon recht heeft op
kinderbijslag op grond van artikel 7
van de Algemene Kinderbijslagwet of een
andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
h, van Verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op
hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149)
voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat
kalenderjaar de leeftijd van 5 jaar niet heeft bereikt, voor de helft
gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is
ontvangen. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als
verzorgend persoon.
-6. In afwijking van het vijfde lid worden
¹ over de periode tot 1 januari 2005 waarin een persoon recht heeft op
kinderbijslag op grond van
artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet
of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel h, van Verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de
Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op
hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149)
voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat
kalenderjaar de leeftijd van 5 jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld
met, en worden dergelijke kalenderjaren over de periode van 1 januari
2005 tot 1 januari 2007 voor drie kwart gelijkgesteld met, kalenderjaren
waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen.
-7. Het vijfde en zesde lid vinden geen
toepassing indien de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een
periode langer dan een halfjaar als werknemer in de zin van een
wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter
zake van werkloosheid of op de loongerelateerde uitkering op grond van hoofdstuk 7
van deze wet.
-8. Voor de toepassing van het vijfde en
zesde lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind
dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
-9. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel
a, worden dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover
de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen
waarover loon is ontvangen.
-10. Voor de toepassing van dit artikel
wordt niet als loon beschouwd een uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV
van die
wet, een uitkering op grond van hoofdstuk 7 van
deze wet met uitzondering van een uitkering aan de persoon die slechts
in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen per uur, alsmede een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
-11. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld:
a. ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is
ontvangen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid;
b. op grond waarvan voor het
bepalen van het aantal van 52 dagen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, en tweede lid, dagen waarover, anders dan bedoeld in
het negende lid, geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen
waarover loon is ontvangen.
1. Volgens de redactie
dient na "worden" te worden ingevoegd: kalenderjaren.
HOOFDSTUK
2
De
verzekering
§
2.1. De verzekering
Art.
16.
De
verzekerden (2.1.1)
Naast de op grond van artikel 7 verplicht verzekerde
personen en de op grond van artikel 10 als verzekerd
beschouwde personen zijn op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen eveneens verzekerd personen die zich vrijwillig hebben
verzekerd op grond van paragraaf 2
van dit hoofdstuk.
Art.
17.
Aaneensluitende verzekeringen (2.1.2)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gelden aaneensluitende verzekeringen op grond van deze wet als één
verzekering.
§
2.2. De vrijwillige verzekering
Art.
18.
Verplichte
toelating tot vrijwillige verzekering (2.2.1)
-1. Het UWV
laat op grond van deze paragraaf tot de vrijwillige verzekering toe,
mits hij hier te lande woont:
a. de persoon wiens verplichte verzekering is geëindigd en
van wie op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te
nemen dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal
zijn, dan wel die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet;
b. de persoon die, terwijl hij hier
te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, mits:
1º. hij niet meer in het buitenland
verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in het
buitenland; en
2º. op grond van gebleken omstandigheden
redelijkerwijze valt aan te nemen dat het zijn bedoeling is bij geboden
gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan;
c. de persoon wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die als zelfstandige werkzaamheden verricht
of gaat verrichten, of als echtgenoot van de zelfstandige meewerkt of
gaat meewerken, indien gedurende één jaar onmiddellijk voorafgaande
aan het einde van zijn verplichte verzekering onafgebroken, al dan niet
in Nederland, op grond van een wettelijke regeling een voorziening tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van
toepassing is geweest;
d. de persoon die uit hoofde van
een dienstbetrekking op grond waarvan slechts een gedeelte van een
normale werkweek arbeid wordt verricht verplicht verzekerd is, indien op
hem gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van
aanvang van de vrijwillige verzekering onafgebroken een wettelijke
regeling tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid
van toepassing is geweest;
e. de persoon wiens
arbeidsverhouding op grond van
artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
van de Ziektewet niet als dienstbetrekking
wordt beschouwd;
f. de persoon die op grond van artikel 7
van de
Ziektewet als werknemer wordt beschouwd en
tevens als zelfstandige werkzaamheden gaat verrichten, of als echtgenoot
van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken, indien gedurende de
drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de dag van aanvang van zijn
vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet in Nederland, op grond
van een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen
van volledig duurzame arbeidsongeschiktheid of verminderde
arbeidsgeschiktheid op hem van toepassing is geweest.
-2. De in het eerste
lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon
jonger dan 65 jaar die op grond van artikel
3, tweede of vijfde lid, van de Ziektewet
niet als werknemer wordt beschouwd en:
a. wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten
Nederland woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van de
verplichte verzekering een dienstbetrekking vervult voor de duur van
maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of
gevestigd is;
b. die Nederlander is en die is
uitgezonden om door de
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan
te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te
verrichten;
c. die Nederlander is en die is
uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te verrichten voor
een volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is dan wel
waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund;
d. die in Nederland woont en buiten
Nederland een dienstbetrekking vervult; of
e. die Nederlander is en buiten
Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en
die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een
wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal
verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
-3. Aan het
vervullen van een dienstbetrekking als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, dient een aaneengesloten periode van verplichte
verzekering van ten minste één jaar te zijn voorafgegaan.
-4. Met de
Nederlander, bedoeld in het tweede lid, onderdeel
b, c en e, wordt gelijkgesteld de persoon die
onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of
onderdaan is van een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale
zekerheid heeft gesloten, mits hij vóór hij werd uitgezonden in
Nederland woonde.
-5. De in het eerste
lid, onderdeel c en
d, genoemde termijn van één jaar respectievelijk van drie jaren
wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene gedurende niet meer dan 60 dagen
niet verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd als
bedoeld in
artikel 23.
-6. De in het eerste
lid, onderdeel c respectievelijk
d, genoemde voorwaarde van een verzekeringsduur van één jaar
respectievelijk van drie jaren wordt geacht te zijn vervuld indien de
betrokkene een uitkering ontvangt op grond van deze wet.
Art.
19.
Indiening
verzoek en aanvang vrijwillige verzekering (2.2.2)
-1. Het verzoek om toelating tot de
vrijwillige verzekering wordt ingediend bij het UWV:
a. door de in artikel 18, eerste lid,
onderdeel a,
b en c, bedoelde personen: binnen vier weken na het
einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel
18, eerste lid, onderdeel
f, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag waarop zijn
werkzaamheden als zelfstandige, of zijn werkzaamheden als echtgenoot van
de zelfstandige in diens bedrijfs- of beroepsuitoefening, een aanvang
hebben genomen;
c. door de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
a, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag waarop de
verplichte verzekering is geëindigd;
d. door de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
b, c en e, bedoelde persoon: binnen vier weken na
de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel
18, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden
verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die
werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
e. door de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
d, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag waarop zijn
werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
-2. Het UWV kan bepalen dat een verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op
grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn,
geacht wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek
heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn
geweest.
-3. De vrijwillige verzekering vangt aan:
a. voor de in artikel
18, eerste lid, onderdeel a,
b en c, en tweede lid, onderdeel a, bedoelde
persoon: op de dag na die waarop de verplichte verzekering is
geëindigd;
b. voor de in artikel
18, eerste lid, onderdeel
d, e en f, bedoelde persoon: op de dag van
ontvangst van zijn verzoek om toelating;
c. voor de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van zijn
vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 18,
tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht
in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben
genomen.
d. voor de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
d, bedoelde persoon: op de dag waarop zijn werkzaamheden buiten
Nederland een aanvang hebben genomen.
Art.
20.
Beëindiging vrijwillige verzekering (2.2.3)
Het UWV beëindigt de vrijwillige
verzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van
een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag waarop de
termijn van vijf jaar, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, onderdeel a, is
verstreken;
c. met ingang van de dag waarop de
werkzaamheden, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, worden beëindigd en de
vrijwillig verzekerde niet langer geacht kan worden inkomsten te
verkrijgen wegens eindiging van die werkzaamheden dan wel inkomsten te
derven in geval van ziekte;
d. met ingang van de dag waarop de
vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet;
e. indien de verschuldigde premie
over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of
niet tijdig wordt betaald; of
f. indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten
voor toelating tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 18,
tweede lid.
Art.
21.
Hoogte
dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering (2.2.4)
-1. De persoon die om toelating tot de
vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang van de
vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande
dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel 17, eerste
lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen
genoemde bedrag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 18
van
die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij
in geval van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid naar het oordeel
van het UWV derft.
-2. Voor de persoon die verzekerde is op
grond van deze paragraaf blijven bij het vaststellen van het recht op
een WGA-uitkering en de duur en hoogte daarvan de
artikelen 54, derde en vierde lid, 58 en 59
tot en met 62 buiten toepassing.
-3. De hoogte van de WGA-uitkering op
grond van de vrijwillige verzekering bedraagt per kalendermaand:
I x J
waarbij:
I staat voor het maandloon; en
J staat voor het uitkeringspercentage, dat bij een arbeidsongeschiktheid
van:
a. 35-45%, 28%;
b. 45-55%, 35%;
c. 55-65%, 42%;
d. 65-80%, 50,75%; en bij
e. 80% of meer, 70% bedraagt.
-4. De hoogte van de uitkering, bedoeld in
het derde lid, wordt eerst nadat een wijziging in de mate van
arbeidsongeschiktheid ten minste twee kalendermaanden heeft
voortgeduurd, herzien.
Art.
22.
Schakelbepaling (2.2.5)
Voor zover daarvan in deze paragraaf niet wordt afgeweken, zijn de
overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen van
overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.
HOOFDSTUK
3
De
wachttijd en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting
Art.
23.
De wachttijd (3.1)
-1.
Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van
deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
-2.
Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in
een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is
gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere en afwijkende regels worden gesteld in verband
met het voor bijzondere gevallen vaststellen van welke dag als eerste
werkdag wordt aangemerkt.
-3.
Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in
aanmerking genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op
ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet
en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en
worden samengeteld, indien zij:
1º. elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen; of
2º. direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op
grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande
aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet
geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak; en
b. perioden die niet al op grond van
onderdeel a meetellen, maar waarin de verzekerde ongeschikt is
geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:
1º. elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen; of
2º. direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op
grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande
aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet
geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
-4.
Met recht op ziekengeld als bedoeld in het derde lid wordt gelijkgesteld
de situatie dat aan een verzekerde geen ziekengeld wordt betaald als
gevolg van de toepassing van de artikelen 19a
en 19b van de Ziektewet
en de daarop berustende bepalingen.
-5.
Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking genomen
perioden gedurende welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in het
derde lid, onderdeel a, onder 2º.
-6.
Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV,
in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de
verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel
4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 65 in
acht is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste 26 weken en
ten hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet
eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe
is ingediend. Dit lid is niet van toepassing op de verzekerde aan wie
ziekengeld als bedoeld in artikel
29, tweede lid, van de
Ziektewet wordt uitgekeerd.
Art.
24.
Vrijwillige
loondoorbetaling werkgever (3.2)
-1. Na afloop van de wachttijd wordt het
tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens zijn werkgever recht heeft
op loon of bezoldiging, op gezamenlijk verzoek van de verzekerde en die
werkgever door het UWV
verlengd, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.
-2. Het verlengde tijdvak, bedoeld in het
eerste lid, eindigt op de door het UWV aangegeven datum en kan op
verzoek van de werkgever of de verzekerde worden verkort of wordt op hun
gezamenlijk verzoek verder verlengd, tenzij zwaarwegende omstandigheden
zich daartegen verzetten.
-3. Het UWV stelt bij toepassing van het
tweede lid een nieuwe datum vast waarop het verlengde tijdvak eindigt,
met dien verstande dat dit tijdvak niet eerder eindigt dan vijftien
weken na het verzoek, bedoeld in het tweede lid, tenzij de werkgever
vóór het verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen loon
meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking is geëindigd.
Art.
25.
Reïntegratieverplichtingen en verplichte loondoorbetaling
werkgever (3.3)
-1. De werkgever jegens wie de verzekerde
bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht
heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging
op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim
houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de reïntegratie van
de verzekerde.
-2. De werkgever, bedoeld in het eerste
lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen
termijn in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De
afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt, worden door werkgever
en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek
geëvalueerd.
-3. Uiterlijk vijftien weken vóór het
verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste
lid, in overleg met de verzekerde een reïntegratieverslag op en
verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.
-4. Indien artikel 24,
eerste lid, toepassing heeft gevonden:
a. stelt de werkgever in overleg met de verzekerde, indien
hij nog geen reïntegratieverslag heeft opgesteld, in afwijking van het
derde lid, het reïntegratieverslag uiterlijk vijftien weken vóór het
verstrijken van het door het UWV
vastgestelde verlengde tijdvak, bedoeld in artikel
24, eerste lid, op en verstrekt een afschrift daarvan aan de
verzekerde;
b. vult de werkgever in overleg met
de verzekerde, indien hij al een reïntegratieverslag heeft opgesteld,
dit reïntegratieverslag uiterlijk vijftien weken vóór het verstrijken
van het door het UWV vastgestelde verlengde tijdvak, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, aan en verstrekt een
afschrift daarvan aan de verzekerde, tenzij de verzekerde verzoekt dit
in verband met het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 64
eerder te doen. De werkgever komt binnen twee weken aan dit verzoek
tegemoet.
-5. Bij de uitvoering van het eerste tot
en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste
lid, onderdeel b, van die
wet, of door een arbodienst.
-6. De verzekerde verleent zijn
medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het opstellen
van het reïntegratieverslag.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen
regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden
gesteld.
-8. Indien bij de behandeling van de
aanvraag, bedoeld in artikel 64, blijkt dat de
werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen
niet of niet volledig is nagekomen, stelt het UWV aan de werkgever een
termijn waarbinnen het reïntegratieverslag wordt verstrekt of
aangevuld.
-9. Indien bij de behandeling van de
aanvraag, bedoeld in artikel 64, en de beoordeling,
bedoeld in artikel 65, blijkt dat de werkgever zonder
deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede,
derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid
gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht, stelt het UWV een tijdvak
vast gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht op loon
heeft op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op
grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt
afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende
reïntegratie-inspanningen te leveren.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen voor de toepassing van het negende lid nadere regels worden
gesteld.
Art.
26.
Vangnetsituaties (3.4)
-1. In afwijking van
artikel 25 is op het UWV ten aanzien
van de verzekerde die op grond van artikel 29,
tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de
Ziektewet recht heeft op ziekengeld
artikel 25, tweede tot en met het tiende lid, niet van toepassing en
is
artikel 25, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Het UWV
stelt, binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn,
in overleg met die verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan van
aanpak wordt periodiek geëvalueerd. Artikel
30a, derde en vierde lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen is van
overeenkomstige toepassing, waarbij voor "de
reïntegratievisie" telkens wordt gelezen: het plan van aanpak.
-2.
Artikel 25, vierde, achtste, negende en tiende lid, is
niet van toepassing op de werkgever van de verzekerde die op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel
e, f of g, van de Ziektewet
dan wel op grond van
artikel
29a, eerste of vierde lid, van die wet
recht heeft op ziekengeld.
-3. In afwijking van het eerste lid is
artikel 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste
lid, van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet,
ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29,
tweede lid, onderdeel a, b en
c, van
die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien
bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64,
en de beoordeling, bedoeld in artikel 65, blijkt dat
de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond
de uit die zin voortvloeiende verplichtingen dan wel de krachtens het
zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht, stelt het UWV een tijdvak
vast gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin, recht op
ziekengeld heeft op grond van artikel 29
van de Ziektewet. Dit tijdvak is ten hoogste 52
weken en wordt afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog
voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van dit artikel.
HOOFDSTUK
4
Rechten
en plichten in verband met het recht op een uitkering op grond van deze
wet
§
4.1. Verplichtingen van de verzekerde
Art.
27.
Informatieplicht en medewerking aan controle (4.1.1)
-1. De verzekerde
die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft
op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond
van
artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald,
verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle
informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die
van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de
uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen
informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV.
-2. De verzekerde
die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft
op een uitkering op grond van deze wet is verplicht:
a. te voldoen aan elke oproep van het UWV of van één of
meer door het UWV aangewezen personen om aanwezig te zijn op een door of
vanwege het UWV te bepalen plaats voor beantwoording van vragen als
bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan onderzoek als bedoeld
in onderdeel c of het naleven van de controlevoorschriften,
bedoeld in onderdeel
d;
b. vragen te beantwoorden die door
het UWV of door één of meer door het UWV aangewezen personen in
verband met het recht op uitkering op grond van deze wet worden gesteld;
c. mee te werken door zich te laten
onderzoeken door het UWV of door één of meer daartoe door het UWV
aangewezen personen;
d. tot naleving van door het UWV
vastgestelde controlevoorschriften die noodzakelijk zijn voor een juiste
uitvoering van deze wet;
e. op verzoek onverwijld inzage te
geven aan het UWV in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de
Wet op de
identificatieplicht.
-3. De
verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op oproepen, vragen en onderzoeken door:
a. de Centrale
organisatie werk en inkomen;
b. het reïntegratiebedrijf dat in
opdracht van het UWV of de eigenrisicodrager werkzaamheden verricht; of
c. personen die met toestemming van
het UWV of de eigenrisicodrager zijn aangewezen door een
reïntegratiebedrijf als bedoeld in onderdeel b, voor zover dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij wet of overeenkomst aan
deze personen en rechtspersonen opgedragen taken.
-4. De verzekerde
die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en die bij
deelname aan een reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen
niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het
reïntegratiebedrijf.
-5. De verzekerde
die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft
op een uitkering op grond van deze wet is verplicht te voldoen aan het
voorschrift gegeven door het UWV of de door hem daartoe aangewezen
deskundige om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in
een aangewezen inrichting.
-6. De
eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste en tweede
lid, voor zover het betreft de naleving door zijn werknemer of gewezen
werknemer van plichten die reïntegratie betreffen, in de plaats van het
UWV.
-7. Dit artikel is
van overeenkomstige toepassing op de persoon die tijdens de wachttijd,
met uitzondering van de eerste dag van die wachttijd, geen verzekerde is
op grond van deze wet.
-8. De werkgever die
een aanvraag heeft ingediend voor of recht heeft op een subsidie als
bedoeld in artikel 36 en de persoon, niet zijnde
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die een aanvraag heeft ingediend
voor of recht heeft op een voorziening als bedoeld in artikel 35
verstrekken op verzoek van het UWV of uit eigen beweging zo spoedig
mogelijk alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet
zijn dat zij van invloed kan zijn op de verstrekking of toekenning of op
de duur of de hoogte van het reïntegratie-instrument, aan het UWV.
Art.
28.
Plichten
ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op
grond van deze wet (4.1.2)
-1. De verzekerde
voorkomt het ontstaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde
arbeidsgeschiktheid en beperkt het bestaan van arbeidsongeschiktheid of
verminderde arbeidsgeschiktheid, voor zover dit redelijkerwijs van hem
verwacht mag worden.
-2. De verzekerde is
gedurende de wachttijd alsmede het verlengde tijdvak, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, en het tijdvak, bedoeld in artikel
25, negende lid, verplicht:
a. mee te werken aan door zijn werkgever of door een door
die werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of
getroffen maatregelen die erop gericht zijn om hem in staat te stellen
passende arbeid te verrichten; en
b. voldoende
reïntegratie-inspanningen te verrichten.
Voor de toepassing van dit artikellid wordt onder werkgever mede
verstaan de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet.
-3. Dit artikel is
van overeenkomstige toepassing op de persoon die tijdens de wachttijd,
met uitzondering van de eerste dag van die wachttijd, geen verzekerde is
op grond van deze wet.
Art.
29.
Plichten
gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
(4.1.3)
-1. De verzekerde
die recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht in voldoende mate te
trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te
behouden of te verkrijgen.
-2. Ter naleving van
de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde die recht heeft
op een WGA-uitkering in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te laten
behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV
of de eigenrisicodrager, of het reïntegratiebedrijf in opdracht van het
UWV of de eigenrisicodrager, daartoe opdracht geeft en zijn genezing
niet te belemmeren;
b. mee te
werken aan activiteiten of werkzaamheden gericht op zijn inschakeling in
de arbeid die het UWV of de eigenrisicodrager wenselijk acht voor
verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid;
c. mee te
werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden
voorzieningen die het UWV of de eigenrisicodrager verstrekt voor
verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid en zo
nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;
d. mee te
werken aan het opstellen van de reïntegratievisie en het
reïntegratieplan;
e. te
voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie
en het reïntegratieplan.
Art.
30.
Plichten
gericht op inschakeling in de arbeid (4.1.4)
-1. De verzekerde
die recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht:
a. passende arbeid te verrichten
indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;
b. in
voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen; en
c. geen
eisen te stellen in verband met door hem te verrichten arbeid die het
aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
-2. De verzekerde
die zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in paragraaf 7.2
niet volledig benut en die recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht
zich als werkzoekende bij de Centrale
organisatie werk en inkomen te laten registreren, indien hem
daartoe het recht toekomt op grond van artikel
25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
en het
UWV of de eigenrisicodrager hem dit
opdraagt.
-3. De verzekerde
die recht heeft op een loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering
is verplicht zich in al zijn gedragingen te richten op het voorkomen van
verwijtbaar verlies van passende arbeid.
-4. In dit hoofdstuk
wordt onder passende arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de verzekerde is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan
worden gevergd.
Art.
31.
Plichten
wettelijk vertegenwoordiger (4.1.5)
De plichten, bedoeld in
artikel 27, 28, 29, 30
en 64, derde lid, worden, indien de in die artikelen
genoemde verzekerde een wettelijk vertegenwoordiger heeft, door die
vertegenwoordiger nageleefd. Voor zover de plichten slechts door de
verzekerde kunnen worden nageleefd, bevordert de wettelijk
vertegenwoordiger die naleving.
Art.
32.
Delegatiebevoegdheid (4.1.6)
-1. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de
artikelen 27, 28, 29 en 30,
eerste tot en met derde lid.
-2. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde
groepen werknemers, voor een bij die regeling te bepalen maximale
periode, worden vrijgesteld van verplichtingen hun op grond van artikel 29
en 30, eerste lid, opgelegd.
§
4.2. Rechten van de verzekerde en reïntegratie-instrumenten
Art.
33.
Mogelijkheid geldend maken aanspraken en naleven plichten (4.2.1)
De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een
recht heeft op een uitkering op grond van deze wet wordt door zijn
werkgever in de gelegenheid gesteld tot het geldend maken van de hem op
grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen toekomende
aanspraken en tot het nakomen van de hem op grond van deze wet en de
daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen, voor zover de
uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen
niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
Art.
34.
Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV (4.2.2)
-1. De verzekerde
die recht heeft op een WGA-uitkering en wiens uitkering door het UWV
wordt betaald, heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en,
met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de
naar het oordeel van het UWV noodzakelijk geachte voorziening gericht op
arbeidsinschakeling, tenzij artikel 42 van
toepassing is.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan het UWV op aanvraag van de verzekerde, bedoeld in het eerste
lid, of een verzekerde met naar het oordeel van het UWV structurele
functionele beperkingen, in het kader van de bevordering en
ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige,
voorzieningen kan verstrekken.
-3. Dit artikel is
niet van toepassing op de verzekerde die werkzaam is als werknemer in de
zin van de Wet sociale werkvoorziening of op
een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7
van de Wet sociale
werkvoorziening.
Art.
35.
Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van
toeleiding naar arbeid (4.2.3)
-1. Het UWV
kan aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele
functionele beperking en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die
arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, of die scholing of opleiding
in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces
volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat
verrichten, met uitzondering van de persoon, bedoeld in artikel 34,
derde lid, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud,
herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van
arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van
arbeid op die proefplaats.
-2. Onder voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid worden uitsluitend verstaan:
a. vervoersvoorzieningen die ertoe strekken dat de persoon,
bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan
bereiken;
b. intermediaire activiteiten ten
behoeve van personen met een visuele, auditieve of motorische handicap;
en
c. meeneembare voorzieningen ten
behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en
werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats en
de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in
overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste
lid, zijn afgestemd.
-3. Het UWV kan aan de persoon, bedoeld in
het eerste lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken
tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan
wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit
artikel.
Art.
36.
Subsidieregeling werkgever (4.2.4)
-1. Het UWV
kan op aanvraag van de werkgever die met een werknemer een
dienstbetrekking, anders dan een dienstbetrekking in de zin van de Wet
sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld
in artikel 7 van de
Wet sociale werkvoorziening, van ten minste
zes maanden is aangegaan of waarmee door elkaar opvolgende
dienstbetrekkingen gedurende ten minste zes maanden een dienstbetrekking
blijkt te bestaan, subsidie verstrekken voor meerkosten, voor zover:
a. die werkgever aantoont dat het totaal van de kosten die
hij maakt of heeft gemaakt ten behoeve van het in dienst houden of in
dienst nemen van een werknemer met een naar het oordeel van het UWV
structurele functionele beperking meer bedraagt dan bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedragen, die in hoogte verschillen
afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer;
b. die werkgever, na ommekomst van
de periode van drie respectievelijk één jaar, genoemd in artikel
49 van de Wet financiering sociale
verzekeringen, kosten maakt of heeft gemaakt ten behoeve van het in
dienst houden van een werknemer als bedoeld in onderdeel a.
-2. Onder de kosten,
bedoeld in het eerste lid, worden verstaan de kosten van voorzieningen,
bedoeld in artikel 35, tweede lid, voor zover die
naar de aard der zaak duurzaam zijn verenigd met het bedrijf van de
werkgever.
-3. Een subsidie als
bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien de subsidie wordt
aangevraagd voor een werknemer voor wie reeds eerder aan de werkgever
subsidie op grond van dit artikel is verstrekt, tenzij de
subsidieaanvraag:
a. geen verband houdt met feiten en omstandigheden die
aanleiding zijn geweest voor het verstrekken van de subsidie;
b. betrekking heeft op door de
werkgever gemaakte kosten ter vervanging van de bij de arbeid te
gebruiken hulpmiddelen door de werknemer.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Daarbij kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot subsidie in geval van overgang
van onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede met betrekking tot de te
verstrekken gegevens bij een aanvraag voor subsidie.
Art.
37.
Proefplaatsing (4.2.5)
-1. Het UWV
en de eigenrisicodrager kunnen, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet
om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal drie maanden
onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
-2. De onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats zijn:
a. werkzaamheden waartoe de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij de
werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering ten behoeve van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet reeds eerder onbeloond op een
proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht;
en
d. werkzaamheden waarbij er, naar
het oordeel van het UWV of de eigenrisicodrager, een reëel uitzicht is
op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden.
-3. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die werkzaamheden verricht als bedoeld in het eerste
lid doet daarvan onverwijld mededeling aan het UWV of de
eigenrisicodrager.
-4. Indien de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden
onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt
ontvangen, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. In afwijking van
artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als
bedoeld in het eerste of tweede lid verricht, voor de duur van de
proefplaatsing niet verplicht passende arbeid te verkrijgen.
-6. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
§
4.3. Bevoegdheden en verplichtingen van het UWV
Art.
38.
Controlevoorschriften (4.3.1)
Het UWV kan controlevoorschriften
vaststellen. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk
is voor een juiste uitvoering van deze wet.
Art.
39.
Reïntegratieaanpak door het UWV (4.3.2)
-1. Nadat het recht
op een WGA-uitkering is vastgesteld, stelt het UWV
in samenspraak met de verzekerde een reïntegratievisie vast waarin
verplichtingen en rechten van de verzekerde zijn vermeld.
-2. Het UWV
evalueert, in samenspraak met de verzekerde, periodiek de
reïntegratievisie en stelt deze zo nodig bij.
-3. Indien de
reïntegratievisie daartoe aanleiding geeft, laat het UWV ten behoeve
van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op behoud
en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en
inschakeling in arbeid opstellen door een reïntegratiebedrijf. Het
reïntegratieplan wordt in samenspraak met de verzekerde opgesteld.
-4. In het
reïntegratieplan worden verplichtingen en rechten van de verzekerde
vermeld voor zover die niet in de reïntegratievisie zijn vermeld.
-5. Indien een
reïntegratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden
bestaat dat een persoon aan wie een WGA-uitkering is toegekend
onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende
werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het UWV een
beschikking met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke opschorting of
schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur
van ten hoogste acht weken.
-6. Het UWV stelt
het reïntegratiebedrijf in kennis van een beschikking tot opschorting
of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.
-7. Dit artikel is
niet van toepassing indien artikel 42 van toepassing
is.
Art.
40.
Instroomcijfers Wet WIA (4.3.3)
-1. Het UWV
maakt per werkgever, die behoort tot een bij ministeriële regeling te
bepalen categorie, het percentage werknemers van die werkgever dat in
een kalenderjaar recht heeft gekregen op een WGA-uitkering openbaar. Dat
percentage wordt verkregen door het aantal werknemers dat in
dienstbetrekking stond tot die werkgever, dat recht heeft gekregen op
een WGA-uitkering in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het
kalenderjaar waarin openbaarmaking plaatsvindt, te delen door het
gemiddelde aantal werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die
werkgever gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan eerstgenoemd
kalenderjaar.
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt onder recht krijgen op een
WGA-uitkering verstaan het voor de eerste maal betaald krijgen van die
uitkering.
-3. Indien een
werkgever, met toepassing van de artikelen 96
en 97 van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, is aangesloten bij verschillende sectoren,
vindt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden
worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de in het
eerste lid bedoelde openbaarmaking afzonderlijk plaats.
-4. Bij
ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot
de wijze van openbaarmaking van gegevens als bedoeld in het eerste lid.
Art.
41.
Periodieke
beoordeling volledig en duurzaam arbeidsongeschikte met
geringe kans op herstel (4.3.4)
Het UWV beoordeelt met inachtneming van artikel 6
en de daarop berustende bepalingen gedurende de eerste vijf jaar nadat
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan jaarlijks of de
verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4,
derde lid, nog volledig arbeidsongeschikt is.
§
4.4. Verplichtingen van de eigenrisicodrager
Art.
42.
Reïntegratieplicht eigenrisicodrager (4.4.1)
-1. De
eigenrisicodrager bevordert ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel
82, die recht heeft op een WGA-uitkering de inschakeling in de
arbeid in zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever.
-2. Uit hoofde van
de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, treft de
eigenrisicodrager maatregelen gericht op behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid van de verzekerde.
-3. De
eigenrisicodrager verstrekt aan een reïntegratiebedrijf gegevens voor
zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van werkzaamheden die de
eigenrisicodrager in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, aan
dat reïntegratiebedrijf heeft opgedragen, alsmede het sociaal-fiscaal
nummer van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat
reïntegratiebedrijf wordt bevorderd. Het reïntegratiebedrijf verwerkt
deze gegevens slechts voor zover dat noodzakelijk is voor deze
werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel het sociaal-fiscaal
nummer bij die verwerking.
-4. Indien artikel
72 van toepassing is, overlegt de eigenrisicodrager met het UWV
of met een andere eigenrisicodrager indien de verzekerde meer werkgevers
heeft gehad die ook eigenrisicodrager zijn, over de uitoefening van de
taak, bedoeld in het eerste lid.
-5. De
eigenrisicodrager evalueert periodiek het plan van aanpak dat is
opgesteld op grond
artikel 25, tweede lid.
-6. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
dit artikel.
HOOFDSTUK
5
Uitsluitingsgronden
voor het recht op een uitkering
Art.
43.
Uitsluitingsgronden (5.1)
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het recht
hebben op een uitkering:
1º. op grond van
hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van deze wet; of
2º. op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg als gevolg van de toepassing van artikel 3:6,
eerste lid, onderdeel b, onder 2º, van
die wet;
b. het nog niet
geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond
van artikel 629, elfde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of op bezoldiging op grond van artikel XV,
veertiende lid, van de
Wet terugdringing
ziekteverzuim of op ziekengeld op grond van artikel
29, negende lid, van de Ziektewet, tenzij
dit loon of deze bezoldiging uitsluitend wordt genoten uit hoofde van
een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 23,
tweede lid;
c. volledige
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46,
tweede lid;
d. het rechtens
zijn vrijheid zijn ontnomen;
e. het niet in
Nederland wonen;
f. het bereiken
of bereikt hebben van de eerste dag van de kalendermaand waarin de
verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt;
g. overlijden
van de verzekerde.
Art.
44.
Nadere
bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en
vrijheidsbenemende maatregelen (5.3)
-1. Artikel 43,
onderdeel d, is niet van toepassing op:
a. de gevallen, bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel
37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht; en
b. bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt
buiten een justitiële inrichting.
-2. In afwijking van
artikel 49, eerste lid, onderdeel b, en 56,
eerste lid, onderdeel
b, is
artikel 43, onderdeel d, eerst van toepassing met ingang van
de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-3. Voor de toepassing van het tweede lid
worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art.
45. Nadere
bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen (5.4)
-1. Artikel 43,
onderdeel e, is niet van toepassing op de verzekerde die woont in
een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering op grond van deze
wet kan bestaan.
-2. Onze Minister
deelt mee in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering op grond van
deze wet kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen:
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat verdrag of
besluit aanwezige beperkingen.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot artikel
43, onderdeel e, afwijkende regels worden gesteld ten gunste
van:
a. de verzekerde die werkzaamheden
verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde die in de
Nederlandse Antillen of Aruba woont; of
c. de gezinsleden van de in de
onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
Art.
46.
Arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bij
aanvang van de verzekering (5.5)
-1. In dit artikel
wordt verstaan onder volledige arbeidsongeschiktheid het als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat zijn om met arbeid
ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
-2. Artikel
43, onderdeel c, is van toepassing indien er sprake is van
volledige arbeidsongeschiktheid:
a. die bestond op het tijdstip van
aanvang van de verzekering of ontstond tijdens een periode waarin de
verzekerde op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale
verzekeringen een ontheffing van de verplichtingen op grond van
deze wet ¹ had wegens gemoedsbezwaren; of
b. die binnen een halfjaar na het
tijdstip van aanvang van de verzekering of na het tijdstip van eindiging
van de periode, bedoeld in onderdeel a, is ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de verzekerde op dat tijdstip het intreden van
die arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen
verwachten.
-3. Bij de
vaststelling van het maatmaninkomen wordt buiten aanmerking gelaten
verdiensten die meer bedragen dan gelet op de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid kan worden verdiend door de verzekerde die:
a. gedeeltelijk arbeidsgeschikt,
doch niet volledig arbeidsongeschikt is op het tijdstip van aanvang van
de verzekering of op het moment van eindiging van de in het tweede lid,
onderdeel a, bedoelde periode; of
b. gedeeltelijk arbeidsgeschikt,
doch niet volledig arbeidsongeschikt wordt binnen een halfjaar na het
tijdstip van aanvang van verzekering of na het tijdstip van eindiging
van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, terwijl
de gezondheidstoestand van de verzekerde op dat tijdstip het intreden
van deze gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk
moest doen verwachten.
Onderdeel b strekt zich mede uit tot afname van
arbeidsgeschiktheid voor zover deze kennelijk is voortgekomen uit
dezelfde oorzaak als die tot die gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft
geleid en die binnen een halfjaar na aanvang van de verzekering is
ingetreden.
-4. Het tweede lid,
onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, blijven buiten
toepassing ten aanzien van de verzekerde die onmiddellijk voorafgaande
aan het tijdstip van aanvang van de verzekering, in verband met artikel
6, eerste lid, onderdeel
a
of b, van de Ziektewet niet verzekerd
was.
-5.
Indien de bij de aanvang van de verzekering, bedoeld in het tweede en
derde lid, aanwezige arbeidsongeschiktheid nadien is afgenomen of
aanwezige gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid nadien is toegenomen, wordt
in plaats van de aanvang van de verzekering gelezen het tijdstip waarop
de arbeidsongeschiktheid is afgenomen respectievelijk de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid toenam.
-6. Artikel 6 en de
daarop berustende bepalingen is van overeenkomstige toepassing op dit
artikel.
1. Volgens de redactie
dient "deze wet" te worden vervangen door: die
wet.
HOOFDSTUK
6
Inkomensverzekering
voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
§
6.1. Bepalingen in verband met het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
47.
Ontstaan
van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.1)
-1. Recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek
wordt, indien:
a. hij de wachttijd heeft
doorlopen;
b. hij volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond
van toepassing is.
-2. Het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste
dag na afloop van de wachttijd of, indien op die dag de
uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b,
van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer
voordoet.
Art.
48.
Later
ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.2)
-1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 47,
tweede lid, geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is, ontstaat alsnog recht op die uitkering met ingang
van de dag dat hij wel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt,
indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een WGA-uitkering;
b. geen recht had op een
WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na
de in artikel 47, tweede lid, bedoelde dag en
voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de
wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of
c. geen recht had op een
WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier weken
na de in artikel 47, tweede lid, bedoelde dag en
voortkomt uit een andere oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de
wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
-2. Indien op de dag, bedoeld in artikel 47,
tweede lid, geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ontstaan omdat op die dag op de verzekerde één of beide
uitsluitingsgronden, bedoeld in artikel 43, onderdeel d
of e, van toepassing waren, ontstaat alsnog recht op die
uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer
voordoet.
Art.
49.
Eindigen
van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.3)
-1. Het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt op de dag dat:
a. de persoon die recht heeft op
die uitkering niet meer volledig arbeidsongeschikt is; of
b. er op hem een uitsluitingsgrond
als bedoeld in artikel 43, onderdeel d, e,
f of g, van toepassing is.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, eindigt het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de persoon die aansluitend aan het
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van het feit dat
hij niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt is geen recht krijgt op een
WGA-uitkering, na twee maanden.
Art.
50.
Herleven
van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.4)
-1. Indien op grond van
artikel 49, eerste lid, onderdeel a, het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, herleeft het recht op die
uitkering op de dag dat de verzekerde weer volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een WGA-uitkering;
of
b. geen recht had op een
WGA-uitkering en de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid intreedt
binnen vijf jaar na die dag van eindiging en voortkomt uit dezelfde
oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Indien op grond van artikel
49, eerste lid, onderdeel
b, het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd
omdat op de persoon die recht had op die uitkering één of beide
uitsluitingsgronden, bedoeld in
artikel 43, onderdeel d of e, van toepassing waren,
herleeft het recht op die uitkering op de dag dat zich geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet.
§
6.2. De duur en hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
51.
De hoogte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.2.1)
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
bedraagt per kalendermaand 70% van het maandloon.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt vermeerderd met het bedrag dat gelijk is aan het in artikel 15,
tweede lid, van de Ziekenfondswet bedoelde
deel van de procentuele premie dat door de werkgever zou zijn
verschuldigd indien de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte verzekerd
zou zijn op grond van artikel 3 van de Ziekenfondswet,
indien de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte:
a. voorafgaand aan de eerste dag
van ziekte een werkgeversbijdrage ontving strekkende tot betaling van
premie van een door of voor de verzekerde afgesloten particuliere of
publiekrechtelijke ziektekostenverzekering;
b. deze bijdrage, als gevolg van
zijn volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft verloren; en
c. niet verzekerd is op grond van
de Ziekenfondswet.
Art.
52.
Inkomsten
uit arbeid tijdens het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
(6.2.2)
-1. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt per kalendermaand 70% van het in die kalendermaand verworven
inkomen in mindering gebracht.
-2. Indien de volledig en duurzaam
arbeidsongeschikte gedurende een aaneengesloten termijn van twaalf
kalendermaanden per kalendermaand een inkomen verwerft dat meer bedraagt
dan 20% van het maatmaninkomen per kalendermaand, roept het UWV
de verzekerde op voor een onderzoek naar het voortbestaan van volledige
en duurzame arbeidsongeschiktheid.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing
op bij ministeriële regeling te bepalen groepen volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten.
-4. In dit artikel wordt onder inkomen
verstaan het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot
het inkomen, bedoeld in dit artikel. Daarbij kunnen tevens nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van dat inkomen
alsmede van de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.
Art.
53.
Verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid (6.2.3)
Indien de verzekerde verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende
toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging
nodig maakt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van
die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging met ten hoogste
een factor 100/70. De eerste zin vindt geen toepassing indien de
verzekerde in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten
laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.
HOOFDSTUK
7
Uitkering
in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
§
7.1. Bepalingen in verband met het recht op een WGA-uitkering
Art.
54.
Ontstaan
van het recht op een WGA-uitkering (7.1.1)
-1. Recht op een WGA-uitkering ontstaat
voor de verzekerde die ziek wordt, indien:
a. hij de wachttijd heeft
doorlopen;
b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt
is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond
van toepassing is.
-2. Het recht op een WGA-uitkering
ontstaat niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of,
indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel
43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die
uitsluitingsgrond niet meer voordoet.
-3. De WGA-uitkering bestaat voor de
verzekerde die voldoet aan de referte-eis, bedoeld in
artikel 58, uit een loongerelateerde uitkering en na afloop hiervan
uit een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
-4. De WGA-uitkering bestaat voor de
verzekerde die niet voldoet aan de referte-eis, bedoeld in
artikel 58, uit een loonaanvullingsuitkering of een
vervolguitkering.
Art.
55.
Later
ontstaan van het recht op een WGA-uitkering (7.1.2)
-1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54,
tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de
verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, ontstaat
alsnog recht op die uitkering met ingang van de dag dat hij wel
gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan
voorafgaand:
a. recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. minder dan 35% arbeidsongeschikt
was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was
tot het verrichten van zijn arbeid; of
c. minder dan 35% arbeidsongeschikt
was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit een andere
oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was
tot het verrichten van zijn arbeid.
-2. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54,
tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat op die dag
op de verzekerde één of beide uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43,
onderdeel d of e, van toepassing waren, ontstaat alsnog
recht op deze uitkering op de dag dat zich geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet.
-3. Het recht op een WGA-uitkering kan in
de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het
tweede lid, niet later ingaan dan vijf jaar na de dag, bedoeld in
artikel 54, tweede lid, en in de situatie, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel
c, niet later dan vier weken na de dag, bedoeld in artikel 54,
tweede lid.
Art.
56.
Eindigen
van het recht op een WGA-uitkering (7.1.3)
-1. Het recht op een WGA-uitkering eindigt
op de dag dat:
a. de verzekerde niet meer
gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; of
b. er op hem een uitsluitingsgrond
als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder
2º, d, e, f of
g, van toepassing is.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de
verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35% twee
maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is,
doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering eindigt.
-3. In afwijking van het tweede lid
eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van
arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat hij met arbeid meer
verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, één jaar na de dag
waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder
dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering
eindigt.
Art.
57.
Herleven
van het recht op een WGA-uitkering (7.1.4)
-1. Indien op grond van
artikel 56, eerste lid, onderdeel a, tweede of derde lid, het
recht op een WGA-uitkering is geëindigd, herleeft het recht op die
uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt
wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. een mate van
arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij
eerder recht had op een WGA-uitkering.
-2. Indien op grond van
artikel 56, eerste lid, onderdeel b, geen recht op een
WGA-uitkering meer bestaat omdat op de persoon die recht had op die
uitkering één of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43,
onderdeel a, onder 2º, d
of e, van toepassing waren, herleeft het recht op die uitkering
op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
-3. Het recht op een WGA-uitkering kan in
de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het
tweede lid, niet later herleven dan vijf jaar na de dag, bedoeld in
artikel 56.
Art.
58.
Referte-eis (7.1.5)
-1. De verzekerde voldoet aan de
referte-eis, indien hij:
a. in 39 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste dag na de dag waarop het recht op loon op
grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging op grond van artikel XV
van de Wet terugdringing
ziekteverzuim of het recht op ziekengeld op grond van artikel 29
van de
Ziektewet is geëindigd, in ten minste 26
weken als verzekerde arbeid heeft verricht: of
b. onmiddellijk voorafgaande aan
de eerste dag van de wachttijd recht heeft op een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet.
-2. Voor de vaststelling van het aantal
van 39 weken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden
niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de verzekerde:
a. wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft verricht uit
hoofde waarvan hij op grond van de Werkloosheidswet niet als werknemer
wordt beschouwd als bedoeld in artikel 8 van
die wet en hij op grond van dat artikel de
hoedanigheid van werknemer heeft herkregen;
c. wegens het genieten van
onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van
achttien maanden; of
d. geen arbeid heeft verricht, maar
wel recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kan
voor bepaalde groepen werknemers het in het eerste lid bedoelde aantal
van 26 weken lager worden vastgesteld.
-4. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot de berekening van het aantal van 26
weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a. Deze regels hebben betrekking op:
a. de gelijkstelling van weken
waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de
verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is geworden met weken waarin hij
als verzekerde wel arbeid heeft verricht;
b. het meer keren in aanmerking
nemen van weken waarin arbeid is verricht.
§
7.2. De duur en hoogte van de WGA-uitkering
Art.
59.
De duur van
de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering (7.2.1)
-1. De duur van de loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering is bij een arbeidsverleden van: minder
dan 5 jaar zes maanden en bij een arbeidsverleden van ten minste:
a. 5 jaren, negen maanden;
b. 10 jaren, één jaar;
c. 15 jaren, anderhalf jaar;
d. 20 jaren, twee jaar;
e. 25 jaren, twee en een half jaar;
f. 30 jaren, drie jaar;
g. 35 jaren, vier jaar; en
h. 40 jaren, vijf jaar.
-2. De duur van de loongerelateerde
uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt indien de verzekerde
onmiddellijk voorafgaand aan deze loongerelateerde uitkering recht had
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verminderd met de duur van de
ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch bedraagt ten minste
één jaar.
-3. De duur van de loongerelateerde
uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt indien de verzekerde
onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd uitsluitend
verzekerd was als gevolg van het ontvangen van een uitkering op grond
van de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet,
verminderd met de duur van de ontvangen loongerelateerde uitkering op
grond van de Werkloosheidswet.
-4. De duur van de loongerelateerde
uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd indien als gevolg
van de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43,
onderdeel a, onder 1º, geen recht op een uitkering is ontstaan
voor zover dit niet-ontstane recht op een uitkering tot een langere duur
van de loongerelateerde uitkering zou hebben geleid.
Art.
60.
De
loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering van de WGA-uitkering
(7.2.2)
-1. Indien de duur van de loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54,
vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, bestaat de
WGA-uitkering uit:
a. een loonaanvullingsuitkering
voor de verzekerde die aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid,
voldoet of voor wie op grond van het derde lid geen inkomenseis geldt;
of
b. een vervolguitkering.
-2. De inkomenseis wordt vastgesteld op de
dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en is voor de verzekerde die
in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen
per uur, gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. De
inkomenseis wordt herzien nadat een wijziging in de resterende
verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft voortgeduurd. De
inkomenseis geldt niet meer nadat de verzekerde ten minste twee
kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste
20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
-3. Voor de verzekerde die slechts in
staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen per uur geldt geen inkomenseis tot de dag dat zijn
resterende verdiencapaciteit 24 kalendermaanden lang hoger is geweest
dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur.
-4. Onder resterende verdiencapaciteit als
bedoeld in het tweede en derde lid wordt verstaan het inkomen dat de
verzekerde per maand uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven kan
verdienen met alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld ter bepaling van het inkomen, bedoeld in
het tweede tot en met vierde lid, en van de resterende
verdiencapaciteit, bedoeld in het vierde lid. Daarbij kunnen tevens
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van dat
inkomen en van de resterende verdiencapaciteit alsmede van de periode
waarop die vaststelling betrekking heeft.
Art.
61.
De hoogte
van de loongerelateerde uitkering en de loonaanvullingsuitkering
van de WGA-uitkering (7.2.3)
-1. De
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per
kalendermaand:
0,7 x (C - D)
waarbij:
C staat voor het maandloon; en
D staat voor het in de betreffende kalendermaand verworven inkomen.
-2. Het eerste lid
is van overeenkomstige toepassing op de loonaanvullingsuitkering van de
WGA-uitkering indien de verzekerde ten minste zijn overblijvende
verdiencapaciteit als bedoeld in het derde lid benut of indien voor hem
geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60 geldt.
-3. De overblijvende
verdiencapaciteit, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan tweemaal de
inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede lid.
-4. De
loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering bedraagt voor de
verzekerde die ten minste 50% van doch minder dan zijn overblijvende
verdiencapaciteit benut, per kalendermaand:
0,7 x (E - F)
waarbij:
E staat voor het maandloon; en
F staat voor de overblijvende verdiencapaciteit.
-5. Indien de hoogte
van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, per kalendermaand minder
bedraagt dan:
G x H
waarbij:
G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in het zesde lid; en
H staat voor het
minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon
per maand hoger is dan het maandloon;
wordt de hoogte van de uitkering, bedoeld in het vierde lid, vastgesteld
op G x H, doch ten hoogste op 0,7 x (C - D) als bedoeld in het eerste
lid.
-6. Het
uitkeringspercentage, bedoeld in het vijfde lid, bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
a. 0-35%, 0%;
b. 35-45%, 28%;
c. 45-55%, 35%;
d. 55-65%, 42%;
e. 65-80%, 50,75%; en bij
f. 80% of meer, 70%.
-7. De hoogte van de
uitkering, bedoeld in het vijfde lid, wordt eerst nadat een wijziging in
de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee kalendermaanden heeft
voortgeduurd, herzien.
-8. De uitkering,
bedoeld in het eerste, tweede, vierde of vijfde lid, wordt vermeerderd
met het bedrag dat gelijk is aan het in artikel 15,
tweede lid, van de
Ziekenfondswet
bedoelde deel van de procentuele premie dat door de werkgever zou zijn
verschuldigd indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte verzekerd zou zijn
op grond van artikel 3 van de Ziekenfondswet,
indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte:
a. voorafgaand aan de eerste dag
van ziekte een werkgeversbijdrage ontving strekkende tot betaling van
premie van een door of voor de verzekerde afgesloten particuliere of
publiekrechtelijke ziektekostenverzekering;
b. deze bijdrage, als gevolg van
zijn gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, heeft verloren; en
c. niet verzekerd is op grond van
de Ziekenfondswet.
-9. Onder inkomen
als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het inkomen uit arbeid in
het bedrijfs- en beroepsleven.
-10. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere en zo nodig afwijkende regels
gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het negende lid.
Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
vaststelling van dat inkomen alsmede van de periode waarop die
vaststelling betrekking heeft.
Art.
62.
De hoogte
van de vervolguitkering van de WGA-uitkering (7.2.4)
-1. De vervolguitkering van de
WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:
G x H
waarbij:
G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in artikel 61,
zesde lid; en
H staat voor het
minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon
per maand hoger is dan het maandloon.
-2. Artikel 61,
zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3.
De hoogte van de vervolguitkering wordt voor de verzekerde:
a. die na het ontstaan van recht op
uitkering op grond van dit hoofdstuk ziek is geworden; en
b. voor wie als gevolg van de
toepassing van artikel 43, onderdeel a, onder
1º, geen tweede recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk
ontstaat omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat
al recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat of indien
op die eerste dag het recht op een dergelijke uitkering herleeft;
gedurende de periode dat, in het geval hij wel recht gehad zou hebben op
een loongerelateerde uitkering en alleen in het geval dat de hoogte van
de loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de hoogte van
de vervolguitkering zoals die op grond van het eerste en tweede lid is
vastgesteld, vastgesteld op de hoogte van die loongerelateerde
uitkering.
Art.
63.
Verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid (7.2.5)
Indien de verzekerde die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste
20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur verkeert in een
blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de WGA-uitkering
voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging
met ten hoogste de factor 100/70. De eerste zin vindt geen toepassing
indien de verzekerde in een inrichting is opgenomen en de kosten van
verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.
HOOFDSTUK
8
De
aanvraag van de uitkering en de betaling van de uitkering door het UWV
§
8.1. De aanvraag van de uitkering
Art.
64.
Aanvraag
van de uitkering (8.1.1)
-1. Het UWV
stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van deze wet
ontstaat.
-2. Het UWV stelt de
verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag
schriftelijk in kennis uiterlijk 20 maanden na aanvang van de wachttijd.
Indien artikel
24, derde lid, van toepassing is, doet het UWV deze kennisgeving bij
de bekendmaking van de in dat artikellid bedoelde beschikking.
-3. De verzekerde
doet zijn aanvraag binnen 21 maanden na aanvang van de wachttijd, tenzij
artikel 24, derde lid, van toepassing is, in welk geval het UWV bij
de bekendmaking van de in dat artikellid genoemde beschikking aangeeft
binnen welke termijn de aanvraag door verzekerde wordt gedaan.
-4. Indien het UWV
de in het eerste lid bedoelde aanvraag afwijst omdat een
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43,
onderdeel b, d of e, van toepassing is, maakt het
UWV melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag
alsmede van de termijn waarbinnen een nieuwe aanvraag dient te worden
gedaan.
-5. Indien het
vierde lid van toepassing is, doet de verzekerde zijn nieuwe aanvraag
binnen de op grond van dat lid door het UWV aangegeven termijn.
-6. Indien de
toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het
UWV bevoegd het recht op een uitkering op grond van deze wet ambtshalve
vast te stellen.
-7. Het recht op een
uitkering op grond van deze wet kan niet worden vastgesteld over
perioden gelegen vóór 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de
aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere
gevallen van de eerste zin afwijken.
-8. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
de gegevens die door de verzekerde bij de aanvraag worden verstrekt.
Art.
65.
Reïntegratieverslag bij aanvraag (8.1.2)
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van
een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 25,
derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voor zover artikel 26,
eerste lid, toepassing vindt. Het
UWV beoordeelt of de werkgever en de
verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel
h, van de Ziektewet, en de personen,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b
en c, van
die wet, die laatstelijk tot hem in
dienstbetrekking stonden in redelijkheid hebben kunnen komen tot de
reïntegratie-inspanningen die zijn verricht.
Art.
66. Aanvraag
van de uitkering bij verkorte wachttijd (8.1.3)
-1. Een aanvraag voor een verkorte
wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, wordt
tevens aangemerkt als aanvraag, bedoeld in artikel 64,
eerste lid.
-2. Een aanvraag voor een verkorte
wachttijd kan slechts eenmaal worden gedaan.
§
8.2. De betaling van de uitkering door het UWV
Art.
67.
Betaalbaarstelling (8.2.1)
-1. Het UWV
betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat. De
betaling geschiedt in termijnen van een kalendermaand.
-2. Het UWV kan een uitkering over een
door hem te bepalen tijdvak als voorschot betaalbaar stellen indien
onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van die uitkering of
de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend
voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan
uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-3. Onverminderd het tweede lid schort het
UWV de betaling van de uitkering op of schorst het de betaling indien
het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde
vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of
niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering
bestaat;
c. de persoon die recht heeft op
een uitkering of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als
bedoeld in artikel 27, 28,
29 of 30 of een instelling als
bedoeld in artikel 71 een verplichting als bedoeld
in
artikel 27 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-4. Ingeval de uitkering, bedoeld in het
eerste lid, in het buitenland wordt uitbetaald, worden de daaraan
verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht.
-5. Wanneer de persoon die recht heeft op
een uitkering op grond van deze wet, een ander machtigt om de uitkering
in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging
intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een
betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt
ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt
gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag
van indiening onderscheidenlijk intrekking van die machtiging.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld inzake de betaalbaarstelling van de uitkeringen op
grond van deze wet door organen die belast zijn met de uitbetaling van
invaliditeitsuitkering of pensioen uit anderen hoofde dan op grond van
deze wet.
-7. Het UWV kan onder door hem te stellen
voorwaarden, op verzoek van de in het zesde lid bedoelde organen,
gelijktijdig met een uitkering op grond van deze wet,
invaliditeitsuitkeringen of pensioenen verschuldigd door die organen
betaalbaar stellen.
Art.
68.
Betaling
vakantiebijslag (8.2.2)
-1. In afwijking van
artikel 67, eerste lid, betaalt het UWV
een gedeelte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat
als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf kalendermaanden of, indien het recht op uitkering
eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende
kalendermaand. De vakantiebijslag bedraagt 8/108 van de uitkering.
-2. Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wijzigt de
in het eerste lid genoemde breuk dienovereenkomstig. Het gewijzigde
percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop op grond
van deze wet recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.
-3. Op de toekenning van vakantiebijslag
zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot het eerste lid nadere of afwijkende regels worden
gesteld.
Art.
69.
Opschorting
betaling uitkering aan vreemdelingen (8.2.3)
-1. Het UWV
schort de betaling van een uitkering op grond van deze wet op indien de
persoon die recht heeft op die uitkering een vreemdeling is die niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De betaling van de uitkering op grond
van deze wet wordt hervat indien de betrokkene daartoe een aanvraag
indient en het UWV is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont
of verblijf houdt en aan de overige voorwaarden voor het recht op
uitkering voldoet.
Art.
70.
Betaling
aan een minderjarige (8.2.4)
Voor zover het betreft het in ontvangst nemen van een uitkering op grond
van deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan,
wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de
wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige
schriftelijk verzet bij het UWV, geschiedt
de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Art.
71.
Betaling
aan instellingen (8.2.5)
-1. Indien de persoon die recht heeft op
een uitkering, op grond van artikel
6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
en de daarop berustende bepalingen een bijdrage verschuldigd is in de
kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6
en 11 van
die wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11
en 12 van
die wet, is het UWV
bevoegd de uitkering op grond van deze wet tot het bedrag van die
bijdrage in plaats van aan de persoon die recht heeft op die uitkering,
zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a
van de Ziekenfondswet.
-2. Indien de persoon die recht heeft op
een uitkering op grond van deze wet in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het UWV van de
desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente die de opnamekosten
betaalt het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat verzoek zonder het
stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het
gedeelte van de uitkering op grond van deze wet dat niet aan het College
voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel
1a van de Ziekenfondswet, wordt
uitbetaald.
-4. Op de herziening van een beschikking
op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41
en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Art.
72.
Betaling
door UWV bij meerdere werkgevers (8.2.6)
-1. Indien de persoon die recht heeft op
een uitkering op grond van deze wet bij aanvang van de wachttijd meer
dan één werkgever heeft, wordt de uitkering betaald door het UWV,
ook indien één of meer werkgevers eigenrisicodrager zijn.
-2. In de situatie, bedoeld in het eerste
lid, verhaalt het UWV op de eigenrisicodrager, naar rato van de loonsom,
de door hem verschuldigde uitkering op grond van deze wet, alsmede de op
grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet
op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht.
-3. De uitkering op grond van deze wet
wordt niet verhaald op de eigenrisicodrager indien de persoon die recht
heeft op die uitkering met behoud van hetzelfde loon bij die werkgever
arbeid is blijven verrichten.
Art.
73.
Betaling in
geval van samenloop (8.2.7)
-1. Het recht op een uitkering dat is
ontstaan als gevolg van de toepassing van artikel 5.2 ¹ komt slechts
tot uitbetaling voor zover dit hoger is dan het eerder ontstane recht op
een uitkering op grond van deze wet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop
van een uitkering op grond van deze wet met een uitkering in verband met
volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid op grond van andere wetten.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop
van uitkering op grond van deze wet met uitkering op grond van de
sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van een andere
mogendheid.
1. Artikel 5.2 is tijdens de
parlementaire behandeling komen te vervallen, red.
Art.
74.
Overlijdensuitkering (8.2.8)
-1. Na het overlijden van de persoon die
recht had op een uitkering op grond van deze wet wordt met ingang van de
dag na het overlijden een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan de persoon
ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het
bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de persoon die recht had op een
uitkering op grond van deze wet wordt voor de toepassing van dit artikel
gelijkgesteld de persoon wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de
kalendermaand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch
vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden en die uitsluitend
als gevolg van artikel 43, onderdeel f, over
de dag van zijn overlijden geen recht op een uitkering had.
-3. De overlijdensuitkering is gelijk aan
het bedrag van de uitkering op grond van deze wet over één
kalendermaand berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of
laatstelijk vóór de dag van overlijden van de persoon.
-4. In verband met het overlijden van de
persoon die recht had op een uitkering op grond van deze wet is artikel 43,
onderdeel f, niet van toepassing.
-5. De overlijdensuitkering wordt op
verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste
lid, door het UWV uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering wordt in een
bedrag ineens uitbetaald.
-7. Het bedrag van de overlijdensuitkering
wordt verminderd met het bedrag aan uitkering op grond van deze wet dat
over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald.
Art.
75.
Verjaringstermijn (8.2.9)
Uitkeringen op grond van deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of
zijn ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling
worden door het UWV
niet meer betaald.
Art.
76.
Intrekking
en herziening beschikkingen (8.2.10)
-1. Het UWV
herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke
beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet
volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met
32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op
grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten
onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op
een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een
voorziening als bedoeld in artikel 34, tweede lid, of
35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend;
c. anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
-2. Indien een voorziening als bedoeld in artikel 34,
tweede lid, of 36
in de vorm van een subsidie wordt verstrekt, wijzigt of trekt het UWV de
beschikking tot vaststelling van de subsidie in indien sprake is van een
omstandigheid als bedoeld in artikel 4:49,
eerste lid, onderdeel a, b of c, van de
Algemene wet
bestuursrecht.
-3. Indien daarvoor dringende redenen
zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking
afzien.
Art.
77.
Terugvordering (8.2.11)
-1. Een uitkering die op grond van deze
wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking
als bedoeld in artikel 76 door het
UWV onverschuldigd is betaald of
verstrekt, wordt door het UWV teruggevorderd van de verzekerde, zijn
wettelijke vertegenwoordiger, degene die hij voor de ontvangst daarvan
gemachtigd heeft en de instelling, bedoeld in
artikel 71. Ook een uitkering die op grond van artikel
67, tweede lid, als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld,
wordt door het UWV teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het UWV besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te
zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover
verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a
en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene
van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het
gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 27, eerste lid.
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
-5. De beschikking tot terugvordering
vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat de beschikking bij gebreke
van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de wijze als
omschreven in artikel 77.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd,
is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die
voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan
het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden,
besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen
bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet te
boven gaat.
Art.
78.
Beschikking als executoriale titel (8.2.12)
-1. De beschikking tot terugvordering
levert een executoriale titel op in de zin van Boek
2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 96 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het UWV
de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art.
79.
Nadere
regelgeving (8.2.13)
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen
77, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en 78.
Art.
80.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen (8.2.14)
-1. Een uitkering op grond van deze wet en
een voorziening als bedoeld in artikel 34, tweede lid,
of
artikel 35 zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
uitkering op grond van deze wet onder welke vorm of benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel is
nietig.
Art.
81.
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen (8.2.15)
De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 34, tweede
lid, en 35, de verhoging, bedoeld in de artikelen 53
en 63, alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74,
zijn niet vatbaar voor beslag.
HOOFDSTUK
9
Eigen
risico dragen door de werkgever
Art.
82.
Periode van eigen risico dragen (9.1)
-1. De eigenrisicodrager draagt gedurende:
a. de periode van vier jaar nadat
het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan; of
b. een bij ministeriële regeling
te bepalen periode nadat het recht op een WGA-uitkering is ontstaan;
het risico van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de
eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de
eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond.
-2. Indien met betrekking tot een
verzekerde ten laste van één eigenrisicodrager verschillende
uitkeringen op grond van deze wet elkaar opvolgen, draagt de
eigenrisicodrager, in afwijking van het eerste lid, gedurende:
a. de periode van vier jaar te
rekenen vanaf de dag waarop het recht op een uitkering op grond van deze
wet voor de verzekerde is ontstaan het risico van betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die verzekerde; of
b. de periode die op grond van
het eerste lid, onderdeel b, geldt op de dag waarop recht op
uitkering op grond van deze wet is ontstaan, te rekenen vanaf die dag,
het risico van betaling van de WGA-uitkering aan die verzekerde.
-3. Indien
artikel 24 is toegepast, wordt de van toepassing zijnde
periode bekort met de duur van het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 24,
eerste lid.
-4. Het eerste lid is niet van toepassing
indien de uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op
grond van de Ziektewet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten toegekende uitkering.
Art.
83.
Betaling bij eigen risico dragen (9.2)
-1. De eigenrisicodrager is bevoegd, met
inachtneming van artikel 72, de door het
UWV toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering of WGA-uitkering namens het UWV te
betalen aan de verzekerde, bedoeld in artikel 82,
eerste lid.
-2. De door de eigenrisicodrager op grond
van het eerste lid aan de verzekerde betaalde loonaanvullingsuitkering,
bedoeld in hoofdstuk 7, alsmede de op grond van enige
wet hierover verschuldigde premies die daarop niet in mindering kunnen
worden gebracht, kunnen door hem op het UWV worden verhaald, met
uitzondering van een bedrag overeenkomende met het bedrag van de
vervolguitkering, bedoeld in hoofdstuk 7, waar de
verzekerde, zonder toepassing van artikel 62, derde
lid, recht op zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de
loonaanvullingsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 7,
vermeerderd met de premies die op grond van enige wet daarover
verschuldigd zouden zijn en die daarop niet in mindering kunnen worden
gebracht.
-3. Indien de eigenrisicodrager de
uitkering niet betaalt, betaalt het UWV deze uitkering en verhaalt het
UWV de uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen
worden gebracht, op de eigenrisicodrager. Op de eigenrisicodrager wordt
evenwel niet verhaald hetgeen deze, als hij de uitkering wel had
betaald, op grond van het tweede lid op het UWV had kunnen verhalen.
Art.
84.
Afbakening eigen risico (9.3)
-1. De eigenrisicodrager draagt vanaf het
moment dat hij eigenrisicodrager wordt overeenkomstig
artikel 82 het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de verzekerde
die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd
tot hem in dienstbetrekking stond, ook als die wachttijd is ingegaan
vóór de dag waarop deze werkgever eigenrisicodrager werd.
-2. Indien het eigen risico dragen
eindigt, blijft de werkgever het risico, bedoeld in
artikel 82, eerste lid, dragen, voor zover de eerste
dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen vóór het
einde van het eigen risico dragen. Indien de eigenrisicodrager in staat
van faillissement is verklaard of indien ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het UWV
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering en verhaalt het
deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen
worden gebracht, voor zover deze is betaald over de periode, bedoeld in
artikel 82, op de kredietinstelling of verzekeraar,
bedoeld in artikel
40, tweede lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
-3. In geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke
overgang bij faillissement, wordt het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de verzekerde
die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd
in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft
overgedragen, in afwijking van het tweede lid gedragen door de werkgever
die de onderneming verkrijgt, indien:
a. de werkgever die de onderneming
overdraagt geen eigenrisicodrager is en de werkgever die de onderneming
verkrijgt eigenrisicodrager is of wordt;
b. de werkgever die de onderneming
overdraagt eigenrisicodrager is; of
c. de werkgever die de onderneming
overdraagt een werkgever is wiens eigen risico dragen is beëindigd als
bedoeld in het tweede lid.
-4. Indien in de in het derde lid,
onderdeel a, bedoelde situatie slechts een deel van de
onderneming overgaat, vindt het derde lid, onderdeel a,
toepassing naar rato van het deel van de loonsom dat het overgegane deel
van de onderneming deel uitmaakte van de gehele onderneming in het
kalenderjaar voorafgaande aan dat van overgang, doch berust de betaling
van de uitkering bij het UWV. Het UWV verhaalt op de eigenrisicodrager
de door hem op grond van de eerste zin verschuldigde uitkering, alsmede
de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die
niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht.
-5. Indien in de in het derde lid,
onderdeel b of c, bedoelde situatie slechts een deel van
de onderneming overgaat, blijft het risico van de betaling van de
uitkering berusten bij de werkgever die een deel van de onderneming
overdraagt.
-6.
Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, eerste zin,
draagt de eigenrisicodrager voor zover het betaling van de WGA-uitkering
betreft het risico gedurende de periode die op grond van artikel
82, eerste lid, onderdeel b, geldt op de dag waarop het recht
op uitkering is ontstaan.
Art.
85. Vrijstelling aangifte
dertiendeweeksziekmelding (9.3a)
-1. De eigenrisicodrager is niet verplicht
tot het doen van de aangifte van ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel
38 van de Ziektewet.
-2. De eigenrisicodrager doet, uiterlijk
acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken van een werknemer voor
wie hij het risico, bedoeld in artikel 82, draagt,
zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid bij het UWV.
De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van acht maanden worden
tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in
verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het
tijdvak van acht maanden blijven perioden waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten buiten beschouwing.
-3. Onverminderd het tweede lid doet de
eigenrisicodrager aangifte van de ongeschiktheid tot werken van een
werknemer voor wie hij het in artikel 82 bedoelde
risico draagt, op de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking
eindigt.
Art.
86.
Administratiekosten (9.4)
-1. Het UWV
brengt bij de eigenrisicodrager de kosten in rekening ter zake van de
betaling van de uitkering door het UWV en het verhaal op de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82, derde lid.
-2. Het UWV vergoedt aan de
eigenrisicodrager op aanvraag de schade die deze lijdt door toepassing
van artikel 118, eerste lid.
Art.
87.
Nadere
regelgeving (9.5)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
10
Handhaving
Art.
88.
Maatregelen
UWV (10.1)
-1. Het UWV
weigert een uitkering op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk,
blijvend of tijdelijk, indien:
a. de
verzekerde verplichtingen, bedoeld in artikel 27,
tweede tot en met vijfde lid,
28, 29 of 30,
niet of niet behoorlijk is nagekomen;
b. de
verzekerde de verplichting, bedoeld in artikel 27,
eerste lid, niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is
nagekomen;
c. de
verzekerde zich niet houdt aan de verplichting, bedoeld in artikel 64,
derde lid, of
artikel 65.
-2. Onverminderd het
eerste lid kan het UWV de uitkering blijvend geheel weigeren indien de
verzekerde door het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 28, eerste lid, het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid
opzettelijk heeft veroorzaakt.
-3. Het eerste lid is
niet van toepassing indien de eigenrisicodrager, op grond van artikel
89, de bevoegdheid heeft de WGA-uitkering te weigeren.
-4.
Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
27, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering of indien de belanghebbende zich niet
houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 64,
derde lid, of
artikel 65, kan het UWV afzien van het opleggen van
een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven
van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen
van de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften, tenzij
het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan
de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-5. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het UWV besluiten van het opleggen van een maatregel
af te zien.
Art.
89.
Maatregelen
eigenrisicodrager (10.2)
-1. De
eigenrisicodrager kan in verband met de uitvoering van artikel 42
de WGA-uitkering gedeeltelijk en blijvend, geheel en tijdelijk of
gedeeltelijk en tijdelijk weigeren, indien:
a. de
verzekerde, bedoeld in artikel 82, verplichtingen als
bedoeld in artikel
27, tweede juncto zesde lid en het vierde lid, 28,
eerste lid, 29
of 30 niet of niet behoorlijk is nagekomen;
b. de
verzekerde, bedoeld in artikel 82, de verplichting,
bedoeld in artikel
27, eerste juncto zesde lid, niet binnen de door de
eigenrisicodrager daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Indien de
verzekerde de verplichting, bedoeld in artikel 28, 29
of 30, niet heeft nageleefd als bedoeld in artikel 88,
tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing.
-3. Indien op grond
van het eerste lid de uitkering geheel wordt geweigerd, is artikel
83, derde lid, niet van toepassing.
-4. De
eigenrisicodrager is bevoegd artikel 67, derde
lid, onderdeel c, toe te passen voor de duur van ten hoogste acht
weken, waarbij de betaling ook gedeeltelijk kan worden opgeschort of
geschorst.
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot dit artikel.
Art.
90.
Afstemming
maatregel (10.3)
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 88 of 89 wordt
afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde
de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
-2. Het opleggen van
een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een boete
als bedoeld in artikel 91 wordt opgelegd.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid, waarbij in ieder geval kan worden
geregeld in welke gevallen het UWV kan
afzien van het opleggen van een maatregel.
Art.
91.
Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting (10.4)
-1. Indien de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever of de
persoon, bedoeld in artikel 27, achtste lid, de
verplichting, bedoeld in
artikel 27, eerste of achtste lid, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, legt het UWV hem een boete op
van ten hoogste €|2269,00.
-2. De hoogte van de
boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden
waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
27, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering op grond van deze wet of toekennen of
verstrekken van een reïntegratie-instrument, kan het UWV afzien van het
opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde
of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het UWV besluiten van het opleggen
van een boete af te zien.
-5. De persoon aan
wie een boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete
van belang zijn.
-6. Voor zover de
boete nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van de persoon
aan wie zij is opgelegd.
-7. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art.
92.
Voorschriften rond voorgenomen boeteoplegging (10.5)
-1. Indien het UWV
jegens de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een handeling
verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd,
is de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger niet langer
verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor
zover het betreft de boeteoplegging. De verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling
om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het UWV voornemens is om aan de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een boete op te leggen,
wordt hiervan kennisgegeven aan de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger onder vermelding van de gronden waarop het voornemen
berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger die de in het vorige lid bedoelde
kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt het UWV er zoveel mogelijk zorg voor dat de
in die kennisgeving vermelde gronden aan de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger worden medegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht stelt het UWV de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar voren
brengt, draagt het UWV er op verzoek van de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art.
93.
Voorschriften rond boetebeschikking (10.6)
-1. De beschikking waarbij de boete wordt
opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet
worden betaald, alsmede de wijze waarop de beschikking bij gebreke van
tijdige betaling, overeenkomstig artikel 96
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger die de in het eerste lid bedoelde
beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt het UWV er
zoveel mogelijk zorg voor dat de in die beschikking vermelde informatie
aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt medegedeeld
in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Art.
94.
Niet-oplegging van boete (10.7)
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang
de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft
definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen,
dan wel het recht tot strafvordering is vervallen op grond van artikel
74 van het
Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een
omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan
het UWV.
Art.
95.
Termijnstelling van boete (10.8)
-1. Een boete wordt opgelegd binnen één
jaar nadat het UWV de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 92,
vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren
te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van één jaar aan op de dag
na die waarop het openbaar ministerie aan het UWV heeft medegedeeld dat
geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk geval niet
opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging
heeft plaatsgevonden.
Art.
96.
Boetebeschikking executoriale titel (10.9)
-1. De beschikking waarbij een boete is
opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft
mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien de persoon aan wie een boete is
opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet,
wordt de beschikking waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd
door verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien de persoon aan wie een boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Wet
werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of
de
Wet
werk en inkomensvoorziening kunstenaars, betaalt de Sociale
verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente,
het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is
van hem, op zijn verzoek aan het UWV.
-4. Indien de persoon aan wie een boete is
opgelegd geen uitkering als bedoeld in het derde lid ontvangt of meer
ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het
derde lid niet mogelijk is, wordt de beschikking waarbij de boete is
opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend ¹ ten uitvoer
gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging van een
beschikking waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing
van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het
tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van tijdige betaling wordt
de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal beslag op grond
van dit artikel door het UWV op loon, sociale uitkeringen of andere
periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan de
persoon aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b
tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van
het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De
in artikel 479g aan de raad
voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk
toe aan het UWV.
-8. De tenuitvoerlegging van een
beschikking met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger blijft beschikken over
een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c
tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting,
bedoeld in artikel 91, vijfde lid, niet of niet
behoorlijk nakomt.
1. Volgens de redactie
dient na "betekend" te worden ingevoegd: en.
Art.
97.
In kennis
stellen reïntegratiebedrijf van sanctieoplegging (10.10)
Indien het UWV de verzekerde de uitkering
op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem
een boete heeft opgelegd, stelt het UWV het reïntegratiebedrijf dat ten
behoeve van die verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid
verricht, van die beschikking in kennis, voor zover dat noodzakelijk is
voor de uitvoering van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
HOOFDSTUK
11
Invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art.
98.
Samenloop
aanspraken (11.1)
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop een persoon die recht
heeft op een uitkering op grond van deze wet naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken in verband met zijn volledig en duurzame
arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, houdt de
rechter rekening met de aanspraken die hij op grond van deze wet en de
daarop berustende bepalingen heeft.
Art.
99.
Regresrecht
UWV en eigenrisicodrager (11.2)
-1. Het UWV
heeft voor de op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gemaakte kosten verhaal op de persoon die naar burgerlijk recht
verplicht is schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet, doch ten hoogste tot het bedrag
waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet
naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag
gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de
aansprakelijke persoon jegens de persoon die recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat het UWV in plaats van het bedrag van de periodieke
verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vorderen.
-3. De eigenrisicodrager treedt voor de
toepassing van het eerste en het tweede lid in de plaats van het UWV
voor zover hij het risico van de betaling van uitkering op grond van
deze wet draagt.
Art.
100.
Regresrecht
binnen arbeidsverhouding (11.3)
-1. Artikel 99 geldt
ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte
werkgever van de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van
deze wet, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding verplichte verzekerde die in dienstbetrekking staat tot
dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht
een verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de
volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van
die werkgever onderscheidenlijk die verzekerde.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van
de Invorderingswet
1990.
HOOFDSTUK
12
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
§
12.1. Beslistermijnen
Art.
101.
Algemene
beslistermijnen (12.1.1)
-1. Onverminderd artikel 102
worden de beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de
aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van
een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan
een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking
niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
Art.
102.
Bijzondere
beslistermijnen (12.1.2)
-1. Een beschikking
over het verzekerd zijn als bedoeld in artikel 7,
tweede lid, wordt door het UWV gegeven
binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
-2. Een beschikking
over verlenging van het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens
zijn werkgever recht op loon heeft dan wel aanspraak op bezoldiging als
bedoeld in artikel 24 wordt gegeven binnen twee
weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking, bedoeld in de
eerste zin, niet binnen twee weken kan worden gegeven, wordt de
aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van
een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
-3. Een beschikking
over het ontstaan, later ontstaan of herleven van het recht op een
uitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7
en een beschikking over een verkorting van de wachttijd als bedoeld in artikel 66,
eerste lid, wordt gegeven binnen tien weken na ontvangst van de
aanvraag.
-4. Indien in
verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste of
derde lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten
Nederland en om die reden de beschikking niet binnen dertien
respectievelijk tien weken gegeven kan worden, wordt die termijn
verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze
verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
-5. Indien in
verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het derde lid
advies is gevraagd aan een deskundige die niet onder
verantwoordelijkheid van het UWV werkzaam is en om die reden de
beschikking niet binnen tien weken gegeven kan worden, wordt die termijn
verlengd met ten hoogste vier weken en wordt de aanvrager van die
verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
-6. Indien een
beschikking als bedoeld in het eerste lid niet binnen dertien weken of
de beschikking, bedoeld in het derde lid, niet binnen tien weken kan
worden gegeven om andere dan de in het vierde respectievelijk vierde of
vijfde lid bedoelde redenen, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
§
12.2. Bijzondere bepalingen in verband met medische beschikkingen
Art.
103.
Definitiebepalingen (12.2.1)
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. medische beschikking: een
beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag
ligt;
b. werknemer: de persoon op wiens
medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;
c. de werkgever: de belanghebbende
bij een medische beschikking die niet de werknemer is.
Art.
104.
Toestemming werknemer voor inzage medische stukken door werkgever (12.2.2)
-1. Stukken die medische gegevens
bevatten, worden door het UWV niet aan de
werkgever ter inzage of ter kennisname gegeven of toegezonden, tenzij de
werknemer hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
-2. De toestemming kan te allen tijde
schriftelijk worden ingetrokken.
-3. Tijdens het horen in bezwaar kan de
toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
Art.
105.
Inzage
door gemachtigde van werkgever indien door de werknemer geen
toestemming is gegeven (12.2.3)
-1. Indien door de werknemer geen
toestemming is gegeven als bedoeld in artikel
104, is de inzage in dan wel kennisname of toezending van stukken die
medische gegevens bevatten, voorbehouden aan een gemachtigde van de
werkgever die advocaat of arts is dan wel daarvoor van het UWV
bijzondere toestemming heeft gekregen.
-2. De gemachtigde, bedoeld in het eerste
lid, treedt in de plaats van de werkgever bij:
a. de voorbereiding van een
medische beschikking;
b. het opstellen van een bezwaar-
of beroepschrift; en
c. de behandeling van een bezwaar;
voor zover betrekking hebbend op medische gegevens.
-3. Artikel 7:4,
tweede, vierde en zesde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op stukken of inlichtingen die
medische gegevens bevatten.
Art.
106.
Motivering
medische beschikking (12.2.4)
-1. Het UWV
vermeldt de motivering van een medische beschikking, voor zover
betrekking hebbend op medische gegevens, op een aparte bijlage.
-2. Indien door de werknemer geen
toestemming is gegeven als bedoeld in artikel
104, wordt de bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de
werkgever verstrekt.
-3. De bijlage wordt verstrekt aan de
gemachtigde van de werkgever, bedoeld in artikel
105.
-4. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van een arts of
een psycholoog waarnaar bij de motivering van een medische beschikking
wordt verwezen.
Art.
107.
Bekendmaking medische beschikking (12.2.5)
Bij de bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 104,
105, 106 en 108.
Art.
108.
Gronden
bezwaar en beroep in bijlage (12.2.6)
De gronden van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5,
eerste lid, onderdeel d, van de
Algemene wet
bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld voor zover ze
betrekking hebben op medische gegevens.
Art.
109.
Onderzoek
ter zitting met gesloten deuren (12.2.7)
-1. Indien artikel
8:32, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is toegepast, vindt in afwijking van artikel 8:62,
eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking
hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats, tenzij de rechtbank
ambtshalve of op verzoek van één van de partijen bepaalt dat het
onderzoek openbaar is.
-2. In de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56
van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt mededeling gedaan van het eerste lid.
Art.
110.
Voorlopige
voorziening en hoger beroep (12.2.8)
Artikel 109 is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling
van het hoger beroep en bij de behandeling van een verzoek om een
voorlopige voorziening.
§
12.3. Beslistermijnen in bezwaar
Art.
111.
Beslistermijn in bezwaar (12.3.1)
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid,
van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het UWV
binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art.
112.
Bijzondere
beslistermijn in bezwaar (12.3.2)
Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een
verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling ten grondslag
ligt, beslist het UWV, in afwijking van artikel 7:10,
eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt
aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is,
binnen 21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
[Art.
113. Gereserveerd, red.]
§
12.4. Overige bepalingen in verband met de Algemene wet
bestuursrecht en de rechtsgang
Art.
114.
Beperking
begrip belanghebbende (12.4.1)
In afwijking van artikel
1:2 van de Algemene wet
bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een
beschikking van het UWV
over het verzekerd zijn op grond van deze wet.
Art.
115.
Beperking
bezwaar- en beroepsgronden werkgever (12.4.2)
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 83
bedoelde betaling dan wel tegen de in artikel 37,
tweede of derde lid, van de
Wet financiering
sociale verzekeringen bedoelde opslag of korting kan niet zijn
gegrond op de grief dat een uitkering op grond van deze wet ten onrechte
of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
116.
Beroep in
cassatie (12.4.3)
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep
kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van
schending of verkeerde toepassing van artikel
2, tweede tot en met zesde lid, en 8 en 9
en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing,
waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
Art.
117.
Wijzigingen in uitkering na bezwaar of beroep door werkgever (12.4.4)
-1. Intrekking van het recht op een
uitkering op grond van deze wet of verlaging van de hoogte ervan die
voortvloeien uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep
vinden niet eerder plaats dan zes weken na de dag waarop de beslissing
op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is
van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar
of beroep omdat het UWV geheel of
gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de
werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de
uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
118.
Afwijking artikel 8:69 Awb (12.4.5)
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag
waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art.
119. Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht
(12.4.6)
Titel 4.2 van de Algemene
wet bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken op grond van artikel
35.
HOOFDSTUK
13
Overgangsrecht
Gereserveerd
HOOFDSTUK
14
Strafbepalingen
Art.
134.
Strafbepaling overtreding wetsartikel (14.1)
De werkgever die niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 35,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete
van de tweede categorie.
Art.
135.
Verval van
recht tot strafvordering (14.2)
Het recht tot strafvordering vervalt indien het UWV
aan de betrokkene ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft
opgelegd.
Art.
136.
Overtredingen (14.3)
Het in artikel 134 bedoelde strafbare feit is een
overtreding.
HOOFDSTUK
15
Slotbepalingen
Art.
137.
Vervallen
particuliere verzekering (15.1)
-1. Een overeenkomst met betrekking tot de
verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, waaronder mede wordt verstaan gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid, gesloten door de persoon die verplicht verzekerd
wordt, vervalt met ingang van de dag waarop de verzekeraar van de
verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor
zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend gelijkwaardig
aan die welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering
voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag
waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de
overeenkomst met ingang van die dag.
-2. De premie die de persoon wiens
verzekering op grond van het eerste lid geheel of gedeeltelijk is
vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naargelang
van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek
van ten hoogste 25% van het terug te betalen bedrag voor
administratiekosten.
Art.
138.
Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet (15.2)
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen gesteld in de artikelen
10, eerste lid, 23, derde en vijfde lid, 49,
tweede lid,
60, tweede en derde lid, 61, zevende
lid, en 74.
Art.
139.
Evaluatiebepaling (15.3)
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
140.
Nummering
Vóór de plaatsing in het
Staatsblad stelt Onze Minister de
nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet
opnieuw vast waarbij rekening wordt gehouden met de artikelen die in het
bij koninklijke boodschap van 17 mei 2005 ingediende voorstel van wet
houdende regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van
de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 118, nr. 2) worden ingevoegd en brengt hij
de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen en
hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Art.
141.
Inwerkingtreding (15.5)
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Ingevolge artikel
1, eerste lid, van het Besluit van 2 december
2005, Stb. 2005, 619, is het tijdstip van inwerkingtreding
bepaald op 29 december 2005, met uitzondering van de artikelen
25, derde lid, 64, 65 en 66,
die in werking treden op 9 december 2005, red.
Art.
142.
Citeertitel (15.6)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
10 november 2005
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de tweeëntwintigste
november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|