|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2005-2006, 30
314.
Handelingen II 2005-2006, blz. 1711-1718, 1747-1748.
Kamerstukken I 2005-2006, 30 314 (A, B).
Handelingen I 2005-2006, blz. 553-554.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET
van 22 december 2005, Stb. 2005, 713, tot wijziging van de Algemene
Ouderdomswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de
Wet op de
huurtoeslag en enige andere wetten in verband met het toekennen
van tegemoetkomingen aan personen die een uitkering ontvangen op grond
van de Algemene Ouderdomswet of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten en enkele aanpassingen in de berekening van de
uitkeringen. Inwerkingtreding: 1 januari 2006 (Stb.
2005, 714).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is toekenning van
tegemoetkomingen aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de
Algemene Ouderdomswet of de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten bij wet te regelen
en in verband daarmee te voorkomen dat deze doorwerkt bij de vaststelling van de
huurtoeslag, de bijzondere bijdrage in de huurlasten en de
eigenwoningbijdrage;
Dat het voorts wenselijk is
in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet de
bepaling over het vaststellen van het nettominimumloon en het
bruto-ouderdomspensioen aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
De Algemene Ouderdomswet,
zoals deze komt te luiden indien artikel
3.8.2 van het bij koninklijke boodschap van 23 mei 2005 ingediende
voorstel van wet tot
invoering van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van overige
wetten aan die
wet (Invoerings- en aanpassingswet
Zorgverzekeringswet) (Kamerstukken 30
124) tot wet wordt verheven en in werking treedt en artikel 7 van de
Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen in werking treedt, wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 9 komt te luiden:
Art. 9.
-1. Deze wet kent een
bruto-ouderdomspensioen voor:
a. de ongehuwde
pensioengerechtigde;
b. de gehuwde
pensioengerechtigde;
c. de ongehuwde
pensioengerechtigde die een kind heeft jonger dan 18 jaar dat niet als eigen
kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander
behoort en voor wie hij op grond van de Algemene Kinderbijslagwet
kinderbijslag ontvangt of zal ontvangen.
-2. De in het eerste lid
bedoelde ouderdomspensioenen worden afgeleid van het nettominimumloon
per maand.
-3. Onder het nettominimumloon wordt verstaan het brutominimumloon na aftrek van premies op
grond van de
Wet financiering sociale verzekeringen, de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de
Zorgverzekeringswet, over het brutominimumloon en
loonbelasting en
vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46
van de Zorgverzekeringswet.
-4. De loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, worden berekend
voor een werknemer jonger
dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de
algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, over het brutominimumloon vermeerderd met de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en
verminderd met het werknemersaandeel in de premie, bedoeld in afdeling
2 van hoofdstuk 3 van de
Wet financiering sociale verzekeringen.
-5. Indien op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden
waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels
bij ministeriële regeling voor de toepassing van het vierde lid een gemiddeld
percentage vastgesteld.
-6. De
bruto-ouderdomspensioenen worden zodanig vastgesteld dat na aftrek van de in te houden
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de
toepasselijke heffingskortingen voor een persoon van 65 jaar of ouder, en van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
41 van de Zorgverzekeringswet:
a. het
netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, gelijk is aan 70% van het nettominimumloon per maand;
b. het
netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, gelijk is aan 50% van het nettominimumloon per maand;
c. het
netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, gelijk is aan 90% van het nettominimumloon per maand.
-7. De volledige brutotoeslag, bedoeld in artikel
8, is gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor
de pensioengerechtigde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
-8. Op een beschikking als
gevolg van een herziening van het bruto-ouderdomspensioen in verband met een
wijziging
van het nettominimumloon zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet
van
toepassing.
B. [MvT]
Na artikel 33a van de Algemene
Ouderdomswet wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd,
luidende:
§ 4. Tegemoetkoming in
aanvulling op het ouderdomspensioen
Art. 33b.
-1. Degene die recht heeft
op ouderdomspensioen heeft tevens recht op een tegemoetkoming.
-2. De tegemoetkoming wordt
niet beschouwd als ouderdomspensioen op grond van deze wet,
tenzij voor de toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk
III.
-3. Op de toekenning van de
tegemoetkoming, voor zover die niet samenhangt met de toekenning
van het ouderdomspensioen, zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 9,
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte, de
indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming.
-5. De tegemoetkoming is niet
vatbaar voor beslag.
Art.
II.
Aan artikel 83, tweede lid,
van de
Wet financiering sociale verzekeringen
wordt, onder vervanging van
de punt na onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel
toegevoegd, luidende:
c. de lasten van de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b
van de Algemene Ouderdomswet, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
Art.
III. [MvT]
De Wet op de
huurtoeslag wordt als volgt gewijzigd:
aA.
Artikel 14, eerste lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt voor "bij een eenpersoonsouderenhuishouden" ingevoegd: , vermeerderd met
de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b
van de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar,.
2. In onderdeel d wordt voor "bij een meerpersoonsouderenhuishouden" ingevoegd: , vermeerderd
met tweemaal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
33b van
de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar,.
A. [MvT]
Artikel 17, eerste lid, onderdeel c en d, komt te luiden:
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor
de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
a, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat
bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag
van de brutovakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29,
eerste lid, aanhef en onder b, van die wet,
zoals dat bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en de tegemoetkoming, bedoeld
in artikel 33b van die
wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met
€|1675,00;
d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: tweemaal het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet,
zoals dat bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag
van de brutovakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29,
eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, zoals
dat bedrag naar redelijke
verwachting in het berekeningjaar zal luiden, en tweemaal de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 33b van die
wet, per kalenderjaar, en verder
vermeerderd met
€|1050,00.
B. [MvT]
Artikel 27 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het zesde lid, eerste
volzin, komt te luiden: Bij ministeriële regeling
worden elk jaar, met ingang van 1 januari, de bedragen, genoemd in artikel
18, eerste lid (referentie-inkomensijkpunten), aangepast met het
percentage waarmee de in het berekeningsjaar verwachte
corresponderende bedragen krachtens artikel 17, eerste lid, onderdeel a
en b, en de in het berekeningsjaar verwachte corresponderende bedragen en
tegemoetkomingen krachtens de onderdelen c en d van dat
artikellid (minimuminkomensijkpunten) afwijken van de
corresponderende bedragen en tegemoetkomingen die in het daaraan voorafgaande
berekeningsjaar gelden krachtens de in dat artikellid genoemde wetten.
2. Het zevende lid, tweede
volzin, komt te luiden: De maximuminkomensgrens,
bedoeld in het vierde lid, met inbegrip van de vermeerderingen,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c en d, en de bedragen, bedoeld
in het vijfde en zesde lid, worden naar boven afgerond op een veelvoud van
€|25,00.
Art.
IV. [MvT]
De Wet
bevordering eigenwoningbezit wordt als volgt gewijzigd:
aA.
Artikel 8, eerste lid, wordt
als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt voor "bij een eenpersoonsouderenhuishouden" ingevoegd: , vermeerderd met
de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b
van de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar,.
2. In onderdeel d wordt voor "bij een tweepersoonsouderenhuishouden" ingevoegd: , vermeerderd
met tweemaal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
33b van
de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar,.
A. [MvT]
Artikel 11, eerste lid,
onderdeel b, onder 3e en 4e, komt te luiden:
3e. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: het naar een jaarinkomen
in het peiljaar herrekende
bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a,
van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag
van de brutovakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29, eerste lid, aanhef en onder b, van die
wet, en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
33b van
die wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met
€|1675,00, of
een met dat aldus vermeerderde bedrag, volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels, vergelijkbaar bedrag;
4e. voor een tweepersoonsouderenhuishouden: tweemaal het naar een
jaarinkomen in het peiljaar herrekende bedrag van het bruto-ouderdomspensioen
voor de pensioengerechtigde,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag
van de brutovakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29, eerste lid, aanhef en onder c, van die
wet, en tweemaal de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
33b van
die wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met
€|1050,00, of
een met dat aldus vermeerderde bedrag, volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels, vergelijkbaar bedrag.
B. [MvT]
Artikel 28, onderdeel c en d,
komt te luiden:
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor
de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag
van de brutovakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29,
eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, en
de tegemoetkoming, bedoeld
in artikel 33b van die
wet, per kalenderjaar, en verder vermeerderd met
€|1675,00;
d. voor een tweepersoonsouderenhuishouden: het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor
de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met het bedrag
van de brutovakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel
29,
eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, en
tweemaal de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 33b van die
wet, per kalenderjaar, en verder
vermeerderd met
€|1050,00.
C. [MvT]
Artikel 41, vijfde lid,
onderdeel b, komt te luiden:
b. het maximaal toegestaan
inkomen, bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van de
vermeerderingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c en
d, het
maximaal toegestaan vermogen, bedoeld in het eerste lid, en de bedragen,
bedoeld in het tweede en vierde lid, worden naar boven afgerond op een veelvoud van
€|25,00;.
Art.
V. [MvT]
Indien een aanvraag tot het
verstrekken van een bijzondere bijdrage in de huurlasten als bedoeld in
artikel 26b, eerste lid, van de Huursubsidiewet,
zoals dat laatstelijk luidde
vóór de inwerkingtreding van de Aanpassingswet
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, betrekking heeft op het
tijdvak dat loopt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005, wordt voor
de toepassing van eerstgenoemde
wet artikel 26a, eerste lid,
onderdeel a, als volgt gelezen:
a. actueel inkomen: het
gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners, dat wordt
berekend door het netto-inkomen over de eerste kalendermaand van het
desbetreffende bijdragetijdvak, verminderd met de tegemoetkoming waarop
personen met een ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet recht hebben, herleid tot een bedrag per maand, te
herrekenen naar een gecorrigeerd verzamelinkomen over het peiljaar;.
Art.
VI. [MvT]
Indien een aanvraag tot het
verstrekken van een bijzondere bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten
van het in eigendom verkrijgen van een woning als bedoeld in
artikel 34, eerste lid, van de Wet
bevordering eigenwoningbezit betrekking
heeft op het tijdvak dat loopt van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2006,
wordt voor de toepassing van die
wet artikel 33, eerste lid, onderdeel a,
als volgt gelezen:
a. actueel inkomen: het
gezamenlijk inkomen van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, dat wordt berekend door
het netto-inkomen over de
eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdragetijdvak, verminderd
met de tegemoetkoming waarop personen met een ouderdomspensioen op
grond van de Algemene Ouderdomswet recht hebben, herleid tot
een bedrag per maand, te herrekenen naar een gecorrigeerd verzamelinkomen
over het peiljaar;.
Art.
VII.
Artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, van de Algemene
nabestaandenwet, zoals deze komt te luiden indien
artikel 3.8.1 van het bij koninklijke
boodschap van 23 mei 2005
ingediende voorstel van wet tot invoering van de Zorgverzekeringswet en
aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet) (Kamerstukken 30 124) tot wet wordt verheven en in werking
treedt en artikel 7 van de Invoeringswet
Wet financiering sociale
verzekeringen in werking treedt, komt te luiden:
b. nettominimumloon: het brutominimumloon na aftrek van premies
op grond van de
Wet financiering sociale verzekeringen, de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel
41 van de Zorgverzekeringswet, over het
brutominimumloon
en loonbelasting, en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. De loonbelasting en premie voor
de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 1
van de
Wet financiering sociale verzekeringen, worden berekend voor een
werknemer jonger dan 65
jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964,
over het brutominimumloon vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met het
werknemersaandeel in de premie, bedoeld in afdeling
2 van hoofdstuk 3 van de
Wet financiering sociale verzekeringen;.
Art.
VIII.
De Wet werk en bijstand,
zoals deze komt te luiden indien artikel 3.8.20
van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet in werking is
getreden, wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In artikel 23 wordt, onder
vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-2. Het bedrag van de norm,
bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
a. voor een alleenstaande of
een alleenstaande ouder
€|51,00;
b. voor gehuwden
€|73,00.
B.
Artikel 37, eerste lid, komt
te luiden:
-1. In deze paragraaf wordt
onder nettominimumloon verstaan het minimumloon per maand,
genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag
waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken,
na aftrek van de daarvan in
te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
41 van de Zorgverzekeringswet, en vermeerderd met de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
C.
In artikel 38 wordt, onder
vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-5. De bedragen, genoemd in
artikel 23, tweede lid, worden herzien indien het drempelinkomen,
bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag, wordt aangepast, de percentages,
bedoeld in artikel 2 van die
wet, worden gewijzigd of het bedrag van
de standaardpremie op grond van artikel 4 van
die wet op een ander
bedrag wordt vastgesteld.
Art.
VIIIa.
De
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A.
Na artikel 9 wordt een nieuw
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 9a. Tegemoetkoming in
aanvulling op arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De jonggehandicapte die
behoort tot een bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft
recht op een tegemoetkoming.
-2. De tegemoetkoming wordt
verstrekt in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Bij ministeriële
regeling worden in ieder geval regels gesteld voor de hoogte van de tegemoetkoming
en de betaling van de tegemoetkoming.
-4. Op de toekenning van de
tegemoetkoming zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
B.
Na artikel 52 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 52a. Betaling van de
tegemoetkoming
De artikelen 32, 47,
49, 55,
56 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
9a, voor zover
bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
C.
Aan artikel 58, eerste lid,
wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door
een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 9a.
D.
Artikel 62, tweede lid, komt
te luiden:
-2. Op de jonggehandicapte
die aanspraak maakt op of recht heeft op een vakantie-uitkering dan
wel een tegemoetkoming als bedoeld in artikel
9a en diens wettelijke
vertegenwoordiger rusten overeenkomstige verplichtingen als
omschreven in het eerste lid.
E.
Aan artikel 65, eerste lid,
wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door
een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
i. de tegemoetkomingen,
bedoeld in artikel 9a.
Art.
VIIIb.
In artikel 31, tweede lid,
van de Wet werk en bijstand wordt in het met artikel 3.8.20, onderdeel
D,
tweede lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet
ingevoegde onderdeel na "Zorgverzekeringswet"
ingevoegd: of een
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9a van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten.
Art.
IX. [MvT]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld, en kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 22 december 2005, Stb. 2005, 714, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2006, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
22 december 2005
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|