|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 318
Aanpassing
van en verbeteringen in diverse wetten in verband met de invoering van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede enkele andere
correcties (Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Financiële
gevolgen en administratieve lasten |
| 3 |
Gevolgen
voor de rechterlijke macht |
| 4 |
Commentaar
op de toetsen |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid |
| x |
Artikelen
I t/m XVI |
| Hoofdstuk
2. Ministerie van Justitie |
| x |
Artikel
XVII |
| Hoofdstuk
3. Ministerie van Binnenlandse Zaken |
| x |
Artikel
XVIII |
| Hoofdstuk
4. Slotbepalingen |
| xx |
Artikelen
XX t/m XXII |
Algemeen
1.
Inleiding
In het wetsvoorstel Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: wetsvoorstel WIA) is de
geheel nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering vormgegeven. Het
wetsvoorstel voorziet in een stelsel waarin de activering van en
inkomensbescherming voor werknemers met arbeidsbeperkingen voorop staan. In de
Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (hierna: wetsvoorstel IWIA) wordt een groot aantal inhoudelijke
zaken geregeld die verband houden met het wetsvoorstel WIA. Zo is
in dat wetsvoorstel het overgangsrecht met betrekking tot de Wet
op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geregeld. Daarnaast is in
dat wetsvoorstel de financiering van het wetsvoorstel WIA en van de WAO vanaf
het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA vormgegeven. Ook is in het wetsvoorstel
IWIA geregeld dat de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) wordt ingetrokken en dat
een aantal instrumenten uit de Wet
Rea wordt opgenomen in andere wetten. Voorliggend wetsvoorstel
Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: wetsvoorstel Aanpassings- en
verzamelwet) vormt het sluitstuk van het wetgevingscomplex met
betrekking tot het nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel. In dit wetsvoorstel wordt
de technische aanpassing geregeld van diverse wetten in
verband met de invoering van het wetsvoorstel WIA en het wetsvoorstel
IWIA en worden in verband met die wetsvoorstellen verbeteringen en
aanpassingen in diverse wetten aangebracht.
Het wetsvoorstel
WIA maakt
onderscheid tussen enerzijds gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en
anderzijds duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Overwogen is of in andere
wetten waarin de term arbeidsongeschikt(heid) in algemene zin
wordt gebruikt een zelfde onderscheid in te voeren. Hiervan is om
de navolgende redenen afgezien. In het wetsvoorstel WIA wordt naast de
gangbare term "gedeeltelijk arbeidsgeschikt" ook nog de term
arbeidsongeschikt gebruikt (bijvoorbeeld in artikel
7.1.2). Daarnaast is van
belang
dat de term gedeeltelijk arbeidsgeschikt in de Wet WIA specifiek is
gedefinieerd en dat het gebruik van de term gedeeltelijk rblz.|2|
arbeidsgeschikt
in andere wetten wellicht onduidelijkheid zou creëren. Deze
overwegingen hebben ertoe geleid dat is besloten wetten waarin de termen
arbeidsongeschikt of arbeidsongeschiktheid in algemene zin worden
gebruikt op dit punt niet aan te passen. De in de andere wetten
gebruikte termen arbeidsongeschikt en arbeidsongeschiktheid behouden hun
oorspronkelijke inhoud en indien daar nu (in termen van het wetsvoorstel
WIA) gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid onder valt, zal dat na de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA niet veranderen. Ook met
betrekking tot de term arbeidsongeschiktheidsverzekering is overwogen om
deze term aan te passen. Nu het wetsvoorstel WIA als geheel gezien moet
worden als een verzekering inzake arbeidsongeschiktheid is besloten niet
tot aanpassing over te gaan. Wellicht ten overvloede wordt hier
opgemerkt dat onder de term arbeidsongeschiktheidsverzekering dus ook
een verzekering op grond van het wetsvoorstel WIA moet worden verstaan.
Bij de aanpassingen wordt
uitgegaan van de wetteksten zoals deze komen te luiden na de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel IWIA.
2. Financiële gevolgen
en administratieve lasten
In dit wetsvoorstel wordt
een groot aantal technische punten geregeld. De regelingen van deze
verschillende punten hebben geen tot zeer beperkte invloed op de
uitvoeringskosten. Hetzelfde geldt voor de administratieve lasten.
3. Gevolgen voor de
rechterlijke macht
Dit wetsvoorstel heeft
geen gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht.
4. Commentaar op de
toetsen
Een concept van het
wetsvoorstel is aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
gezonden met het verzoek dit wetsvoorstel van uitvoeringstechnisch
commentaar te voorzien. Ook is het concept-wetsvoorstel gezonden aan de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) met het verzoek de
toezichtbaarheidsaspecten van dit wetsvoorstel te beoordelen. Daarnaast
is een concept-wetsvoorstel gezonden aan de Raad voor
werk en inkomen (RWI)
de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) en de
Sociale
verzekeringsbank (SVB).
Naar het oordeel van het
UWV zijn de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar en
is invoering van het wetsvoorstel op de beoogde inwerkingtredingsdatum
(29 december 2005) haalbaar. De door het UWV voorgestelde (wets)technische
wijzigingen zijn in overwegende mate in het wetsvoorstel verwerkt.
Het wetsvoorstel geeft de
CWI geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
De IWI is van mening dat de
voorgestelde wijzigingen geen problemen opleveren voor de
toezichtbaarheid. De door de IWI separaat gestuurde technische
opmerkingen zijn grotendeels in het wetsvoorstel verwerkt.
De voorgestelde
wijzigingen geven de SVB geen aanleiding tot opmerkingen. Er zijn geen
consequenties voor informatiehuishouding of systemen. De beoogde
invoeringsdatum is voor de SVB eenvoudig haalbaar en de wijziging zal
geen noemenswaardige gevolgen hebben voor de rblz.|3|
uitvoeringskosten van de SVB. De twee technische aanpassingen die de SVB voorstelt, zijn in het
wetsvoorstel verwerkt.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikelen
I, II,
III,
V,
onderdeel B, XI, onderdeel
B, XVI, onderdeel B en
XVIII
Conform de redactie van
artikel 1.1.3 van het wetsvoorstel
WIA vervalt de aanvulling wat betreft
het wonen op luchtvaartuigen in dit artikel. Deze situatie blijkt zich
in de praktijk niet voor te doen.
Artikelen V, onderdeel
C, XI, onderdeel A, onder 2, en C, en
XVI, onderdeel
A, onder 2, en C
Met de uitbreiding van
het begrip werkgever met de overheidswerkgever tot wie één of meer
natuurlijke personen in dienstbetrekking staan, wordt het
werkgeversbegrip voor de overheidssector in de Werkloosheidswet (WW), de
WAO en de Ziektewet (ZW) in overeenstemming gebracht met de
uitvoeringspraktijk en tevens met hetgeen werd beoogd bij de
totstandkoming van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen. De essentie van het toevoegen "overheidswerkgever" aan de definitie van werkgever is dat niet het
lichaam de werkgever is, maar de organen van het lichaam.
In verband met het
toevoegen van de term overheidswerkgever wordt in de ZW en de WAO die
term ook opgenomen in de begripsbepalingen.
Artikelen
VI, onderdeel A, onder 1, VII, onderdeel
A, onder 1, en XI, onderdeel
D, onder 1
Met deze wijzigingen
wordt de in de voorhangprocedure van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten te hanteren termijn in overeenstemming
gebracht met de termijn die geldt op grond van het wetsvoorstel
WIA.
Artikelen
VI, onderdeel C, VII, onderdeel
B, XI, onderdeel
M, XV, onderdeel
G, XVI, onderdeel G
Op grond van de artikelen
59b van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong),
67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ),
65e van de
WAO en 52d van de ZW (die alle bij de inwerkingtreding van de
IWIA in de genoemde wetten zullen worden ingevoerd) en
artikel 4.2.2,
tweede lid, van de Wet WIA kunnen aan personen die recht hebben op
één
van de in die wetten bedoelde uitkeringen in het kader van de
bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als
zelfstandige, voorzieningen worden verstrekt. Deze voorzieningen kunnen
worden verstrekt tot het moment waarop geen recht meer bestaat op één
van de bedoelde uitkeringen. Op het moment dat betrokkene als
zelfstandige arbeid verricht, is hij geen verzekerde meer en vervalt de
aanspraak op deze voorzieningen. Het kan echter in het kader van de
reïntegratie wenselijk zijn deze voorzieningen (als overgangsmaatregel)
nog een beperkte tijd te laten doorlopen (zoals dat ook mogelijk was op
grond van de Wet
Rea). Door de hier voorgestelde uitbreiding van de
delegatiebepaling kan in het nieuw te treffen rblz.|4|
Reïntegratiebesluit worden vastgelegd in welke gevallen deze voorzieningen nog langer kunnen
worden verstrekt.
Artikelen
XI, onderdeel A, onder 1, en XVI, onderdeel
A, onder 1
De definitie van
onbetaald verlof in de
WAO en de ZW wordt door middel van deze bepaling
in overeenstemming gebracht met de definitie zoals deze in het
wetsvoorstel
WIA is opgenomen.
Artikel
IV.
Arbeidsomstandighedenwet 1998
In artikel
3a, tweede
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 zoals dat is voorgesteld in
het wetsvoorstel IWIA is het woord "wet" weggevallen. Via deze
wijziging wordt dat gecorrigeerd.
Artikel V.
Werkloosheidswet
Onderdeel A
In het wetsvoorstel
IWIA wordt voorgesteld om de wachtgeldfondsen voortaan sectorfondsen te
noemen. Door middel van dit onderdeel wordt artikel
1, onderdeel c,
daaraan aangepast. Onderdelen d, f en k worden alsnog aangepast in
verband met de invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen
(Wfsv).
Onderdeel D
Dit onderdeel betreft een
tekstuele correctie.
Onderdeel E
In het wetsvoorstel
IWIA wordt voorgesteld de term wachtgeldfonds te vervangen door de term
sectorfonds. Artikel 24 wordt hierop aangepast.
Onderdeel F
Met deze wijziging vormt
het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 4.1.2, tweede lid, van de Wet WIA, grond voor het opleggen van een
maatregel op grond van de WW. Reden hiervoor is de volgende.
Wanneer een werknemer
tijdens zijn wachttijd voor de Wet WIA of tijdens het tijdvak van de
verlengde loondoorbetalingsplicht voor de werkgever onvoldoende aan zijn
reïntegratie meewerkt (dus de plicht, bedoeld in artikel
4.1.2, tweede
lid, Wet WIA, niet naleeft), wordt hem een maatregel op grond van
artikel
10.1 Wet WIA opgelegd. Zijn WIA-uitkering wordt dus gekort. Dit zal
echter slechts aan de orde zijn als bij de claimbeoordeling van de
werknemer is gebleken dat hij meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Alleen
dan ontvangt hij immers een uitkering op grond van de Wet WIA. Als de
werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt blijkt te zijn, ontvangt hij
na afloop van de wachttijd voor de Wet WIA of het tijdvak van de
verlengde loondoorbetalingsplicht een WW-uitkering (mits hij uiteraard
aan de overige voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet). Het ligt in
de rede dat als de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt is en hij
tijdens de eerste twee ziektejaren of het tijdvak van de verlengde
loondoorbetalingsplicht niet of onvoldoende aan zijn reïntegratie heeft
meegewerkt, hij op zijn WW-uitkering wordt gekort. De wijziging van
artikel 27, derde lid, WW strekt hiertoe.
rblz.|5|
Onderdeel G
Nu in
artikel 1,
onderdeel l, WW de definitie van het begrip "reïntegratiebedrijf"
(via het wetsvoorstel IWIA) is opgenomen in de WW
kan de omschrijving daarvan in
artikel 72 vervangen worden door die term.
Onderdeel H
In
artikel
129c van de WW wordt nu verwezen naar de
artikelen 88 tot en met 88i van de
WAO.
Gezien de aflopende werking van de
WAO ligt het meer in de rede hier
voortaan te verwijzen naar het wetsvoorstel
WIA.
Artikel
VI. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdeel
A, onder 2
In
artikel 2, negende
lid, van de WAZ is de mogelijkheid opgenomen om regels te stellen omtrent
een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de WAZ en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere
wettelijke regeling ter verzekering tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. In het wetsvoorstel
WIA wordt de term arbeidsongeschiktheidsuitkering gereserveerd voor de
uitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van die
wet. Om tot uitdrukking
te brengen dat ook in geval van samenloop van een uitkering op grond
van de WAZ met een uitkering op grond van het wetsvoorstel WIA (dus ook
de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
bedoeld in hoofdstuk 7) mogelijk is, wordt voorgesteld om de term "arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke
regeling" te
vervangen door: een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid op grond van een andere
wettelijke regeling.
Onderdeel B
In
artikel 7, eerste lid,
van de WAZ is opgenomen dat het
UWV voor bijzondere gevallen
regels kan stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt. In
artikel 3.1, tweede lid, van het wetsvoorstel
WIA is ervoor gekozen deze
regels bij ministeriële regeling vast te stellen. In de nota van wijziging op het
wetsvoorstel
WIA is aangegeven dat dit voor de andere
arbeidsongeschiktheidswetten ook zo zal worden geregeld, hetgeen middels dit
onderdeel gebeurt.
Artikel
VII. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Onderdeel
A, onder 2
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 2, negende lid, van de
WAZ.
Onderdeel C
Van de gelegenheid wordt
gebruik gemaakt om in het opschrift van artikel 76a
van de Wajong een verbetering aan te brengen. In het opschrift
wordt op een foutieve
manier verwezen naar de Wet wijziging systematiek
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten. Door middel van dit onderdeel wordt dat verbeterd.
rblz.|6|
Artikel
VIII. Wet
financiering sociale verzekeringen
Onderdeel A
In
artikel 40, vierde
lid, van de Wfsv is geregeld dat na beëindiging van het zelf dragen van het
risico een wachttijd van drie jaren geldt alvorens wederom het risico zelf
mag worden gedragen. Dit artikellid wordt gewijzigd opdat duidelijk is dat
deze wachttijd alleen geldt voor het zelf dragen van het risico dat is beëindigd. Voor het verlenen van toestemming van
andere vormen van het eigen risico dragen heeft de beëindiging geen gevolgen.
Onderdeel B
Voor de toelichting op de
wijziging van artikel 49 van de Wfsv
wordt verwezen naar de
toelichting op de wijziging van artikel 29b ZW.
Onderdelen C en
D
De uitkeringen op grond
van de ZW komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds
(AWf)
of de sectorfondsen. De ziekengelduitkeringen voor personen als bedoeld
in artikel 29b ZW
(arbeidsgehandicapten, na inwerkingtreding van de Wet
WIA
met fysieke beperkingen) kwamen ten laste van het Rea-fonds.
Nu de Wet
Rea wordt ingetrokken, is het
wenselijk dat de uitkeringen ten
laste worden gebracht van een ander fonds. De achtergrond van de no-riskpolis ZW is de werkgever niet te belasten met de loondoorbetalingplicht
bij ziekte van de werknemer met beperkingen, maar de werknemer in aanmerking te laten komen voor ziekengeld. Geregeld
wordt daarom dat de
uitkeringen aan de werknemers, bedoeld in artikel 29b
ZW, ten laste
komen van het AWf.
Voor de personen die een
uitkering op grond van de ZW ontvangen, kan het
UWV op grond van
artikel 30 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet
SUWI)
verantwoordelijk zijn voor de reïntegratieactiviteiten.
De kosten die het UWV voor reïntegratietrajecten maakt voor personen die
een uitkering op grond van de ZW ontvangen, komen ten laste van het
fonds ten laste waarvan ook de uitkeringen komen. Dat zijn het AWf (artikel
100) of de sectorfondsen (artikel 104).
Onderdeel
E, onder 1 en 2
In
artikel 30, vijfde
lid, onderdeel a, van de Wet SUWI is
geregeld dat het
UWV geen
reïntegratietaak heeft ten aanzien van personen die een uitkering van het UWV ontvangen,
maar voor wie is overeengekomen met colleges van burgemeester
en wethouders dat door de gemeenten voorzieningen worden aangeboden. Dit
gaat vooral om sociale activering. Het UWV betaalt daarvoor dan
vergoedingen aan de gemeenten. Deze vergoedingen komen ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof), voor zover het gaat om personen die
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ,
Wajong en
WAO of een werkhervattingsuitkering op grond van de Wet
WIA
ontvangen van het UWV. Dergelijke vergoedingen kwamen eerder ten laste
van het Reïntegratiefonds. In verband met de intrekking van de Wet
Rea komen deze vergoedingen voor overeenkomsten die na de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA worden aangegaan nu ten laste van het
Aof.
De vergoedingen voor personen die een WW-uitkering ontvangen, komen op grond van
artikel 101 al ten laste van
het AWf.
rblz.|7|
Onderdeel F
Beoogd was te regelen dat
de WGA-uitkeringen [WGA: werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, red.] aan overheidswerknemers die voordien een
uitkering ontvingen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
b en c, van de ZW in 2006 niet ten laste komen van het Uitvoeringsfonds
voor de overheid, maar ten laste van het Aof komen. Dit is conform de
regeling voor uitkeringen aan andere werknemers die voordien een
uitkering ontvingen op grond van de hiervoor genoemde uitkeringen.
Door middel van het hier voorgestelde artikel wordt dat gecorrigeerd.
Onderdeel
G, onder 1 en 2
Van de gelegenheid wordt
gebruik gemaakt om twee tekstuele foutjes te corrigeren.
Onderdeel G, onder 3
Aan
artikel
122c van de Wfsv wordt een twaalfde lid toegevoegd, waarin de situatie wordt
geregeld dat een werkgever die op 30 of 31 december start gelijk
eigenrisicodrager wil worden. Op grond van dit lid is het mogelijk.
In het dertiende en
veertiende lid wordt geregeld bij wie bezwaar kan worden gemaakt tegen beschikkingen op grond van
artikel
122c. Conform
het overgangsrecht in de
Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen is hier bepaald dat het
UWV bevoegd is wanneer het bezwaar is ingediend
vóór de inwerkingtreding van
artikel 40 van de Wfsv
en de
inspecteur wanneer het
bezwaar daarna is ingediend. In het vijftiende en zestiende lid is ook het
beroep conform de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen
geregeld.
Artikel
IX. Wet invoering
en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel A
In
artikel
1.5a van het
wetsvoorstel IWIA wordt een tekstuele verbetering aangebracht.
Onderdeel B
In verband met eerder
aangebrachte vernummeringen in het wetsvoorstel
WIA wordt artikel 2.1,
tweede lid, van het wetsvoorstel IWIA aangepast.
Onderdeel C
In
artikel 2.3, eerste
lid, van het wetsvoorstel IWIA wordt een technische verbetering aangebracht,
zodat die overgangsrechtelijke bepaling ook van toepassing is op de
persoon die op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van
artikel 2.10 van het wetsvoorstel IWIA in aanmerking is gebracht voor een
instrument op grond van de Wet
Rea of een aanvraag daartoe heeft
ingediend.
Onderdeel D
Artikel
2.4, eerste lid,
van het wetsvoorstel IWIA wordt technisch zo aangepast dat duidelijk
is welke dag, in verband met het bepalen van de staat waarin een
voorziening verkeert, bepalend is wanneer op een aanvraag om een
voorziening niet is beslist op de dag voorafgaande aan rblz.|8|
de dag waarop artikel
75,
eerste lid, van de Wet
Rea vervalt als gevolg van de inwerkingtreding
van artikel 2.10 van het wetsvoorstel IWIA.
Onderdeel
E, onder 1
In verband met de
wijziging van artikel 100, onderdeel b, en
artikel 104 van de Wfsv dient ook
artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel IWIA
te worden aangepast,
omdat er in dat artikel van werd uitgegaan dat de
ziekengelduitkeringen voor werknemers als bedoeld in artikel 29b
ZW ten laste
komen van het Aof.
Onderdeel
E, onder 2
In
artikel 2.9, tweede
lid, onderdeel c, zoals dat luidt in het ingediende wetvoorstel IWIA
wordt ten
onrechte gesproken van de uitvoering van artikel 30 van de
Wet SUWI. De bedoeling van deze bepaling is
financiering te regelen van afspraken
in het kader van sociale activering die zijn gemaakt vóór het moment waarop de
Wet Rea
wordt ingetrokken. In
plaats van te verwijzen
naar artikel 30, vijfde lid, onderdeel a, van de
Wet SUWI dient te worden
verwezen naar artikel 14, eerste lid, van de
Wet Rea
zoals dat artikel luidde
op de dag vóór het vervallen van dat artikel als gevolg van de
inwerkingtreding van artikel 2.10 (van het wetsvoorstel
IWIA). Dit wordt in dit
onderdeel gecorrigeerd.
Onderdeel F
Door middel van de hier
voorgestelde wijzigingen worden enkele verbeteringen aangebracht in de samenloop van het bij koninklijke boodschap
van 23 mei 2005
ingediende voorstel van wet houdende invoering van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van overige
wetten een die wet (Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet) (Kamerstukken II 2004/05, 30 124, nr. 2)
en het wetsvoorstel IWIA daar waar het gaat om vernummeringen in de Wfsv.
Artikel X.
Wet
kinderopvang
Onderdeel
A, onder 1 en 2
In verband met het
gebruik van komma’s bij opsommingen in plaats van puntkomma’s in de Wet
kinderopvang worden enkele artikelen redactioneel aangepast.
Omdat het niet de
bedoeling is in artikel 6 een cumulatieve opsomming te geven, kan door het
gebruik van het woord "en" in subonderdeel 3 van artikel 6, onderdeel i,
onduidelijkheid hieromtrent ontstaan. In verband daarmee wordt hier voorgesteld
het woord "en" te laten vervallen.
Onderdeel
A, onder 3
Omdat in artikel 6 wordt
verwezen naar de artikelen van diverse
wetten waarin het
reïntegratie-instrument proefplaatsing is geregeld, wordt artikel 52e
ZW ook daarin
opgenomen.
Artikel
XI.
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel D, onder 2
Tweede lid
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 2, negende lid, van de
WAZ.
rblz.|9|
Onderdeel E
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 7, eerste lid, van de
WAZ.
Onderdelen F,
I tot en
met L en N
Door middel van deze
onderdelen wordt het gebruik van de termen besluit en beschikking in
de
WAO in overeenstemming gebracht met het gebruik daarvan in het
wetsvoorstel
WIA.
Onderdelen G en H
Door het intrekken van de
Wet Rea
kan voor wat betreft de reïntegratietaak van het
UWV niet langer
verwezen worden naar die wet. In plaats daarvan wordt hier
verwezen naar artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet SUWI waarin die
taak is opgenomen. Voor de reïntegratietaak van de werkgevers dient verwezen te worden naar artikel
658a, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
Onderdeel
M
Van de gelegenheid wordt
gebruik gemaakt om in artikel 71a van de
WAO een tekstuele verbetering
op te nemen.
Onderdeel P
Met ingang van 1 januari
1998 zijn in de artikelen 88 tot en met 88i
van de
WAO bepalingen in verband
met de behandeling van beschikkingen waaraan een beoordeling
van medische gegevens ten grondslag ligt, opgenomen (zogenaamde
medische besluitenregeling). De afgelopen jaren is door de Centrale
Raad van Beroep (CRvB) een aantal uitspraken gedaan dat ertoe leidde
dat de bestaande regelgeving in verband met medische beschikkingen
herziening behoefde. Gewezen wordt met name op de uitspraken CRvB 20
juli 2001,
RSV 2001/205; JB 2001/256 en CRvB 13 februari 2002, RSV
2002/128 en RSV 2002/130. Bij de formulering van de medische
besluitenregeling in het wetsvoorstel WIA
is al rekening gehouden met de benodigde
herziening. De hier voorgestelde tekst komt dan ook overeen met de
tekst van de artikelen 12.2.1 tot en met 12.2.8 van het wetsvoorstel
WIA.
De herziening ziet er in
hoofdlijnen als volgt uit. Conform de uitspraken van de CRvB zal de
medische besluitenregeling niet langer van toepassing zijn op het beroep op de
rechter, maar zal in die fase uitsluitend de regeling van artikel
8:32, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelden. Deze regeling houdt in dat de administratieve rechter in
ieder individueel geval
ambtshalve of op verzoek van partijen het recht op privacybelang van de
werknemer afweegt tegen het recht op toegang tot de rechter en een eerlijk
proces van de werkgever. Indien deze weging ertoe leidt dat het
privacybelang van de werknemer prevaleert, zal de rechter bepalen dat
kennisname van medische stukken (of delen) daarvan aan de gemachtigde zijn
voorbehouden. Deze gemachtigde kan zijn een arts of een advocaat, dan
wel een persoon die daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming
heeft gekregen. Met deze regeling wordt voldaan aan de vereisten van
artikel 6 EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, red.]. Al sedert de uitspraak van de CRvB van 20 juli 2001, RSV
2001/205, wordt door de administratieve rechter in socialeverzekeringszaken
op deze wijze gewerkt en in de praktijk blijkt dit goed uitvoerbaar te zijn.
Voor de fase van de voorbereiding van een beschikking en de bezwaarfase ligt een regeling als opgenomen in
artikel 8:32, tweede lid, Awb
minder voor de hand, omdat het telkens opnieuw rblz.|10|
maken van een individuele
afweging in de uitvoeringspraktijk niet alleen bewerkelijk zou zijn, maar
ook de kans op niet-uniforme uitvoering zou vergroten. Omdat artikel
6 EVRM, zoals de CRvB in eerder genoemde uitspraak van 13 februari
2002, RSV 2002/130, heeft overwogen, niet geldt voor de bezwaarfase,
bestaat er ook om die reden geen noodzaak om in die fase de medische
besluitenregeling te verlaten. Om die reden blijft de medische
besluitenregeling in een aanpaste vorm gehandhaafd voor de (voorbereiding van)
primaire beschikkingen en voor de bezwaarfase. Deze aanpassing betreft de
navolgende situatie. Indien de werknemer geen toestemming voor
verstrekking of inzage van zijn medische gegevens geeft, mag het
UWV de
medische stukken verstrekken aan een gemachtigde van de werkgever die arts
of advocaat is dan wel hiervoor speciale toestemming van het UWV
heeft gekregen. In de huidige situatie mocht het UWV de stukken
uitsluitend aan een arts-gemachtigde geven. Door de aanpassing is de kring
van personen aan wie stukken verstrekt kunnen worden in bezwaar en
beroep gelijk geworden.
De term "medisch besluit" is in dit voorstel van wet vervangen door de term
"medische beschikking". Hiermee is niet beoogd een inhoudelijke wijziging aan te brengen
ten opzichte van de huidige terminologie, maar dit vloeit voort uit het
feit dat in dit voorstel van wet consequent de term "beschikking" is
gehanteerd daar waar het een besluit betreft dat niet van algemene strekking is.
Artikel 88
In dit artikel worden
definities gegeven van een medische beschikking, werkgever en werknemer.
Dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 12.2.1 van het
wetsvoorstel
WIA.
Artikel 88a
Dit artikel bevat de
hoofdregel inzake het verstrekken dan wel ter inzage of kennisgeven van medische
stukken door het
UWV aan de werkgever. Het artikel is in
overeenstemming gebracht met artikel 12.2.2 van het wetsvoorstel
WIA.
Artikel 88b
Dit artikel komt overeen
met het huidige artikel 88c juncto 88b
van de
WAO, maar is conform
artikel 12.2.3 van het wetsvoorstel
WIA in de lijn van artikel 8:32, tweede
lid, van de Awb gebracht. Het derde lid komt overeen met het huidige
artikel 88g van de
WAO met dien verstande dat de verwijzingen naar de
artikelen 8:29 en 8:32, tweede lid, van de
Awb hier niet meer zijn opgenomen.
In het hier bedoeld artikellid wordt slechts artikel
7:4, tweede,
vierde en zesde lid, van de Awb buiten toepassing gelaten. Daarvoor is
immers in deze paragraaf een speciale voorziening getroffen in de eerste
twee leden van dit artikel.
Artikel 88c
Dit artikel komt overeen
met artikel 12.2.4 van het wetsvoorstel
WIA.
Artikel 88d
Dit artikel schrijft voor
dat bij de bekendmaking van een medische beschikking gewezen wordt
op de regeling in verband met de behandeling van medische gegevens van
de werknemer. Dit artikel komt overeen met artikel 12.2.5 van
het wetsvoorstel
WIA.
rblz.|11|
Artikel 88e
Dit artikel komt overeen
met het huidige artikel 88f van de
WAO en is in overeenstemming gebracht
met artikel 12.2.6 van het wetsvoorstel
WIA.
Artikel 88f
Dit artikel komt overeen
met het huidige artikel 88h van de
WAO en is in overeenstemming gebracht
met artikel 12.2.7 van het wetsvoorstel
WIA.
Artikel 88g
Dit artikel komt (met
inachtneming van de genoemde jurisprudentie) overeen met het huidige
artikel 88i van de
WAO. Het voorziet in het van toepassing verklaren van
artikel 88f van de
WAO bij de behandeling van een verzoek om (een wijziging of intrekking van) een voorlopige voorziening of tijdens de
behandeling van hoger beroep. Dit artikel komt overeen met artikel
12.2.8 van het wetsvoorstel
WIA.
Artikel
XII.
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel
A, onder 1
In
het voorgestelde
artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, Wet
SUWI worden twee wijzigingen
aangebracht.
Ten eerste wordt "verzekerde als bedoeld in
artikel
9.1" vervangen door: verzekerde als
bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid. Met deze wijziging wordt
bereikt dat de in onderdeel c opgenomen uitzondering niet geldt ten
aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel
9.1, vierde lid, Wet WIA.
Dit betreft de zogenaamde "vangnetters". Omdat de
eigenrisicodrager,
op grond van artikel 9.1, vierde lid, Wet
WIA niet het risico van
betaling van de (WIA-)uitkering aan deze personen draagt, zou het
onlogisch zijn hem wel de reïntegratieverantwoordelijkheid voor deze
personen te laten dragen. Met de voorgestelde wijziging wordt bereikt
dat het
UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van de bedoelde
doelgroep.
Hierbij wordt opgemerkt
dat in verband met deze wijziging ook artikel 4.4.1 Wet
WIA, waarin de
reïntegratieverantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager wordt
geregeld, zodanig wordt aangepast dat ook in dat artikel duidelijk is
dat de eigenrisicodrager niet de reïntegratieverantwoordelijkheid
draagt voor de "vangnetters".
Ten tweede wordt de
zinsnede "tenzij artikel 8.2.6, derde lid, van toepassing is"
vervangen door: tenzij de artikelen 8.2.6, derde lid, of
9.3, tweede
lid, van die wet van toepassing zijn. Op grond van artikel
9.3, tweede
lid, Wet WIA blijft de werkgever, nadat het eigen
risico dragen voor de
Wet WIA voor hem is geëindigd, het risico van de betaling van de WIA-uitkering
dragen voor zover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte is gelegen vóór het einde van het eigen risico dragen. Met andere
woorden: de werkgever blijft verantwoordelijk voor de betaling van de
uitkering in "bestaande uitkeringsgevallen". Het is gewenst dat in
deze gevallen niet de eigenrisicodrager, maar het
UWV verantwoordelijk is
voor de reïntegratie. Reden hiervoor is dat het vanuit het oogpunt van
transparantie gewenst is dat de reïntegratieverantwoordelijkheid van de
werkgever die heeft aangegeven geen eigenrisicodrager meer te willen
zijn te beperken tot degenen die de eerste twee ziektejaren doormaken.
Hierbij past niet dat die werkgever nog reïntegratieverantwoordelijk is
en feitelijke reïntegratiewerkzaamheden verricht of laat verrichten ten
behoeve van een beperkte groep personen die nog valt onder "uitloop".
rblz.|12|
In
verband hiermee wordt artikel 30, vijfde lid, onderdeel c,
zodanig gewijzigd dat de in dat artikelonderdeel opgenomen uitzondering
niet geldt indien artikel 9.3, tweede lid, Wet
WIA
van toepassing is.
Daardoor wordt het
UWV, na beëindiging van het eigenrisicodragerschap
van de werkgever, verantwoordelijk voor de reïntegratie van de persoon
wiens eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen
vóór het einde van het eigen risico dragen door zijn werkgever.
Hierbij wordt opgemerkt
dat het UWV de kosten van deze reïntegratie kan verhalen op de
voormalige eigenrisicodrager. Zie hiervoor de toelichting op de
wijziging van artikel 9.3 Wet WIA.
Onderdeel
A, onder 2
De
delegatiebepaling in
het zevende lid is verruimd, zodat bij algemene maatregel van bestuur
nog nadere regels kunnen worden gesteld voor de afstemming tussen de
reïntegratietaak van het
UWV voor personen die een uitkering ontvangen
van het UWV en de vergelijkbare verantwoordelijkheid van de werkgever
voor de terugleiding naar arbeid van zijn zieke werknemers. Deze
afstemming kan onder meer noodzakelijk zijn voor de werknemers die
ziekengeld ontvangen op grond van artikel 29b
ZW. In die regels kan
bijvoorbeeld worden bepaald hoe de verantwoordelijkheid en de kosten
worden verdeeld.
Onderdeel B
In
artikel 42, vierde
lid, van de Wet SUWI is de term "arbeidsgehandicapten" in verband met
de intrekking van de Wet
Rea vervangen door: werknemers.
Artikel 42,
vierde lid, heeft betrekking op drie groepen waarvoor het
UWV middelen
kan inzetten, te weten werkzoekenden, uitkeringsgerechtigden en
werknemers. Voor zover het in artikel 42, vierde lid, bedoelde onderzoek
betrekking heeft op gelden die (vóór de intrekking van de Wet Rea) zijn
besteed ten behoeve van arbeidsgehandicapten, levert deze wijziging
geen bezwaar op, omdat die arbeidsgehandicapte ook werkzoekende,
uitkeringsgerechtigde dan wel werknemer zal zijn.
Onderdeel C
In
artikel
83k, eerste
lid, van de Wet SUWI wordt een tekstuele verbetering aangebracht.
Artikel
XIII. Wet werk en
bijstand
In het wetsvoorstel
WIA wordt onder de term arbeidsongeschiktheidsuitkeringen exclusief verstaan de
uitkering op grond van hoofdstuk 6 van die
wet. Om hier duidelijk te
maken dat de verwijzing naar de term arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ook omvat de andere
uitkeringen op grond van die wet wordt de bewuste
term vervangen door: uitkeringen inzake arbeidsongeschiktheid.
Artikel
XIV.
Wet werk en
inkomen kunstenaars
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 31, tweede lid, van de
Wet werk en bijstand.
Artikel
XV.
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel A
De beoordeling van de
duurzaamheid is een verzekeringsgeneeskundige zaak. Het
UWV heeft
hiertoe een interne richtlijn ontwikkeld die de rblz.|13|
verzekeringsartsen moeten
gebruiken om te bepalen of er sprake is van een stabiele situatie of
een situatie waarbij er nog een geringe kans op herstel is. Aanvankelijk
bestond het idee dat de bepaling van de duurzaamheid wellicht ook
arbeidskundige aspecten zou kunnen hebben. Om die reden is voor de
volledigheid dit artikel ruim geformuleerd. Bij nadere analyse is echter
geconcludeerd dat arbeidskundige aspecten geen rol spelen. Op deze manier
wordt ook meer aangesloten bij de advisering van de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.] hierover. Volstaan
kan worden met een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Om die reden
is de definitie van het begrip volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt aangepast.
Onderdeel B
Door middel van dit
onderdeel wordt een tekstuele correctie aangebracht. De wijziging van artikel
1.2.3, vijfde lid, van de Wet WIA houdt er rekening mee dat het lid zowel
ziet op de procedure van de algemene maatregel van bestuur als de
ministeriële regeling. Er wordt geen voordracht gedaan voor een ministeriële
regeling, in die zin wordt het vijfde lid aangepast.
Onderdeel C
Ten onrechte is in het
wetsvoorstel
WIA geen met artikel 13, vierde lid, van de
WAO overeenkomende
bepaling opgenomen. Dit nieuwe derde lid van artikel 1.5.1 van de Wet
WIA
strekt ertoe de werkloosheidsuitkering van overheidswerknemers,
bedoeld in artikel 1.3.1, aanhef en
onder b, gelijk te stellen met
loon in de zin van de Wet WIA.
Onderdeel D
In de
artikelen 1.5.2 en
2.2.4 van het wetsvoorstel
WIA wordt voor het vaststellen van het
dagloon verwezen naar artikel 17, eerste lid, van de
Wfsv. In dit artikel is
het tijdvak waarover het dagloon wordt vastgesteld niet nader bepaald,
terwijl dat voor de genoemde artikelen van de Wet WIA
wel noodzakelijk is.
De voorgestelde wijziging voorziet daar nu in door te bepalen dat voor
de toepassing van die artikelen wordt bedoeld een loontijdvak van één
dag.
Onderdeel E
Op grond van het tweede
lid van artikel 2.2.4 van het wetsvoorstel WIA
worden de artikelen
7.2.3 en 7.2.4 buiten toepassing gelaten. Dit betekent dat inkomsten
die de persoon die vrijwillig verzekerd is niet worden verrekend met de
hoogte van de uitkering. Deze situatie is beoogd voor zover de inkomsten
minder bedragen dan de resterende verdiencapaciteit van betrokkene. Indien
meer inkomsten worden verworven, is dit niet wenselijk. In
alle andere gevallen waarin een dergelijke situatie zich kan voordoen in de
Wet WIA worden deze inkomsten verrekend (artikel
6.2.2) om komt
men [en komt men, red.] in een andere uitkering terecht (hoofdstuk 7). Door de toevoeging van
dit nieuwe vijfde lid van artikel 2.2.4 wordt geregeld dat ook bij een uitkering
als gevolg van een vrijwillige verzekering op grond van de Wet WIA,
inkomen dat meer bedraagt dan de resterende verdiencapaciteit (voor
70%) wordt verrekend.
Onderdeel F
In het wetsvoorstel
WIA ontbreekt tot op heden een met artikel 85 van de
WAO vergelijkbaar
artikel. Op grond van dat artikel zijn door het
UWV nadere regels gesteld met
betrekking tot de vrijwillige verzekering. Omdat op het punt van de
vrijwillige verzekering met de inwerkingtreding van de Wet WIA ten opzichte van
de
WAO geen beleidswijziging wordt beoogd, is rblz.|14|
een dergelijk bepaling
ook in de Wet WIA noodzakelijk. De hier voorgestelde wijziging voorziet
daarin.
Onderdeel H
In het wetsvoorstel
WIA is
tot op heden geen bepaling opgenomen in verband met het vergoeden
van reis- en verblijfskosten van personen die door het
UWV zijn
opgeroepen. In de andere arbeidsongeschiktheidswetten was wel een dergelijke
bepaling opgenomen. De voorgestelde wijziging voorziet daar
alsnog in.
Onderdeel I
Omdat met de wijziging
van artikel 30, vijfde lid, onderdeel c,
Wet SUWI wordt geregeld dat het
UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van personen als bedoeld in
artikel 9.1, vierde lid, Wet WIA, is het noodzakelijk dat uit
artikel 4.4.1
duidelijk blijkt dat de eigenrisicodrager die verantwoordelijkheid niet heeft. Dit wordt
bereikt met de voorgestelde wijziging van artikel
4.4.1, eerste
lid, Wet WIA.
Onderdeel J
In
artikel 5.5 worden
twee tekstuele correcties aangebracht.
Onderdeel K
In
artikel 7.1.2 wordt
een tekstuele correctie aangebracht.
Onderdeel L
In
artikel 7.1.5 van de
Wet WIA is vastgelegd op welke wijze de referte-eis waaraan de verzekerde
moet voldoen om aanmerking te komen voor de loongerelateerde
uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten
(WGA-uitkering)
wordt bepaald. Deze referte-eis wordt grotendeels op dezelfde
wijze bepaald als op grond van artikel 17 en
17a van de WW. Daarom is de
mogelijkheid tot het treffen van regels als voorgesteld in het vierde lid,
onderdeel b, van artikel 7.1.5, voor de Wet
WIA
niet noodzakelijk en
wordt een gedeelte van het vierde lid van artikel 7.1.5 opnieuw
geredigeerd.
Onderdeel M
In de voorliggende
wettekst van artikel 7.2.2, eerste lid, is niet afdoende geregeld op welk moment
de verzekerde aan de inkomenseis dient te voldoen. Ook de
delegatiebepaling in het vijfde lid gaf aanleiding tot onduidelijkheden. Beide
punten worden hier gecorrigeerd.
Onderdeel N
In
artikel 2.12 van het
wetsvoorstel IWIA wordt in artikel 7.2.3 van de Wet
WIA
een vernummering aangebracht; verzuimd was deze vernummering te verwerken in artikel
7.2.3, tiende lid, van de Wet WIA.
Onderdeel O
De procedure van
artikel
8.1.1 van de Wet WIA is alleen van toepassing op het ontstaan van een
recht op uitkering op grond van de artikelen 6.1.1 of
7.1.1 van de Wet WIA.
Middels deze wijziging wordt dat in de wettekst tot uitdrukking gebracht.
rblz.|15|
Onderdeel P
Indien
de werknemer van
mening is dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is zonder kans op
herstel, bestaat de mogelijkheid al eerder een IVA-uitkering [IVA:
inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten, red.] te
krijgen. Hiertoe kan hij in de periode tussen 26 en 76 weken ziekte een aanvraag
voor een uitkering indienen. Er is dan sprake van een verkorte
wachttijd.
Om onnodige
probeeraanvragen en de daaruit voortvloeiende belasting voor de uitvoering en
teleurstelling voor de werknemer te voorkomen, is het nodig dat de
werknemer alleen een aanvraag voor een flexibele keuring indient als de
vaststelling van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk is.
De werknemer moet zich
hierbij baseren op de mening van de bedrijfsarts. Het is daarom
noodzakelijk dat de bedrijfsarts verklaart dat naar zijn mening de medische
situatie op dit moment en in de toekomst zodanig is dat volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid zonder kans op herstel te verwachten is. Hij zal
zich hierbij baseren op een verklaring van de behandelend specialist.
Indien de werknemer geen
verklaring van de bedrijfsarts verstrekt, wordt de aanvraag niet in
behandeling genomen. Uiteraard kan de werknemer na afloop van de
wachttijd opnieuw een aanvraag indienen.
Bij een aanvraag voor een
verkorte wachttijd hoeft geen reïntegratieverslag te worden overgelegd.
Onderdeel Q
In verband met het
vervallen van artikel 5.2 van de Wet
WIA via de derde nota van wijziging op het
wetsvoorstel
WIA (Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, nr. 21) kan
artikel 8.2.7, eerste lid, van die wet eveneens vervallen.
Onderdeel R
Artikel 8.2.11 van de
Wet WIA regelt de mogelijkheid van terugvordering van hetgeen door het
UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt. In de tot op heden voorliggende
tekst van artikel 8.2.11, eerste lid, werden expliciet degenen genoemd van wie
kan worden teruggevorderd, namelijk de verzekerde, zijn
wettelijke vertegenwoordiger, degene die hij voor de ontvangst daarvan
gemachtigd heeft en de instelling, bedoeld in artikel
8.2.5. Echter ook van de
werkgever die subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 4.2.4 en van
de persoon, bedoeld in artikel 4.2.3, voor zover hij geen verzekerde is
(bijvoorbeeld iemand die onderwijsvoorzieningen heeft gehad en die niet
in dienstbetrekking werkt of via een werknemersuitkering verzekerd is), moet kunnen
worden teruggevorderd. Ter vergroting van de leesbaarheid van
dit artikellid wordt ervoor gekozen de laatstgenoemde groepen waarvan
kan worden teruggevorderd niet toe te voegen aan artikel
8.2.11, eerste lid, maar om alle tot op heden genoemde groepen te laten
vervallen. Van welke groepen personen kan worden teruggevorderd, blijkt
immers ook als impliciet uit het eerste deel van artikel
8.2.11, eerste
lid.
Onderdeel S
Het nieuwe zevende lid
van artikel 9.3 van de Wet
WIA maakt het het
UWV mogelijk de kosten van de
reïntegratie van de persoon wiens eerste dag van ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte is gelegen vóór het einde van het eigen risico
dragen
door zijn werkgever, op die werkgever te verhalen. Zoals ook is
uiteengezet in de toelichting op de wijziging van artikel
30. vijfde lid,
onderdeel c, Wet SUWI is het UWV weliswaar verantwoordelijk voor de reïntegratie van
deze persoon, maar kan hij de kosten van die reïntegratie op
de werkgever verhalen. Op grond van de laatste rblz.|16|
volzin kunnen bij
ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de soort kosten die
worden verhaald op de werkgever en de hoogte daarvan. Het gaat
hierbij om de kosten van de ondersteuning van de werknemer bij
terugkeer op de arbeidsmarkt, zoals door middel van een reïntegratietraject.
Onderdeel T
In het tweede lid van
artikel 9.4 van de Wet WIA werd naar het onjuiste artikel van
hoofdstuk 12
verwezen.
Onderdeel U
Op grond van de
artikelen 6.1.1, tweede lid, en 7.1.1, tweede lid, van de Wet
WIA
ontstaat het recht
op een
WIA-uitkering niet eerder dan op de eerste dag na afloop van
de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel
5.1,
onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die
uitsluitingsgrond niet meer voordoet. Uit de genoemde artikelen en artikel 5.1 en artikel
629 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek vloeit kort gezegd de
conclusie voort dat het recht op een WIA-uitkering ontstaat wanneer de
periode waarover de werknemer recht op loon heeft, is geëindigd.
Met de voorgestelde
wijziging van artikel 10.1 krijgt het
UWV de mogelijkheid de verzekerde een
maatregel op te leggen indien zijn dienstbetrekking tijdens het tijdvak van
de verlenging van de verplichte loondoorbetaling, bedoeld in artikel
3.3,
negende lid, wordt beëindigd en hij zonder deugdelijke grond heeft
nagelaten daartegen verweer te voeren of daarmee heeft ingestemd.
Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat in deze periode het effect
van de loonsanctie ongedaan wordt gemaakt en dat
reïntegratieverplichtingen en mogelijkheden worden prijsgegeven.
In de periode van
loondoorbetaling bij ziekte zijn werkgever en werknemer gezamenlijk
verantwoordelijk voor de reïntegratie. Na afloop van deze periode toetst het
UWV of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot
de reïntegratie-inspanningen die zij hebben verricht. Indien
de werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, stelt het
UWV een termijn vast waarmee de loondoorbetalingsverplichting
wordt verlengd (de loonsanctie).
Als de dienstbetrekking
tussen werkgever en werknemer in deze periode wordt beëindigd en de
werknemer daaraan heeft meegewerkt, zou dit consequenties voor de
uitkering van betrokkene dienen te hebben. Immers het tijdvak van de
verlengde loondoorbetalingsplicht is bedoeld om de werkgever alsnog
aan zijn reïntegratie-inspanningen te laten voldoen. De werknemer zal
evenals in de oorspronkelijke periode van loondoorbetaling hieraan
dienen mee te werken.
Daarmee wordt recht
gedaan aan de reïntegratieverantwoordelijkheid van werkgever en werknemer en
worden zij optimaal gestimuleerd gebruik te maken van de
reïntegratiemogelijkheden die er zijn.
Indien een
dienstbetrekking wordt beëindigd zonder verweer dan wel met goedvinden van de
werknemer, worden reïntegratieverplichtingen en -mogelijkheden
prijsgegeven. Dit is niet wenselijk. Daarom wordt thans voorgesteld het UWV bij
aanvraag van de
WIA-uitkering die aanvangt in de periode waarin de
loonsanctie van toepassing is te laten toetsen of de beëindiging van de
dienstbetrekking aan de werknemer kan worden toegerekend en dus tot
het opleggen van een maatregel moet leiden.
Dit
leidt tot een consistent beleid en sluit aan bij het WW-regime dat geldt voor degenen die minder
dan 35% arbeidsongeschikt zijn en na afloop van de
loondoorbetalingsperiode een WW-uitkering ontvangen. In de WW is het immers zo dat de
werknemer verwijtbaar werkloos wordt indien hij rblz.|17|
meewerkt aan beëindiging
van de dienstbetrekking terwijl voortzetting van de dienstbetrekking
van hem kon worden gevergd. In die situatie kan dus aan degenen die
minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn een maatregel op grond van de WW worden
opgelegd.
Het kabinet is voornemens
om de verwijtbaarheidtoets in de WW te beperken ¹ in die zin dat
meewerken aan of instemmen met beëindiging van de dienstbetrekking
niet langer leidt tot verwijtbare werkloosheid. Hiermee beoogt het
kabinet pro-formaontslagprocedures overbodig te maken. In de WW zal een
uitzondering worden gemaakt voor de situatie dat er sprake is van een
beëindiging van de dienstbetrekking in de periode waarin een loonsanctie
geldt. Een dergelijke uitzondering is van belang om werkgever en werknemer
niet de mogelijkheid te bieden om - zonder consequenties voor de
WW-uitkering - de loonsanctie ineffectief te maken. De consistentie
van beleid in WW en Wet WIA blijft daarmee gehandhaafd.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 30 109, nr. 1.
Onderdeel V
In
artikel 10.9, vierde
lid, van de Wet WIA wordt met de vervanging van "aan" door
"van" de
zinsnede "bij gebreke aan tijdige betaling" gecorrigeerd.
Onderdeel W
In
artikel 12.4.6 van de
Wet WIA is bepaald dat titel
4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
niet van toepassing is op aanspraken op grond van artikel
4.2.3. De
ratio van deze bepaling is van praktische aard. In veel gevallen zullen de
voorzieningen als bedoeld in deze artikelen in natura worden toegekend. In dat
geval is titel
4.2 van de Awb niet van toepassing. In enkele gevallen zal
echter een financiële tegemoetkoming voor gemaakte kosten kunnen
worden toegekend. In dat geval is titel
4.2 van de Awb weer wel van
toepassing. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met betrekking
tot de verstrekking van voorzieningen als hiervoor bedoeld is ervoor
gekozen titel
4.2 van de Awb niet van toepassing te verklaren.
Met de voorgestelde
wijziging van artikel 12.4.6 worden ook voorzieningen (in natura dan wel in de
vorm van een financiële tegemoetkoming) die aan zelfstandigen
kunnen worden verstrekt van de subsidietitel in de Awb
uitgesloten. Deze
wijziging heeft dezelfde achtergrond als hiervoor geschetst.
Onderdeel X
Artikel
3.1, derde lid,
van de Wet WIA geeft regels over de wijze waarop de wachttijd voor
één van
de uitkeringen op grond van die wet bepaald moet worden. De
berekening van die wachttijd komt overeen met artikel 19 van de
WAO. Met ingang
van 1 september 2005 (de dag van inwerkingtreding van de Wet van 3 februari
2005 tot wijziging van de artikelen 7:629 en 7:670 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 214 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
en van een aantal artikelen in enkele socialezekerheidswetten) is dit
artikel 19 van de
WAO gewijzigd als gevolg van de uitspraak van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1998 inzake het
arrest-Brown (C-394/96) op het punt van de wijze van berekening van de
wachttijd in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Om ervoor te zorgen dat
de berekening van de wachttijd voor een uitkering op grond
van de Wet WIA voor de periode januari 2004 tot 1 september 2005 op
gelijke wijze zal geschieden als voor de
WAO dient voor de periode te worden
uitgegaan van de tekst van artikel 19 van de
WAO tot 1 september 2005.
De voorgestelde bepaling voorziet daarin.
rblz.|18|
Artikel
XVI.
Ziektewet
Onderdeel D
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 7, eerste lid, van de
WAZ.
Onderdeel E
Op grond van het
voorgestelde tiende lid van artikel 29b
ZW kunnen bij ministeriële regeling
voorwaarden worden gesteld aan de inzet van het reïntegratie-instrument
no-riskpolis ZW voor de gemeentelijke doelgroep. In dit verband kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan de voorwaarde dat burgemeester en
wethouders ten minste twee jaar verantwoordelijk moeten zijn geweest voor
de reïntegratie van de betrokkene of dat die betrokkene ten minste
twee jaar moet zijn ingeschreven bij de CWI. Ook kan worden gedacht aan de
voorwaarde dat de structurele functionele beperking erin is
gelegen dat de betrokkene geen voltijdarbeid kan verrichten.
Onderdeel F
In het wetsvoorstel
IWIA wordt een nieuw artikel 38b ZW
voorgesteld. Op grond van het nieuwe
artikel 38b, tweede lid, mag een werkgever die bij aanvang van de
dienstbetrekking niet op de hoogte was van het feit dat zijn werknemer
gedeeltelijk arbeidsgeschikt was, de ziekmelding met het oog op die situatie later
doen, en wel zo snel mogelijk nadat de werkgever dit redelijkerwijs bekend
is. Het
UWV kent het ziekengeld dan met terugwerkende kracht toe, uiteraard
voor zover is voldaan aan de voorwaarden. De periode waarover met
terugwerkende kracht ziekengeld kan worden verstrekt, bedraagt op
grond van artikel 38b, tweede lid, ten hoogste
één jaar. Daarbij was
in de
toelichting bij het wetsvoorstel IWIA opgenomen dat artikel 38a, derde
lid, van overeenkomstige toepassing is. Dit laatste was echter niet in de
wettekst opgenomen. Middels dit onderdeel wordt dit gecorrigeerd. In het
voorgestelde derde lid van artikel 38b wordt
artikel 38a, derde lid,
van overeenkomstige toepassing verklaard in het geval de werkgever te
laat een ziekmelding doet. In dat geval wordt slechts met terugwerkende
kracht tot aan de datum waarop de te late melding heeft plaatsgevonden, ziekengeld verstrekt.
Onderdeel H
Artikel 52e.
Proefplaatsing
Eerste lid
In het eerste lid van dit
artikel wordt aan het
UWV de bevoegdheid verleend, in het kader
van de taak om de inschakeling in de arbeid te bevorderen, aan de
persoon aan wie ziekengeld is toegekend toestemming te verlenen onbeloonde
werkzaamheden te verrichten op een proefplaats bij een werkgever. Die
werkzaamheden mogen maximaal drie maanden duren. De persoon die met toestemming dergelijke werkzaamheden verricht, kan dit doen
met behoud van uitkering gedurende de periode waarover hij
toestemming heeft verkregen om die werkzaamheden te verrichten. De
betrokkene behoudt zijn recht op ziekengeld niet indien de voor hem
geldende uitkeringsduur is verstreken.
Tweede lid
Wanneer een persoon aan
wie ziekengeld is toegekend werkzaamheden op een proefplaats
verricht, zou kunnen worden geoordeeld dat hij niet rblz.|19|
langer ziek is, hetgeen
reden kan zijn voor herziening of intrekking van de ZW-uitkering. Het tweede
lid voorkomt dit.
Vierde lid
Het is denkbaar dat de
betrokkene niet direct na het verkrijgen van de toestemming, bedoeld in
het eerste lid, met de werkzaamheden op de proefplaats aanvangt.
Voor het
UWV is deze informatie relevant, reden waarom de betrokkene hem,
op grond van het derde lid, hiervan op de hoogte moet brengen.
Vijfde lid
Het is denkbaar dat
betrokkene die de onbeloonde werkzaamheden in een proefplaatsing verricht
deze werkzaamheden wegens ziekte enige tijd moet staken. In dat geval
volgt uit het vijfde lid dat de periode van drie maanden, bedoeld in het
eerste lid, met de periode van onderbreking wegens ziekte wordt
verlengd. Met nadruk zij opgemerkt dat het hierbij gaat om ongeschiktheid om
de onbeloonde werkzaamheden te verrichten die zich na aanvaarding
van deze werkzaamheden kan voordoen.
Artikel 52f.
Nadere regels
met betrekking tot aanvraag proefplaatsing
Op grond van de
WAO, Wet WIA en Wajong is het mogelijk met betrekking tot de aanvraag van
reïntegratie-instrumenten nadere regels te stellen. Deze
delegatiebevoegdheid wordt ook met betrekking tot de proefplaatsing in de
ZW opgenomen.
Onderdeel I
[vervangen, red.]
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging zoals opgenomen in artikel
XI, onderdeel O. In
artikel 75, onderdeel d, van de ZW is een definitie opgenomen van de term
bedrijfsarts, waarbij wordt gedoeld op een ander dan de arbodienst die
belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b,
van de Arbeidsomstandighedenwet
1998. Daarmee is aangesloten
bij de Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 in verband met een gewijzigde organisatie van de deskundige
bijstand bij het arbeidsomstandighedenbeleid en de daarmee samenhangende
bepalingen (Stb. 2005, 202).
Hoofdstuk 2.
Ministerie van Justitie
Artikel
XVII. Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren
In artikel 20, eerste
lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren is opgenomen dat op verzoek
van de rechterlijk ambtenaar de arbeidsduur per week kan worden
vastgesteld op meer dan 36 uur. Een dergelijk verzoek wordt niet
toegewezen wanneer het gaat om een arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2
van de Wet
Rea, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is
vastgesteld. Met het vervallen van de Wet
Rea kan dit onderdeel niet zo
blijven staan. De verwijzing naar het begrip arbeidsgehandicapte wordt
hier vervangen door een materiële beschrijving van de personen om wie
het gaat.
rblz.|20|
Hoofdstuk 3.
Ministerie van Binnenlandse Zaken
Artikel
XVIII. Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
Bij de
OOW-operatie is ervan uitgegaan dat overheidswerknemers die, op de datum dat de WW
van
toepassing werd op de overheid, recht hadden op een
WAO-uitkering naar
80-100% arbeidsongeschiktheid, onderdeel waren van (de later
afgestelde) fase 3 OOW. Dit hield in dat zij aangemerkt werden als
"bestaand geval" en na afschatting niet in aanmerking zouden komen voor WW-uitkering,
maar voor wachtgeld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft
echter in een uitspraak d.d. 27 juni 2005, 05/2310 WW, bepaald dat de
boven beschreven groep overheidswerknemers niet onder fase 3 OOW, maar onder
fase 2 OOW is gebracht. Dat betekent dat zij, indien zij na
herbeoordeling afgeschat worden, wel recht hebben op een WW-uitkering.
In het wetsvoorstel
IWIA is een wijziging van artikel 45b
van de OOW
voorgesteld die ertoe
strekt te regelen dat de bovengenoemde werknemers, indien zij in het kader
van de herbeoordelingsoperatie hun
WAO-uitkering (deels)
verliezen en wachtgeld krijgen, na afloop van dat wachtgeld in aanmerking
kunnen komen voor Ioaw-uitkering.
In verband met de
uitspraak van de CRvB zal artikel 45b
van de OOW
weer worden gewijzigd. De
toegang tot de Ioaw na afloop van het wachtgeld hoeft namelijk
uitsluitend nog geregeld te worden voor de overheidswerknemers die tussen 30 september
2004 en 1 oktober 2005 in de boven beschreven situatie
wachtgeld toegekend hebben gekregen. Voor de gevallen vanaf die datum
geldt immers dat zij recht hebben op WW en daarmee toegang tot de
Ioaw kunnen krijgen.
Hoofdstuk 4.
Slotbepalingen
Artikel
XX. Slotbepaling
betreffende de Werkloosheidswet
In het bij koninklijke
boodschap van 4 maart 2005 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met het preventief inzetten van
reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan overheidswerkgevers,
het ondersteunen van
WAO-herbeoordeelden bij scholing, het
subsidiëren van scholing in het kader van de Wajong
en enkele andere
wijzigingen in wetten die de reïntegratie-instrumenten betreffen (Kamerstukken
II 2004-2005, 30 016, nr. 2), wordt aan hoofdstuk
Xb van de
Werkloosheidswet een artikel toegevoegd waarin de term "wachtgeldfondsen" nog wordt gebruikt. Conform het wetsvoorstel
IWIA wordt
hier voorgesteld deze term te vervangen door de term "sectorfondsen".
Artikel
XXII.
Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet
zullen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking
treden. Daarbij worden de data van inwerkingtreding van de artikelen van het
wetsvoorstel
WIA en het wetsvoorstel IWIA gevolgd.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|