|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 223
Wijziging
van enige socialeverzekeringswetten in verband
met de beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland
wonende uitkeringsgerechtigden
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Geen zorgplicht voor
in het buitenland wonenden |
| 3 |
Werking aanwijsregels
Verordening (EEG) nr. 1408/71 |
| 4 |
Inhoud wetsvoorstel |
| 4.1 |
Verzekering
ZW, WAO
en WW (artikelen I, II en III) |
| 4.2 |
Verzekering AKW
(artikel IV) |
| 4.3 |
Alternatieve
vrijwillige verzekering AOW en ANW voor in de Europese Unie wonende
postactieven (artikel V en VI) |
| 4.4 |
Aanpassing aan de
Wet WIA (artikel VII) |
| 5 |
Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel |
| 6 |
Financiële gevolgen |
| 7xx |
Inwerkingtredingsdatum |
| xBijlage |
1.
Inleiding
Iedereen
die in Nederland woont, is verplicht verzekerd voor de
volksverzekeringen (de Algemene Ouderdomswet
(AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)).
Op deze hoofdregel kunnen bij algemene maatregel van bestuur uitzonderingen worden gemaakt door uitbreiding dan wel beperking aan de kring
van verzekerden te geven.
Al bij de invoering van de AOW, per 1 januari 1957, is van de
mogelijkheid gebruik gemaakt om van de hoofdregel af te wijken. Sindsdien heeft
de regeling vele veranderingen ondergaan. Bij het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: KB 746),
waarin de kring van verzekerden nader is geregeld, heeft een algehele
herziening van de regeling plaatsgevonden.¹ De belangrijkste verandering
die met de invoering van dit besluit is gerealiseerd, is het met ingang van 1
januari 2000 laten vervallen van de bepaling op grond waarvan degenen
die in het buitenland wonen en een langlopende Nederlandse uitkering
ontvangen onder bepaalde voorwaarden verplicht verzekerd
blijven voor de volksverzekeringen. Als gevolg hiervan behoudt genoemde groep
weliswaar de Nederlandse uitkering, maar zij is niet langer verplicht
verzekerd voor de volksverzekeringen. Achterliggende gedachte hierbij is de
wens strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling
van de volksverzekeringen, namelijk dat alleen degenen die in Nederland
wonen verzekerd zijn.
1. Besluit van 24 december
1998, Stb. 1998, 746.
Ondanks bovengenoemd
uitgangspunt zijn voor een aantal verzekeringen uitzonderingen gemaakt
voor bepaalde categorieën in het buitenland wonende
uitkeringsgerechtigden (zie hoofdstuk 2). Hierdoor blijven zij voor ten minste één
Nederlandse socialeverzekeringswet verzekerd, terwijl zij voor een
ander deel van het socialezekerheidsstelsel niet verplicht verzekerd zijn.
Wel is hun de mogelijkheid geboden om een vrijwillige verzekering
te sluiten voor de AOW, Anw
en AWBZ. Aan het Hof van Justitie (EG)
(hierna: HvJ) is de vraag voorgelegd of het beëindigen van de verplichte
verzekering in overeenstemming is met artikel 13, tweede lid, onderdeel f,
van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en rblz.|2|
zelfstandigen, evenals op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ¹ (hierna
Verordening (EEG) 1408/71). In de uitspraak van 7 juli 2005 in de zaak-Van
Pommeren-Bourgondiën (C-227/03, hierna: Van Pommeren-Bourgondiën)
heeft het HvJ geoordeeld dat artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van
Verordening (EEG) 1408/71 er niet aan in de weg staat dat de Nederlandse
socialezekerheidswetgeving van toepassing blijft wanneer een in het buitenland
woonachtige persoon slechts voor een deel van het stelsel verplicht verzekerd
is en een ander deel van het stelsel is
vervangen door een
vrijwillige verzekering. De bevoegdheid van lidstaten om hun stelsel van
sociale zekerheid naar eigen goeddunken in te richten, laat onverlet dat
bij de
uitoefening van deze bevoegdheid wel het gemeenschapsrecht, en met
name de vrije verkeersbepalingen moeten worden geëerbiedigd. De
wooneis die wordt gesteld om verplicht verzekerd te blijven, is volgens het
HvJ slechts verenigbaar met het vrije verkeer van werknemers als de
voorwaarden voor de vrijwillige verzekering voor niet-ingezetenen niet
ongunstiger zijn dan die voor de verplichte verzekering voor ingezetenen voor
dezelfde takken van sociale zekerheid. Het HvJ is van oordeel dat het Nederlandse stelsel van vrijwillige verzekeringen
niet aan deze voorwaarde voldoet en oordeelt dat artikel 39 EG
[EG-verdrag, red.] in de weg staat aan de toepassing
van een regeling zoals die in Nederland is vormgegeven.
1. Geconsolideerde versie
PbEG L 149 van 5 juli 1971, zoals laatstelijk
gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 631/2004.
Dit wetsvoorstel heft de
gevolgen van voornoemde uitspraak van het HvJ (zie hoofdstuk
3) voor de
toekomst op door de na invoering van KB 746 nog resterende
verzekeringsgrondslagen voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden te
schrappen. Het gevolg hiervan is dat de betrokken personen onderworpen zijn aan de wetgeving van hun woonland.
Immers in de uitspraak
van het Hof wordt nog eens bevestigd dat aansluiting in de
woonstaat verplicht is voor degene wiens verplichte aansluiting in een andere
lidstaat geheel is geëindigd. Verder beoogt het wetsvoorstel de gevolgen
van de uitspraak voor het verleden op te heffen, door alsnog de
mogelijkheid te creëren dat degenen op wie de uitspraak van het Hof van Justitie
van toepassing is (zie hoofdstuk 2) over een in het verleden gelegen periode
alsnog kunnen deelnemen aan de vrijwillige verzekering, maar dan
tegen dezelfde voorwaarden als de voorwaarden voor de verplichte
verzekering.
Verordening (EEG) nr.
1408/71 is thans geheel herzien met Verordening (EG) nr. 883/2004 van het
Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.¹ Deze herziene verordening is weliswaar op 20 mei 2004 in werking getreden, maar de
toepassing ervan is afhankelijk van de inwerkingtreding van een nieuwe toepassingsverordening. Naar verwachting zal de
Commissie hiervoor rond
de jaarwisseling 2006 een voorstel indienen bij de Raad. Dit betekent dat
Verordening (EG) nr. 883/2004 naar verwachting niet eerder dan het jaar 2008
zal kunnen worden toegepast.
1. PbEU L 166 van 30 april
2004. Zie voor een inhoudelijke
uiteenzetting: Kamerstukken II 2004-2005, 21 501-31, nr. 41, blz. 5.
Met
dit wetsvoorstel
loopt de regering vooruit op het uitgangspunt van Verordening (EG) nr. 883/2004.
In deze verordening is bepaald dat in het buitenland wonende personen met een
langdurige uitkering uitsluitend zijn onderworpen aan de
wetgeving van hun woonland. Eventuele nationale verzekeringsgrondslagen
in het land dat de uitkering verstrekt (niet zijnde het woonland), kunnen
niet meer worden toegepast.
2. Geen zorgplicht voor
in het buitenland wonenden
In de op 29 mei 1996 aan
de Tweede Kamer gezonden notitie "Herbezinning van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen" is uitgebreid ingegaan
op de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen.¹ Daarbij
heeft het toenmalige kabinet het standpunt ingenomen dat de
zorgplicht van de Nederlandse overheid zich in rblz.|3|
beginsel niet tot over
onze landsgrenzen uitstrekt. Degenen die in een ander land gaan wonen, onderwerpen zich aan de verantwoordelijkheden
die de overheid van dat
land zich tot doel heeft gesteld en derhalve ook aan de wet- en
regelgeving van dat land. Op hen is het socialezekerheidsstelsel van toepassing van het
nieuwe woonland. Binnen de Europese Unie (EU) is dit
standpunt geconcretiseerd in de artikelen 13, tweede lid, onderdeel f, van de
Verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 10 ter van Verordening (EEG) nr.
574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van
toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede
op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen,²
op grond waarvan degene die ophoudt onderworpen te zijn aan
de socialezekerheidswetgeving van een lidstaat, onderworpen wordt aan de
socialezekerheidswetgeving van zijn woonland.³
In de bilaterale
verdragen inzake sociale zekerheid is geen bepaling opgenomen met betrekking tot
personen die geen werkzaamheden meer verrichten. De bepalingen
op grond waarvan moet worden vastgesteld aan welke
socialezekerheidswetgeving iemand onderworpen is, hebben alleen betrekking op
werknemers en zelfstandigen, afhankelijk van de werkingssfeer van het
betreffende verdrag.
1. Kamerstukken II 1995-1996, 24 754, nr. 1.
2. PbEG 1972 L 74/1
(geconsolideerde versie opgenomen in PbEG L
28/102), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 77/2005 van de Commissie van 13
januari 2005, PbEU 2005 L 16/3.
3. Artikel 13, eerste lid,
van Verordening (EEG) 1408/7, bepaalt dat,
(...) degenen op wie de verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één
enkele lidstaat zijn onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de
bepalingen van titel II vastgesteld. Op grond van
artikel 13, tweede lid onderdeel f,
Verordening (EEG) 1408/71 is de wetgeving van het
woonland van toepassing indien de betrokkene ophoudt onderworpen te zijn aan
de wetgeving van een lidstaat, zonder dat hij op grond van de conflictregels van titel
II aan de wettelijke regeling van een andere
lidstaat wordt onderworpen. Artikel 10ter van
Verordening (EEG) 574/72 bepaalt dat
de datum en de voorwaarden waaronder een
persoon als bedoeld in artikel 13,
tweede lid, onderdeel f, van Verordening (EEG)
1408/71 ophoudt onderworpen te zijn aan
de wettelijke regeling van een lidstaat, worden
vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze
wettelijke regeling.
Hoewel het uitgangspunt
van KB 746 is om iedere verplichte verzekering voor in het buitenland
wonende uitkeringsgerechtigden te beëindigen, bestaan hierop toch om
verschillende redenen uitzonderingen voor bepaalde categorieën in
het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden. De situaties die het
betreft en dus in het kader van dit wetsvoorstel moeten worden bezien,
zijn:
1. Bij wijze van
overgangsmaatregel blijven degenen die tot 1 januari 2000 recht hadden op
kinderbijslag verzekerd voor de AKW tot aan de datum waarop het jongste
kind, voor wie die verzekerde kinderbijslag ontvangt, de leeftijd van
18 jaar heeft bereikt.
2. Personen die recht
hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna:
WAO) zijn sinds 1 januari
2000 niet meer verzekerd voor de volksverzekeringen. De WAO-gerechtigden
blijven evenwel werknemer in de zin van de WAO, ZW en
WW, waardoor zij ook verzekerd blijven voor de
Nederlandse
werknemersverzekeringen. De werkgever, in dit geval het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), is dan verplicht om premies over de WAO-uitkering af te dragen.
3. De in het buitenland
wonende uitkeringsgerechtigden die verplicht verzekerd waren op grond
van de Ziekenfondswet (Zfw) en op wie Verordening (EEG) nr.
1408/71 van toepassing is, bleven ook na 1 januari 2000 verplicht
verzekerd voor de AWBZ op grond van artikel 7 van
KB 746. Met de
invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 komt de
verzekeringsplicht voor de Zfw te vervallen en daarmede tevens de
verplichte verzekering ingevolge de AWBZ. Als gevolg hiervan wordt artikel 7
van het KB 746 geschrapt.¹
1. Zoals de regering reeds
bij het wetsvoorstel Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet heeft aangegeven (Kamerstukken II 2004-2005,
30 124, nrs. 2 en 3, blz.
11 en 12), wordt hiermee geanticipeerd op de toekomstige Verordening
(EG) nr. 883/2004. Met
toepassing van de internationale socialezekerheidsregelingen
kunnen de betrokken
uitkeringsgerechtigden uitsluitend in hun
woonland aanspraak maken op de medische zorg zoals
die is geregeld in de wetgeving van het
woonland van betrokkenen (het zogenaamde woonlandpakket). Zij worden daarmee gelijk
behandeld met hun inlandse buren. Een
overgangsregeling voorziet erin dat personen die bij de inwerkingtreding van de Zvw
al aanspraak
hadden op een (aanvullende)
vergoeding van de kosten van zorg op grond
van de AWBZ-verzekering, deze
vergoeding behouden, alsmede
vergoeding van eventuele vervolgzorg.
3. Werking aanwijsregels
Verordening (EEG) nr. 1408/71
Verordening (EEG) nr.
1408/71 bevat aanwijsregels op grond waarvan kan worden vastgesteld welke
socialeverzekeringswetgeving op iemand die in een grensoverschrijdende
situatie verkeert van toepassing is. Deze regels hebben zowel exclusieve
als sterke werking.
Exclusieve werking wil
zeggen dat uitsluitend de wetgeving die wordt aangewezen op betrokkenen
van toepassing is, wanneer er op grond van nationale wetgeving ook
verzekering in een andere lidstaat zou bestaan. Met het begrip sterke
werking wordt tot uitdrukking gebracht dat wanneer de wetgeving die zo wordt
aangewezen grensnormen (zoals woonplaatseisen) rblz.|4|
bevat, deze niet
aan belanghebbende mogen worden tegengeworpen.
Artikel 13, tweede lid,
onderdeel f, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 is van toepassing op een
persoon die iedere werkzaamheid in een bepaalde lidstaat heeft gestaakt.
Wanneer deze persoon ophoudt onderworpen te zijn aan de wetgeving van
zijn laatste werkland, wordt hij onderworpen aan de wetgeving van zijn
woonland. De vraag is wanneer iemand ophoudt onderworpen te
zijn aan de wetgeving van zijn laatste werkland. Nederland heeft altijd
het standpunt ingenomen dat, zolang de betrokkene krachtens deze wettelijke
regeling als verzekerde wordt aangemerkt, hij onderworpen blijft aan
het socialeverzekeringsstelsel van het laatste werkland. Pas op het moment dat
hij onder toepassing van de nationale bepalingen van dit stelsel niet meer
als verzekerde wordt aangemerkt, wordt hij op grond van artikel
13, tweede lid, onderdeel f, onderworpen aan de wetgeving van het
woonland en is mede gebaseerd op de redactie van artikel 10ter van
Verordening (EEG) 574/72. Dit standpunt is bevestigd in de arresten
Commissie tegen
België (C-347/98) en Van Pommeren-Bourgondiën. In de zaak-Van Pommeren-Bourgondiën stelt het HvJ dat artikel 13, tweede lid,
van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 slechts tot doel heeft te bepalen
welke nationale wettelijke regeling van toepassing is op degenen die zich in
één van de onder a tot en met f van deze bepaling bedoelde situaties
bevinden. Het bepaalt niet zelf onder welke voorwaarden het recht op of
de
verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een
bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat. Het is aan de wettelijke
regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen, met inbegrip van die betreffende de beëindiging van de
aansluiting bij het
stelsel en voortzetting via een vrijwillige verzekering.
Volgens vaste
jurisprudentie van het HvJ kan iemand maar aan één stelsel krachtens sociale
zekerheid tegelijk onderworpen zijn en dus ook maar uit hoofde van één
sociaalverzekeringsstelsel verzekerd zijn. Dit betekent dat zolang iemand in
Nederland voor ten minste één socialeverzekeringswet verzekerd blijft, hij
voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, onderworpen blijft aan
het gehele Nederlandse stelsel (inclusief de vrijwillige verzekering)
en dat de socialeverzekeringswetgeving van het woonland niet op hem van
toepassing kan worden. Het is daarbij niet relevant of hij maar voor
één wet uit het stelsel verplicht verzekerd is, of voor het hele stelsel.
Wel oordeelt het HvJ in
de zaak-Van Pommeren-Bourgondiën dat artikel 39 EG-verdrag eraan in de
weg staat dat in dat geval de voorwaarden voor vrijwillige verzekering
voor de takken van sociale zekerheid waarvoor de verplichte verzekering is
geëindigd minder gunstig zijn dan die voor de verplichte verzekering.
Deze uitspraak heeft tot
gevolg dat voor de in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden op
wie de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing is én die
verzekerd zijn gebleven voor Zfw, AWBZ,
AKW of werknemersverzekeringen,
alsnog een vrijwillige verzekering onder even gunstige voorwaarden als
de verplichte verzekering beschikbaar moet zijn (voor die tak van sociale
zekerheid waarvan de verplichte verzekering is beëindigd).
Voor de eerder beschreven
groep personen die buiten Nederland woont en die voor één of meer socialeverzekeringswetten op grond van het in
Nederland geldende
stelsel verzekerd blijven, leidt de hiervoor bedoelde uitleg van artikel 13,
tweede lid, onderdeel f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 ertoe dat
zij niet onderworpen kunnen worden aan het stelsel van hun woonland. Daarmee
wordt het uitgangspunt van het kabinet voor het beëindigen van de
verzekeringsplicht volksverzekeringen - namelijk rblz.|5|
terugkeren naar het
oorspronkelijke uitgangspunt van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te
verzekeren - ondergraven.
4. Inhoud wetsvoorstel
De regering stelt zich op
het standpunt dat de gevolgen van de in hoofdstuk 3 beschreven uitspraak in
de zaak-Van Pommeren-Bourgondiën voor de toekomst tenietgedaan moeten worden. De regering stelt daarom voor de nog resterende
verplichte verzekeringsgrondslagen voor de in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden te schrappen, waardoor zij
onder de wetgeving van
het woonland zullen vallen. Hiermee loopt de regering alvast vooruit
op het principe van Verordening (EG) nr. 883/2004. Dit kan hoofdzakelijk
zonder verlies van aanspraken van betrokkenen (zie paragraaf
4.1). Daarvoor
brengt dit wetsvoorstel enkele wijzigingen aan in achtereenvolgens de WAO,
de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW) en de
AKW. In
verband hiermee zal ook KB 746 worden gewijzigd.
Verder wordt in
het
wetsvoorstel de mogelijkheid gecreëerd dat degenen op wie de uitspraak van
het HvJ van toepassing is (zie hoofdstuk 2) over een in het verleden
gelegen periode kunnen deelnemen aan een vrijwillige AOW
en/of Anw-verzekering
tegen dezelfde voorwaarden als de voorwaarden voor de
verplichte verzekering. Hierdoor worden de gevolgen van de uitspraak
in de zaak-Van Pommeren-Bourgondiën voor het verleden gerepareerd.
Reparatie voor het
verleden is niet aan de orde ten aanzien van de AWBZ
en de AKW-verzekering. Met betrekking tot de AWBZ geldt dat er (praktisch) geen verschillen zijn
tussen de vrijwillige en de verplichte verzekering. De AKW neemt een aparte
positie in. Enerzijds omdat diverse gerechtigden vanwege de overgangsregeling uit
artikel 27 van KB 746
verzekerd zijn gebleven
voor de AKW zolang het jongste kind nog geen 18 jaar is. Anderzijds
omdat er weliswaar geen verzekering was voor de AKW, maar de betrokken uitkeringsgerechtigden niettemin
kinderbijslag
hebben ontvangen op basis
van artikel 77 of 78 van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Deze
bepalingen voorzien erin dat aanspraak op kinderbijslag bestaat in het land dat
een pensioen toekent. Of de gerechtigde verzekerd is krachtens de nationale
regeling van dat land is daarbij niet relevant. Dit betekent dat de hier
betrokken personen op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 rechtstreeks
aanspraak op kinderbijslag kunnen maken, hetzij in Nederland, hetzij in
een andere lidstaat. Gelet op het bovenstaande is reparatie voor het
verleden op het terrein van de AWBZ en de AKW niet aangewezen.
4.1. Verzekering ZW, WAO
en WW (artikelen I, II en
III)
WAO-gerechtigden die in
het buitenland wonen, zijn thans verzekerd voor de ZW, de
WW en de WAO.
Op grond hiervan wordt op de WAO-uitkering vervangende
wachtgeldpremie en WW-premie ingehouden.¹ Tegenover deze verzekering staan
geen aanspraken. Diegene die een WAO-uitkering ontvangt, heeft geen recht op
ZW-uitkering.
1. Sinds 1 maart 1996 kent
de Ziektewet geen eigen premie meer. De
kosten van de ZW worden via de - daartoe
verhoogde - WW-premie gedekt.
De
WAO-gerechtigde die in
het buitenland woont, komt niet in aanmerking voor WW. Wanneer een WAO-gerechtigde na verlaging of beëindiging
van de WAO-uitkering
terugkeert naar Nederland, kan hij, indien hij aan de voorwaarden
voldoet,¹ aanspraak maken op een Nederlandse WW-uitkering.
Heeft de in het
buitenland wonende betrokkene een gedeeltelijke WAO-uitkering en neemt
zijn arbeidsongeschiktheidspercentage toe, dan kan hij op grond van dat
feit in bepaalde gevallen aanspraak maken op rblz.|6|
een hogere uitkering,
onafhankelijk van een eventueel voortduren van de verzekering voor de
WAO.²
1. Zo moet de werknemer
voldoen aan de wekeneis van de WW. Deze
houdt in dat hij in 26 van de 39 aan de werkloosheid voorafgaande weken moet hebben
gewerkt. Indien hij na de afschatting of
beëindiging van de WAO-uitkering meer dan
dertien weken in het buitenland is gebleven en
niet heeft gewerkt, zal hij niet aan deze eis
voldoen.
2. Een WAO-gerechtigde met
een uitkering naar een percentage van
minder dan 45% heeft alleen dan recht op
verhoging van de uitkering als de
ongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.
Als gevolg van
dit
wetsvoorstel is de WAO-gerechtigde die in het buitenland
woont niet meer
verzekerd voor de Nederlandse werknemersverzekeringen. Als gevolg hiervan is
geen premie meer verschuldigd en zal de WAO-gerechtigde
die reeds een WAO-uitkering ontvangt een hogere netto-WAO-uitkering ontvangen.
Hier staat tegenover dat
de WAO-gerechtigde die na verlaging of beëindiging van de WAO-uitkering
terugkeert naar Nederland geen aanspraak maakt op WW
(in de
huidige situatie heeft hij dit recht wanneer hij binnen dertien weken naar Nederland
terugkeert). Niet bekend is hoeveel personen na beëindiging van de WAO-uitkering binnen
dertien weken naar Nederland
terugkeren. Het UWV houdt
hier geen registratie van bij. Naar verwachting gaat het om een kleine
groep. Een aantal personen zal niet naar Nederland kunnen terugkeren, omdat
zij vanwege hun nationaliteit niet
meer in aanmerking komen
voor een verblijfs- en werkvergunning in Nederland.
De in het buitenland
woonachtige WAO-gerechtigde kan in het kader van de
herbeoordelingsoperatie een tegemoetkoming voor de duur van zes maanden bij het
UWV aanvragen op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen arbeidsongeschikten (TRI) [Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Triha),
red.].¹ Dit recht op tegemoetkoming gaat in op de eerste dag
waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de herbeoordeelde is
verlaagd of ingetrokken. Voor effectuering van dit recht is niet vereist
dat de betrokkene naar Nederland terugkeert.
1. Stcrt. 15 december
2004, 242, pag. 30.
Het
UWV is voorlichting
aan het ontwikkelen voor de buiten Nederland wonende gerechtigden die
in aanmerking komen voor een herbeoordeling in het kader van de
herbeoordelingsoperatie. In dit voorlichtingsmateriaal zullen de gevolgen van
een eventuele verlaging of beëindiging van de WAO-uitkering worden
beschreven. Tevens is het de bedoeling dat de herbeoordeelde en
afgeschatte WAO-er woonachtig in het buitenland door het UWV een Triha-aanvraagformulier krijgt uitgereikt.
4.2. Verzekering AKW
(artikel IV)
Bij invoering van
KB 746 is er door de Tweede Kamer op aangedrongen dat degenen die tot 1
januari 2000 recht hadden op kinderbijslag dit recht zouden behouden. Dit is
destijds vormgegeven door voor deze categorie een aparte
verzekeringsgrondslag in KB 746 op te nemen. Aangezien er geen premie AKW
wordt
geheven, is het ook mogelijk deze overgangsbepaling op een andere manier vorm
te geven. In plaats van een aparte regeling op grond waarvan
verzekering voor de AKW wordt aangenomen, kan worden volstaan met
het regelen van de aanspraak op kinderbijslag als zodanig. De
AKW-aanspraken dienen dan in de AKW zelf geregeld te worden. In artikel IV
wordt een nieuw artikel in de AKW ingevoegd, dat materieel gelijk is aan
het overgangsartikel in artikel 27
KB 746. De in artikel 27
KB 746
opgenomen verzekeringsgrondslag zal worden geschrapt. Het recht op
kinderbijslag wordt wel beëindigd indien er ook op grond van KB 746 geen
verzekering meer zou bestaan, omdat buiten Nederland arbeid wordt
verricht of een uitkering wordt ontvangen krachtens een buitenlandse
regeling. Voorts eindigt het recht op kinderbijslag indien niet meer wordt
voldaan aan de voorwaarden voor het recht op uitkering op grond van de
AKW. Het recht op kinderbijslag loopt dus alleen door indien de
omstandigheden overigens niet wijzigen. Het gaat hier vooral om personen
die met een Nederlandse uitkering buiten Nederland zijn gaan
wonen.
Het recht op
kinderbijslag voor personen die wonen in de EU met een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering of een Nederlands pensioen
rblz.|7|
vloeit rechtstreeks voort
uit de artikelen 74 en 77 van Verordening (EEG) nr. 1408/71.¹ Ditzelfde
geldt voor personen met een WW-uitkering of een buitenlandse
werkloosheidsuitkering.
1. Ingevolge artikel 1c,
onderdeel J, van bijlage VI van de Verordening (EEG)
nr. 1408/71 vallen ook de oudere pensioenregelingen voor ambtenaren, militairen
e.d.
onder de reikwijdte van de
Verordening (EEG) nr. 1408/71.
4.3. Alternatieve
vrijwillige verzekering AOW en Anw voor in de Europese Unie wonende
postactieven (artikel V en VI)
De voorwaarden van de
regeling vrijwillige verzekering wijken op een aantal punten af van de
voorwaarden voor de verplichte verzekering. Het gaat hierbij om onder meer
de volgende punten:
a. Verschillen in de
premiesfeer
• De premie voor de
vrijwillige verzekering moet ten minste 10% van de maximale AOW-premie
bedragen. De verplichte verzekering heeft geen minimumpremie.
• De algemene
heffingskorting is er voor zowel de vrijwillig als de verplicht verzekerde. De
vrijwillig verzekerde komt echter niet in aanmerking voor de
bijzondere heffingskortingen, de verplicht verzekerde wel. Fiscaal gezien zijn
er verder geen verschillen, de grondslag voor premieheffing is
gelijk.
• De vrijwillig
verzekerde is de maximale premie verschuldigd, tenzij hij zijn feitelijke inkomen
aannemelijk maakt aan de SVB [Sociale verzekeringsbank,
red.]. In het laatste geval vindt premieheffing
plaats over het feitelijke inkomen.
b. Verschillen die niet
in de premiesfeer zijn gelegen
• De vrijwillige
verzekering is - uitzonderingen daargelaten - mogelijk voor een periode van
maximaal tien jaar.
• Aanmelding voor de
vrijwillige verzekering dient plaats te vinden binnen één jaar na de
beëindiging van de verplichte verzekering.
• Vrijwillige
verzekering is alleen mogelijk aansluitend op één jaar onafgebroken verplichte verzekering.
Aangezien deze
voorwaarden minder gunstig zijn dan de voorwaarden voor de verplichte
verzekering moeten deze worden gewijzigd. Hiertoe bevat het wetsvoorstel
een bepaling op grond waarvan voor deze groep personen kan worden
afgezien van de toepassing van het hoofdstuk vrijwillige verzekering van de
AOW en
de Anw.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
zullen regels worden gesteld waarbij de huidige verschillen tussen de
vrijwillige verzekering en de verplichte verzekering worden opgeheven. Ook
zal
het mogelijk worden gemaakt dat de betreffende groep personen alsnog een
vrijwillige verzekering kan afsluiten, onder dezelfde
voorwaarden als de voorwaarden voor de verplichte verzekering over een periode
gelegen
in het verleden vanaf het moment van beëindiging van hun
verplichte verzekering in verband met vertrek naar het buitenland. Omdat de
Anw een risicoverzekering is en geen opbouwverzekering zoals de AOW, geldt voor
de Anw iets bijzonders. Om volledig tegemoet te komen aan de
uitspraak van het HvJ in de zaak-Van Pommeren-Bourgondiën
zal, ten behoeve van gevallen waarin het risico reeds is ingetreden, ook
voor nabestaanden de mogelijkheid worden gecreëerd om een
vrijwillige Anw-verzekering af te sluiten.
4.4. Aanpassing aan de
Wet WIA (artikel VII)
In het voorstel van
Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt voor de
verplichte verzekering verwezen naar de verzekering op grond van de ZW. Met
de hier voorgestelde wijziging van de ZW ontstaat daardoor geen
verzekering op grond van de Wet WIA indien niet in Nederland wordt gewoond.
Wel dient in de wijziging in de WW (nieuw artikel
8a) naar een
uitkering op grond van de Wet WIA te worden verwezen.
rblz.|8|
5. Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel is voor
commentaar voorgelegd aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI), de
Sociale verzekeringsbank (SVB) en het UWV.
De IWI ziet geen
aanleiding tot het maken van opmerkingen met betrekking tot de
toezichtbaarheid.
De SVB en het UWV hebben aangegeven dat de voorgestelde
maatregelen uitvoerbaar zijn.
6. Financiële gevolgen
De financiële effecten
die dit wetsvoorstel met zich meebrengt, worden veroorzaakt door het
schrappen van de verzekering WW en WAO, en daarmee de vervangende
premie WW en WAO, op buiten Nederland verstrekte
WAO-uitkeringen, en door het met terugwerkende kracht aanbieden van een
vrijwillige verzekering onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden voor de
verplichte verzekering. Achtereenvolgens komen de financiële effecten
voor de werkgeverspremies, de werknemerspremies en de uitgaven AOW
aan de
orde.
Effect op
werkgeverspremies
Het werkgeversdeel
AWf-premie [AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds, red.] en de WAO-premie
worden bij
uitkeringsgerechtigden uit de fondsen
bekostigd,
die het vervolgens weer terugkrijgen van het UWV. Het
schrappen van de premies leidt weliswaar tot een (geringe)
premiederving, maar omdat daar tegenover ook lagere uitgaven staan (van
dezelfde omvang), is er dus geen invloed op de exploitatiesaldi van de
fondsen en heeft de maatregel via de werkgeverspremies dus ook geen effect op
het EMU-saldo [EMU: Economische en Monetaire Unie, red.].
Effect op
werknemerspremies
Eind 2004 waren ruim 18
000 verzekerde WAO-gerechtigden woonachtig in het buitenland
waarvoor (in 2004) een bedrag van €|234 miljoen aan uitkeringen werden
geëxporteerd.
Het schrappen van het
werknemersdeel van de premie AWf leidt - rekening houdende met de franchise
- naar verwachting tot een premiederving voor het AWf van minder
dan 0,01% van het premieplichtig inkomen. De lagere
premie-inkomsten hebben een negatief effect op het exploitatiesaldo, wat
één van de aspecten vormt waarmee bij de premiestelling rekening zal worden
gehouden.
Uitgaven AOW
De uitgaven
AOW stijgen,
bij volledig gebruik van de vrijwillige verzekering, met circa €|1,6 miljoen
in 2006 oplopend tot circa €|10 miljoen in 2010. Dit is reeds in de
Begroting 2006 verwerkt.
7. Inwerkingtredingsdatum
De regering beoogt
dit
wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2006 in werking te laten treden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
rblz.|9|
BIJLAGE
bij de
memorie van toelichting
ONTWERP-BESLUIT houdende
wijziging van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met vervallen
overgangsbepaling verzekering AKW bij wonen in buitenland
WIJ BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van .., Directie Sociale
Verzekeringen, nr. ...;
Gelet op artikel
6, derde
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet;
De Raad van State gehoord
(advies van ...);
Gezien het nader rapport
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van ...,
nr. ...;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
Art. I.
Wijziging
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999
Artikel 27 van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
vervalt.
Art.
II.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag waarop de Wet van (datum) tot wijziging van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere
wetten
in verband met de beëindiging van de verzekeringsplicht van in
het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden (Stb. ...) in werking
treedt.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
rblz.|10|
NOTA
VAN TOELICHTING
De aanpassing van dit
besluit (uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999,
hierna: KB 746) hangt samen met het beëindigen van de verzekeringsplicht
voor de socialeverzekeringswetten voor
uitkeringsgerechtigden die buiten Nederland
wonen. Hiertoe dient de Wet houdende wijziging van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband
met de beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland
wonende uitkeringsgerechtigden (Stb. ...). Naast de bepalingen in
deze wet
dient het KB 746 te worden aangepast, zodat verzekering voor in het
buitenland wonende postactieven op grond van de nationale wetgeving niet
meer mogelijk is. Het betreft de AWBZ-verzekering op grond van
artikel 7 van KB 746
en de overgangsbepaling van verzekering op grond
van de AKW in artikel 27.
AWBZ-verzekering
De in het buitenland
wonende ziekenfondsgerechtigden op wie Verordening (EEG) nr. 1408/71
betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen van toepassing is, zijn ook na 1 januari
2000 verzekerd gebleven voor de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ). In verband met de beoogde inwerkingtreding van de
Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 zal de verzekering op grond van
de Zfw vervallen. Daarmee wordt tevens de verzekering voor de AWBZ
voor in het buitenland wonenden op grond van artikel 7
van KB 746 beëindigd. Bij de inwerkingtreding van de Zvw zal
artikel 7 vervallen. Daarom is het niet noodzakelijk dit in dit besluit te
regelen.
AKW-verzekering
Artikel 27
van het KB 746 regelt de voortzetting van de verzekeringsplicht op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet voor diegenen die tot 1 januari 2000 verplicht
verzekerd waren en na die datum deze verzekeringsplicht
verloren als gevolg van het vervallen van artikel 26 van
KB 746. Dit artikel kan
in dit besluit vervallen, omdat betrokkenen aanspraken blijven
behouden op grond van het nieuwe artikel 7c
van de Algemene Kinderbijslagwet
(zie artikel IV van de genoemde
wet).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|