|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 314
Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet, de Wet financiering sociale verzekeringen
en de Wet op de
huurtoeslag en enige andere wetten
in verband met het toekennen van een tegemoetkoming aan personen die een
uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet en enkele
aanpassingen in de berekening van de uitkeringen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Invulling structurele
basis tegemoetkoming |
| 3 |
Doorwerking naar
(inkomensafhankelijke) regelingen |
| 4 |
Berekening relevant
nettominimumloon |
| 5 |
Financiering |
| 6 |
Financiële
effecten |
| 7 |
Uitvoering |
| 8 |
Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m IX |
Algemeen
1.
Inleiding
Bij
de behandeling van het koopkrachtbeeld 2005 heeft het kabinet geoordeeld
dat voor onder andere ouderen met een laag inkomen de negatieve
inkomenseffecten beperkt zouden moeten blijven. In dit kader zijn de
ouderenkortingen per 1 januari 2005 verhoogd. Een verhoging van de
ouderenkortingen had echter niet voor alle ouderen een effect. Een
voorwaarde om te kunnen profiteren van een verhoging van de
ouderenkortingen is dat de belastingplichtige nog belasting betaalt
waarop de ouderenkorting in mindering kan worden gebracht. Voor een
grote groep, met name gehuwde, ouderen die geen of slechts een klein
aanvullend pensioen ontvangen, was dit niet (meer) het geval. Om ook deze
groep te bereiken, is besloten tot de invoering per 1 januari 2005 van
een tegemoetkoming naast het ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet (AOW) voor AOW-gerechtigden. Dit is uitgewerkt in de Tijdelijke
regeling tegemoetkoming AOW-ers. Deze tegemoetkoming bedraagt
€|5,- per maand.
Daarnaast heeft het kabinet - naar aanleiding van de motie-Verburg
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 800, nr. 52) - een extra tegemoetkoming
geïntroduceerd. De Tijdelijke regeling
eenmalige tegemoetkoming AOW-ers 2005 voorziet in een eenmalige tegemoetkoming voor AOW-ers van
€|40,-.
Dit bedrag heeft iedere AOW-gerechtigde ontvangen aan wie in de maand
mei 2005 de vakantie-uitkering is uitbetaald en van wie de AOW-uitkering
niet vóór 1 april was geëindigd.
Over het jaar 2005 geldt dus voor AOW-ers een totale tegemoetkoming van
€|100,- bruto. Beide hiervoor genoemde regelingen zijn uitgevoerd door
de Sociale verzekeringsbank (SVB).
Beide regelingen zijn van tijdelijke aard en gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies. Zij gelden voor het jaar 2005. In de toelichting op de
beide regelingen is aangegeven
dat in het kader van de besluitvorming over het inkomensbeeld 2006 de
gewenste hoogte van de tegemoetkoming voor 2006 aan de orde komt en dat
dan ook zal worden bezien of voor het jaar 2006 nogmaals voor een
vergelijkbare regeling wordt gekozen, of dat een meer structurele
invulling van deze tegemoetkoming in de AOW kan worden opgenomen.
Inmiddels is geconcludeerd dat structurele voortzetting van de
tegemoetkoming gewenst is. Tijdens de parlementaire behandeling van het
wetsvoorstel inkomensaanvulling 2005 (inmiddels Wet
inkomensaanvulling 2005, Stb. 2005, 192) is dit voornemen ook met de Tweede Kamer gedeeld
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 005, nr. 12). Het voorliggende wetsvoorstel
beoogt een structurele basis te geven aan de tegemoetkoming voor AOW-ers
met ingang van 1 januari 2006.
Het wetsvoorstel bevat ook een technische wijziging in de AOW
(artikel
I, onderdeel A), de Algemene nabestaandenwet
(Anw) (artikel VII) en de
Wet werk en bijstand (Wwb) (artikel VIII).
2. Invulling structurele
basis tegemoetkoming
Het structureel
maken van de tegemoetkoming wordt vormgegeven door een wijziging van de AOW, inhoudende dat degene die recht heeft op een ouderdomspensioen op
grond van de AOW tevens recht heeft op een tegemoetkoming.
Door deze vormgeving blijft de sinds 1980 in de
AOW formeel vastgelegde netto-nettokoppeling intact. Deze koppeling van
het AOW-pensioen aan het minimumloon geeft de AOW-gerechtigde een
nettogarantie op een welvaartsvaste minimumuitkering, ongeacht eventuele
andere inkomsten. Met deze netto-nettokoppeling wordt ook voor de
toekomst een welvaartsvaste ontwikkeling van de AOW gewaarborgd.
Tevens biedt dit wetsvoorstel een gerichte en
gelijke inkomenscompensatie aan AOW-gerechtigden.
De tegemoetkoming zal ook ten goede komen aan
de substantiële groep van AOW-gerechtigden met een onvolledige AOW. Dit
wetsvoorstel beoogt dan ook de door de te vervangen Tijdelijke
regeling tegemoetkoming AOW-ers en de Tijdelijke
regeling eenmalige tegemoetkoming AOW-ers 2005 bereikte inkomenssuppletie voor deze groep
onverkort te continueren.
Dit geldt voor zowel de in Nederland als de in
het buitenland woonachtige gerechtigden. Aan de toepassing van de
verdragen inzake sociale zekerheid met andere staten wordt daarmee niet
toegekomen. Dit gold overigens ook voor de tegemoetkoming op basis van
de Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW-ers en de Tijdelijke regeling
eenmalige tegemoetkoming AOW-ers 2005.
Overigens past in de gedachte degenen ouder dan
65 jaar een tegemoetkoming te geven geen doorwerking naar personen
jonger dan 65 jaar. Vandaar dat dit wetsvoorstel daarin niet voorziet.
Voorts voorkomt dit wetsvoorstel dat er ongewenste doorwerkingen kunnen
plaatsvinden in de aanvullende pensioenen en andere regelingen waarin
verwezen wordt naar het AOW-pensioen.
De nadere uitwerking van dit wetsvoorstel vindt plaats bij algemene
maatregel van bestuur. Daarin worden nadere regels gesteld over de
hoogte, de indexering en de betaling van de tegemoetkoming. Deze regels
zien op de exacte aanduiding van het bedrag in combinatie met de
periodiciteit en de wijze van indexering. Het bedrag zal in beginsel
jaarlijks worden geïndexeerd. Omdat de regering het wenselijk vindt dat
de tegemoetkoming waardevast is, zal in de algemene maatregel van
bestuur een indexeringsbepaling worden opgenomen die gebaseerd wordt op
door het CBS [Centraal bureau voor de statistiek,
red.] gepubliceerde
inflatiecijfers. Om daarnaast ook een wijziging van het bedrag om
beleidsmatige redenen mogelijk te maken, is ervoor gekozen de hoogte van
de tegemoetkoming niet bij wet, maar bij algemene maatregel van bestuur
te regelen.
Het bedrag van de tegemoetkoming is bruto. Dit
betekent dat er loonbelasting over dit bedrag wordt geheven.
3. Doorwerking naar
(inkomensafhankelijke) regelingen
De
tegemoetkoming leidt tot een stijging van het verzamelinkomen voor
ouderen. Dit betekent in beginsel een verlaging van het recht op
inkomensafhankelijke regelingen, zoals de huurtoeslag en de
eigenwoningbijdrage. Om dit te corrigeren, vindt aanpassing plaats van de
relevante inkomensgrenzen en tabellen. Met het oog daarop is in het
wetsvoorstel een wijziging opgenomen van de Wet
op de huurtoeslag en de Wet
bevordering eigenwoningbezit.
Naar aanleiding van de invoering van de tegemoetkoming in 2005 is voorts
de motie-Bruls (Kamerstukken II 2004-2005, 29 850, nr. 10) aanvaard op
grond waarvan de tegemoetkoming voor AOW-gerechtigden niet meetelt als
inkomen bij de vaststelling van de eigen bijdrage in het kader van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor verblijf in een instelling.
Dit kan worden geregeld in het Bijdragebesluit
zorg op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het feit dat inclusief de
tegemoetkoming het belastbaar inkomen van ouderen hoger ligt dan zonder
de tegemoetkoming kan ook gevolgen hebben voor de hoogte van de in 2006
in te voeren zorgtoeslag. De wet regelt evenwel niet het buiten
beschouwing laten van de tegemoetkoming bij de bepaling van de
zorgtoeslag. De zorgtoeslag is inkomenafhankelijk vanaf het wettelijk
minimumloon. Dit inkomen ligt ruim boven het inkomen voor zowel
alleenstaande als gehuwde AOW-gerechtigden zonder aanvullend pensioen.
Voor de lagere inkomens vindt dus geen afroming van de tegemoetkoming
door de zorgtoeslag plaats. Voor hogere inkomens geldt in de zorgtoeslag
een marginale druk van slechts 5%. De zorgtoeslag zal ook geen
onderscheid maken tussen ouderen en jongeren, zodat een eenvoudige
aanpassing van de zorgtoeslag om met de tegemoetkoming rekening te
houden niet mogelijk is. Verder is bij de beoordeling van de
inkomenseffecten van de invoering van het nieuwe zorgstelsel ook
rekening gehouden met de doorwerking van de tegemoetkoming in de hoogte
van de zorgtoeslag. Zowel de tegemoetkoming als de zorgtoeslag zijn
verwerkt in de gepresenteerde standaardkoopkrachtoverzichten.
De tegemoetkoming voor AOW-gerechtigden komt volledig ten goede aan
AOW-gerechtigden die als gevolg van een onvolledig AOW-pensioen algemene
bijstand ontvangen, omdat de tegemoetkoming buiten aanmerking wordt
gelaten voor de middelentoets in de bijstand. Personen met een
onvolledig AOW-pensioen worden dus in gelijke mate gecompenseerd als
personen met een volledig AOW-pensioen.
Of de AOW-gerechtigde daarnaast ook nog recht
heeft op bijzondere bijstand is - in lijn met de uitgangspunten van de
Wwb - ter beoordeling van de gemeente.
4. Berekening relevant
nettominimumloon
In het
wetsvoorstel is tevens opgenomen een technische wijziging in de AOW,
Anw
en Wwb.
In deze wetten is bepaald dat de hoogte van de
uitkering wordt afgeleid van het in die wetten gedefinieerde nettominimumloon voor een werknemer rekening houdend met tweemaal de algemene
heffingskorting, zonder toepassing van de arbeidskorting. Op deze wijze
wordt bereikt dat de
inkomensontwikkeling van deze uitkeringen gerelateerd is aan de
inkomensontwikkeling van werkenden. Als gevolg van de invoering van de
Zorgverzekeringswet (Zvw) wijzigt per 1 januari de berekening van het
nettominimumloon voor een werknemer. In plaats van de bestaande
werknemers- en werkgeverspremie voor de Ziekenfondswet krijgt de
werknemer met een minimumloon vanaf 2006 te maken met de Zvw. De Zvw kent een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd door de
werknemer
en tegelijkertijd een vergoeding van de werkgever aan de werknemer ter
hoogte van hetzelfde bedrag. Per saldo heeft de verschuldigde bijdrage
voor de Zvw daarmee geen invloed op de hoogte van het nettominimumloon.
In de Invoerings- en aanpassingswet Zvw zijn ook de voornoemde wetten
(AOW, Anw en Wwb) aangepast aan de nieuwe berekening van het
nettominimumloon. Per abuis is daarbij echter alleen de inkomensafhankelijke
bijdrage verwerkt en niet de daarmee samenhangende vergoeding. Dit zou
betekenen dat het nettominimumloon voor de berekening van deze
uitkeringen te laag wordt vastgesteld. In dit wetsvoorstel wordt dit
gecorrigeerd door naast de inkomensafhankelijke bijdrage ook de daarmee
samenhangende vergoeding expliciet als relevant voor de berekening op te
nemen.
5. Financiering
De aan de
tegemoetkoming verbonden uitgaven worden ten laste van het
Ouderdomsfonds gebracht. Deze uitgaven worden in de begroting 2006
opgenomen en gefinancierd uit de rijksbijdrage die zorgt voor een
neutrale kaspositie in het Ouderdomsfonds. In 2005 zijn de twee
tegemoetkomingen gefinancierd door een aparte rijksbijdrage aan de SVB.
Deze wijze van financieren brengt met zich mee dat de SVB de uitgaven
afzonderlijk moet registeren en zich hierover afzonderlijk moet
verantwoorden. Deze verplichting komt met de nieuwe wijze van
financieren te vervallen. Voor de nieuwe wijze van financieren bevat het
wetsvoorstel een daartoe noodzakelijke wijziging van de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv) (zie artikel II).
6.
Financiële effecten
Bij de
berekening van het budgettaire beslag is het volume van het totaal
aantal AOW-gerechtigden dat meerjarig een stijging vertoont,
vermenigvuldigd met de brutotegemoetkoming per jaar. Als gevolg van
aansluiting op de systematiek van de SVB zijn er geen uitvoeringskosten
met betrekking tot uitbetaling van de tegemoetkoming. De financiële
effecten zijn als volgt [in miljoen euro, red.]:
| |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
| Uitgaven |
294,9 |
300,3 |
306,8 |
314,5 |
322,2 |
7. Uitvoering
In de algemene
maatregel van bestuur op basis van artikel 33b
van de AOW zal onder meer
worden geregeld dat de betaling van de tegemoetkoming op dezelfde wijze
plaatsvindt als de tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke
regeling tegemoetkoming AOW-ers, te weten: maandelijks, tezamen met het
AOW-pensioen. De structurele vormgeving leidt voor de uitvoering niet
tot veranderingen ten opzichte van de uitvoering van die
regeling.
8. Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel
is voor commentaar voorgelegd aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) en
de Sociale verzekeringsbank (SVB).
Het wetsvoorstel heeft de IWI vanuit een oogpunt van toezichtbaarheid
geen aanleiding gegeven tot opmerkingen.
De SVB acht de uitvoering van het wetsvoorstel juridisch-inhoudelijk
complex en stelt vereenvoudigingen voor.
Conform het voorstel van de SVB is in het
wetsvoorstel (artikel
33b, tweede lid) opgenomen dat op de
tegemoetkoming paragraaf 2 van hoofdstuk III van de
AOW van toepassing
is. Voorts is het wetsvoorstel - voor
zover
van toepassing - aangepast met inachtneming van de verdere opmerkingen
van de SVB.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
(artikel
9 van de AOW)
Artikel
9, derde lid, is in verband met de invoering van de
Zorgverzekeringswet geherformuleerd. De inhoud van het oude derde lid is
met dit wetsvoorstel geregeld in het nieuwe derde en vierde lid.
Artikel 9 is tevens aangepast in verband met
het vervangen van de Ziekenfondswet door de Zorgverzekeringswet.
Voor de berekening van het bruto-AOW-pensioen
is de wijze van heffing van de Zfw-premie dan wel inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zorgverzekeringswet van belang. Tot januari 2006 wordt
de Zfw-premie per maand ingehouden over het AOW-pensioen. Daarbij wordt
ook de Zfw-premie over de over die maand opgebouwde vakantie-uitkering
ingehouden. Bij de daadwerkelijke uitbetaling van de vakantie-uitkering
is dan geen Zfw-premie meer verschuldigd. In de wet is op dit moment
expliciet opgenomen dat bij de berekening van het bruto-AOW-pensioen
rekening moet worden gehouden met deze wijze van inning.
Voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw
geldt een andere inningsystematiek. De inkomensafhankelijke bijdrage
voor de Zvw over de vakantie-uitkering wordt vanaf 2006 ingehouden op
het moment van daadwerkelijke uitbetaling. Bij de heffing van de
inkomensafhankelijke bijdrage over de maanduitkering wordt dan geen
rekening meer gehouden met de over die maand opgebouwde
vakantie-uitkering. Voor de netto uit te betalen bedragen heeft deze
andere systematiek geen effect als bij de vaststelling van het
bruto-AOW-pensioen met deze andere systematiek rekening wordt gehouden.
Daarmee kan de voornoemde expliciete verwijzing naar de oude systematiek
vervallen in het zesde tot en met achtste lid van artikel
9.
Artikel I, onderdeel B
(artikel
33b van de AOW)
De wettelijke basis voor de tegemoetkoming is neergelegd in een nieuw
artikel in de AOW, artikel
33b. Het eerste lid van dat artikel regelt
dat iemand die recht heeft op AOW-pensioen tevens recht heeft op een
tegemoetkoming. Voor alle duidelijkheid bepaalt het tweede lid dat de
tegemoetkoming niet is aan te merken als ouderdomspensioen op grond van
de AOW, zodat deze niet wordt meegenomen in de hoogte van de aanvullende
pensioenen en andere regelingen waarin verwezen wordt naar het
ouderdomspensioen op grond van de AOW. Wel wordt paragraaf 2 van
hoofdstuk III van de AOW van overeenkomstige toepassing verklaard ten
aanzien van de tegemoetkoming. Dit heeft te maken met het feit dat de SVB
de tegemoetkoming tegelijk met het AOW-pensioen zal betalen. Dit betekent
dat de bedragen die de SVB maandelijks uitkeert met het maandelijkse
bedrag van de tegemoetkoming wordt verhoogd. Bij de uitbetaling van de
tegemoetkoming zal de SVB dezelfde regels hanteren als bij de
uitbetaling van het AOW-pensioen. Deze betreffen onder andere de herziening,
intrekking, betaalbaarstelling, opschorting en terugvordering van de
tegemoetkoming.
Evenals bij een verhoging van de AOW-bedragen
tengevolge van aanpassing van het minimumloon of verstrekking van de
vakantie-uitkering komt de betaling van de tegemoetkoming tot uiting in
de specificatie op het bankafschrift bij elke betaling. In het derde lid
is daarom bepaald dat de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht dan niet van toepassing zijn op de verstrekking van de
tegemoetkoming. Deze artikelen schrijven een aparte bekendmaking en het
opnemen van een bezwaarformule voor besluiten voor. Indien de
tegemoetkoming wordt verstrekt bij de toekenning van de AOW-uitkering,
wordt in de beschikking apart melding gemaakt van het verstrekken van de
tegemoetkoming. De uitzondering van de genoemde bepalingen van de
Algemene wet bestuursrecht is dan niet aan de orde.
Op grond van het vierde lid worden over de
hoogte, indexering en de betaling van de tegemoetkoming regels gesteld
bij algemene maatregel van bestuur. Uitgangspunt is dat het bedrag van
de tegemoetkoming voor iedere AOW-gerechtigde gelijk is ongeacht de
leefsituatie en ongeacht of op de AOW een korting wordt toegepast. De
betaling heeft met name betrekking op de periodiciteit. Daarbij zou,
indien gewenst, kunnen worden afgeweken van de maandelijkse uitbetaling.
De regels over de hoogte betreffen het benoemen van het bedrag van de
tegemoetkoming. In de regels over de indexering wordt verwezen naar de
tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. Deze tabelcorrectiefactor is de verhouding van
het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de achttiende tot en met de
zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddelde van
de prijsindexcijfers van de dertigste tot en met de negentiende aan het
kalenderjaar voorafgaande maand. De prijsindexcijfers zijn de cijfers
uit de "Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid" van het
Centraal bureau voor de statistiek. De gemiddelde prijsindexcijfers
worden berekend uit de prijsindexcijfers vermeld in het nummer van het
Statistisch Bulletin waarin het indexcijfer van de zevende
respectievelijk negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand voor
het eerst, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd.
De in de Tijdelijke regeling tegemoetkoming
AOW-ers opgenomen regeling
betreffende de relatie tussen de tegemoetkoming en de remigratie-uitkering zal door een aanpassing van
de op de Remigratiewet gebaseerde regelgeving worden geregeld voor de tegemoetkoming op basis
van dit artikel.
Artikelen III en
IV
(wijziging
van de Wet op de huurtoeslag en de Wet bevordering eigenwoningbezit)
De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 33b
van de Algemene Ouderdomswet,
per kalenderjaar leidt tot een verhoging van het belastbaar inkomen. Om
te voorkomen dat als gevolg van deze maatregel een verlaging van de
huurtoeslag in het kader van de Wet
op de huurtoeslag respectievelijk
koopsubsidie in het kader van de Wet
bevordering eigenwoningbezit optreedt, worden de
minimuminkomensijkpunten van de ouderenhuishoudens,
zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c en d, van de
Wet op de huurtoeslag
en de artikelen 11, onderdeel
b, onder 3º en 4º, en 28, onderdeel c en d, van de
Wet
bevordering eigenwoningbezit, met
deze tegemoetkoming verhoogd. Voor eenpersoonsouderenhuishoudens is de
verhoging gelijk aan de tegemoetkoming, voor meerpersoonsouderenhuishoudens
vindt verhoging plaats met tweemaal het bedrag van de tegemoetkoming
(de voorgestelde artikelen III, onderdeel A, en
IV).
De zogenoemde referentie-inkomensijkpunten,
bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet
op de huurtoeslag, volgen
de minimuminkomensijkpunten uit die
wet. Dit is geregeld in het
voorgestelde artikel 27, zesde lid, van de Wet
op de huurtoeslag (het
voorgestelde artikel III, onderdeel B).
Artikel V
(bijzondere
bijdrage in de huurlasten)
In het voorgestelde artikel V is bepaald dat indien een aanvraag tot het
verstrekken van een bijzondere bijdrage in de huurlasten als bedoeld in
artikel 26b, eerste lid, van de Huursubsidiewet, zoals dat artikel
luidde vóór de inwerkingtreding van de Aanpassingswet
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, betrekking heeft op het tijdvak dat
loopt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 voor de toepassing
van de Huursubsidiewet, artikel 26a, eerste lid, onderdeel
a, van die wet
onder actueel inkomen wordt verstaan: het gezamenlijk inkomen van de
huurder en de medebewoners, dat wordt berekend door het netto-inkomen
over de eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdragetijdvak,
verminderd met de tegemoetkoming die aan de AOW-ers wordt verstrekt,
herleid tot een bedrag per maand, te herrekenen naar een gecorrigeerd
verzamelinkomen over het peiljaar. In het jaar 2005 betreft dit nog de
tegemoetkomingen die op grond van de tijdelijke regelingen worden
verstrekt.
Deze wijziging van artikel 26a, eerste lid,
onderdeel a, van de Huursubsidiewet, zoals dat laatstelijk luidde vóór
de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen, heeft namelijk slechts betrekking op het
kalenderjaar 2005, aangezien de Vangnetregeling met de inwerkingtreding
van de (Aanpassingswet)
Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen op
1 januari 2006 komt te vervallen. Per die datum wordt bij de berekening
van huurtoeslag uitgegaan van actuele inkomens en speelt die
Vangnetregeling geen rol meer.
Artikel VI
(bijzondere
bijdragen in kosten van eigendom)
In het voorgestelde artikel VI van deze wet is bepaald dat indien een
aanvraag tot het verstrekken van een bijzondere bijdrage ter
tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen van een
woning als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet
bevordering eigenwoningbezit betrekking heeft op het tijdvak dat loopt van 1 januari
2005 tot en met 30 juni 2006, voor de toepassing van die
wet artikel 33,
eerste lid, onderdeel a, onder actueel inkomen wordt verstaan: het
gezamenlijke inkomen van degenen die behoren tot het huishouden van de
eigenaar-bewoner, dat wordt berekend door het netto-inkomen over de
eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdragetijdvak, verminderd
met de tegemoetkoming die aan de AOW-ers wordt verstrekt, herleid tot
een bedrag per maand, te herrekenen naar een gecorrigeerd
verzamelinkomen over het peiljaar.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 33,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
bevordering eigenwoningbezit wordt
geregeld dat de tegemoetkoming ook bij de zogenoemde Vangnetregeling
buiten beschouwing kan worden gelaten. Deze wijziging heeft alleen een
functie indien de aanvraag tot het verstrekken van een bijzondere
bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen
van een woning als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet
bevordering eigenwoningbezit betrekking heeft op de periode 1 januari
2005 tot en met 30 juni 2006. Immers, per 1 juli 2006 wordt de
onderhavige tegemoetkoming "opgevangen" door een verhoging van de
minimuminkomensijkpunten.
Artikel IX
(inwerkingtreding)
De inwerkingtredingsdata van de artikelen van deze wet zullen
verschillend zijn. De tegemoetkoming in de AOW zal gelden vanaf 1
januari 2006.
Artikel III (de reguliere huurtoeslag) treedt daarom in werking met
ingang van 1 januari 2006. Immers, per 1 januari 2006 wordt uitgegaan
van een berekeningsjaar en het daarbij behorende actuele inkomen. Nu
vervolgens bij de beoordeling van het recht op huursubsidie tot die
datum wordt gekeken naar het gecorrigeerde verzamelinkomen over het
peiljaar, is het kalenderjaar 2005 voor de beoordeling van het recht op
huursubsidie/huurtoeslag niet meer relevant.
Artikel IV (reguliere
eigenwoningbijdrage) van
deze wet treedt in
werking met ingang van 1 juli 2006, aangezien de tegemoetkoming, bedoeld
in artikel 33b, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, pas in het
kalenderjaar 2005 een rol gaat spelen en dit jaar als peiljaar geldt
voor aanvragen in het kader van de Wet
bevordering eigenwoningbezit per
die datum.
De artikelen V (Vangnetregeling Huursubsidiewet) en
VI (Vangnetregeling Wet
bevordering eigenwoningbezit) van deze wet zullen terugwerken tot en
met 1 januari 2005. Hiermee wordt alsnog (met terugwerkende kracht)
voorzien in een wettelijke grondslag voor de uitvoeringspraktijk die
hierop al vooruitliep.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|