|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 444
Intrekking
en wijziging van diverse wetten en een
besluit op het terrein van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
In het
Strategisch Akkoord (Kamerstukken II 2001-2002, 28 375, nr. 5, blz. 25/26) werd een
ingrijpende verandering van de Nederlandse bestuurscultuur
aangekondigd, onder de noemer "Daadkracht zonder bureaucratie". In dat
kader hebben wij op 28 november 2002 het "Actieplan vereenvoudiging
SZW-regelgeving"
aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2002-2003,
28 600 XV, nr. 24). Dit Actieplan, dat volop in uitvoering is en ook een
vervolg zal krijgen, omvat een groot aantal substantiële voornemens
van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om tot
vereenvoudiging van regelgeving en deregulering te komen. Een streven dat
ook in het Hoofdlijnenakkoord "Meedoen, meer werk, minder regels" (Kamerstukken II
2002-2003, 28 637, nr. 19) door
het huidige kabinet is
herhaald.
In het kader van dit
streven en in het verlengde van het in de nota "Bruikbare
rechtsorde" van de
Minister van Justitie (Kamerstukken II 2002-2003, 29 279, nr. 9)
aangekondigde interdepartementale project "Doorlichting ministeriële
regelingen" hebben wij bezien in hoeverre het huidige bestand aan wetten op
het SZW-terrein zich leent voor opschoning. Het gaat hierbij om wetten
die materieel zijn uitgewerkt, maar formeel nog gelden. Daarbij kan het
gaan om wetten waarbij bedragen voor een bepaald, reeds
verstreken, jaar zijn vastgesteld of wetten waarvan overgangsbepaling(en) gelden voor een
situatie die thans niet meer aan de orde is.
In juridisch opzicht is
wel duidelijk dat dergelijke wetgeving geen betekenis meer heeft, maar voor de
burger - in het bijzonder de rechtzoekende - blijkt dat niet
zonder meer. Aangezien alle vastgestelde regelingen tegenwoordig ontsloten
zijn via internet en in de bestanden opgenomen blijven totdat zij
daaruit worden verwijderd, is het juist ook met het oog op die burger, het
belanghebbende bedrijfsleven, hun adviesinstanties, (uitvoerings)organisaties
en belangengroeperingen van belang de betrokken bestanden actueel te houden en van overbodige regelgeving te
ontdoen. De aanwezigheid
van talloze materieel uitgewerkte regelingen in databanken is niet alleen
publieksonvriendelijk, maar veroorzaakt op rblz.|2|
zichzelf ook lasten voor
de beheerders van die databanken. Met de intrekking van dergelijke
uitgewerkte regelingen kan de geïnteresseerde of belanghebbende derhalve
gemakkelijker en sneller de voor hem wel relevante regelgeving opsporen en
vindt tevens een lastenvermindering voor de databanken plaats.
De
materieel uitgewerkte wetten op het terrein van SZW
worden met het onderhavige wetsvoorstel
ingetrokken. Dit wetsvoorstel is aangekondigd in de derde
voortgangsrapportage betreffende het Actieplan vereenvoudiging SZW-regelgeving
(Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 XV, nr. 4). Het gaat om wetten op vier beleidsterreinen van SZW: arbeidsmarkt en
bijstand, sociale
verzekeringen, arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden. De kopjes van de diverse
artikelen maken duidelijk op welke "wetsfamilie" de in te
trekken wetten betrekking hebben. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven
aan het voornemen zoals neergelegd in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel Reparatiewet
I (Kamerstukken II 1997-1998, 25 836, nr.
3, blz. 2) om bij volgende gelegenheden meer aandacht te geven
aan het "kappen van dor hout" in de vorm van het schrappen van
uitgewerkte overgangsbepalingen, intrekking van obsolete wetten e.d.
Met
het onderhavige
wetsvoorstel worden ondermeer 46 wetten alsmede 1 algemene maatregel van
bestuur volledig ingetrokken (derhalve zowel onderdelen die
wijzigingen in andere wetten bevatten als bepalingen van overgangsrecht en
dergelijke). Aangezien het wetten betreft die volledig zijn uitgewerkt, is het
niet noodzakelijk gebleken in een overgangsbepaling te voorzien.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Intrekking
wetten op het terrein van het arbeidsmarktbeleid en de
bijstand
De intrekking van de in
de verschillende onderdelen van artikel I genoemde wetten wordt in
het navolgende toegelicht.
Onderdeel
a
De Wet van 26 juni 1991
tot wijziging van de Algemene Bijstandswet en daarop rustende nadere
regelgeving in verband met decentralisatie van de bijzondere bijstand en
vergroting van de mogelijkheden om met behoud van uitkering deel
te nemen aan scholing en opleidingen (Stb. 1991, 337) bevat wijzigingen
van de oorspronkelijke Algemene Bijstandswet (uit 1963) alsmede in de
artikelen IV en VI van reeds in 1992 uitgewerkt overgangsrecht met betrekking tot de
berekening van de draagkracht. De Algemene Bijstandswet is
met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken (artikel
3 Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet). Bij die intrekking had ook de Wet
van 26 juni 1991 (Stb. 1991, 337) ingetrokken kunnen worden. Dat is destijds echter niet gebeurd. Hierin wordt thans alsnog
voorzien.
Onderdeel
b
De Wet van 24 september 1992
tot wijziging van de Algemene Bijstandswet en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers in verband met wijziging van de bijstandsuitkeringen voor
bepaalde groepen personen jonger dan 27 jaar (Stb. 1992, 516) bevat naast
wijzigingen in genoemde wetten tevens in artikel III overgangsrecht voor een
groep personen jonger dan 21 jaar bij inwerkingtreding rblz.|3|
van genoemde wet
met ingang van 1 januari 1993. Dit overgangsrecht is al vele jaren geëxpireerd. Om die reden kan genoemde wet
worden ingetrokken.
Onderdeel
c
De Wet van 2 december 1993
tot wijziging van de Wet Sociale Werkvoorziening en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, alsmede verlening van een
wettelijke machtiging
ingevolge de Comptabiliteitswet 1976 (maatregelen betreffende de sociale
werkvoorziening in verband met de totstandkoming van een pensioenfonds, een
fonds voor de aanvullende oudedagsvoorziening en een fonds voor vrijwillig
vervroegde uittreding, taakstelling extern
adviesorgaan en voorzieningen die bijdragen tot optimale benutting van
arbeidsplaatsen) (Stb.
1993, 649) bevat naast wijzigingen in enkele wetten een
machtiging ten behoeve van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
om namens de Staat deel te nemen aan de oprichting van
stichtingen die fungeren als pensioenfonds, oudedagsvoorziening respectievelijk
vrijwillig vervroegde uittreding alsmede een bepaling betreffende de
overgang van vermogen van de op 1 januari 1992 bestaande Stichting
Bedrijfspensioenfonds Sociale Werkvoorziening naar genoemde nieuwe stichtingen
(artikel 1 respectievelijk 5 van genoemde wet). Beide bepalingen
zijn geëxpireerd. Genoemde stichtingen zijn bij de inwerkingtreding van de
Wet sociale werkvoorziening (met ingang van 1 januari 1998)
ondergebracht in de reguliere collectieve arbeidsovereenkomst voor de Wsw-sector
(artikel 16, derde lid, Wet
sociale werkvoorziening).
Onderdelen
d en f
De Wet van 29 september 1994,
houdende verlenging van de werkingsduur van enkele
onderdelen van de Wet van 28 september 1988, Stb.
1988, 440 (verlenging van het
experiment budgetfinanciering, decentralisatie en deregulering van de Wet
Sociale Werkvoorziening) (Stb.
1994, 730) was nodig om het onder de oude Wet
Sociale Werkvoorziening geldende experiment budgetfinanciering,
decentralisatie en deregulering Wet Sociale Werkvoorziening te laten gelden tot de
inwerkingtreding van de nieuwe Wet sociale
werkvoorziening. Met de
Wet van 29 september 1994 (Stb. 1994, 730) is dit gebeurd voor het jaar
1995. Genoemde wet maakte het mogelijk het experiment bij algemene maatregel
van bestuur te verlengen over het jaar 1996. Dit is gebeurd met
het Besluit van 25 september 1995 tot verlenging van de werkingsduur van
de onderdelen van de Wet Sociale Werkvoorziening betreffende
budgetfinanciering, decentralisatie en deregulering (Stb. 1995, 463). Een verdere
verlenging over het jaar 1997 heeft plaatsgevonden met de Wet
van 19 december 1996 tot verlenging van de werkingsduur van enkele
onderdelen van de Wet van 28 september 1988, Stb. 1988, 440 (verlenging van het
experiment budgetfinanciering, decentralisatie en deregulering van de Wet
Sociale Werkvoorziening) (Stb. 1996, 664). Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet sociale
werkvoorziening (met ingang van 1 januari 1998) hebben
genoemde wetten en genoemde algemene maatregel van bestuur geen betekenis
meer. Naast genoemde wetten wordt, met een beroep op
aanwijzing 241 [van de Aanwijzingen voor de
regelgeving, red.], met deze wet ook de hiervoor genoemde algemene
maatregel van bestuur ingetrokken.
Onderdeel
e
De Wet van 21 december 1994
tot wijziging van de Wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos
zijn (Stb.
1994, 960) bevat
naast wijziging van genoemde wet in artikelen II en III tot uiterlijk eind
1998 geldend overgangsrecht met betrekking een rblz.|4|
recht op premievrijstelling. Nu genoemde periode van overgangsrecht
reeds lang is verstreken,
kan deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
g
De
Wet van 24 december 1997
tot wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met
de voortgang van de bestrijding van armoede en sociale
uitsluiting (Stb.
1997, 791) bevat naast wijzigingen in diverse wetten in artikel VI slechts de opdracht aan
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om bedragen, genoemd in
artikel 30, tweede lid, van de Algemene bijstandswet, te herzien
met ingang van de datum van inwerkingtreding van genoemde
wet.
Genoemde wet is met ingang van 1 april 1998 in werking getreden (Stb.
1997, 792). Genoemde bedragen zijn met ingang van 1 april 1998 herzien
(Regeling van 25 maart 1998, Stcrt. 1998, 60). Daarmee kan genoemde wet worden
ingetrokken.
Onderdeel
h
De Wet van 9 april 1998 tot
wijziging van de Wet bevordering evenredige arbeidsdeelname
allochtonen in verband met het vergroten van de effectiviteit van de
wet (Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden) (Stb.
1998, 241) bevat naast
wijzigingen in diverse wetten een evaluatieverplichting (artikel IV) alsmede een
opdracht tot integrale plaatsing van de Wet stimulering arbeidsdeelname
minderheden in het Staatsblad. Genoemde evaluatie heeft in 1999
plaatsgevonden en is op 3 maart 2000 aan de Tweede kamer aangeboden.
De integrale tekstplaatsing in het Staatsblad heeft plaatsgevonden bij
beschikking d.d. 23 april 1998 (Stb. 1998, 242). Hiermee heeft genoemde wet geen
functie meer en kan die wet worden ingetrokken.
Artikel II.
Intrekking
wetten op het terrein van de arbeidsomstandigheden
De intrekking van de in
de verschillende onderdelen van artikel II genoemde wetten wordt in
het navolgende toegelicht.
Onderdeel
a
De Wet van 22 december 1993,
houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten in
verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijn van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende
de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering
van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op
het werk en in verband met enige andere onderwerpen (Stb. 1993,
757), bevat naast de wijziging van diverse wetten een artikel, artikel V,
waarmee lagere regelgeving op grond van de Arbeidsomstandighedenwet,
zoals die luidde vóór de
wijziging op grond van deze wet, voor zoveel nodig
wordt beschouwd te zijn vastgesteld op grond van de Arbeidsomstandighedenwet zoals die is komen te luiden na die wijziging.
Met de intrekking van de Arbeidsomstandighedenwet per 1 november 1999 is dat
artikel uitgewerkt. Derhalve wordt deze wet ingetrokken.
Onderdeel
b
De Wet van 29 juni 1994 tot
wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met seksuele
intimidatie en agressie en geweld (Stb. 1994, 586) kan
worden ingetrokken, omdat
reeds voldaan is aan de evaluatiebepaling van artikel II.
rblz.|5|
Artikel III.
Intrekking
wetten op het terrein van de volksverzekeringen,
arbeidsverhoudingen, financiering en SUWI
De intrekking van de in
de verschillende onderdelen van artikel III genoemde wetten wordt in
het navolgende toegelicht.
Onderdeel
a
Bij de
Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 is verzuimd de Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen in te trekken. De Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen heeft echter geen zelfstandige
betekenis meer en de overgangsbepalingen opgenomen in hoofdstuk 7
zijn inmiddels in zijn geheel uitgewerkt. De Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen wordt derhalve ingetrokken.
Onderdelen
b en c
De
Veegwet
SZW 1997 en de Veegwet
SZW 1998 worden ingetrokken, aangezien alle bepalingen
van beide wetten materieel zijn uitgewerkt.
Onderdeel
d
De overgangsbepaling in
artikel II van de Wet
invoering mutatiesysteem AKW is inmiddels
uitgewerkt, gezien het tijdsverloop sinds 1991. Derhalve kan deze wet worden
ingetrokken.
Onderdeel
e
De
Wet
loonkostenreductie op minimumloonniveau wordt ingetrokken, omdat de in
deze wet
genoemde periode inmiddels is verstreken.
Onderdeel
f
In
artikel I van de Wet
wijziging premieheffing boven-65-jarigen is de Wet tijdelijke handhaving
leeftijdsgrens verzekerings- en premieplicht AAW ingetrokken. Voorts bevat
de Wet wijziging premieheffing boven-65-jarigen wijziging van
andere wetten. Derhalve is de Wet wijziging premieheffing boven-65-jarigen
uitgewerkt en kan deze worden ingetrokken.
Onderdeel
g
De Wet van 9 april 1959,
houdende een interimregeling inzake beperking van samenloop van pensioenen
en uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met
renten en uitkeringen ingevolge de Ongevallenwetten, bijslagen
op die renten en uitkeringen en toeslagen op renten krachtens de Invaliditeitswet
(Stb. 1959, 140) is materieel uitgewerkt. Nu het overgangsrecht is
opgenomen in de Algemene nabestaandenwet, kan deze wet worden
ingetrokken.
Onderdeel
h
De Wet van 10 maart 1979,
houdende een overgangsregeling voor het recht op kinderbijslag voor
invalide kinderen van 18 tot 27 jaar (Stb. 1979, 155), wordt ingetrokken, omdat
de bepalingen van deze wet in zijn geheel materieel zijn uitgewerkt.
Onderdelen
i tot en met o
De in de
onderdelen i tot
en met o van artikel III opgenomen wetten
rblz.|6|
hebben allemaal een
tijdsbepaling die is uitgewerkt. Derhalve kunnen deze wetten worden
ingetrokken.
Onderdeel
p
De Wet van 28 oktober 1991,
houdende tijdelijke voorziening met betrekking tot de wettelijke minimumloonaanspraken van werknemers die
gelijktijdig arbeid
verrichten en onderricht ontvangen (Stb. 1991, 569), geldt, gelet op artikel 2, tweede lid, van
die wet, tot en met 31 december 1992, met dien verstande dat zij van
kracht blijft ten aanzien van werknemers van wie het onderricht vóór die datum
is aangevangen. Gelet op de inmiddels verstreken periode is
deze wet uitgewerkt en kan deze worden ingetrokken.
Onderdeel
q
Artikel II van de Wet van 14 november 1991
tot wijziging van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en
van een aantal socialeverzekeringswetten, houdende vaststelling van
een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de
loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking (Stb. 1991,
624) geldt alleen voor de eerste toepassing van artikel 14 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Nu artikel II niet meer
functioneel is, kan deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
r
De
Wet van 19 december 1991
tot intrekking van de Jeugdspaarwet (Stb. 1991, 738) wordt ingetrokken,
omdat deze in zijn geheel materieel is uitgewerkt.
Onderdeel
s
De Wet van 23 december 1992,
houdende nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet
(aanpassing kinderbijslag 1993) (Stb. 1992, 730), wordt ingetrokken, omdat deze
in zijn geheel materieel is uitgewerkt.
Onderdeel
t
De Wet van 24 juni 1993 tot
nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet
(bevriezing
AKW per 1 juli 1993) (Stb. 1993, 329) wordt ingetrokken, omdat deze in zijn
geheel materieel is uitgewerkt.
Onderdeel
u
Artikel II van de Wet van 23 oktober 1993
tot wijziging van de Wet financiering volksverzekeringen
(Stb. 1993, 593) is niet langer functioneel, nu er geen gevallen meer zijn waarop
het overgangsrecht van genoemd artikel van toepassing is. Derhalve
kan deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
v
De
Wet van 21 december 1995
tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten (Stb.
1995, 696) kan worden ingetrokken, omdat het overgangsrecht
van artikel XIII van deze wet is uitgewerkt.
Onderdeel
w
De Wet van 25
april 1996
tot wijziging van de socialeverzekeringswetten in verband met de nadere
vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot
wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan rblz.|7|
(Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) (Stb.
1996, 248), bevat naast de wijziging
van diverse wetten overgangsrecht in de artikelen XVI en
XVII. Deze
artikelen zijn niet langer functioneel. Derhalve wordt deze wet
ingetrokken.
Onderdeel
x
De Wet van 26 maart 1998 tot
vaststelling van regels met betrekking tot het inkomen van enkele
groepen uitkeringsgerechtigden en belastingplichtigen (Wet inkomensmaatregelen
1998) (Stb. 1998, 175) geldt alleen voor 1998. Deze wet is niet
langer functioneel en wordt derhalve ingetrokken.
Onderdeel
y
De Wet van 18 juni 1998 tot
wijziging van de Algemene nabestaandenwet in verband
met gebleken onbillijkheden (Stb. 1998, 377) wordt ingetrokken, omdat de
artikelen IV tot
en met VI zijn uitgewerkt.
Onderdeel
z
De evaluatiebepaling van
artikel II van de Wet van 12 december 2002,
houdende regels betreffende openbaarmaking van gegevens per werkgever met betrekking tot verkrijging van
rechten op WAO-uitkeringen
door werknemers (Wet
instroomcijfers WAO) (Stb. 2002, 647), wordt overgenomen in de Wet werk
en inkomen
naar arbeidsvermogen. Derhalve kan deze wet worden ingetrokken.
Artikel 2, tweede lid, van de Regeling instroomcijfers
WAO [zie artikel 2, tweede lid, van de
Regeling instroomcijfers WAO en Wet WIA, red.]
zal als gevolg
hiervan worden aangepast.
Onderdeel
aa
De
Wet
medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet
Maav) is in december 1993 van kracht geworden (Stb. 1993,
735). De wet
bevat regels tot aanwijzing van een rechtspersoon die tegen een
maximumpremie aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aanbiedt aan werknemers
met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico. Deze wet diende als een
overgangsregeling om de negatieve gevolgen voor
werknemers met gezondheidsbeperkingen van de per 1 augustus 1993 in
werking getreden Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen op te vangen. De Wet Maav ondersteunde
zelfregulering en bood
een wettelijk kader om de voorziene tekorten te verevenen met andere aanbieders van aanvullende
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
De Wet Maav schreef dus geen concrete polisvoorwaarden
voor. Wel stelde de wet grenzen aan verzekeringen waarop de vereveningsregeling van toepassing kon zijn. De
Wet Maav regelde niet meer en
niet minder dan de verevening van de kosten, gegeven een
maximumpremie.
Door acht grote verzekeraars
werd een verzekeringsmaatschappij opgericht: de Onderlinge Waarborgmaatschappij
"Maav". De OWM "Maav" is vervolgens door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen als de
rechtspersoon die een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering tegen een maximumpremie
mocht aanbieden aan een nauw omschreven groep
werknemers.
De aanvullende
arbeidsongeschiktheidsverzekering betrof een tussen de OWM "Maav" en de
verzekerde gesloten overeenkomst en vloeide niet voort uit de wet. De
premie van de polis is door verzekeraars bepaald op 2,5 maal de gemiddelde
premie voor de betreffende werknemer in zijn risicogroep. Daarmee stond de premie vast. De tekorten op deze verzekering
werden omgeslagen over
alle aanbieders van aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen op basis van een
vereveningregeling (Stcrt. 1996, 71, pagina 12).
rblz.|8|
De OWM
"Maav" heeft met
ongeveer 1200 werknemers een overeenkomst gesloten. Deze groep nam
in de loop der jaren in omvang af (overlijden, pensionering). De laatste
verzekering zal in 2037 aflopen. Per juni 2003 waren er nog 470
verzekerden in portefeuille van de OWM, waarvan 308 "in schade" en 162
nog premie betaalden. Het arbeidsongeschiktheidsrisico van de nog actieve
verzekerden kwam steeds meer overeen met het algemeen geldende
arbeidsongeschiktheidsrisico. Uit overwegingen van kostenefficiency heeft de OWM
"Maav" zijn verzekerdenportefeuille met volledig behoud van
rechten voor de verzekerden overgedragen aan een verzekeraar.
Omdat de vereveningsregeling niet van toepassing is op deze
nieuwe verzekeraar (deze is immers geen op grond van de Wet Maav aangewezen
rechtspersoon), zijn alle toekomstige kosten voor rekening van deze
verzekeraar, omdat de rechten van polishouders zijn gegarandeerd. Het
risico voor de verzekeraar is, gelet op de samenstelling van de portefeuille,
overzienbaar. Die verzekeraar geeft bovendien blijk van het serieus
nemen van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid als verzekeraar.
Het besluit van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter aanwijzing van de
Onderlinge Waarborgmaatschappij "Maav" als rechtspersoon, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet
medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, is vervolgens ingetrokken
bij Besluit van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 januari 2005, nr.
AV/PB/2004/85 564, tot intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon,
bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet
medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Stcrt.
2005, 10).
De Wet Maav dient nu geen doel meer en kan worden ingetrokken. Ook de op grond van de wet
ingestelde Vereveningsinstantie wordt opgeheven.
Artikel
IV. Intrekking
wetten op het terrein van de werknemersverzekeringen
De intrekking van de in
de verschillende onderdelen van artikel IV genoemde wetten wordt in
het navolgende toegelicht.
Onderdeel
a
De
overgangsartikelen
XIII tot en met XVI van de Wet afschaffing
malus en bevordering reïntegratie (Wet Amber) zijn uitgewerkt. Derhalve wordt
deze wet ingetrokken. In
de artikelen 76c en 76d
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) wordt verwezen naar
de artikelen XIII en XIV van de
Wet Amber. Deze WAO-artikelen zijn met de inwerkingtreding
van artikel 3, onderdeel M,
van de Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen evenwel vervallen. Ook in de artikelen 114 en
115 van de Wet financiering
sociale verzekeringen wordt verwezen naar de Wet
Amber. Met artikel VI
worden deze artikelen aangepast aan de intrekking van de Wet Amber.
Onderdeel
b
De evaluatiebepaling van
artikel VI van de Wet eigen risico dragen
Ziektewet is uitgewerkt. Derhalve
kan deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
c
De overgangsartikelen IX
en X van de Wet
verduidelijking verzekerings- en premieplicht zijn
uitgewerkt. Deze wet kan derhalve worden ingetrokken.
rblz.|9|
Onderdeel
d
De
Wet van 3 april 1985, houdende overgangsmaatregel met betrekking tot
loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op de wettelijke
ziekengelduitkering (overgangsmaatregel bovenwettelijke
uitkeringen) (Stb. 1985, 215), is in zijn geheel uitgewerkt en wordt derhalve ingetrokken.
Onderdeel
e
Artikel IV van de Wet van 22 december 1993
tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de
Invorderingswet
1990 in verband met de
toepassing van de
ketenaansprakelijkheid in de confectiesector (Stb. 1993, 734) is niet langer
functioneel. Derhalve kan deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
f
De overgangsregeling van
artikel III van de Wet van 22 december 1993
tot nadere wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging
enkele bepalingen inzake het recht op uitkering) (Stb. 1993, 744)
is uitgewerkt. Derhalve kan deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
g
De
artikelen XII, XLVIII
en XLIX van de Wet van 21 december 1995
tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en
TZ,
alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 1995, 691) zijn uitgewerkt. Derhalve kan
deze wet worden ingetrokken.
Onderdeel
h
De Wet van 22 december 1999
tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met wijziging van de instroom in de wachtgeldfondsen alsmede
enkele andere wijzigingen in
de Werkloosheidswet (Stb. 1999, 596) wordt ingetrokken, omdat de
artikelen III en
IV van deze wet zijn uitgewerkt.
Onderdeel
i
De evaluatiebepaling die
is opgenomen in artikel VIII van de Wet van 20 december
2001,
houdende wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en enige
andere wetten in verband met de invoering van
een zelfstandigheidsverklaring en de uitsluiting van de Nationale
ombudsman en de substituut-ombudsmannen van de verzekering voor de werknemersverzekeringen
(Stb. 2001, 695), is uitgewerkt. Derhalve kan deze wet worden
ingetrokken.
Artikel
V. Wijziging Wajong
Aangezien
artikel XII van
de Wet van 21 december 1995
tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en
TZ,
alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 1995, 691) is uitgewerkt
en die wet wordt ingetrokken (zie artikel
IV, onderdeel g), kan artikel
76 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten
vervallen.
Artikel VI.
Wijziging Wet
financiering sociale verzekeringen
Voor een toelichting op
dit artikel verwijzen wij naar de toelichting op artikel
IV,
onderdeel a.
rblz.|10|
Artikel VII.
Wijziging
Wet overgangsregeling Ziektewet
De
Wet
overgangsregeling Ziektewet kan, met uitzondering van de artikelen 10, 16 en 17, worden
ingetrokken, omdat, met uitzondering van de genoemde artikelen, die
wet geheel is uitgewerkt. Aanvankelijk bestond het voornemen deze wet
geheel in te trekken. De Raad van State heeft echter opgemerkt dat niet
geheel valt uit te sluiten dat genoemde artikelen nog van toepassing zijn.
Om die reden is besloten genoemde artikelen in stand te laten.
Artikel VIII.
Intrekking
Besluit van 25 september 1995 (Stb. 463)
Voor een toelichting op
dit artikel verwijzen wij naar de toelichting op artikel I, onderdeel d en
f.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|