|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 238
Wijziging
van een aantal socialeverzekeringswetten en
enige andere wetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2006)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
"Klein beleid" |
| A |
Grensoverschrijdende
reïntegratie met behoud van WW-uitkering |
| B |
AKW |
| 3 |
Financiële gevolgen
en administratieve lasten |
| 4 |
Gevolgen voor de
rechterlijke macht |
| 5 |
Commentaar op toetsen |
|
xArtikelsgewijs |
| II.1 |
Inleiding |
| II.2 |
Wijziging van
delegatiebepalingen in verschillende wetten |
| II.3 |
Wijziging van
verschillende wetten in verband met de intrekking van artikel 9
van de CSV |
| II.4 |
Wijziging van het
eerste lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW in verband met
de vervanging van loonopgavetijdvak door aangiftetijdvak |
| II.5 |
Wijziging van het
tweede lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW met
betrekking tot de herziening van het dagloon |
| II.6 |
Vervanging van
bedragen door rekenregels |
| II.7r |
Overige
artikelsgewijze toelichtingen, artikelen I t/m XLVI |
Algemeen
1.
Inleiding
In
dit wetsvoorstel (Verzamelwet sociale verzekeringen 2006) worden in diverse
socialeverzekeringswetten verbeteringen aangebracht. Een groot deel van de wijzigingen
houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale
verzekeringen (Wfsv) en de intrekking van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) met ingang van 1 januari 2006. Er wordt voorts al
rekening gehouden met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet in
die gevallen waarin in het voorstel van Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet (Kamerstukken 30 124) met de
wijzigingen in dit wetsvoorstel geen rekening kon worden gehouden.
Voorts bevat
het
wetsvoorstel onder meer taalkundige verbeteringen en correcties van onjuiste
verwijzingen. Ook wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat artikelleden of
onderdelen daarvan vervallen omdat deze overbodig bleken te zijn. Deze
voorgestelde technische wijzigingen worden nader toegelicht in de
artikelsgewijze toelichting van deze memorie.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om een aantal aanpassingen van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet
SUWI) voor te stellen met het
oog op vereenvoudiging en deregulering. Voorstellen met aanmerkelijke
betekenis voor de systematiek van uitvoering of verantwoording worden
niet gedaan in afwachting van de komende integrale evaluatie van de Wet SUWI.
Het wetsvoorstel voorziet
tevens in een eenvoudigere procedure voor de teruggaaf van te veel
betaalde premies voor de werknemersverzekeringen en te veel betaalde
inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Als een werknemer
meerdere dienstbetrekkingen heeft (bijvoorbeeld twee parttimebanen), kan het voorkomen dat er in een kalenderjaar in totaal
meer premie of bijdrage is betaald dan het premiemaximum of het bijdragemaximum.
Tot nog toe kon het te veel betaalde rblz.|2|
alleen op verzoek worden teruggekregen. Dit wetsvoorstel regelt dat de
inspecteur het te veel
betaalde ambtshalve gaat vaststellen.
Volledigheidshalve wordt
erop gewezen dat een toelichting in beginsel achterwege blijft bij
(onderdelen van) artikelen die strekken tot correctie van onjuiste
verwijzingen, onjuiste benaming en of fouten in de schrijfwijze of interpuncties in
artikelen van wetten.
Naast genoemde technische
wijzigingen worden ook enkele beleidsinhoudelijke voorstellen gedaan, die
hierna kort worden toegelicht. Deze wijzigingen zijn te
kenschetsen als "klein beleid" nu het hier niet om majeure
beleidswijzigingen gaat. Om redenen van "wetgevingseconomie" heeft de regering
besloten deze beleidswijzigingen en de voorgestelde technische
wijzigingen in één wetsvoorstel aan het parlement aan te bieden.
Het advies van de
Raad
van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend
opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel
b,
van de Wet op
de Raad van State).
2.
"Klein beleid"
Het wetsvoorstel bevat de
volgende "klein-beleidonderwerpen".
A.
Grensoverschrijdende reïntegratie met behoud van WW-uitkering
Op grond van artikel
19,
eerste lid, onderdeel f, van de Werkloosheidswet (hierna: WW) is het de uitkeringsgerechtigde niet toegestaan om buiten
Nederland te wonen of
verblijf te houden anders dan wegens vakantie. Door deze bepaling is het
niet mogelijk voor mensen met een WW-uitkering om bijvoorbeeld een reïntegratietraject of opleiding in het
buitenland te volgen met
behoud van die uitkering.
Op dit punt is er een
verschil met de WAO, aangezien de WAO geen bepaling kent op grond waarvan het
niet is toegestaan in het buitenland verblijf te houden. Op
grond van Europese wetgeving, Verordening (EEG) 1408/71, is het wel reeds
mogelijk om in het buitenland met behoud van WW-uitkering naar werk te
zoeken (= solliciteren) gedurende een periode van drie maanden. Het
volgen van scholing en reïntegratie valt echter niet onder de reikwijdte van
de verordening.
Signalen vanuit
Eures ¹ [European Employment Services, red.] en
de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) geven aan dat de huidige
wet- en regelgeving tot ongewenste situaties leidt. Dit is
bijvoorbeeld het geval wanneer mensen die in de grensstreek wonen een baan in het
buitenland aangeboden krijgen waarvoor ze eerst een korte bedrijfsopleiding moeten volgen. Op dit moment zouden ze hun
recht op WW kwijtraken
aangezien het niet toegestaan is om in het buitenland te verblijven
om een reïntegratietraject te volgen met behoud van hun WW-uitkering.
Voor deze mensen zou het een oplossing zijn om met behoud van hun
WW-uitkering gedurende een bepaalde periode in het buitenland te mogen
reïntegreren.
1. Eures Maas-Rijn is een
samenwerkingsverband waarin onder andere de volgende
partijen zitting hebben: de Belgische en Nederlandse
werknemersorganisaties, UWV, RVA, Bureau voor Belgische Zaken,
belastingdiensten en arbeidsvoorzieningsdiensten (CWI, VDAB en
FOREM).
Daarnaast zijn de
arbeidsmarkt en het bijbehorende beleid steeds meer gericht op de Europese
Unie. Het is gemakkelijker geworden voor werknemers binnen de EU om in een
ander land te gaan werken. In deze context zou het dan ook
vanzelfsprekend moeten zijn dat het mogelijk is voor een WW-gerechtigde in het
kader van het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie zijn
reïntegratieactiviteiten - indien noodzakelijk - in het buitenland te
verrichten.
rblz.|3|
Door onderhavige
wijziging van artikel 19 van de WW
wordt het mogelijk gemaakt in het buitenland
met behoud van een WW-uitkering een reïntegratietraject te
volgen. Onder reïntegratietraject wordt ook noodzakelijke opleiding of scholing
verstaan. Het UWV kan in dergelijke situaties afwijken van het vereiste om in Nederland verblijf te houden. Om
misbruik te voorkomen,
wordt een aantal voorwaarden gesteld aan het verblijf en het
reïntegratietraject dat in het buitenland gevolgd zou kunnen worden.
Reïntegratie met behoud
van uitkering wordt mogelijk gemaakt voor alle werklozen met een
Nederlandse WW-uitkering binnen de EU/EER/Zwitserland
¹ voor een
periode van maximaal zes maanden. Er zal sprake moeten zijn van
activiteiten die blijkens een intentieverklaring van een mogelijk toekomstig
werkgever een reëel uitzicht bieden op een aansluitende dienstbetrekking voor ten
minste zes maanden.
1. Hieronder vallen dan de
volgende landen: België, Cyprus,
Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Hongarije,
Ierland, IJsland, Italië, Liechtenstein, Letland,
Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland,
Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal,
Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Zweden en
Zwitserland.
Het
bedrag dat het
UWV maximaal is verschuldigd ter zake van
de reïntegratieactiviteiten mag niet hoger zijn dan het op grond van artikel
4.2, derde lid, van het Besluit SUWI
door het UWV in het Besluit
beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst [zie Besluit
beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst 2005, red.]
vastgestelde bedrag met betrekking tot de individuele reïntegratie
overeenkomst (IRO). Dit maximumbedrag is, evenals met betrekking tot de
IRO, een bedrag inclusief reis- en verblijfskosten. De kosten van een
reïntegratietraject zouden meer kunnen bedragen dan het betreffende
maximumbedrag (€|5000,-). Het eventuele
meerdere komt dan voor rekening van de (toekomstige) werkgever.
B.
AKW
Naar aanleiding van een
verzoek van de Sociale verzekeringsbank (SVB) wordt in
dit wetsvoorstel
geregeld dat recht op kinderbijslag bestaat voor een kind van 16 of 17
jaar dat als rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebreken niet in staat is om 55% te verdienen van hetgeen een lichamelijk
en geestelijk gezond kind dat overigens in gelijke omstandigheden verkeert,
kan verdienen. Voorwaarde daarbij is dat het kind daartoe gedurende
een periode van zes maanden niet in staat is geweest of naar verwachting zal zijn.
In de
Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) is geregeld dat recht op kinderbijslag bestaat voor een kind van
16 of 17 jaar dat arbeidsongeschikt is, indien die
arbeidsongeschiktheid één jaar heeft bestaan, dan wel indien die arbeidsongeschiktheid
vermoedelijk één jaar zal bestaan. Verder bestaat recht op
kinderbijslag voor een studerend kind van die leeftijd. Als de studie wegens
ziekte/arbeidsongeschiktheid is onderbroken, bestaat tijdens die
studieonderbreking ook recht op kinderbijslag, mits die onderbreking niet langer dan zes
maanden duurt. Duurt de studieonderbreking wegens
ziekte/arbeidsongeschiktheid langer dan zes maanden, maar is het kind nog niet één
jaar ziek/arbeidsongeschikt (en zal dat ook niet vermoedelijk één jaar
zijn), dan bestaat over de twee tussenliggende kwartalen geen recht op
kinderbijslag. De SVB heeft in verband hiermee verzocht de AKW te
wijzigen in die zin dat in het vervolg voor een kind als hier bedoeld wel recht op
kinderbijslag bestaat.
3.
Financiële gevolgen en administratieve lasten
In dit wetsvoorstel wordt
een groot aantal technische punten geregeld. De regelingen van deze verschillende punten hebben geen invloed op de
uitvoeringskosten.
De wijzigingen met
betrekking tot de Wfsv en de Wet
op de loonbelasting 1964 hebben geen gevolgen
voor de uitkeringslasten. De wetswijziging rblz.|4|
van de AKW zal slechts in
een zeer beperkt aantal gevallen tot recht op kinderbijslag
leiden.
Deze extra uitkeringslasten zullen dan ook te verwaarlozen zijn. Evenmin zal deze
wetswijziging extra uitvoeringskosten met zich meebrengen.
Een deel van de
voorstellen voor vereenvoudiging en deregulering van de Wet
SUWI biedt
perspectief voor vermindering van administratieve lasten bij de
uitvoeringsorganisaties. Voorgesteld wordt te voorzien in de mogelijkheid
om de
uitvoeringsorganisaties te ontheffen van de verplichting een kwartaalverslag over
het vierde kwartaal op te stellen. Het voornemen bestaat bij ministeriële
regeling van deze mogelijkheid gebruik te maken.
De wijziging in de
WW met
betrekking tot grensoverschrijdende reïntegratie en scholing met behoud
van uitkering zal kostenneutraal zijn. De voorgestelde wijziging is
slechts van toepassing op een kleine groep WW-gerechtigden die, met
zicht op een dienstverband, een (reïntegratie)traject in het buitenland
volgen. Vermoedelijk zullen de trajecten zich vooral richten op
werknemers die gaan werken in België of Duitsland. In 2004 werkten circa 15 000
personen woonachtig in Nederland in België of Duitsland. Het aantal WW-gerechtigden dat zich, na een traject in het
buitenland, bij deze
grensarbeiders zal voegen, is naar verwachting gering. Deze personen komen
zonder dit wetsvoorstel ook in aanmerking voor een reïntegratietraject,
maar dan binnen Nederland. Dit voorstel leidt dus niet tot extra trajecten.
Eén en ander zal dus ook niet leiden tot een mutatie in de
administratieve lasten van uitvoeringsinstanties of bedrijven.
De
invoering van de ambtshalve teruggaaf of verrekening van te veel
betaalde premies voor de werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zorgverzekeringswet
leidt tot inkomstenderving. Van de mogelijkheid om op verzoek te veel
betaalde premies terug te krijgen, werd tot dusver weinig gebruik
gemaakt. Hierdoor werd in de praktijk te veel premie betaald. Door de
invoering van de ambtshalve teruggaaf krijgt iedereen de te veel
betaalde premies en inkomensafhankelijke bijdragen automatisch terug. De
invoering van de ambtshalve teruggaaf leidt naar schatting tot een
premiederving werknemersverzekeringen in de orde van grootte van €|90
tot 100 miljoen. Er zal ook €|175 miljoen
minder aan inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet
worden geheven. Het effect op de inkomensafhankelijke bijdrage voor de
Zorgverzekeringswet is groter doordat het bijdragemaximum lager is dan
het premiemaximum. De effecten zijn verwerkt in de ramingen van de
premie-inkomsten en het EMU-saldo [EMU: Economische en Monetaire Unie, red.].
Het wetsvoorstel heeft
geen gevolgen voor de administratieve lasten van bedrijven en nauwelijks
voor de administratieve lasten van burgers. Door dit wetsvoorstel vervalt
alleen de verplichting voor werknemers om informatie te leveren over te veel
betaalde premie die moet worden verrekend met het UWV. Slechts
weinig burgers maakten gebruik van deze mogelijkheid.
4.
Gevolgen voor de rechterlijke macht
Dit wetsvoorstel heeft
geen gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht. De regeling van de
technische punten levert verbetering van de wetgeving op. De
wijziging van de AKW is begunstigend voor belanghebbenden en zal derhalve niet tot
geschillen leiden.
rblz.|5|
5.
Commentaar op toetsen
Dit wetsvoorstel is door
de minister en de staatssecretaris aan de toetsende instanties voorgelegd.
Door de CWI, het UWV, de
SVB, de
IWI [Inspectie Werk en Inkomen, red.], de RWI
[Raad voor werk en inkomen, red.] en de
Stichting
Inlichtingenbureau zijn toetsen uitgebracht.
CWI
De
CWI heeft geen
opmerkingen bij het wetsvoorstel.
UWV
Naar het oordeel van het
UWV zijn de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar.
Het UWV kan zich met de voorgestelde wijzigingen verenigen. De door het
UWV voorgestelde (wets)technische wijzigingen zijn in het wetsvoorstel verwerkt.
SVB
De
SVB heeft
kennisgenomen van het besluit de kwartaalrapportages niet te vervangen door
viermaandrapportages en het betrekken van deze vereenvoudigingsoptie bij
de Evaluatie SUWI 2006. De SVB voorziet slechts marginale
gevolgen voor de uitvoeringskosten en de uitkeringslasten als gevolg van de
wijziging van de AKW. Deze wijziging komt overeen met het voorstel
van de SVB. De overige wijzigingen op het terrein van de SVB hebben
naar het oordeel van de SVB geen gevolgen voor de uitvoeringskosten
of uitvoeringslasten.
IWI
De
IWI heeft het
wetsvoorstel beoordeeld op de mogelijkheden van het houden van toezicht op de
rechtmatigheid en de doelmatigheid. Het wetsvoorstel geeft de IWI geen
aanleiding tot inhoudelijke op- en/of aanmerkingen. De technische opmerkingen
van de IWI zijn in overwegende mate overgenomen.
RWI
De
RWI gaat akkoord met
de voorstellen, voor zover betrekking hebbend op de RWI. Wel geeft de
RWI aan van oordeel te zijn dat het achterwege blijven van het vierde
kwartaalverslag niet alleen voor de CWI, de SVB
en het UWV, maar ook voor de
RWI zou moeten gelden. Dit is in het wetsvoorstel nu ook zo tot uitdrukking
gebracht.
Inlichtingenbureau
De toets van de
Stichting
Inlichtingenbureau heeft geen aanleiding gegeven tot wijzigingen
in het wetsvoorstel.
Actal
Het wetsvoorstel heeft
geen gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en
marginale gevolgen voor burgers. Gegeven de selectiecriteria van Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] heeft dit
college het wetsvoorstel niet geselecteerd voor een toets op de
gevolgen voor de administratieve lasten.
rblz.|6|
Artikelsgewijs
II.1.
Inleiding
In het hiernavolgende
worden per materiewet de gewijzigde artikelen nader toegelicht. In een
aantal gevallen wordt een aantal materiewetten op eenzelfde wijze
gewijzigd. De toelichting daarop staat vermeld in de paragrafen
II.2, II.3, II.4, II.5 en
II.6.
Volledigheidshalve wordt
erop gewezen dat een toelichting in beginsel achterwege blijft bij die
onderdelen van artikelen tot wijziging van de verschillende
materiewetten die strekken tot correctie van onjuiste verwijzingen, onjuiste benamingen of
fouten in de schrijfwijze of interpuncties in artikelen van die
wetten.
II.2.
Wijziging van delegatiebepalingen in verschillende wetten
Omdat de mogelijkheid van
subdelegatie in de artikelen van de volgende wetten overbodig is,
wordt in die artikelen de zinsnede "bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur" vervangen door "bij algemene maatregel van bestuur.
Voorts is er sprake van
wetstechnische omissies in een aantal van onderstaande wetten. Het herstellen
van deze omissies zal geen verandering teweegbrengen in de
huidige uitvoeringspraktijk.
De oorzaak van deze
omissies is dat de Veegwet SZW 1998 (hierna: Veegwet) abusievelijk
eerder in werking is getreden dan de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen (hierna: IOsv 1997).
In de
IOsv 1997 werden leden van artikelen van een aantal van onderstaande wetten
vervangen en in de Veegwet werden leden van diezelfde artikelen
vernummerd.
Doordat de Veegwet eerder
in werking is getreden dan de IOsv
1997, zijn niet de juiste
leden van de artikelen vervangen. Dit had twee omissies tot gevolg.
Ten eerste zijn hierdoor
leden vervangen die niet vervangen dienden te worden. En ten tweede
bevatten de artikelen nu nog steeds leden die wel al vervangen hadden
moeten worden.
Met deze wijziging worden
de bedoelde omissies gecorrigeerd. Het betreft de volgende artikelen:
Artikel I
Algemene Kinderbijslagwet
(AKW)
Artikel 17a
Artikel II
Algemene nabestaandenwet (Anw)
Artikel 39
Artikel III
Algemene Ouderdomswet
(AOW)
Artikel 17c
Artikel XI
Toeslagenwet (TW)
Artikel 14a
Artikel XII
rblz.|7|
Werkloosheidswet (WW)
Artikel 27a
Artikel XVIII
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
Artikel 48
Artikel XIX
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Artikel 40
Artikel XXXI
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
De artikelen 29a en 65
Artikel XXXIV
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea)
Artikel 46
Artikel XLV
Ziektewet (ZW)
Artikel 45a
II.3.
Wijziging van verschillende wetten in verband met de intrekking van
artikel 9 van de CSV
Met de inwerkingtreding
van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen
(IWfsv)
wordt de CSV ingetrokken. Het equivalent van artikel 9 van de
CSV wordt
dan opgenomen in artikel 17 van de Wfsv. In
artikel 17 van de Wfsv
wordt de loondagensystematiek vervangen door een systematiek van
loontijdvakken. Het loontijdvak is het tijdvak waarover de werknemer loon geniet.
Dit loontijdvak kan bijvoorbeeld één dag zijn, maar ook vier weken
of één maand.
Omdat
artikel 17 van de Wfsv
uitgaat van een systematiek van loontijdvakken, moet geregeld worden dat
het in de gevallen waarin nu nog wordt gesproken over maximumdagloon, loontijdvakken betreft van
één dag. Daarom wordt in de
onderstaande artikelen toegevoegd "met betrekking tot een loontijdvak van
één dag". Voorts is de verwijzing naar artikel 17
Wfsv in plaats van de
verwijzing naar artikel 9 CSV
in een aantal materiewetten nog niet
meegenomen in de IWfsv. Dit verzuim wordt tevens hersteld.
Het betreft de volgende
artikelen:
Artikel VI
Burgerlijk Wetboek
(BW)
Artikel 629, eerste lid,
van Boek 7
Artikel XV
Wet van 3 april 1985,
houdende overgangsmaatregel met betrekking tot loonbetalingen tijdens
ziekte en aanvullingen op de wettelijke ziekengelduitkering (Stb.
1985, 215)
Artikel 2, eerste lid,
onderdeel a,
Artikel XII
Werkloosheidswet (WW)
Artikel 45
Artikel XVII
rblz.|8|
Wet arbeid en zorg (Wazo)
Artikel 5:6, eerste lid
Artikel XXIX
Wet
medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
De artikelen 1 en 2
Artikel XXXI
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Artikel 84
Artikel XXXIV
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea)
Artikel 28
Artikel XXXV
Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen
De artikelen 5, vierde
lid, 14, derde lid, 24, vierde lid, en
33, elfde lid
Artikel XXXVI
Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds
Artikel 10, tweede lid
Artikel XXXVII
Wet
rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders
Artikel 5, eerste lid
Artikel XXXIX
Wet van 1 mei 1987,
houdende verhoging van een aantal daglonen ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
Werkloosheidsvoorziening en de Werkloosheidswet voor bepaalde categorieën werknemers
(Stb. 1987, 242)
Artikel 3
Artikel
XL
Wet terugdringing
ziekteverzuim
Artikel XV
Artikel XLV
Ziektewet (ZW)
De artikelen 15, eerste
lid, en 68, eerste lid, onderdeel a
II.4.
Wijziging van het eerste lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW in
verband met de vervanging van loonopgavetijdvak door aangiftetijdvak
In het eerste lid van de
artikelen 45 van de WW,
14 van de WAO en 15 van de
ZW (zie de artikelen
XII, XXXI en XLV van
deze wet) wordt met de inwerkingtreding van de
Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten (Walvis) per 1 januari 2006 gesproken over
loonopgavetijdvakken. Per die datum zal evenwel ook de Wfsv
in werking treden,
op grond waarvan een aangiftesystematiek zal worden toegepast. Deze
aangifte zal niet uitsluitend zien op het loon, maar ook op andere
gegevens. In verband hiermee wordt in bovengenoemde materiewetten "loonopgavetijdvak"
vervangen door "aangiftetijdvak".
rblz.|9|
II.5.
Wijziging van het tweede lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW met
betrekking tot de herziening van het dagloon
In het tweede lid van de
artikelen 45 WW, 14
WAO en 15 ZW
(zie de artikelen XII, XXXI en
XLV van deze wet) zoals deze komen te luiden indien de Walvis in werking treedt,
wordt verwezen naar de vaststelling en herziening van het dagloon in het
eerste lid van die artikelen. In dat eerste lid wordt evenwel niet gesproken over een herziening. Het tweede lid van die
artikelen moet daarom
komen te luiden: "Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten
aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste
lid, en herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld".
II.6.
Vervanging van bedragen door rekenregels
In de Wet van 23 december
2004 tot wijziging van enkele sociale verzekeringswetten en enige andere
wetten in
verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen (Stb.
2004, 728) (Vereenvoudigingswet SV) zijn de artikelen 9 en 29 van de
AOW in die zin gewijzigd, dat de bedragen van de bruto-AOW-uitkeringen en
vakantie-uitkeringen niet meer in de wet zijn opgenomen en deze
artikelen zich beperken tot de rekenregels. Er wordt in de Huursubsidiewet, de
Wet
bevordering eigenwoningbezit en de drie buitengewone
pensioenwetten voor verzetsdeelnemers en zeeliedenoorlogsslachtoffers en twee
uitkeringswetten
voor vervolgings- en burgeroorlogsslachtoffers uit de Tweede
Wereldoorlog nog verwezen naar de bedragen en vervallen
artikelleden (artikel 9, tiende lid, van de AOW heeft een andere inhoud gekregen). Bij de wijziging van artikel 17 van de
Wet op de
huurtoeslag (de
voormalige Huursubsidiewet) is rekening gehouden met de wijziging van dit
artikel in de Aanpassingswet
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen met ingang van
1 september 2005. Tevens worden in de
uitkeringswetten voor slachtoffers en in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
verwijzingen opgenomen naar de Wfsv in verband met de
overheveling van de bepalingen over de premies naar de Wfsv. Een materiële
wijziging wordt hier niet beoogd. Het betreft de volgende artikelen:
Artikel VIII
Wet op de
huurtoeslag
Artikel 17, eerste lid, onderdeel c en d
Artikel XX
Wet
bevordering eigenwoningbezit
De artikelen 11, eerste
lid, onderdeel b, onder 3º en 4º, en 28, onderdeel c en d
Artikel XXI
Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet
De artikelen 16, derde
lid, 35b, onderdeel b, en 43, derde lid
Artikel XXII
Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers
De artikelen 11, vijfde
lid, 28f, onderdeel b, en 32, derde lid
Artikel XXIII
Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945
De artikelen 11, vijfde
lid, 28f, onderdeel b, en 32, derde lid [De artikelen 12,
vijfde lid, 31f, onderdeel b, en 36, derde lid, red.]
Artikel XXVI
rblz.|10|
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Artikel 10, eerste en
tweede lid
Artikel XXVII
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Artikel 10, eerste en
tweede lid
Artikel XLII
Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
De artikelen 23, eerste
lid, 26, eerste en derde lid, en 28, zesde lid
Artikel XLIII
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
De artikelen 17, eerste
lid, 19, eerste en achtste lid, en 19a, eerste lid
II.7.
Overige artikelsgewijze toelichtingen
Artikel
I. Wijziging van
Algemene Kinderbijslagwet
Onderdeel A
(artikel 7, tweede lid)
Recht op
kinderbijslag bestaat voor kinderen van 16 of 17 jaar die schoolgaand, arbeidsongeschikt of
werkloos zijn. Om als arbeidsongeschikt te worden aangemerkt, moet
worden vastgesteld dat het kind als gevolg van ziekte of gebreken niet
in staat is om 55% te verdienen van hetgeen een lichamelijk en geestelijk
gezond kind in overigens gelijke omstandigheden kan verdienen. De
arbeidsongeschiktheid moet één jaar hebben bestaan, dan wel zal vermoedelijk
één jaar bestaan.
Volgens vaste
jurisprudentie doet een tijdelijke onderbreking van de studie als gevolg van
vakantie of studieovergang het recht op kinderbijslag niet verloren gaan, mits
de onderbreking niet te lang duurt. Met een dergelijke onderbreking
kan een periode van ziekte worden gelijkgesteld. Volgens SVB-beleid kan
een dergelijke onderbreking minder dan zes maanden duren, zonder dat
het recht op kinderbijslag verloren gaat. De beroepsrechter acht het
hanteren van een termijn van zes maanden verenigbaar met een juiste wetsuitleg. Een termijn van
één jaar acht de
beroepsrechter te lang om
van een tijdelijke onderbreking van de studie te kunnen spreken.
Voorts is in artikel 7,
zevende lid, bepaald dat indien een werkloos kind tengevolge van ziekte
niet beschikbaar is voor arbeid als werkloos wordt aangemerkt voor zolang de
ziekte voortduurt voor een periode van ten hoogste zes maanden.
Indien een kind in deze
situatie langer dan zes maanden, maar korter dan één jaar
arbeidsongeschikt is en indien ook niet vastgesteld kan worden dat de
arbeidsongeschiktheid vermoedelijk één jaar zal bestaan, zal voor dat kind over twee
kwartalen geen recht op kinderbijslag bestaan.
Daarmee sluit de regeling
in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, niet aan bij de genoemde
jurisprudentie en de bepaling in het zevende lid. Het tweede lid, onderdeel
b, is nu
zo aangepast dat voor deze kinderen wel recht op kinderbijslag kan
bestaan.
De wijziging betekent
dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AKW
op de gebruikelijke wijze zal plaatsvinden, met dien verstande dat in deze
gevallen arbeidsongeschiktheid reeds na zes maanden wordt
vastgesteld.
rblz.|11|
Artikel
III. Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet
Onderdelen C en
D
(artikelen 37 en 39, tweede lid)
Met de wijziging
van artikel
37 van de AOW met de inwerkingtreding van de
Vereenvoudigingswet SV is
het tweede lid van dat artikel komen te vervallen. Verzuimd is de
aanduiding "-1." in
artikel 37 te schrappen en de verwijzing naar het tweede lid in
artikel 39, tweede lid, aan te passen. Dit wordt in
dit wetsvoorstel alsnog
gedaan.
Artikel IV.
Wijziging van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
In de artikelen
65c,
tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en
83c, tweede lid,
van de Ziekenfondswet (Zfw) wordt verwezen naar artikel 16a
van de CSV. Met de inwerkingtreding van de IWfsv
vervalt die wet.
Omdat de medewerkgever, bedoeld in artikel 16a
van de CSV, dezelfde is als
de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet
1990,
wordt de verwijzing overeenkomstig aangepast.
Artikel
V.
Wijziging van
de Beroepswet
Aangezien de
CSV wordt
ingetrokken met de inwerkingtreding van de IWfsv, kan de vermelding
van de CSV in bijlage C bij de Beroepswet vervallen.
Artikel
VII.
Wijziging
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
De nieuwe formulering van
artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de CSV
stemt overeen met hetgeen
voorheen al was geregeld in die wet. Dergelijke aanspraken waren namelijk
vrijgesteld op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van
die wet. In dat artikel werden aanspraken vrijgesteld die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge
socialeverzekeringswetten. De wijziging van artikel 4 van de
CSV (die immers met de inwerkingtreding van de IWfsv vervalt) is noodzakelijk aangezien deze bepaling
terugwerkt
tot 1 januari 2005.
Artikel
IX.
Wijziging van de Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen
Onderdeel A
(artikel 5, onderdeel D)
Artikel 5, onderdeel D,
van de IWfsv voegt aan artikel 30,
eerste lid, van de
Wet SUWI een onderdeel
n
toe op basis waarvan het UWV tot taak heeft
"het verrichten van diensten in opdracht van de SVB
en de CWI
in verband met de uitvoering van aan die bestuursorganen bij of
krachtens deze wet of enige andere wet opgedragen taken". Bij nader
inzien blijkt de nieuwe bepaling, die per 1 januari 2006 in werking zou
treden, geen meerwaarde te hebben en kan dus vervallen. Onderlinge
dienstverlening van
SUWI-ketenpartners past binnen de geldende kaders. Afhankelijk van
de context en vormgeving kan voor de "opdrachtgevende" partij,
indien dit één van de "SUWI-ZBO’s" [ZBO:
zelfstandig bestuursorgaan, red.] is, sprake zijn van
uitbesteding (die op grond van artikel 5.5
van de
Regeling SUWI in het jaarplan moet
worden opgenomen), terwijl voor de "opdrachtnemende" partij
sprake kan zijn van een "andere taak", die de goedkeuring van
de minister behoeft op grond van artikel 13
van de
Wet SUWI. Om zicht en invloed te houden op de
(feitelijke) taakverdeling kan dit goedkeuringsvereiste niet worden
gemist. Hiertoe wordt het in dit onderdeel van de IWfsv
opgenomen nieuwe onderdeel o in artikel
30, eerste lid, van de Wet SUWI met deze
wijziging als onderdeel n in
artikel 30, eerste lid, van de Wet SUWI
opgenomen.
rblz.|12|
Onderdeel B
(artikel 44, tweede lid)
Aan
artikel 44, tweede
lid, is een onderdeel f toegevoegd op grond waarvan de beschikkingen
die het UWV op grond van artikel 78 van de WAO
heeft genomen, gelden
als een beschikking op grond van artikel 37 van de
Wfsv.
Onderdeel C
(artikel 47)
Artikel 47 bepaalt dat op
aanvragen voor beschikkingen die vóór de datum van inwerkingtreding zijn
ingediend nog door het UWV en niet door de inspecteur wordt beslist
met toepassing van het oude recht en dus op grond van de bepalingen
zoals ze golden vóór opname daarvan in de Wfsv. In
artikel 44 van
de IWfsv is geregeld dat beschikkingen genomen
vóór de datum van
inwerkingtreding van Wfsv door bijvoorbeeld het UWV die nog werking hebben
na die datum gelden als beschikkingen op grond van de Wfsv. Vervolgens is in
artikel 45, tweede lid,
bepaald dat het bezwaar
wordt afgehandeld door de inspecteur. Dit regime geldt ook voor de
beschikkingen die met toepassing van artikel 47 zijn genomen. Voor de duidelijkheid is daarom een tweede lid aan
artikel
47 toegevoegd.
Onderdeel D
(artikel 48a)
Door de onderhavige
wijziging wordt de inhoud van artikel 53 van de
Wet financiering
volksverzekeringen opgenomen in de IWfsv
bij wijze van
overgangsbepaling. In dit artikel is geregeld dat artikel 30 van de
Wfv, zoals dat luidde op
de dag vóór inwerkingtreding van de Wet van 28 april 2005 tot
wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het
tot stand brengen van een recht op langdurend zorgverlof en het
aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 2005, 274) van toepassing blijft voor de
duur van de periode waarin op grond van artikel IXa
van
die wet recht
bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de
Wet arbeid en zorg. De lasten die gepaard gaan met deze financiële
tegemoetkoming komen dus nog ten laste van het Nabestaandenfonds en
worden vervolgens door de SVB overgeheveld naar het
UWV ten gunste
van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Onderdeel D
(artikel 48b)
In
artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het
vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van
belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met
protocollen (Trb. 2001, 136), zijn compensatieregelingen
opgenomen voor inwoners van Nederland die uit België bepaalde
beloningen ontvangen. In dit artikel 27 wordt op diverse plaatsen de Wet financiering
volksverzekeringen genoemd. Idealiter zouden in artikel 27 van het
verdrag de verwijzingen naar de Wet financiering volksverzekeringen
moeten worden vervangen door verwijzingen naar de (premies
volksverzekeringen die worden geheven krachtens de)
Wet financiering
sociale verzekeringen. Een dergelijke aanpassing van artikel 27 kan
echter alleen via aanpassing van het verdrag worden gerealiseerd.
Normaal gesproken ligt er geruime tijd tussen het moment van opstarten
van (her)onderhandelingen over een belastingverdrag en het moment van
effectief worden van de (nieuwe) bepalingen die in zo’n verdrag zijn
opgenomen (dit vindt mede zijn oorzaak in het feit dat in gevallen
waarbij de ene verdragspartner één of enkele aanpassingen van het
verdrag voorstelt, de andere verdragspartner vaak ook enkele punten aan
de orde wil stellen), Hierdoor is het niet mogelijk om vóór 1 januari
2006 een aanpassing rblz.|13|
van artikel 27 van
het verdrag te bewerkstelligen. De invoering van de Wet financiering
sociale verzekeringen behoort echter geen invloed te hebben op de toepassing
van deze compensatieregelingen. Net als voorheen is de premie voor de volksverzekeringen van belang voor de berekening
van de eventuele
compensatie. Ter voorkoming van ieder misverstand wordt voorgesteld dit ook
in de Nederlandse wetgeving neer te leggen. Daartoe strekt
het nieuwe artikel 48b. Deze bepaling is zodanig geformuleerd dat zij haar
belang verliest zodra genoemd artikel 27 in verband met de Wet
financiering sociale verzekeringen wordt aangepast. Nederland zal op de voet
van artikel 28, paragraaf 3, van het verdrag in overleg treden met
België om in een briefwisseling vast te leggen dat België (voor de
toepassing van het verdrag) instemt met deze wetswijziging.
Artikel
X.
Wijziging van
de Invorderingswet 1990
Onderdeel A
(artikel 2, eerste lid)
In artikel 34, derde en
vierde lid, en artikel 35, vijfde lid, van de Invorderingswet
1990 wordt het begrip "socialeverzekeringspremies" gehanteerd, zonder dat
dit begrip is gedefinieerd. Om over dit begrip geen misverstand te laten
ontstaan, is in artikel 2, eerste lid, van de Invorderingswet
1990 vastgelegd wat wordt verstaan onder het begrip "socialeverzekeringspremies".
Onderdeel B
(artikel 7, tweede lid)
Na inwerkingtreding van
de IWfsv zullen, als zowel loonbelasting als premies
werknemersverzekeringen en premie voor de volksverzekeringen worden nageheven, de na
te heffen bedragen gespecificeerd worden opgenomen in één
naheffingsaanslag.
In artikel 7, tweede lid,
van de Invorderingswet
1990, zoals die wordt gewijzigd met de IWfsv,
wordt in verband daarmee bepaald dat toerekening van betalingen op een
belastingaanslag naar evenredigheid plaatsvindt aan de belasting, aan de
premies voor de werknemersverzekeringen, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende interesten,
aan de kosten van
ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boeten, aan de toeslagen
en aan de opcenten. In de situatie dat de heffing van de premie voor de
volksverzekeringen gelijktijdig geschiedt met die van de loonbelasting,
worden betalingen echter eerst toegerekend aan de loonbelasting en
vervolgens aan de premie voor de volksverzekeringen. Gebleken is dat deze
bepaling verduidelijking behoeft, omdat in de tekst niet eenduidig naar
voren komt dat als wordt betaald op een belastingaanslag, deze betaling eerst naar
evenredigheid wordt toegerekend aan de op het aanslagbiljet
vermelde in te vorderen bedragen (waaronder belasting en premies werknemersverzekeringen) en in de laatste plaats
aan de premie voor de
volksverzekeringen. Daarnaast dient in artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet
1990 rekening te worden gehouden met de inwerkingtreding
van de Zorgverzekeringswet. De heffing van de in het kader van
die wet
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zal ook zoveel gecombineerd
gaan plaatsvinden met de loonbelasting. De voorgestelde wijziging
van artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet
1990 strekt daartoe.
Daarbij wordt tevens een vereenvoudiging van de tekst aangebracht.
Onderdeel C
(artikel 34, derde lid)
Omdat de
CSV wordt
ingetrokken, vervalt de verwijzing naar die wet in artikel 34, derde lid,
van de Invorderingswet
1990.
rblz.|14|
Artikel
XII. Wijziging
van de Werkloosheidswet
Onderdeel B
(artikel 19, eerste lid, onderdeel l, en artikel 19, zesde lid)
In
artikel 19, eerste
lid, onderdeel l, van de WW is bepaald dat geen recht op
WW-uitkering bestaat
indien de werkloosheid het gevolg is van werkstaking of uitsluiting. Op grond
van artikel 19, zesde lid, van de WW
is de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bevoegd in bijzondere gevallen ten aanzien
van
een werknemer of een groep werknemers hiervan af te wijken. Met
de Regeling aanwijzing bijzondere gevallen
bij werkloosheid als gevolg van werkstaking of uitsluiting (hierna: de
regeling) is van deze bevoegdheid
gebruik gemaakt. Op grond van de regeling staat het feit dat de
werkloosheid het gevolg is van werkstaking of uitsluiting aan het recht op
WW-uitkering niet in de weg als aan de werknemer een ontheffing is
verleend op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. Op grond van de onderhavige wijziging
wordt in artikel 19, eerste lid, onderdeel l, zelf opgenomen dat het feit dat een
werknemer werkloos is tengevolge van werkstaking of uitsluiting geen
uitsluitingsgrond is voor het recht op uitkering, als aan de werknemer een
dergelijke ontheffing is verleend. Dit betekent dat de Regeling kan komen
te vervallen. Aangezien ervan wordt uitgegaan dat door de betreffende
toevoeging aan artikel 19, eerste lid, onderdeel l, geen behoefte meer
bestaat aan een mogelijkheid om het betreffende onderdeel voor bijzondere
groepen buiten toepassing te verklaren, kan artikel
19, zesde lid,
komen te vervallen. Hiermee ontvalt de grondslag aan de regeling. Vanaf de
datum waarop artikel 19, zesde lid, vervalt, vervalt dus ook
automatisch de regeling.
Onderdeel B
(toevoeging van twee nieuwe leden aan artikel 19)
Op
grond van
artikel 19, eerste lid, onderdeel f,
van de WW bestaat geen recht op
WW-uitkering als een werknemer buiten Nederland
woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie. Onderdeel C,
onder 3, voegt aan artikel
19 een lid toe op grond waarvan in afwijking van het eerste lid,
onderdeel f, onder bepaalde voorwaarden wel het recht op
uitkering bestaat ten aanzien van de werknemer die buiten Nederland
verblijf houdt anders dan vanwege vakantie. De werknemer behoudt wel
zijn WW-recht als hij gedurende dat verblijf meewerkt aan de
activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid,
bedoeld in de hoofdstukken VI en
Xa. Onder activiteiten die
bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid wordt onder meer
verstaan deelneming aan noodzakelijke scholing of opleiding als bedoeld
in artikel 76, eerste lid, WW,
aangezien dat artikel onderdeel uitmaakt van hoofdstuk VI.
Het bedrag dat het
UWV is verschuldigd ter zake van de
betreffende activiteiten mag niet hoger zijn dan het door het UWV op
grond van artikel 4.2, derde lid, van
het Besluit SUWI vastgestelde bedrag. Dat
bedrag heeft betrekking op het maximale bedrag dat aan een IRO besteed
mag worden door het UWV. Dit maximum is op dit moment op grond van het Besluit
beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst [zie Besluit
beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst 2005, red.]
vastgesteld op een bedrag van €|5000,-.
Datzelfde maximum wordt dus gesteld met betrekking tot activiteiten die
bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid in het buitenland.
Aan de betreffende activiteiten is nog een aantal aanvullende eisen
gesteld: het mag niet langer duren dan zes maanden, het moet
plaatsvinden in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte of in Zwitserland en het moet volgens een intentieverklaring een
reëel uitzicht bieden op een aansluitende dienstbetrekking voor ten
minste zes maanden. Onderdeel B
voegt aan artikel 19 nog een lid toe,
waarin de definitie van het begrip intentieverklaring is opgenomen. Het
moet gaan om een ondertekende verklaring waarin de ondertekenaar
aangeeft dat hij rblz.|15|
het voornemen heeft om de
betreffende werknemer aansluitend op het reïntegratietraject in
dienst te nemen voor een periode van ten minste zes maanden. De
intentieverklaring wordt dus ondertekend door de persoon die waarschijnlijk de
nieuwe werkgever is van de betreffende werknemer.
Onderdeel F (artikel
52i)
Met de inwerkingtreding
van de Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet
in verband met afschaffing van de vervolguitkering (Stb.
2003, 546) per 1 januari
2004 is hoofdstuk IIa, afdeling III, van de
WW vervallen. Artikel 52i
van de WW kent nog een aantal verwijzingen naar artikelen uit die afdeling. De onderhavige wijziging regelt dat
artikel 52i van de WW
wordt
aangepast voor zover verwijzingen waren opgenomen naar de betreffende
artikelen. Het betreft geen inhoudelijke wijziging, maar slechts het
integraal opnemen van de inhoud van die artikelen in artikel 52i
van de WW zelf. Deze wijziging zal plaatsvinden met terugwerkende kracht tot 1 januari
2004, de datum van inwerkingtreding van de Wet van 19 december 2003
tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing
van de vervolguitkering. Dit betekent een bestendiging van de huidige
uitvoeringspraktijk. De in het derde lid opgenomen rekenregel voorkomt dat
de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer die arbeidsuren heeft verloren uit dezelfde dienstbetrekking als waarop de
WAO-uitkering is
gebaseerd, naast een gedeeltelijke WAO-uitkering een volledige WW-uitkering
ontvangt. Ter verduidelijking het volgende voorbeeld. Stel een werknemer is na
de wachttijd 45-55% arbeidsongeschikt. Zijn WAO-uitkering is dan
35% van het loon. Als de werknemer zijn resterende verdiencapaciteit niet
benut, komt hij na de wachttijd ook in aanmerking voor WW.
Zonder deze regel zou de WW-uitkering 70% van het minimumloon (of het
dagloon) bedragen. Met de rekenregel wordt de WW-uitkering 35% van het
minimumloon. Deze situatie kan zich alleen voordoen met betrekking
tot de WAO (niet met betrekking tot de WAZ en de
Wajong). Een Wajong- of
WAZ-uitkering wordt immers niet toegekend vanwege
arbeidsongeschiktheid uit dienstbetrekking.
Onderdelen G
en
H
(artikelen 79 en 80)
In de
Wet van 28 april
2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in
verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig zorgverlof
en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 2005, 274) wordt een
wijziging aangebracht in artikel 97b, derde lid, van de
WW. Met
inwerkingtreding van de IWfsv is artikel 97b
echter vervangen door artikel 79 van de WW. Door middel van de onderhavige wijziging worden de
artikelen 79 en
80 van de WW technisch aangepast aan de Wet van 28 april 2005.
Onderdeel I
(artikel 130l)
Dit onderdeel wijzigt het
overgangsrecht zoals opgenomen in de Wet van 16 juli 2005 houdende
wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het preventief inzetten
van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan
overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden bij
scholing, het subsidiëren van scholing in het kader van de Wajong
en
enkele andere wijzigingen in wetten die de reïntegratie-instrumenten
betreffen (Stb. 2005, 382) ten aanzien van de artikelen 72 en
72a van de WW. De
wijziging in taakverdeling met betrekking tot de reïntegratie van
overheidswerknemers zal alleen gelden ten aanzien van personen met een recht op
WW-uitkering, welk recht op of na 1 juli 2005, de dag van inwerkingtreding van
voornoemde wet, is ontstaan. Het UWV
blijft dan dus
verantwoordelijk voor de reïntegratie van overheidswerknemers die vóór 1 juli 2005
werkloos zijn geworden, tenzij de rblz.|16|
overheidswerkgever het UWV had verzocht of alsnog verzoekt de taak om de inschakeling in de
arbeid te bevorderen aan hem over te dragen. Het oude artikel 72a
WW blijft voor die gevallen immers van toepassing. Het voorgestelde vierde lid
bepaalt dat de door het UWV aan de overheidswerkgever te betalen vergoeding
slechts ziet op reïntegratie-inspanningen die zijn verricht tot één
jaar na inwerkingtreding van voornoemde
wet.
Artikel
XIII. Wijziging
van de Wet van 23 december 2004, houdende wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met maximering van de
ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector en
wijziging van enige andere wetten in verband met de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
In de
Wet van 23 december
2004, houdende wijziging van de Werkloosheidswet in
verband met maximering van de ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor
de uitzendsector en wijziging van enige andere wetten in verband met de
Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (hierna:
Wet maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector) is
in artikel VI de Wfsv gewijzigd. Aangezien de artikelen van de
laatstgenoemde wet bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid conform aanwijzing 251 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving opnieuw zijn genummerd,
is ervoor gekozen om de betreffende wijzigingen in de Wet
maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector
opnieuw te formuleren in de onderhavige wijziging. In verband daarmee kan
artikel VI van de Wet maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds
voor de uitzendsector vervallen.
Artikel
XIV. Wijziging
van de Wet van 26 februari 1992, houdende wijziging van de
Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet,
het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede
een regeling voor het overheidspersoneel in verband met
maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking
van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de
arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten,
herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele
technische aanpassingen
In artikel II, onderdeel
P, van de Wet van 26 februari 1992, houdende wijziging van de Ziektewet, de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk
Wetboek en enkele andere wetten,
alsmede een regeling voor het overheidspersoneel in verband met
maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige
arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van
arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede
enkele technische aanpassingen (terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume,
Stb. 1992, 82) (verder Wet terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume)
is een voorstel opgenomen om artikel 71a
van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering te vervangen. Tijdens de
behandeling van de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume
in de Eerste Kamer op 25 februari 1992 is aangegeven het niet
wenselijk te achten om artikel II, onderdeel P, in werking te laten treden.
Dit is dan ook niet gebeurd. Het bewuste wijzigingsartikel is
echter nooit vervallen, waardoor er onduidelijkheid kan bestaan of het artikel
ooit nog in werking zal treden. Om deze onduidelijkheid weg te nemen, is besloten
het bewuste artikel alsnog te laten vervallen.
rblz.|17|
Artikel
XV.
Wijziging van
de Wet van 3 april 1985, houdende overgangsmaatregel met
betrekking tot loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op
de wettelijke ziekengelduitkering
Artikel 2 van de
Overgangsmaatregel
bovenwettelijke uitkeringen bepaalt onder meer dat vóór 1
november 1984 overeengekomen of op grond van gewoonte gebaseerde
rechten op loondoorbetaling gedurende het eerste ziektejaar, vervallen
voor zover deze inhouden dat de door de werknemer op grond van de WW, de
ZW,
de Zfw of de WAO verschuldigde premies geheel of gedeeltelijk
voor rekening van de werkgever komen. Aangezien met de inwerkingtreding
van de Wfsv per 1 januari 2006 de premieheffing vanaf die datum niet meer
in die materiewetten geregeld is, maar in de Wfsv, moet de verwijzing
in het eerste lid, onderdeel b, naar de WW, de ZW en de WAO vervangen
worden door een verwijzing naar de Wfsv en de Zfw.
Artikel
XVI.
Wijziging
van de Wet
aanpassing daglonen Wet overgangsregeling
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Met de inwerkingtreding
van de IWfsv vervalt de CSV. In de
IWfsv is de verwijzing naar
artikel 9a van de CSV
ten onrechte niet meegenomen. Het onderhavige artikel
herstelt dit verzuim door te verwijzen naar het dienovereenkomstige artikel in de
Wfsv, te
weten artikel 18, dat betrekking heeft op de herziening
van het maximumpremieloon.
Artikel
XVIII.
Wijziging
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
Met de
IWfsv is aan het
eerste lid van artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
een
onderdeel n toegevoegd. Dit onderdeel kan bij nader
inzien vervallen, omdat geen behoefte meer is aan een definitie van
"inspecteur".
Artikel
XXIV.
Wijziging
van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP
De wijzigingen in de
artikelen 28, 29 en 67 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP worden
alle ingegeven door de intrekking van de CSV
per 1 januari 2006. De
verwijzingen aldaar naar onderdelen (artikelen en paragrafen) van de CSV worden vervangen door verwijzingen naar de dienovereenkomstige onderdelen van de
Wfsv (artikelen en hoofdstukken).
Het betreft dus geen
inhoudelijke wijziging.
Artikel
XXV.
Wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen
Onderdeel A
(artikel
8, tweede lid)
Deze aanpassing betreft
het premie-inkomen voor de heffing van premie volksverzekeringen bij
wijze van inhouding. Naast spaarloon wordt ook een geschenk in natura
ingevolge de zogenaamde geschenkenregeling, voor zover dit geschenk
voor de heffing van loonbelasting als eindheffingsbestanddeel wordt aangemerkt, niet
tot het premie-inkomen gerekend. Voor de werknemer geldt
derhalve een vrijstelling voor spaarloon en geschenken ter
gelegenheid van een feestdag, terwijl van de werkgever 25% (spaarloon) of 15%
(geschenken) loonbelasting wordt geheven. Dit zijn voor de
premieheffing volksverzekeringen de enige uitzonderingen op het loonbegrip van de
loonbelasting, afgezien van enkele uitzonderingen die onder meer verband
houden met internationale regelingen. Het betreft geen materiële wijziging aangezien op grond van
artikel 9 van de rblz.|18|
Wet financiering
volksverzekeringen de eindheffingsbestanddelen spaarloon en geschenken niet tot
het premie-inkomen werden gerekend.
Onderdelen B, M
en
N
(artikelen 14, 15, 85, eerste lid, en 90, eerste lid)
Per 1 januari 2001 is met
de invoering van de Wet
inkomstenbelasting 2001 het systeem van
belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen en het arbeidskostenforfait door een
arbeidskorting. Sindsdien
komen de kortingen ten laste van de opbrengst voor de premies volksverzekeringen en de belastingen naar de verhouding
van de premie- en
belastingtarieven in de eerste schijf. Om de effecten van de
belastingstelselherziening voor de fondsen te compenseren, is in 2001 een
rijksbijdrage, de BIKK (bijdrage in de kosten van kortingen),
geïntroduceerd voor de fondsen van de volksverzekeringen. In de wet is geen einde
voorzien van de BIKK. Inmiddels is deze specifieke rijksbijdrage vanuit
fondsoverwegingen overbodig geworden. Het is mogelijk om het
ongewenste effect van de belastingstelselherziening eenvoudiger op te lossen
door afschaffing van de BIKK voor de AOW, Anw en
AWBZ en door de
creatie van een rijksbijdrage Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten en
rijksbijdrage Nabestaandenfonds.
Met de onderhavige
wijziging van de Wfsv verdwijnt de rijksbijdrage
BIKK en wordt de mogelijkheid
gecreëerd om naast de al bestaande mogelijkheid van de rijksbijdrage voor
het Ouderdomsfonds bedragen vast te stellen die als
rijksbijdrage ten gunste komen van het Nabestaandenfonds (artikel
14) en het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (artikel
15).
In het Ouderdomsfonds is
de rijksbijdrage BIKK overbodig geworden, omdat daarnaast ook
jaarlijks een algemene rijksbijdrage, de rijksbijdrage Ouderdomsfonds, gestort
wordt die het tekort van dit fonds tot nul terugbrengt. Voor het
Nabestaandenfonds wordt de rijksbijdrage BIKK geschrapt en vervangen
door de rijksbijdrage Nabestaandenfonds. Omdat bij de verwachte
teruglopende uitgaven in de toekomst geen tekorten bij dit fonds worden
verwacht, is het de verwachting dat deze rijksbijdrage Nabestaandenfonds de
komende jaren op nul zal worden vastgesteld. Voor het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten wordt de rijksbijdrage BIKK vervangen door de
rijksbijdrage Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Het afschaffen van de
BIKK heeft geen gevolgen voor de hoogte van de premies en derhalve ook
geen inkomensgevolgen.
De rijksbijdrage Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten vormt onderdeel van de begroting van het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De rijksbijdrage
Nabestaandenfonds en Ouderdomsfonds vormt onderdeel van de
begroting van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Voorts is in verband met
de onderhavige aanpassing een onderdeel toegevoegd aan artikel
85, eerste lid, van de Wfsv en is artikel
90, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv
opnieuw geformuleerd.
Onderdeel C
(artikel 16, eerste lid, tweede lid, onderdeel b en c,
en derde lid, onderdeel
a)
In het eerste lid van
artikel 16 wordt nu verwezen naar het loon overeenkomstig de Wet
op de loonbelasting 1964. Bij nader inzien was het niet noodzakelijk de
verwijzing naar het loon, bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, tot hoofdstuk II van
die wet
te beperken. Voorts wordt thans in het eerste lid,
onderdeel b, verwezen naar de bedragen die worden rblz.|19|
ingehouden op grond van
hoofdstuk 3 van de Wfsv in plaats van naar bedragen ingehouden op
grond van Werkloosheidswet aangezien met inwerkingtreding van de Wfsv
de bepalingen inzake premieheffing in hoofdstuk 3 van de
Wfsv zijn opgenomen. Ten slotte was het niet meer noodzakelijk apart te
verwijzen naar het loon en de gage die artiesten en beroepssporters wordt
betaald.
Met de wijziging van
artikel 16, tweede lid, onderdeel b, wordt geen materiële wijziging beoogd, maar
wordt de bepaling aangepast in verband met de vernummering in
artikel 31 van de Wet
op de loonbelasting 1964 bij de IWfsv
en in verband met
de per 1 januari 2006 bestaande eindheffingsbestanddelen. Nieuw in het tweede lid,
onderdeel c, is dat ook aanspraken op grond van
ziektekostenregelingen in eigen beheer van de werkgever niet tot het loon
behoren. Dit stemt overeen met hetgeen was geregeld in de CSV. Dergelijke
aanspraken waren namelijk vrijgesteld op grond van artikel
6, eerste lid,
onderdeel d, van die wet. In dat artikel werden aanspraken vrijgesteld
die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge socialeverzekeringswetten. De wijziging van het
derde lid, onderdeel a,
is van technische aard.
Onderdeel D
(artikel 17, vierde lid)
De wijziging van
artikel 17, vierde lid, leidt ertoe dat de inspecteur aan de hand van de beschikbare
gegevens in de polisadministratie ambtshalve de te veel betaalde premie
vaststelt en teruggeeft. Tot 1 januari 2006 werd de premie alleen op
verzoek teruggegeven.
Onderdelen E,
Q en R
(artikelen 28, 104 en 105)
In de
Wet maximering
ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector is in
artikel VI de Wfsv gewijzigd. Aangezien de artikelen van
laatstgenoemde wet bij
besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid conform
aanwijzing 251 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving opnieuw zijn genummerd, is
ervoor gekozen om de wijzigingen
krachtens de Wet
maximering ziekengeldlasten voor de uitzendsector opnieuw te formuleren.
Verder is door het toevoegen van "categorieën" in artikel
28, eerste
lid, verduidelijkt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ook
nadere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op een
specifieke categorie van werkgevers of werknemers. De wijziging van artikel
28, tweede lid, is tekstueel van aard.
Onderdelen F,
G, I,
K en S
(artikelen 32, 38,
46 en 107
alsmede
afdeling 7 van hoofdstuk 3, met inbegrip
van artikel 56)
In de
Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR is in artikel IVa
de
Wfsv gewijzigd. Aangezien de artikelen
van laatstgenoemde wet bij besluit van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid conform aanwijzing 251 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving opnieuw zijn genummerd, is ervoor gekozen om de wijzigingen krachtens de Wet uitbreiding rechtsgevolgen
VAR opnieuw te
formuleren.
Onderdeel H
(artikel
43, tweede en derde lid)
De technische wijziging
van het tweede lid houdt verband met de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet
1998. De taken waarvoor
deskundig bijstand moet
worden verleend door een gecertificeerde deskundige of een
arbodienst zijn namelijk nu opgenomen in artikel
14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998. Het derde lid is gewijzigd
met het oog introductie
van de zogenaamde maatwerkregeling die het onder voorwaarden
mogelijk maakt dat de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel
14, eerste lid, wordt verleend door deskundige personen rblz.|20|
die in het bezit zijn van
een certificaat als bedoeld in artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998.
Onderdeel J
(artikel
55, tweede lid)
De delegatiebepaling van
dit artikellid wordt verruimd, zodat bij opeenvolgende dienstverbanden bij
dezelfde dan wel een andere werkgever niet alleen geregeld kan
worden wanneer de korting op grond van paragraaf 2
niet geldt, maar dat ook
aangegeven kan worden hoe een eenmaal verleende korting toegerekend kan worden aan opeenvolgende werkgevers
bij overgang van
onderneming als bedoeld in artikel 663 van Boek 7 van het BW.
Onderdeel L
(artikel 59)
De toevoeging aan het
tweede lid van artikel 59 maakt het mogelijk in het collectieve deel van de
loonaangifte mede opgave te verlangen van de premielonen ter
vaststelling van de premiepercentages, bedoeld in de artikelen
27, 28, 31,
36,
37 en 38. Artikel 124 maakt de verstrekking van deze gegevens door de
belastingdienst aan de Minister van SZW en het
UWV mogelijk.
Met de aanpassing van het
negende lid wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar wordt
gestreefd naar meer eenheid in gebruikte terminologie. Door de overeenkomstige
toepassing voor de premieheffing werknemersverzekeringen van de voor de heffing
van de loonbelasting geldende regels is ook
artikel 20 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr) voor de
premieheffing werknemersverzekeringen van toepassing. Zonder nadere
regelgeving zou het tweede lid van genoemd artikel 20 tot gevolg
hebben dat een naheffingsaanslag met betrekking tot premies
werknemersverzekeringen onder omstandigheden ook aan de werknemer kan worden
opgelegd. Dit zou een onbedoelde wijziging ten opzichte van de huidige situatie met zich brengen. De aanpassing in
artikel 59 door de
toevoeging van het elfde lid heeft tot gevolg dat met betrekking tot premies
werknemersverzekeringen geen naheffingsaanslag aan de werknemer kan worden opgelegd. Dit is conform het standpunt
van de regering zoals is
verwoord in de memorie van antwoord bij de Wfsv
en de IWfsv (Kamerstukken I 2004-2005, 29 529 en 29 531,
nr. C, blz. 4).
Onderdelen M,
O, P,
T en V
(artikelen
85, 99, 100,
108 en 117)
In de
Wet van 28 april
2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in
verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig zorgverlof
en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 2005, 274) zijn
wijzigingen aangebracht in artikelen van de WW, de
Wet financiering volksverzekeringen
(Wfv) en de WAO, die met de inwerkingtreding van de Wfsv
en de IWfsv in de Wfsv zijn opgenomen. Het betreft de bepalingen in
hoofdstuk 7
van de Wet arbeid en zorg over loopbaanonderbreking en de tegemoetkomingen
die verstrekt worden indien de verlofganger een uitkeringsgerechtigde is. Deze regeling van loopbaanonderbreking
is met die wet komen te
vervallen. Ook de bepalingen over de financiering zijn als
gevolg daarvan vervallen. Door middel van de onderhavige wijziging
worden de betreffende bepalingen van de Wfsv technisch aangepast aan
de Wet van 28 april 2005. De wijziging van artikel 79 en
80 van de WW heeft
dezelfde achtergrond. Op grond van de de overgangsbepalingen die
de Wet van 28 april 2005 toevoegt aan de WW, de Wfv en de WAO is echter
wel geregeld dat in die overgangsbepalingen genoemde artikelen zoals
die luidden op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet van 28 april
2005 van toepassing blijven voor de duur van de periode waarin op grond
van artikel IXa van de Wet van 28 april 2005 recht bestaat op een
financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7
rblz.|21|
van de
Wet arbeid en zorg. Aangezien artikel 108 van de Wfsv
behalve door middel van de
onderhavige wijziging ook in de Wet van 16 juli 2005 tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met het preventief inzetten van
reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan overheidswerkgevers,
het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden bij scholing, het
subsidiëren van scholing in het kader van de Wajong
en enkele andere
wijzigingen in wetten die reïntegratie-instrumenten betreffen en de
wetsvoorstellen inzake de Zorgverzekeringswet en de
Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen wordt gewijzigd, is ervoor gekozen om artikel 108 opnieuw
integraal vast te stellen.
Onderdeel U
(artikel 114)
In
artikel 114, onderdeel
f, wordt ten onrechte verwezen naar artikel
115, eerste lid, onderdeel
b.
Bedoeld was te verwijzen naar artikel 15, eerste lid, onderdeel c. Bepaald
is nu dat de rijksbijdrage, ter hoogte van een door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid geraamd bedrag aan kosten die gepaard
gaan met uitkeringen tijdens verlof wegens zwangerschap en bevalling
voor alfahulpen en overige personen met een arbeidsovereenkomst op
grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
2, van de Wet arbeid en zorg alsmede de uitkeringen op grond van
artikel 3:30 van die
wet, ten
gunste komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Onderdeel W
(artikel 124a)
Door de samenwerking
tussen het UWV en de belastingdienst
verzamelt het UWV niet meer zelf
alle gegevens die het UWV nodig heeft voor de uitvoering van zijn
wettelijke taken. De belastingdienst verstrekt aan het UWV gegevens onder meer op
basis van artikel 124 van de Wfsv
en de artikelen 33, vijfde lid,
en 54, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI).
Uit artikel 9 van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) vloeit voort dat persoonsgegevens niet mogen worden
verwerkt voor een doel dat niet verenigbaar is met het doel waarvoor
ze zijn verkregen (doelbindingsbeginsel). Dit betekent concreet dat
gegevens die de belastingdienst aan het UWV verstrekt door het UWV - als de verantwoordelijke in de zin van de Wbp
- worden verwerkt voor de
genoemde doelen van de polisadministratie (artikel
33, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Wet
SUWI) en meer in het algemeen voor de
uitvoering van de wettelijke taken van het UWV. Een doorlevering van die
gegevens aan private instanties is niet verenigbaar met de doelen waarvoor
die gegevens door de belastingdienst zijn verstrekt. Daarom is een
aanvullende bepaling - vergelijkbaar met bijvoorbeeld artikel
5, derde lid, van
het Besluit overgang Arbeidsvoorziening
- nodig.
Met het nieuwe artikel
124a van de Wfsv wordt het mogelijk gemaakt dat het
UWV de van de belastingdienst verkregen gegevens zo nodig kan doorleveren aan private
instanties. Dit geldt alleen voor de in de algemene maatregel van bestuur
- gebaseerd op artikel 13, vierde lid, artikel
73, vierde lid, of
artikel 73, zevende lid juncto eerste en tweede lid, van de Wet
SUWI - genoemde
gegevens. Het UWV kan deze gegevens uitsluitend doorleveren aan de in de
krachtens artikel 13, vierde lid, of artikel
73, vierde lid, uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur en in artikel
73, eerste en tweede lid,
van de Wet SUWI genoemde derden, ten behoeve van de daarbij
behorende doelen. Op grond van het eerder genoemde doelbindingsbeginsel mogen deze derden de doorgeleverde
gegevens uitsluitend
verwerken voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. De SVB
en de CWI
blijken
geen gegevens afkomstig van de belastingdienst door te leveren aan
derden.
rblz.|22|
Artikel
XXVIII.
Wijziging
van de Wet kinderopvang
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel i, van de Wet
kinderopvang wordt verwezen naar personen
die werkzaamheden op een proefplaats verrichten als bedoeld in
artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
Rea. Met de inwerkingtreding
van de Vereenvoudigingswet SV is de afzonderlijke regeling voor
proefplaatsing van een arbeidsgehandicapte werkloze in de Wet
Rea vervallen.
De verwijzing naar artikel 23 van de Wet
Rea in artikel 6, eerste lid,
onderdeel i, van de Wet
kinderopvang dient dus te vervallen.
Tegelijkertijd is met de
inwerkingtreding van de Vereenvoudigingswet SV
het aanvankelijk bij
wijze van experiment in de WW ingevoerde recht op werkloosheidsuitkering
tijdens proefplaatsing voor de duur van ten hoogste drie maanden
structureel in de WW opgenomen en van toepassing op alle werklozen met een
werkloosheidsuitkering door het opnemen van artikel 76a
in die wet. Daarom voegt het onderhavige artikel in onderdeel h van de
Wet kinderopvang na "in het arbeidsproces" de zinsnede "of onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in
artikel
76a van die wet bij een
werkgever verricht" in.
Artikel
XXX.
Wijziging
van de Wet medezeggenschap werknemers
Als het bij koninklijke
boodschap van 5 oktober 2004 ingediende voorstel van wet houdende
bepalingen over de medezeggenschap van werknemers (Wet medezeggenschap
werknemers, Kamerstukken 29 818) tot wet wordt verheven en in werking
treedt, zal de onderhavige wijziging toepassing kunnen krijgen. Voor een
inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting
op artikel
XXXIII (wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden)
Artikel
XXXI.
Wijziging
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel B
(artikel 19, zesde lid)
In
artikel 19, zesde lid,
van de WAO wordt onder meer verwezen naar 42 van de
ZW. Aangezien dat
artikel niet meer bestaat, kan die verwijzing komen te vervallen.
Onderdelen B
(artikel 19, zevende lid) en G [onderdeel I, red.]
(artikel 71b, tweede lid)
Met de inwerkingtreding
van de Invoeringswet Wet arbeid en zorg zijn de leden van
artikel 29a ZW
vernummerd. In de artikelen 19, zevende lid, en
71b, tweede lid, van de WAO
wordt daarom de verwijzing naar het derde en zevende lid van
artikel 29a van de ZW gewijzigd in een verwijzing naar het eerste en vierde lid
van dat artikel.
Onderdeel E
(artikel 40, tweede lid)
Artikel V, onderdeel
C,
van de Walvis vervangt het huidige artikel 40, tweede lid, van de
WAO. Dit
artikel verwijst evenwel naar artikel 14, eerste lid, van de
WAO, zoals dat
aanvankelijk in artikel V, onderdeel A, van het wetsvoorstel
Walvis was opgenomen. Bij
nota van wijziging (Kamerstukken II 2003-2004, 28 219, nr. 8)
is dat onderdeel gewijzigd. Het voorgestelde artikel
40, tweede lid, is
hieraan evenwel niet aangepast. De onderhavige wijziging corrigeert dit.
Artikel V van de Walvis zal per 1 januari 2006 in werking treden. Inwerkingtreding
per 1 januari 2006 van deze wijziging wordt daarom ook beoogd.
rblz.|23|
Onderdeel F
(artikel 59c)
In
artikel 59c van de WAO
wordt verwezen naar artikel 52 van de WAO, dat vervallen is. Het
equivalent van dat artikel is neergelegd in artikel 65 van de
WAO. In artikel
59c moet "artikel 52" daarom worden vervangen door:
artikel 65.
Onderdeel G
(artikel 61)
In
artikel 61 van de WAO
is een dagloongarantie opgenomen voor de persoon die recht heeft
op een uitkering op grond van de WAO en de leeftijd van 45 heeft
bereikt. Die garantie is opgenomen om de reïntegratie van oudere
arbeidsongeschikten te bevorderen. In plaats van de datum van werkaanvaarding
dient
de datum van beëindiging van de WAO-uitkering bepalend te
zijn voor de ingang van de periode van vijf jaar waarin de
dagloongarantie geldt.
De
loondoorbetalingsplicht van de werkgever bij ziekte van de werknemer is verlengd van één
naar twee jaar. Daarmee is niet beoogd de periode van vijf jaar, waarin de
dagloongarantie geldt, met één jaar te bekorten. Met de voorgestelde
wijziging van artikel 61 van de WAO
wordt dit voorkomen.
Op grond van
artikel 44
van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of
herzien zolang niet vaststaat dat de arbeid die de uitkeringsgerechtigde
is gaan verrichten algemeen geaccepteerde arbeid is waartoe de
werknemer gezien zijn krachten en bekwaamheden in staat is. De datum van
beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is mede om deze reden het
juiste tijdstip voor ingang van de periode van vijf jaar
waarin de dagloongarantie geldt.
Onderdeel J
(artikel 75a)
Artikel VIII van de
Wet
van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg
en enige andere
wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig
zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen regelt dat in artikel
75a, derde lid, laatste zin, van de WAO
de zinsnede "vervanger als bedoeld in hoofdstuk 7 van de
Wet arbeid en zorg, indien de
verlofganger die hij vervangt in de verlofperiode arbeidsongeschikt is geworden en
ter zake
van die ongeschiktheid recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft verkregen, of
indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend aan een" vervalt. Deze wijziging
is niet juist. Het is de bedoeling dat de volledige laatste zin vervalt. Voor
de duidelijkheid wordt daarom het derde lid opnieuw geformuleerd. Bij
koninklijk besluit zal geregeld worden dat deze wijziging terugwerkt tot
en met 1 juni 2005, de datum waarop de onjuiste wijziging in werking is
getreden.
Onderdeel K
(artikel 76f)
Artikel VIII van de
Wet
van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg
en enige andere
wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig
zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen regelt dat de laatste zin
van artikel 76f, vijfde lid, van de
WAO vervalt. Bedoeld was de
laatste zin van het zesde lid te laten vervallen. De onderhavige wijziging
corrigeert dit. Hiertoe worden het vijfde en zesde lid van artikel 76f
integraal weergegeven. Bij koninklijk besluit zal geregeld worden dat deze
wijziging
terugwerkt tot en met 1 juni 2005, de datum waarop de onjuiste
wijziging in werking is getreden.
rblz.|24|
Onderdeel L
(artikel 80a)
De onderhavige wijziging
ziet erop een onjuiste nummering van bepaalde leden van artikel 80a
van
de WAO te corrigeren. Dit betreft een louter technische wijziging.
Artikel
XXXII.
Wijziging
van de Wet op de loonbelasting 1964
Onderdeel A
(artikel 11)
Met deze wijziging wordt
een verwijzing aangepast. Het betreft hier geen wijziging van materiële
aard.
Onderdeel B
(artikel 27c)
In verband met de
intrekking van de Ziekenfondswet komt het tweede lid van artikel 27c, zoals
dat artikel door de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen in
de Wet op
de loonbelasting 1964 wordt ingevoegd, te vervallen.
Onderdeel C
(invoeging van een nieuw artikel 27d)
Met het voorgestelde
artikel 27d wordt bewerkstelligd dat de heffing en de invordering van de
ingevolge de Zorgverzekeringswet over het loon verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage gecombineerd plaatsvindt met de heffing van de
over het loon verschuldigde loonbelasting en dat kan worden volstaan met
één aangifte. Bij de vormgeving van dit artikel is aangesloten bij artikel
27c, zoals dat door de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen in
de Wet op
de loonbelasting 1964 [verder: Wet LB, red.] wordt ingevoegd. Bij een samenloop van de in artikel
27c bedoelde situatie met
de in artikel 27d
bedoelde situatie geschiedt de toerekening naar evenredigheid aan de belasting, aan de
premies werknemersverzekeringen en aan de ingevolge de
Zorgverzekeringswet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.
Onderdeel D
(artikel 28)
Ingevolge de
IWfsv is in
artikel 28, onderdeel f, van de Wet
LB bepaald dat de inhoudingsplichtige
vóór de datum van aanvang van de werkzaamheden aan de inspecteur opgave
moet verstrekken van bij ministeriële regeling te bepalen
gegevens waarvan kennisneming voor de heffing van belasting van belang kan
zijn, de zogenoemde eerstedagsmelding (verder: EDM). Gebleken is dat
deze bepaling verfijning behoeft,¹ omdat in sommige gevallen de
inhoudingsplichtige niet kan voldoen aan de verplichting die is
opgenomen in artikel 28, onderdeel f. Dit is het geval indien een
inhoudingsplichtige plotseling (bijvoorbeeld door ziekte of onverwachte drukte)
vervangende of extra arbeidskrachten nodig heeft. Indien die
arbeidskrachten op dezelfde dag nog aan de slag gaan als de dag waarop de
dienstbetrekking is overeengekomen, hetgeen dan meestal het geval zal zijn, is
het voor de inhoudingsplichtige onmogelijk een EDM in te leveren vóór de
datum van aanvang van de werkzaamheden. Dit zou een beperking van
flexibiliteit betekenen bij het inhuren van vervangende of extra arbeidskrachten.
Om die reden wordt een wijziging voorgesteld van artikel 28, onderdeel f, van de
Wet
LB, waarin wordt bepaald dat ingeval de
dienstbetrekking is overeengekomen op dezelfde dag als de dag waarop de
werkzaamheden ter zake van die dienstbetrekking een aanvang nemen, de EDM
gedaan kan worden op die dag, maar vóór de aanvang van de werkzaamheden.
1. Kamerstukken I 2004-2005,
29 529 en 29 531, nr. C, blz. 7.
rblz.|25|
Onderdeel E
(artikel 28a)
De vervanging van het
vierde lid van artikel 28a van de Wet
LB strekt tot verruiming van de in dat
lid opgenomen delegatiebepaling. Bij deze bepaling is tot nu toe gedacht aan
het stellen van nadere regels met betrekking tot het indienen van
correctieberichten bij lange aangiftetijdvakken, met betrekking tot de situatie dat geen aangifte wordt gedaan omdat de
inhoudingsplicht is
geëindigd en met betrekking tot de situatie dat voor het indienen van de
aangifte uitstel is verleend (Kamerstukken II 2003-2004, 29 531, nr. 8, blz.
15).
De regeling in artikel 28a, eerste en tweede lid, van de Wet
LB kan voor
dergelijke situaties niet toereikend zijn. Het wettelijke criterium voor het door
de inhoudingsplichtige moeten indienen van een correctiebericht is dat
hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Met betrekking
tot iedere onjuiste of onvolledige aangifte moet een correctiebericht
worden ingediend. Door de voorgestelde wijziging kan de wettelijke
verplichting van de inhoudingsplichtige tot het indienen van correctieberichten
niet alleen worden aangevuld, zoals in de hiervoor al aangeduide situaties,
maar zo nodig ook worden beperkt. De voorgestelde delegatiebepaling is ruim
geformuleerd om, mocht dat nodig zijn, snel met regelgeving te
kunnen reageren op eventueel in de praktijk met betrekking tot de nieuwe
verplichting opkomende vragen.
De voorgestelde
toevoeging aan het zesde lid van artikel 28a van de Wet
LB wordt als volgt
toegelicht. Bij de correctieberichten voorziet de Awr er al in dat over bij te
betalen bedragen over voorgaande jaren in de regel heffingsrente in rekening
wordt gebracht, ook zonder dat een naheffingsaanslag wordt opgelegd (artikel
30f, tweede lid, onderdeel b, laatste zin, van de Awr) en dat in de
regel heffingsrente wordt vergoed in de situatie dat er een teruggaaf
plaatsvindt (artikel 30f, tweede lid, onderdeel b, eerste zin, van de
Awr). Heffingsrente wordt niet in rekening gebracht bij een betaling door de
inhoudingsplichtige binnen drie maanden na het einde van het
kalenderjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft. Bij een
teruggaaf
aan de inhoudingsplichtige wordt heffingsrente vergoed over het tijdvak
dat aanvangt drie maanden na het einde van het laatste tijdvak van het
kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft (artikel 30f, derde lid,
onderdeel b, onder 3º, van de Awr). De Awr voorziet wat betreft de
heffingsrente echter niet in een regeling voor de in artikel 28a, zesde lid,
van de Wet
LB neergelegde situatie dat de over een eerder tijdvak te
veel
betaalde belasting in mindering wordt gebracht op de over het tijdvak
waarvoor aangifte wordt gedaan af te dragen belasting. Voorgesteld wordt aan
genoemd zesde lid toe te voegen dat in een dergelijke situatie over
het bedrag van het correctiebericht heffingsrente wordt vergoed overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk
Va van de Awr. Normaliter eindigt
het tijdvak waarover de heffingsrente wordt berekend op de dag van de
dagtekening van de naheffingsaanslag dan wel de teruggaaf. Indien
de inhoudingsplichtige de financiële gevolgen van het correctiebericht
zelf verrekent met de aangifte waarbij het bericht wordt gevoegd, is er
echter geen sprake van een dagtekening. Voor een dergelijke situatie wordt
voorgesteld aan het zesde lid van artikel 28a van de Wet
LB toe te voegen
dat het tijdvak waarover de heffingsrente wordt berekend, eindigt op de
dag van ontvangst van het correctiebericht. De overeenkomstige
toepassing van hoofdstuk Va van de Awr brengt onder meer mee dat het tijdvak
waarover heffingsrente aan de inhoudingsplichtige wordt vergoed, aanvangt
drie maanden na het einde van het laatste tijdvak van het
kalenderjaar waarop het correctiebericht betrekking heeft. Voor de duidelijkheid
wordt in genoemd zesde lid vastgelegd dat de inspecteur het bedrag van
de heffingsrente vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking. De
inhoudingsplichtige mag het bedrag van de heffingsrente niet in het correctiebericht verwerken. Het correctiebericht
rblz.|26|
verschaft de inspecteur
de gegevens om het bedrag van de heffingsrente geautomatiseerd te doen
vaststellen.
Onderdeel F
(artikel 31)
Met de wijziging in het
vijfde lid wordt een onjuiste verwijzing gecorrigeerd. Het betreft hier geen
wijziging van materiële aard.
Onderdelen G
en
I (artikel 35 en
artikel 35g)
Met deze wijzigingen
worden verwijzingen naar de WW vervangen door verwijzingen naar de Wfsv
in verband met de overheveling van de bepalingen over de premies ingevolge
de WW van de WW naar de Wfsv. Een materiële wijziging
wordt hier niet beoogd.
Onderdelen H
en
J
(artikel 35e en artikel 35m)
In de
IWfsv is verzuimd
de verplichting van het indienen van een loonbelastingkaart met
betrekking tot artiesten, beroepssporters en buitenlandse
gezelschappen te laten vervallen. Met deze wijziging wordt dit gecorrigeerd.
Artikel
XXXIII.
Wijziging
van de Wet op de ondernemingsraden
De heffing van de
Sociaal-Economische Raad (SER) ter bevordering van de scholing en vorming
van ondernemingsraadleden bedraagt volgens de bij de IWfsv
vastgestelde
tekst van artikel 46a, tweede lid, van de Wet
op de ondernemingsraden (WOR)
een percentage van het bij de betrokken ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon in de zin van
de Wet op
de loonbelasting 1964. Deze zogenoemde WOR-heffing wordt na de inwerkingtreding
van de IWfsv namens de SER door de belastingdienst
bij wege van aanslag
geheven. Voor het doelmatig opleggen van deze aanslagen is het
belangrijk dat de belastingdienst in beginsel uit kan gaan van het loon van de
werknemers dat in de geautomatiseerde systemen van de belastingdienst is opgenomen. Bij de zogenoemde eindheffingsbestanddelen
is dat echter niet het
geval. Daarvan worden in deze systemen alleen de
bedragen aan loonbelasting/premie volksverzekeringen geregistreerd, zonder dat
herleiding tot het loon van de werknemers mogelijk is. Daarom wordt
voorgesteld deze eindheffingsbestanddelen van de grondslag voor de
WOR-heffing uit te zonderen. Vóór de inwerkingtreding
van de wijziging krachtens de IWfsv van genoemd artikel 46a,
tweede lid, behoren deze eindheffingsbestanddelen overigens ook niet tot de
grondslag voor de WOR-heffing. Uitgangspunt daarbij is thans namelijk
het loon waarnaar de premies ingevolge de WAO of de
WW worden geheven.
Artikel
XXXVIII.
Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen
Onderdeel A
(artikel 7)
Artikel 7
van de
Wet SUWI bepaalt dat een zelfstandig
bestuursorgaan (hierna: ZBO) - met goedkeuring van de minister
- commissies kan instellen. Dit artikel kan vervallen. Aan artikel 7
lag onder andere als motief ten grondslag te voorkomen dat er
onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over de vraag of de ZBO’s de
bevoegdheid hebben om commissies in te stellen en aan de leden van deze
commissies een vergoeding toe te kennen. Het instellen van commissies is
echter in beginsel een uitvoeringsaangelegenheid, waarvoor bij nader
inzien geen regelgeving noodzakelijk is. De bestuursbevoegdheden blijven
altijd bij de raad van rblz.|27|
bestuur; het instellen
van een commissie kan de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden
niet doorkruisen. Mocht er overigens een zwaarwegende
commissie worden ingesteld, dan is het vanzelfsprekend dat het ZBO de minister
daarvan mededeling doet. Het vervallen van artikel 7 laat onverlet dat de bevoegdheid om commissies in te stellen en
aan deze een vergoeding
toe te kennen, blijft bestaan. Hetzelfde geldt voor artikel
18, dat een
overeenkomstige regeling bevat voor het instellen van commissies door de
Raad voor werk en inkomen (RWI).
Onderdeel B
(artikel 18)
Voor de
toelichting op onderdeel B wordt verwezen naar de toelichting
op onderdeel A (artikel
7)
van het onderhavige artikel.
Onderdelen C,
E, onder 1, en F
(artikelen 21, onderdeel j, 30, eerste lid, onderdeel i,
en 34, eerste lid, onderdeel e)
In de
artikelen 21, 30 en
34 van de Wet SUWI worden de taken van respectievelijk de CWI, het
UWV en de SVB
op hoofdlijnen beschreven. Het geven van een "uitvoeringsopdracht" betreffende een besluit of regeling kan tevens bij
ministeriële regeling geschieden. Zo is het telkens in deze artikelen vastgelegd.
Abusievelijk is niet in de mogelijkheid voorzien dat uitvoering van besluiten
bij algemene maatregel van bestuur (in plaats van uitsluitend bij
ministeriële regeling) kan worden opgedragen. Dit vergt een beperkte aanpassing van genoemde artikelen. Voorts is van de
gelegenheid gebruik
gemaakt in de Wet SUWI vast te leggen dat, indien gebruik wordt gemaakt van
de bevoegdheid om bij ministeriële regeling uit te voeren algemene
maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen aan te wijzen, deze
aanwijzing door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dient
plaats te vinden dan wel in overeenstemming met hem.
Onderdeel D
(artikel 26, tweede lid)
Artikel
26, tweede lid,
schrijft voor dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de
administratieve indeling (de fase-indeling) van werkzoekenden. De wijze
waarop de afstand tot de arbeidsmarkt wordt bepaald en uitgedrukt,
kan in beginsel aan de CWI zelf worden overgelaten, ervan uitgaande dat de
CWI daarbij de andere SUWI-partners betrekt. In het licht van
de sturingsrelatie tussen minister en ZBO is gebruik van deze regelstellende
bevoegdheid niet vanzelfsprekend. Het geheel schrappen van het lid is - gelet op de systeemverantwoordelijkheid van de minister
- niet aan
de orde. Maar de zinsnede "Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld"
kan worden vervangen door: Bij ministeriële regeling kunnen regels worden
gesteld. In de Regeling SUWI komen de uitgebreide regels over de administratieve indeling van werkzoekenden te
vervallen en worden
vervangen door de verplichting voor de CWI om periodiek te overleggen met het
UWV
en de VNG over de nadere invulling van de uniforme landelijke
methode met betrekking tot de administratieve indeling werkzoekenden en
deze zo nodig aan te passen.
Onderdeel H
(artikel 36)
Artikel
36, tweede lid,
regelt dat het toezicht op de CWI, het UWV
en de SVB
onder gezag van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt uitgeoefend door de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI). Vervolgens zijn in artikel 37 de
taken van de IWI opgesomd. Daarbij valt op dat in artikel
37, onderdeel a,
ook het Inlichtingenbureau en de RWI
worden genoemd. Een
vergelijkbare bepaling als artikel 36, tweede lid, ontbreekt echter ten aanzien van
die organisaties (voor wat betreft het toezicht op rblz.|28|
de uitvoering van de Wet
werk en bijstand (Wwb), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz), de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik) en de
Wet sociale werkvoorziening (Wsw) door burgemeester en
wethouders zijn met artikel 36, tweede lid, van de
Wet SUWI vergelijkbare
bepalingen opgenomen in de desbetreffende wetten). Uit oogpunt van
duidelijkheid en consistentie is het gewenst alsnog het Inlichtingenbureau en de
RWI te noemen in artikel 36, tweede lid, Wet
SUWI. De omvang van het
toezicht op het Inlichtingenbureau en de RWI is volgens artikel
37,
onderdeel a, dezelfde als bij de CWI, het UWV en de SVB. Deze aanpassing van
artikel 36, tweede lid, van de Wet SUWI heeft materieel geen gevolgen
voor de reikwijdte van het toezicht.
Onderdeel I
(artikel 38)
Op
grond van
artikel 38, derde lid, stelt de IWI
eens per twee jaar een verslag op over de naleving en de effectiviteit
van de artikelen 22 en
31 van de Wet SUWI.
Uit oogpunt van vereenvoudiging is het wenselijk de verantwoording en
rapportage over de naleving van de non-discriminatiecode mee te laten
lopen in de reguliere jaarplancyclus van het ZBO. De tweejaarlijkse
rapportage van de IWI (artikel 38, derde
lid, van de Wet
SUWI) kan dan vervallen. Door het onderwerp onder te brengen in de
reguliere verantwoording van de ZBO’s kan het jaarlijks door de IWI
beoordeeld worden en zo nodig aan de orde komen in het jaarverslag van
de IWI. Tevens is in het tot derde vernummerde lid de verwijzing naar
het derde lid geschrapt.
Onderdeel J
(artikel 45, tweede en derde lid)
In verband met de
regeling van de fondsen in de Wfsv is verzuimd
artikel 45 van de Wet
SUWI aan te
passen conform artikel 30, eerste lid, en 34, eerste lid, over de taken
van het UWV en de SVB. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt tevens de
onjuiste vermelding van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen te
schrappen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet
einde toegang verzekering WAZ worden de uitkeringen op grond van de WAZ
gefinancierd ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Onderdeel K
(artikel 49)
Artikel
49, derde lid,
schrijft voor dat de CWI, het UWV, de
SVB en de RWI in hun jaarrekening
rapporteren over de doelmatigheid. De praktijk is dat over doelmatigheid in het
jaarverslag wordt gerapporteerd in plaats van in de jaarrekening. Zo is
het ook in de verantwoordingsmodellen opgenomen. Dit is mede in verband
met de andersoortige verklaring van de accountant bij het
onderdeel doelmatigheid (verslag van bevindingen in plaats van verklaring
omtrent de getrouwheid, zie in dat verband artikel
49, zesde lid, van de Wet SUWI). Het ligt dan ook voor de hand om artikel
49, tweede lid, van de Wet SUWI aan te passen, inhoudende dat over de doelmatigheid in het
jaarverslag wordt gerapporteerd (in plaats van in de jaarrekening).
Op grond van de wijziging
van artikel 49, negende lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald
dat het kwartaalverslag van het vierde en laatste kwartaal in de daarbij
omschreven gevallen achterwege kan blijven. Het voornemen bestaat dit
voor de CWI, het UWV, de SVB en de RWI ook daadwerkelijk zo te regelen dat deze verplichting komt te vervallen. Het
opleveren van een vierde
kwartaalverslag in de periode dat ook het jaarverslag moet worden afgerond, legt
een grote druk op de organisaties. Bovendien is er inhoudelijke overlap tussen beide documenten. De
zogeheten rblz.|29|
"VBTB-informatie"
(de prestatie-indicatoren en kengetallen die nodig zijn voor het
jaarverslag van SZW), die bij de wijziging van de Regeling
SUWI van 15 december 2003 (Stcrt. 2003, 249) is geïntegreerd in het kwartaalverslag, dient
wel gehandhaafd te blijven (dit kan in een apart artikel van de Regeling
SUWI, conform het tot eerder genoemde wijziging bepaalde in artikel
5.13,
eerste en tweede lid, van de Regeling SUWI) en dient op hetzelfde moment
beschikbaar te komen.
Onderdeel L
(artikel 55, eerste lid)
In de
Wet op de uitgebreide identificatieplicht is artikel 55 van de
Wet SUWI gewijzigd. Ten
onrechte is toen in artikel 55, eerste lid, geen verwijzing opgenomen naar artikel 1,
eerste lid, onder 3º, van de Wet
op de identificatieplicht. Deze
omissie wordt thans hersteld. De wijziging van het tweede lid is van
technische aard.
Onderdeel M
(artikel 62)
In
artikel 62, derde lid,
van de Wet SUWI wordt aangegeven dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld omtrent het gebruik van
de in het tweede lid bedoelde infrastructuur (het Suwinet) door de minister en
de IWI in verband met de toepassing van de artikelen
42, 43, 54 en
72 van die wet. Het eventuele gebruik in verband met de toepassing van
artikel 43 van de Wet SUWI roept vragen op. Dit artikel vormt de basis
voor de kennisgeving van besluiten van het UWV, de
CWI, de SVB en aan de
IWI [lees: het UWV, de CWI en de SVB aan de IWI, red.]. In artikel 5.23 van de Regeling
SUWI is dit nader uitgewerkt in die
zin dat besluiten van algemene strekking van de eerste drie instanties
ter kennis van de inspectie dienen te worden gebracht, behoudens indien die besluiten de goedkeuring van de minister
behoeven. Ten aanzien van
dergelijke besluiten ligt gebruik van het Suwinet niet voor de
hand. Om die reden kan artikel 43 van de Wet
SUWI worden geschrapt uit de
opsomming in artikel 62.
Daarnaast kent artikel 62
op dit moment twee vijfde leden. De onderhavige wijziging corrigeert deze
onjuiste nummering. Dit betreft een louter technische wijziging.
Onderdeel N
(artikel 68)
Artikel 68 van de
Wet SUWI schrijft voor dat de CWI, het UWV, het
Inlichtingenbureau en het Bureau
Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) jaarlijks een
verslag opstellen van de uitwisseling van gegevens met behulp van
Suwinet.
Dit vereiste kan vervallen, met dien verstande dat de verplichting - uitsluitend ten aanzien van het BKWI als juridisch
onderdeel van de CWI, die
het volledige overzicht met betrekking tot het gegevensverkeer heeft - wél gehandhaafd blijft. Verantwoording door het BKWI is al praktijk. Deze
verantwoording betreft louter kwantitatieve beleidsinformatie.
Onderdeel O
(artikel 73, vijfde lid)
Met de wijziging van het
vijfde lid van artikel 73 van de Wet
SUWI wordt een grondslag gegeven
voor gegevensverstrekking door de minister aan bestuursorganen. Het
gaat hierbij om gegevens die de minister bij de uitoefening van zijn
taken verwerkt bijvoorbeeld voor zijn taak een bijzondere opsporingsdienst in stand
te houden (SIOD [Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, red.]). Hiermee kan in het Besluit
SUWI aan de
gegevensverstrekking door de SIOD aan andere bestuursorganen dan het UWV,
CWI en de SVB een nadere inhoud
worden gegeven. Deze
gegevensverstrekking sluit aan bij die van artikel 54 van de
Wet SUWI, dat
gaat over de gegevensverstrekking aan de minister.
rblz.|30|
Onderdeel P
(artikel 86)
Artikel
86, tweede lid,
van de Wet SUWI bevat een opsomming van onderwerpen die in elk geval in de
eerste evaluatie van de Wet SUWI moeten worden meegenomen. Nu
deze evaluatie is geweest, heeft de bepaling geen betekenis meer en
kan het tweede lid van artikel 86 vervallen.
Artikel
XLI.
Wijziging van
de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR
De
artikelen IVa en
IVb van de Wet uitbreiding
rechtsgevolgen VAR komen te vervallen. In artikel IVa
was een wijziging opgenomen van de Wfsv
en in artikel IVb was
geregeld dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vóór plaatsing in het
Staatsblad van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR conform aanwijzing
251 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving de nummering van de in artikel IVa
te wijzigen artikelen van de Wfsv in overeenstemming zou
brengen met de op grond van artikel 8.4 [artikel
126, red.] van de Wfsv vastgestelde nieuwe
nummering van die wet. Omdat de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR eerder
in het Staatsblad is geplaatst dan de Wfsv, kunnen de artikelen IVa
en
IVb niet worden toegepast en is ervoor gekozen om de wijzigingen
in de Wfsv op grond van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR
opnieuw te formuleren in dit wetsvoorstel.
Artikel
XLIV.
Wijziging
van de Ziekenfondswet
Onderdeel A,
onder 2 (artikel 16, vierde lid)
In
artikel 59, elfde lid,
van de Wfsv is geregeld dat naheffingsaanslagen waarin premies voor de werknemersverzekeringen zijn begrepen niet aan
werknemers kunnen worden
opgelegd. Door in artikel 16, vierde lid, van de
Zfw artikel
59, elfde
lid, van de Wfsv van overeenkomstige toepassing te verklaren, geldt dit
ook ten aanzien van naheffing van ziekenfondspremies.
Onderdeel B
(artikel 83c, tweede lid)
De wijziging van
artikel
83c, tweede lid, van de Zfw op grond van dit onderdeel is toegelicht
in de toelichting op artikel IV (wijziging van de AWBZ).
Artikel
XLV.
Wijziging
van de Ziektewet
Onderdeel B
(artikel 32)
Nu de maximale
uitkeringsduur van de ZW is verlengd tot 104 weken, terwijl de wachttijd voor
de WAZ en de Wajong
52 weken is gebleven, is er ook samenloop mogelijk
van een recht op toekenning van ziekengeld en een recht op
herziening van een WAZ- of Wajong-uitkering bij minder dan 45%
arbeidsongeschiktheid. Artikel 32 ZW, dat de gevolgen van deze samenloop regelt, moet om
die reden worden uitgebreid met verwijzingen naar artikel 13 van de
WAZ en artikel 12 van de Wajong. Daarnaast is het wenselijk dat de
op artikel 32, vierde lid, ZW
gebaseerde ministeriële regelingen
die de gevolgen van een dergelijke samenloop regelen ook kunnen worden
toegepast in de gevallen, genoemd in artikel 32a
ZW. Artikel 32,
vierde lid, ZW wordt hiertoe uitgebreid met een verwijzing naar
artikel
32a van de ZW.
Onderdeel C
(artikel 38, vijfde en achtste lid)
Op grond van
artikel 38,
tweede lid, ZW is het niet de werkgever, maar de werknemer die het reïntegratieverslag desgevraagd aan het
UWV rblz.|31|
verstrekt. Op grond van
het huidige vijfde lid van dat artikel moet het reïntegratieverslag
betreffende een vangnetwerknemer als bedoeld in dit vijfde lid toch nog door
de werkgever aan het UWV worden verstrekt. De onderhavige wijziging
regelt dat de verplichting voor de werknemer om het reïntegratieverslag
te verstrekken ook geldt met betrekking tot de vangnetwerknemer, door te
bepalen dat ook de derde zin van het tweede lid wel van toepassing
is. De verplichting voor de werkgever van de vangnetwerknemer om het
reïntegratieverslag aan het UWV te verstrekken, kan hiermee komen te vervallen. Uiteraard moet de werkgever
nog wel in overleg met de
werknemer bij einde dienstverband het reïntegratieverslag
opstellen en een afschrift hiervan aan de werknemer verstrekken. Daarnaast
wordt aan artikel 38 een achtste lid toegevoegd. Dit achtste lid regelt
dat het UWV ook aan de werknemer een termijn mag stellen waarbinnen het
reïntegratieverslag moet worden verstrekt of aangevuld als hij niet
aan zijn verplichting op grond van het tweede lid voldoet. Dit is het
equivalent van artikel 38, zevende lid, dat aan het UWV dezelfde bevoegdheid
geeft ten aanzien van de werkgever.
Onderdeel D
(artikel 39a, eerste lid)
Dit onderdeel voegt een
zin toe aan artikel 39a ZW
op grond waarvan ziekengeldlasten die op
grond van de eerste drie zinnen van dat artikel in beginsel door het UWV
op
de werkgever verhaald zouden worden, niet verhaald worden. Op grond
van de nieuwe vierde zin van artikel 39a
ZW worden de
ziekengeldlasten ten aanzien van een ziekteperiode die volgt op een periode van ten
minste vier weken waarin de werknemer niet ziek is geweest, niet verhaald
op de werkgever. Op grond van deze wijziging wordt bereikt dat bij een onderbreking van de ziekte (door geschiktheid tot
werken) van meer dan vier
weken het verhaal eindigt en dus niet doorloopt als de werknemer opnieuw
uitvalt. In die situatie wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een
nieuw ziektegeval, waarbij de kosten van ziekengeld niet meer aan
de werkgever worden toegerekend. Is de bedoelde onderbreking van
de ziekte korter dan vier weken, dan is sprake van een doorlopend ziektegeval en loopt het verhaalstijdvak, zoals dit
oorspronkelijk is
vastgesteld, door. Met deze wijziging wordt aangesloten bij de
samentellingsregeling inzake onderbroken ziekteperioden die thans ook elders in
de ZW en de WAO bestaat, bijvoorbeeld ter bepaling van de wachttijdperiode voor de
WAO. De wijziging heeft geen negatieve effecten voor werkgevers en
evenmin op de positie van de werknemer. Zoals eerder vermeld, heeft de
voorgestelde wijziging namelijk tot gevolg dat ziekengeldlasten niet
worden verhaald indien de ziekte binnen het verhaalstijdvak langer
dan vier weken wordt onderbroken.
Onderdeel E
(artikel 45)
Het niet voldoen aan de
verplichting tijdig een volledig reïntegratieverslag in te dienen, leidt op
grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel n, van de
ZW tot het opleggen van
een maatregel. Bij de overeenkomstige tekortkoming in de WAO
is het mogelijk
om in plaats van een maatregel te volstaan met een
schriftelijke waarschuwing (artikel 28,
eerste lid, onderdeel f, en
artikel 29, tweede lid, WAO).
Het is wenselijk dat ook bij het reïntegratieverslag in het kader van de
ZW die mogelijkheid bestaat. De onderhavige wijziging van
artikel 45, derde
lid, ZW voorziet hierin.
Onderdeel G
(artikel 64, eerste lid, onderdeel c)
Op grond van
artikel 64,
eerste lid, onderdeel c, van de ZW wordt tot de vrijwillige verzekering toegelaten
degene die "als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat
uitoefenen". Deze terminologie spoort
echter niet meer met de aanduiding
van de zelfstandige zoals die elders krachtens rblz.|32|
die wetten [de WAO,
ZW en WW, red.]
wordt gehanteerd. Het gaat hierbij om
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit van 24
december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 5 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 5 van de Ziektewet en artikel 5 van de
Werkloosheidswet (Stb. 1986, 655) (het zogenaamde
"Rariteitenbesluit") [Besluit
aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt
beschouwd, red.].
Het aldaar opgenomen
zelfstandigheidsbegrip wijst naar het - fiscale - zelfstandigheidsbegrip in
artikel 4 van de WAZ. Het is in deze constellatie niet
onmogelijk dat iemand
fiscaal als zelfstandige te boek staat (en dus van verzekeringsplicht voor
bijvoorbeeld de ZW
geen sprake is), maar toch niet als zelfstandige in
de zin van bijvoorbeeld artikel 64 van de ZW
wordt aangemerkt, zodat vrijwillige verzekering niet mogelijk is. Om dit te voorkomen,
dient de terminologie in
artikel 64 ZW
te worden aangepast aan de terminologie van artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van het Rariteitenbesluit. Hiertoe wordt
"een
bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van de
zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken"
vervangen door: als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, werkzaamheden verricht of gaat
verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken in diens onderneming.
Artikel
XLVI. Wijziging
van de Zorgverzekeringswet
Onderdeel B
(artikel 40, vijfde, tiende en elfde lid)
Met de wijziging van
artikel 40, vijfde, tiende en elfde lid, wordt de bevoegdheidstoedeling met
betrekking tot het stellen van regels omtrent het in rekening-courant
aanhouden door het College voor zorgverzekeringen van de financiële
middelen van het Zorgverzekeringsfonds bij de Minister van
Financiën in de Zorgverzekeringswet in overeenstemming gebracht met de
Wet
financiering sociale verzekeringen.
Onderdeel C
(artikel 43, tweede en derde lid)
Met de wijziging van
artikel 43, derde lid, wordt het mogelijk gemaakt om de systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen als bedoeld in de
Wet financiering sociale
verzekeringen toe te passen in de situatie dat de inkomensafhankelijke
bijdrage bij wijze van inhouding wordt geheven.
Onderdeel D
(artikel 50, eerste lid)
De wijziging van
artikel 50, eerste lid, leidt ertoe dat de inspecteur aan de hand van de beschikbare
gegevens in de polisadministratie ambtshalve de te veel betaalde
inkomensafhankelijke bijdrage vaststelt en teruggeeft of verrekent. In het
oorspronkelijke wetsvoorstel werd de inkomensafhankelijke bijdrage alleen
op
verzoek teruggegeven of verrekend.
Onderdeel E
(artikel 69, eerste en vijfde lid)
De voorliggende twee
wijzigingen van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet
beogen een via artikel
2.4.2, onderdeel U, onder 1, van de Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet aangebrachte wijziging in eerstgenoemd artikel
redactioneel te vervolmaken.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|