|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 738
Wijziging
van de Werkloosheidswet en enige andere wetten
in verband met afschaffing van de kortdurende uitkering en aanscherping
van de wekeneis ¹
1. Tijdens de parlementaire
behandeling is de afschaffing van de kortdurende uitkering geschrapt, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding
en doelstelling |
| 2 |
Uitwerking
van de aanscherping van de toetredingsvoorwaarden |
| 2.1 |
Huidige
situatie |
| 2.2 |
Voorgestelde
wijziging |
| 2.3 |
Besluit
verlaagde wekeneis |
| 3 |
Gevolgen
aanscherping toetredingsvoorwaarden |
| 4 |
Overgangsrecht |
| 5 |
Adviezen |
| 5.1 |
SER |
| 5.2 |
Actal,
IWI en UWV |
| 6 |
Financiële
gevolgen |
| 6.1 |
Afschaffen
kortdurende uitkering |
| 6.2 |
Aanscherpen
van de wekeneis |
| 6.3 |
Afschaffen
verlaagde wekeneis |
| 6.4 |
Weglek
FWI & uitvoeringskosten |
| 6.5 |
Gevolgen
voor de administratieve lasten |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv| |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
1.
Aanleiding en doelstelling
Als gevolg van de
huidige toename van de werkloosheid stijgt ook het beroep op de
Werkloosheidswet (WW) vanaf 2002. Zonder nader beleid leidt deze
ontwikkeling tot ruim 300 000 WW-uitkeringsjaren in 2007, wat een
verdubbeling betekent sinds 2002. De regering is zeer verontrust over
deze ontwikkeling. Alle inspanningen zijn dan ook gericht op herstel van
de werkgelegenheid en beperking van de werkloosheid. Om dit te bereiken,
is loonkostenmatiging van groot belang. Daarnaast treft de regering
maatregelen om de stijging van de collectieve lasten te beperken.
Beperking van de collectieve lasten verbetert immers de structuur van de
Nederlandse economie en verbetert daarmee voor iedereen het perspectief
op werk.
De
regering brengt daarom wijzigingen aan in de WW.
De vervolguitkering in de WW is afgeschaft.¹ Met die maatregel is de
maximale duur van de WW-uitkering bekort, waardoor de activerende
werking van de WW wordt versterkt. De versterking van de economische
structuur vergt echter ook maatregelen die de instroom in de WW
beperken. In dit voorstel zijn twee
maatregelen opgenomen die beide leiden tot een aanscherping van de
toetredingsvoorwaarden voor de WW. Deze maatregelen, de afschaffing van
de kortdurende uitkering en de aanscherping van de wekeneis, zorgen voor
een beperking van het WW-volume van 23 000 uitkeringsjaren in 2005 tot
ruim 40 000 uitkeringsjaren structureel.
1. Wet van 19 december
2003, Stb. 2003, 546.
De
aanscherping van de toetredingsvoorwaarden voor de WW
leidt niet alleen tot lagere WW-lasten, zij is ook bedoeld om het recht
op een werkloosheidsuitkering voor te behouden aan personen die al
geruime tijd een band met de arbeidsmarkt hebben. De WW verzekert tegen
het risico van loonderving wegens werkloosheid. Van personen die in
aanmerking willen komen voor een WW-uitkering mag een duidelijke band
met het arbeidsproces - waarin het loon immers wordt verdiend - worden
verwacht. De regering is van mening dat bij de huidige
toetredingsvoorwaarden een relatief zwakke band met het arbeidsproces
volstaat om in aanmerking te komen voor het recht op WW-uitkering.
rblz.|2|
Het afschaffen van de kortdurende uitkering past verder in het streven
naar deregulering en naar vereenvoudiging van de uitvoering van de WW.
De introductie van de kortdurende uitkering in 1995 ¹ vergde een
aanzienlijk aantal bijzondere bepalingen in de WW en maakte de
uitvoering van de WW meer complex. Bij zijn brief van 12 december 2002
stelde het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ook voor om in het
kader van deregulering de kortdurende uitkering af te schaffen.
Afschaffing van de kortdurende uitkering leidt tot een vereenvoudigde
uitvoering van de WW en daarmee tot structureel lagere
uitvoeringskosten.
1. Bij Wet van 22 december
1994, Stb. 1994, 955.
2.
Uitwerking van de aanscherping van de toetredingsvoorwaarden
2.1.
Huidige situatie
Om in aanmerking te
komen voor een recht op WW-uitkering dient de
werknemer onder meer te voldoen aan de voorwaarde dat in de periode van
39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag (de
referteperiode) in ten minste 26 weken arbeid is verricht (de wekeneis).
Om in aanmerking te komen voor een loongerelateerde uitkering dient de
werknemer daarnaast aan te tonen dat hij aan de arbeidsverledeneis
voldoet. De arbeidsverledeneis houdt in dat de werknemer in vier van de
vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin de
eerste werkloosheidsdag is gelegen over 52 of meer dagen per jaar loon
heeft ontvangen. Werknemers die op of onmiddellijk voorafgaand aan de
eerste werkloosheidsdag recht hadden op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering voldoen om die reden aan de
arbeidsverledeneis.
Indien een werknemer alleen voldoet aan de
wekeneis, maar niet aan de arbeidsverledeneis, heeft hij recht op een
kortdurende uitkering met een duur van zes maanden. De kortdurende
uitkering bedraagt per dag 70% van het wettelijk minimumloon,
tenzij het dagloon lager is dan het wettelijk minimumloon. De uitkering
bedraagt dan 70% van dit dagloon.
Indien de werknemer zowel voldoet aan de
wekeneis als de arbeidsverledeneis, heeft hij recht op een
loongerelateerde uitkering ter hoogte van 70% van het (maximum)dagloon.
De duur van de loongerelateerde uitkering is afhankelijk van het
arbeidsverleden van de werknemer. Het arbeidsverleden wordt thans
vastgesteld door samentelling van het aantal kalenderjaren waarin over
52 of meer dagen loon is ontvangen in de vijf kalenderjaren voorafgaande
aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen (feitelijk
arbeidsverleden) en het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van
het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot aan
genoemde vijfjaarsperiode (fictief arbeidsverleden). In het wetsvoorstel
tot wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de vervanging
van fictief arbeidsverleden door feitelijk arbeidsverleden en de
beperking van het verzorgingsforfait [zie Wet van 4 november 2004,
Stb. 2004, 594, red.] wordt voorgesteld het feitelijk
arbeidsverleden te berekenen vanaf 1998.¹ De duur van de
loongerelateerde uitkering varieert van zes maanden (bij een
arbeidsverleden van vier jaar of minder) tot vijf jaar (bij een
arbeidsverleden van 40 jaar of meer).
1. Kamerstukken II 2003-2004, 29
249.
Zoals aangegeven, houdt de huidige wekeneis in dat de werknemer in 39
weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag in 26 weken moet hebben
gewerkt. Daarbij wordt een week als gewerkte week aangemerkt als ten
minste op één dag in die week arbeid is verricht. Er is geen minimum
gesteld aan het aantal uren waarin op een dag arbeid moet zijn verricht.
Aan de arbeidsverledeneis wordt voldaan indien de werknemer aantoont in
vier van de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de
werkloosheid is ingetreden over 52 of meer dagen loon te hebben
ontvangen. Aan het aantal te werken uren op die 52 dagen is geen rblz.|3|
minimum gesteld, zodat in het extreme geval al aan de arbeidsverledeneis
wordt voldaan indien per kalenderjaar op 52 dagen één uur is gewerkt.
Ook wordt aan de verdeling van de loondagen over het kalenderjaar geen
nadere voorwaarden gesteld. Indien men in één jaar gedurende elf
aangesloten weken vijf dagen werkt en daarna met werken stopt, telt het
jaar net zo mee als wanneer gedurende het gehele jaar één dag per week
wordt gewerkt. Daarbij komt dat bepaalde dagen waarover geen loon is
ontvangen, worden gelijkgesteld met loondagen. Hierbij gaat het onder
andere om dagen waarover een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ontvangen, dagen met uitkering op grond van de Ziektewet
en dagen waarop onbetaald verlof werd genoten. Verder is een regeling
getroffen om te voorkomen dat mensen die hun deelname aan het
arbeidsproces onderbreken voor de verzorging van kinderen benadeeld
worden. Op grond van het verzorgingsforfait tellen jaren waarin een jong
kind is verzorgd mee voor het feitelijk arbeidsverleden.
2.2.
Voorgestelde wijziging
De regering is van
mening dat van werknemers die voor een, soms langdurig, recht op WW-uitkering
in aanmerking willen komen een sterke band met het arbeidsproces mag
worden verwacht. Naar de mening van de regering komt dit in de huidige
toetredingsvoorwaarden onvoldoende naar voren.
Door
het aanscherpen van de wekeneis en door de wekeneis en arbeidsverledeneis
te combineren als toetredingsvoorwaarde voor het recht op
WW-uitkering wordt dit wel gerealiseerd.
Voorgesteld wordt de wekeneis aan te scherpen naar 39 uit 52, dat betekent
dat de werknemer in de 52 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag
in 39 weken moet hebben gewerkt. De keuze om zowel het aantal te werken
weken als de referteperiode te verhogen is ingegeven door enerzijds de
overweging dat de aanscherping een relevante invloed dient te hebben op de
instroom in de WW, terwijl anderzijds ruimte dient te blijven voor
werknemers met een onregelmatig arbeidspatroon. De voorgestelde wijziging
zal een instroombeperkend effect hebben. Daarnaast zal er naar verwachting
ook sprake zijn van enige participatiebevorderende werking, omdat
werknemers zullen proberen langer dan wel regelmatiger te werken om aan
het hogere aantal van 39 weken te komen.
Het
combineren van de wekeneis en de arbeidsverledeneis als
toetredingsvoorwaarde voor het recht op
WW-uitkering betekent dat de kortdurende uitkering
wordt afgeschaft. De kortdurende uitkering is ingevoerd zodat werknemers
die aan de wekeneis voldoen, maar onvoldoende arbeidsverleden hebben om in
aanmerking te komen voor een loongerelateerde uitkering gedurende een
overgangsperiode niet geconfronteerd worden met de vermogens- en/of
partnerinkomenstoets van de bijstand of de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).¹
Bij de afweging van de vraag op welke wijze de
instroom in de WW beperkt kan worden, is de regering van mening dat er
aanleiding is om meer dan voorheen belang te hechten aan de duur van het
arbeidsverleden en zodoende de toegang tot de WW te beperken tot personen
die zowel aan de wekeneis als aan de arbeidsverledeneis voldoen.
1. Kamerstukken II 1994-1995,
23 985, nr. 3.
rblz.|4|
2.3.
Besluit verlaagde wekeneis
2.3.1. Huidige situatie
Voor
een met name genoemde groep van sectoren en beroepsgroepen kent de WW
een verlaagde wekeneis. Dit is geregeld in het
Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet.¹
In het besluit wordt het aantal weken waarin in de referteperiode van 39
weken gewerkt moet zijn om aan de wekeneis te voldoen, voor bepaalde
groepen op 20, 16 of 13, dus op minder dan 26 weken, gesteld.
1. Besluit van 10 december
1987, houdende vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 17, vierde lid, en 42, negende lid,
van de Werkloosheidswet.
In
het besluit staat aangegeven bij welke
beroepsgroepen sprake is van een verlaagde wekeneis. Het gaat hierbij om
werknemers die in de referteperiode van 39 weken grotendeels arbeid in
dienstbetrekking hebben verricht welke naar zijn aard slechts beschikbaar
is gedurende één of meer jaarlijks terugkerende perioden in één (of
meer) van de in het Besluit genoemde bedrijfstakken.¹ Daarnaast geldt een
verlaagde wekeneis van 16 uit 39 weken voor uitvoerende kunstenaars
(musici en artiesten) en hun technisch begeleiders, voor zover zij in een
onregelmatig patroon werkzaam zijn.
1. Voor de beetwortelindustrie
geldt een verlaagde wekeneis van 13 uit 39 weken. Voor de agrarische
sector algemeen, de aardappelindustrie, het transport van aardappels en
suikerbieten, de groente- en fruitverwerkende industrie, de
visconservenindustrie en de werkzaamheden als kermismusicus geldt een
verlaagde wekeneis van 16 uit 39 weken. De verlaagde wekeneis van 20 uit
39 weken geldt onder andere voor de horeca, pension- en aanverwante
bedrijven, bakkerijen verbonden met horeca, werkzaamheden als
aardappelkarteerder en -controleur, de reis- en recreatiesector, de
rondvaart- en toerwagensector, de opslag en vervoer voor de agrarische
groothandel, werkzaamheden als sorteerder/inpakker in tuinbouw en
bloembollenhandel, seizoenwerk in een winkelbedrijf, werkzaamheden in een
veen- of bontbedrijf, het spoelen en pakken van witlof en de
luchtvaartbedrijven.
Het
Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet
is tot stand gekomen in 1987 en is inhoudelijk in grote trekken gelijk aan
de regelingen die waren opgenomen in de WW (oud) ¹ en de
Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV).² Het besluit is destijds getroffen
om te bewerkstelligen dat werknemers behorend tot de betrokken groepen een
even grote instroom in de WW
hebben als andere werknemers. De achterliggende gedachte daarbij was dat
deze werknemers aangewezen waren op dit werk. Het besluit is tot stand
gekomen tegen de achtergrond van de tijd waarin minder flexibele arbeid
beschikbaar was en de arbeidsmobiliteit geringer. Het besluit begunstigt
werkgevers in bepaalde sectoren in die zin dat zij op goedkope wijze hun
personeel buiten het seizoen kunnen vasthouden.
1. Wet van 9 september 1949, Stb.
J 423.
2. Wet van 10 december 1964, Stb. 1964, 485.
Het
UWV heeft recent onderzoek verricht naar de
besluitgroepen in het
Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet.¹
Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de toepassing van de
verlaagde wekeneis sterk verschilt per sector en besluitgroep. In het
algemeen kan gezegd worden dat ongeveer 15% van de werknemers die onder de
besluitgroepen vallen (1700 werknemers per jaar) op basis van het Besluit
verlaagde wekeneis Werkloosheidswet recht krijgen op een WW-uitkering. Dit
betekent dus dat deze 1700 werknemers wel voldoen aan de verlaagde
wekeneis, maar minder dan 26 weken per jaar werken. Met de aanscherping
van de wekeneis zal dit percentage overigens wat hoger zijn.
1. Beetwortelwerkers en
bollensorteerders, UWV, oktober 2002.
2.3.2. Voorgestelde
wijziging
De
aanscherping van de wekeneis van 26 uit 39 weken naar 39 uit 52 weken is
aanleiding om ook de verlaagde wekeneis te heroverwegen. De regering is
van mening dat deze specifieke regeling voor seizoenwerknemers kan worden
afgeschaft.
In het huidige tijdsgewricht met een meer dan
voorheen geflexibiliseerde arbeidsmarkt en een veel grotere (arbeids)mobiliteit
zijn werknemers niet (langer) aangewezen op een bepaald soort
seizoensarbeid. Naar de mening van de regering kan van de betrokken
groepen werknemers thans gevraagd worden na of naast de arbeid die in
het besluit wordt genoemd ook andere
arbeid te verrichten. De tijd dat iemand volstrekt was aangewezen op
bijvoorbeeld de beetwortelindustrie (waarvoor thans een eis van dertien
gewerkte weken geldt) is in de huidige mobiele samenleving voorbij.
De bevoordeling van bepaalde seizoenwerknemers
met een onregelmatig rblz.|5|
of onderbroken arbeidspatroon ten opzichte van andere werknemers zoals
bijvoorbeeld uitzend- en oproepkrachten, die ook in onregelmatige
arbeidspatronen werkzaamheden verrichten, is niet te rechtvaardigen.
Naast
de verlaagde wekeneisen voor seizoenwerknemers kent het besluit
ook een verlaagde wekeneis voor onregelmatig werkende artiesten en musici.
De argumenten die in het voorgaande genoemd zijn voor afschaffing van de
verlaagde wekeneis voor seizoenwerknemers gelden niet of in mindere mate
voor artiesten en musici. Arbeidsrelaties in deze sector zijn vaak
kortdurend en onregelmatig en hebben veelal als kenmerk dat de
werkzaamheden onlosmakelijk verbonden zijn met de persoon die deze
werkzaamheden verricht. De financiering van projecten vanuit
cultuurfondsen is voor het grootste deel gericht op kortdurende projecten.
Een deel van de artiesten is dan ook aangewezen op losse, kortdurende
contracten. Uit het UWV-onderzoek naar de
verlaagde wekeneis blijkt ook dat het beroep op de verlaagde wekeneis door
musici en artiesten, in tegenstelling tot dat van seizoenwerknemers, is
toegenomen. Afschaffing van de verlaagde wekeneis voor musici en artiesten
acht de regering vooralsnog dan ook niet in de rede liggen. Nu de
reguliere wekeneis wordt aangescherpt, is de regering wel van mening dat
de verlaagde wekeneis voor deze groep evenredig aangescherpt moet worden.
De regering denkt daarbij aan verhoging van de verlaagde wekeneis van 16
uit 39 weken tot 26 uit 39 weken, de huidige wekeneis.
3.
Gevolgen aanscherping toetredingsvoorwaarden
Doordat de wekeneis
en de arbeidsverledeneis samen toetredingsvoorwaarde worden voor het recht
op WW-uitkering zal de werknemer die wel aan de
aangescherpte wekeneis maar niet aan de arbeidsverledeneis voldoet niet
meer in aanmerking komen voor een WW-uitkering. Dit voorstel
heeft met name gevolgen voor personen met een relatief kort
arbeidsverleden zoals jongeren en starters. Uit cijfers over 2002 blijkt
dat 20% van de instroom in de WW een kortdurende uitkering kreeg. Deze
groep bestaat voornamelijk uit jongeren; zo blijkt dat 54% van de
kortdurende uitkeringen is toegekend aan personen jonger dan 30 jaar en
75% aan personen jonger dan 40 jaar.¹ Deze werknemers kunnen in
aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wwb.
1. UWV, Onderzoek
afschaffing kortdurende WW-uitkering en
aanscherping wekeneis, 2003.
Het
aanscherpen van de wekeneis zal met name gevolgen hebben voor personen met
een kortlopend tijdelijk contract (van minder dan 39 weken) en voor
personen van wie het recente arbeidspatroon onregelmatig is. Gemiddeld is
er sprake van een instroombeperking van 9%. Voor bepaalde sectoren van het
bedrijfsleven of werknemers in bepaalde arbeidsverhoudingen kan de
instroombeperking hoger of lager uitvallen. Zo zal de instroombeperking in
sectoren die veel werken met tijdelijke krachten (zoals de uitzendsector)
of sectoren waarbij het werk niet gelijk over het jaar verspreid is (zoals
bijvoorbeeld de agrarische sector of de horeca) hoger uitvallen.
Op
grond van de huidige regeling in de Ioaw komt
onder andere in aanmerking voor Ioaw-uitkering de werknemer die na het
bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden en nadien de
volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde WW-uitkering
heeft doorlopen. Ook komt in aanmerking voor Ioaw-uitkering de werknemer
die na het bereiken van de leeftijd van 57,5 jaar werkloos is geworden en
nadien de volledige uitkeringsduur van de kortdurende uitkering heeft
doorlopen. Met het afschaffen van de kortdurende uitkering wordt ook deze
laatste bepaling geschrapt, waardoor laatstgenoemde groep geen beroep op
de Ioaw kan doen. Dit heeft met name gevolgen voor oudere werknemers die
zeer langdurig werkloos zijn geweest of zeer recent zijn ingetreden.
rblz.|6|
Immers indien een werknemer na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar
werkloos is geworden en een loongerelateerde WW-uitkering
heeft ontvangen, heeft hij na afloop recht op Ioaw-uitkering.
Indien deze werknemer het werk hervat en vervolgens bij werkloosheid wel
aan de referte-eis voldoet, maar niet aan de arbeidsverledeneis, dan
ontstaat dan wel herleeft de Ioaw-uitkering.
4.
Overgangsrecht
De aanscherping van
de toetredingsvoorwaarden zal alleen van toepassing zijn op personen van
wie de eerste werkloosheidsdag gelegen is op of na de datum van
inwerkingtreding van dit voorstel. Bestaande
uitkeringsrechten worden niet aangetast.
Bij het overgangsrecht is rekening gehouden met
het Toetsingskader overgangsrecht.¹
1. Kamerstukken I 25 900, EK 87,
nr. 87b [lees: Kamerstukken I 1987-1988, 25 900, nr. 87b, red.].
5.
Adviezen
Het voorstel
is voor advies voorgelegd aan de Sociaal-Economische
Raad (SER). Daarnaast is het voorstel voor commentaar voorgelegd aan
het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal), de Inspectie Werk en Inkomen
(IWI) en het
UWV.¹
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
5.1.
SER
Op 20 februari 2004
heeft de SER het eerste advies met
betrekking tot de aanpassing van de toetredingsvoorwaarden van de
WW vastgesteld.¹ In dit advies heeft de SER de
voorstellen in analytische zin behandeld, maar heeft geen beoordeling
gegeven. De SER achtte het wenselijk de finale beoordeling van de
voorstellen plaats te laten vinden in het bredere kader van zijn advies
over de toekomstbestendigheid van de WW, welk advies het kabinet in juni
2004 verwachtte.
Op 18 juni 2004 heeft de SER het advies over de
aanpassing van de toetredingsvoorwaarden vastgesteld. Het advies van de
SER over de toekomstbestendigheid van de WW is echter voor onbepaalde tijd
uitgesteld. De SER geeft aan dat uiteindelijke weging van de effecten en
aspecten van de voornemens leidt tot verschillende beleidsconclusies.
Binnen de SER leven uiteenlopende opvattingen over de wenselijkheid van de
kabinetsvoornemens.
1. SER,
advies Aanpassing toetredingsvoorwaarden WW, publicatienummer 1, 20
februari 2004.
Een
deel van de
SER steunt de kabinetsvoornemens.
Dit deel van de SER meent dat de voorstellen
leiden tot een meer activerend stelsel van sociale zekerheid, tot een
versterking van de band tussen het recht op WW
en het arbeidsproces. Daarnaast vindt dit deel het van belang dat deze
maatregelen ook leiden tot een verschuiving van collectieve naar meer
individuele verantwoordelijkheid; de betrokkenen moeten zelf in grotere
mate mede ervoor zorgen dat perioden van arbeidsinkomen elkaar zoveel
mogelijk opvolgen dan wel dat zij zelf sparen voor zekere perioden van
werkloosheid. Over het Besluit verlaagde wekeneis
Werkloosheidswet oordeelt dit deel van de SER dat de achterliggende
gedachte niet meer spoort met de maatschappelijke inzichten en de huidige
inrichting van de arbeidsmarkt. Ten slotte wijst dit deel erop dat de
maatregelen tot een substantiële structurele nettobesparing leiden bij,
als gevolg van de toenemende werkloosheid, sterk oplopende
WW-uitkeringslasten.
Een
ander deel van de
SER wijst de kabinetsvoornemens af.
Dit deel vindt de voornemens van het kabinet
eenzijdig. Ze zijn alleen gericht op een afname van de WW-instroom
door het beperken van de toegang tot de WW. De voorstellen zullen vooral
jongeren, starters, herintreders en werknemers met kortlopende tijdelijke
contracten treffen.
rblz.|7|
Volgens dit deel zullen de maatregelen niet leiden tot een meer
activerende werking, maar eerder tot een verstarring van de arbeidsmarkt
door minder belangstelling voor flexibele arbeidsrelaties. De afschaffing
van de kortdurende uitkering leidt er tevens toe dat pas na een lange
wachttijd (van vier kalenderjaren) aanspraak op
WW gemaakt kan worden. Dit staat op gespannen
voet met de verzekeringsgedachte. Verder gaat Nederland met deze
wachtperiode uit de pas lopen met andere EU-landen. De aanscherping van de
wekeneis bemoeilijkt ook de toegang tot de loongerelateerde uitkeringen
voor mensen met een flexibele arbeidsrelatie. Dit deel meent dat het
Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet
een instrument is waarmee adequaat en flexibel kan worden ingespeeld op de
specifieke arbeidsomstandigheden in bepaalde sectoren. Afschaffing wordt
dan ook afgewezen. De voornemens tot premiedifferentiatie worden wel
gesteund. Ten slotte meent dit deel dat de huidige en de te verwachten
financiële situatie van de werkloosheidsfondsen geen aanleiding geeft tot
de kabinetsvoornemens.
Weer
een ander deel van de
SER beoordeelt de voorstellen van het
kabinet verschillend.
Dit deel wil de voorstellen vooral bezien in het
kader van de toekomstbestendigheid van de WW,
waarbij er aandacht zal moeten zijn voor zowel de aanbodzijde als de
vraagzijde van de arbeidsmarkt en beperking van de WW-instroom en
bevordering van de WW-uitstroom. De maatregelen van het kabinet betreffen
vooral het inperken van de instroom. Dit deel meent dat de kortdurende
uitkering een bijdrage levert aan het met elkaar in evenwicht brengen van
de behoefte aan flexibiliteit van werkgevers en werknemers
(arbeidsmarktfunctie WW). Afschaffing verandert de verhouding tussen
premiebetaling en aanspraken (equivalentie). Dit geldt vooral voor
jongeren, starters en werknemers met een flexibele arbeidsrelatie. Verder
wijst dit deel erop dat niet-loongerelateerde uitkeringen een belangrijke
functie zouden kunnen hebben in een toekomstbestendige WW. Dit deel meent
dan ook dat de kortdurende uitkering gehandhaafd moet worden, met daarbij
een toetredingseis van 26 uit 39 weken.
Dit deel steunt het voorstel om de wekeneis voor
de loongerelateerde uitkering aan te scherpen. Dit geeft een sterkere en
meer duurzame band tussen het recht op WW en deelname aan het
arbeidsproces. Daarmee heeft het geen effect op de WW-positie van mensen
met een stabiele arbeidsmarktrelatie.
Dit deel vindt het te vroeg om het Besluit
verlaagde wekeneis Werkloosheidswet in te trekken. De voorstellen
tot premiedifferentiatie zullen het beroep op de WW terugdringen. Daarvan
uitgaande wil dit deel het besluit aanscherpen in de richting van 26 uit
39 weken, bijvoorbeeld per medio 2005. Ook zou het toepassingsgebied van
het besluit kritisch moeten worden heroverwogen. Het besluit kan volgens
dit deel mettertijd gefaseerd worden afgeschaft.
Uit
het voorgaande blijkt dat het advies van de SER
over de onderhavige voorstellen sterk verdeeld is. Immers over geen van de
voorstellen is er een unaniem standpunt.
Twee delen van de SER wijzen de afschaffing van
de kortdurende uitkering af onder andere vanwege de rol van de kortdurende
uitkering in een flexibele arbeidsmarkt. Naar aanleiding hiervan merkt de
regering het volgende op.
De
WW vervult diverse functies op de arbeidsmarkt.
Zo kan de WW fungeren als een zoeksubsidie. Door de inkomensgarantie
hebben ontslagen werknemers meer tijd een baan te zoeken die bij hen past.
Dit kan bijdragen aan een efficiënte allocatie
van arbeid. De negatieve kant aan deze functie is dat langer zoeken naar
een baan kan leiden tot minder participatie en onnodige uitkeringslasten.
rblz.|8|
Ook na het afschaffen van de kortdurende uitkering zal de WW
deze arbeidsmarktfunctie kunnen blijven vervullen. Wel wordt een wijziging
gebracht in de verantwoordelijkheidsverdeling. Werknemers hebben in de
eerste jaren dat zij zich oriënteren op de arbeidsmarkt, meer van
werkgever wisselen en nog werkervaring opdoen, geen recht op WW-uitkering.
Hierdoor ontstaat voor deze groep een dwingende prikkel om werkloosheid
zoveel mogelijk te voorkomen, waardoor meer werkervaring wordt opgedaan.
Indien dit niet lukt, kan een beroep worden gedaan op de Wwb.
Voor werknemers met een langer arbeidsverleden die recht hebben op een
loongerelateerde WW-uitkering wijzigt de functie van de WW niet.
Door
diverse leden van de
SER is opgemerkt dat door de afschaffing van
de kortdurende uitkering de verhouding tussen premiebetaling en
uitkeringsaanspraken wijzigt (equivalentie). Ook de regering is van mening
dat het wenselijk is dat er een relatie bestaat tussen de periode van
verzekering en de (duur van de) uitkering. In het wetsvoorstel tot
uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden in de WW
[zie Wet
van 4 november 2004, Stb. 2004, 594, red.] ¹ wordt dit
ook vormgegeven. Dit laat onverlet dat er voor de toegang tot het recht op
uitkering referte-eisen kunnen worden gesteld. De regering is daarbij van
oordeel dat het recht op WW-uitkering voorbehouden dient te blijven aan
werknemers die al enige jaren aan het arbeidsproces deelnemen.
1. Kamerstukken II
2003-2004, 29 249.
Met
betrekking tot de financiële consequenties van eventuele handhaving van
de kortdurende uitkering wijzen enkele delen van de SER
op de vaste opvatting van de SER dat in de WW
sprake dient te zijn van een structureel lastendekkende premiestelling.
Naast het beginsel van structureel lastendekkende premies spelen echter
ook andere dan fondsoverwegingen een rol bij de premievaststelling, zoals
een evenwichtige ontwikkeling van lasten voor werkgevers en werknemers en
budgettaire overwegingen.
Enkele delen van de
SER wijzen afschaffing van de verlaagde
wekeneis (op dit moment) af. Daarbij verwijzen deze leden onder andere
naar het voornemen van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om de huidige regeling voor
cyclische werkloosheid te vervangen door onder meer de invoering in een
aantal wachtgeldfondsen van premiegroepen op basis van contractvorm.
Volgens deze leden zou daarmee het beroep op de verlaagde wekeneis vanzelf
afnemen waardoor de verlaagde wekeneis mettertijd overbodig wordt dan wel
gefaseerd kan worden afgeschaft.
De regering is echter van mening dat de redenen
voor het afschaffen van de verlaagde wekeneis, zoals weergegeven in paragraaf 2.3.2,
zodanig zwaar wegen dat niet gewacht moet worden op een mogelijke
vermindering van het beroep op de verlaagde wekeneis door het invoeren van
premiedifferentiatie op basis van contractvorm. Die redenen zijn ook
(deels) van principiële aard en staan los van (de omvang van) het gebruik
van de regeling. Het voordeel van het tevens invoeren van
premiedifferentiatie is dat ook de werkgever wordt geprikkeld om
langduriger arbeidsrelaties aan te gaan.
De
regering ziet in het advies van de SER geen
aanleiding om de voorstellen aan te passen.
5.2.
Actal, IWI en UWV
Actal heeft
aangegeven dat
het voorstel niet relevant is voor vermindering van de
administratieve lastendruk. De IWI ziet geen
aanleiding tot het maken van opmerkingen met betrekking tot de
toezichtbaarheid. Het UWV heeft ten slotte
aangegeven dat de voorgestelde maatregelen uitvoerbaar zijn.
rblz.|9|
6.
Financiële gevolgen
Deze paragraaf
bespreekt de financiële gevolgen van het afschaffen van de kortdurende
uitkering en het aanscherpen van de wekeneis, evenals het afschaffen van
de verlaagde wekeneis voor besluitgroepen. Aangezien de wekeneis in de
huidige situatie ook geldt als ingangseis om in aanmerking te komen voor
een kortdurende uitkering, is er sprake van een bepaalde overlap van beide
maatregelen. De paragraaf is daarom zodanig opgebouwd dat eerst het effect
van het afschaffen van de kortdurende uitkering wordt besproken, terwijl
daarna het additionele effect van het aanscherpen van de wekeneis wordt
geanalyseerd.
6.1.
Afschaffen kortdurende uitkering
Eind 2003 werden er
19 000 kortdurende uitkeringen verstrekt. Rekening houdend met de
verwachte toename van de werkloosheid vanwege de conjuncturele situatie
zal dit aantal bij ongewijzigd beleid nog stijgen in de periode 2004-2007.
Omdat de duur van een kortdurende uitkering maximaal een halfjaar
bedraagt, zal het effect van de maatregel bij invoering voor nieuwe
instroom per 1 januari 2005 in 2005 een groeipad kennen en in 2006 bijna
volledig zijn. Tabel 1 presenteert het jaarlijkse
effect van het afschaffen van de kortdurende uitkering, uitgedrukt in de
reductie van uitkeringsjaren. De gemiddelde hoogte van een kortdurende
uitkering bedraagt op jaarbasis ongeveer €|10
000,-. Dit betekent dat er in de structurele situatie, vanaf 2007, op
jaarbasis ruim €|280 mln wordt bespaard op
de totale lasten, dat wil zeggen uitkeringslasten, uitvoeringskosten en
kosten van de Toeslagenwet. In tabel 2
zijn de financiële effecten van de maatregel opgenomen.
6.2.
Aanscherpen van de wekeneis
Het UWV
heeft in een recent onderzoek de effecten van het aanscherpen van de
wekeneis geanalyseerd. Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat
aanscherping van de wekeneis van de huidige 26 uit 39 weken naar 39 uit 52
weken leidt tot een instroomreductie in de WW van
9%. Dit betreft de instroomreductie in zowel de kortdurende uitkering als
de loongerelateerde uitkering. Uitgesplitst in uitkeringssoort resulteert
de aanscherping in een instroomreductie van 15% bij de kortdurende
uitkering en van 8% bij de loongerelateerde uitkering. Aangezien hiervoor
al het effect van het afschaffen van de kortdurende uitkering aan de orde
is gekomen, wordt hier alleen het effect van het aanscherpen van de
wekeneis op de instroom in de loongerelateerde uitkering besproken.
Loongerelateerde uitkeringen hebben een looptijd van maximaal vijf jaar.
Hierdoor is er bij het effect van het aanscherpen van de wekeneis, in
tegenstelling tot bij het effect van het afschaffen van de kortdurende
uitkering, sprake van een ingroeipad van een enkele jaren. Opnieuw
rekening houdend met de verwachte verdere toename van de werkloosheid in
de komende periode zal de maatregel aanscherping wekeneis leiden tot een
instroomreductie in de loongerelateerde uitkeringsfase van zo’n 25 000
gevallen op jaarbasis. Rekening houdend met het genoemde ingroeipad en
deeltijd uitkeringen betekent dit een volumereductie die oploopt van 6000
uitkeringsjaren in 2005, naar 14 000 uitkeringsjaren in 2007, tot 16 000
uitkeringsjaren structureel (zie tabel 1).
Uitgaande van een gemiddelde loongerelateerde jaaruitkering van €|18
000,- levert dit brutobesparingen aan uitkeringslasten (inclusief
uitvoeringskosten en TW) op van €|123
mln in 2005 tot €|320 mln structureel.
rblz.|10|
6.3.
Afschaffen verlaagde wekeneis
Tegelijk met het
aanscherpen van de huidige wekeneis is het kabinet ook voornemens om de
verlaagde wekeneisen die bestaan binnen de zogenaamde besluitgroepen te
schrappen. Uitgezonderd worden artiesten en musici, voor hen wordt de
wekeneis aangescherpt van 16 uit 39 weken tot 26 uit 39 weken. Onderzoek
van het UWV toont aan dat er op jaarbasis
ongeveer 11 300 uitkeringen in het kader van de besluitgroepen worden
verstrekt, die een gemiddelde duur kennen van 20 weken. Hiervan voldoen
naar schatting 7000 gevallen niet aan de verscherpte
toetredingsvoorwaarden als deze regeling wordt geschrapt. Dit betekent,
rekening houdend met herleving van oude rechten, een volumereductie
oplopend van 400 uitkeringsjaren in 2005 tot 2000 uitkeringsjaren
structureel. De brutobesparing op de WW-uitkeringslasten
en uitvoeringskosten die hiermee gemoeid zou zijn, bedraagt €|8
mln in 2005 en €|39 mln structureel op
jaarbasis.
Het niet afschaffen maar aanscherpen van de
verlaagde wekeneis voor artiesten en musici leidt tot een structureel
beslag op de WW van circa 500 uitkeringsjaren. De hiermee gemoeide lasten
zijn €|7 mln bruto. Per saldo resteert een
brutobesparing op de WW van €|7 mln in 2005
oplopend tot €|32 mln structureel (zie tabel
2).
Tabel 1. Volume-effecten
afschaffen KDU [kortdurende uitkering, red.] en aanscherpen
wekeneis per 1 januari 2005 [x 1000 uitkeringsjaren, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2005x |
x2006x |
x2007x |
Structureel |
| Afschaffen
KDU |
–17 |
–23 |
–23 |
–23 |
| Aanscherping
wekeneis |
r–6 |
–11 |
–14 |
–16 |
| Aanscherpen
wekeneis besluitgroepen |
xx–0,3 |
v–1 |
v–1 |
v–2 |
| Totaal |
–23 |
–35 |
–38 |
–41 |
Tabel 2. Financiële effecten afschaffen KDU en
aanscherpen wekeneis per 1 januari 2005 [x €|1
miljoen, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2005x |
x2006x |
x2007x |
Structureel |
| Afschaffen
KDU |
–205 |
–281 |
–286 |
–286 |
| Aanscherping
wekeneis |
–123 |
–219 |
–283 |
–319 |
| Afschaffen
besluitgroepen |
xr–7 |
x–12 |
x–19 |
x–32 |
| Totaal
brutobesparing (inclusief uitvoeringskosten en TW) |
–335 |
–512 |
–588 |
–637 |
| Weglek
FWI ¹ |
x103 |
x155 |
x173 |
x184 |
| Totaal
netto financieel effect |
–232 |
–357 |
–415 |
–453 |
1. Fonds werk en inkomen, red.
6.4.
Weglek FWI & uitvoeringskosten
Tegenover de
besparingen aan WW-uitkeringslasten zullen de
maatregelen resulteren in een extra beroep op de Wwb.
Wel kent de Wwb extra toetredingseisen in vergelijking met de WW, te weten
de partner- en vermogenstoets. Hierdoor zal er geen volledige weglek naar
de Wwb plaatsvinden. Daarnaast zijn Wwb-uitkeringen op minimumloonniveau,
waardoor een lager beroep op de loongerelateerde uitkeringen vanwege de
aangescherpte wekeneis sowieso tot een besparing zal leiden. In de
berekeningen is voor de drie maatregelen uitgegaan van een zogenaamde
weglek naar de Wwb van 40% van het WW-volume. Op grond van artikel 69,
tweede lid, van de Wwb
is de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht het
macrobudget inkomensdeel aan te passen voor de gevolgen van gewijzigd
rijksbeleid.
rblz.|11|
In de uitvoeringstoets van het UWV wordt
gesproken over een structurele besparing op uitvoeringskosten van ruim €|47
mln. Dit is de besparing aan uitvoeringskosten voor de posten
continueringsbeslissingen en beslissingen ontslagwerkloosheid. Daarnaast
kan er nog een besparing op overige uitvoeringskosten optreden die het UWV
nog in beeld dient te brengen, waardoor de totale besparing op de
uitvoeringskosten nog kan oplopen. In de brutobesparingen in tabel 2
is gerekend met een structurele besparing op de uitvoeringskosten van €|67
mln. Hierover vindt nog overleg plaats met het UWV.
De
kosten voor extra voorlichting bij invoering van de maatregelen zijn reeds
opgenomen in een totaalpakket voor de maatregelen uit het
Hoofdlijnakkoord.
De
wijze van eventuele compensatie van de extra gemeentelijke
uitvoeringskosten zal worden betrokken bij de nadere uitwerking van reeds
gemaakte afspraken tussen de gemeentefondsbeheerders en de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.]. In ieder geval zal recht
worden gedaan aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet.
Dit artikel houdt in dat het Rijk zich rekenschap geeft van de financiële
gevolgen die het beleid voor gemeenten heeft en
dat het Rijk aangeeft op welke wijze deze gevolgen door gemeenten kunnen
worden opgevangen.
6.5.
Gevolgen voor de administratieve lasten
De gevolgen van de
afschaffing van de kortdurende uitkering en de aanscherping van de
wekeneis voor de administratieve lasten zijn nihil. Beide wijzigingen
hebben geen gevolgen voor de wijze waarop een arbeidsrelatie tussen
werkgever en werknemer wordt beëindigd. Werknemers zullen in voorkomende
gevallen een uitkeringsaanvraag indienen bij het CWI [Centrum voor werk en inkomen, red.].
De gegevens die daarbij door de werkgever aangeleverd dienen te worden, en
die voor het CWI noodzakelijk zijn om te kunnen bepalen of de ontslagen
medewerker recht heeft op een (loongerelateerde) WW-uitkering
of een uitkering krachtens de Wwb of Ioaw,
worden ook in de huidige situatie aangeleverd. Het gaat daarbij met name
om gegevens waaruit de duur en omvang van het dienstverband blijkt. Of, en
zo ja, voor welke regeling een ontslagen werknemer in aanmerking komt, is
voor de hoeveelheid aan te leveren gegevens niet van belang.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de
Werkloosheidswet
Onderdeel A. [Vervallen,
red.]
Met
het vervallen van
hoofdstuk IIb vervalt het recht op
kortdurende uitkering.
Onderdelen B en D. [Vervallen,
red.]
Door
het vervallen van de kortdurende uitkering moeten de opschriften van het
hoofdstuk en de paragrafen gewijzigd worden.
Onderdelen C en E. [Vervallen,
red.]
De
verdeling van
hoofdstuk
II in afdelingen vervalt en de opschriften moeten vervangen worden
omdat het hoofdstuk, na de afschaffing van de vervolguitkering en de
kortdurende uitkering, nu slechts één uitkering betreft.
rblz.|12|
Onderdeel F. [Vervallen,
red.]
Nu er
slechts één uitkering is, kan de term "loongerelateerde"
vervallen.
Onderdelen G en H,
onder 1, 2 en 4. [Zie art.
I, onderdeel A en B, van de
wet, red.]
In
verband met het aanscherpen van de wekeneis wordt in de in deze onderdelen
genoemde artikelen "26 uit 39 weken" vervangen door "39 uit
52 weken".
Onderdeel H, onder 2. [Vervallen,
red.]
Met
het vervallen van de kortdurende uitkering dient de verwijzing daarnaar
ook te vervallen.
Onderdeel H, onder 3. [Zie
art. I, onderdeel B, onder 2, van de
wet, red.]
Artikel
17a, derde lid, van de Werkloosheidswet
wordt aangepast. Door de aanpassing kan naast het vereiste aantal gewerkte
weken ook de referteperiode op een lager aantal weken worden gesteld.
Onderdeel I. [Vervallen,
red.]
De
verdeling van
hoofdstuk
II in afdelingen is komen te vervallen en daarmee ook de verwijzing
daarnaar.
Onderdelen J, K, M en N. [Vervallen,
red.]
De
verwijzingen naar de kortdurende uitkering in de in deze onderdelen
genoemde artikelen dienen met het vervallen van de kortdurende uitkering
eveneens te komen vervallen. De hoofdstukaanduidingen worden gewijzigd. In
de tekst van onderdeel K alsmede in die van onderdeel O is ervan uitgegaan
dat het bij koninklijke boodschap van 13 april 2004 ingediende voorstel
van wet houdende
wijziging van enkele socialezekerheidswetten en enige
andere wetten in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 513) op het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel A, van deze wet [vervallen, red.] tot wet
is verheven en in werking is getreden.
Onderdeel L. [Vervallen,
red.]
De
wijzigingen in de
Werkloosheidswet met betrekking tot de afschaffing van de kortdurende
uitkering en de vervolguitkering hebben tot gevolg dat er niet langer
behoefte bestaat aan een regeling met betrekking tot samenloop tussen deze
uitkeringen. Derhalve wordt voorgesteld artikel
35c van de
Werkloosheidswet te laten vervallen.
Onderdeel O. [Vervallen,
red.]
Dit
onderdeel betreft het overgangsrecht. Voorgesteld wordt om de volgende
overgangsregels te hanteren: zowel de aanscherping van de wekeneis als de
afschaffing van de kortdurende uitkering zal alleen gelden voor personen
waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen op of na de dag van
inwerkingtreding van dit
voorstel.
rblz.|13|
Artikel
II.
Wijziging van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Onderdeel A. [Vervallen,
red.]
Door
de afschaffing van de kortdurende uitkering zijn de hoofdstukaanduidingen
en de verwijzingen daarnaar veranderd.
Onderdelen B en C. [Zie
art. II, onderdeel A, van de
wet; onderdeel C is vervallen, red.]
De
artikelen 2, onderdeel
b, en 9, vijfde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
zijn gekoppeld aan de kortdurende uitkering en vervallen om die reden. De
verwijzing naar het vijfde lid in artikel 9,
zesde lid, dient dan ook te vervallen. Voorts wordt het vierde lid van artikel 9
aangepast aan het vervallen van
artikel 52
van de
Werkloosheidswet met de Wet van 19 december 2003 tot
wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de
vervolguitkering (Stb. 2003, 546). Deze aanpassing was in die wet
achterwege gebleven.
Onderdeel D. [Vervallen,
red.]
In
verband met het opnemen van overgangsrecht in artikel 63
veranderd het opschrift van
hoofdstuk VII.
De oude artikelen blijven gelden voor de
situaties ontstaan vóór inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel.
Het derde lid van artikel 63
bevat overgangsrecht in verband met de aanpassing van artikel
9, vierde lid. Hiermee wordt verduidelijkt dat voor degene die op
basis van het overgangsrecht in verband met de afschaffing van de
vervolguitkering op grond van de
Werkloosheidswet nog een dergelijke uitkering ontvangen, indien de
hoogte van die uitkering minder bedraagt dan 70% van het minimumloon,
de uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
niet meer bedraagt dan die vervolguitkering tezamen met een eventuele
toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Artikel III.
Wijziging van
de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
[vervallen, red.]
Door de afschaffing van de
kortdurende uitkering zijn de hoofdstukaanduidingen en de verwijzingen daarnaar
veranderd.
In het tweede lid van
artikel 45b staat ook een verwijzing naar de kortdurende uitkering. Deze kan echter
blijven staan nu het hier gaat om een overgangsbepaling op grond
waarvan geen nieuwe rechten kunnen ontstaan. De bepaling heeft
betrekking op kortdurende uitkeringen die zijn toegekend vóór datum fase 2
OOW, vóór 1 januari 2001. Door het tweede lid te laten staan, is in
ieder geval duidelijk dat recht op Ioaw blijft bestaan voor de personen die onder
de regeling vallen.
Artikel
IV.
Wijziging van
de Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid
Onderdeel A
Het
aanscherpen van de wekeneis in de
Werkloosheidswet dient ook in dit artikel te worden overgenomen.
rblz.|14|
Onderdeel B. [Vervallen,
red.]
Met
het vervallen van de kortdurende uitkering dient de verwijzing naar de
hoofdstukken te worden gewijzigd.
Onderdeel C. [Vervallen,
red.]
In
de wet wordt een artikel ingevoegd voor het
overgangsrecht. Het oude recht blijft gelden voor een recht op uitkering
welke ontstaan is vóór inwerkingtreding van dit
voorstel.
Artikel V. Wijziging van de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria
[vervallen, red.]
Met het vervallen van de
kortdurende uitkering dient de verwijzing naar de hoofdstukken in de
Werkloosheidswet te worden gewijzigd. Gelet op
het feit dat de bepalingen
in die wet die inhoudelijk worden gewijzigd niet van toepassing zijn bij het
vaststellen van het recht op uitkering op grond van de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria kan een overgangsartikel achterwege blijven.
Artikel VI.
Wijziging van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
[vervallen, red.]
Met het vervallen van de
kortdurende uitkering dient de verwijzing naar de hoofdstukken in de
Werkloosheidswet te worden gewijzigd.
Als gevolg van de
herformulering van de eerste leden van de artikelen 13 en
14 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten en de formulering van de toegevoegde derde
leden blijft het oude recht gelden voor een recht op uitkering
welke ontstaan is vóór inwerkingtreding van dit
voorstel. Een apart overgangsartikel kan dan ook achterwege blijven.
Artikel
VII. Wijziging van
de Wet kinderopvang [zie
art. V van de wet, red.]
Met het vervallen van de
kortdurende uitkering dient de verwijzing naar de hoofdstukken te worden gewijzigd. Tevens wordt met deze wijziging
naar het juiste lid van
artikel 29 van de
Werkloosheidswet verwezen.
Artikel VIII.
Inwerkingtreding [zie
art. VI van de wet, red.]
Op grond van artikel 12,
eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet moet er ten minste zes weken
zitten tussen de mededeling van de bekrachtiging van een referendabele wet
in de Staatscourant en het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. Om budgettaire
redenen wordt het uiterst wenselijk geacht het
wetsvoorstel,
nadat het tot wet is verheven, zo spoedig mogelijk in werking te
laten treden. In de inwerkingtredingbepaling wordt daarom de mogelijkheid
opgenomen toepassing te geven aan artikel 16 van de Tijdelijke
referendumwet en derhalve een uitzondering te maken op artikel 12 van die wet.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|