|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29
763.
Handelingen II 2004-2005, blz. 2291-2322, 2323-2332, 2336-2365,
2501-2505, 2506-2507.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 763 (A, B, C, D, E, F, G, H, ...).
Handelingen I 2004-2005, blz. 1183-1263, 1301-1304.
BESCHIKKING van de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 januari 2006, Stb.
2006, 79, houdende
plaatsing in het Staatsblad van de vernummerde en geconsolideerde tekst
van de Zorgverzekeringswet
De Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 2.4.3 van de
Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet;
Besluit:
De
bijgewerkte tekst van de Zorgverzekeringswet, daarbij mede rekening
houdend met daarin op 1 januari 2006 aangebrachte wijzigingen, in het
Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
’s-Gravenhage, 31 januari
2006
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtentwintigste
februari 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Tekst van de
Zorgverzekeringswet, zoals deze is gewijzigd bij:
- de Wet van 6 oktober 2005, Stb. 2005, 525, houdende invoering
van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van overige wetten aan die wet
(Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet);
- de Wet van 22 december 2005, Stb. 2005, 708, tot wijziging van
een aantal socialeverzekeringswetten en enige andere wetten (Verzamelwet
sociale verzekeringen 2006); en
onder bijwerking van de verwijzingen in deze wet naar artikelen van
titel 17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, als bedoeld in artikel
2.4.3 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet
[WET van 16 juni 2005, Stb.
2005, 358, houdende regeling van een sociale verzekering voor
geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet).
Inwerkingtreding: 1 januari 2006 (Stb.
2005, 649).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is dat de gehele bevolking onder voor ieder gelijke sociale
voorwaarden verzekerd is tegen de gevolgen van behoefte aan
geneeskundige zorg;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:,
red.]
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepaling
Art. 1.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. verzekeraar: een
verzekeringsonderneming als bedoeld in de eerste richtlijn
schadeverzekering;
b. zorgverzekeraar: een
verzekeraar, voor zover deze zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert;
c. verzekeringnemer: een
persoon die met een zorgverzekeraar een zorgverzekering heeft
gesloten;
d. zorgverzekering: een
tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering,
die voldoet aan hetgeen
daarover bij of krachtens deze wet is geregeld en waarvan de
verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te
boven gaan;
e. verzekeringsplichtige:
degene die op grond van artikel 2 verplicht is zich krachtens een
zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren;
f. verzekerde: degene
wiens risico van behoefte aan zorg of overige
diensten,
als bedoeld in artikel 10
door een zorgverzekering wordt gedekt;
g. eigen risico: een door
de verzekeringnemer met de zorgverzekeraar als onderdeel van de
zorgverzekering overeengekomen bedrag aan kosten van zorg of overige
diensten als bedoeld bij of krachtens artikel 11 dat de verzekerde voor zijn
rekening zal nemen;
h. zorgpolis: de akte waarin de tussen een verzekeringnemer en een
zorgverzekeraar gesloten zorgverzekering is vastgelegd;
i. modelovereenkomst: model van een zorgverzekering waarin een
overzicht wordt gegeven van de rechten en plichten die de
verzekeringnemer, de verzekerde en de zorgverzekeraar jegens elkaar
zullen hebben indien een overeenkomst volgens het desbetreffende model
wordt gesloten;
j.
sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel j, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
k.
inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 dan wel in de zin van de Wet financiering sociale
verzekeringen;
l. instelling:
1º. een instelling in de zin van de Wet
toelating zorginstellingen;
2º. een in het buitenland gevestigde rechtspersoon die in het
desbetreffende land zorg verleent in het kader van het in dat land
bestaande socialezekerheidsstelsel, dan wel zich richt op het verlenen
van zorg aan specifieke groepen van publieke functionarissen;
m. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
n. College toezicht: het College van toezicht op de zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 77, eerste lid;
o. College zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 58, eerste lid;
p. Zorgverzekeringsfonds: het fonds, genoemd in artikel
39;
q. eerste richtlijn schadeverzekering: Richtlijn nr. 73/239/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 tot coördinatie
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de
toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche en de uitoefening daarvan (PbEG L 228);
r. generieke verevening: bijstelling
van het deelbedrag op basis van het verschil per zorgverzekeraar tussen
de kosten en het deelbedrag in relatie met de verschillen tussen de
kosten en het deelbedrag bij andere zorgverzekeraars, per onderscheiden
categorie van prestaties;
s. loontijdvak: het
loontijdvak, bedoeld in artikel 25, eerste en vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
t.
bijdragebetalingstijdvak:
het kalenderjaar.
HOOFDSTUK
2
De
plicht tot het sluiten van een zorgverzekering
§ 2.1. De
verzekeringsplicht
Art. 2.
-1. Degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de
daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht
zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren
tegen het in artikel 10 bedoelde risico.
-2. In afwijking van het eerste lid is niet verzekeringsplichtig:
a. de militaire ambtenaar in werkelijke dienst als bedoeld in artikel 1,
eerste lid juncto vierde lid, onderdeel a, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931, alsmede de militair aan wie buitengewoon verlof met
behoud van militaire inkomsten is verleend;
b. de natuurlijke persoon die op grond van artikel 64, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen is ontheven van de
verplichtingen opgelegd op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
-3. Degene die het gezag over een
minderjarige jonger dan
18 jaar
uitoefent, een curator, een bewindvoerder of een mentor als bedoeld in
de titels 16, 19 of 20 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek zorgt
ervoor dat de minderjarige verzekeringsplichtige, dan wel de onder
curatele, bewind of mentorschap gestelde verzekeringsplichtige, krachtens
een zorgverzekering verzekerd is.
§ 2.2. De
acceptatieplicht
Art. 3.
-1. Een zorgverzekeraar is verplicht met of ten behoeve van iedere
verzekeringsplichtige die in zijn werkgebied woont, alsmede met of ten
behoeve van iedere verzekeringsplichtige die in het buitenland woont,
desgevraagd een zorgverzekering te sluiten.
-2. Indien een zorgverzekeraar in een provincie verschillende varianten
van de zorgverzekering aanbiedt, kan voor iedere in die provincie
wonende verzekeringsplichtige uit alle varianten worden gekozen.
-3. De zorgverzekeraar stelt alle varianten van de zorgverzekering die
hij in een provincie aanbiedt, in de vorm van modelovereenkomsten ter
beschikking aan personen die overwegen ten behoeve van een in die
provincie wonende verzekeringsplichtige een zorgverzekering met die
verzekeraar te sluiten, alsmede, indien de zorgverzekeraar varianten
toevoegt of wijzigt, aan de verzekeringnemers die ten behoeve van een in
die provincie wonende verzekeringsplichtige een zorgverzekering met hem
hebben gesloten.
-4. In afwijking van het eerste lid is een zorgverzekeraar niet verplicht
een zorgverzekering te sluiten met of ten behoeve van een
verzekeringsplichtige wiens eerdere zorgverzekering hij of de
verzekeringnemer binnen een periode van vijf jaar gelegen onmiddellijk
voorafgaande aan het verzoek tot het sluiten van de verzekering heeft
opgezegd of ontbonden wegens:
a. opzettelijke misleiding door de verzekeringnemer of de
verzekerde; of
b. het niet betalen van de premie, bedoeld in artikel
17, vijfde lid.
-5. In afwijking van het tweede lid kan ten behoeve van een in het
buitenland wonende verzekeringsplichtige worden gekozen tussen alle
varianten van de zorgverzekering die een zorgverzekeraar in Nederland
aanbiedt.
-6. In afwijking van het derde lid worden degene die ten behoeve van een
in het buitenland wonende verzekeringsplichtige een zorgverzekering
wenst te sluiten alle modelovereenkomsten die de zorgverzekeraar in
Nederland hanteert ter beschikking gesteld en worden, indien eenmaal
een zorgverzekering is gesloten, de verzekeringnemer alle toegevoegde of
gewijzigde varianten die die zorgverzekeraar aanbiedt ter beschikking
gesteld.
Art. 4.
-1. Degene die een zorgverzekering wenst te sluiten, vermeldt bij het
verzoek daartoe het sociaal-fiscaal nummer van de te verzekeren persoon.
-2. De zorgverzekeraar stelt, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van de zorgverzekering en van deze wet, de identiteit van
de te verzekeren persoon vast.
-3. De in het tweede lid bedoelde vaststelling geschiedt aan de hand van
documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, die de verzekeringnemer of de te verzekeren persoon
hem desgevraagd ter inzage geeft.
-4. De zorgverzekeraar neemt aard en nummer van de in het derde lid
bedoelde documenten in zijn administratie op.
-5. De zorgverzekeraar verlangt van de vreemdeling, bedoeld in de
Vreemdelingenwet
2000, voor wie hem wordt verzocht een zorgverzekering
te sluiten, een kopie van het document of de schriftelijke verklaring,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, van die
wet, dat wordt aangemerkt als
een bescheid als bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
§ 2.3. Begin en
einde van de zorgverzekering
Art. 5.
-1. De zorgverzekering gaat in op de dag waarop de zorgverzekeraar het
verzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en, indien het tweede of
vijfde lid van dat artikel van toepassing is, de aanduiding van de
variant waar de verzekeringnemer voor kiest, heeft ontvangen.
-2. Indien de zorgverzekeraar op basis van het in het eerste lid bedoelde
verzoek niet vast kan stellen of hij verplicht is voor de te verzekeren
persoon een zorgverzekering te sluiten en hij de persoon die de
verzekering wenst te sluiten in verband daarmee uitnodigt de voor deze
vaststelling noodzakelijke gegevens te verschaffen, gaat de
zorgverzekering, in afwijking van het eerste lid, in op de dag waarop
laatstbedoelde persoon aan dit verzoek heeft voldaan.
-3. De zorgverzekeraar verstrekt degene die het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, doet en, indien dit een ander is dan degene ten behoeve van
wiens verzekering het verzoek is gedaan, laatstbedoelde persoon
onverwijld:
a. een bewijs van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, waarop de
datum van ontvangst is vermeld;
b. een bewijs van de ontvangst van gegevens, bedoeld in het tweede lid,
waarop de datum van de ontvangst is vermeld.
-4. Indien degene ten behoeve van wie de zorgverzekering wordt gesloten
op de dag waarop de zorgverzekeraar het verzoek, bedoeld in het eerste
lid, ontvangt reeds op grond van een zorgverzekering verzekerd is en de
verzekeringnemer aangeeft de zorgverzekering te willen laten ingaan op
een door hem aangegeven, latere dag dan de dag, bedoeld in het eerste of
tweede lid, gaat de verzekering op die latere dag in.
-5. Indien de zorgverzekering ingaat binnen vier maanden nadat de
verzekeringsplicht is ontstaan, werkt deze, zo nodig in afwijking van
artikel 925, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek,
terug tot en met de dag waarop die plicht ontstond.
Art. 6.
-1. De zorgverzekering eindigt van rechtswege met ingang van de dag
volgende op de dag waarop:
a. de verzekeraar tengevolge van wijziging of intrekking van zijn
vergunning tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf geen
zorgverzekeringen meer mag aanbieden;
b. de verzekerde tengevolge van wijziging van het werkgebied buiten het
werkgebied van de zorgverzekeraar komt te wonen;
c. de verzekerde overlijdt;
d. de verzekeringsplicht van de verzekerde eindigt.
-2. De zorgverzekering eindigt van rechtswege met ingang van
de eerste dag
van de tweede maand volgende op de dag waarop de verzekerde, zonder dat
zijn verzekeringsplicht eindigt, tengevolge van verhuizing komt te
wonen buiten een provincie waarin zijn zorgverzekeraar de ten behoeve
van hem gesloten variant van de zorgverzekering aanbiedt of uitvoert.
-3. De zorgverzekeraar stelt de verzekeringnemer uiterlijk twee maanden
voordat een zorgverzekering op grond van het eerste lid, onderdeel a of
b, eindigt, van dit einde op de hoogte, onder vermelding van de reden
daarvan en de datum waarop de verzekering eindigt.
-4. De verzekeringnemer stelt de zorgverzekeraar onverwijld op de hoogte
van alle feiten en omstandigheden over de verzekerde die op grond van
het eerste lid, onderdeel c of d, dan wel het tweede lid tot het einde
van de zorgverzekering hebben geleid of kunnen leiden.
-5. Indien de zorgverzekeraar op grond van de in het vierde lid bedoelde
gegevens tot de conclusie komt dat de zorgverzekering zal eindigen of
geëindigd is, deelt hij dit, onder vermelding van de reden daarvan en
de datum waarop de verzekering eindigt of geëindigd is, onverwijld aan
de verzekeringnemer mede.
Art. 7.
-1. De verzekeringnemer kan de zorgverzekering
vóór 1 november van ieder
jaar met ingang van 1 januari van het volgende kalenderjaar opzeggen.
-2. De verzekeringnemer die een ander dan zichzelf heeft verzekerd, kan
de zorgverzekering opzeggen indien de verzekerde krachtens een andere
zorgverzekering verzekerd wordt.
-3. In afwijking van artikel
940, vierde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek:
a. kan de verzekeringnemer de zorgverzekering opzeggen in de periode
gelegen tussen de datum waarop zijn zorgverzekeraar hem het voornemen
tot verhoging van de grondslag van de premie heeft meegedeeld en de
inwerkingtreding van die verhoging;
b. kan de verzekeringnemer niet opzeggen indien een wijziging in de
verzekerde prestaties ten nadele van de verzekeringnemer of de
verzekerde rechtstreeks voortvloeit uit een wijziging van de bij of
krachtens de artikelen 11 tot en met 14 gestelde regels.
-4. De opzegging, bedoeld in het tweede lid, of in het derde lid,
onderdeel a, gaat in op de eerste dag van de tweede kalendermaand
volgende op de dag waarop de verzekeringnemer heeft opgezegd.
-5. In afwijking van het vierde lid gaat een opzegging, bedoeld in het
tweede lid, in met ingang van de dag waarop de verzekerde krachtens de
andere zorgverzekering verzekerd wordt, indien die opzegging
voorafgaande aan laatstbedoelde dag door de zorgverzekeraar is
ontvangen.
Art. 8.
-1. Aan een opzegging of ontbinding van de zorgverzekering wegens het
niet betalen van de verschuldigde premie wordt geen terugwerkende
kracht verleend, noch
wordt daaraan een verplichting verbonden tot ongedaanmaking of
vergoeding van hetgeen partijen reeds ter nakoming van de
zorgverzekering jegens elkaar hebben verricht.
-2. Een zorgverzekeraar mag de zorgverzekering gedurende de periode,
bedoeld in artikel 24, niet opzeggen of ontbinden.
Art. 9.
-1. De zorgverzekeraar verstrekt de verzekeringnemer en, indien deze een
ander is dan de verzekeringnemer, de verzekerde zo spoedig mogelijk na
het sluiten van de zorgverzekering en vervolgens voorafgaande aan ieder
kalenderjaar een zorgpolis.
-2. Indien de zorgverzekering eindigt, verstrekt de zorgverzekeraar de
verzekeringnemer en, indien deze een ander is dan de verzekeringnemer,
de verzekerde een bewijs van het einde van de zorgverzekering, waarop
worden aangetekend:
a. naam, adres, woonplaats en sociaal-fiscaal nummer van de verzekerde;
b. naam, adres en woonplaats van de verzekeringnemer;
c. naam, adres en woonplaats van de zorgverzekeraar;
d. de dag waarop de zorgverzekering eindigt;
e. of voor de verzekerde op die dag een eigen risico gold, en zo ja,
met welke ingangsdatum, voor
welk bedrag en met welke in verband daarmee verleende korting.
-3. Indien de zorgverzekering eindigt om de in
artikel 6, eerste lid,
onderdeel d, genoemde reden, wordt dat op het in het tweede lid bedoelde
bewijs aangetekend.
HOOFDSTUK
3
De
inhoud van de zorgverzekering
§ 3.1. Het te
verzekeren risico
Art. 10.
Het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico is de behoefte
aan:
a. geneeskundige zorg, waaronder
de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen
pleegt te geschieden;
b. mondzorg;
c. farmaceutische zorg;
d. hulpmiddelenzorg;
e. verpleging;
f. verzorging, waaronder de kraamzorg;
g. verblijf in verband met geneeskundige zorg;
h. vervoer in verband met het ontvangen van zorg of diensten als bedoeld
in de onderdelen a tot en met g, dan wel in verband met een aanspraak op
grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
§ 3.2. De te
verzekeren prestaties
Art. 11.
-1. De zorgverzekeraar heeft jegens zijn verzekerden een zorgplicht die
zodanig wordt vormgegeven dat de verzekerde bij wie het verzekerde
risico zich voordoet, krachtens de zorgverzekering recht heeft op
prestaties bestaande uit:
a. de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft; of
b. vergoeding van de kosten van deze zorg of overige diensten alsmede,
desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen van deze zorg of
diensten.
-2. In de zorgverzekering kunnen combinaties van verzekerde prestaties
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, worden opgenomen.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur worden de inhoud en
omvang van de in het eerste lid bedoelde prestaties nader geregeld en
kan voor bij die maatregel aan te wijzen vormen van zorg of
overige diensten worden bepaald dat een deel van de kosten voor rekening
van de verzekerde komt.
-4. In
de algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat bij ministeriële regeling:
a. vormen van zorg of overige diensten kunnen worden
uitgezonderd van de in het eerste lid bedoelde of in de maatregel nader
omschreven prestaties;
b. de inhoud en omvang van de prestaties bestaande uit
zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, c en
d, nader wordt
geregeld;
c. nadere regels kunnen worden gesteld
over het deel van de kosten dat voor rekening
van de verzekerde komt.
-5. Een zorgverzekeraar kan modelovereenkomsten aanbieden
waarin, in geringe afwijking van het bepaalde bij of krachtens het
eerste en derde lid, bepaalde om ethische of levensbeschouwelijke redenen
controversiële prestaties buiten de dekking van de zorgverzekering
blijven.
Art. 12.
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van het
algemeen belang vormen van zorg of overige diensten worden aangewezen
die de zorgverzekeraar slechts verstrekt of vergoedt indien tussen hem
en de aanbieder van de desbetreffende zorg of dienst een overeenkomst
over de te leveren zorg of dienst en de daarvoor in rekening te brengen
prijs is gesloten, dan wel indien de aanbieder bij hem in dienst is.
-2. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens vormen van zorg
of overige diensten worden aangewezen waarvoor de zorgverzekeraar met
iedere instelling die binnen zijn werkgebied is gelegen of waarvan zijn
verzekerden naar verwachting regelmatig gebruik zullen maken, op haar
verzoek een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid sluit.
-3. Een instelling als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, onder
1º, die
voor een in het tweede lid bedoelde vorm van zorg of dienst een
overeenkomst met een zorgverzekeraar heeft gesloten, is verplicht
desgevraagd met een andere zorgverzekeraar een gelijke overeenkomst te
sluiten.
-4. Het tweede en het derde lid gelden niet indien de zorgverzekeraar
respectievelijk instelling ernstige bezwaren heeft tegen het sluiten van
een overeenkomst met de instelling respectievelijk zorgverzekeraar die
om die overeenkomst vraagt.
Art. 13.
-1. Indien een verzekerde krachtens zijn zorgverzekering een bepaalde
vorm van zorg of een andere dienst dient te betrekken van een aanbieder
met wie zijn zorgverzekeraar een overeenkomst over deze zorg of dienst
en de daarvoor in rekening te brengen prijs heeft gesloten of van een
aanbieder die bij zijn zorgverzekeraar in dienst is, en hij deze zorg of
andere dienst desalniettemin betrekt van een andere aanbieder, heeft hij
recht op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding van de voor
deze zorg of dienst gemaakte kosten.
-2. De zorgverzekeraar neemt de wijze waarop hij de vergoeding berekent
in de modelovereenkomst op.
-3. Indien bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 11, is bepaald dat een deel van de kosten van een
bepaalde vorm van zorg of van een bepaalde andere dienst voor rekening
van de verzekerde komt, verwerkt de zorgverzekeraar dit in de wijze
waarop hij de vergoeding voor de desbetreffende vorm van zorg of dienst
berekent.
-4. De wijze waarop de vergoeding wordt berekend, is voor alle
verzekerden, bedoeld in het eerste lid, die in een zelfde situatie een
zelfde vorm van zorg of dienst behoeven gelijk.
-5. Indien een overeenkomst tussen een zorgverzekeraar en een aanbieder
als bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd, houdt een verzekerde die
op het moment van beëindiging van de overeenkomst zorg ontvangt van deze
aanbieder recht op zorgverlening door die aanbieder voor rekening van deze
zorgverzekeraar.
Art. 14.
-1. De vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg
of een bepaalde andere dienst wordt slechts op basis van
zorginhoudelijke criteria beantwoord.
-2. De zorgverzekeraar neemt in zijn modelovereenkomst op dat
geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, met
uitzondering van acute zorg, slechts toegankelijk is na verwijzing door
in die overeenkomst aangewezen categorieën zorgaanbieders, waaronder in
ieder geval de huisarts.
-3.
De vraag of een jeugdige als bedoeld in de Wet
op de jeugdzorg wegens een psychiatrische aandoening behoefte heeft aan
een bepaalde vorm van zorg of een andere dienst wordt met
overeenkomstige toepassing van de bij en krachtens artikel
9b, vierde en vijfde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels beantwoord door een
stichting als bedoeld in de Wet op de jeugdzorg respectievelijk een arts
of andere behandelaar van de jeugdige.
-4. In de regels, bedoeld in het derde lid, kunnen voor de in dat lid bedoelde indicatie afzonderlijke regels
worden gesteld en kunnen vormen van zorg of andere diensten worden
aangewezen waarvoor het derde lid niet geldt.
Art.
14a.
-1. Bij
algemene maatregel van bestuur worden bij wijze van experiment vormen
van zorg of overige diensten aangewezen waarvoor de zorgverzekeraar
desgevraagd aan de verzekerde een persoonsgebonden budget verstrekt.
-2. De zorgverzekeraar verstrekt het budget
slechts indien op door hem in de modelovereenkomst te bepalen wijze
aannemelijk is gemaakt dat de verzekerde behoefte heeft aan de
desbetreffende vorm van zorg of dienst.
-3. Het persoonsgebonden budget wordt
verstrekt in de vorm van een voorschot ter hoogte van:
a. indien de verzekerde krachtens
zijn zorgverzekering de zorg of andere dienst waarvoor het budget wordt
verstrekt in principe dient te betrekken van een door zijn
zorgverzekeraar gecontracteerde of in dienst genomen zorgaanbieder: de
vergoeding, bedoeld in artikel 13;
b. in andere gevallen: een bedrag
dat gelijk is aan de kosten die in de Nederlandse marktomstandigheden in
redelijkheid voor de desbetreffende vorm van zorg of andere dienst
passend zijn te achten, verminderd met, indien voor deze zorg of andere
dienst van toepassing, het bedrag dat op grond van artikel
11, derde lid, voor rekening van de verzekerde komt.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld over:
a. de termijnen waarin het budget
aan de verzekerde wordt betaald;
b. de wijze waarop de verzekerde
zich jegens de zorgverzekeraar over het gebruik van het budget
verantwoordt.
-5. Dit artikel vervalt met ingang van 1
januari 2010.
Art. 15.
-1. De artikelen 941, eerste lid, en
957 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.
-2. Zo nodig in afwijking van artikel
952 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is de zorgverzekeraar niet bevoegd een verzekerde
prestatie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien het intreden van het
verzekerde risico aan de verzekerde is te wijten.
§ 3.3. De premie
Art. 16.
-1. Krachtens de zorgverzekering is de verzekeringnemer premie
verschuldigd.
-2. In afwijking van artikel 925 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en van het eerste lid is voor een verzekerde tot de eerste dag van de
kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin hij de leeftijd van 18
jaar heeft bereikt geen premie verschuldigd.
Art. 17.
-1. De zorgverzekeraar stelt voor iedere variant van de zorgverzekering
die hij aanbiedt de grondslag van de premie en de bij die variant
behorende premiekorting of premiekortingen vast en neemt deze in de
modelovereenkomst op.
-2. De
grondslag van de premie is gelijk voor varianten die wat betreft de te
verzekeren prestaties als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, of de keuzemogelijkheden tussen aanbieders van zorg of van
overige diensten als bedoeld in dat lid, niet van elkaar verschillen.
-3. Indien de
zorgverzekeraar gebruik maakt van zijn bevoegdheid,
bedoeld in artikel 11, vijfde lid, is de grondslag van de premie gelijk
aan de grondslag die hij heeft of zou hebben vastgesteld voor een
modelovereenkomst met volledige dekking.
-4. De grondslag van de premie is de premie indien geen premiekorting
als bedoeld in artikel 18, vierde lid, of artikel 19 geldt of zou gelden.
-5. De verschuldigde premie is gelijk aan de grondslag van de premie
behorende bij de variant van de zorgverzekering die de verzekeringnemer
gekozen heeft, verminderd met de premiekortingen, bedoeld in de artikelen
18, vierde lid, of 19, indien deze van toepassing zijn.
-6. De zorgverzekeraar geeft de wijze waarop de verschuldigde premie van
de grondslag van de premie wordt afgeleid in de modelovereenkomst weer
en neemt de wijze waarop de door de verzekeringnemer verschuldigde
premie van de grondslag van de premie is afgeleid in de zorgpolis op.
-7. Een wijziging in de grondslag van de premie treedt niet eerder in
werking dan met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand
volgende op de maand waarin deze aan de verzekeringnemer is medegedeeld.
Art. 18.
-1.
De zorgverzekeraar kan met een werkgever overeenkomen
dat hij een geldelijk voordeel verstrekt indien diens werknemers of hun
gezinsleden verzekerd worden op basis van een in die overeenkomst aan te wijzen
modelovereenkomst.
-2. Het voordeel
bedraagt per werknemer die of
gezinslid dat op basis van
de desbetreffende modelovereenkomst verzekerd wordt niet meer dan 10% van
de grondslag van de bij die modelovereenkomst behorende
premie.
-3. In de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt
ten minste bepaald:
a. de hoogte van het voordeel, waarbij die hoogte mag
variëren al naargelang het aantal volgens de desbetreffende
modelovereenkomst verzekerde werknemers of gezinsleden;
b. de verdeling van het voordeel over de werkgever en de
volgens de desbetreffende modelovereenkomst verzekerde werknemers of gezinsleden.
-4. Indien het voordeel of een deel daarvan aan de
verzekeringnemer wordt verstrekt, geschiedt dit in de vorm van een korting
op de grondslag van de premie.
-5. Het eerste tot en met vierde lid zijn tevens van
toepassing ten aanzien van een rechtspersoon, niet zijnde een werkgever,
met betrekking tot de verzekering van natuurlijke personen wier belangen
die rechtspersoon behartigt.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, om te
voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan het sociale karakter van de
verzekering, nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
§ 3.4. Het eigen
risico
Art. 19.
-1. De zorgverzekeraar biedt van iedere zorgverzekering met een bepaalde
combinatie van te verzekeren prestaties als bedoeld in artikel
11,
eerste lid, een variant zonder eigen risico aan.
-2. De zorgverzekeraar kan voor de verzekering van een persoon van
18 jaar of ouder varianten van de zorgverzekering aanbieden met
een eigen risico van €|100,00, €|200,00, €|300,00, €|400,00 of €|500,00 per
kalenderjaar, waartegenover hij een korting op de grondslag van de
premie verleent.
-3. De korting mag afhangen van:
a. de omvang van het voor de verzekerde gekozen eigen risico;
b. het aantal kalenderjaren waarvoor een eigen risico voor de verzekerde
gegolden heeft.
-4. De zorgverzekeraar neemt in zijn modelovereenkomst op welke
premiekorting bij welk eigen risico voor welk aantal kalenderjaren
geldt.
-5. Indien de zorgverzekeraar één of meer van de door hem aangeboden
eigen risico’s laat vervallen, geeft de zorgverzekeraar de
verzekeringnemers die een zorgverzekering met zo’n eigen risico hebben
afgesloten de mogelijkheid om te kiezen voor een
zorgverzekering met een lager of zonder eigen risico.
Art. 20.
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen vormen van zorg of overige diensten worden aangewezen
waarvan de kosten tot een bij of krachtens die maatregel te bepalen bedrag
buiten een eigen risico vallen.
Art. 21.
-1. Indien een zorgverzekering niet op 1 januari van een kalenderjaar
ingaat of eindigt, is het in dat kalenderjaar voor die overeenkomst
geldende bedrag van het eigen risico gelijk aan het voor het gehele
kalenderjaar geldende bedrag, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de
teller gelijk is aan het aantal dagen in dat kalenderjaar waarover de
zorgverzekering zal lopen of heeft gelopen en de noemer aan het aantal
dagen in het desbetreffende kalenderjaar.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt het in het kalenderjaar
geldende bedrag van het eigen risico indien dat gedurende het
kalenderjaar wijzigt en de verzekeringnemer onmiddellijk voorafgaande
aan die wijziging reeds een zorgverzekering met de zorgverzekeraar had
gesloten, als volgt berekend:
a. ieder bedrag aan eigen risico dat in het desbetreffende kalenderjaar
heeft gegolden of zal gelden, wordt vermenigvuldigd met het aantal in
dat jaar gelegen dagen waarvoor dat risico gold of zal gelden;
b. de op grond van onderdeel a berekende bedragen worden bij elkaar
opgeteld;
c. het op grond van onderdeel b berekende bedrag wordt gedeeld door het
aantal dagen in het kalenderjaar.
-3. Het op grond van het eerste of tweede lid berekende bedrag wordt
afgerond op hele euro’s.
§ 3.5. De
no-claimteruggave bij beperkt zorggebruik
Art. 22.
-1. Indien de waarde van de verzekerde prestaties die in een kalenderjaar
ten behoeve van een verzekerde zijn verstrekt lager is dan een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag, heeft de verzekerde
jegens de zorgverzekeraar recht op een bedrag, de no-claimteruggave, dat
gelijk is aan het verschil tussen het bij de maatregel bepaalde bedrag
en eerder bedoelde waarde.
-2. Geen recht op een no-claimteruggave hebben verzekerden voor wie geen premie verschuldigd
is.
-3. Indien de zorgverzekering niet op 1 januari van een kalenderjaar is
ingegaan respectievelijk is geëindigd en de verzekeringnemer niet
direct voorafgaande aan de ingangsdatum respectievelijk direct volgende
op de datum waarop de verzekering eindigde een zorgverzekering met de
zorgverzekeraar had gesloten, dan wel
indien voor de verzekerde gedurende het kalenderjaar premie verschuldigd
is geworden, wordt het in het eerste lid
bedoelde, bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag
vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal
dagen in het kalenderjaar waarover de zorgverzekering liep dan wel premie verschuldigd was, en de
noemer aan het aantal dagen in dat kalenderjaar.
-4. Indien het derde lid van toepassing is, wordt de no-claimteruggave
berekend door van het ingevolge dat lid bepaalde bedrag af te trekken de
waarde van de verzekerde prestaties genoten vanaf respectievelijk tot
de dag waarop de zorgverzekering inging respectievelijk eindigde, dan wel vanaf de dag waarop voor de
verzekerde premie verschuldigd werd.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. welke vormen van zorg of overige diensten in welke mate buiten
beschouwing blijven bij het bepalen van de waarde van de verzekerde
prestaties, bedoeld in het eerste en vierde lid;
b. binnen welke termijn en op welke wijze de uitkering wordt betaald;
c. de gevolgen van het bekend worden van gebruik van zorg in een
kalenderjaar waarvoor reeds uitbetaling van de uitkering heeft
plaatsgevonden;
d. het indexcijfer waarmee het in het eerste lid bedoelde, bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag jaarlijks bij ministeriële
regeling wordt herzien, alsmede de berekeningswijze en de afronding die
bij die herziening worden gehanteerd.
§ 3.6. Overige
bepalingen
Art. 23.
-1. Kosten
van zorg of een andere dienst worden toegerekend aan het kalenderjaar
waarin de zorg of dienst is genoten, met dien verstande dat de kosten van
zorg of een andere dienst die in twee achtereenvolgende kalenderjaren is
genoten en door de zorgaanbieder of andere dienstverlener in één bedrag
in rekening zijn gebracht, worden toegerekend aan het kalenderjaar waarin
de zorg of dienst is aangevangen.
-2. Bedragen als bedoeld in artikel
11, derde of vierde lid, die voor rekening van
de verzekerde komen, of kosten als bedoeld in artikel
13, eerste lid,
voor zover zij voor rekening van de verzekerde blijven, worden bij de berekening van de
no-claimteruggave en de beantwoording van
de vraag of een voor zijn verzekering geldend eigen risico wordt
overschreden buiten aanmerking gelaten.
-3. Een
zorgverzekeraar brengt kosten van zorg of overige diensten slechts in
mindering op een voor een bepaald kalenderjaar geldend eigen risico voor
zover deze het bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
22, eerste lid, voor dat kalenderjaar bepaalde bedrag, dan wel het op
grond van artikel 22, derde lid, voor dat kalenderjaar
berekende bedrag, hebben overschreden.
Art. 24.
-1. De rechten en plichten uit de zorgverzekering zijn van rechtswege
opgeschort gedurende de periode waarover Onze Minister van Justitie in
het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak
verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg aan een
verzekerde.
-2. De verzekeringnemer of de verzekerde meldt de zorgverzekeraar de dag
waarop de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en eindigt.
HOOFDSTUK
4
De
zorgverzekeraars
§ 4.1. De
aanmelding, de statuten en het werkgebied
Art. 25.
-1. Een verzekeraar meldt het voornemen zorgverzekeringen aan te bieden
en uit te voeren schriftelijk aan het College toezicht, onder vermelding
van de dag met ingang waarvan hij zorgverzekeringen zal aanbieden.
-2. De verzekeraar voegt bij de melding alle modelovereenkomsten volgens
welke hij zorgverzekeringen wenst aan te bieden.
-3. Een zorgverzekeraar legt wijzigingen in zijn modelovereenkomsten of
nieuwe modelovereenkomsten voordat deze ingaan aan het College toezicht
over.
Art. 26.
-1. Het College toezicht tekent de datum van ontvangst aan op het
geschrift waarmee de melding, bedoeld in artikel 25, eerste lid, is
gedaan, alsmede op de modelovereenkomsten of wijzigingen daarvan,
bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid.
-2. Het College toezicht zendt de verzekeraar onverwijld een bewijs van
ontvangst, waarin die datum is vermeld.
-3. Het College toezicht zendt het College zorgverzekeringen onverwijld
een afschrift van de melding, de modelovereenkomsten of de wijzigingen
in de modelovereenkomsten, onder vermelding van de datum van ontvangst
ervan.
Art. 27.
Een verzekeraar die ten onrechte een verzekering als zorgverzekering
aanbiedt of uitvoert, is gehouden de schade die een
verzekeringsplichtige of degene die hem heeft verzekerd dientengevolge
lijdt te vergoeden.
Art. 28.
-1. De statuten van een zorgverzekeraar:
a. voorzien in toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene
gang van zaken in de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming;
b. bieden waarborgen voor een redelijke mate van invloed van de
verzekerden op het beleid; en
c. sluiten iedere verplichting van de verzekeringnemers, verzekerden,
gewezen verzekeringnemers of gewezen verzekerden tot het doen van een
bijdrage in tekorten van de rechtspersoon uit.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de mate van invloed die verzekerden ten minste op het beleid van een
zorgverzekeraar dienen te hebben.
Art. 29.
-1. Het werkgebied van een zorgverzekeraar is Nederland.
-2. In afwijking van het eerste lid kan een zorgverzekeraar zijn
werkgebied tot één of meer gehele provincies van Nederland beperken
zolang bij hem minder dan 850 000 verzekerden op basis van een
zorgverzekering verzekerd zijn.
-3. Voor de bepaling van het aantal verzekerden, bedoeld in het tweede
lid, wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verzekerden in het tweede
jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bepaling geschiedt.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop het aantal verzekerden wordt bepaald indien de zorgverzekeraar in
het tweede of eerste jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bepaling
geschiedt rechtsopvolger is geweest van, gefuseerd is met of
afgesplitst is van een andere zorgverzekeraar dan wel indien deze
verzekeraar zorgverzekeringen van een andere zorgverzekeraar heeft
overgenomen.
Art. 30.
-1. Een zorgverzekeraar die geen zorgverzekeringen meer wenst aan te
bieden of uit te voeren, meldt het voornemen hiertoe schriftelijk aan
het College toezicht, onder vermelding van de dag met ingang waarvan hij
geen zorgverzekeringen meer zal uitvoeren.
-2. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 31.
-1. Indien krachtens hoofdstuk IX van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 jegens een zorgverzekeraar of een voormalige zorgverzekeraar de
noodregeling is uitgesproken of een voormalige zorgverzekeraar failliet
is verklaard, voldoet het College zorgverzekeringen
aan de verzekerden
jegens die zorgverzekeraar of voormalige zorgverzekeraar bestaande
vorderingen ter zake van een recht op vergoeding als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel b, of artikel 13.
-2. De vorderingen, bedoeld in het eerste lid, gaan bij wijze van
subrogatie op het College zorgverzekeringen over voor zover dat college
deze heeft voldaan.
-3. Het Rijk is tegenover het College zorgverzekeringen aansprakelijk
voor de betalingen, bedoeld in het eerste lid.
§ 4.2. De
vereveningsbijdrage
Art. 32.
-1. Het College zorgverzekeringen
kent een zorgverzekeraar die voldaan
heeft aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 25, voor ieder
kalenderjaar waarin hij zorgverzekeringen aanbiedt en uitvoert een
bijdrage toe.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels omtrent de
berekening van de bijdragen gesteld.
-3. De regels, bedoeld in het tweede lid, bepalen ten minste dat de
hoogte van de bijdrage wordt berekend op basis van bij die maatregel te
bepalen, voor alle zorgverzekeraars gelijke criteria, waaronder in ieder
geval het aantal verzekerden bij een zorgverzekeraar en een aantal
verzekerdenkenmerken.
-4. Bij ministeriële regeling:
a. wordt vóór 1 oktober van ieder jaar bepaald welk bedrag in totaal
voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de zorgverzekeraars kan worden
toegekend;
b. kan worden bepaald dat in aanvulling op de criteria, bedoeld in het
derde lid, voor de berekening van de hoogte van de bijdragen eenmalig
rekening wordt gehouden met een bij die regeling te bepalen, voor alle
zorgverzekeraars gelijk criterium;
c. wordt statistisch onderbouwd aan elk criterium als bedoeld in het
derde lid of aan een criterium als bedoeld in onderdeel b een bijdrage
gekoppeld;
d. worden nadere regels omtrent de berekening van de bijdragen gesteld
en wordt geregeld hoe de op grond van het eerste lid toegekende
bijdragen door het College zorgverzekeringen worden betaald.
-5. Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks
vóór 15 oktober
beleidsregels vast waarin wordt aangegeven op welke wijze toepassing
wordt gegeven aan de in het vierde lid bedoelde regels.
-6. De toekenning, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
vóór 1 november
van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bijdrage wordt
gegeven.
-7. De beleidsregels, bedoeld in het vijfde lid, behoeven de goedkeuring
van Onze Minister.
Art. 33.
-1. Bij ministeriële regeling kunnen, in
geval van een kernexplosie of natuurramp of andere buitengewone
gebeurtenissen die niet tot het normale bedrijfsrisico van
zorgverzekeraars kunnen worden gerekend, na aanvang van het kalenderjaar
middelen voor bijdragen aan één of meer zorgverzekeraars beschikbaar
worden gesteld.
-2. Het College zorgverzekeringen
kent de bijdragen aan de bij de
ministeriële regeling aangewezen zorgverzekeraars toe.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels omtrent de berekening van de
bijdragen gesteld en wordt geregeld hoe de toegekende bijdragen door het
College zorgverzekeringen worden betaald.
-4. Artikel 32, vijfde en zevende lid, zijn, met uitzondering van de in
het vijfde lid genoemde datum, van overeenkomstige toepassing.
Art. 34.
-1. Uiterlijk in het tweede jaar volgende op het kalenderjaar waarvoor de
bijdragen, bedoeld in artikel 32 en 33, zijn toegekend, stelt het
College zorgverzekeringen de bijdrage vast.
-2. De vaststelling van een bijdrage als bedoeld in
artikel 32 houdt in
ieder geval in een herberekening van de bijdrage op basis van het
werkelijke aantal verzekerden dat de zorgverzekeraar in het
desbetreffende jaar had en de werkelijke verdeling van de
verzekerdenkenmerken als bedoeld in artikel 32, derde lid, over die
verzekerden, voor zover de daartoe benodigde gegevens tijdig bij het
College zorgverzekeringen zijn aangeleverd.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
omtrent de berekening van de bijdragen gesteld,
met dien verstande dat generieke verevening slechts tot en met 31 december 2010
mogelijk is.
-4. Het College zorgverzekeringen stelt beleidsregels op waarin wordt
aangegeven op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de in het derde
lid bedoelde regels en op welke wijze een vergoeding voor rentekosten
wordt verleend respectievelijk in rekening wordt gebracht.
-5. Indien de vastgestelde bijdrage hoger is dan de toegekende bijdrage,
betaalt het College zorgverzekeringen de zorgverzekeraar of diens
rechtsopvolger het verschil, vermeerderd met de rentekosten, en indien
de vastgestelde bijdrage lager is dan de toegekende bijdrage, vordert het
College zorgverzekeringen het verschil, vermeerderd met de rentekosten,
van de zorgverzekeraar of diens rechtsopvolger terug.
-6. Het College zorgverzekeringen is bevoegd het bedrag dat na toepassing
van het eerste en vijfde lid aan de zorgverzekeraar dient te worden
betaald respectievelijk van de zorgverzekeraar dient te worden
teruggevorderd, te verrekenen met een toekenning van een bijdrage als
bedoeld in artikel 32 of 33 over een later jaar.
Art. 35.
-1. Het College zorgverzekeringen
draagt zorg voor het inrichten en in stand houden van een administratie
waarin van iedere verzekerde wordt opgenomen:
a. het sociaal-fiscaal nummer;
b. de zorgverzekeraar waarbij de
verzekerde verzekerd is;
c. de persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de berekening van
aan de zorgverzekeraar toekomende bijdragen als bedoeld in de artikelen
32 tot en met 34.
-2. De zorgverzekeraar meldt het College
zorgverzekeringen, onder vermelding van de ingangsdatum ervan, iedere door
hem gesloten zorgverzekering, alsmede, indien de zorgverzekering is
geëindigd, de datum waarop deze eindigde.
-3. Indien het College zorgverzekeringen constateert dat een verzekerde
bij twee of meer zorgverzekeraars verzekerd is, stelt hij de betrokken
zorgverzekeraars daarvan, onder vermelding van de namen van alle
zorgverzekeraars waarbij de verzekerde verzekerd is, terstond op de
hoogte.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen:
a. regels worden gesteld over de in de administratie van het College
zorgverzekeringen op te nemen persoonsgegevens als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c;
b. regels worden gesteld over de inrichting van de administratie van het
College zorgverzekeringen, bedoeld in het eerste lid.
Art. 36.
Op rechten of verplichtingen die voortvloeien uit hetgeen in deze
paragraaf geregeld is, is titel 4.2 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
§ 4.3. De
verslaglegging
Art. 37.
-1. De zorgverzekeraar zendt binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar twee exemplaren van zijn jaarrekening en van zijn jaarverslag
aan het College toezicht.
-2. Een zorgverzekeraar die artikel 403 van
Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek toepast, zendt de jaarrekening, het jaarverslag en de
geconsolideerde jaarrekening onverwijld na de neerlegging van het
jaarverslag en de geconsolideerde jaarrekening ten kantore van het
handelsregister, in tweevoud aan het College toezicht.
-3. De zorgverzekeraar voegt bij de stukken, bedoeld in het eerste of
tweede lid, twee afschriften van de accountantsverklaringen die hij op
grond van het Burgerlijk
Wetboek of de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 over deze stukken dient te laten opstellen.
-4. Het College toezicht zendt het College zorgverzekeringen
onverwijld
één exemplaar van de in het eerste tot en met derde lid bedoelde
stukken.
Art. 38.
-1. De zorgverzekeraar zendt vóór 1 juli aan het College toezicht in
tweevoud een uitvoeringsverslag waarin hij:
a. rapporteert over de uitvoering van deze wet in het voorafgaande
kalenderjaar; en
b. een overzicht geeft van zijn voornemens met betrekking tot de
uitvoering van deze wet in het lopende kalenderjaar en het
daaropvolgende kalenderjaar.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld
omtrent de inhoud van het uitvoeringsverslag.
-3. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, kunnen in het bijzonder
betrekking hebben op naleving van een in de regeling aan te wijzen
gedragscode.
-4. De zorgverzekeraar voegt bij het uitvoeringsverslag twee exemplaren
van een verslag met bevindingen van een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek over de vraag of:
a. het uitvoeringsverslag overeenkomstig de daarvoor geldende regels is
opgesteld;
b. de uitvoering is geschied overeenkomstig de verplichtingen die bij of
krachtens deze wet in het voorafgaande kalenderjaar op de
zorgverzekeraar rustten.
-5. Artikel 37, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
5
Het Zorgverzekeringsfonds, de inkomensafhankelijke
bijdrage, de
rijksbijdragen en de belasting van gemoedsbezwaarden
§ 5.1. Het
Zorgverzekeringsfonds
Art. 39.
-1. Er is een Zorgverzekeringsfonds.
-2. Ten gunste van het Zorgverzekeringsfonds komen:
a. de inkomensafhankelijke bijdragen, bedoeld in paragraaf
5.2, alsmede
de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten;
b. de rijksbijdrage, bedoeld in artikel
54;
c. een rijksbijdrage als bedoeld in de
artikelen 55 of 56;
d.
een bedrag van iedere rekening, bedoeld in artikel 70,
gelijk aan:
1º. jaarlijks: de helft van de
bijdragevervangende belastingen die degenen wier bijdragevervangende
belastingen op die rekening werden gestort over het voorafgaande
kalenderjaar gezamenlijk verschuldigd waren, of zoveel minder als het
saldo bedraagt;
2º. voor iedere tot een huishouding als
bedoeld in artikel 70, tweede lid, behorende
gemoedsbezwaarde die alsnog verzekeringsplichtig wordt dan wel
overlijdt: het saldo van de rekening gedeeld door het aantal tot de
huishouding behorende gemoedsbezwaarden;
3º. indien de rekening met toepassing van artikel
70, achtste lid, wordt opgeheven: het saldo van de rekening;
e. aan het College zorgverzekeringen
betaalde bedragen ter gehele
of gedeeltelijke voldoening van vorderingen als bedoeld in artikel
31, tweede lid;
f. de bijdragen en boeten, bedoeld in artikel
69;
g. de inkomsten die in verband met
deze wet voortvloeien uit internationale overeenkomsten;
h. door het College toezicht van
verzekeraars geïnde dwangsommen, alsmede ingevorderde boeten als
bedoeld in de artikelen 96 tot en met 100, wat betreft
de boeten, bedoeld in artikel 96, nadat deze zijn
verminderd met de in het zesde lid van dat artikel bedoelde vergoeding.
-3. Ten laste van het Zorgverzekeringfonds komen:
a. de bijdragen, bedoeld in de artikelen 32,
33 en 34;
b. subsidies als bedoeld in artikel
68, inclusief vergoedingen als
bedoeld in het tweede lid van dat artikel;
c. door het College zorgverzekeringen voldane vorderingen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid;
d. uitgaven in verband met molest als bedoeld in
artikel 55, inclusief
vergoedingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel;
e. de uitgaven die in verband met deze wet voortvloeien uit
internationale overeenkomsten.
-4. Uit het Zorgverzekeringsfonds worden, volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels, middelen gebruikt voor het vormen en in
stand houden van een voor de doelstelling van het fonds noodzakelijke reserve.
Art. 40.
-1. Het College zorgverzekeringen
beheert en administreert afzonderlijk
het Zorgverzekeringsfonds.
-2. Het College zorgverzekeringen houdt de financiële middelen die deel
uitmaken van het Zorgverzekeringsfonds in rekening-courant bij Onze
Minister van Financiën.
-3. Het College zorgverzekeringen kan, voor de uitvoering van zijn
wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die hij in
rekening-courant bij Onze Minister van Financiën aanhoudt.
-4. In afwijking van het tweede lid kan het College zorgverzekeringen een
deel van de in dat lid bedoelde financiële middelen buiten de in dat
lid bedoelde rekening-courant houden.
-5. Onze Minister stelt in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, de omvang van
het in het vierde lid bedoelde deel van de financiële middelen vast.
-6. Bij een tekort aan financiële middelen maakt het College
zorgverzekeringen uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die
door Onze Minister van Financiën worden verleend.
-7. Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het College
zorgverzekeringen ten aanzien van de rekening-courant, in elk geval met
betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de
rekening-courant.
-8. Het College zorgverzekeringen informeert Onze Minister van Financiën
ten aanzien van de rekening-courant in elk geval met betrekking tot de
prognoses van de saldi van de rekening-courant.
-9. Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de
rekening-courant geen kosten in rekening.
-10. Onze Minister stelt in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels omtrent
de rente die over de saldi van de in het tweede lid bedoelde
rekening-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt
gebracht.
-11. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels stellen
omtrent het tweede, zevende en achtste lid.
§ 5.2. De
inkomensafhankelijke bijdrage
Art.
41.
De verzekeringsplichtige is een inkomensafhankelijke bijdrage
verschuldigd.
Art. 42.
De inkomensafhankelijke bijdrage over een jaar wordt geheven over het
bijdrage-inkomen van dat jaar.
Art. 43.
-1. Het bijdrage-inkomen van een jaar is het gezamenlijke bedrag van
hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan:
a. belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de
loonbelasting, verminderd met de ingevolge artikel 46 genoten vergoeding
en met uitzondering van loon als bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet
op de loonbelasting 1964 waarover de belasting op grond van artikel 27a, eerste lid, van
die wet
is verschuldigd door de inhoudingsplichtige en het hierdoor voor de
werknemer in de zin van die
wet ontstane voordeel,
en vermeerderd met loon, bepaald volgens de regels
van artikel 3.82 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
b. belastbare winst uit onderneming, bepaald volgens de regels van
afdeling 3.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden, bepaald volgens de
regels van afdeling 3.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, met
uitzondering van de in de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 bedoelde werkzaamheden;
d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bepaald volgens
de regels van afdeling 3.5 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-2. Het bijdrage-inkomen wordt ten minste op nihil gesteld en wordt tot
geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze
Minister van Financiën, vastgestelde bedrag.
-3. Bij
de berekening van het bijdrage-inkomen blijft het van dezelfde
inhoudingsplichtige ontvangen loon als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, buiten aanmerking voor zover dat meer bedraagt dan
een bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
vastgesteld bedrag vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het
bijdragebetalingstijdvak.
-4. Indien een verzekeringsplichtige in het bijdragebetalingstijdvak zijn
naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft
verstrekt dan wel zijn identiteit niet is vastgesteld en niet is
opgenomen in de administratie overeenkomstig artikel 28, onderdeel e,
van de Wet
op de loonbelasting 1964, alsmede indien de
verzekeringsplichtige ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de
inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten, blijft het
tweede lid buiten toepassing bij de berekening van het als
bijdrage-inkomen in aanmerking te nemen loon dat van de
inhoudingsplichtige is genoten.
Art. 44.
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel
43, tweede lid, wordt jaarlijks bij
beschikking van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze
Minister van Financiën,
herzien, waarbij met inachtneming van het bij en krachtens het tweede
lid bepaalde het laatstelijk vastgestelde bedrag wordt verhoogd of
verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer
der lonen op 31 juli daaraan voorafgaande en het indexcijfer dat bij de
laatste herziening is gehanteerd.
-2. Onder indexcijfer der lonen wordt verstaan het indexcijfer van de
CAO-lonen per maand inclusief bijzondere uitkeringen, sector
particuliere bedrijven, zoals dat op basis van het jaar 2000 wordt
berekend door het Centraal bureau voor de statistiek naar de stand op de
laatste werkdag van elke kalendermaand en voor de eerste maal, al dan
niet voorlopig, wordt gepubliceerd in het Statistisch Bulletin van het
Centraal bureau voor de statistiek.
-3. Het in het tweede lid genoemde jaartal kan bij regeling van Onze
Minister worden gewijzigd.
-4. Bij de eerstvolgende herziening nadat een in het derde lid bedoelde
regeling is getroffen, wordt, in afwijking van het eerste lid, het
procentuele verschil gehanteerd tussen het indexcijfer der lonen op 31
juli daaraan voorafgaande en het indexcijfer dat bij de laatste
herziening zou zijn gehanteerd, ware de indexcijferreeks reeds op het
gewijzigde jaartal gebaseerd.
-5. Indien daartoe een bijzondere aanleiding bestaat, kan bij algemene
maatregel van bestuur van de in het eerste en tweede lid aangegeven
aanpassingsmethode worden afgeweken.
-6. Indien een wijziging ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari,
vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën en kunnen daarbij regels worden gesteld omtrent de wijze van
berekening van de bijdrage over het gehele kalenderjaar.
Art. 45.
-1. De inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt een percentage van het
bijdrage-inkomen.
-2. Het in het eerste lid bedoelde bijdragepercentage wordt bij regeling
van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en Onze
Minister van Financiën, vastgesteld.
-3. Voor daarbij aan te geven bestanddelen van het bijdrage-inkomen kan
een afwijkend bijdragepercentage worden vastgesteld.
-4. De bijdragepercentages worden zodanig
vastgesteld dat de som van de
inkomensafhankelijke bijdragen gelijk is aan 50% van de som van bij
ministeriële regeling te bepalen, ten gunste van het
Zorgverzekeringsfonds of van de zorgverzekeraars komende inkomsten.
-5. Na afloop van het kalenderjaar vastgestelde verschillen tussen de
bedragen van de inkomsten die in de ministeriële regeling, bedoeld in
het vierde lid, in aanmerking waren genomen en de werkelijke bedragen
van die inkomsten, worden verrekend bij de vaststelling van het
bijdragepercentage in een volgend jaar.
-6. Indien een wijziging van het bijdragepercentage ingaat op een ander
tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën en kunnen daarbij regels worden gesteld
omtrent de wijze van berekening van de bijdrage over het gehele
kalenderjaar.
Art. 46.
-1. Een verzekeringsplichtige die bij regeling van
Onze Minister aan te
wijzen loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting
geniet, heeft recht op een volledige vergoeding door de
inhoudingsplichtige van de inkomensafhankelijke bijdrage over dit deel
van het bijdrage-inkomen.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid is
artikel 43, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Art. 47.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze paragraaf.
§ 5.3. De heffing
en invordering van de inkomensafhankelijke bijdrage
Art. 48.
De rijksbelastingdienst heft de inkomensafhankelijke bijdrage.
Art. 49.
-1. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit loon als bedoeld in
artikel 43, eerste lid, onderdeel a, dat van een inhoudingsplichtige
wordt genoten, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van
inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing
van de loonbelasting geldende regels.
-2. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit andere dan de in het
eerste lid bedoelde bestanddelen, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage
bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor
de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering
van artikel 3.154 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-3. Bij de vaststelling van de ingevolge het tweede lid op te leggen
aanslag wordt de bijdrage die op grond van artikel 43, tweede lid,
juncto artikel 45 ten hoogste kan worden geheven, verminderd met de
bijdrage die op grond van het eerste lid is ingehouden.
Art. 50.
-1. Indien over het
bijdrage-inkomen inkomensafhankelijke bijdrage is ingehouden over een hoger
bijdrage-inkomen dan het bedrag, bedoeld in artikel
43, tweede lid,
stelt de inspecteur, bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen,
bij voor bezwaar vatbare beschikking het bedrag van de te veel betaalde
bijdrage vast.
-2. Indien het bijdrage-inkomen waarover inkomensafhankelijke bijdrage is
ingehouden van verschillende inhoudingsplichtigen is ontvangen, wordt
het bedrag van de te veel ingehouden bijdrage als bedoeld in het eerste
lid naar evenredigheid toegerekend aan de door deze inhoudingsplichtigen
ingehouden bijdrage.
-3. In afwijking in zoverre van de vorige leden wordt het bedrag van
te veel ingehouden bijdrage voor zover mogelijk toegerekend aan de
inkomensafhankelijke bijdrage over het bijdrage-inkomen waarop artikel
46, eerste lid, niet van toepassing is.
-4. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze
Minister van Financiën, kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden
gesteld.
-5. In afwijking van de artikelen 25b,
27f,
27j, derde lid, en 29i van
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen verleent de inspecteur een
teruggave van een ingehouden bedrag aan inkomensafhankelijke bijdrage
over loon als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aan de
inhoudingsplichtige.
-6. In afwijking van artikel 5a van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen beslist de inspecteur op aanvragen als bedoeld in dit
artikel binnen een redelijke termijn als bedoeld in afdeling 4.1.3 van
de Algemene wet bestuursrecht en met toepassing van die afdeling.
-7. Indien in verband met de gevraagde beschikking informatie is gevraagd
aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de
beschikking niet binnen redelijke termijn gegeven kan worden, wordt de
termijn met ten hoogste zes maanden verlengd en wordt de aanvrager van
deze verlenging schriftelijk op de hoogte gesteld.
Art. 51.
-1. De rijksbelastingdienst
vordert de inkomensafhankelijke bijdrage in.
-2. Bij de invordering van de bijdrage zijn,
naargelang
artikel 49,
eerste lid dan wel tweede lid, van toepassing is, de regels geldende
voor de invordering van de loonbelasting, met uitzondering van artikel
38, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet
1990,
onderscheidenlijk de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.
Art. 52.
Bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Financiën worden
regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de
inkomensafhankelijke bijdragen alsmede van de daarmee verband houdende
bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst
aan het
Zorgverzekeringsfonds.
Art. 53.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze
Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze paragraaf.
§ 5.4. De
rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds
Art. 54.
-1. Onze Minister
verleent jaarlijks aan het Zorgverzekeringsfonds een
bijdrage in de financiering van de zorgverzekering voor verzekerden
jonger dan 18 jaar.
-2. De bijdrage is gelijk aan het bedrag dat daarvoor in de wet tot
vaststelling van de begroting van zijn ministerie voor dat jaar is
toegestaan.
-3. De bijdrage wordt betaald in gelijke maandelijkse delen.
Art. 55.
-1. Onze Minister
kan, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, een bijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds verlenen ter
gehele of gedeeltelijke betaling van zorg of overige diensten als
bedoeld in artikel 10, ingeval de behoefte aan die zorg of diensten is
veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog,
opstand, binnenlandse onlusten, oproer, muiterij of terrorisme.
-2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald:
a. welke vormen van zorg of overige diensten voor welk gedeelte met de
bijdrage worden betaald;
b. ten behoeve van welke personen de bijdrage wordt betaald;
c. onder welke voorwaarden en op welke wijze deze zorg of overige
diensten door het College zorgverzekeringen
wordt betaald.
-3. In een regeling als bedoeld in het tweede lid kan worden bepaald dat
zorgverzekeraars het College zorgverzekeringen bijstand verlenen bij het
uitvoeren van de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, en
welke vergoeding daar voor de zorgverzekeraars tegenover staat.
Art. 56.
Indien de situatie, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, zich heeft voorgedaan, verstrekt
Onze Minister een
bijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds ter hoogte van het verschil
tussen het bedrag aan voldane vorderingen, als bedoeld in artikel
31,
eerste lid, en het bedrag dat het College zorgverzekeringen
ter zake van de vorderingen, bedoeld in
artikel 31,
tweede lid, heeft ontvangen.
§ 5.5. De
bijdragevervangende belasting gemoedsbezwaarden
Art. 57.
-1. Van de persoon die op
grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, niet verzekeringsplichtig
is, wordt met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 5 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen en artikel 58 van die
wet belasting geheven tot het bedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in
artikel 43, tweede lid, dat de persoon verschuldigd zou zijn als
ware hij verzekeringsplichtig.
-2. Indien de in het eerste
lid bedoelde belasting wordt geheven over op grond van artikel
46, eerste
lid, aangewezen loon, is artikel 46 van overeenkomstige toepassing.
-3.
De rijksbelastingdienst stort de belasting,
bedoeld in het eerste lid, op de rekening, bedoeld in artikel
70, eerste dan wel tweede lid.
HOOFDSTUK
6
Het
College zorgverzekeringen
§ 6.1. Algemene
bepalingen
Art. 58.
-1. Er is een College voor
zorgverzekeringen, dat rechtspersoonlijkheid bezit.
-2. Het College zorgverzekeringen
is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.
-3. Het College
zorgverzekeringen is belast met de taken die hem bij of krachtens wet of
internationale overeenkomst zijn opgedragen.
-4. Het College
zorgverzekeringen wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.
Art. 59.
-1. Het College zorgverzekeringen
bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste negen leden, onder
wie de voorzitter.
-2. Onze Minister
benoemt,
schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden.
-3. Benoeming vindt plaats op
grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de
taken van het College zorgverzekeringen alsmede op grond van
maatschappelijke kennis en ervaring.
-4. De leden worden benoemd
voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens
voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
-5. Bij de samenstelling van
het College zorgverzekeringen wordt gestreefd naar evenredige
deelneming van vrouwen en van personen behorende tot etnische of
culturele minderheidsgroepen.
-6. Het lidmaatschap van het
College zorgverzekeringen is onverenigbaar met het lidmaatschap van het College toezicht of van het bestuur
van De Nederlandsche Bank NV.
-7. Het lidmaatschap eindigt
tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.
-8. Van een besluit tot
benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
-9. Bij ministeriële
regeling:
a. worden de vergoeding van
reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van
het College zorgverzekeringen en leden van commissies vastgesteld;
b. kunnen nadere regels over
hun rechtspositie worden vastgesteld;
c. worden andere functies of
werkzaamheden dan die, genoemd in het zesde lid, aangewezen die
niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het College
zorgverzekeringen.
Art. 60.
-1. Het College zorgverzekeringen
stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement
kan het College zorgverzekeringen voorzien in de instelling van
commissies en kan het hun samenstelling en taken regelen.
-3. In commissies kunnen
personen deelnemen die geen lid van het College zorgverzekeringen
zijn.
-4. Vergaderingen van het
College zorgverzekeringen en van commissies zijn openbaar, behoudens
voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.
-5. Het bestuursreglement
behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Art. 61.
-1. Op de rechtspositie van
het personeel van het College zorgverzekeringen
zijn de
regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries
van toepassing, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid
is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt
uitgeoefend door het College zorgverzekeringen.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde
regels.
Art. 62.
Onze Minister kan
beleidsregels vaststellen met betrekking tot de werkwijze en de uitoefening
van de taken van het College zorgverzekeringen.
Art. 63.
-1. Een besluit van het College zorgverzekeringen
kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
-2. Van een besluit tot
vernietiging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 6.2. Taken en
bevoegdheden
Art. 64.
-1. Het College zorgverzekeringen
bevordert de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van
de prestaties, bedoeld in artikel 11.
-2. Het College
zorgverzekeringen kan de zorgverzekeraars met het oog hierop richtlijnen geven.
Art. 65.
Het College zorgverzekeringen geeft aan zorgverzekeraars, aan zorgaanbieders en aan
burgers voorlichting over de aard, inhoud en omvang van de prestaties,
bedoeld in artikel 11.
Art. 66.
-1. Het College zorgverzekeringen
rapporteert Onze Minister desgevraagd over voorgenomen
beleid inzake aard, inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld
in artikel 11.
-2. Het College
zorgverzekeringen signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister feitelijke
ontwikkelingen die aanleiding kunnen geven tot wijzigingen van de aard,
inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 11.
Art. 67.
Het College zorgverzekeringen bevordert de afstemming van de uitvoering:
a. van en tussen de
zorgverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten; en
b. van deze verzekeringen
met de uitvoering van het beleid op andere terreinen van de
volksgezondheid en op andere terreinen van sociale zekerheid.
Art. 68.
-1. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het College zorgverzekeringen
overeenkomstig in die regeling gestelde regels tijdelijk subsidies verstrekt voor
zorg of andere diensten ten aanzien waarvan het voornemen bestaat deze te
doen opnemen in de te verzekeren prestaties.
-2. In een regeling als
bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald dat zorgverzekeraars het College
zorgverzekeringen bijstand verlenen bij de verstrekking van subsidies
behorende tot een in die regeling genoemde categorie en welke
vergoeding zij daarvoor ontvangen.
-3. Onze Minister
kan
jaarlijks voor een categorie van subsidies het subsidieplafond voor het
komende jaar bekendmaken.
-4. In een regeling als
bedoeld in het eerste lid kan aan het College zorgverzekeringen worden
opgedragen nadere regels te stellen.
-5. Nadere regels als bedoeld
in het vierde lid behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-6. Goedkeuring kan slechts
worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.
Art. 69.
-1. In het
buitenland wonende personen die met
toepassing van een verordening van de Raad van de Europese
Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de
overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een
verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan
zorg recht hebben op zorg
of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de
wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland,
melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn,
bij het College zorgverzekeringen aan.
-2. De in het eerste lid
bedoelde personen zijn een bij
ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd die voor de
toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen
gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet
op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt
beschouwd.
-3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het
recht, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan, legt het College
zorgverzekeringen degene die de melding had moeten doen een boete
op
die gelijk is aan 130% van een bij ministeriële regeling te bepalen
gedeelte van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode
gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop het recht ontstond en
de dag waarop de melding is geschied, maar met een maximum van vijf
jaren.
-4. Het College
zorgverzekeringen is belast met de administratie voortvloeiend uit het eerste
lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met de
heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.
-5. Bij ministeriële
regeling:
a. kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, door een orgaan dat pensioen of rente
uitkeert, op dat pensioen of
die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt
afgedragen;
b. kunnen regels worden
gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak,
bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen, bedoeld in
onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren.
Art. 70.
-1. Het College zorgverzekeringen
opent voor iedere gemoedsbezwaarde, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel b, een rekening waarop de geheven
bijdragevervangende belasting, bedoeld in artikel 57,
eerste lid, wordt gestort.
-2. In afwijking van het eerste lid opent of houdt het College
zorgverzekeringen één rekening in stand indien twee of meer
gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
onderdeel b, een gezamenlijke huishouding voeren en worden op die
rekening de belastingen van ieder van deze gemoedsbezwaarden gestort.
-3. Tot de rekening is geen ander begunstigd dan het College
zorgverzekeringen.
-4. Het saldo wordt door het College zorgverzekeringen gebruikt voor het
doen van:
a. uitkeringen ter vergoeding van kosten van zorg of overige
diensten als bedoeld in artikel 11, voor zover deze
zijn verleend aan een gemoedsbezwaarde voor wie de rekening in stand
wordt gehouden of aan een tot zijn huishouding behorend kind jonger dan
18 jaar;
b. uitkeringen als bedoeld in artikel 39,
tweede lid, onderdeel d.
-5. Uitkeringen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
worden slechts op verzoek van een gemoedsbezwaarde voor wie de rekening
in stand wordt gehouden, gedaan.
-6. De kosten van zorg of overige diensten worden niet vergoed voor
zover deze voor een verzekerde op grond van de regels gesteld bij of
krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
11, derde of vierde lid, voor eigen rekening blijven.
-7. De kosten van zorg of overige diensten verleend aan een
gemoedsbezwaarde van 18 jaar of ouder worden slechts vergoed voor zover
het bedrag daarvan in een kalenderjaar meer bedraagt dan het verschil
tussen het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag, bedoeld
in artikel 22, eerste lid, en het geraamde gemiddelde
bedrag dat een verzekerde naar verwachting in het daaropvolgende jaar
ingevolge artikel 22 terugontvangt, bedoeld in artikel
4, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag.
-8. Het College zorgverzekeringen heft een rekening op indien alle
gemoedsbezwaarden voor wie de rekening in stand werd gehouden
verzekeringsplichtig zijn geworden dan wel zijn overleden.
-9. Indien een gemoedsbezwaarde een gezamenlijke huishouding is gaan
vormen met een andere gemoedsbezwaarde, heft het College
zorgverzekeringen één van de twee rekeningen op, onder overmaking van
het saldo naar de overblijvende rekening.
-10. Het College zorgverzekeringen zorgt per gemoedsbezwaarde of
huishouding, bedoeld in het tweede lid, voor een ordentelijke
administratie van de stortingen op en de uitkeringen ten laste van de
rekening.
-11. Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van het bepaalde in het
eerste tot en met tiende lid nadere regels en uitvoeringsregels worden
gegeven.
-12. Het College zorgverzekeringen is bevoegd de werkzaamheden, bedoeld
bij of krachtens het eerste tot en met elfde lid, onder vergoeding van
de daarmee gepaard gaande kosten, uit te besteden aan één of meer
zorgverzekeraars.
§ 6.3. Planning,
verslaglegging en financiering
Art.
71.
-1. Het College zorgverzekeringen
zendt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister
een jaarplan
voor het volgende kalenderjaar.
-2. Het jaarplan omvat:
a. een werkprogramma met een
beschrijving van de activiteiten die het College zorgverzekeringen voornemens is ter uitvoering van zijn taken te
verrichten;
b. een begroting van de
beheerskosten voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten; en
c. een meerjarenraming voor
de vier kalenderjaren volgend op het begrotingsjaar.
Art.
72.
-1. Onze Minister
stelt
jaarlijks vóór 1 december het budget voor de beheerskosten van het College zorgverzekeringen
voor het volgende kalenderjaar vast.
-2. Onze Minister kan
besluiten het budget voor de beheerskosten van het College
zorgverzekeringen te wijzigen.
-3. Indien gedurende het jaar
aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen
de werkelijke en de begrote baten en lasten, doet het College
zorgverzekeringen daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister, onder
vermelding van de oorzaak van de verschillen.
-4. Het College
zorgverzekeringen gaat met betrekking tot de beheerskosten geen verplichtingen aan en
doet geen uitgaven die leiden tot overschrijding van het
vastgestelde budget voor de beheerskosten.
-5. Indien het budget voor de
beheerskosten niet is vastgesteld vóór 1 januari van het
kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, is het College zorgverzekeringen
bevoegd, teneinde zijn activiteiten gaande te houden, te beschikken over
ten hoogste een derde gedeelte van het budget dat laatstelijk voor
hem voor een geheel jaar is vastgesteld.
-6. Onze Minister kan
besluiten dat het College zorgverzekeringen in een geval als bedoeld in het
vijfde lid kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het
budget dat laatstelijk voor hem voor een geheel jaar is vastgesteld.
-7. Het door Onze Minister
vastgestelde budget voor de beheerskosten van het College
zorgverzekeringen wordt gedekt uit ’s Rijks kas.
Art.
73.
-1. Het College zorgverzekeringen
zendt jaarlijks vóór 15 maart aan Onze Minister
een
jaarverantwoording over het afgelopen kalenderjaar, alsmede het verslag van
bevindingen, bedoeld in het zesde lid.
-2. De jaarverantwoording
omvat:
a. een jaarrekening; en
b. een jaarverslag omtrent
het door het College zorgverzekeringen gevoerde beleid, de
doeltreffendheid van dat beleid, de bedrijfsvoering en de uitvoering van het
werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar.
-3. Het College
zorgverzekeringen legt in zijn jaarrekening, die zoveel mogelijk met overeenkomstige
toepassing van titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek wordt
ingericht, rekening en verantwoording af over zijn beheerskosten en over
de rechtmatigheid en doelmatigheid van het beheer in het afgelopen kalenderjaar.
-4. De jaarrekening gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is Onze Minister desgevraagd inzicht te geven
in zijn controlewerkzaamheden.
-5. De verklaring heeft mede
betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen
door het College zorgverzekeringen.
-6. De accountant voegt bij
de verklaring een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer
en de organisatie voldoen aan eisen van rechtmatigheid,
ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid.
Art.
74.
-1. Het College zorgverzekeringen
zendt jaarlijks vóór 15 maart aan Onze Minister
met betrekking tot
het Zorgverzekeringsfonds een jaarrekening over het afgelopen
kalenderjaar, alsmede het verslag van bevindingen, bedoeld in het vijfde lid.
-2. Het College
zorgverzekeringen legt in de jaarrekening, die zoveel mogelijk met overeenkomstige
toepassing van titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek wordt
ingericht, rekening en verantwoording af over de baten en lasten van het
Zorgverzekeringsfonds en de toestand van dat fonds per 31 december, alsmede over de rechtmatigheid en doelmatigheid
van het beheer van dat fonds
in het afgelopen kalenderjaar.
-3. De jaarrekening gaat
vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, die bereid is Onze Minister desgevraagd inzicht te geven
in zijn controlewerkzaamheden.
-4. De verklaring heeft mede
betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding van de middelen
van het Zorgverzekeringsfonds.
-5. De accountant voegt bij
de verklaring een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer
en de organisatie voldoen aan eisen van rechtmatigheid,
ordelijkheid, controleerbaarheid en doelmatigheid.
Art.
75.
-1. De onderdelen "werkprogramma" en
"begroting" van het jaarplan, bedoeld in artikel
71, het
onderdeel "jaarrekening" van de jaarverantwoording, bedoeld
in artikel 73, en de jaarrekening, bedoeld in artikel
74, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
-2. Het eerste lid geldt niet
voor wijzigingen in een goedgekeurde begroting, mits:
a. de totale omvang van de
begroting geen wijziging ondergaat; en
b. de wijziging per groep
van kostensoorten en baten, gerekend over het desbetreffende
begrotingsjaar, een bedrag van 5% van het in artikel 72 bedoelde budget
niet te boven gaat.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud en de inrichting van:
a. het jaarplan, bedoeld in
artikel 71;
b. de jaarverantwoording,
bedoeld in artikel 73;
c. de jaarrekening, bedoeld
in artikel 74;
d. de verklaringen, bedoeld
in de artikelen 73, vierde lid, en 74, derde lid, de verslagen van
bevindingen, bedoeld in artikel 73, zesde lid, en 74, vijfde lid, alsmede het aan
die verklaringen en verslagen ten grondslag liggende onderzoek.
-4. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder
het budget, bedoeld in artikel 72, wordt vastgesteld.
Art.
76.
-1. Na de goedkeuring,
bedoeld in artikel 75, eerste lid, stelt het College zorgverzekeringen
het
jaarplan, de jaarverantwoording en de jaarrekening van het
Zorgverzekeringsfonds algemeen verkrijgbaar.
-2. Onze Minister
brengt zijn
oordeel over het functioneren van het College zorgverzekeringen
ter kennis van beide kamers der Staten-Generaal.
HOOFDSTUK
7
Het
College toezicht
§ 7.1. Algemene
bepalingen
Art.
77.
-1. Er is een College van
toezicht op de zorgverzekeringen, dat rechtspersoonlijkheid bezit.
-2. Het College toezicht is
gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.
-3. Het College toezicht is,
voor zover dit niet aan andere toezichthouders is voorbehouden, belast met:
a. het toezicht op de
rechtmatige uitvoering door de zorgverzekeraars van hetgeen bij of krachtens
deze wet is geregeld;
b. het toezicht op de
rechtmatige afrekening van de bijdragen, bedoeld in de artikelen 32 tot en
met 34, nadat een verzekeraar opgehouden is zorgverzekeringen uit te
voeren;
c. het toezicht op de
uitvoering van andere wetten, volgens bij of krachtens die wetten te
bepalen criteria.
-4. Het College toezicht
wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.
Art.
78.
-1. Het College toezicht
bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste vijf leden, onder wie de
voorzitter.
-2. De artikelen 59, tweede
tot en met negende lid, en 60 tot en met 63 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art.
79.
-1. Het College toezicht
wijst de medewerkers aan die toezichthouders zijn als bedoeld in artikel
5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
-2. Van een besluit als
bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 7.2. Taken en
bevoegdheden
Art.
80.
-1. Het College toezicht
zendt vóór 1 november aan Onze Minister en aan het
College zorgverzekeringen een samenvattend rapport over de rechtmatigheid van de
uitvoering van deze wet en de daarop gebaseerde regelgeving door de
zorgverzekeraars in het voorafgaande kalenderjaar.
-2. Onze Minister zendt het
rapport, bedoeld in het eerste lid, aan beide kamers der Staten-Generaal.
-3. Het College toezicht
stelt het rapport, bedoeld in het eerste lid, algemeen verkrijgbaar.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van het
rapport, bedoeld in het eerste lid.
Art.
81.
-1. Het College toezicht
maakt, onverminderd zijn bevoegdheid tot eigen onderzoek, zoveel mogelijk
gebruik van de resultaten van door anderen verrichte controles.
-2. De zorgverzekeraars
verstrekken desgevraagd aan het College toezicht de informatie over
de uitgevoerde werkzaamheden van hen die met de controle zijn belast
en lichten hem volledig in over de resultaten van de controle door
overlegging van rapporten of op andere door het College toezicht aan te
geven wijze.
Art.
82.
-1. Het College toezicht
rapporteert desgevraagd aan Onze Minister over de uitvoerbaarheid,
doeltreffendheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid in verband met de
uitoefening van zijn toezichthoudende taak.
-2. Het College toezicht
stelt op verzoek van Onze Minister onderzoek in bij zorgverzekeraars.
-3. Het College toezicht kan
tevens op verzoek van het College zorgverzekeringen
onderzoek
bij de zorgverzekeraars instellen.
Art.
83.
-1. Het College toezicht
maakt ten behoeve van de inzichtelijkheid, voor verzekeringsplichtigen, van
de zorgverzekeringsmarkt informatie openbaar met betrekking tot:
a. de inhoud van de
modelovereenkomsten;
b. de wijze van
dienstverlening aan verzekerden en verzekeringnemers.
-2. Het eerste lid geldt niet
indien naar het oordeel van het College toezicht anderen reeds in
voldoende mate in openbaarmaking van de daar bedoelde informatie
voorzien.
-3. Bij ministeriële
regeling kan nader worden bepaald op welke onderwerpen de
openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft.
Art.
84.
-1. Het College zorgverzekeringen
kan in overeenstemming met het College toezicht regels
stellen met betrekking tot de administratie van de zorgverzekeraars.
-2. Het College toezicht kan
regels stellen met betrekking tot:
a. de controle door de
zorgverzekeraars;
b. de inhoud en inrichting
van het accountantsverslag, bedoeld in artikel 38, en van het aan
dat verslag ten grondslag liggende onderzoek.
§ 7.3. Planning,
verslaglegging en financiering
Art.
85.
Paragraaf 6.3 is, met
uitzondering van artikel 74, van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
8
Gegevensverstrekking
Art.
86.
-1. De zorgverzekeraar neemt
het sociaal-fiscaal nummer van zijn verzekerden en, gedurende
zeven jaren na het einde van de verzekering, van zijn gewezen verzekerden
met het oog op de uitvoering van de zorgverzekering en van deze
wet in zijn administratie op.
-2. De zorgverzekeraar
verifieert het sociaal-fiscaal nummer in relatie tot de bijbehorende persoonsidentificerende gegevens van de verzekerde
indien daartoe aanleiding is.
-3. Bij gegevensuitwisseling
tussen de zorgverzekeraars en de in de artikelen 88 en
89 genoemde
personen en instanties wordt, voor zover die personen en instanties tot
gebruik van dat nummer bevoegd zijn, het sociaal-fiscaal nummer
gebruikt.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot
het eerste en tweede lid.
Art.
87.
-1. Een zorgaanbieder die aan
een verzekerde zorg of andere diensten, bedoeld in artikel
11, heeft verleend en die de kosten daarvan krachtens een door hem met de
zorgverzekeraar gesloten overeenkomst rechtstreeks bij die zorgverzekeraar in
rekening brengt, verstrekt die zorgverzekeraar of een door
die zorgverzekeraar aangewezen persoon de persoonsgegevens van de
verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid
als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de zorgverzekering of van deze wet, dan wel
stelt hem deze gegevens voor dit doel voor inzage of het nemen van
afschrift ter beschikking.
-2. Een zorgaanbieder die aan
een verzekerde zorg of andere diensten, bedoeld in artikel
11, heeft
verleend en die de kosten daarvan bij de verzekerde in rekening
brengt, verstrekt hem de persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens
betreffende zijn gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die voor zijn zorgverzekeraar
noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de zorgverzekering of van deze wet.
-3. De zorgaanbieder, bedoeld
in het eerste of tweede lid, verstrekt een door Onze Minister
aangewezen persoon kosteloos bij ministeriële regeling omschreven, voor de
uitvoering van deze wet noodzakelijke persoonsgegevens, waaronder
persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de
Wet bescherming persoonsgegevens.
-4. Personen werkzaam ten
behoeve van een zorgaanbieder als bedoeld in het eerste of tweede lid verstrekken die zorgaanbieder de persoonsgegevens
die hij nodig heeft om te
kunnen voldoen aan zijn verplichtingen, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid.
-5. Personen werkzaam bij de
zorgverzekeraar, bij een door de zorgverzekeraar aangewezen
persoon als bedoeld in het eerste lid of bij de door Onze Minister
aangewezen persoon als bedoeld in het derde lid voor wie niet reeds uit
hoofde van ambt of beroep een geheimhoudingsplicht geldt, zijn verplicht
tot geheimhouding van de gegevens als bedoeld in het eerste, tweede of
derde lid, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot
mededeling verplicht.
-6. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald:
a. tot welke gegevens de
verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, zich in ieder geval
uitstrekt;
b. op welke wijze gegevens,
bedoeld in het eerste of tweede lid, worden verstrekt;
c. volgens welke technische
standaarden elektronische gegevensverstrekking plaatsvindt;
d. aan welke
beveiligingseisen elektronische gegevensverstrekking voldoet.
Art.
88.
-1. Een ieder verstrekt op
verzoek aan de zorgverzekeraars, het College zorgverzekeringen, het
College toezicht, Onze Minister, de rijksbelastingdienst, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de
Sociale verzekeringsbank, het gemeentebestuur of aan een daartoe door of vanwege
één van deze zorgverzekeraars of instanties aangewezen
persoon kosteloos alle
inlichtingen en gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze
wet.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevens en inlichtingen worden op verzoek verstrekt in
schriftelijke vorm of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen
een termijn die schriftelijk wordt gesteld bij het in het
eerste lid bedoelde verzoek.
-3. Een ieder geeft op
verzoek van een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid inzage in alle
bescheiden en andere gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter beschikking
voor het nemen van afschrift en verleent de ter zake verlangde
medewerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet door
de desbetreffende zorgverzekeraars of instanties.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste,
tweede of derde lid.
Art.
89.
-1. De in artikel 88, eerste
lid, bedoelde zorgverzekeraars en instanties zijn bevoegd uit eigen
beweging en verplicht op verzoek binnen een bij dat verzoek genoemde
termijn, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan
elkaar, aan een daartoe door of vanwege hen aangewezen persoon of aan
een door Onze Minister aangewezen persoon, kosteloos, de
gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in de Wet
bescherming persoonsgegevens, te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van de zorgverzekeringen of van deze wet.
-2. Een zorgverzekeraar
verleent op verzoek van het College zorgverzekeringen
dan wel
van het College toezicht aan door het desbetreffende college
aangewezen personen inzage in alle bescheiden en andere gegevensdragers,
stelt deze op verzoek ter beschikking voor het nemen van afschrift en
verleent de ter zake verlangde medewerking, voor zover het desbetreffende
college dit nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.
-3. Alle ambtenaren tot
afgifte van uittreksels uit registers van burgerlijke stand bevoegd, zijn
verplicht aan een in artikel 88, eerste lid, bedoelde zorgverzekeraar of
instantie de door deze gevraagde uittreksels uit de registers kosteloos
toe te zenden.
-4. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, verstrekken op verzoek,
kosteloos, aan een zorgverzekeraar, aan het College zorgverzekeringen of
aan het College toezicht alle gegevens, inlichtingen en uittreksels
uit of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet door de zorgverzekeraar of het
desbetreffende college.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over
de verstrekking van gegevens door de rijksbelastingdienst aan de
zorgverzekeraars.
-6. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste of
tweede lid.
Art.
90.
-1. Het College toezicht,
onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen,
kan na overleg met het
College zorgverzekeringen, onderscheidenlijk het College, toezicht bij
regeling bepalen welke gegevens en inlichtingen regelmatig door de
zorgverzekeraars moeten worden verstrekt.
-2. De regels kunnen mede
omvatten het tijdstip en de wijze waarop de gegevens en inlichtingen
moeten worden verstrekt, alsmede dat een accountant als bedoeld in
artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek de juistheid van de
verstrekte gegevens en inlichtingen bevestigt.
-3. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald welke statistische gegevens de zorgverzekeraars
verzamelen betreffende vormen van zorg en andere diensten.
Art.
91.
-1. Het College zorgverzekeringen
en het College toezicht verstrekken Onze Minister
uit eigen
beweging inlichtingen over ontwikkelingen die ertoe leiden of kunnen
leiden dat ten behoeve van verzekerden niet vrij kan worden gekozen tussen
zorgverzekeraars en de door hen aangeboden varianten van de
zorgverzekering of die een rechtmatige en volledige uitvoering van
zorgverzekeringen jegens de verzekeringnemers of verzekerden in gevaar kunnen
brengen.
-2. Het College
zorgverzekeringen en het College toezicht verstrekken desgevraagd aan Onze
Minister, aan het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet
tarieven gezondheidszorg, of aan het College bouw of het College
sanering, bedoeld in de Wet
toelating zorginstellingen, de voor de
uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen en gegevens.
-3. Het College
zorgverzekeringen en het College toezicht verlenen aan door Onze Minister of door
een bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, aangewezen personen
toegang tot en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Art.
92.
-1. Een zorgverzekeraar maakt
voor de verstrekking of ontvangst van gegevens aan of van
personen, aan te wijzen door het College zorgverzekeringen, gebruik
van een elektronische infrastructuur.
-2. Het College
zorgverzekeringen kan met betrekking tot het eerste lid regels stellen over:
a. de aard en omvang van de
gegevens en de voorschriften waaraan de verstrekking of ontvangst
ten minste moet voldoen;
b. de wijze waarop de
verstrekking of ontvangst van gegevens plaatsvindt, waaronder
begrepen de aansluiting van zorgverzekeraars op de infrastructuur;
c. de wijze waarop het
gebruik van de infrastructuur wordt georganiseerd en beheerd, waaronder
begrepen de inrichting en instandhouding van een gemeenschappelijke
database;
d. de financiering van het
gebruik van de infrastructuur en de wijze waarop de kosten ervan
worden verdeeld.
Art.
93.
-1. Het is een ieder die uit
hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft
vervuld,
verboden van vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge
afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn verstrekt of verkregen
of van De Nederlandsche Bank
NV of de Stichting Autoriteit
Financiële Markten zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan
verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn
taak of bij of krachtens deze wet wordt geëist.
-2. In afwijking van het
eerste lid kunnen het College toezicht en het College zorgverzekeringen
met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
verkregen bij de uitvoering van hun taken op grond van deze wet,
mededelingen doen indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke
personen of ondernemingen.
-3. In afwijking van het
eerste lid en van artikel 182 van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 zijn het College toezicht, het College zorgverzekeringen, De Nederlandsche Bank
NV en de Stichting Autoriteit Financiële
Markten, voor zover dat voor hun taakuitoefening noodzakelijk is, bevoegd aan
elkaar en aan Onze Minister vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
omtrent afzonderlijke verzekeraars te verschaffen.
-4. Het eerste lid laat, ten
aanzien van degene op wie dat lid van toepassing is, onverlet:
a. de toepasselijkheid van
de bepalingen van het Wetboek
van Strafvordering welke
betrekking hebben op het als getuige of deskundige in strafzaken afleggen van
een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van de ingevolge deze wet opgedragen taak;
b. de toepasselijkheid van
de bepalingen van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet
welke betrekking hebben op
het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als
deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens
of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet
opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen
omtrent een verzekeraar die in staat van faillissement is verklaard
of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
c. de bevoegdheden van de
Algemene Rekenkamer ingevolge artikel 91 van de Comptabiliteitswet
2001, voor zover deze niet bij artikel 121 zijn beperkt.
-5. Het vierde lid, onderdeel b, geldt niet voor gegevens of inlichtingen
die betrekking hebben op verzekeraars die betrokken zijn of zijn geweest
bij een poging de
desbetreffende verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten.
-6. De Algemene Rekenkamer is
bij het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 91, elfde
tot en met veertiende lid, van de Comptabiliteitswet
2001, verplicht tot
geheimhouding, voor zover het betreft gegevens en inlichtingen die
haar ingevolge het vierde lid, onderdeel c, bekend zijn geworden.
HOOFDSTUK
9
Handhaving
§ 9.1. Aanwijzingen
aan verzekeraars
Art.
94.
-1. Het College toezicht kan
uit hoofde van zijn toezichthoudende taak een aanwijzing geven aan een zorgverzekeraar, dan wel aan een verzekeraar
die verzekeringen als
zorgverzekering aanbiedt of uitvoert die niet aan het bij of krachtens
deze wet geregelde voldoen.
-2. Het College toezicht
geeft geen aanwijzing omtrent de beoordeling of behandeling van individuele
gevallen.
-3. Bij de aanwijzing stelt
het College toezicht een termijn waarbinnen de verzekeraar aan de
aanwijzing voldoet.
-4. Indien de verzekeraar
niet binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, aan de aanwijzing
voldoet, is het College toezicht bevoegd:
a. bestuursdwang toe te passen; of
b. ter openbare kennis te
brengen, zo nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die
kennisgeving hebben geleid:
1º. dat een verzekeraar
verzekeringen als zorgverzekering aanbiedt of uitvoert die niet aan het
bij of krachtens deze wet geregelde voldoen;
2º. dat een zorgverzekeraar
in strijd handelt met één of meer door het College toezicht genoemde,
bij of krachtens deze wet geregelde bepalingen;
3º. dat aan een verzekeraar
een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd.
-5. Het College toezicht
stelt, indien hij voornemens is een feit ter openbare kennis te brengen,
de betrokken verzekeraar daarvan in kennis onder vermelding van de
gronden waarop het voornemen berust.
-6. In afwijking van artikel
4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is het College toezicht niet
gehouden de betrokken verzekeraar in de gelegenheid te stellen om
zijn zienswijze naar voren te brengen indien van de betrokken verzekeraar
geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning
kan worden verkregen.
-7. De beschikking om een
feit ter openbare kennis te brengen, vermeldt in ieder geval het feit dat
ter openbare kennis wordt gebracht alsmede de wijze waarop en de termijn
waarna dit zal geschieden.
-8. Het ter openbare kennis
brengen geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na
de bekendmaking, bedoeld in het vijfde lid, aan de verzekeraar.
-9. Indien de verzekeraar
verzoekt om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van
de Algemene wet bestuursrecht te treffen, wordt de werking van de
beschikking opgeschort totdat er een uitspraak is van de voorzieningenrechter.
-10. Indien het adequaat
functioneren van de verzekeringsmarkt of de positie van de verzekeraars
op die markt geen uitstel toelaat, kan de toezichthouder, in afwijking
van de voorgaande leden, het feit onverwijld ter openbare kennis brengen.
-11. Indien de verzekeraar na
een publicatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, alsnog voldoet
aan de aanwijzing, doet het College toezicht hiervan op dezelfde wijze
mededeling als bij de voorafgaande publicatie.
§ 9.2. Lasten onder
dwangsom
Art.
95.
-1. Het College toezicht kan
een zorgverzekeraar een last onder dwangsom opleggen ter zake
van overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de
artikelen 3, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5, derde lid,
9, 25, derde lid, 28,
29, eerste en tweede lid, 35, tweede lid,
37, 38, eerste
en vierde lid, 64, tweede lid,
68, tweede lid, 81, tweede lid, 84,
86, 89, eerste, tweede en vijfde lid, 90,
92,
96, vijfde lid, of 114.
-2. Het College toezicht kan
een verzekeraar respectievelijk rechtspersoon een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van
de artikelen 25, eerste en
tweede lid, respectievelijk 30.
-3. Het College toezicht kan
een verzekeraar die verzekeringen als zorgverzekering aanbiedt of
uitvoert die niet aan het bij of krachtens deze wet geregelde voldoen een
last onder dwangsom opleggen.
-4. De artikelen
5:32, tweede
tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de
Algemene wet
bestuursrecht zijn van toepassing, met dien verstande dat een door het
College toezicht ingevorderde dwangsom aan het Zorgverzekeringsfonds
wordt afgedragen.
§ 9.3. Bestuurlijke
boeten
Art.
96.
-1. Indien de zorgverzekering
niet binnen vier maanden na het ontstaan van de verzekeringsplicht is
ingegaan of indien een verzekeringsplichtige niet met ingang van de dag
volgende op de dag waarop een zorgverzekering is
geëindigd op grond van een andere zorgverzekering verzekerd is, legt het
College zorgverzekeringen de verzekerde een bestuurlijke boete op.
-2. In
afwijking van het eerste lid:
a. wordt geen boete opgelegd indien de
verzekerde op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand
waarop de zorgverzekering ingaat jonger dan 18 jaar was;
b. wordt de boete indien artikel 2,
derde lid, van toepassing is, opgelegd aan de curator, de bewindvoerder of
de mentor.
-3. De hoogte van de boete is
gelijk aan 130% van de premie, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, over
een periode gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop de
verzekeringsplicht ontstond en de dag waarop de zorgverzekering inging, dan
wel gelegen tussen de dag waarop de zorgverzekering eindigde en
de dag waarop een nieuwe zorgverzekering inging.
-4. Indien de periode,
bedoeld in het derde lid, langer is dan vijf jaren, wordt zij op vijf jaren
gesteld.
-5. De voorbereiding en de
uitvoering van boetebeschikkingen wordt namens het College
zorgverzekeringen door de zorgverzekeraars verricht.
-6. De zorgverzekeraars
hebben als vergoeding voor hun werkzaamheden, bedoeld in het vijfde lid,
recht op een door het College zorgverzekeringen te bepalen
percentage van de door hen ingevorderde boeten.
-7. De zorgverzekeraars
dragen de ingevorderde boeten onder aftrek van de vergoeding, bedoeld in
het vijfde lid, af aan het Zorgverzekeringsfonds.
Art.
97.
-1. Het College toezicht kan
een bestuurlijke boete opleggen aan een zorgverzekeraar die niet
voldoet aan de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen
3, 25, derde lid, 28 of 29, eerste en tweede lid.
-2. Het College toezicht kan
een bestuurlijke boete opleggen aan een verzekeraar respectievelijk rechtspersoon die niet voldoet respectievelijk
niet heeft voldaan aan de voorschriften gesteld bij de artikelen 25, eerste en tweede lid,
respectievelijk 30.
-3. De boete voor een
afzonderlijke overtreding bedraagt ten hoogste €|500
000,00.
-4. Het College toezicht
draagt ingevorderde boeten af aan het Zorgverzekeringsfonds.
Art.
98.
-1. Het College toezicht kan
een bestuurlijke boete opleggen aan een zorgverzekeraar die dat
college of een door hem aangewezen persoon onjuiste of onvolledige
informatie heeft verschaft met betrekking tot de aantallen bij hem verzekerde
verzekeringsplichtigen of hun verzekerdenkenmerken, noodzakelijk voor de
vaststelling van de bijdragen, bedoeld in de artikelen 32 tot en met
34.
-2. De boete voor een
afzonderlijke overtreding bedraagt ten hoogste €|10 000
000,00.
-3. Het College toezicht
draagt ingevorderde boeten af aan het Zorgverzekeringsfonds.
Art.
99.
-1. Het College toezicht kan
een bestuurlijke boete opleggen aan een zorgverzekeraar die niet
voldoet aan de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen
4,
tweede tot en met vijfde lid, 5, derde lid, 9,
35, tweede lid, 37, 38, eerste en vierde lid,
64, tweede lid, 68, tweede lid, 81,
tweede lid, 84, 86, 90,
92 of 114.
-2. De boete voor een
afzonderlijke overtreding bedraagt ten hoogste €|100
000,00.
-3. Het College toezicht
draagt ingevorderde boeten af aan het Zorgverzekeringsfonds.
Art.
100.
-1. Het College toezicht kan
een bestuurlijke boete opleggen aan degene die niet voldoet aan een hem ingevolge
artikel 88 of 89 opgelegde
verplichting.
-2. De boete voor een
afzonderlijke overtreding bedraagt ten hoogste €|2250,00.
-3. Het College toezicht
draagt ingevorderde boeten af aan het Zorgverzekeringsfonds.
Art.
101.
-1. In de artikelen 102 tot
en met 112 wordt verstaan onder:
a. overtreding: een
gedraging of het nalaten van een gedraging die of dat kan leiden tot de
oplegging van een bestuurlijke boete als bedoeld in de artikelen
69, 96, 97, 98, 99
of 100;
b. overtreder: degene aan
wie het College zorgverzekeringen dan wel het College toezicht wegens
een overtreding een bestuurlijke boete overweegt op te leggen of
oplegt.
-2. Artikel 51 van het Wetboek
van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Art.
102.
-1. Degene die wordt verhoord
met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete is niet
verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te
leggen.
-2. De betrokkene wordt
hierop gewezen alvorens hem mondeling wordt gevraagd verklaringen af te
leggen, en in ieder geval wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld
over het voornemen tot oplegging van de bestuurlijke boete zijn
zienswijze naar voren te brengen.
Art.
103.
-1. Het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht maakt van de overtreding een
rapport op.
-2. Het rapport is
gedagtekend en vermeldt:
a. de naam van de
overtreder;
b. de overtreding alsmede
het overtreden voorschrift;
c. zo nodig een aanduiding
van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is
geconstateerd.
-3. Indien van de overtreding
een proces-verbaal als bedoeld in artikel 152 van het Wetboek
van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit in de
plaats van het rapport.
Art.
104.
-1. Het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht stelt de overtreder desgevraagd in de
gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke
boete, dan wel het voornemen daartoe, berust in te zien en
daarvan afschriften te vervaardigen.
-2. Voor zover blijkt dat de
verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt het College
zorgverzekeringen dan wel het College toezicht er zoveel mogelijk
zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een
voor deze begrijpelijke taal.
Art.
105.
-1. In afwijking van artikel
4.1.2 ¹ van de Algemene wet bestuursrecht wordt de overtreder steeds
in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het voornemen tot het
opleggen van een bestuurlijke boete naar voren te brengen.
-2. Bij de uitnodiging tot
het naar voren brengen van zijn zienswijze wordt het rapport, bedoeld
in artikel 103, aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
-3. Het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht zorgt voor bijstand door een tolk
indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit
redelijkerwijs vergt.
-4. Indien het College
zorgverzekeringen dan wel het College toezicht nadat de overtreder zijn
zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
a. voor de overtreding geen
bestuurlijke boete zal worden opgelegd; of
b. de overtreding aan de
officier van justitie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan
de overtreder medegedeeld.
1. Mogelijk wordt hier afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
bedoeld, red.
Art.
106.
-1. Het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht legt geen bestuurlijke boete op:
a. voor zover de overtreding
niet aan de overtreder kan worden verweten;
b. voor zover voor de
overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond;
c. indien aan de overtreder
wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is
opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel
105, vierde lid,
aanhef en onder a, is bekendgemaakt;
d. indien tegen de
overtreder wegens dezelfde gedraging:
1º. een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen; of
2º. het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 of 74c van het Wetboek
van Strafrecht, ingevolge artikel 37 van de Wet
op de economische delicten, dan
wel ingevolge artikel 76 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
-2. Indien de gedraging
tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie
voorgelegd, tenzij met het openbaar ministerie is overeengekomen dat daarvan
kan worden afgezien.
-3. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald in welke gevallen van een voorlegging als bedoeld
in het tweede lid wordt afgezien.
-4. Voor een gedraging die
aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt het College
toezicht slechts een bestuurlijke boete op, indien:
a. de officier van justitie
aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld van strafvervolging tegen de
overtreder af te zien; of
b. het College toezicht niet
binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft
ontvangen.
Art.
107.
-1. Het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht legt geen bestuurlijke boete op indien
de overtreder is overleden.
-2. Een bestuurlijke boete
vervalt indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder
niet onherroepelijk is.
-3. Een onherroepelijke
bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op het in het tweede lid bedoelde
tijdstip nog niet is betaald.
Art.
108.
-1. Indien de overtreder
aannemelijk maakt dat een bestuurlijke boete berekend op grond van artikel
69 of artikel 96, derde en vierde lid, wegens bijzondere omstandigheden te hoog is,
legt het College zorgverzekeringen een lagere bestuurlijke boete op.
-2. Een bestuurlijke boete op
grond van de artikelen 97, 98, 99 of
100 wordt afgestemd op de ernst
van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
verweten, waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met de
omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
-3. Artikel 1, tweede lid,
van het Wetboek van
Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Art.
109.
Mandaat tot het opleggen van
een bestuurlijke boete wordt niet verleend aan degene die van
de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt.
Art.
110.
-1. Het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht beslist omtrent het opleggen van de
bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het
rapport.
-2. De beslistermijn wordt
opgeschort met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd, tot de dag waarop
het College
zorgverzekeringen dan wel het College toezicht weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete
op te leggen.
Art.
111.
De beschikking tot oplegging
van een bestuurlijke boete vermeldt:
a. de naam van de
overtreder;
b. de overtreding alsmede
het overtreden voorschrift;
c. zo nodig een aanduiding
van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is
geconstateerd;
d. het bedrag van de boete;
e. de termijn waarbinnen de
boete betaald moet worden.
Art.
112.
-1. De bevoegdheid tot het
opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren nadat de
overtreding heeft plaatsgevonden.
-2. Indien tegen de
bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de
vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is
beslist.
Art.
113.
-1. Een boete wordt betaald
binnen zes weken na inwerkingtreding van de beschikking waarbij de
boete is opgelegd.
-2. De boete wordt
vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert
de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken.
-3. Indien niet is betaald
binnen de in het eerste lid genoemde termijn, wordt degene aan wie de
boete is opgelegd schriftelijk bevolen binnen twee weken het bedrag van de
boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te
betalen.
-4. Bij gebreke van betaling
binnen de in het derde lid genoemde termijn kan het College zorgverzekeringen
dan wel het College toezicht de verschuldigde boete,
verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij
dwangbevel invorderen.
-5. Het dwangbevel wordt op
kosten van degene die de boete verschuldigd is bij
deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-6. Gedurende zes weken na de
dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het College
zorgverzekeringen dan wel
het College toezicht.
-7. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort
geding desgevraagd anders beslist.
-8. Het verzet kan niet
worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of voor een te hoog
bedrag is vastgesteld.
-9. De bevoegdheid tot
invordering vervalt twee jaar nadat de beschikking inzake oplegging
van de boete onherroepelijk is geworden.
HOOFDSTUK
10
Rechtsbescherming
Art.
114.
-1. De zorgverzekeraar zorgt
ervoor dat zijn verzekeringnemers en verzekerden geschillen over
de uitvoering van de zorgverzekering kunnen voorleggen aan een
onafhankelijke instantie.
-2.
De onafhankelijke instantie neemt een geschil slechts in behandeling
nadat de verzekeringnemer of de verzekerde de zorgverzekeraar heeft
verzocht zijn beslissing te heroverwegen en deze niet binnen redelijke
termijn of niet naar tevredenheid van de verzekeringnemer of verzekerde
heeft gereageerd.
-3. De onafhankelijke instantie vraagt advies aan het College zorgverzekeringen
indien het geschil betrekking
heeft op de zorg of de overige diensten, bedoeld in artikel
11, dan wel de vergoeding van die zorg of diensten.
-4. Het College
zorgverzekeringen zendt zijn advies binnen vier weken na
ontvangst van de adviesaanvraag aan de onafhankelijke instantie.
Art.
115.
In afwijking van artikel 8:7, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen
beschikkingen van het College toezicht als bedoeld in de artikelen
94, 95, 97, 98, 99 of, indien de beschikking tot een verzekeraar is
gericht, 100, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Art.
116.
-1. In afwijking van artikel
8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
kan een
belanghebbende tegen ingevolge deze wet genomen besluiten, niet
zijnde besluiten als bedoeld in artikel 8:2 van de
Algemene wet bestuursrecht,
van Onze Minister, van het College zorgverzekeringen
of van het
College toezicht beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State.
-2. Het eerste lid geldt
niet:
a. voor een beschikking tot
oplegging van een boete als bedoeld in artikel 96;
b. voor een beschikking
inhoudende een aanwijzing als bedoeld in artikel 94, een beschikking
tot oplegging van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel
95 of
een beschikking tot oplegging van een boete als bedoeld in artikel
97, 98, 99 of 100;
c. voor een beschikking
genomen jegens een persoon die behoort tot het personeel van de
genoemde colleges.
Art.
117.
-1. Indien beroep is
ingesteld tegen een bestuurlijke boete, is, in afwijking van de artikelen
8:27 en 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht, de partij aan wie de
bestuurlijke boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding
verklaringen af te leggen.
-2. Vóór de rechtbank deze
partij ondervraagt, deelt zij haar mede dat zij niet verplicht is tot
antwoorden.
-3. Indien de rechtbank een
beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete
vernietigt, neemt zij een beslissing omtrent het opleggen van de boete en
bepaalt zij dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de
vernietigde beschikking.
HOOFDSTUK
11
Overige
bepalingen
Art.
118.
-1. Een verzekerde die voor
rekening van zijn zorgverzekering bij ministeriële regeling aan
te wijzen zorg of andere diensten als bedoeld in artikel 11 wenst te
genieten, verstrekt aan de persoon of instelling die die zorg of dienst verleent ter
inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
de Wet op de
identificatieplicht of een ander bij ministeriële regeling aan
te wijzen document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld.
-2. Indien het
identiteitsbewijs niet onmiddellijk ter inzage kan worden verstrekt, kan de persoon of
instelling toestaan dat uiterlijk binnen een termijn van veertien dagen
aan deze verplichting wordt voldaan.
-3. De persoon of instelling
stelt aan de hand van het ter inzage verstrekte document de
identiteit vast van degene aan wie de in het eerste lid bedoelde zorg of dienst
wordt verleend en neemt het in dat document opgenomen sociaal-fiscaal
nummer van de verzekerde in zijn administratie op.
-4. De persoon of instelling
vermeldt het sociaal-fiscaal nummer van de verzekerde op de declaratie
van de door hem aan die verzekerde verleende zorg of andere diensten.
Art.
119.
-1. Een overeenkomst met
betrekking tot de verzekering van geneeskundige zorg of de kosten
daarvan,
gesloten voor een verzekerde met of ten behoeve van wie tevens
een zorgverzekering is gesloten, vervalt met ingang van de dag waarop de
bij en krachtens artikel 11 te verzekeren prestaties worden
uitgebreid, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden
ontleend
gelijkwaardig aan die welke vanaf dat moment uit de zorgverzekering
voortvloeien.
-2. De premie die voor de op
grond van het eerste lid geheel of gedeeltelijk vervallen
overeenkomst is vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naargelang
van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek
van ten hoogste 25% van het terug te betalen bedrag.
Art. 120.
Een beding van een verzekeraar die een ziektekostenverzekering ter
aanvulling van de zorgverzekering aanbiedt inhoudende dat de
ziektekostenverzekering eindigt of door de verzekeraar
mag worden opgezegd indien met of ten behoeve van de
verzekerde een zorgverzekering met een andere zorgverzekeraar wordt
gesloten, is nietig.
Art.
121.
De bevoegdheden die artikel
91 van de Comptabiliteitswet
2001 de Algemene Rekenkamer
verschaft ten aanzien van rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, van dat artikel gelden niet ten aanzien van de wijze waarop
zorgverzekeraars de opbrengst van bij of krachtens deze wet
ingestelde heffingen aanwenden.
Art.
122.
Een zorgverzekeraar wordt,
voor zover deze niet kan worden aangemerkt als onderneming in de zin
van artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap, voor de toepassing van de Mededingingswet
aangemerkt
als onderneming in de zin van artikel 1 van die
wet.
Art.
123.
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke
voorzieningen worden getroffen voor het geval het College zorgverzekeringen
of
het College toezicht zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar
behoren nakomt.
HOOFDSTUK
12
Slotbepalingen
Art. 124.
De voordracht voor een krachtens
de artikelen 11, derde of vierde lid, 22, vijfde
lid, en 32, tweede lid, vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
125.
Onze Minister zendt binnen
vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Art.
126.
Voor de uitvoering van deze
wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden
gesteld.
Art.
127.
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Ingevolge artikel
2 van het Besluit van 9 december 2005, Stb.
2005, 649, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
2006, met uitzondering van de artikelen
14, derde en
vierde lid, en 14a, die met ingang van
1 januari 2007 in werking treden, en artikel
118, derde lid,
voor zover het betreft de verplichting het sociaal-fiscaal nummer van de
verzekerde in de administratie op te nemen, en artikel
118, vierde lid, die in werking treden na de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel "Wet gebruik burgerservicenummer in de
zorg", red.
Art.
128.
Deze wet wordt aangehaald
als: Zorgverzekeringswet.
[Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
16 juni 2005
BEATRIX
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de veertiende
juli 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner,
red.]
|
|