|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2005-2006, 30
370.
Handelingen II 2005-2006, blz. 2848-2872, 2891-2910, 2911-2928,
3051-3052, 3052-3053.
Kamerstukken I 2005-2006, 30 370 (A, B, C, D, E, F, G).
Handelingen I 2005-2006, blz. 1488-1497, 1519-1534, 1588-1589.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 28 juni 2006, Stb.
2006, 303, tot wijziging van de Werkloosheidswet
en enige andere wetten in verband met de
wijziging van het WW-stelsel (Wet wijziging WW-stelsel).
Inwerkingtreding: 1 oktober 2006 (Stb.
2006, 304).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de toekomstbestendigheid van de Werkloosheidswet
te waarborgen en het besluit om die wet te
dereguleren en inzichtelijker te maken af te ronden alsmede de
ontslagpraktijk te versoepelen en in verband daarmee de Werkloosheidswet
en enkele andere wetten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I. Wijziging van de Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet zoals deze komt te luiden indien
artikel I van het
bij koninklijke boodschap van 7 september 2004 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten
in verband met aanscherping van de wekeneis (Kamerstukken 29 738) tot
wet is verheven en in werking is getreden, wordt als volgt gewijzigd:
aA.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt "Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen" de eerste maal vervangen door: UWV.
2. Onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel l door een puntkomma wordt een onderdeel
toegevoegd, luidende:
m. CWI: de Centrale organisatie werk en
inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
A.¹
[MvT]
Artikel 7 vervalt.
Aa.
Artikel 8, tweede lid, komt te luiden:
-2. Een persoon wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten
van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep herkrijgt bij beëindiging van
die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer indien de werkzaamheden
worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de
uitkeringsduur, dan wel binnen anderhalf jaar indien de uitkeringsduur
korter is dan anderhalf jaar.
bB.
In de artikelen 11, 16,
22, 22a, 22b,
23, 25, 26,
27, 27a,
27b, 27c, 27d,
27e, 27g,
27h, 28, 29,
30, 31, 32,
33, 35a, 35b,
36, 36a, 37,
38, 39, 53,
54, 56a, 58,
59, 64, 66,
72, 73, 76,
76a, 79, 81,
98, 99, 101,
116, 126c,
127a, 128,
129, 130j
en 135a wordt "Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen" telkens vervangen door: UWV.
B.
[MvT]
Onder vernummering van hoofdstuk IIa
tot hoofdstuk II vervalt hoofdstuk
IIb.
C.
[MvT]
Het opschrift van het nieuwe hoofdstuk II komt te luiden: HOOFDSTUK II.
De uitkering bij werkloosheid.
D.
[MvT]
De verdeling van het nieuwe hoofdstuk II in afdelingen vervalt.
E.
[MvT]
In het nieuwe hoofdstuk II vervalt in de opschriften van de
paragrafen 1, 2 en
3 "loongerelateerde".
F.
[MvT]
In het nieuwe hoofdstuk II wordt het opschrift "§ 1. De duur van
de uitkering" vervangen door "§ 4. De duur van de uitkering"
en wordt het opschrift "§ 2. De hoogte van de uitkering"
vervangen door: § 5. De hoogte van de uitkering.
G.
[MvT]
In artikel 15 vervalt "loongerelateerde".
H.
[MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt "artikel
61, eerste lid," vervangen door: artikel
61.
2.² Het zevende lid komt te luiden:
-7. Bij ministeriële regeling kunnen voor de berekening van het aantal
arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid, regels worden gesteld omtrent de
gelijkstelling van uren waarin geen arbeid is verricht met arbeidsuren
en het buiten beschouwing laten van uren waarin arbeid is verricht.
3. Het achtste lid vervalt, onder
vernummering van het tiende lid tot achtste lid en het twaalfde lid tot
tiende lid.
4. In de tweede zin van het achtste lid
(nieuw) wordt "het negende lid" vervangen door: artikel 16a,
tweede lid,.
5. Het negende lid komt te luiden:
-9. In afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die
voldoet aan het eerste lid, onderdeel b, doch niet voldoet aan
het eerste lid, onderdeel a, uitsluitend vanwege het feit dat hij
recht heeft op onverminderde doorbetaling van loon en de werkgever dit
loon niet voldoet omdat hij verkeert in een toestand als bedoeld in
artikel 61. De eerste zin vindt slechts toepassing gedurende de periode
dat de voor de werknemer rechtens geldende opzegtermijn langer duurt dan
de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b,
en voor zover de werknemer direct voorafgaande aan deze periode recht had
op een uitkering op grond van hoofdstuk IV over de opzegtermijn, bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel b.
I.
[MvT]
Na artikel 16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 16a.
-1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van
één of meer uren, alsmede een verlies van het recht op onverminderde
doorbetaling van het loon over die uren, intreedt in de kalenderweek
waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel
16, eerste of
achtste lid.
-2. Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies, bedoeld in
artikel 16, eerste lid, niet wordt voldaan aan één van de overige in dat
lid bedoelde voorwaarden, of de werknemer geen recht op uitkering heeft
op grond van artikel 19, wordt, in afwijking van het eerste lid, voor de
toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste
werkloosheidsdag aangemerkt de dag van de kalenderweek waarop aan de
overige voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan en artikel
19 niet meer aan het recht op uitkering in de weg staat.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid is de eerste dag van
werkloosheid voor de werknemer, bedoeld in artikel
16, negende lid, de
dag na het einde van de termijn, bedoeld in artikel
64, eerste lid,
onderdeel b.
J.
[MvT]
Artikel 17 komt te luiden:
Art. 17.
Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 weken
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten
minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.
K.
[MvT]
Artikel 17a wordt als volgt gewijzigd:
1. "artikel 17, onderdeel a,"
wordt telkens vervangen door "artikel 17".
2. In het eerste lid worden de onderdelen d
en e verletterd tot onderdelen c en d.
3. In het tweede lid wordt "ingevolge
dit hoofdstuk of hoofdstuk IIb dan wel op grond van
hoofdstuk 7 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen" vervangen door: op grond
van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de
Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen.
L.
[MvT]
Artikel 17b vervalt, onder vernummering van artikel 17c
tot artikel 17b.
M.
[MvT]
Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en vierde lid vervallen,
onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "Artikel
17 is niet van toepassing" vervangen door: De artikelen 17 en
42,
tweede lid, zijn niet van toepassing.
N.
[MvT]
Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
1.¹ Het
eerste lid, onderdeel e, vervalt, onder verlettering van de
onderdelen f tot en met m tot onderdelen e tot en met l.
2.² Aan het tweede lid wordt een zin
toegevoegd, luidende: Onder wachtdagen worden niet verstaan de eerste
dertien weken van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte.
3.¹ In het
vijfde lid wordt "onderdeel k" telkens vervangen door
"onderdeel j" en vervalt onderdeel c, onder
vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een
punt.
4.¹ In het
zesde lid wordt "onderdeel a tot en met h" vervangen
door: onderdeel a tot en met g.
5.¹ In het
zevende lid wordt "onderdeel h" vervangen door:
onderdeel g.
6.¹ In het
negende lid (nieuw) wordt "onderdeel f" vervangen door:
onderdeel e.
7.¹ Het
negende tot en met elfde lid worden vernummerd tot achtste tot en met
tiende lid.
O.
[MvT]
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde en vierde lid komen te luiden:
-3. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel b, van
toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal
arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht dan wel ter zake van
het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid dan het
aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren.
-4. Zo nodig in afwijking van het derde lid eindigt het recht op
uitkering geheel, indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als
werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder
dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel
16; of
b. beschikbaar is voor arbeid voor minder dan vijf en minder dan
de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel
16.
2. Het vijfde lid vervalt, onder
vernummering van het zesde lid tot vijfde lid.
3.² Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:
-5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde
en vierde lid, ter zake waarvan het recht op uitkering eindigt. Deze
regels hebben betrekking op het buiten beschouwing laten van uren waarin
arbeid wordt verricht en de gelijkstelling van uren waarin geen arbeid
is verricht met uren waarin arbeid wordt verricht; en
b. het geheel of gedeeltelijk eindigen van een recht op uitkering
bij samenloop van uitkeringen op grond van dit hoofdstuk.
4.² Er worden twee leden toegevoegd,
luidende:
-6. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing gedurende
de eerste dertien weken van ongeschiktheid van de werknemer tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte indien hij hierdoor minder of
niet beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft
verloren.
-7. Voor de toepassing van het zesde lid worden perioden van
ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid,
3:8 of 3:10, eerste
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
P.¹
[MvT]
In artikel 21, derde lid, onderdeel a, wordt "onderdeel f,
h of k" vervangen door: onderdeel e, g of j.
Pa.
In de artikelen 22, 26,
27 en 72 wordt "Centrale organisatie werk
en inkomen" telkens vervangen door: CWI.
Q.
[MvT]
Artikel 23 vervalt, onder vernummering van artikel 22b
tot
artikel 23.
R.
[MvT]
Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden, indien:
a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in
de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de
werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden
gevergd.
2. Onder vernummering van het vierde tot en
met zesde lid tot derde tot en met vijfde lid vervalt het derde lid.
3. In het vierde lid (nieuw) wordt "het
eerste en vierde lid" vervangen door: het eerste en derde lid.
4. Het zesde lid komt te luiden:
-6. Het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het instemmen
van de werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op
verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de
verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a,
of het vijfde lid.
5. Onder vernummering van het zevende lid
tot achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-7. Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3º.
6. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen
tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen hun op
grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º of 4º,
opgelegd.
S.
[MvT]
Aan artikel 26 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen
tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen hun op
grond van het eerste lid, onderdeel d, f of g,
opgelegd.
T.
[MvT]
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
1. De tweede zin van het eerste lid komt te
luiden: In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het
uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de
uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.
2. In het derde lid wordt "24, eerste
lid, onderdeel b, onder 1º of 4º, of zesde lid," vervangen
door: 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º of 4º, of vijfde
lid,.
3.² Na het derde lid wordt, onder
vernummering van het vierde tot en met het achtste lid tot vijfde tot en
met het negende lid, een lid ingevoegd, luidende:
-4. Indien de verzekerde, bedoeld in de Ziektewet, die gedurende de
eerste dertien weken van zijn ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte een uitkering ontvangt op grond van deze wet een
verplichting voortvloeiend uit artikel 45, eerste lid, van de
Ziektewet
niet is nagekomen, weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk.
4.² In het vijfde lid (nieuw) wordt "in
het derde lid" vervangen door: in het derde of vierde lid.
5.² In het zesde lid (nieuw) wordt "in
het derde lid" vervangen door: in het derde of vierde lid.
6.² In het negende lid (nieuw) wordt
"het derde en vierde lid" vervangen door: het derde, vierde en
vijfde lid.
U.
[MvT]
Artikel 28 komt te luiden:
Art. 28.
Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 27 heeft opgelegd,
zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in
artikel 21 een weigering van de uitkering voort.
V.
[MvT]
Aan artikel 30 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. De uitkering wordt uitbetaald over vijf dagen per week.
W.
[MvT]
Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid vervallen, onder
vernummering van het vierde en vijfde lid tot tweede en derde lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt "In
afwijking van het tweede lid" vervangen door: In afwijking van het
eerste lid.
3. In het derde lid (nieuw) wordt "in
het eerste en het tweede lid" vervangen door: in het eerste lid.
X.¹
[MvT]
Artikel 34a vervalt.
Y.
[MvT]
Artikel 35 komt te luiden:
Art. 35.
De uitkering wordt niet betaald over perioden gelegen vóór 26 weken
voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd
ingediend. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de
eerste zin.
Ya.
Na artikel 35a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 35aa.
-1. Indien de werknemer toestemming heeft verkregen van het UWV
om werkzaamheden als bedoeld in artikel 77a,
eerste lid, te verrichten en het recht op uitkering op grond van het
tweede lid van dat artikel blijft bestaan, wordt de uitkering verminderd
met 70% van de inkomsten uit of in verband met die werkzaamheden.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, de
berekening daarvan en de periode waaraan deze worden toegerekend.
Yb.
In artikel 35b, eerste lid, wordt "de
artikelen 34, 35 en
35a"
vervangen door: de artikelen 34, 35,
35a en 35aa.
Z.
[MvT]
In artikel 35b, eerste lid, wordt "de
artikelen 34, 35,
35a en 35aa" vervangen door: de
artikelen 34, 35a en
35aa.
AA. [MvT]
Artikel 35c vervalt.
AAa.
In artikel 42, vierde lid, wordt "artikel 83c"
vervangen door: artikel 83i.
BB. [MvT]
Artikel 42 komt te luiden:
Art. 42.
-1. De uitkeringsduur is drie maanden, te rekenen vanaf de eerste dag
waarop het recht op uitkering is ontstaan.
-2. Indien de werknemer:
a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is
gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per
kalenderjaar loon te hebben ontvangen; of
b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van
werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als
genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, c of d;
wordt de uitkeringsduur verlengd met één maand voor ieder volledig
kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren
overstijgt, met dien verstande dat de totale uitkeringsduur maximaal 38
maanden bedraagt.
-3. Bij het vaststellen van de uitkeringsduur op grond van het eerste en
tweede lid blijven perioden waarin recht op uitkering bestaat op grond
van artikel 18, eerste lid, buiten beschouwing.
-4. Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door
samentelling van:
a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met inbegrip van 1998 tot
en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar
waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, waarover de werknemer
over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen; en
b. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het
kalenderjaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998.
-5. Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening,
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, indien volgens een
beschikking als bedoeld in artikel 83i
van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de werknemer in dat kalenderjaar
over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen.
-6. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt,
indien over een kalenderjaar een beschikking als bedoeld in artikel 83i
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet is
afgegeven, dat kalenderjaar in aanmerking genomen indien de werknemer
aantoont daarin over 52 of meer dagen loon te hebben ontvangen. Artikel
42a is van overeenkomstige toepassing.
CC. [MvT]
Na artikel 42 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 42a. [MvT]
-1. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a,
worden met dagen waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen of met een uitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zover de uitkering wordt
toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%
respectievelijk wordt toegekend over periodes waarin de persoon slechts
in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van eerstgenoemde
wet;
b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van
hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een
toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
-2. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a,
worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon
recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de
Algemene
Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel h, van Verordening (EG) nr. 1408/71 van de
Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de
toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot zijn huishouden
behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van 5 jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met
kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen. De in de
eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon.
-3. Het tweede lid vindt geen toepassing indien de verzorgende persoon
in een kalenderjaar voor een periode langer dan een halfjaar als
werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid
recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid.
-4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
-5. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a,
worden dagen, tot een maximum van achttien maanden, waarover de
werknemer onbetaald verlof heeft genoten, gelijkgesteld met dagen
waarover loon is ontvangen.
-6. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel
42, tweede lid,
onderdeel a, wordt niet als loon beschouwd een uitkering:
a. op grond van deze wet, met uitzondering van een uitkering op
grond van hoofdstuk IV van deze wet;
b. op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, met uitzondering van een uitkering aan de persoon die
slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van die
wet;
c. op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%; of
d. die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als
bedoeld in onderdeel a, b of c.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:
a. ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is
ontvangen, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a;
b. op grond waarvan voor het bepalen van het aantal van 52 dagen,
bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, dagen waarover,
anders dan bedoeld in het vijfde lid, geen loon is ontvangen, worden
gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
Art. 42b. [MvT]
-1. Indien het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd
en vervolgens een nieuw recht op uitkering is ontstaan, zonder dat aan
de voorwaarde, bedoeld in artikel 42, tweede lid, wordt voldaan, wordt
met inachtneming van het tweede lid de duur van dat nieuwe recht
verlengd met de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel
42,
tweede lid, van het eerdere recht voor zover de werknemer hierover geen
uitkering heeft ontvangen als gevolg van de eindiging van dat eerdere
recht.
-2. Het eerste lid vindt geen toepassing voor zover het eerdere recht
geheel of gedeeltelijk was geëindigd op grond van artikel
20, eerste
lid, onderdeel a, b, c of d, en op grond van
artikel 21 niet voor herleving in aanmerking zou zijn gekomen wegens het
overschrijden van de in laatstgenoemd artikel bedoelde termijnen.
CCa.¹
Artikel 42a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en
met zevende lid tot het vierde tot en met achtste lid wordt na het
tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
-3. Voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a,
worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in
begrip van een bij ministeriële regeling nader te bepalen kalenderjaar,
waarin een persoon inkomsten ontvangt voor het verlenen van zorg op
grond van een regeling voor persoonsgebonden budget die is gegrond op
artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten of die
voldoet aan artikel 14a van de Zorgverzekeringswet, voor de helft
gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is
ontvangen, tenzij hij deze inkomsten ontvangt uit arbeid als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel e. De eerste zin is uitsluitend
van toepassing indien de in de eerste zin bedoelde persoon aantoont dat
deze zorgverlening aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan. Die
persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit lid.
2. In het vierde lid (nieuw) wordt "Het
tweede lid vindt" vervangen door: Het tweede en derde lid vinden.
3. In het achtste lid (nieuw) wordt "het
vijfde lid" vervangen door: het zesde lid.
DD. [MvT]
In artikel 43, eerste lid, vervalt "loongerelateerde".
EE.² [MvT]
Artikel 43 komt te luiden:
Art. 43.
Telkens nadat het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht
is herleefd op grond van artikel 21, eindigt de uitkering zoveel later
dan de in artikel 42, eerste, tweede en derde lid, bedoelde periode als
de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering
heeft geduurd.
FF. [MvT]
In artikel 44 en 45, eerste lid, wordt "deze afdeling"
vervangen door: dit hoofdstuk.
GG. [MvT]
Artikel 47 komt te luiden:
Art. 47.
-1. De uitkering bedraagt gedurende de eerste twee maanden per dag 75%
van het dagloon. Vanaf de derde maand bedraagt de uitkering per dag 70%
van het dagloon.
-2. Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering
zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, niet volledig heeft verloren of
wiens verlies van arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering wijziging
ondergaat, bedraagt de uitkering het op grond van het eerste lid
vastgestelde percentage van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal
uren werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren
voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar
zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het
intreden van het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing
van artikel 16.
-3. Het tweede lid vindt geen toepassing voor zover bij de vaststelling
of een herziening van het dagloon met de omstandigheden, bedoeld in dat
lid, rekening is gehouden.
HH. [MvT]
In artikel 61 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding "-1."
voor het eerste lid.
II. [MvT]
Artikel 62 komt te luiden:
Art. 62.
-1. Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de
werknemer wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd
voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in
artikel 61, tenzij:
a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die
tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden
die tot die toestand hebben geleid; of
b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon,
vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel
61, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 en
dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.
-2. Geen recht op uitkering over de in artikel
64, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde termijn van opzegging heeft de werknemer die niet
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, tenzij de werknemer:
a. wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt
is tot het verrichten van arbeid;
b. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de
Wet
arbeid en zorg; of
c. arbeid als werknemer of werkzaamheden verricht uit hoofde
waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd.
-3. De werknemer heeft geen recht op uitkering indien de aanvraag om een
uitkering is ingediend nadat 26 weken zijn verstreken na de dag waarop
de werkgever is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel
61. Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste
zin.
-4. Indien de werkgever, bedoeld in artikel 61, een vaste inrichting
heeft op het grondgebied van ten minste één lidstaat van de Europese
Unie of een in ten minste één andere lidstaat van de Europese Unie
wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger, bestaat slechts recht op
uitkering op grond van dit hoofdstuk indien de werknemer zijn arbeid
voor deze werkgever gewoonlijk verricht of verrichtte voor een vaste
inrichting van de werkgever in Nederland of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger van de werkgever.
JJ. [MvT]
Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:
1. "artikel 61, eerste lid" wordt
telkens vervangen door: artikel 61.
2. "de het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen" wordt telkens vervangen door: het UWV.
KK. [MvT]
De artikelen 64 tot en met 66 komen te luiden:
Art. 64. [MvT]
-1. Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat:
a. het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk
voorafgaande aan:
1º. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;
2º. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden
eindigt;
3º. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt; of
4º. de dag van opzegging van de dienstbetrekking;
b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende
termijn van opzegging of de termijn van opzegging die zou hebben
gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede
lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens
artikel 40 van de Faillissementswet
ten aanzien van de werknemer
geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt
overschreden; en
c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen die de
werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden
verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan
het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1º, 2º, 3º, of de
in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.
-2. Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het
recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten
hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de
dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs had moeten
worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een
later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is
beëindigd of opgezegd.
-3. De hoogte van de uitkering van het vakantiegeld, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, wordt berekend op grond van de aanspraak
op vakantiedagen die de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking
heeft, met dien verstande dat de uitkering niet meer bedraagt dan het
vakantiegeld over het aantal vakantiedagen dat hij kan verwerven in een
jaar waarin hij een dienstbetrekking met de werkgever, bedoeld in
artikel 61, heeft en waarin hij gedurende de volledig overeengekomen
arbeidsduur recht op loon heeft.
Art. 65. [MvT]
-1. Op de uitkering, bedoeld in artikel 64, worden geheel in mindering
gebracht:
a. de inkomsten uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden uit
hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd, verricht tijdens
de periode, bedoeld in artikel 64, eerste lid,
onderdeel a en b;
b. de vakantiedagen en vakantiebijslag verworven uit arbeid als
werknemer en uit werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer
wordt beschouwd, verricht tijdens de periode, bedoeld in artikel
64,
eerste lid, onderdeel a en b;
c. de door een werkgever niet zijnde de werkgever, bedoeld in
artikel 61, verrichte betalingen van bedragen die hij in verband met de
dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is; en
d. de inkomsten wegens loonderving over de periodes, bedoeld in
artikel 64, eerste lid, onderdeel a en b. De eerste zin
is niet van toepassing indien de werknemer deze inkomsten,
vakantiedagen, vakantiebijslag of betalingen reeds ontving naast
respectievelijk de inkomsten, vakantiedagen, vakantiebijslag of
betalingen uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij recht op
uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft.
-2. Door de werkgever, bedoeld in artikel 61, verrichte betalingen van
verplichtingen als bedoeld in artikel 64, eerste lid,
onderdeel a,
b en c, worden voor ieder van die verplichtingen afzonderlijk
toegerekend aan de periode voorafgaand aan een periode als bedoeld in
die onderdelen, indien de werknemer een vordering tot betaling van die
verplichtingen heeft op de werkgever die op die beide periodes
betrekking heeft.
Art. 66. [MvT]
-1. De vorderingen van de werknemer en derden op de werkgever, bedoeld
in artikel 64, eerste lid, gaan over op het UWV,
voor zover deze
vorderingen door het UWV worden voldaan.
-2. Het UWV verhaalt de door werkgevers verschuldigde premies op grond
van Wet financiering sociale verzekeringen over de uitkering, bedoeld in
dit hoofdstuk, op de werkgever.
-3. De vorderingen van het UWV, bedoeld in het eerste en tweede lid,
zijn bevoorrecht op alle goederen van de werkgever en gaan boven alle
andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288,
onderdeel a, alsmede die van artikel 284 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
LL.³ [MvT]
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt na de
puntkomma ingevoegd: en.
2. Onderdeel b vervalt, onder
verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.
MM. [MvT]
In artikel 68 wordt "De artikelen 17 tot en met
21, 28, 41 en
52a
tot en met 52i" vervangen door: De artikelen 17 tot en met
21, 28, 35, 41,
42, 42a en
47.
NN. Vervallen.
OO. [MvT]
In de artikelen 72, 72a,
76, 76a, 77a,
79 en 130
wordt "hoofdstuk IIa of IIb" telkens vervangen
door: hoofdstuk II.
OOa.
Artikel 72a komt te luiden:
Art. 72a.
-1. De overheidswerkgever heeft tot taak de inschakeling in de arbeid te
bevorderen van:
a. een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als
overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering
op grond van hoofdstuk IIa of IIb;
b. een overheidswerknemer die kan aantonen dat de
dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar het
oordeel van de CWI redelijkerwijs valt aan te
nemen dat hij recht zal hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk
IIa of IIb.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het ten behoeve van een persoon als bedoeld
in het eerste lid sluiten van een individuele reïntegratieovereenkomst
met een reïntegratiebedrijf.
OOb.
In artikel 73 wordt voor "noodzakelijk geachte voorziening"
ingevoegd: of de overheidswerkgever.
OOc.
In artikel 76a, eerste lid, vervalt "ter uitvoering van de
taak, genoemd in artikel 72,".
PP. [MvT]
In artikel 76, eerste lid, wordt "het desbetreffende hoofdstuk"
vervangen door: dat hoofdstuk.
PPa.
Na artikel 77 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 77a.
-1. Het UWV kan een werknemer toestemming
verlenen om gedurende maximaal zes maanden werkzaamheden in de
uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een
beroep te verrichten, indien:
a. aannemelijk is dat de werknemer in de toekomst met die
werkzaamheden structureel in zijn bestaan kan voorzien;
b. de werkzaamheden nog geen aanvang hebben genomen;
c. de werknemer recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk
IIa of IIb, anders dan op
grond van artikel 18;
d. de werkloosheid van de werknemer niet uitsluitend een gevolg
is van verkorting van de werktijd waarvoor op grond van artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend; en
e. deze toestemming tijdens de uitkeringsduur niet eerder aan de
werknemer is verleend.
-2. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, blijft, onverminderd artikel
20, eerste lid, aanhef en onder e, het recht op uitkering op
grond van hoofdstuk IIa of IIb
bestaan.
-3. De werknemer aan wie toestemming is verleend als bedoeld in het
eerste lid wordt geacht werknemer te zijn en te blijven zolang die
toepassing duurt.
PPb.
In artikel 78 wordt "artikel
75, 76, 76a
of 77"
vervangen door: artikel 75, 76,
76a, 77 of
77a.
QQ.² [MvT]
Aan artikel 79, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel
toegevoegd, luidende:
c. gedurende de eerste dertien weken van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, waarbij artikel
20, zevende
lid, van overeenkomstige toepassing is.
RR. Vervallen.
SS. Vervallen.
TT. Vervallen.
UU. [MvT]
De artikelen 125 en 126 vervallen, onder vernummering van
artikel 126c tot artikel
126.
VV. [MvT]
Aan hoofdstuk Xb wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het
laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 130o. [MvT
+ bis]
-1. De artikelen 15, 16,
17, 17a, 17b,
17c, 18, 19,
23, 24, 27,
28, 35c, 42,
43, 47, 52a tot en met 52i,
72, 72a, 76,
76a, 77a,
79 en 130 en de daarop
berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag vóór inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel J, van de Wet wijziging WW-stelsel blijven van
toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste
werkloosheidsdag is gelegen op of vóór die dag en de artikelen 42a
en 42b blijven buiten toepassing met betrekking tot dat recht.
-2. Indien dit een langere duur van het recht op uitkering ten gevolge
heeft, blijven de artikelen 42, 43,
52g en 52h, zoals die
luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
BB, van
de in het eerste lid genoemde wet, tot vijf jaar na die dag van
toepassing met betrekking tot het recht op uitkering van de persoon die
op of vóór die dag recht op uitkering op grond van deze wet had, welk
recht eindigt of is geëindigd op grond van het verrichten van
werkzaamheden als werknemer, en die ter zake van de verrichte
werkzaamheden na die dag een nieuw recht op uitkering krijgt.
-3. De artikelen 16 en 31
en hoofdstuk IV en de daarop berustende
bepalingen zoals deze luidden op de dag vóór inwerkingtreding van
artikel I, onderdeel H, onder 1, van de in het eerste lid genoemde wet
blijven van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan
de eerste dag van de periode, bedoeld in artikel
64, onderdeel a,
zoals dat luidde op die dag, is gelegen op of vóór die dag.
-4. De artikelen 20 en 35 zoals deze luidden op de dag
vóór
inwerkingtreding van artikel I, onderdeel O, onder 1, van de in het
eerste lid genoemde wet blijven van toepassing op een verlies van
arbeidsuren dat heeft plaatsgevonden op of vóór die dag zolang er sprake
is van aftrek van arbeidsinkomsten op grond van artikel 35 zoals dat
luidde op die dag.
WW.² [MvT]
Aan hoofdstuk Xb wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het
laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 130q. [MvT
+ bis]
De artikelen 19, 20,
27, 43 en 79 en de daarop berustende bepalingen
zoals deze luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I,
onderdeel EE, van de Wet wijziging WW-stelsel blijven van toepassing met
betrekking tot een recht op uitkering van de persoon wiens eerste dag
tot ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte is
gelegen op of vóór die dag.
XX.
Aan hoofdstuk Xb wordt een artikel waarvan de nummering aansluit
op het laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 130n.
De periode waarbinnen de hoedanigheid van werknemer kan worden herkregen
op grond van artikel 8, tweede lid, bedraagt
ten hoogste 38 maanden voor de persoon die vóór de dag van
inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van de
Wet wijziging WW-stelsel recht op uitkering op grond van deze wet had.
YY.
Na artikel 135a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 135b.
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de
datum van inwerkingtreding van de onderdelen Aa, Ya
en PPa van artikel I van de Wet wijziging WW-stelsel
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten in de praktijk van de artikelen 8,
tweede lid, 35aa en 77a
van deze wet, zoals die artikelen vanaf die datum komen te luiden.
1. Bij Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, is het tijdstip van
inwerkingtreding van de onderdelen A, N,
onder 1 en 3 tot en met 7, P, X en CCa
bepaald op 1 januari 2007, red.
2. Bij Besluit van 28 juni 2006, Stb. 2006,
304, is het tijdstip van inwerkingtreding van de onderdelen
H, onder 2, N, onder 2, O, onder
3 en 4, T, onder 3 tot en met 6, EE,
QQ en WW bepaald
op 1 mei 2007, red.
3. Ingevolge het Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, treedt onderdeel
LL niet in werking (zie de nota van
toelichting bij dat besluit), red.
Art.
II. Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers zoals deze komt te luiden indien artikel
II van het bij koninklijke boodschap van 7 september 2004 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de
Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met aanscherping van
de wekeneis (Kamerstukken 29 738) tot
wet is verheven en in werking is getreden, wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 2 komt te luiden:
Art. 2.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
werkloze werknemer: de persoon die:
1º. werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;
2º. na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden;
en
3º. nadien de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II van de
Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op
grond van artikel 76 van die
wet, heeft bereikt, tenzij op dat tijdstip
een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond
van artikel 27, eerste of tweede lid, van de
Werkloosheidswet van
toepassing is.
B. [MvT]
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt "artikel 47
of artikel 52i van de Werkloosheidswet" vervangen door:
artikel 47 van de Werkloosheidswet.
2.¹ Het vijfde lid vervalt, onder
vernummering van het zesde lid tot vijfde lid.
3.¹ In het vijfde lid (nieuw) wordt de
zinsnede "Het vierde en vijfde lid zijn" vervangen door: Het
vierde lid is.
C. [MvT]
Aan hoofdstuk VII wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het
laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 63b.
De artikelen 2 en 9 zoals deze luidden op de dag
vóór inwerkingtreding
van artikel II van de Wet wijziging WW-stelsel blijven van toepassing
op de persoon wiens eerste werkloosheidsdag als bedoeld in de
Werkloosheidswet is gelegen op of vóór die dag.
1. Ingevolge het Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, treedt onderdeel
B, onder 2 en 3, niet in werking (zie de nota
van toelichting bij dat besluit), red.
Art.
III. Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
[MvT]
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:
aA.¹
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het zevende tot
en met elfde lid tot het achtste tot en met twaalfde lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
-7. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, worden
niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in begrip
van een bij ministeriële regeling nader te bepalen kalenderjaar, waarin
een persoon inkomsten ontvangt voor het verlenen van zorg op grond van
een regeling voor persoonsgebonden budget die is gegrond op artikel
44,
eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten of die voldoet aan artikel 14a
van de Zorgverzekeringswet, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren
waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen, tenzij hij deze
inkomsten ontvangt uit arbeid als bedoeld in artikel
6, eerste lid,
onderdeel e, van de Ziektewet. De eerste zin is uitsluitend van
toepassing indien de in de eerste zin bedoelde persoon aantoont dat deze
zorgverlening aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan. Die persoon
wordt aangemerkt als verzorgend persoon. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van
dit lid.
2. In het achtste lid (nieuw) wordt "Het
vijfde en zesde lid" vervangen door: Het vijfde, zesde en zevende
lid.
3. In het twaalfde lid (nieuw) wordt "negende
lid" vervangen door: tiende lid.
A. [MvT]
Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
-3. De verzekerde die recht heeft op een loongerelateerde uitkering van
de WGA-uitkering en arbeid in dienstbetrekking verricht, is verplicht:
a. zich te onthouden van verwijtbaar gedrag dat aangemerkt kan
worden als een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de dienstbetrekking niet door of op zijn verzoek te laten
beëindigen zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden
gevergd.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. Het door de verzekerde, bedoeld in het derde lid, niet voeren van
verweer tegen of het instemmen met een beëindiging van de
dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot
overtreding van de verplichting, bedoeld in het derde lid, aanhef en
onder a.
B. [MvT]
Aan artikel 32 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen
tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen hun op
grond van artikel 30, eerste lid, opgelegd.
C.² [MvT]
Artikel 59, eerste lid, komt te luiden:
-1. De duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is
drie maanden. De uitkeringsduur wordt verlengd met één maand voor ieder
volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie
kalenderjaren overstijgt, met dien verstande dat de totale
uitkeringsduur maximaal 38 maanden bedraagt.
D.² [MvT]
Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per
kalendermaand:
a. 0,75 x (C-D) over de eerste twee maanden waarin het recht op
uitkering bestaat; en
b. 0,7 x (C-D) vanaf de derde maand waarin het recht op
uitkering bestaat.
Hierbij staat C voor het maandloon en D voor het in
de betreffende kalendermaand verworven inkomen.
2. In het tweede lid wordt "Het eerste
lid is van overeenkomstige toepassing op de loonaanvullingsuitkering van
de WGA-uitkering" vervangen door: De hoogte van de
loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering komt overeen met de hoogte
van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,.
E.² [MvT]
Aan hoofdstuk 13 wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het
laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 133a. Overgangsrecht in verband met de inwerkingtreding van de
Wet wijziging WW-stelsel
Met betrekking tot de persoon wiens recht op een WGA-uitkering is
ontstaan vóór de dag van inwerkingtreding van artikel III,
onderdeel C
en D, van de Wet wijziging WW-stelsel blijven de artikelen 59 en
61,
zoals die luidden op die dag, van toepassing met betrekking tot dat
recht.
1. Bij Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, is het tijdstip van
inwerkingtreding van onderdeel aA bepaald op 1
januari 2007, red.
2. Bij Besluit van 28 juni 2006, Stb. 2006,
304, is het tijdstip van inwerkingtreding van de onderdelen
C, D en E bepaald op 1 januari 2008, red.
Art.
IV. Wijziging van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria [MvT]
De Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria wordt als volgt gewijzigd:
A.¹ [MvT]
In artikel 4, vijfde lid, wordt "artikel
19, eerste lid, onderdeel f,
h of k" vervangen door: artikel
19, eerste lid,
onderdeel e, g of j.
B. [MvT]
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "hoofdstuk
IIa van de Werkloosheidswet" vervangen door:
hoofdstuk II van de Werkloosheidswet.
2. In het tweede lid wordt "de
artikelen 17, 17a en 17b
van de Werkloosheidswet"
vervangen door: de artikelen 17, 17a,
42 en 42a
van de Werkloosheidswet.
C. [MvT]
In artikel 5b, eerste lid, wordt "hoofdstuk
IIa, afdeling II,
van de Werkloosheidswet" vervangen door: hoofdstuk II van de
Werkloosheidswet.
1. Bij Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, is het tijdstip van
inwerkingtreding van onderdeel A bepaald op 1 januari
2007, red.
Art.
V. Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen [MvT]
De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Aan artikel 30, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
q. de overheidswerkgever, bedoeld in artikel
72a van de Werkloosheidswet, op diens
verzoek te adviseren met betrekking tot door die werkgever te verlenen
ondersteuning aan de overheidswerknemer aan wie toestemming als bedoeld
in artikel 77a van de Werkloosheidswet
is verleend.
B. [MvT]
In artikel 83i, vierde lid, wordt
"artikel 17b van de Werkloosheidswet"
vervangen door: artikel 42a van de Werkloosheidswet.
Art.
VI. Wijziging van de Wet kinderopvang [MvT]
In artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van de Wet
kinderopvang wordt "hoofdstuk IIa
of IIb van de Werkloosheidswet" vervangen
door: hoofdstuk II van de Werkloosheidswet.
Art.
VII. Wijziging van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen [MvT]
In artikel 45b, eerste lid en derde lid,
van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen wordt "hoofdstuk IIa
van de Werkloosheidswet" vervangen door: hoofdstuk II van de
Werkloosheidswet.
Art.
VIII. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen
[MvT]
De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A.² [MvT]
Artikel 100, onderdeel a, komt te luiden:
a. de op grond van deze wet te betalen uitkeringen:
1º. met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel
104, eerste
lid;
2º. met inbegrip van de uitkeringen, bedoeld in artikel
104, zevende
lid;.
B. Vervallen.
C. [MvT]
Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt "De
artikelen 21 en 52d van de Werkloosheidswet zijn" vervangen
door: Artikel 21 van de Werkloosheidswet is.
2.² Er worden twee leden toegevoegd,
luidende:
-7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen de
uitkeringen die worden betaald gedurende de eerste dertien weken van
ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte, niet ten laste van een sectorfonds. Artikel
20, zevende
lid, van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.
-8. Voor de bepaling van de periode van zes maanden, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, worden perioden waarin de werknemer
uitkering ontvangt als bedoeld in het zevende lid, buiten aanmerking
gelaten.
D. [MvT]
Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel j,
wordt "artikel 22b, eerste lid," vervangen door:
artikel 23, eerste lid,.
2. Aan het eerste lid wordt een onderdeel
toegevoegd, luidende:
o. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitvoering
van artikel 30, eerste lid, onderdeel q,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen.
E. [MvT]
Aan hoofdstuk 7a wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het
laatste artikel van dat hoofdstuk toegevoegd, luidende:
Art. 122f.
Artikel 104, derde lid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding
van artikel VIII, onderdeel C, onder 1, van de Wet wijziging WW-stelsel
blijft van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering waarvan
de eerste werkloosheidsdag is gelegen op of vóór die dag.
2. Bij Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, is het tijdstip van
inwerkingtreding van de onderdelen
A en C, onder 2, bepaald
op 1 mei 2007, red.
Art.
IX. Wijziging van de Ziektewet [MvT]
De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A.² [MvT]
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, onderdeel d, komt
te luiden:
d. de verzekerde die:
1º. op grond van artikel 7, onderdeel a, als werknemer wordt
beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week van de
ongeschiktheid tot werken of zoveel eerder als de uitkering, bedoeld in
dat onderdeel, eindigt in verband met het verstrijken van de
uitkeringduur;
2º. op grond van artikel 7, onderdeel b, als werknemer wordt
beschouwd, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-11. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, onder 1º,
worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8
of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
B.² [MvT]
In artikel 36, eerste lid, wordt na "omdat aan het overlijden geen
periode van arbeidsongeschiktheid voorafging" ingevoegd: of artikel
29, tweede lid, onderdeel d, onder 1º, van toepassing was.
C. [MvT]
Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege, indien voor
dezelfde gedraging:
a. een boete als bedoeld in artikel 45a
wordt opgelegd;
b. een maatregel op grond van artikel 27, vierde lid, van de
Werkloosheidswet wordt opgelegd; of
c. een boete als bedoeld in artikel 27a
van de
Werkloosheidswet wordt opgelegd.
2.² Er worden
twee leden toegevoegd, luidende:
-7. Onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j,
wordt mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke
grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een
beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel
29, eerste lid.
-8. Indien aan de verzekerde die op grond van artikel
7, onderdeel a,
als werknemer wordt beschouwd in de eerste dertien weken van zijn
ongeschiktheid tot werken een maatregel op grond van artikel
27, vierde
lid, van de Werkloosheidswet is opgelegd, wordt de beschikking waarbij
die maatregel is opgelegd vanaf de eerste dag van de veertiende week van
zijn ongeschiktheid of zoveel eerder als de uitkering op grond van de
Werkloosheidswet eindigt in verband met het verstrijken van de
uitkeringsduur, geacht te zijn gebaseerd op het eerste lid.
D.² [MvT]
Aan artikel 45a wordt een lid toegevoegd, luidende:
-8. Het opleggen van een boete blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een boete als bedoeld in artikel 27a
van de
Werkloosheidswet wordt opgelegd.
E.² [MvT]
Na artikel 86 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 86a.
Ten aanzien van de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel IX, onderdeel A en
B, van de
Wet wijziging WW-stelsel blijven de artikelen
29, tweede lid, onderdeel
d, en 36, eerste lid, van toepassing zoals deze luidden op of
vóór dat tijdstip en blijft artikel 29, elfde lid, buiten toepassing.
2. Bij Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, is het tijdstip van
inwerkingtreding van de onderdelen
A, B, het in onderdeel C, onder
2, voorgestelde artikel 45, achtste lid, van
de Ziektewet, D en E
bepaald op 1 mei 2007, red.
Art.
X.
Vervallen.
Art.
XI. Vervallen.
Art.
XII. Vervallen.
Art.
XIII. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 28 juni 2006, Stb. 2006, 304, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 oktober 2006, met uitzondering van de in dat
besluit genoemde artikelen en onderdelen daarvan, red.
Art.
XIV. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet wijziging WW-stelstel.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
28 juni 2006
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de negenentwintigste
juni 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|