|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 370
Wijziging
van de Werkloosheidswet en enige andere wetten
in verband met de wijziging van het WW-stelsel en wijziging van het
ontslagrecht (Wet wijziging WW-stelsel en ontslagrecht) ¹
1. Tijdens de
parlementaire behandeling is de wijziging van het ontslagrecht
geschrapt, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding voor het wetsvoorstel |
| 1.1 |
Inleiding |
| 1.2 |
Toekomstbestendigheid WW |
| 1.3 |
Deregulering WW |
| 1.4 |
Pro-formaproblematiek |
| 1.5 |
Bedrijfseconomisch
ontslag |
| 1.6 |
SER-advies
Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet |
| 2 |
Doelstelling en inhoud van het wetsvoorstel |
| 2.1 |
Inleiding |
| 2.2 |
Al verwerkte
onderdelen SER-advies |
| 2.3 |
Doelstelling |
| 2.4 |
Overige voorstellen
SER |
| 3 |
Wijziging polisvoorwaarden WW |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Huidige situatie |
| 3.3 |
Vervanging van de
kortdurende uitkering door de basisuitkering |
| 3.4 |
De hoogte van de
basisuitkering |
| 3.5 |
De duur van de
verlengde uitkering |
| 3.6 |
Voorstellen SER
m.b.t.
het arbeidsverleden |
| 3.7 |
Doorwerking naar
Wet WIA |
| 4 |
Meer nadruk op preventie van werkloosheid |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
De preventieprikkel |
| 4.3 |
Poortwachtertoets WW |
| 4.4 |
Sollicitatieplicht
WW |
| 5 |
Versoepeling ontslagrecht en ontslagpraktijk |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Advies Stichting van
de Arbeid |
| 5.3 |
Heroverweging
lifo-beginsel in relatie tot ouderen |
| 5.4 |
Beperking
verwijtbaarheidstoets WW |
| 6 |
Deregulering en vereenvoudiging van de WW |
| 6.1 |
Algemeen |
| 6.2 |
Zieke werkloze |
| 6.3 |
Aanpassing van
hoofdstuk IV WW |
| 6.4 |
Werkhervattingen van
kleine omvang |
| 7 |
Overgangsrecht |
| 8 |
Commentaren en adviezen |
| 8.1 |
Het UWV |
| 8.2 |
De Inspectie Werk en
Inkomen |
| 8.3 |
De CWI |
| 8.4 |
Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal) |
| 8.5 |
De Raad voor de
rechtspraak |
| 9 |
Financiële effecten |
| 9.1 |
Inleiding |
| 9.2 |
Wijzigingen
polisvoorwaarden |
| 9.3 |
De preventieprikkel |
| 9.4 |
Versoepeling
ontslagpraktijk: de beperking van de verwijtbaarheidstoets |
| 9.5 |
Deregulering WW |
| 9.6 |
Gevolgen voor de
ontslagkosten en de administratieve lasten voor het bedrijfsleven |
| 9.7 |
Gevolgen voor de
administratieve lasten voor burgers |
| 9.8 |
Voorlichtingskosten |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XII |
Algemeen
Hoofdstuk
1. Aanleiding voor het wetsvoorstel
1.1. Inleiding
In het
onderhavige wetsvoorstel komen drie min of meer onafhankelijk van elkaar
ontwikkelde beleidslijnen samen. Dit betreft in de eerste plaats de
uitkomsten van het onderzoek naar de toekomstbestendigheid van de
Werkloosheidswet (WW). In de tweede plaats gaat het om het wettelijke sluitstuk van het besluit
om de WW te dereguleren en inzichtelijker te maken. Tot slot bevat dit
voorstel de wetswijzigingen die nodig zijn om de ontslagpraktijk te
versoepelen. De WW is de belangrijkste gemeenschappelijke noemer in het
wetsvoorstel. De eerste twee beleidslijnen hebben rechtstreeks betrekking
op de vormgeving en de maatvoering van de huidige
werkloosheidsverzekering. Maar ook bij het oplossen van problemen in het kader
van de ontslagpraktijk speelt de WW een rol. De aanpak van de ontslagpraktijk vergt tevens wijziging van het
Burgerlijk
Wetboek (BW), het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en de Wet
melding collectief ontslag (Wmco).
De verschillende
aanleidingen voor dit wetsvoorstel worden hieronder uiteengezet, met inbegrip
van het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER)
Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet. In hoofdstuk 2 van de memorie van
toelichting is de doelstelling van de voorgestelde wijzigingen vermeld. Daarbij is
aangegeven welke maatregelen in het kader van die doelstelling
voorafgaand aan dit wetsvoorstel al in gang zijn gezet en hoe de onderdelen van
dit wetsvoorstel zich daartoe verhouden.
In de hoofdstukken 3 tot en met 6 zijn de concrete voorstellen beschreven,
geclusterd naar:
• meer activerende
polisvoorwaarden (hoofdstuk 3);
• meer nadruk op
preventie en reïntegratie (hoofdstuk 4);
• versoepeling van de
ontslagpraktijk (hoofdstuk 5); en
• deregulering van de
WW (hoofdstuk 6).
Hoofdstuk 7 bevat een
toelichting op het voorgestelde overgangsrecht. In hoofdstuk 8 wordt
ingegaan op de uitvoeringstechnische commentaren rblz.|2|
en de adviezen die in het
kader van de voorbereiding van dit wetsvoorstel zijn ontvangen. Daarbij
komen de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de voorgestelde wijzigingen aan de orde. Tot slot worden de financiële
effecten van de
voorstellen toegelicht in hoofdstuk 9.
1.2.
Toekomstbestendigheid WW
Voor de houdbaarheid van
een solidaire en solide werkloosheidsverzekering is essentieel dat deze
een sterke activerende werking heeft en bijdraagt aan een
dynamische arbeidsmarkt. Deze constatering was in 2003 aanleiding voor een
onderzoek naar de mate waarin de
WW deze functies vervult. Daarbij
is aandacht besteed aan mogelijke bedreigingen die uitgaan van
waarneembare en te verwachten ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de
samenleving. Centraal in het onderzoek stond de vraag naar de toekomstbestendigheid van de WW, uitgewerkt als de vraag
naar de effecten van de
beschreven ontwikkelingen op het financiële en maatschappelijke
draagvlak voor de WW. Als relevante arbeidsmarktontwikkelingen zijn hierbij aangemerkt
de vergrijzing en de toenemende tweedeling tussen hoger
en lager opgeleiden als gevolg van technologische ontwikkelingen. De
toegenomen differentiatie in samenlevingsvormen en levenslopen en de
flexibilisering van arbeidsverhoudingen zijn in het onderzoek geduid
als de relevante maatschappelijke ontwikkelingen voor de legitimiteit en
de financierbaarheid van de WW.
Op basis van dit
onderzoek heeft het kabinet begin 2004 de notitie Toekomstverkenning WW
vastgesteld.¹ Deze notitie beschrijft de functies van de WW als tijdelijke
inkomensgarantie bij werkloosheid en als "smeermiddel" op de
arbeidsmarkt. De werkloosheidsverzekering bevordert de circulatie op de arbeidsmarkt en draagt bij aan een goede arbeidsallocatie.
Deze arbeidsmarktfuncties
bevorderen de dynamiek op de arbeidsmarkt.
Daar staat tegenover dat
een werkloosheidsverzekering - als iedere verzekering - moral hazard uitlokt,
gedrag dat bijdraagt aan het beroep op de verzekering. Werkgevers
kunnen hun leeglooprisico afwentelen op de WW; een te royale
uitkering kan tot gevolg hebben dat werknemers zich minder inspannen om werk
te vinden of te behouden.
1. Bijlage bij brief aan
de Tweede Kamer van
2 februari 2004, SV/F&W/04/7199.
De notitie beschrijft
enkele groepen die een veel groter dan evenredig beroep doen op de
WW en
signaleert vormen van onwenselijk gebruik van de WW. Het merendeel
van de werklozen stroomt relatief snel weer uit naar werk. Vooral
oudere werknemers bereiken echter hun volledige uitkeringsduur. Dit is
een aanwijzing voor het gebruik van de WW als route voor uittreding uit
het arbeidsproces. Voorts doen enkele sectoren met een sterk cyclische
of seizoenmatige productie een groot beroep op de WW.
De notitie concludeert
dat een goede balans tussen inkomensbescherming en economische
doelmatigheid voor de functies van de
WW van wezenlijk belang is.
Daarnaast is van belang dat in de WW een werkbaar evenwicht bestaat tussen
het streven naar rechtmatigheid (waaronder het tegengaan van moral
hazard) en de uitvoerbaarheid en inzichtelijkheid van de regeling. De
notitie inventariseert ten slotte aangrijpingspunten voor
beleid op het terrein van polisvoorwaarden, financiering, het
reïntegratie- en sanctiebeleid en het ontslagrecht.
Het kabinet heeft de
notitie op 3 februari 2004 voor advies aan de SER gezonden. Het kabinet
verzocht de SER te bezien of de
WW voldoende toegesneden is op actuele
trends en toekomstige ontwikkelingen. De SER diende daarbij de
ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en binnen de sociale zekerheid te betrekken en
aandacht te besteden aan mogelijkheden om de WW eenvoudiger en minder
administratief belastend te maken. Naar rblz.|3|
aanleiding van het
Najaarsakkoord van 5 november 2004 heeft het kabinet verklaard dat het zijn
voornemens met betrekking tot de afschaffing van de kortdurende uitkering
en het verrekenen van ontslagvergoedingen zou aanhouden om de SER
in de
gelegenheid te stellen een advies uit te brengen over een
toekomstbestendige inrichting van de WW. Het kabinet stelde de SER hierbij in
de gelegenheid om alternatieven aan te dragen voor de aanscherping van
de wekeneis en de overige voornemens voor wijziging van de WW.
1.3. Deregulering WW
Mede naar aanleiding van
de bevindingen van de Inspectie voor werk en inkomen
(IWI) en haar voorganger is al diverse malen de aandacht
gevraagd voor de
complexiteit en de uitvoerbaarheid van de
WW. De rechtmatigheid van de
uitvoering van de WW blijft al jaren onder de streefwaarde. De complexe regels in de WW zorgen voor veel
uitvoeringstechnische
problemen en gaan ten
koste van de inzichtelijkheid voor werkgevers en werknemers. Dit leidt
tot onnodige belasting van het bedrijfsleven en van burgers en
ondergraaft het draagvlak voor de WW.
In 2003 heeft een
ambtelijke stuurgroep van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en SZW een groot
aantal voorstellen gedaan om de
WW een aanverwante
regelgeving te vereenvoudigen.¹ Een deel van de voorstellen kon
onmiddellijk worden geïmplementeerd of is opgepakt in het kader van andere
trajecten, zoals de Wet administratieve
lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten
(Walvis).² De overige voorstellen zijn beoordeeld op hun
beleidsmatige consequenties en financiële effecten. Dit heeft geleid tot aanpassingen in de lagere regelgeving en in
de uitvoering van de WW.
Over enkele resterende dereguleringsvoornemens die wetswijziging vergen,
is op 2 december 2004 advies gevraagd aan de SER.³
1. Stuurgroep deregulering
sociale verzekeringen, Bouwstenennotitie
deregulering SV, mei 2003.
2. Wet van 24 juni 2004, Stb. 2004,
311.
3. Brief van 2 december
2004, SV/DEREG/2004/83083a.
1.4.
Pro-formaproblematiek
Ook voor het fenomeen van
de pro-formaontslagprocedures bij de Centrale organisatie voor
werk en inkomen (CWI) en bij de kantonrechter is al vele malen de
aandacht gevraagd. Bij pro-formaprocedures bestaat tussen de werknemer en de
werkgever overeenstemming over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar wordt desondanks een ontslagprocedure
gevoerd. De formele
bekrachtiging van het ontslag, in de vorm van een ontslagvergunning
dan wel een ontbindingsbeschikking, dient bij het overgrote deel van
deze procedures om te kunnen aantonen dat de werkloosheid niet aan de
werknemer te verwijten is. Hiermee wordt dus uitsluitend beoogd de
aanspraak van de werknemer op een
WW-uitkering veilig te stellen.
Bij de
Wet flexibiliteit en zekerheid is eerder getracht de
pro-formaproblematiek in te dammen door
uitdrukkelijk te bepalen dat van verwijtbare werkloosheid geen sprake
is als de CWI goedkeuring verleent voor een uitsluitend op
bedrijfseconomische gronden gemotiveerd ontslag.¹ Ook het Landelijk
instituut sociale verzekeringen heeft met het Besluit
verweer tegen ontslag getracht pro-formaontslagprocedures
overbodig te maken.² In de praktijk
hebben deze maatregelen niet geleid tot een substantiële
terugdringing van deze procedures.
Met dit wetsvoorstel wil
de regering duidelijkheid bieden over de toets op verwijtbare werkloosheid.
Daartoe wordt het bereik van de verwijtbaarheidstoets beperkt en wordt
expliciet bepaald dat instemming met een ontslag of het nalaten
van een verweer tegen een (aangezegd) ontslag als zodanig geen grond meer
kan zijn voor verwijtbare werkloosheid. Hiermee
wordt duidelijk dat een pro-formaontslagprocedure
voor de rblz.|4|
aanspraak op een
WW-uitkering geen enkele functie heeft. De rechtspraktijk zal zich naar verwachting
hieraan aanpassen.
1. Wet van 14 mei 1998,
Stb. 1998, 300.
2. Stcrt. 1997,
229.
1.5. Bedrijfseconomisch
ontslag
Naast de hierboven
genoemde maatregelen ter oplossing van de pro-formaproblematiek,
worden maatregelen voorgesteld ter versoepeling en vereenvoudiging van de
procedure bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen. Het gaat dan met
name om heroverweging van het lifo-beginsel [lifo: last in, first out, red.]. Hiertoe wordt het
Ontslagbesluit gewijzigd. In plaats van het lifo-beginsel wordt het
afspiegelingsbeginsel de hoofdregel voor de ontslagselectie bij
bedrijfseconomische ontslagen. Ontslagen worden aldus meer gespreid over
werknemers in de verschillende leeftijdscategorieën waardoor niet langer de
laatst binnengekomen werknemers als eerste voor ontslag in
aanmerking komen. Dat is gunstig voor nieuwe toetreders tot de
arbeidsmarkt, zoals jongeren en herintredende vrouwen. Voorts zullen collectieve
ontslagen niet langer op bedrijfseconomische noodzaak worden getoetst
als werkgever en vakbonden daarover overeenstemming hebben bereikt.
Aanvullend op deze
wijzigingen in het Ontslagbesluit bevat het onderhavige wetsvoorstel het
voornemen om de partijen bij een CAO de bevoegdheid te geven zelf
ontslagcriteria vast te stellen die afwijken van de wettelijke regels. Hierdoor ontstaat
voor sociale partners op decentraal niveau de mogelijkheid om in ontslagcriteria rekening te houden met de specifieke
omstandigheden in een
onderneming of bedrijfstak.
1.6. SER-advies
Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet
De SER
heeft op 15 april
2005 zijn advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet vastgesteld.¹ In dit advies formuleerde de SER zijn visie op de functies en op de
knelpunten van de
WW. Op basis hiervan deed de SER voorstellen voor
aanpassing van de WW.
1.
SER, 15 april 2005, publicatienummer 5.
De
SER acht de
WW van
belang in het kader van de inkomensbescherming van werknemers, maar eveneens voor het functioneren van
de arbeidsmarkt (de
zogenoemde smeeroliefunctie en allocatiefunctie). Het karakter van de WW
als een sociale risicoverzekering met elementen van equivalentie,
solidariteit en collectiviteit dient volgens de SER behouden te blijven. De
vormgeving en maatvoering van de WW moet een vergroting van het
arbeidsaanbod stimuleren. Deze uitgangspunten nopen tot een goede
balans tussen het verzekeringselement en financiële prikkels, en tussen
solidariteit en doelmatigheid.
De
SER acht het beroep op
de
WW in het algemeen niet problematisch. De instroom is in
internationaal perspectief niet hoog. Het WW-bestand kent verder een redelijke
dynamiek. Het merendeel van de WW-gerechtigden stroomt
relatief snel weer uit. De problematiek van de WW ligt in het langdurige
gebruik door (vooral) ouderen en het herhaalde gebruik van vooral
laagopgeleiden. De financiële houdbaarheid en de legitimiteit van de WW
zijn volgens de SER niet in het geding. Er zijn geen overtuigende aanwijzingen
dat dit als gevolg van actuele en toekomstige trends als vergrijzing en
toenemende individualisering anders zou worden. Er bestaat een
stabiel maatschappelijk draagvlak voor een solidaire werkloosheidsverzekering.
Om de
WW meer robuust te
maken en om bestaande problemen aan te pakken, acht de SER
wel
een weloverwogen hervorming van de WW noodzakelijk. Hiervoor is een
evenwichtige meersporenaanpak aangewezen. Deze aanpak moet zowel
zijn gericht op de aanbodzijde als op de vraagzijde van de arbeidsmarkt. De
aanpak van de aanbodzijde vergt een rblz.|5|
versterking van de
activerende werking van de WW. Hiervoor acht de SER een aanpassing van het
uitkeringsregime nodig, alsmede een verbetering van het
reïntegratiebeleid en -instrumentarium. De SER stelt in dit verband voor de
toetredingsvoorwaarden aan te scherpen, de uitkeringsduur te verkorten en de
hoogte
van de uitkering na twee maanden te verlagen.
Voor werknemers die op of
na de leeftijd van 50 respectievelijk 60 jaar werkloos worden, stelt de
SER een aparte wettelijke inkomensvoorziening zonder vermogenstoets
voor. Deze voorziening zou volgens de SER omstreeks 2010
geëvalueerd moeten worden en kan "in die zin vooralsnog als een tijdelijk
arrangement worden gezien".
De aanpak van de
vraagzijde vergt investeringen in de employability van werknemers en meer
aandacht voor de preventie van werkloosheid, en daarmee voor de
WW-instroom. Een onnodig beroep op de WW kan in de eerste plaats worden
voorkomen door een adequaat preventiebeleid. Hiervoor zijn werkgevers
en werknemers op ondernemingsniveau en sociale partners op het
niveau van de sector (CAO-niveau) primair verantwoordelijk. De SER
bepleit in dit
verband op preventie gerichte prikkels voor werkgevers.
De SER doet daarnaast
aanbevelingen aan sociale partners en sectoren om nog voordat sprake is
van een serieuze ontslagdreiging al te investeren in employability en
scholing (primaire preventie). Als sprake is van overtolligheid en
ontslagdreiging, dienen sociale partners maatregelen te nemen om werkloosheid te
voorkomen of in duur te beperken (secundaire preventie). In dit
verband verwijst de SER met instemming naar de aanbeveling van de Stichting van de
Arbeid ter bevordering van preventie van werkloosheid en reïntegratie van werkloze werknemers van 15 april
2005.¹
1. Bijlage 8 bij SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet.
De
SER adviseert
ontslagvergoedingen niet in mindering te brengen op de
WW-uitkering. Hij
onderschrijft weliswaar de hiermee beoogde doelstellingen, maar acht de maatregel
ongeschikt, niet effectief en zelfs contraproductief. De anticumulatie van
ontslagvergoedingen zal, aldus de SER, de arbeidsmobiliteit verminderen en gaat ten koste van de flexibiliteit op
de arbeidsmarkt. De
uitvoeringskosten voor de CWI en de belasting van de rechterlijke macht zullen
daardoor toenemen. Daarnaast is de SER van oordeel dat anticumulatie
in strijd is met het verzekeringskarakter van de WW en is er spanning met
de vrijheid van collectief onderhandelen.
Met betrekking tot de
reïntegratie stelt de SER een aanpak voor waarbij gedurende de eerste
maanden het initiatief voor reïntegratie-inspanningen vooral bij betrokkene
zelf ligt. Na drie maanden dient een zeer intensieve
poortwachtertoets op deze reïntegratie-inspanningen plaats te vinden. Een
negatieve uitkomst moet leiden tot een sanctie of weigering van de
uitkering.
Met het oog op de
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is de SER
van oordeel dat de
WW in
beginsel zo eenvoudig en transparant mogelijk dient te zijn. De SER
stemt in met de dereguleringsvoorstellen van het kabinet. Ten aanzien van
de toets op verwijtbare werkloosheid gaat de SER een stap verder dan
het kabinet. De SER is van oordeel dat de toets op verwijtbare
werkloosheid moet worden beperkt tot gevallen waarin de werknemer zelf ontslag
neemt en gevallen waarin de werknemer vanwege een dringende reden op
staande voet is ontslagen dan wel de arbeidsovereenkomst wegens een dringende
reden is ontbonden.
De SER bepleit voorts een
beperking van de administratieve lasten, bijvoorbeeld door
vermindering van informatieverplichtingen en bundeling van gegevensstromen.
rblz.|6|
Op
basis van zijn visie op de functies van en de knelpunten in de
WW formuleert de SER onderstaande hoofdbestanddelen voor aanpassingen in de WW:
1. bevordering van de
preventie van werkloosheid, respectievelijk van preventie van het beroep
op de WW;
2. wijzigingen van de
polisvoorwaarden WW om het accent te verleggen van instroombeperking
naar uitstroombevordering;
3. wijziging of invoering
van een minimumvoorziening voor oudere werklozen;
4. verbetering van het
reïntegratiebeleid en -instrumentarium;
5. versoepeling van de
ontslagpraktijk.
Voorts stelt de
SER een
geleidelijke verschuiving in de financiering van de
WW voor. Deze voorstellen
behelzen dat werknemers een deel van de wachtgeldpremie gaan
betalen (nu 100% werkgeverspremie) en dat de premies voor het AWf
[Algemeen Werkloosheidsfonds, red.] niet
alleen door werkgevers en werknemers worden betaald, maar deels ook uit de algemene middelen worden gefinancierd
(tripartiete
financiering). Met het oog op vereenvoudiging en versterking van de equivalentie
verklaart de SER zich voorstander van een geleidelijke afschaffing van de
premievrije voet (franchise) voor de AWf-premie.
De kabinetsnotitie
Toekomstbestendigheid WW beschrijft eveneens enkele fundamentele beleidsmodaliteiten, zoals een
spaar-WW en een levenloop-WW. De SER
is
voornemens die modaliteiten te betrekken bij zijn advies over het
sociaal-economische beleid op middellange termijn. In het advies over de
WW
heeft de SER aangekondigd in dat advies ook het ontslagrecht nader te
zullen analyseren en daarbij tevens de systematiek van de
ontslagvergoedingen te betrekken.
Het kabinet heeft de SER
verzocht daarbij ook aandacht te besteden aan de vraag of, en zo ja, op
welke wijze bij ontslag rekening gehouden kan worden met (het ontbreken
van) employability-inspanningen van werkgever en/of werknemer. Na
ommekomst van dit advies zal het kabinet zich opnieuw beraden op het ontslagstelsel en de
ontslagvergoedingenpraktijk.
Hoofdstuk 2. Doelstelling
en inhoud van het wetsvoorstel
2.1. Inleiding
Het kabinet heeft zijn
reactie op het SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet op 29
april 2005 aan de Tweede Kamer gezonden.¹ Het kabinet onderschrijft de
opvatting van de SER dat de
WW en het ontslagrecht de dynamiek op de
arbeidsmarkt moeten ondersteunen. Bij een goede balans tussen inkomensbescherming en activering stimuleert de
WW de baanmobiliteit en
daarmee een efficiënte allocatie van de arbeid. Een versoepeling van de
ontslagpraktijk draagt eveneens bij aan een doelmatig functionerende
arbeidsmarkt. Een groter accent op arbeidsmarktdynamiek
betekent meer nadruk op uitstroom uit de WW naar betaalde arbeid. Dit
vergt zowel activerende polisvoorwaarden als een effectief preventie-
en reïntegratiebeleid.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 30 109, nr. 1.
De regering onderschrijft
de analyse van de SER dat de instroom in de
WW vooral een probleem is als die gepaard gaat met een lage dynamiek. Uit onderzoeken die in
het kader van de toekomstverkenning van de WW zijn verricht, blijkt dat
het merendeel van de werklozen het werk binnen zes maanden hervat.¹ Deze onderzoeken tonen wel een geconcentreerd
gebruik van de WW aan
door bepaalde categorieën werklozen. Problematisch is vooral het langdurige
beroep van ouderen op de WW en de rblz.|7|
herhalingswerkloosheid in
bepaalde sectoren. Voor een deel zijn deze problemen het gevolg van
de positie van de betreffende werknemers op de arbeidsmarkt, maar ook
de vormgeving en de maatvoering van de WW spelen hierbij een rol.
1. SEOR, Patronen van
werkloosheid; SEO, Effect potentiële
uitkeringsduur op feitelijke uitkeringsduur
WW [SEOR: onderzoeks- en consultancybedrijf van de Erasmus
Universiteit Rotterdam. SEO: aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde
stichting voor economisch onderzoek, red.].
2.2. Al verwerkte
onderdelen SER-advies
De regering oordeelt op
hoofdlijnen positief over het door de SER voorgestelde pakket van maatregelen.
Enkele van deze maatregelen zijn inmiddels ingevoerd,
respectievelijk zijn meegenomen in een ander wetgevingstraject. Het
voorstel van de SER ten aanzien van de wekeneis (26 uit 36 weken) is bij
nota van wijziging verwerkt in het wetsvoorstel aanscherping wekeneis
WW.¹ Hierbij is tevens besloten de huidige wekeneis voor artiesten
en musici (16 uit 39 weken) vooralsnog te handhaven, in overeenstemming met
het SER-advies. De voornemens om de kortdurende uitkering af
te schaffen, respectievelijk om ontslagvergoedingen met
WW-uitkeringen te
verrekenen, zijn naar aanleiding van het SER-advies ingetrokken.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 29 738, nr. 16.
Op het terrein van
preventie en reïntegratie zijn - in lijn met het SER-advies - al enkele
maatregelen ingevoerd. De Wet preventieve inzet
WW-middelen ¹ maakt een
betere aansluiting mogelijk tussen privaat en publiek gefinancierde
preventiemaatregelen. Ook het in 2004 in werking getreden
experimenteerartikel (artikel 130
WW) kan hieraan een bijdrage leveren. Verder worden de
sectorpremies in een aantal sectoren per 1 januari 2006
gedifferentieerd. De hoogte van deze premie is vanaf 2006 afhankelijk van de duur
van de arbeidsovereenkomst. Deze maatregel zal het cyclische gebruik van
de
WW terugdringen.
De overige voorstellen
uit het SER-advies
Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet
zijn opgenomen in het
onderhavige wetsvoorstel.
1. Wet van 18 juli 2005,
Stb. 2005, 382.
2.3. Doelstelling
De regering streeft met
dit wetsvoorstel een vierledige doelstelling na. De voorgestelde
maatregelen maken de
WW in de eerste plaats meer activerend, dat wil
zeggen meer gericht op uitstroom uit de WW naar betaalde arbeid.
In de tweede plaats
beoogt het wetsvoorstel een bijdrage te leveren aan een beter
preventiebeleid. De verantwoordelijkheid voor employability van werknemers en voor
werkloosheidspreventie ligt in hoofdzaak bij werkgevers en sociale
partners; de voorgestelde maatregelen bevorderen dat deze partijen hun verantwoordelijkheid daadwerkelijk nemen.
Het wetsvoorstel wil in
de derde plaats een versoepeling van de ontslagpraktijk bewerkstelligen. Als
tussen partijen overeenstemming bestaat over de beëindiging van
hun arbeidsovereenkomst, dienen de WW en het ontslagrecht daarvoor
geen onnodige belemmeringen op te werpen.
In de vierde plaats
beoogt de regering met dit wetsvoorstel de uitvoering van de WW te
vereenvoudigen en de regeling inzichtelijker te maken voor werkgevers en werknemers.
Met het oog op
versterking van de activerende werking van de polisvoorwaarden
WW wordt voorgesteld de
duur van de WW te verkorten en directer te relateren aan
de duur van het arbeidsverleden. De kortdurende WW-uitkering (zes maanden,
70% van het wettelijk minimumloon) wordt vervangen door een
loongerelateerde uitkering van drie maanden.
De hoogte van de
WW-uitkering wordt aflopend. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%
van het loon, vanaf de derde maand wordt deze 70%. Deze
voorstellen zijn in overeenstemming met het SER-advies.
rblz.|8|
Ter
bevordering van de preventie van (langdurige) werkloosheid wordt voorgesteld na drie
maanden werkloosheid een poortwachterstoets in te voeren, in het kader
waarvan wordt bezien in hoeverre de werknemer zijn verplichtingen gericht op
werkhervatting is nagekomen. Deze toets kan aanleiding zijn de uitkering te beëindigen. Hierbij wordt ook voorgesteld
om op individuele basis
een ontheffing van de sollicitatieplicht mogelijk te maken. De paragrafen 4.3
en 4.4 gaan nader in op de uitwerking van de poortwachterstoets en de
individuele ontheffing van de sollicitatieplicht.
Het onderhavige
wetsvoorstel biedt sociale partners de mogelijkheid bij CAO eigen ontslagcriteria
overeen te komen die in acht zullen worden genomen bij een ontslag
op bedrijfseconomische gronden. Zo ontstaat meer ruimte voor maatwerk
en kan - indien wenselijk - ook rekening worden gehouden met
verschillen in prestaties van werknemers.
De regering ontwikkelt
een instrument dat werkgevers prikkelt om bij dreigende ontslagen te
investeren in de werkloosheidspreventie van oudere werknemers en om
hun inzetbaarheid op peil te houden. Deze maatregel beoogt sociale
partners meer aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de employability
van
werknemers, en in het bijzonder voor de preventie van
werkloosheid van oudere werknemers. Daarnaast beoogt de maatregel
onwenselijk gebruik te voorkomen van de mogelijkheid om bij CAO - van het
Ontslagbesluit afwijkende - ontslagcriteria af te spreken. De regering
denkt hierbij aan een financiële prikkel, bijvoorbeeld het verhalen van een deel
van de
WW-uitkering van oudere werknemers op de voormalige
werkgever. De doelgroep, het bereik en de maatvoering van zo’n "preventieprikkel" zijn van essentieel belang voor de effectiviteit en de uitvoerbaarheid.
Het onderhavige
wetsvoorstel bevat een voorstel voor een delegatiebepaling op grond waarvan de
preventieprikkel bij algemene maatregel van bestuur nader kan
worden geconcretiseerd. Het UWV en de belastingdienst zijn bij de uitwerking
hiervan betrokken.
De verwijtbaarheidstoets
in de
WW zal worden beperkt met het oog op vereenvoudiging van de
uitvoering van de WW en om - vanuit de WW bezien - de pro-formaontslagprocedures bij
kantonrechter en CWI
geheel overbodig te maken. De
beperkte verwijtbaarheidstoets leidt tot een versoepeling van de ontslagpraktijk en een aanzienlijke vermindering van
ontslagkosten voor
werkgevers.
Ten behoeve van een
verdere deregulering van de
WW en van vereenvoudiging van de uitvoering worden
diverse voorstellen gedaan. Dit betreft onder meer het
voortzetten van de WW-uitkering tijdens kortdurende ziekteperioden. Vooral
bij kortdurende ziektegevallen maakt dit de uitvoering eenvoudiger, omdat de
werknemer niet voor een korte periode overgeheveld moet worden van de WW
naar de ZW en - na herstel - weer terug naar de WW. Verder
wordt de loonovernameregeling bij blijvende betalingsonmacht van de werkgever herzien
(hoofdstuk IV
WW). Deze
herziening betekent
vooral een codificatie van de huidige uitvoeringspraktijk.
De voorgestelde
maatregelen worden in de volgende hoofdstukken nader toegelicht. Bij de hoofdstukindeling is aangesloten bij bovengenoemde
vierledige doelstelling.
Dit betekent niet dat de daar besproken maatregelen uitsluitend effect hebben
op die specifieke doelstelling. Zo draagt de omzetting van de
kortdurende uitkering (gerelateerd aan het wettelijk
minimumloon) naar een
korter durende, loongerelateerde uitkering bij aan de activerende
werking van de
WW. Een bijkomend effect is dat de WW door het verdwijnen
van de kortdurende uitkering sterk wordt gedereguleerd. Na de omzetting van de
kortdurende uitkering en de eerdere rblz.|9|
afschaffing van de
vervolguitkering kent de WW immers nog maar een soort uitkering, een
loongerelateerde. De beperking tot één soort uitkering maakt de WW
inzichtelijker en vereenvoudigt de uitvoering.
De voorgestelde beperking
van de verwijtbaarheidstoets zal niet alleen de ontslagpraktijk
aanzienlijk versoepelen, maar draagt ook bij aan een verdere vereenvoudiging
van de uitvoering van de WW.
De voorgestelde
preventieprikkel bevordert primair de inspanningen voor de inzetbaarheid van
(oudere) werknemers en de preventie van hun werkloosheid. Indien de betrokken
werknemers toch een beroep op de WW moeten doen, zullen zij
een grotere kans op werkhervatting hebben en dus een gemiddeld kortere werkloosheidsduur.
De voorgestelde
maatregelen beogen voordelen op de onderstaande aspecten.
• Het
WW-volume: door
het sterkere accent op preventie en werkhervatting daalt de instroom in de
WW en neemt de uitstroom naar werk toe.
• Het rechtmatige
gebruik van de WW: het gebruik van de WW als uittreedroute wordt
tegengegaan.
• De administratieve
lasten en ontslagkosten voor bedrijven: de versoepeling van de ontslagpraktijk
leidt tot minder procedures en minder onderzoeken naar
verwijtbare werkloosheid.
• De uitvoering van de
WW: door de voorgestelde deregulering en aanvullende vereenvoudigingen zal de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de WW toenemen.
De beoogde effecten
dragen bij aan het maatschappelijke draagvlak voor de WW.
2.4. Overige voorstellen
SER
In zijn advies
Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet stelt de SER
ook voor het
financieringsregime van de
WW geleidelijk te herzien. Deze voorstellen zijn nader onderzocht op
de gevolgen voor de koopkracht, de arbeidskosten op
minimumniveau en voor het lastenbeeld. Bij brief van 23 augustus 2005 heeft
het kabinet de Kamer bericht dat de SER-voorstellen lastig
inpasbaar zijn in het koopkracht- en lastenbeeld.¹ De voorstellen met
betrekking tot de wachtgeldpremie zijn lastig inpasbaar vanwege de gevolgen voor
het inkomensbeleid, bestaande uit negatieve inkomenseffecten in het
invoeringsjaar, de grote spreiding over de verschillende sectoren en
het ontbreken van een gericht compensatie-instrumentarium. Tegenover deze
bezwaren
staan onzekere opbrengsten; onduidelijk is immers of
de door de SER beoogde gedragseffecten zich ook daadwerkelijk zullen
voordoen.
Het SER-voorstel tot
afschaffing van de franchise kan tot onevenwichtige inkomenseffecten en een
stijging van arbeidskosten op minimumniveau leiden. De activering van
de onderkant van de arbeidsmarkt wordt hierdoor bemoeilijkt. Dit geldt
ook indien gekozen wordt voor geleidelijke afschaffing van de
franchise.
De overgang naar de door
de SER voorgesteld tripartiete financiering kan leiden tot forse lastenverschuivingen tussen Rijk, werknemers en werkgevers.
De financiering door het
Rijk belast het EMU-saldo met €|1,7 miljard indien geen compenserende
maatregelen worden getroffen. Dit zou betekenen dat ook niet-werknemers
gaan meebetalen aan een loondervingverzekering die uitsluitend op
werknemers is gericht.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 30 109, nr. 6.
In vervolg hierop heeft
het kabinet de Tweede Kamer op 31 augustus ¹ bericht dat aan sociale
partners is verzocht om een nadere verkenning van het voorgestelde
financieringsregime voor de langere termijn. Deze verkenning zou moeten
ingaan op de door het kabinet aangegeven negatieve effecten en op de principiële wenselijkheid van medefinanciering
rblz.|10|
van
werknemersverzekeringen door het Rijk. Het kabinet heeft gesuggereerd deze problematiek in te
passen in het nog uit te brengen middellangetermijnadvies van de SER. Op voorstel van kabinet komt de financiering van de
WW aan de orde
tijdens het Najaarsoverleg in oktober 2005.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 30 109, nr. 8.
Het voorstel van de
SER voor uitbreiding van het uitkeringsstelsel bij werkloosheid met een
tijdelijke inkomensvoorziening voor werknemers die werkloos worden nadat
zij 50 jaar respectievelijk 60 jaar zijn geworden (de IOW), wordt
uitgewerkt in een apart wetsvoorstel. Het wetsvoorstel waarmee de IOW wordt
ingevoerd, zal naar verwachting in de eerste helft van 2006 worden
ingediend. Dit is niet bezwaarlijk omdat de regeling zal gelden voor werknemers
die werkloos worden na de inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel. De voorwaarden voor het recht op IOW, in combinatie met de
regeling van de duur van de
WW-uitkering, brengen mee dat een recht op IOW-uitkering op zijn vroegst 28 maanden na de invoering van het
onderhavige wetsvoorstel kan ontstaan.
Bij de inrichting van de
inkomensvoorziening voor oudere werknemers worden - in
overeenstemming met het advies van de SER - twee te onderscheiden uitkeringsregimes
ontwikkeld:
a. Voor werklozen die bij aanvang van hun werkloosheid 50 jaar of
ouder zijn en die ten minste
recht hadden op zes maanden loongerelateerde WW-uitkering, zal een
regime worden uitgewerkt waarin (conform de huidige Ioaw) recht
bestaat op een IOW-uitkering ter hoogte van het relevant sociaal
minimum.
Om in aanmerking te komen voor zes maanden WW-uitkering moet
de werkloze voldoen aan de nieuwe wekeneis (26 uit 36) en
de arbeidsverledeneis (4 uit 5). Met inbegrip van de fictieve
arbeidsjaren vóór 1998 heeft hij dan altijd meer dan zes jaar arbeidsverleden.
Voor het recht op een IOW-uitkering zal geen vermogenstoets gelden.
[b., red.] Werklozen die bij aanvang
van hun werkloosheid 60 jaar of ouder zijn en die ten minste recht
hadden op zes maanden loongerelateerde WW-uitkering, zullen na
afloop van de WW-duur in aanmerking worden gebracht voor een
zelfstandig en individueel uitkeringsrecht ter hoogte van het individueel
sociaal minimum (70% van het minimumloon).¹ Voor deze uitkering zal geen
partnerinkomenstoets gelden, conform de vroegere vervolguitkering WW.
1. Daarnaast moet de
rechthebbende een arbeidsverleden hebben
van 25 jaar. De werkloze die ouder is dan 60 jaar en voldoet aan de arbeidsverledeneis
(4 uit 5) zal altijd een arbeidsverleden
hebben van meer dan 25 jaar, omdat vóór 1998 met
het fictieve arbeidsverleden gerekend wordt. Pas vanaf
circa 2020 kan het voorkomen dat een 60+-er wel voldoet aan de
arbeidsverledeneis, maar geen arbeidsverleden van 25
jaar heeft.
Hoofdstuk 3. Wijziging
polisvoorwaarden WW
3.1. Algemeen
Dit wetsvoorstel bevat de
volgende voorstellen met betrekking tot wijziging van de polisvoorwaarden
van de
WW:
- De kortdurende
uitkering wordt vervangen door een loongerelateerde uitkering van drie
maanden;
- De hoogte van de
WW-uitkering bedraagt de eerste twee maanden 75% van het dagloon;
- De werknemer die
voldoet aan de arbeidsverledeneis heeft recht op verlenging van de
uitkeringsduur. De totale duur van de uitkering in maanden wordt gelijk aan
de duur van het arbeidsverleden van de werknemer in jaren;
- De maximale duur van
de uitkering wordt 38 maanden.
In het hiernavolgende
worden deze voorstellen toegelicht. Tevens wordt de doorwerking van de
voorstellen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA)
besproken.
rblz.|11|
3.2. Huidige situatie
Voor het recht op een
WW-uitkering dient de werknemer onder meer te voldoen aan de voorwaarde
dat in de periode van 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de
eerste werkloosheidsdag (de referteperiode), in ten minste 26 weken arbeid is
verricht (de wekeneis). Om in aanmerking te komen voor een loongerelateerde uitkering dient de werknemer daarnaast
aan te tonen dat hij aan
de arbeidsverledeneis voldoet. De arbeidsverledeneis houdt in dat de werknemer
in vier van de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar
waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen over 52 of meer
dagen per jaar loon heeft ontvangen. Werknemers die op of onmiddellijk
voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag recht hadden op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering voldoen altijd aan de arbeidsverledeneis.
Indien een werknemer
alleen voldoet aan de wekeneis, maar niet aan de arbeidsverledeneis, heeft
hij recht op een kortdurende uitkering met een duur van zes maanden. De
kortdurende uitkering bedraagt per dag 70% van het wettelijk minimumloon
tenzij het dagloon lager is dan het wettelijk minimumloon. De uitkering bedraagt dan 70% van dit dagloon.
Indien de werknemer
voldoet aan de wekeneis én de arbeidsverledeneis heeft hij recht op een
loongerelateerde uitkering ter hoogte van 70% van het (maximum)dagloon. De
duur van de loongerelateerde uitkering is afhankelijk van het
arbeidsverleden van de werknemer. Het arbeidsverleden wordt thans vastgesteld
door samentelling van het aantal kalenderjaren waarin over 52 of meer
dagen loon is ontvangen vanaf 1998 tot en met het kalenderjaar
voorafgaande aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is
gelegen (feitelijk arbeidsverleden) en het aantal kalenderjaren vanaf en
met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag
bereikte tot aan 1998 (fictief arbeidsverleden). De duur van de loongerelateerde
uitkering varieert van zes maanden (bij een arbeidsverleden van vier jaar of minder) tot
vijf jaar (bij een arbeidsverleden van 40 jaar of meer). De
koppeling van de duur van het arbeidsverleden aan de duur van de
loongerelateerde uitkering is zodanig dat de uitkeringsduur in
beginsel per vijf jaar arbeidsverleden toeneemt.
Zoals aangegeven, houdt de
huidige wekeneis in dat de werknemer in 39 weken voorafgaand aan de
eerste werkloosheidsdag in 26 weken moet hebben gewerkt. Daarbij
wordt een week als gewerkte week aangemerkt als op ten minste één dag
in die week arbeid is verricht. Er is geen minimum gesteld aan het aantal uren waarin op een dag arbeid moet zijn
verricht. Aan de
arbeidsverledeneis wordt voldaan indien de werknemer aantoont in vier van de
vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de werkloosheid is ingetreden over 52 of meer dagen loon te hebben
ontvangen. Aan het aantal
te werken uren op die 52 dagen is geen minimum gesteld. Ook aan
de verdeling van de loondagen over het kalenderjaar worden geen voorwaarden
gesteld. Dagen waarover geen loon is ontvangen, kunnen met
loondagen gelijkgesteld worden. Hierbij gaat het onder andere om dagen
waarover een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontvangen, dagen met
uitkering op grond van de Ziektewet en dagen waarop onbetaald
verlof werd genoten. Verder is een regeling getroffen om te voorkomen
dat mensen die hun deelname aan het arbeidsproces onderbreken
voor de verzorging van kinderen benadeeld worden (het
verzorgingsforfait). Op grond hiervan tellen jaren waarin een kind tot 5 jaar is
verzorgd mee voor het feitelijk arbeidsverleden.
rblz.|12|
3.3. Vervanging van de
kortdurende uitkering door de basisuitkering
Werknemers die alleen aan
de wekeneis voldoen, hebben op dit moment recht op een kortdurende uitkering van zes maanden ter hoogte van maximaal
70% van het wettelijk minimumloon. Voorgesteld wordt deze kortdurende uitkering te vervangen
door een loongerelateerde uitkering van drie maanden. Deze uitkering wordt aangeduid als de basisuitkering. Het
bekorten van de duur van
de uitkering van zes naar drie maanden versterkt de activerende
werking van de
WW voor de groepen die voor deze uitkering in aanmerking komen. De beperkte duur van de uitkeringsperiode
prikkelt werknemers van
aanvang aan om actief en voortvarend op zoek te gaan naar
werk. Doordat de uitkering gebaseerd wordt op het dagloon en niet op het
wettelijk minimumloon, zoals de huidige kortdurende uitkering, biedt de
uitkering gedurende die korte periode een relatief hoge mate van
inkomenszekerheid.
De vervanging van de
kortdurende uitkering door een loongerelateerde uitkering betekent
feitelijk dat teruggekeerd wordt naar het uitkeringssysteem dat vóór 1 maart 1995 van
toepassing was.¹ Iedere werknemer die aan de wekeneis
voldoet, heeft recht op (drie maanden) loongerelateerde uitkering, de basisuitkering. Werknemers die voldoen aan de
arbeidsverledeneis hebben
vervolgens recht op verlenging van deze basisuitkering. Het
systeem van de wet wordt hieraan aangepast.
1. Bij Wet van 22 december
1994, Stb. 1994, 955, is de kortdurende
uitkering ingevoerd.
Het vervangen van de, op
het minimumloon gebaseerde, kortdurende uitkering door een
loongerelateerde uitkering past in het streven naar deregulering en naar
vereenvoudiging van de uitvoering van de
WW. Na de afschaffing van de vervolguitkering ¹ en de met dit wetsvoorstel beoogde vervanging van de
kortdurende uitkering kent de WW nog maar één soort uitkering: de
loongerelateerde uitkering. De introductie van de kortdurende uitkering in
1995 vergde een aanzienlijk aantal bijzondere bepalingen in de WW en
maakte de uitvoering van de WW meer complex. Bij zijn brief van 12
december 2002 stelde het UWV ook voor om in het kader van deregulering de
kortdurende uitkering af te schaffen.² Vervanging van de kortdurende uitkering leidt tot een vereenvoudigde uitvoering
van de WW, en daarmee tot
structureel lagere uitvoeringskosten.
1. Wet van 19 december
2003, Stb. 2003, 546.
2. Notitie bouwstenen
deregulering sociale verzekeringen, brief van
27 mei 2003.
Verdrag nr. 168
Bij brief van 20 oktober
2000 heeft de Staatssecretaris van SZW de Voorzitter van de Tweede Kamer het
standpunt doen toekomen ten aanzien van de wenselijkheid van
de bekrachtiging van Verdrag nr. 168 van de Internationale
Arbeidsorganisatie.¹ Het standpunt luidde dat het naar de mening van de regering
niet mogelijk was om tot bekrachtiging van het verdrag over te gaan. De
afschaffing van de kortdurende uitkering in de
WW, waarin het
onderhavige wetsvoorstel voorziet, ondervangt een belangrijk bezwaar tegen
bekrachtiging van Verdrag nr. 168. Gelet hierop zal de regering na de
parlementaire goedkeuring van het onderhavige wetsvoorstel opnieuw een
standpunt voorbereiden ten aanzien van de wenselijkheid van bekrachtiging van Verdrag nr. 168.
1. Kamerstukken II 2000-2001, 27 480, nr. 1.
3.4. De hoogte van de
basisuitkering
De hoogte van de huidige
loongerelateerde uitkering is 70% van het dagloon. Voorgesteld
wordt dat de uitkering gedurende de eerste twee maanden 75% van het
dagloon bedraagt. Deze verhoging van de uitkering in de eerste twee maanden
biedt uitkeringsgerechtigden een relatief hoge mate van inkomenszekerheid in de eerste periode van werkloosheid. Het
verhogen van de uitkering
brengt ook zekere risico’s met zich. Zo wordt gedurende deze periode de
ratio tussen de netto-uitkering en het netto-inkomen rblz.|13|
dat iemand met
betaalde arbeid kan verdienen (replacementrate) vergroot. Vooral bij
personen met een lager arbeidsinkomen kan dit de prikkel verminderen om
werkloosheid te voorkomen of snel te beëindigen. Daar staat tegenover dat
de verlaging van de uitkering na twee maanden een financiële
prikkel oplevert om actief op zoek te gaan naar werk. Daarnaast draagt de
poortwachterstoets (zie paragraaf 4.3) na drie maanden werkloosheid
eraan bij dat werknemers voldoende geprikkeld worden om in de eerste periode van werkloosheid actief en voortvarend
op zoek te gaan naar
werk.
3.5. De duur van de
verlengde uitkering
Op grond van de huidige
regels is de arbeidsverledeneis een voorwaarde voor het recht op loongerelateerde uitkering. In het voorgestelde systeem
wordt de
arbeidsverledeneis voorwaarde voor een verlenging van de uitkering. De duur van de
verlenging wordt, meer dan in de huidige situatie, afhankelijk van
de duur van het arbeidsverleden (feitelijk en fictief) van de
werknemer. Ieder jaar extra arbeidsverleden betekent één maand extra
uitkeringsduur met een maximum van 38 maanden. Een werknemer met een arbeidsverleden van negen jaar heeft dus recht op
totaal negen maanden
uitkering (drie maanden basisuitkering en zes maanden verlenging); een
werknemer met een arbeidsverleden van 25 jaar heeft recht op
totaal 25 maanden uitkering (drie maanden basisuitkering en 22 maanden
verlenging). Door de directe koppeling van de duur van de uitkering aan
de duur van het arbeidsverleden wordt de equivalentie tussen premiebetaling en
uitkering benadrukt. Dit wordt belangrijker naarmate over een langere
periode het feitelijk arbeidsverleden berekend wordt.
De situatie kan zich
voordoen dat een werknemer tijdens de verlengde uitkering het werk hervat
waardoor de uitkering wordt beëindigd. Indien de werknemer vervolgens
na afloop van het werk weer opnieuw voldoet aan de wekeneis, heeft hij
recht op een nieuwe basisuitkering. Indien hij op dat moment niet aan de
arbeidsverledeneis voldoet, zou hij niet opnieuw recht hebben op verlengde
uitkering. Dit zou werkhervatting ongunstig kunnen maken. Daarom
wordt een regeling voorgesteld waarbij in een dergelijke situatie de
basisuitkering wordt verlengd met dat deel van de verlengde uitkering dat
bij de vorige werkloosheid niet is gebruikt. Een voorbeeld kan dit
verduidelijken.
Een werknemer is op 1
januari 2007 werkloos geworden. Hij voldoet aan de wekeneis en de arbeidsverledeneis en heeft een arbeidsverleden van
22 jaar. De duur van zijn
recht op
WW-uitkering is dan ook 22 maanden. Op 1 maart 2008 gaat de
werknemer werken tot 1 oktober 2008. Op 1 oktober voldoet hij wel
aan de wekeneis, maar niet aan de arbeidsverledeneis. Hij heeft recht op
drie maanden basisuitkering. Op 1 maart 2008 had hij nog recht op acht maanden verlengde uitkering. De basisuitkering waar hij vanaf 1 oktober recht op heeft, wordt verlengd met
acht maanden.
De maximale duur van de
uitkering wordt teruggebracht van de huidige vijf jaar tot 38 maanden.
Met dit voorstel wordt een stap verder gezet op de weg die al is ingezet
door het afschaffen van de vervolguitkering. Het verkorten van de duur van
de uitkering versterkt de activerende werking van de
WW. Dit speelt met
name voor die groepen die langdurig gebruik maken van de WW, in het
bijzonder voor ouderen. Het feit dat voor ouderen een
verhoudingsgewijs lange potentiële uitkeringsduur van toepassing is, heeft een
negatief effect op hun reïntegratieprikkel. Deze relatie wordt bevestigd
door empirisch onderzoek naar de relatie tussen de potentiële
uitkeringsduur en de uitstroomkans uit werkloosheid. Rond het moment dat de
maximale uitkeringsduur wordt bereikt, is er een verhoogde uitstroom naar
werk.¹ Verkorting van de uitkeringsduur is in rblz.|14|
lijn met het
kabinetsbeleid om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen en ook
relevant in het perspectief van de wijzigingen van regelingen die nu een rol
kunnen spelen bij het uittreden uit het arbeidsproces (zoals VUT, WAO,
etc.).
Daarbij is de resterende maximale uitkeringsduur van 38
maanden zodanig dat ook werknemers met een moeilijke positie op de
arbeidsmarkt in het algemeen nog tijdens de looptijd van de WW-uitkering
kunnen reïntegreren. Deze groep werknemers krijgt door de recente wijzigingen op het terrein van reïntegratie eerder en
vaker ondersteuning bij
de werkhervatting.
1. SEO, Effect potentiële
uitkeringsduur op feitelijke uitkeringsduur
WW, Den Haag, 2003.
Het verkorten van de
maximale duur van de uitkering leidt ertoe dat werknemers bij voortdurende
werkloosheid eerder aangewezen kunnen zijn op een bijstandsuitkering of
een uitkering op grond van de nieuwe inkomensvoorziening voor oudere werklozen
(IOW)
Overigens stroomt het merendeel van de werklozen relatief
snel uit naar arbeid. Deze werklozen zullen geen nadeel ondervinden
van de verkorting van de uitkeringsduur.
In schema ziet het nieuwe
uitkeringssysteem er als volgt uit:

rblz.|15|
3.6. Voorstellen SER
m.b.t.
het arbeidsverleden
3.6.1. Invulling feitelijk arbeidsverleden
Op grond van de huidige
regeling telt een jaar mee als feitelijk arbeidsverleden indien in dat jaar over
52 dagen loon is ontvangen. De SER stelt voor dat aan de eis van
52 loondagen de eis van 200 arbeidsuren per jaar wordt toegevoegd. Met dit
voorstel beoogt de SER een steviger verhouding tussen enerzijds de duur van het arbeidsverleden en anderzijds de
duur van de uitkering. De
SER schat in dat deze voorstellen leiden tot een beperking van het aantal
WW-uitkeringen op basis van dienstverband met een geringe omvang. Verder sluit het voorstel aan bij de voorgestelde
invulling van de wekeneis
(minimaal vijf arbeidsuren per week). De SER geeft bij dit voorstel in
overweging om op een later moment met het oog op invoering van de nieuwe polisadministratie een keuze te maken tussen
het vereiste van ofwel
minimaal 52 dagen, ofwel 200 arbeidsuren per jaar. Bij die afweging moeten
de gevolgen voor de administratieve lasten worden betrokken en moet
ermee rekening worden gehouden dat alleen een eis van 200
arbeidsuren per jaar kan leiden tot een aanzienlijke verlichting ten opzichte
van de huidige invulling; immers werkloze werknemers die in een bepaalde
periode acht uur per dag hebben gewerkt, voldoen dan na 25 dagen
aan de drempel voor het meetellen van een jaar bij de berekening van het
arbeidsverleden.
Nu de polisadministratie
op 1 januari 2006 ¹ wordt ingevoerd en dit wetsvoorstel op een later tijdstip in
werking zal treden, geeft de regering er de voorkeur aan om nu al de
keuze voor één van beide eisen te maken. Hiermee
wordt voorkomen dat de wet tweemaal, mogelijk kort na elkaar, moet worden aangepast en
dat de uitvoering en de burgers voor een korte periode met een
afwijkende invulling van het feitelijk arbeidsverleden worden geconfronteerd.
1. Kamerstukken II 2003-2004,
29 529.
Bij de keuze voor
één van
beide eisen zijn de volgende overwegingen van belang.
In de gegevensset voor de
polisadministratie zijn de loondagen opgenomen. Arbeidsuren als zodanig
zijn niet in de gegevensset opgenomen, maar verloonde uren (als
criterium voor arbeidsuren) wel. Vanuit die optiek zijn beide
gegevens beschikbaar (te maken) en te gebruiken. Aansluiting bij de door
de SER voorgestelde invulling van de wekeneis is niet meer aan de orde.
Zoals is aangegeven in het wetsvoorstel
aanscherping wekeneis WW heeft de regering de door de SER voorgestelde extra eis van vijf
gewerkte uren bij de wekeneis niet overgenomen.¹ Een eis van alleen 200
arbeidsuren zal voor de groep die wel aan het dagencriterium, maar niet
aan het urencriterium voldoet, tot beperkte besparingen leiden.
Anderzijds zullen extra lasten optreden bij de groep die niet aan het
dagencriterium voldoet, maar wél aan het urencriterium. De omvang van deze groep
is niet bekend, het gaat naar verwachting niet om grote aantallen.
Alleen een eis van 200 arbeidsuren levert dus geen grote besparingen op.
Daartegenover staat het risico van extra lasten, die naar verwachting
overigens ook beperkt zullen zijn. De uitvoering is op dit moment ingericht op
het
criterium van 52 loondagen. Een overgang naar 200 arbeidsuren zou
wijziging van de uitvoering betekenen. Een dergelijke wijziging leidt tot
initiële uitvoeringskosten, waartegenover naar verwachting geen structurele
besparingen staan. De regering kiest op grond van deze overwegingen voor
handhaving van de huidige eis van 52 loondagen per jaar.
1. Kamerstukken II 2004-2005,
29 738, nr. PM.
rblz.|16|
3.6.2. Mantelzorgforfait
Kalenderjaren waarin
kinderen tot 5 jaar zijn verzorgd, worden onder voorwaarden deels
gelijkgesteld met feitelijk arbeidsverleden (het verzorgingsforfait). De
SER geeft in overweging het verzorgingsforfait ruimer in te vullen, in
die zin dat ook perioden waarin de werknemer naasten heeft verzorgd,
kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken waarin loon uit arbeid is
ontvangen. Een dergelijke verruiming is wenselijk voor de verbetering van
arbeidsmarktpositie van in het bijzonder herintreders. De SER acht
de handhaafbaarheid en de controleerbaarheid van een ruimer ingevuld
verzorgingsforfait bijzondere aandachtspunten om oneigenlijk gebruik te
voorkomen.
Zoals aangegeven in het
kabinetsstandpunt
WW en ontslagrecht, staat de regering niet
onwelwillend tegenover een dergelijke faciliteit voor situaties waarbij mantelzorg niet
te combineren is met (deeltijd)arbeid. Essentieel daarbij is dat zo’n
faciliteit zo kan worden vormgegeven dat deze zowel effectief is als uitvoerbaar en controleerbaar. Bij de voorbereidingen
voor dit wetsvoorstel is
in overleg met het UWV gezocht naar zo’n vormgeving. Onderstaande
invulling van het mantelzorgforfait is voor commentaar aan het UWV voorgelegd.
Voor de vraag wanneer er
aanleiding zou kunnen bestaan voor een mantelzorgforfait is
aansluiting gezocht bij de regeling voor vrijstelling van sollicitatieplicht
bij mantelzorgers ¹ [zie Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA, red.]. Onder mantelzorg wordt verstaan de noodzakelijke zorg
voor een zieke of gehandicapte. Het moet gaan om mantelzorg die in duur en
intensiteit een gebruikelijke gang van zaken overstijgt en die niet
wordt verleend in georganiseerd verband en niet in het kader van een
hulpverlenend beroep. Tussen degene die zorg nodig heeft en degene die zorg
verleent, dient een sociale relatie te bestaan. Hierbij wordt primair
gedacht aan gezinsleden en huisgenoten, maar het is niet noodzakelijk
beperkt tot deze groepen. Voor relevante mantelzorg moet sprake zijn van een
substantiële omvang van de mantelzorg, namelijk ten minste 20 uur per
week. De overweging daarbij is dat bij een geringer aantal uren
mantelzorg deze kan worden gecombineerd met betaald werk. Veel mantelzorgers combineren op dit moment arbeid en
zorgtaken en bouwen
hiermee arbeidsverleden op.
1. Regeling van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28
april 2005, Stcrt. 2005, 88, pag. 14.
Voor een
mantelzorgforfait voor de opbouw van arbeidsverleden levert dit de volgende
uitgangspunten op.
- Het moet gaan om
mantelzorg: dit is de noodzakelijke zorg voor een zieke of gehandicapte.
- De mantelzorg
verhindert deelname aan arbeid: moet een substantiële omvang van minstens 20
uur per week hebben.
- De mantelzorg moet
minstens zes maanden hebben geduurd, wil een kalenderjaar meetellen
als feitelijk arbeidsverleden.
- Conform de regeling
bij het verzorgingsforfait bestaat geen recht op mantelzorgforfait over
een kalenderjaar waarin de werknemer langer dan een halfjaar een
werkloosheidsuitkering heeft ontvangen.
De persoon die voor het
mantelzorgforfait in aanmerking wil komen, dient aan te tonen dat aan deze
voorwaarden wordt voldaan. Hiertoe kan hij of zij bijvoorbeeld een
verklaring van een arts of van een zorginstelling overleggen.
De voorwaarden van
uitvoerbaarheid en controleerbaarheid verzetten zich tegen een
mantelzorgforfait waarbij in beginsel onbeperkt in de tijd kan worden teruggegaan. Voor
de werknemer is het in voldoende mate mantelzorg verrichten
sowieso moeilijk aan te tonen, voor het UWV moeilijk te controleren. Naarmate
de claim over een periode verder in het verleden ligt, zal dit vrijwel
onmogelijk worden. Als een werknemer al een begin rblz.|17|
van bewijs kan leveren
dat hij (bijvoorbeeld) vijftien jaar geleden substantiële mantelzorg heeft
verricht, is dit voor het UWV niet meer te controleren of te weerleggen. Relevant in
dit verband is dat de bewijsproblemen bij arbeidsverleden in het
verdere verleden de aanleiding was voor de invoering van de
arbeidsverledenbeschikking.¹ Daarbij gaat het om situaties
waarbij, vergeleken bij
mantelzorg, veel meer bewijsmiddelen beschikbaar zijn (arbeidscontracten,
loonstroken, pensioenoverzichten, etc.).
1. Kamerstukken II 2003-2004, 29 249, nr. 3,
blz. 3.
Wil een regeling voor
mantelzorgforfait effectief en uitvoerbaar zijn, dan moet de beoordeling en
controle beperkt kunnen blijven tot recente periodes. Dit zou kunnen
door te bepalen dat de werknemer na ommekomst van het kalenderjaar
waarin de mantelzorg is verricht een beperkte periode wordt gegund om een beroep te doen op het mantelzorgforfait.
Het geringere
tijdsverloop beperkt het bewijs- en controleprobleem. Aan het UWV
is een concrete
uitwerking van een mantelzorgforfait voorgelegd waarin de voorwaarde was
opgenomen dat de werknemer er uiterlijk drie maanden na afloop van het
kalenderjaar bij het UWV een beroep op doet. Als doelgroep is daarbij
uitgegaan van werknemers die na de eindiging van hun dienstbetrekking
mantelzorg zijn gaan verrichten (voor onbetaald verlof is er al een
regeling) en personen die (in het geheel of al langer) niet werken en in die
periode mantelzorg verrichten.
Het
UWV is in zijn
uitvoeringstoets op het concept-wetsvoorstel d.d. 31 augustus 2005
uitgebreid ingegaan op de hierboven beschreven uitwerking van het
mantelzorgforfait. Dit commentaar is weergegeven in paragraaf
8.1. Het UWV
acht de concept-regeling niet controleerbaar en zeer moeilijk
uitvoerbaar. De door het UWV voorgestelde alternatieve regeling is wellicht uitvoerbaar,
maar zal vanwege de bewijsproblematiek bij mantelzorg nauwelijks
effectief zijn. Zie hiervoor verder paragraaf 8.1. Naar aanleiding van het
commentaar van het UWV is in dit wetsvoorstel afgezien van een regeling
voor het mantelzorgforfait. De regering is van oordeel dat aan de
gestelde voorwaarden dat de regeling zowel effectief is als uitvoerbaar en
controleerbaar, niet kan worden voldaan.
3.7. Doorwerking naar
Wet WIA
Met het wetsvoorstel voor
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA) ¹ wordt de werkloosheidsuitkering voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikte
werknemers ondergebracht in de loongerelateerde uitkering van de regeling
werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) [zie hoofdstuk
7 Wet WIA, red.]. Daartoe is een
aantal uit de
WW bekende elementen opgenomen in de Wet WIA. Het gaat
daarbij om de wekeneis, inclusief de mogelijkheid van een verlaagde
wekeneis, de opbouw van arbeidsverleden en de koppeling van de duur van
het arbeidsverleden aan de duur van de loongerelateerde uitkering. Ook de hoogte
van de loongerelateerde WGA-uitkering is bij
werkloosheid gelijk aan de hoogte van de loongerelateerde WW-uitkering. Daarnaast
komt de verplichting voor de werknemer in de Wet WIA om verwijtbaar
verlies van passende arbeid te voorkomen grotendeels overeen met
de verplichting voor de werknemer in de WW om te voorkomen dat hij
verwijtbaar werkloos wordt. Tevens is voor de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing (onder andere sollicitatieactiviteiten)
in de Wet WIA zoveel mogelijk
aangesloten bij soortgelijke bepalingen in de WW.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 30 034.
De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte voldoet aan de wekeneis van de WGA indien hij in 39 weken
onmiddellijk vóór de eerste dag na de wachttijd in 26 weken als verzekerde
arbeid heeft verricht. De regeling van de wekeneis komt overeen met
de regeling in de
WW.¹ De verzekerde die voldoet aan de wekeneis
heeft recht op een loongerelateerde WGA-uitkering en na
afloop hiervan een loonaanvullingsuitkering of een rblz.|18|
vervolguitkering. De
verzekerde die niet voldoet aan de wekeneis heeft recht op een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering. De opbouw
van arbeidsverleden en de
koppeling van de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering aan de duur
van het arbeidsverleden is vanaf 1 januari 2008 gelijk aan de
regeling in de WW. Bij het overgangsrecht in de Wet
WIA
is geregeld dat de
duur van loongerelateerde WGA-uitkeringen die ontstaan vóór 1 januari
2008 niet is gerelateerd aan het feitelijk arbeidsverleden, maar aan de leeftijd van
de uitkeringsgerechtigde bij toekenning van die uitkering.
1. In de
WW worden
gewerkte weken alleen in aanmerking genomen als ze
betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is
geworden. In de Wet WIA is deze beperking niet overgenomen.
Gelet op de gewenste
conformiteit van beide regelingen is de regering van mening dat de
wijzigingen die naar aanleiding van het SER-advies in de
WW worden doorgevoerd
ook in de Wet WIA moeten worden doorgevoerd, zoals ook vermeld in de
brief van de Minister van SZW aan de Tweede Kamer van 11 maart
2005.¹
Het aanscherpen van de
wekeneis in de Wet WIA van 26 uit 39 weken naar 26 uit 36 weken en de wijzigingen met betrekking tot de verlaagde
wekeneis zijn opgenomen
in het wetsvoorstel aanscherping wekeneis WW. In
het onderhavige
wetsvoorstel zijn opgenomen:
- de koppeling van de
duur van de loongerelateerde uitkering aan de duur van het
arbeidsverleden in die zin dat per jaar extra arbeidsverleden de duur van de
loongerelateerde uitkering met één maand wordt verlengd;
- de beperking van de
maximale duur van de loongerelateerde uitkering tot 38 maanden;
- de verhoging van de
loongerelateerde uitkering in de eerste twee maanden naar 75%;
- de verplichting om
verwijtbaar verlies van passende arbeid te voorkomen;
- de tijdelijke,
individuele ontheffing van de sollicitatieplicht (zie hierover paragraaf
4.4).
1. Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, nr. 5.
Hoofdstuk 4. Meer nadruk
op preventie van werkloosheid
4.1. Inleiding
De toekomstbestendigheid
van de
WW is gebaat bij een beleid gericht op preventie van
werkloosheid. Op centraal niveau kan de overheid voorwaarden scheppen voor een
preventief beleid. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het beleid gericht op
een beheerste loonkostenontwikkeling, het scholings- en onderwijsbeleid en de verbetering van de combineerbaarheid
van arbeid- en zorgtaken.
Specifiek beleid op centraal niveau dat kan bijdragen aan
werkloosheidspreventie betreft de bevordering van de scholing van werknemers
tot het startkwalificatieniveau. In dit kader wordt ingezet op het realiseren
van duale trajecten, combinaties van werken en leren. Met het oog hierop
is, op initiatief van de bewindslieden van SZW en
OCW, een
Projectdirectie leren en werken van start gegaan vanaf 1 maart 2005. Deze
Projectdirectie bevordert de samenwerking tussen de partijen die de
duale trajecten samen moeten vormgeven: de werkgevers, de
onderwijsinstellingen en eventueel de gemeenten. Doelstelling is het realiseren van een
substantiële vergroting van het aantal werkenden en
werkzoekenden dat een duaal traject volgt. Vóór 1 juli 2007 moeten minstens 15 000
duale trajecten zijn gerealiseerd.
Op centraal niveau
streeft de regering verder naar een intensivering van de erkenning van
verworven competenties (EVC). EVC betekent dat ook buiten het formele
onderwijs verworven competenties worden herkend en erkend via een
certificaat of diploma. Met behulp van het kenniscentrum EVC, waarin ook
sociale partners en het CWI [de CWI, red.]
zijn vertegenwoordigd, rblz.|19|
streeft de regering naar
realisatie van 20 000 extra EVC-trajecten tot en met 2007.
De primaire
verantwoordelijkheid voor de preventie van werkloosheid ligt echter bij werkgevers en
werknemers op ondernemingsniveau en op het niveau van de sector
(CAO-niveau). Op het niveau waarop de afspraken over de
arbeidsvoorwaarden worden gemaakt, kunnen sociale partners een eigen afweging
maken
tussen primaire arbeidsvoorwaarden en investeringen in preventie van
werkloosheid, bevordering van employability, scholing, bemiddeling,
outplacement en reïntegratie. In dit verband is de aanbeveling van de
Stichting van de Arbeid van 15 april 2005 van belang.¹
1. Stichting van de
arbeid, Aanbeveling ter bevordering van
werkloosheid en reïntegratie van werkloze werknemers.
Met het oog op een betere
afstemming tussen private en publieke inspanningen voor de preventie van
werkloosheid is de Wet preventieve inzet
WW-middelen ¹ van belang.
Deze per 1 juli 2005 in
werking getreden wet maakt het mogelijk om publieke
reïntegratiemiddelen in te zetten voor werknemers van wie aannemelijk is dat zij
binnen vier maanden de
WW zullen instromen. Voorwaarde voor de inzet
van een preventief traject is dat, in lijn met het reguliere
reïntegratiebeleid, de met ontslag bedreigde werknemers een grote afstand tot de
arbeidsmarkt heeft. Voorts moet de werknemer aan kunnen tonen dat hij
binnen vier maanden zijn baan verliest. Het onderscheid tussen individuele en
collectieve ontslagaanvragen is vervallen. In beide gevallen kan de
werknemer die aan de overige voorwaarden voldoet in aanmerking
komen voor een preventief traject. Dit traject kan na de instroom in de WW
doorlopen.
1. Wet van 18 juli 2005,
Stb. 2005, 382.
Per 1 oktober 2004 is een
gewijzigd experimenteerartikel in de
WW (artikel 130
WW) van kracht
geworden. Dit artikel maakt een ruimere inzet van reïntegratiemiddelen
mogelijk. Dit biedt ruimte voor de financiering van uit het veld aangedragen
pilots waarin het wettelijke instrumentarium niet voorziet.
In aanvulling op de reeds
gerealiseerde of in gang gezette maatregelen bevat dit wetsvoorstel
enkele specifieke maatregelen ter bevordering van de preventie van
(langdurige) werkloosheid. Dit betreft in de eerste plaats de preventieprikkel, een
stimuleringsmaatregel voor investeringen in employability en werkloosheidspreventie. Voorts wordt voorgesteld in de
WW een poortwachterstoets
in te voeren die bevordert dat werkloze werknemers gedurende de eerste
maanden van de WW-uitkering zelf de verantwoordelijkheid voor
hun werkhervatting krijgen en nemen. In dit hoofdstuk wordt ook de
bevoegdheid van het UWV behandeld om werklozen op individuele basis vrij
te stellen van de sollicitatieplicht indien in de praktijk is gebleken dat
hervatting in betaalde arbeid niet mogelijk is.
4.2. De preventieprikkel
De regering is van
oordeel dat de werkgever inspanningen gericht op de preventie van
werkloosheid in eerste instantie moet richten op oudere werknemers die al langere
tijd bij hem in dienst zijn en van wie de positie op de arbeidsmarkt (mede
daardoor) in de regel niet rooskleurig is. De kans op werkhervatting
van werkloze ouderen is recent wel verbeterd, maar is nog steeds
geringer dan die van jongere werklozen. Om investeringen in employability en
werkloosheidspreventie te stimuleren, is het kabinet voornemens een financiële prikkel te introduceren waardoor werkgevers
een sterker belang
krijgen om te investeren in het vergroten van de inzetbaarheid van hun
oudere werknemers en om bij ontslagdreiging te voorzien in een outplacementtraject waarmee werkloosheid kan worden
voorkomen. Bij
onvoldoende investeringen in de inzetbaarheid van oudere werknemers en bij
de uitsluiting van oudere werknemers van rblz.|20|
preventieve maatregelen
is er een grote kans op langdurige werkloosheid. De financiële prikkel
dient in dat geval zwaarder op de werkgever drukken. De ervaringen
met de Pemba, op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidslasten
worden doorberekend aan de individuele werkgever, tonen aan dat
een dergelijke prikkel effectief is.
De regering heeft eerder
een voorstel gedaan voor het invoeren van een eigen bijdrage van de
werkgever bij ontslag van een oudere werknemer. Dit voorstel heeft
uiteindelijk geleid tot de Wet premievrijstelling bij in dienst nemen en in dienst
houden van oudere werknemers ¹ op grond waarvan de werkgever een vrijstelling krijgt van de
WAO-basispremie bij
het in dienst nemen van
een werknemer van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van een
werknemer van 55 jaar of ouder. Bij de behandeling van dit voorstel heeft
de
regering aangegeven mogelijk alsnog met een regeling te komen
indien dit nodig is om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen en
ontslag van oudere werknemers af te remmen. Met de SER
is de regering
van oordeel dat een op preventie gerichte prikkel voor werkgevers
past in een evenwichtige meersporenaanpak ter bevordering van de
uitstroom uit de
WW en ter beperking van (onnodige) instroom in de WW. De
voorstellen op het gebied van het ontslagrecht in dit wetsvoorstel leiden
tot een versoepeling van de ontslagpraktijk. Met het oog op de preventie
van het ontslag en de werkloosheid van oudere werknemers is een
financiële prikkel voor werkgevers daarom wenselijk.
1. Wet van 19 december
2003, Stb. 2003, 557.
Voor de effectiviteit en
de uitvoerbaarheid van een dergelijke maatregel is het essentieel dat de
doelgroep, het bereik en de maatvoering goed worden doordacht. Om
hiervoor de mogelijkheid te creëren, is in dit wetsvoorstel een bepaling opgenomen op
grond waarvan een prikkel kan worden ingebouwd die werkgevers stimuleert in de loopbaanmogelijkheden
van hun oudere werknemers
te investeren. Het kabinet stelt voor de
preventieprikkel toe te passen bij werknemers die op of na hun 55ste instromen in de
WW. De WW-lasten van deze werknemer zullen gedeeltelijk worden
doorbelast naar individuele werkgevers. Investeren in de inzetbaarheid van
oudere werknemers worden hierdoor gestimuleerd. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen grote en kleine
werkgevers. Het kabinet
is voornemens een vrijstellingsmogelijkheid op te nemen voor de werkgever
die een oudere werknemer slechts een korte periode in dienst heeft
gehad. Van belang is voorts dat de regeling zo wordt vormgegeven dat de loonkosten van ouderen verminderen. Belangrijke
randvoorwaarden zijn
verder dat de maatregel uitvoerbaar is en dat de structurele baten van
de maatregel de structurele uitvoeringskosten overtreffen. De preventieprikkel zal in overleg met het
UWV en de belastingdienst
verder worden uitgewerkt
en in een algemene maatregel van bestuur worden
neergelegd.
4.3. Poortwachtertoets WW
Met betrekking tot de
reïntegratie stelt de SER een aanpak voor waarbij het initiatief voor reïntegratie-inspanningen gedurende de eerste
maanden vooral bij
betrokkene zelf ligt. De SER adviseert na drie maanden een
poortwachtertoets te laten plaatsvinden op deze reïntegratie-inspanningen.
Bij een negatieve uitkomst zal dit leiden tot een sanctie of weigering van
de uitkering. De SER adviseert dat de ketenpartners in dit kader meer
maatwerk leveren en wijst daarbij op ontwikkeling van het casemanagement
bij het UWV en op het belang van een vroegtijdige inschatting van de
afstand tot de arbeidsmarkt (op basis van risicoprofielen).
De uitgangspunten van het
huidige beleid komen voor een groot deel overeen met de voorstellen van
de SER. De regering is van mening dat rblz.|21|
WW-uitkeringsgerechtigden
met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt tijdens de eerste fase
van werkloosheid een grote eigen verantwoordelijkheid hebben bij de
(her)oriëntatie op werk. Dit betekent niet dat de inspanningen van de WW-gerechtigde in
deze periode vrijblijvend mogen zijn. De regering staat derhalve positief tegenover het voorstel om bij het
voortduren van
werkloosheid een toetsmoment in te lassen, waarbij wordt beoordeeld in
hoeverre de reïntegratie-inspanningen die betrokkene heeft verricht als
adequaat zijn te bestempelen. Met name zou dan beoordeeld kunnen worden
in hoeverre er gebruik is gemaakt van het door de sector, CWI
en/of
UWV beschikbaar gestelde instrumentarium.
In samenwerking met de
uitvoeringsorganisaties is onderzocht hoe operationele en realiseerbare voorstellen voor een effectieve poortwachtertoets
geformuleerd kunnen
worden. Daarbij zijn een kosten-batenafweging en werkbare afspraken over
de taakverdeling binnen de keten van groot belang. Van belang is ook
dat er zorgvuldig wordt bekeken hoe deze toets zich verhoudt tot de al
geldende activerings- en controle-instrumenten.
Uit dit onderzoek komt
naar voren dat de door de SER voorgestelde poortwachterstoets goed
past binnen recente samenwerkingsafspraken tussen CWI
en UWV. De
toets sluit aan bij de procesgang waarbij het streven naar "werk boven
inkomen" en klantgericht maatwerk centraal staan. Voor deze
procesgang is een "routeplanner" ontworpen ter vervanging van de fasering. In deze
routeplanner neemt de verbeterde diagnosestelling aan de
poort (A/B-routering en Ankermodel) een belangrijke plaats in. Op basis van
deze diagnosestelling wordt de individuele arbeidsmarktsituatie
bepaald en volgt een diagnose van de klantsituatie op factoren als
zoekgedrag, nalevingsbereidheid, motivatie en banenaanbod. Naar aanleiding
van de
nalevingsbereidheidstoets kan bijvoorbeeld worden vastgesteld of
sprake is van een risico op het niet nakomen van afspraken. In dat
geval wordt ingezet op intensief contact en risicogestuurde handhaving. Deze
dynamische en op maatwerk gericht procesgang moet ertoe leiden dat
met elke klant individuele afspraken worden gemaakt over de
intensiteit van de contacten, de dienstverlening door de ketenpartners. Maar ook
zullen afspraken worden gemaakt over de eigen verantwoordelijkheid en
inzet van de klant, zoals de sollicitatieverplichtingen en
reïntegratie-inspanningen. Dit moet er uiteindelijk toe leiden dat afspraken,
gebaseerd op al bestaande wettelijke verplichtingen, schriftelijk worden
vastgelegd. Tevens dient te worden aangegeven wat de consequenties zijn van
het niet naleven van verplichtingen. Hierdoor wordt benadrukt dat aan
het recht op uitkering verplichtingen zijn verbonden en dat groot
belang wordt gehecht aan de naleving hiervan.
Deze
samenwerkingsafspraken en procesgang sluiten ook aan bij de
reïntegratieaanpak die
met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA) wordt ingezet (en
die per 1 januari 2006 is vastgelegd in artikel 30a
van de Wet SUWI). In deze reïntegratieaanpak stelt het
UWV, nadat het recht op een
uitkering is vastgesteld, in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde een
reïntegratievisie op waarin verplichtingen en rechten van de
uitkeringsgerechtigde zijn vermeld. In deze visie wordt op hoofdlijnen aangegeven
wat de reïntegratiemogelijkheden van de betrokkene zijn. Daarbij wordt
zoveel mogelijk uitgegaan van de wensen van betrokkene, doch zonder
de haalbaarheid uit het oog te verliezen. De reïntegratievisie geeft
weer welke stappen worden gezet om aan het werk te geraken. De visie
wordt gedurende het reïntegratieproces onderhouden. De invulling van de
reïntegratievisie
WW is maatwerk. Dat betekent dat voor sommige cliënten volstaan kan worden met het vermelden
van de diagnose A of B,
de nalevingsbereidheid en de wettelijke verplichtingen inclusief de gevolgen van
niet-naleving van de verplichtingen. Voor andere cliënten zal een
dergelijke algemene invulling van de reïntegratievisie rblz.|22|
niet voldoende zijn
en zullen de verplichtingen meer geconcretiseerd moeten worden. Gedurende
het reïntegratieproces kunnen de verplichtingen nader bijgesteld worden.
De reïntegratievisie die
door het UWV in het kader van de
WW wordt opgesteld, vormt het vertrekpunt
voor de poortwachtertoets WW. De WW en de Wet SUWI
bieden
voldoende aanknopingspunten om een dergelijke toets vorm te geven. Voor
de invoering ervan is aanvullende wetgeving niet noodzakelijk.
4.4. Sollicitatieplicht
WW
Naast de
poortwachtertoets heeft de SER voorgesteld om het UWV
meer beleidsvrijheid te geven
om bij de handhaving van de sollicitatieplicht afdoende rekening te
houden met de reële arbeidsmarktkansen van de
WW-gerechtigde
(maatwerk). Dit wetsvoorstel biedt, in overeenstemming met het voorstel van de
SER, het UWV de bevoegdheid om, onder voorwaarden, een WW-gerechtigde op
individuele gronden tijdelijk te ontheffen van de
sollicitatieplicht. Voor een individuele ontheffing van een WW-gerechtigde kan
aanleiding bestaan indien er sprake is van een, door individuele
omstandigheden ingegeven, gebleken onmogelijkheid om arbeid te vinden. In de
onderliggende algemene maatregel van bestuur zullen nadere
toetsingscriteria voor het gebruik van de bevoegdheid tot ontheffing worden
neergelegd. Criteria die daarbij een rol kunnen spelen, zijn: de afstand van de
WW-gerechtigde tot de arbeidsmarkt en de aanwezigheid van individuele omstandigheden die in de weg staan aan de terugkeer
naar betaalde arbeid. De
ontheffing kan worden verleend onder de voorwaarde dat de
WW-gerechtigde in aanzienlijke mate vrijwilligerswerk verricht, mantelzorg
verleent of deelneemt aan sociale activering.
De regeling voor
individuele vrijstelling van de sollicitatieplicht wordt in 2010 geëvalueerd.
Zoals in
paragraaf 3.7
reeds aangegeven, is de regering van mening dat, gelet op de gewenste
conformiteit van de Wet WIA en de
WW, de wijzigingen die naar aanleiding van
het SER-advies in de WW worden doorgevoerd ook in de
Wet WIA moeten
worden doorgevoerd. De regering stelt daarom voor de
individuele ontheffing van de sollicitatieplicht in de WW ook mogelijk te maken in
de Wet WIA.¹
1. De Tweede Kamer heeft
hierom verzocht in de motie-Verburg c.s.
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, nr. 45).
Hoofdstuk 5. Versoepeling
ontslagrecht en ontslagpraktijk
5.1. Inleiding
Zoals in hoofdstuk 2
vermeld, acht de regering het van belang de belemmeringen voor een soepele werking
van het ontslagrecht en de ontslagpraktijk weg te nemen. Hiertoe
wordt in de eerste plaats het Ontslagbesluit
gewijzigd. Door deze
wijziging komt het afspiegelingsbeginsel in de plaats van het lifo-beginsel als hoofdregel voor de ontslagselectie bij
bedrijfseconomische
ontslagen. Het Ontslagbesluit bepaalt verder dat de CWI
de
bedrijfseconomische noodzaak voor het ontslag niet langer toetst als daarover
overeenstemming bestaat tussen de werkgever en de betrokken vakorganisaties.
Het onderhavige
wetsvoorstel biedt sociale partners daarnaast de mogelijkheid bij CAO eigen
ontslagcriteria overeen te komen die bij een bedrijfseconomisch ontslag in aanmerking
zullen worden genomen. Hierbij kunnen sociale partners
rekening houden met specifieke omstandigheden in een onderneming of bedrijfstak. Tegelijkertijd kunnen daarbij afspraken
rblz.|23|
worden gemaakt over
maatregelen die gericht zijn op vergroting van de inzetbaarheid van
werknemers en inspanningen van werkgevers op het terrein van de preventie
van werkloosheid, zoals outplacement.
5.2. Advies Stichting van
de Arbeid
De voorstellen tot
heroverweging van het lifo-beginsel zijn bij brief van 25 mei 2004 voor een
reactie toegezonden aan de Stichting van de Arbeid. De Stichting zond haar
reactie ter zake op 1 december 2004 aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Over de afwijkingsmogelijkheid bij CAO hebben de
werknemers- en werkgeversorganisaties verdeeld gereageerd.
VNO/NCW en LTO Nederland
stemmen in met deze mogelijkheid, mits de CWI de toepassing van de decentrale ontslagcriteria slechts marginaal
toetst. Bovendien dient
naar het oordeel van deze organisaties niet alleen met vakbonden, maar ook
met een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging afwijkende
ontslagcriteria overeengekomen kunnen worden. Als de decentrale
afspraken voldoen aan de eisen van rechtvaardigheid, objectiviteit,
rationaliteit en toepasbaarheid, stemt ook het CNV met het voorstel in.
MKB
Nederland, FNV en MHP
wijzen alternatieve selectiecriteria af, omdat zij hechten aan
eenduidigheid van de regelgeving bij bedrijfseconomisch ontslag en zij willen
voorkomen dat hierdoor discussie over het ontslagstelsel wordt verplaatst naar de
CAO-tafel. Indien toch wordt gekozen voor de mogelijkheid van het kiezen voor alternatieve selectiecriteria, dan dient
dit naar het oordeel van
deze organisaties alleen mogelijk te zijn bij CAO. Voorts dienen
alternatieve criteria naar hun oordeel te voldoen aan de eisen van rationaliteit,
rechtvaardigheid, objectieve toepasbaarheid en toetsbaarheid. Dit is van
belang ten behoeve van een consistent personeelsbeleid en in
overeenstemming met de gelijke behandelingswetgeving.
De Centrale organisatie
voor werk en inkomen (CWI) wijst op een aantal uitvoeringstechnische
complicaties bij de toetsing van ontslagcriteria die door vakbonden en
werkgevers(organisaties) zelf worden overeengekomen.
De regering is van
oordeel dat de genoemde bezwaren tegen de mogelijkheid om bij CAO afwijkende
ontslagcriteria af te spreken niet doorslaggevend zijn. In de praktijk
worden door werkgevers- en werknemersorganisaties bij reorganisaties thans
al afwijkende selectiecriteria overeengekomen. CAO-partijen dragen in dat geval zelf de verantwoordelijkheid
voor een rechtens
correcte inhoud van de criteria en een zorgvuldige formulering en toepassing
hiervan. Voorts wijst de regering erop dat deze mogelijkheid van
belang kan zijn in het kader van door ondernemingen gevoerd beleid gericht op
scholing en het vergroten van inzetbaarheid en vaardigheden van
werknemers. Uit het SER-advies over de toekomstbestendigheid van
de
WW en de aanbeveling van de Stichting van 15 april 2005 blijkt
dat beide organisaties unaniem voorstander zijn van dergelijke afspraken.
Bij reorganisaties kunnen hierop aansluitende ontslagcriteria worden
geformuleerd aan de hand waarvan in voorkomende gevallen de ontslagkeuze
kan worden bepaald.
Bij toepassing van door
CAO-partijen vastgestelde ontslagcriteria ligt het niet op de weg van de
CWI om tussen private partijen afgesproken ontslagcriteria toe te
passen. Dat is aan partijen zelf en in laatste instantie aan de rechter. Daarnaast
is toetsing door de CWI ook niet wenselijk vanwege de hierbij te verwachten uitvoeringstechnische problemen, zoals
toename van de
complexiteit van de beoordeling van ontslagverzoeken en de als gevolg daarvan
verwachte langere doorlooptijden voor het rblz.|24|
verlenen van vergunningen. Dit betekent dat indien CAO-partijen ervoor
kiezen om voor ontslag
wegens bedrijfseconomische redenen afwijkende ontslagcriteria vast te
stellen, bij ontslag geen ontslagvergunning van de CWI meer zal zijn
vereist. Ter bescherming van de werknemer en om belasting van de
rechterlijke macht te voorkomen, zal erin worden voorzien dat CAO-partijen in dat
geval verplicht zullen zijn bezwaren van individuele werknemers tegen een
voorgenomen ontslag zelf te toetsen, door middel van een op ondernemings-
dan wel bedrijfstakniveau verplicht in te
stellen bezwarenprocedure. Hiertoe zullen het
Burgerlijk
Wetboek, de Wet
melding collectief ontslag en het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) worden
aangepast.
De regering is
- in
tegenstelling tot VNO NCW en LTO Nederland - van oordeel dat afwijkende
ontslagcriteria alleen bij CAO kunnen worden overeengekomen. Mede
gelet op de verdeeldheid tussen werkgevers- en werknemersorganisaties
hierover houdt de regering vast aan het vereiste van instemming van
vakbonden hiervoor. Van bijzonder belang hierbij is dat vakbonden - anders
dan de meeste ondernemingsraden en de personeelsvertegenwoordigingen - beschikken over de benodigde deskundigheid en ervaring
om op het terrein van ontslag nadere afspraken te maken.
Vakbonden hebben in dit verband thans al een belangrijke rol in het
kader van de Wet
melding collectief ontslag.
5.3. Heroverweging
lifo-beginsel in relatie tot ouderen
In hoofdstuk 4
heeft de
regering het belang van investeringen in employability en preventie van werkloosheid van oudere werknemers benadrukt.
Het voorkomen van een
(langdurig) beroep op de
WW is niet alleen een verantwoordelijkheid voor
de overheid, maar eveneens van de werknemers en hun werkgevers.
Voorgesteld wordt om die verantwoordelijkheid van werkgevers te
benadrukken door het verhalen van een deel van de WW-lasten van oudere
werknemers op de ex-werkgever.
Een aanvullend argument
voor deze maatregel is dat deze het risico verkleint dat ouderen als
gevolg van de versoepeling van de ontslagpraktijk meer dan evenredig worden
ontslagen. De regering wil voorkomen dat de versoepeling van
de ontslagpraktijk tot gevolg heeft dat ouderen bij voorrang
worden ontslagen en dat de
WW wordt benut als financieringsbron voor
vervroegde uittreding. Zonder verdere maatregelen kunnen de voorgestelde
maatregelen leiden tot een verminderde arbeidsdeelname van
ouderen en tot een hogere instroom van ouderen in de WW. Dat zou haaks
staan op het door het kabinet ingezette beleid. Het verhaal van de WW-lasten
van oudere werknemers kan, in combinatie met het bekorten van de duur
van de loongerelateerde WW uitkering en de herinvoering van de
sollicitatieverplichting voor oudere werknemers in 2004, een goed tegenwicht
bieden tegen mogelijk oneigenlijk gebruik als hiervoor bedoeld.
5.4. Beperking
verwijtbaarheidstoets WW
De in het eerste
hoofdstuk beschreven pro-formaproblematiek wordt vooral veroorzaakt door
onzekerheid bij werknemers en hun rechtshulpverleners over de reikwijdte en de
uitkomst van de toets op verwijtbare werkloosheid. Als de
werknemer met het ontslag als zodanig kan instemmen, maar geen
duidelijkheid heeft over zijn aanspraak op
WW, zal hij - vaak op advies
van zijn advocaat of vakbond - geen risico’s willen lopen. Immers, als het
UWV tot de conclusie komt dat de werknemer zich ten onrechte niet heeft
verweerd, zal de uitkering in beginsel blijvend en geheel geweigerd worden.
Om zijn WW-uitkering niet in gevaar te brengen, zal de werknemer
bij de werkgever aandringen op een ontslagprocedure rblz.|25|
waarin hij zich
pro forma tegen zijn ontslag verweert. Dergelijke ontslagprocedures leveren
veel maatschappelijke kosten op, voor de overheid (rechterlijke
macht en CWI), voor werkgevers en werknemers. De vraag of een werknemer ten onrechte heeft nagelaten zich tegen zijn
ontslag te verweren, is
daarbij voor het UWV lastig te beantwoorden. In voorkomende gevallen doet
het UWV daarom een beroep op de ontslagexpertise van de CWI.
De regering wil de
pro-formaprocedures uitbannen, voor zover deze worden veroorzaakt door
de onzekerheid over het recht op een
WW-uitkering. Daartoe is
op 2 december 2004 het oordeel van de SER gevraagd over het
beleidsvoornemen om artikel 24
WW te wijzigen in die zin dat de werknemer die
instemt met, dan wel zich niet verzet tegen een (voorgenomen) ontslag,
niet langer als verwijtbaar werkloos kan worden beschouwd. De toets op
verwijtbare werkloosheid wordt hiermee beperkt tot de situatie waarin de
werknemer wegens een verwijtbare gedraging jegens de werkgever wordt
ontslagen (de a-grond) en die waarin de werknemer zelf ontslag neemt of de
dienstbetrekking op zijn verzoek wordt beëindigd (de b-grond).
In zijn advies onderschrijft de SER het belang van een vermindering van de
pro-formaproblematiek voor een versoepeling van de ontslagpraktijk en
voor een verbeterde werking van de arbeidsmarkt. De SER acht terugdringen
van de pro-formaproblematiek evenzeer van belang voor een evenwichtig en doelmatig functionerend systeem
van de
werkloosheidsuitkering. De SER is voorstander van een beperking van de
verwijtbaarheidstoets tot de genoemde situaties en onderschrijft de voorgenomen
wijziging
van de b-grond. Hiermee kan een aanzienlijke kostenreductie voor
werkgevers en werknemers worden bereikt.
Naast genoemde wijziging
van de b-grond adviseert de SER eveneens de a-grond te beperken. De
SER adviseert alleen dan verwijtbare werkloosheid aan te nemen als de
werknemer wegens een dringende reden op staande voet is
ontslagen, dan wel zijn arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden
is ontbonden. Het aangrijpingspunt voor de toets op verwijtbare
werkloosheid in het SER-voorstel is niet de reden voor het ontslag, maar de
ontslagroute (ontslag op staande voet, ontbinding wegens dringende reden).
De SER is van oordeel dat een dergelijke afbakening van de a-grond
voor partijen meer duidelijkheid biedt, waardoor ook voor dit aspect van
verwijtbare werkloosheid ontslagprocedures worden voorkomen.
Aan de door de
SER voorgestelde beperking van de a-grond kleven drie zwaarwegende bezwaren. In
de eerste plaats zou om formele redenen geen toets op verwijtbare
werkloosheid kunnen plaatsvinden in gevallen waar dat vanuit de
WW wel
wenselijk zou zijn. In de situatie waarin de werknemer zich (verwijtbaar) zodanig heeft misdragen dat voortzetting
van de dienstbetrekking
redelijkerwijs niet in de rede ligt, zou de uitkering desondanks niet geweigerd
kunnen worden ingeval het ontslag anders dan via de door de SER
genoemde routes is geëffectueerd. In de tweede plaats kan het
SER-voorstel leiden tot ongelijke behandeling van materieel gelijke gevallen. Bij een
identieke reden voor het ontslag zou de WW-uitkering van de ene
werknemer wel en van de andere werknemer niet geweigerd worden,
afhankelijk van de gevolgde ontslagroute. Dit zou ten koste gaan van de
legitimiteit van de WW. Het kabinet houdt daarom vast aan de ontslagreden
als aangrijpingspunt voor de toets op verwijtbare werkloosheid. In de derde
plaats moet in de redactie van de a-grond rekening worden gehouden
met het gegeven dat ook het overheidspersoneel onder de WW valt (zie
hieronder).
In zijn reactie op het
SER-advies van 29 april jl. kondigde het kabinet aan dat het de a-grond niet
zou wijzigen. Op deze aankondiging is commentaar rblz.|26|
gekomen vanuit de
advocatuur en de rechtswetenschap, alsmede van de zijde van de Stichting
van de Arbeid.¹ De kern hiervan is dat bij handhaving van de huidige a-grond de
onzekerheid bij werknemers en hun adviseurs over de
aanspraak op
WW niet (geheel) wordt weggenomen. Dit zou tot gevolg kunnen
hebben dat de pro-formaontslagprocedures niet of slechts in beperkte mate
worden teruggedrongen. De commentatoren gaan ervan uit dat de pro-formaontslagprocedures
wel (grotendeels) zullen verdwijnen als in
de a-grond zou worden bepaald dat van verwijtbare werkloosheid alleen
sprake kan zijn als het ontslag is ingegeven door een gedraging van de werknemer die een dringende reden voor ontslag
oplevert.
1. Brieven mr. G. Boot,
Vereniging Arbeidsrechtadvocaten Nederland en de Stichting
van de Arbeid aan de Vaste Commissie SZW van de Tweede Kamer d.d. 6
juni 2005, resp. 28 juni 2005; Weer
sleutelen aan het ontslagrecht of toch maar weer niet, prof. P. van der Heiden in NJB van 10 juni
2005; Kabinetsvoorstel
WW: Wie B zegt moet ook A
zeggen, mr. R.L. van Heusden in
SMA van april 2005.
Er is de regering veel
aan gelegen om de aanleiding voor
pro-formaprocedures zoveel
mogelijk weg te nemen. De onzekerheid over de aanspraak op
WW zal
veelal berusten op de perceptie van de kans dat het UWV
tot verwijtbare
werkloosheid zal concluderen. Uit de commentaren blijkt dat die perceptie
bij handhaving van de huidige a-grond niet (voldoende) zal wijzigen
om de pro-formaontslagprocedures in die mate terug te dringen als de
regering voor ogen staat. De regering heeft daarom besloten om met
dit wetsvoorstel ook de a-grond te wijzigen in die zin dat de werknemer
alleen dan verwijtbaar werkloos is als hij zich zodanig ernstig heeft
misdragen dat van de werkgever redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat
hij de dienstbetrekking laat voortduren. In dat geval is sprake van een
dringende reden voor ontslag in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid
is niet nodig dat de werknemer daadwerkelijk met een (onverwijld)
beroep op de dringende reden op staande voet wordt ontslagen of dat
zijn arbeidsovereenkomst om een dringende reden wordt ontbonden. Er kan
ook sprake zijn van verwijtbare werkloosheid als de dienstbetrekking
anders dan door middel van een ontslag op staande voet of een ontbinding
wegens dringende redenen is beëindigd. Wel is het achterwege laten van een
ontslag op staande voet, of een schorsing met onmiddellijke ingang, op zichzelf een indicatie dat geen sprake is van een
dringende reden, en dus
ook niet van (mogelijke) verwijtbare werkloosheid. Het voorgaande impliceert
tevens dat er in de regel ook geen sprake zal zijn van verwijtbare
werkloosheid als de arbeidsovereenkomst met toestemming van de CWI
wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer wordt opgezegd (artikel
5:1, vierde lid, Ontslagbesluit), dan wel door (of op initiatief
van) de werkgever met wederzijds goedvinden wordt beëindigd en daaraan
voorafgaand geen sprake is geweest van een schorsing met onmiddellijke ingang.
De Raad voor het
overheidspersoneelsbeleid (ROP) heeft naar aanleiding van het SER-advies inzake
de beperking van de verwijtbaarheidstoets de aandacht gevraagd voor de
afwijkende rechtspositie van het overheidspersoneel.¹ De overheid kent niet de
mogelijkheid van een ontslag op staande voet, noch van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De ROP
stelt voor om, in lijn
met het SER-advies, de verwijtbaarheidstoets te beperken tot die gevallen
waarin de werknemer op eigen verzoek is ontslagen, dan wel op
grond van een disciplinaire straf wordt ontslagen. Het voorstel van
regering, waarin niet de formele ontslagroute, maar de daaraan ten grondslag
liggende reden voorop staat, voorkomt dat voor overheidspersoneel een
afwijkende bepaling moet worden gemaakt. De gekozen formulering van
de a-grond maakt duidelijk dat wordt aangesloten bij het begrip dringende
reden, maar is eveneens van toepassing op ambtenaren (dat wil zeggen overheidswerknemers met een ambtelijke aanstelling). Voor hen geldt evenzeer
als voor werknemers met een arbeidsovereenkomst dat zij verwijtbaar
werkloos zijn als het ontslag - ongeacht de daaraan formeel ten
grondslag gelegde grond - is ingegeven door verwijtbare ernstige misdragingen als
gevolg waarvan de voortzetting van de rblz.|27|
dienstbetrekking niet van
de werkgever kan worden gevergd. Die situatie is voor ambtenaren het
duidelijkst aanwezig als er sprake is van strafontslag of een daarmee naar aard
en strekking vergelijkbaar ontslag: de reden voor een dergelijk
ontslag is uit de aard der zaak de ernstige misdraging van de
ambtenaar. Bij een ontslag op andere in de rechtspositie verankerde gronden,
alsook bij een tussentijdse beëindiging van een tijdelijke aanstelling,
kan evenwel ook sprake zijn van verwijtbare werkloosheid. Net als bij werknemers
met een arbeidsovereenkomst is hierbij van betekenis of de
misdraging van de overheidswerknemer zodanig ernstig was dat hij
voorafgaand aan het ontslag is geschorst.
1. Advies ROP aangaande
deregulering
WW d.d. 29 april 2005, ROP/05/0098.
In
artikel 24 [WW,
red.] wordt
voorts expliciet bepaald dat het nalaten van een verweer tegen een ontslag
geen overtreding oplevert van de verplichting om verwijtbare
werkloosheid respectievelijk om benadeling van de
WW-fondsen te voorkomen.
De voorgestelde wijziging van artikel 24
WW neemt de belangrijkste aanleiding voor pro-formaontslagprocedures
weg.
Dit leidt niet alleen tot
vereenvoudiging van de uitvoering van de WW, doch ook tot een betere
aansluiting tussen de WW en het ontslagrecht. Dit maakt een soepeler
beëindiging van arbeidsovereenkomsten mogelijk, zonder onnodige
procedures. Indien partijen overeenstemming hebben over het ontslag, zal de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst vaker dan thans plaatsvinden
met wederzijds goedvinden. Hiervoor is geen vergunning van de CWI
vereist. Het voorstel zal leiden tot een aanzienlijke verlaging van de
ontslagkosten en van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
Met dit voorstel blijft
de ontslaggrond bepalend voor de verwijtbaarheidstoets. De voorgestelde wijziging
van de a-grond levert ten opzichte van de huidige situatie
een beperking op van het aantal situaties waarin op verwijtbare
werkloosheid wordt getoetst. In minder gevallen zal een uitkering worden
geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De toegang tot de
WW wordt
hierdoor verruimd, met als een gevolg een beperkte toename van de
instroom in de WW.
Een beperking van de
verwijtbaarheidtoets leidt eveneens tot vermindering van de belasting van de
rechterlijke macht en van de uitvoeringskosten voor de CWI
en het UWV.
Het aantal pro-formaprocedures bij de CWI en de rechter zal
hierdoor naar verwachting substantieel afnemen. Als de werknemer twijfelt
aan de rechtmatigheid van het ontslag, kan hij dit natuurlijk nog wel
inhoudelijk aan de orde stellen, door aan te dringen op een ontslagprocedure
bij de CWI of door zelf naar de rechter te stappen.
Hoofdstuk 6. Deregulering
en vereenvoudiging van de WW
6.1. Algemeen
Complexe regelingen in de
WW zorgen voor veel uitvoeringstechnische problemen en gaan ten
koste van de inzichtelijkheid voor werkgevers en werknemers. De regering
heeft zich daarom voorgenomen de WW te dereguleren en
vereenvoudigen.
Bij brief van 2 december
2004 heeft het kabinet de SER gevraagd te adviseren over een viertal
voornemens tot vereenvoudiging van de WW:
- het doorlopen van de
WW-uitkering bij kortdurende ziekte van de WW-gerechtigde;
- aanpassing van de
regeling van hoofdstuk IV
WW;
- urenverrekening ook
bij werkhervattingen van kleine omvang;
- beperken van de toets
op verwijtbare werkloosheid.
rblz.|28|
Deze voorstellen zijn
voor een deel gebaseerd op de Bouwstenennotitie deregulering sociale
verzekeringen van mei 2003 van de Stuurgroep deregulering sociale verzekeringen.
Zoals in paragraaf 1.6 is aangegeven, heeft de SER
positief
gereageerd op de vereenvoudigingsvoorstellen. Naar aanleiding hiervan heeft
de regering deze voorstellen uitgewerkt in dit
wetsvoorstel. Hieronder
worden de drie eerstgenoemde voorstellen toegelicht. Het beperken
van de toets op verwijtbare werkloosheid is toegelicht in het voorafgaande hoofdstuk over de versoepeling van de
ontslagpraktijk.
6.2. Zieke werkloze
Op dit moment hebben
personen met een
WW-uitkering bij ziekte recht op een uitkering op grond
van de Ziektewet (ZW). De WW-uitkering wordt in dat geval beëindigd.
Vervolgens wordt het recht op en de hoogte van de ZW-uitkering bepaald.
Nadat de werknemer is hersteld, eindigt de ZW-uitkering en herleeft
de WW-uitkering. Deze systematiek is voor korte periodes van ziekte
belastend voor de uitvoering en leidt tot hogere uitvoeringskosten. Met
dit voorstel wordt geregeld dat de zieke werkloze tijdens de eerste
dertien weken van ziekte een WW-uitkering blijft ontvangen. Pas na deze
dertien weken
krijgt de zieke werkloze recht op een ZW-uitkering. De periode van
dertien weken
sluit aan bij de periode van maximaal drie maanden die op grond van
de huidige regeling op de resterende uitkeringsduur in
mindering wordt gebracht indien de WW-uitkering wegens ziekte is
beëindigd.
Op de zieke werkloze is
gedurende deze dertien weken zowel de
WW als de ZW van toepassing. Hoewel de werknemer geen ZW-uitkering ontvangt, heeft
hij er wel nog steeds
aanspraak op. Dit betekent dat de verplichtingen van de ZW op de werknemer van
toepassing blijven. Omdat het UWV bij zieke werklozen als werkgever
wordt beschouwd, dient het UWV te voldoen aan de
werkgeversverplichtingen in het kader van de Wet
verbetering poortwachter. Vanaf de eerste dag dat
de werkloze zich ziek meldt, maakt het UWV een dossier aan. Ook
de wachttijd van de Wet WIA start vanaf deze dag. Uiterlijk binnen zes
weken na de eerste ziektedag dient het UWV, bij dreigende langdurige
arbeidsongeschiktheid, een probleemanalyse op te stellen.
Zoals aangegeven, moet de
zieke werkloze aan de verplichtingen van beide wetten voldoen. Op
grond van de ZW moet hij zich bijvoorbeeld ziek melden of meewerken aan
een geneeskundig onderzoek. Tijdens de periode dat de zieke
werkloze een WW-uitkering ontvangt, is hij op grond van de WW onder meer
verplicht om in voldoende mate te trachten passende arbeid te
verkrijgen. Deze verplichting heeft de werknemer thans al op grond van
artikel 30 van de ZW. Bij de beoordeling of de werkloze voldoet aan zijn
verplichtingen moet het UWV rekening houden met de beperkingen van de
werkloze door ziekte. Deze beoordeling vindt plaats op grond van
individuele omstandigheden. In de situatie dat de werkloze door ziekte
minder in staat is aan deze verplichtingen te voldoen, kan het UWV dan ook
oordelen dat de werkloze in voldoende mate tracht passende arbeid te
vinden. Hierdoor blijft in deze gevallen een sanctie achterwege. Ook bevat
dit
wetsvoorstel de mogelijkheid om het UWV bij algemene maatregel van
bestuur de bevoegdheid te geven de werknemer tijdelijk, individueel
ontheffing te verlenen van de sollicitatieverplichting indien hij in het geheel
niet in staat is te solliciteren (zie hiervoor ook paragraaf
4.4).
Een categorale ontheffing
van de sollicitatieplicht tijdens ziekte wordt niet geïntroduceerd omdat dit
zou betekenen dat de zieke werkloze niet verplicht is naar arbeid
te zoeken. Dit is niet in overeenstemming met de huidige
ZW-verplichtingen,
waardoor zieke werklozen bevoordeeld zouden worden ten
opzichte van zieken die een ZW-uitkering ontvangen.
rblz.|29|
Dit
gevolg is ongewenst.
Conform het voorstel van de SER zal de uitwerking in de praktijk via
monitoring gevolgd worden.
Door dit voorstel krijgen
zieke werklozen tijdens de eerste dertien weken van ziekte een
WW-uitkering
in plaats van een ZW-uitkering. Voor duur en hoogte van de uitkering
maakt dit weinig verschil. De hoogte van het ZW-dagloon van een zieke
werkloze is in beginsel gelijk aan de hoogte van het WW-dagloon. In
bepaalde gevallen kan het voorstel tot een klein verschil leiden, namelijk
indien de WW-uitkering in de eerste twee maanden 75% van het
dagloon gaat bedragen (zie paragraaf 3.4) en de werknemer in deze periode
ziek wordt. Hij blijft dan een WW-uitkering van 75% ontvangen tot de
periode van twee maanden is verstreken. Zou de werknemer wel naar de ZW
overgaan, dan ontvangt hij een ZW-uitkering van 70%. Zodra de ZW-uitkering zou worden beëindigd en de
WW-uitkering zou herleven,
ontvangt hij weer een uitkering van 75% tot de periode van twee maanden
is verstreken. Indien de WW-uitkering niet of kort herleeft (omdat de werknemer in de ZW blijft of het werk hervat), zou
het zo kunnen zijn dat de
werknemer geen twee maanden een uitkering van 75% van het dagloon
ontvangt. Het voorstel is dus in dit opzicht gunstig voor werknemers.
Zoals eerder aangegeven,
wordt op dit moment de eerste drie maanden van ziekte in mindering
gebracht op de resterende WW-uitkeringsduur. De totale periode waarin
recht op WW-uitkering bestaat, wijzigt door dit voorstel dus niet. Wel is het zo
dat op grond van de huidige regels een periode van ZW-uitkering meetelt
als feitelijk arbeidsverleden in de zin van de WW en het wetsvoorstel WIA
en een periode waarin WW-uitkering is ontvangen niet. Zieke
werklozen zullen derhalve door dit voorstel tijdens de eerste dertien weken van
ziekte geen feitelijk arbeidsverleden opbouwen. Dit gevolg past bij de
keuze om de WW-periode leidend te laten zijn en voorkomt een perverse
prikkel voor werklozen om zich ziek te melden. Werklozen en kortdurend zieke werklozen worden zo gelijk behandeld.
De wijziging zal niet van
toepassing zijn op werklozen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap
of bevalling dan wel als gevolg van orgaandonatie. Deze groepen houden vanaf
de eerste dag van ziekte recht op een ZW-uitkering van 100% van
hun dagloon.
WW-uitkeringen van
(markt)werknemers worden gedurende de eerste zes maanden betaald uit de
wachtgeldfondsen ¹ en daarna uit het AWf. ZW-uitkeringen aan deze
werknemers worden betaald uit het AWf. Door het laten doorlopen van
de WW-uitkering gedurende de eerste dertien weken van ziekte zullen de wachtgeldfondsen dus meer belast worden. Deze
fondsen zullen daarvoor
periodiek gecompenseerd worden.
WW-uitkeringen aan
overheidswerknemers worden betaald uit het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (UFO) en gedeclareerd bij de werkgever. ZW-uitkeringen aan
overheidswerknemers worden betaald uit het UFO. De WW-uitkeringen
tijdens de eerste dertien weken van ziekte zullen uit het UFO worden betaald en
worden niet gedeclareerd bij de overheidswerkgevers.
1. Vanaf 1 januari 2006
wordt de benaming wachtgeldfonds vervangen
door sectorfonds; Kamerstukken II 2004-2005,
30 118, nr. 2.
6.3. Aanpassing van
hoofdstuk IV WW
6.3.1. Algemeen
In
hoofdstuk IV van de
WW is de regeling opgenomen voor overneming van uit de
dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen.
De regeling bestaat sinds 1968.¹ Sinds 1980 zijn de voorwaarden waaraan de
regeling moet voldoen, opgenomen in de Europese richtlijn inzake
de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever.²
rblz.|30|
Een werknemer heeft recht
op een uitkering op grond van hoofdstuk IV
WW indien hij van een
werkgever die in betalingsonmacht verkeert loon, vakantiegeld of
vakantiebijslag heeft te vorderen of indien hij nadeel kan ondervinden doordat de
werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking aan
derden verschuldigd is (zoals pensioenpremie) niet heeft betaald.
Het recht op een
uitkering omvat:
a. het loon over ten
hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de
dienstbetrekking;
b. het loon over ten
hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging, waarbij de
termijn van opzegging gemaximeerd is tot de termijn die krachtens
artikel 40 van de Faillissementswet
(Fw) voor de werknemer geldt;
c. het vakantiegeld, de
vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden
verschuldigd is, over ten
hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop
de onder b bedoelde termijn eindigt.
Tijdens de opzegtermijn
geldt dat de werknemer arbeidsuren moet hebben verloren en
beschikbaar moet zijn om arbeid te aanvaarden of voor de oude werkgever
arbeid blijft verrichten. Aan de werknemer die wegens ziekte,
zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van arbeid of uitkering
ontvangt op grond van hoofdstuk 3 van de Wet
arbeid en zorg wordt het
vereiste van beschikbaarheid voor arbeid niet gesteld.
1. Wet van 10 juli 1968,
Stb. 1968, 375.
2. Richtlijn 80/987 EEG.
Bij de voorstellen voor
aanpassing van de regeling is er zowel sprake van vereenvoudiging en
deregulering als van aanpassing van de wetgeving aan de bestaande
praktijk.
6.3.2. Toepassing
hoofdstuk IV bij beëindiging van het dienstverband anders dan
door opzegging.
Het recht op
hoofdstuk IV
uitkering is in de huidige bepaling gerelateerd aan de "de dag van
opzegging". Letterlijk gezien zou dit betekenen dat de overnemingsregeling niet
kan worden toegepast indien de dienstbetrekking op andere wijze dan door
opzegging eindigt, bijvoorbeeld bij ontbinding door de kantonrechter,
een beëindiging met wederzijds goedvinden of een beëindiging van
rechtswege door het verstrijken van de termijn waarvoor de
dienstbetrekking is aangegaan. Omdat deze interpretatie onbevredigend wordt
geacht - en ook niet beoogd was bij wijziging van de bepaling ten tijde van
de stelselherziening - wordt door het UWV
in de praktijk ook uitkering
toegekend in die situaties waarbij de dienstbetrekking anders dan door opzegging
is geëindigd.
Voorgesteld wordt deze
praktijk nu ook in tekst van de wet neer te leggen.
Voor de waarin
[Voor de gevallen waarin, red.] de
dienstbetrekking anders eindigt dan door opzegging, is het recht op uitkering
beperkt tot het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande
aan het einde van de dienstbetrekking (de a-periode) en het
vakantiegeld, de vakantiebijslag, etc. over ten hoogste het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het einde van de dienstbetrekking.
6.3.3. Oplossing
lacuneproblematiek
Op grond van
hoofdstuk IV
WW kan het loon worden overgenomen over de voor de werknemer
geldende opzegtermijn, waarbij als maximum de opzegtermijn van artikel
40 van de Faillissementswet
wordt gehanteerd. Dit betekent dat maximaal
het loon over zes weken opzegtermijn wordt overgenomen. Indien de dienstbetrekking tijdens het faillissement wordt
opgezegd, is er geen
probleem, dan gelden namelijk zonder meer de opzegtermijnen van de Faillissementswet. Is echter vóór het faillissement
rblz.|31|
opgezegd, dan gelden de
opzegtermijnen van het
Burgerlijk
Wetboek. Datzelfde geldt als de
werkgever bij de opzegging in blijvende betalingsonmacht verkeerde, maar geen
faillissement wordt uitgesproken. Indien de voor de werknemer geldende civielrechtelijke opzegtermijn langer is
dan zes weken, dan wordt
dus niet het loon over de gehele opzegtermijn overgenomen. Omdat de
werknemer over de hele opzegtermijn wel recht heeft op loon, ontstaat er
een gat (de lacune) tussen de dag waarop de loonovername op grond van
hoofdstuk IV
WW ophoudt en de dag waarop de werknemer recht krijgt
op een reguliere
WW-uitkering. Immers, zolang de werknemer recht heeft
op loondoorbetaling voldoet hij niet aan één van de voorwaarden voor
reguliere WW-uitkering.
Vanwege het bovenstaande
is in de
WW een bepaling opgenomen op grond waarvan een
voorschot wordt verstrekt indien de werknemer recht heeft op onverminderde
doorbetaling van loon, doch de werkgever het loon niet voldoet.¹ Een
oplossing biedt deze bepaling echter niet. Het gaat hierbij namelijk niet om
voorschotten in de zin van voorlopige betaling. Het voorschot kan immers
niet worden omgezet in een recht op uitkering (de werknemer heeft
immers recht op loon), terwijl het zeer zelden zal gebeuren dat de werkgever
(die in een blijvende toestand van betalingsonmacht verkeert) alsnog het loon
zal betalen.
1. Artikel
31, derde lid,
onderdeel b, van de
WW is bij Wet van 30 mei 1990, Stb.
1990, 316, aan de
WW toegevoegd.
Voorgesteld wordt nu de
lacuneproblematiek op te lossen door te bepalen dat in aansluiting op de
periode waarover uitkering op grond van hoofdstuk IV
WW wordt verstrekt,
het recht op reguliere
WW-uitkering kan ontstaan indien de
werknemer recht heeft op onverminderde doorbetaling van loon, doch de
werkgever wegens blijvende betalingsonmacht het loon niet voldoet. Dit is
overeenkomstig de huidige uitvoeringspraktijk.
Aangezien hierdoor de
bovengenoemde voorschotbepaling niet meer nodig is, wordt
voorgesteld deze te schrappen.
6.3.4. Berekening
overname achterstallig loon en aantal vakantiedagen
In
hoofdstuk IV van de
WW is niet expliciet aangegeven hoe berekend moet worden of de
werknemer nog iets te vorderen heeft van de werkgever. In de praktijk werd
iedere loonbetaling in de referteperiode in mindering gebracht op het
over die periode verschuldigde loon. Dit week af van de
civielrechtelijke benadering op grond waarvan betalingen worden toegerekend aan de
oudste vordering, maar werd in overeenstemming geacht met de benadering
van hoofdstuk IV van de
WW als laatste redmiddel voor de werknemer.
Het Hof van Justitie [Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, red.] heeft echter geoordeeld ¹ dat loonbetalingen in de referteperiode bij
voorrang moeten worden toegerekend aan vóór de referteperiode ontstane
aanspraken. Het Hof is van oordeel dat wanneer een werknemer jegens zijn
werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid gelegen vóór de
referentieperiode en tegelijkertijd
vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode
verrichte loonbetalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken. Het Hof
kiest derhalve voor de
civielrechtelijke benadering. De uitvoeringspraktijk is inmiddels hieraan
aangepast. Gezien de algemene implementatieverplichting van een richtlijn acht de
regering het wenselijk deze praktijk nu ook expliciet in de wet
op te nemen.
1. Onder andere 14 juli 1998, zaak
C-125/97, A.G.R. Regeling tegen het
Bestuur voor de Metaalnijverheid.
Hetgeen hiervoor is
vermeld voor loonbetalingen geldt evenzeer voor over te nemen
vakantiedagen. Indien een werknemer aan het einde van de dienstbetrekking nog
aanspraak heeft op vakantie, heeft hij recht op een uitkering in geld
(artikel 7:641 BW). Indien de werkgever in blijvende betalingsonmacht
verkeert, neemt het UWV de verplichting van de
werkgever rblz.|32|
over, over ten
hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het einde van de
opzegtermijn. Ook hierbij was het beleid dat vakantiedagen die door de werknemer
waren opgenomen in de referteperiode in mindering werden gebracht op het
tegoed over de referteperiode, ook indien de werknemer nog een tegoed
aan "oudere" vakantiedagen had. Omdat deze praktijk
uitvoeringstechnisch complex was en gezien de gewijzigde praktijk bij loonbetalingen in de
referteperiode is ook op dit punt de uitvoeringspraktijk aangepast en worden opgenomen vakantiedagen in
mindering gebracht op de
vakantieaanspraken die het eerste zijn verkregen. Voorgesteld
wordt ook deze praktijk in de wet op te nemen.
6.3.5. Werkhervatting bij
andere werkgever tijdens de opzegtermijn
Indien de werknemer op de
opzeggingsdatum al geheel of gedeeltelijk aan het werk is bij een
nieuwe werkgever, ontstaat geen recht of slechts een gedeeltelijk recht op
overname van loon over de opzeggingstermijn. De werknemer heeft namelijk
alleen recht op uitkering over de opzegtermijn voor zover hij arbeidsuren
verloren heeft of voor de oude werkgever arbeid blijft verrichten.
Gaat de werknemer tijdens de opzegtermijn werken of breidt hij zijn
arbeidsuren uit, dan wordt het recht op uitkering niet geheel of gedeeltelijk beëindigd
(artikel 20 van de
WW is niet van
toepassing), maar wordt
het elders verdiende loon volledig in mindering gebracht op de uitkering.
De verhouding tussen de bepaling met betrekking tot het recht op
uitkering tijdens de opzegtermijn en de bepaling met betrekking tot de aftrek
van inkomsten tijdens de opzegtermijn is onvoldoende duidelijk geregeld,
waardoor het risico van ongewenste, dubbele korting dreigt.
Voorgesteld wordt om te regelen dat de werknemer steeds recht heeft op overname
van loon over de opzegtermijn, ook indien hij op de opzeggingsdatum al
geheel of gedeeltelijk bij een andere werkgever is gaan werken. Door de
volledige aftrek van inkomsten uit arbeid komt de uitkering tijdens die
periode alleen tot uitbetaling indien en voor zover het inkomen bij de andere
werkgever lager is. De bij de nieuwe werkgever opgebouwde
vakantierechten (vakantiedagen en vakantietoeslag) worden ook van de over te
nemen
vergoeding van vakantierechten over die termijn afgetrokken.
6.3.6. Verjaring
loonovername
Op
hoofdstuk IV
WW is de
verjaringsregeling van artikel 23 van de
WW van toepassing. Dit
artikel bepaalt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over
tijdvakken die meer dan 26 weken vóór de aanvraagdatum liggen. Dit
houdt in dat indien een werknemer meer dan 26 weken nadat hij zijn
loon wegens betalingsonmacht niet betaald heeft gekregen een aanvraag
doet, de aanvraag wel in behandeling moet worden genomen en het
recht op uitkering moet worden onderzocht. Door het tijdsverloop is
dan niet of slechts met veel moeite vast te stellen of er een vordering
bestaat en hoeveel die bedraagt. Ook de verhaalsmogelijkheden van het UWV
worden
gefrustreerd door het tijdsverloop. Daarbij is strikte
toepassing van de verjaringsregeling bij hoofdstuk IV niet mogelijk omdat voor
bepaalde verplichtingen, zoals pensioenpremie en vakantierechten, in ieder
geval één jaar moet worden teruggegaan.
Voorgesteld wordt om een
afzonderlijke verjaringsbepaling op te nemen in hoofdstuk IV op grond
waarvan er geen recht op uitkering bestaat indien de aanvraag meer
dan 26 weken na het ontstaan van de betalingsonmacht is ingediend. Voor
bijzondere gevallen kan van deze bepaling worden afgeweken.
rblz.|33|
6.3.7. Premieheffing over
overgenomen verplichtingen
Voor zover het
UWV een
vordering van een schuldeiser van de werkgever voldoet, treedt het in
alle rechten die de schuldeiser ter zake van die vordering heeft (artikel
66, eerste lid, van de
WW). Indien het UWV achterstallig loon overneemt, verkrijgt
het UWV daarmee een bevoorrechte vordering op de
werkgever. De over dat loon door de werkgever verschuldigde premies worden ook door
het UWV overgenomen en afgedragen. Ten aanzien van de
premies over de verleende uitkering heeft het UWV verhaal op de werkgever
(artikel 66, tweede lid, van de
WW).
Doordat in de laatste
bepaling het UWV een verhaalsbevoegdheid krijgt, kan de indruk bestaan dat
het UWV ten aanzien van het loon bevoorrecht schuldeiser is en ten
aanzien van de over dat loon verschuldigde premies concurrerend schuldeiser.
Dit verschil is niet beoogd. Voorgesteld wordt de bepaling zo aan te passen dat buiten twijfel is dat het UWV zowel met
betrekking tot het
overgenomen loon als met betrekking tot de over dat loon afgedragen premies
een bevoorrechte positie inneemt.
6.4. Werkhervattingen van
kleine omvang
Op grond van de huidige
regels in de
WW wordt de uitkering beëindigd met het aantal uren
waarin de werknemer het werk hervat, tenzij er sprake is van een werkhervatting
van minder dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal
arbeidsuren. In dat geval wordt 70% van het inkomen uit arbeid op de uitkering
in
mindering gebracht. Bij de invoering van de WW in 1987 is dit
onderscheid gemaakt vanuit de gedachte dat indien bij een verlies van minder dan
vijf arbeidsuren geen werkloosheid ontstaat, bij een werkhervatting van
minder dan vijf uur de werkloosheid niet eindigt.¹ Om feitelijke
inkomensverschillen (tussen mensen met en kleine en grote werkhervatting) te
voorkomen, wordt wel het inkomen uit de kleine werkhervatting in mindering gebracht op
de WW-uitkering.
1. Kamerstukken II 1985-1986,
19 261, nr. 3.
Het feit dat er op twee
verschillende manieren wordt omgegaan met werkhervatting maakt de uitvoering
van
de
WW complexer. Daarnaast heeft toepassing van één
systematiek ook de voorkeur omdat de verschillen in systematiek ongewenste
effecten meebrengen. Bij werkhervatting tegen het oude uurloon maakt de
systematiek niet uit. Bij werkhervatting tegen een hoger uurloon dan
voorheen is de urensystematiek gunstiger. Bij werkhervatting tegen een
lager uurloon dan voorheen is de inkomstenverrekening gunstiger. Dit leidt
bijvoorbeeld tot het effect dat bij werkhervatting tegen een lager uurloon
dan voorheen de werknemer bij een werkhervatting van vier
uur meer zal ontvangen aan WW-uitkering en loon dan bij een
werkhervatting van vijf uur. Voorgesteld wordt om ook bij werkhervattingen van
kleine omvang de uitkering in uren te beëindigen.
Indien in alle gevallen
bij werkhervatting de uitkering in uren wordt beëindigd, maakt dit de regelgeving
en de uitvoering eenvoudiger. Ook voor de werknemer wordt de
regelgeving transparanter en begrijpelijker. Zoals eerder aangegeven, kan
toepassing van de inkomstenvermindering voor- of nadelig zijn ten opzichte
van de urensystematiek. Ervan uitgaande dat werknemers wellicht
eerder tegen een (iets) lager uurloon dan een hoger uurloon hervatten, zal
toepassing van de urensystematiek bij kleine werkhervatting een licht nadelig effect
hebben. Uit gegevens van het UWV blijkt dat in ongeveer
0,6% van alle uitbetaalde weken toepassing is gegeven aan de regeling
voor kleine werkhervattingen. De effecten op uitvoeringskosten en uitkeringslasten zijn zeer nihil.
rblz.|34|
Hoofdstuk 7.
Overgangsrecht
Bij het overgangsrecht is
rekening gehouden met het Toetsingskader overgangsrecht.¹ De
wijziging van de polisvoorwaarden met betrekking tot de duur en de hoogte
van de uitkering zullen alleen van toepassing zijn op personen van wie de
eerste werkloosheidsdag gelegen is op of na de datum van
inwerkingtreding van dit voorstel. Bestaande uitkeringsrechten worden niet aangetast.
Verder wordt een regeling
voorgesteld waarmee voorkomen wordt dat werkhervatting tot
kortere rechten leidt. Dit kan zich voordoen indien een uitkeringsgerechtigde
vóór inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een recht op
WW-uitkering
krijgt dat hij verliest omdat hij werkzaamheden is gaan verrichten op basis
waarvan hij, na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, een nieuw recht op
WW-uitkering krijgt. Dit nieuwe recht op WW zou een kortere duur
kunnen hebben dan het resterende recht op het moment van
werkhervatting. Een voorbeeld kan dit verduidelijken.
Een werknemer is op 1
april 2006 werkloos geworden. Hij heeft 35 jaar arbeidsverleden en krijgt
een recht op WW-uitkering van vier jaar. Hij gaat werken van 1 juni 2006
tot 1 januari 2007. Op 1 januari 2007 krijgt hij een nieuw recht op uitkering
van 36 maanden (zijn arbeidsverleden is 36 jaar). Het recht dat op 1 juni
2006 is beëindigd vanwege de werkhervatting had nog een resterende duur
van drie jaar en tien maanden (46 maanden). Indien geen nieuw recht was
ontstaan, maar dat oude recht was herleefd, zou de werknemer tien maanden
langer recht op uitkering hebben. Om dit nadelige gevolg van werkhervatting
te voorkomen, wordt voorgesteld om de nieuw toe te kennen
uitkering te verlengen zodanig dat de duur van de nieuwe uitkering gelijk
wordt aan de duur die het "oude" recht had op het moment van beëindiging
door werkhervatting. In bovenstaand voorbeeld wordt de duur van de
nieuwe uitkering dus verlengd tot 46 maanden.
1. Kamerstukken I 1999-2000, 25 900, nr. 87b.
Deze overgangsbepaling
vervalt na vijf jaar. Zonder een horizonbepaling zou het UWV
bij de
vaststelling van de uitkeringsduur in beginsel nog decennia rekening moeten
houden met de mogelijke verlenging op grond van het overgangsrecht.
Bij de vervaltermijn is rekening gehouden met de maximale duur van een
WW-recht vóór de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
Het voorstel met
betrekking tot de zieke werklozen zal van toepassing zijn op
WW-gerechtigden van
wie de eerste ziektedag is gelegen op of na de datum van
inwerkingtreding van dit voorstel. Het voorstel met betrekking tot de kleine
werkhervattingen zal van toepassing zijn bij werkhervattingen vanaf het moment
van
inwerkingtreding van het voorstel. De voorstellen met betrekking tot
hoofdstuk IV van de
WW zullen van toepassing zijn op personen van wie
het recht op uitkering is ontstaan na de datum van inwerkingtreding van
het voorstel.
Hoofdstuk 8. Commentaren
en adviezen
Een concept voor
dit
wetsvoorstel is voor commentaar voorgelegd aan het UWV, de
CWI, de IWI,
Actal en aan de Raad voor de rechtspraak. Het oordeel van het UWV, de
CWI en de IWI richt zich in hoofdzaak op de uitvoerbaarheid, de
handhaafbaarheid en de toezichtbaarheid van het voorstel. Daarnaast
bevatten de commentaren ook technisch commentaar op het
concept-wetsvoorstel. Hieronder worden de ontvangen commentaren besproken en van een
reactie voorzien.
rblz.|35|
8.1. Het UWV
Het UWV
heeft op 31
augustus 2005 een uitvoeringstoets uitgebracht over het
wetsvoorstel. Daarbij
heeft het UWV het volgende naar voren gebracht.
Polisvoorwaarden en
overgangsrecht
De wijzigingen in de
polisvoorwaarden en het overgangsrecht zijn goed uitvoerbaar en
handhaafbaar. Wel wordt de uitvoering complexer vanwege de grotere
diversiteit in uitkeringsduur. Het doorvoeren van de wijzigingen in de Wet
WIA
is
eveneens goed uitvoerbaar en handhaafbaar
De versoepeling van het
ontslagrecht
De beperking van de toets
op verwijtbaarheid is goed uitvoerbaar en vereenvoudigt de
uitvoering. De wijziging van het Ontslagbesluit zal, volgens het UWV, leiden
tot een hogere instroom van oudere werklozen. Het UWV zal als gevolg
daarvan extra reïntegratie-inspanningen moeten verrichten. Het UWV gaat
ervan uit dat het niet hoeft te toetsen of de werkgever de afwijkende
ontslagcriteria juist heeft toegepast. Is dat het geval, dan is de regeling
goed uitvoerbaar.
Zoals het
UWV zelf
aangeeft, wordt, door de beperking van de verwijtbaarheidtoets, van de werknemer
niet
meer verwacht dat hij zich omwille van het veilig stellen van de
WW-uitkering verweert tegen een door de werkgever gegeven ontslag. Dit
betekent dat de vraag of de werkgever de bij CAO overeengekomen
ontslagcriteria juist toepast inderdaad niet door UWV hoeft te worden
getoetst.
Wijzigingen in het kader
van vereenvoudiging en deregulering
De uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid van deze wijzigingen is goed.
Mantelzorg
De regeling voor het
mantelzorgforfait is moeilijk uitvoerbaar en niet handhaafbaar. Er is geen
landelijke registratie waarin gegevens over mantelzorg worden
vastgelegd. Het ter plaatse controleren of er mantelzorg wordt verricht en voor
hoeveel uur per week c.q. over welke periode is niet mogelijk. Dat betekent dat
- zonder nader onderzoek - moet
worden afgegaan op de
verklaring van een arts of een instelling. Voor de uitvoering betekent het
voorstel dat een registratie moet worden opgezet voor een potentieel groot
aantal mantelzorgers (circa 38 000), terwijl dit vermoedelijk maar in een
kleine fractie van dit aantal relevant is voor een aanspraak op
WW. Deze
registratie leidt tot een forse aanpassing van werkinstructies en
voorlichtingsmateriaal en is niet op korte termijn te realiseren.
Vanuit een oogpunt van
handhaafbaarheid is invoering van deze regeling ongewenst. Wordt toch
voor invoering gekozen, stelt het UWV een alternatief voor dat minder belastend
is voor de uitvoering. Deze variant zou inhouden dat de werknemer
bij de aanvraag van een
WW- of WIA-uitkering een
verklaring van een arts of zorginstelling overlegt waaruit blijkt dat hij in
een bepaald jaar zes maanden mantelzorg heeft verricht. Het
arbeidsverleden wordt op dat moment in de registratie opgenomen.
Voorwaarde voor invoering
van een mantelzorgforfait is dat de regeling uitvoerbaar en
controleerbaar is. Zoals uit de UWV-reactie blijkt, voldoet de regeling, zoals die in
paragraaf 3 [subparagraaf 3.6.2, red.] van de toelichting is beschreven, niet aan deze voorwaarde. Naar
de mening van de regering voldoet het alternatief van het UWV hier ook niet
aan. Het UWV heeft immers aangegeven dat de verklaringen
omtrent het verrichten van mantelzorg niet te controleren rblz.|36|
zijn, waarbij het
ging om de situatie dat de mantelzorg in het recente verleden verricht was.
Vanwege de bewijs- en controleproblemen indien de mantelzorg moet worden
aangetoond over periodes die in het (verre) verleden liggen, heeft het
kabinet nu net een systeem voorgesteld waarbij het mantelzorgforfait
moet worden geregistreerd binnen drie maanden na afloop van het jaar
waarin het was verricht. In een systeem waarbij mantelzorgforfait alleen
bij de uitkeringsaanvraag geclaimd kan worden, zoals het UWV voorstelt,
zouden de problemen die het UWV voor het voorgestelde systeem voorziet zich in
nog sterkere mate voordoen. Als werknemers al een verklaring kunnen
krijgen of hebben bewaard over mantelzorg die zij bijvoorbeeld tien jaar geleden hebben verricht, dan is dit voor
het UWV in het geheel niet
meer controleerbaar. Dit alternatief voldoet, net als de voorgestelde
regeling, derhalve niet aan de voorwaarden van uitvoerbaarheid en
controleerbaarheid. De regering ziet daarom af van uitbreiding van het
verzorgingsforfait voor personen die als gevolg van het verlenen van
mantelzorg niet in staat zijn arbeid te verrichten.
Werkgeversbijdrage in
WW-lasten oudere werklozen (preventieprikkel)
Het
UWV acht de in het concept-wetsvoorstel opgenomen uitwerking zeer complex en binnen de
huidige systemen niet uitvoerbaar. Een dergelijke regeling kan niet op
korte termijn worden ingevoerd. Dit zou de opzet van een nieuw systeem
c.q.
aanpassingen van een veelvoud van huidige systemen vergen, waardoor
een centrale uitkeringsregistratie per werkgever met alle mogelijke
hiervoor genoemde uitzonderingen herkenbaar is. De opzet van een
dergelijk systeem/de aanpassingen zullen een groot beroep doen op de
verandercapaciteit bij het UWV en zullen ten koste gaan van geplande optimalisatieslagen. Door de overdracht van de premieheffing
naar de belastingdienst
beschikt het UWV voorts niet meer over een werkgeversadministratie.
In de administratie die wordt overgedragen aan de belastingdienst
bestaat geen onderscheid naar groottecategorieën zoals die in de
concept-regeling waren beoogd. Zoals bekend worden alle werkzaamheden met
betrekking tot premieheffing en -incasso overgedragen naar de belastingdienst.
Uitvoering van de concept-regeling door het UWV zou betekenen dat er
voor de werkgever twee loketten ontstaan.
Het UWV
stelt voor als
alternatief een regeling te ontwikkelen die aansluit bij het huidige systeem van
premieheffing en premiekorting en dat via één loket voor de werkgevers
kan worden uitgevoerd. Voor de ontwikkeling van een dergelijke
regeling is nader overleg nodig, ook met de belastingdienst.
Aan
het UWV is een concept-regeling van de preventieprikkel voorgelegd die grotendeels was gebaseerd
op het eerdere voorstel van de werkgeversbijdrage bij ontslag van oudere
werknemers (WWOW). Mede naar aanleiding van het commentaar van
het UWV heeft de regering besloten tot een onderzoek naar een verdere uitwerking van de maatregel. Het doel is om
in overleg met UWV en belastingdienst te komen tot een doeltreffende en uitvoerbare financiële
prikkel voor werkgevers die stimuleert tot investeringen in de employability van
oudere werknemers en die een tegenwicht kan bieden tegen de
versoepelingen in de ontslagpraktijk. De concept-regeling is niet in het
wetsvoorstel opgenomen. Wel is een delegatiebepaling opgenomen waarmee de
bevoegdheid wordt gegeven om bij algemene maatregel van
bestuur een regeling te treffen die investeren in de employability van
oudere werknemers door werkgevers bevordert. Deze regeling zal in
overleg met het UWV en de belastingdienst worden uitgewerkt.
Het wetsvoorstel is
aangepast naar aanleiding van enkele technische en redactionele opmerkingen
van het UWV.
rblz.|37|
8.2. De Inspectie Werk en
Inkomen
De Inspectie heeft
het
voorstel beoordeeld op het toezichtbaarheidsaspect.
De
Inspectie vraagt naar
de samenhang tussen de beperking van de verwijtbaarheidtoets en
de opzegverboden. De situatie kan voorkomen dat er sprake is van het
opzeggen van een dienstbetrekking, terwijl er feitelijk een opzegverbod van
toepassing is (bijvoorbeeld het opzegverbod bij ziekte of zwangerschap).
Als de werknemer niet de vernietigbaarheid van het ontslag inroept op
grond van deze verboden, kan dit niet op grond van de
WW gesanctioneerd
worden. Immers, er is geen sprake van verwijtbaar gedrag jegens de
werkgever of beëindiging door of op verzoek van de werknemer. Voorts kan
het niet voeren van verweer of het instemmen van de werknemer aan hem
niet tegengeworpen worden. De werknemer had derhalve werkloosheid
kunnen voorkomen, maar het nalaten hiervan leidt niet tot een
sanctie. Dit terwijl bijvoorbeeld wel van hem verwacht wordt dat hij in verweer
komt tegen een te vroege opzegging door de werkgever, met een
mogelijke sanctie op het nalaten hiervan op grond van de
benadelingshandeling. De Inspectie vraagt zich af welk gevolg in de hiervoor beschreven
situatie is beoogd en geeft in overweging hierover duidelijkheid te
verschaffen.
Voor alle duidelijkheid,
dit voorstel wijzigt de civielrechtelijke ontslagbescherming niet, maar heeft
betrekking op de verplichting voor de werknemer om daar een beroep op te
doen. De werknemer is dus altijd in de gelegenheid om zich te
beroepen op de aanwezigheid van een opzegverbod.
De beperking van de
verwijtbaarheidtoets heeft als doel het uitbannen van de
pro-formaprocedures.
Wil dit lukken, dan moet er zo weinig mogelijk onzekerheid bestaan over
de vraag of een beëindiging van de dienstbetrekking leidt tot verwijtbare
werkloosheid. Om dit te bewerkstelligen, dient de regeling zo eenduidig mogelijk te zijn. Een uitzondering voor
situaties waarin zich een
opzegverbod voordoet of zou kunnen voordoen, zou afbreuk doen aan de
eenduidigheid van de regeling. Hiermee zou weer een element van
onzekerheid worden ingebouwd. Bij de verplichting voor de werknemer om zich
te verweren tegen een te korte opzegtermijn bestaat dit risico niet.
De beëindiging van de dienstbetrekking en de vraag of er sprake is van
verwijtbare werkloosheid is daarbij niet in geding. De duur van een opzegtermijn
staat vast en is in het overgrote deel van de gevallen duidelijk.
De opmerkingen van de
Inspectie over de preventieprikkel hebben betrekking op de concrete invulling
daarvan in het concept-wetsvoorstel. Nu deze invulling uit het
voorstel is gehaald, behoeft de opmerking op dit moment geen bespreking.
De opmerking van de
Inspectie over de definitie van de werkloze werknemer in de Ioaw
heeft niet tot
een aanpassing geleid. Indien de
WW-uitkering wordt
verlengd op grond van het overgangsrecht, is de (duur van de)
uiteindelijke uitkering gebaseerd op hoofdstuk II van de
WW en valt daarmee onder de
omschrijving van artikel 2 van de Ioaw.
Het wetsvoorstel is
aangepast naar aanleiding van enkele technische en redactionele opmerkingen
van de Inspectie.
rblz.|38|
8.3. De CWI
De CWI
acht de
veranderingen zoals voorgesteld in het wetsontwerp met betrekking tot de
WW uitvoerbaar,
mits er voldoende tijd blijft tussen besluitvorming omtrent het wetsvoorstel
en de invoeringsdatum. Aanpassingen van formulieren en
aanpassingen in de ondersteunende ICT-systemen zullen nodig zijn om de veranderingen in het werkproces te ondersteunen. Het
doorvoeren van deze
aanpassingen zullen naar het zich laat aanzien een implementatietijd vergen
van circa zes maanden.
Wat de in het wetsontwerp
voorgestelde maatregelen op het terrein van het ontslagrecht betreft, constateert
de CWI eveneens dat de voorstellen
uitvoerbaar zijn. Door de
beperking van de verwijtbaarheidtoets
WW en de mogelijkheid om bij
CAO eigen ontslagcriteria overeen te komen, zal de betrokkenheid van de CWI bij
ontslag afnemen en dus werkzaamheden komen te vervallen. Het
niet meer hoeven te toetsen geeft geen inhoudelijke complicaties.
De overige opmerkingen
van de CWI betreffen de voorgenomen wijzigingen van het
Ontslagbesluit.
Te weten lifo vervangen door afspiegeling als hoofdregel aan de hand
waarvan de ontslagkeuze wordt bepaald en het niet langer toetsen van
de bedrijfseconomische noodzaak van een collectief ontslag als werkgever en
vakbonden daarover overeenstemming hebben. Deze voorstellen
maken geen onderdeel uit van het onderhavige wetsvoorstel en de
opmerkingen van de CWI hierover hoeven hier dan ook niet te worden besproken.
Uiteraard zal (zoals gebruikelijk) met de CWI worden overlegd over de
aanpassing van het Ontslagbesluit, alvorens deze in werking treedt.
Wat dat laatste betreft, verzoekt de CWI de datum van inwerkingtreding niet
eerder te stellen dan op 1 januari 2006 zodat de werkprocessen hierop
kunnen worden aangepast. Aan dit verzoek zal gevolg worden gegeven.
8.4. Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal)
Actal heeft op 13
september 2005 geadviseerd over een concept voor dit
wetvoorstel. Het College
stelt vast dat het bedrijfsleven met de maatregel, op grond waarvan bij CAO
afwijkende ontslagcriteria kunnen worden afgesproken, de
gelegenheid krijgt om zijn administratieve lasten te beperken. Het College
adviseert om het bedrijfsleven hierover nadrukkelijk te informeren.
Over de in het
wetsvoorstel opgenomen maatregelen zal in 2006 worden voorgelicht. Bij de
voorlichting gericht op werkgevers zal aandacht worden besteed aan de
gevolgen van het wetsvoorstel voor de administratieve lasten.
Naar aanleiding van het
advies van Actal is de passage in de memorie van toelichting op het punt
van de administratieve lastenbesparing voor burgers in paragraaf 9.7
geactualiseerd. Hierbij zijn de effecten op de tot het gemeentedomein
behorende Wet werk en bijstand aan de berekeningen toegevoegd.
Het College wijst erop
dat faciliteiten zoals het mantelzorgforfait leiden tot extra administratieve
lasten voor burgers en adviseert om dergelijke faciliteiten te
heroverwegen. Zoals in paragraaf 8.1 is aangegeven, heeft de regering afgezien van het
introduceren van een mantelzorgforfait.
Het College constateert
dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog geen plan van
aanpak
over de vermindering van de administratieve lasten burger heeft
aangeboden aan de Tweede Kamer en adviseert dit zo spoedig mogelijk
te doen.
rblz.|39|
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zal de Kamer nog dit najaar informeren over de stand
van zaken via een plan
van aanpak. In dit plan worden zowel de effecten gepresenteerd van de
regelgeving van SZW die sinds eind 2002 is geïmplementeerd als de voornemens van het
kabinet om te komen tot een verdere vermindering van
de administratieve lasten voor de burgers.
Het College stelt vast
dat de preventieprikkel en de poortwachtertoets nader uitgewerkt moeten
worden en adviseert alle gevolgen van de preventieprikkel voor de
administratieve lasten in beeld te brengen, alternatieven te overwegen en de
algemene maatregel van bestuur voor advies aan Actal voor te
leggen. Het College adviseert ten slotte om de poortwachtertoets vorm te
geven met zo min mogelijk administratieve lasten voor burgers.
In de uitwerking van de
poortwachtertoets en de preventieprikkel zal met het voorgaande rekening
worden gehouden. De algemene maatregel van bestuur met betrekking
tot de preventieprikkel zal voor commentaar aan Actal worden voorgelegd.
8.5. De Raad voor de
rechtspraak
In zijn advies van 4
oktober onderschrijft de Raad voor de rechtspraak de veronderstelling dat de
voorgestelde beperking van de verwijtbaarheidstoets leidt tot een afnemende
behoefte aan pro-formaontslagprocedures. De Raad schat in dat
jaarlijks nog maximaal 10 000 pro-formaontbindingsprocedures zullen worden aangespannen. Bij deze procedures
spelen andere redenen dan
de aanspraak op een
WW-uitkering een rol. De Raad wijst erop dat bij
buitengerechtelijke ontbindingen van de arbeidsovereenkomst (bijvoorbeeld een beëindiging
van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden) een groter risico bestaat op geschillen over de
inhoud en de strekking
van de overeenkomst. Dergelijke geschillen kunnen leiden tot
arbeidsintensieve en dus kostbare procedures.
De regering onderkent dit
risico, maar kan dit - net als de Raad - niet kwantificeren. Zij is van
oordeel dat het risico niet opweegt tegen de vermindering van de
kosten van de huidige pro-formaontslagprocedures voor burgers, het
bedrijfsleven en de overheid (UWV, CWI
en rechterlijke macht).
Naar aanleiding van de
voorgestelde mogelijkheid om bij CAO toetsingscriteria overeen te komen voor
de
ontslagselectie bij bedrijfseconomische ontslagen verwacht de
Raad een toename van de procedures op grond van artikel 7:681 van het BW
("kennelijk onredelijk ontslag"). Deze verwachting is gebaseerd
op de interpretatieruime die CAO-bepalingen veelal bieden.
Als bij CAO afwijkende
afspraken zijn gemaakt, dan dient tegelijkertijd te worden voorzien in een
commissie die eventuele bezwaren van werknemers toetst, alvorens kan
worden opgezegd. Naar het oordeel van de regering zal hierdoor een
mogelijke toename van de procedures op grond van genoemd artikel
marginaal zijn.
Met betrekking tot het
begrip belanghebbende houdt de regering vast aan het systeem dat een
werkgever alleen belanghebbende is bij beschikkingen die hem rechtstreeks in
zijn belang raken. Dat is het geval bij beschikkingen over het
verhalen van de
WW-lasten op de betrokken werkgever, en niet bij beschikkingen
waarmee aan de werknemer een recht op uitkering wordt
toegekend. Overheidswerkgevers worden als eigenrisicodragers ook door laatstgenoemde
beschikkingen rechtstreeks in hun belang geraakt.
rblz.|40|
Naar aanleiding van de
technische en redactionele opmerkingen in de bijlage 1 bij het advies
merkt de regering op dat de toelichting op de voorgestelde wijziging van
artikel 24, tweede lid, onderdeel a,
[van de
WW, red.] is verduidelijkt.
Verder is de
regiobeperking in de Wet
melding collectief ontslag hersteld en is de term
"aanzeggen" vervangen door: de werknemer schriftelijk een voornemen tot opzegging
kenbaar is gemaakt. Ten slotte is de formulering van het voorgestelde
artikel 7:681, tweede lid, onderdeel d, van het BW
aangepast in overeenstemming met
het advies van de Raad.
Hoofdstuk 9. Financiële
effecten
9.1. Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een
weergave van de budgettaire gevolgen van de verschillende wijzigingen
voor de
WW en de bijstand. Vanwege de doorwerking van de wijzigingen naar
de WGA zijn ook de gevolgen voor de Wet WIA vermeld. Bij de
doorrekening van de volume- en financiële effecten van de voorgestelde wijzigingen in polisvoorwaarden zijn dezelfde
uitgangspunten over de
conjunctuur gehanteerd als bij de doorrekening van het regeerakkoord van
Balkenende II.¹ Dit betekent dat de effecten zijn gebaseerd op de Middellangetermijnraming
(MLT) uit 2003.
Tevens worden de gevolgen
voor de administratieve lasten van het gehele pakket voor het
bedrijfsleven en de burgers beschouwd.
1. Bij het Najaarsoverleg
in november 2004 is de SER in de gelegenheid
gesteld met alternatieve maatregelen op het
terrein van de
WW te komen. Deze alternatieve
maatregelen zouden in de plaats kunnen komen
van de maatregelen van het kabinet zoals
opgenomen in het regeerakkoord indien het structurele volume-effect van vergelijkbare omvang
zou zijn. Om een zuivere vergelijking
mogelijk te maken, zijn bij de doorrekening van
dit, voornamelijk op het SER-advies gebaseerde pakket dezelfde conjuncturele
verwachtingen gehanteerd als bij de doorrekening van
het regeerakkoord.
9.2. Wijzigingen
polisvoorwaarden
9.2.1. Wijziging hoogte
en duur
De in
dit wetsvoorstel
voorgestelde wijzingen in polisvoorwaarden zijn:
- vervanging van de
huidige kortdurende uitkering van zes maanden tegen 70% van het WML
door een loongerelateerde basisuitkering van drie maanden;
- verhoging van de
uitkering gedurende de eerste twee maanden naar 75% van het dagloon in
plaats van de huidige 70%;
- wijziging van de
staffeling van de duur van de
WW-uitkering, waarbij de totale duur van de
uitkering (in maanden) gelijk wordt aan de duur van het arbeidsverleden
van de werknemer (in jaren).
- de maximale duur van
de uitkering wordt drie jaar en twee maanden in plaats van de huidige
vijf jaar.
De uitkeringsverhogingen
veroorzaken extra kosten, terwijl de duurwijzigingen juist besparingen opleveren.
Onderstaande tabel
presenteert de volume-effecten in zowel de
WW als in de bijstand vanwege de
wijzigingen in polisvoorwaarden, inclusief de gedragseffecten als
gevolg van de wijzigingen in duur en hoogte van de uitkering die leiden tot
een gewijzigde replacementrate.¹ Het overgangsrecht dient te voorkomen dat
werkhervatting vanuit de "oude" WW bij het opnieuw optreden van
werkloosheid tot kortere WW-rechten leidt. Als doorstroompercentage naar
de bijstand is gerekend met 40%.²
1. De replacementrate is
het verschil in inkomen tussen de
uitkeringssituatie en de werksituatie. Als de gemiddelde uitkering daalt, dan wordt dit
verschil groter, wat betekent dat werken
relatief aantrekkelijker wordt.
2. Dit is gebaseerd op de
gemeten doorstroom van WW naar bijstand na het
bereiken van de maximale
WW-duur.
De eveneens op het
SER-advies gebaseerde aanscherping van de wekeneis in de
WW is
opgenomen in de nota van wijziging op het wetsvoorstel
aanscherping wekeneis WW.
De volume- en financiële effecten die in dit stuk worden
gepresenteerd, zijn zodoende exclusief de effecten van de aanscherping van
de wekeneis. Het structurele volume-effect in onderstaande tabel wijkt
daarom af van het volume-effect dat volgde uit de doorrekening van het
SER-advies door het CPB [Centraal Planbureau, red.].¹
1. Het CPB kwam bij de
doorrekening uit op een structureel
volume-effect in de
WW van -42 dzd [duizend, red.], terwijl in de
tabel melding wordt gemaakt van een
structureel volume-effect in de WW van 34 dzd. Het
verschil is het effect van de aangescherpte
wekeneis.
rblz.|41|
Tabel 1. Volume-effecten in de
WW en Wwb
als gevolg van de gewijzigde polisvoorwaarden [x 1000 uitkeringsjaren, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2006x |
x2007x |
x2008x |
x2009x |
x2010x |
x2011x |
Structureel |
| Verkorten
KDU ¹ tot 3 mnd |
0,0xx |
–7xx |
–11xx |
–11xx |
–11xx |
–11xx |
–11xx |
| Wijzigen
staffeling |
0,0xx |
–1xx |
–4xx |
–7xx |
–9xx |
–9xx |
–9xx |
| Maximeren
duur 3 jr en 2 mnd |
0,0xx |
0xx |
0xx |
–1xx |
–6xx |
–13xx |
–15xx |
| Gedragseffecten |
0,1xx |
1xx |
1xx |
1xx |
1xx |
1xv| |
1xx |
| Overgangsrecht |
0,0xx |
0,2v |
0,2v |
0,2v |
0,3v |
0,5v |
0xx |
| Totaal
effect
WW |
0,1xx |
–8xx |
–14xx |
–18xx |
–24xx |
–31xx |
–34xx |
| x |
| Doorstroom
Wwb
|
–0,1xx |
3xx |
6xx |
7xx |
10xx |
12xx |
14xx |
1. KDU: kortdurende uitkering, red.
Deze volume-effecten leiden, gecombineerd met
de uitkeringsverhogingen, tot de volgende budgettaire effecten.
Tabel 2. Budgettaire
effecten als gevolg van de gewijzigde polisvoorwaarden [x mln euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
x2007x |
x2008x |
x2009x |
x2010x |
x2011x |
Structureel |
| Uitkeringsverhogingen |
11xx |
70xx |
90xx |
90xx |
90xx |
90xx |
90xx |
| Verkorten
KDU tot 3 mnd |
0xx |
–72xx |
–105xx |
–105xx |
–105xx |
–105xx |
–105xx |
| Wijzigen
staffeling |
0xx |
–23xx |
–79xx |
–131xx |
–161xx |
–161xx |
–161xx |
| Maximeren
duur 3 jr en 2 mnd |
0xx |
0xx |
0xx |
–17xx |
–104xx |
–226xx |
–278xx |
| Gedragseffecten |
2xx |
10xx |
14xx |
17xx |
18xx |
18xx |
18xx |
| Kosten
overgangsrecht |
0xx |
3xx |
3xx |
3xx |
5xx |
8xx |
0xx |
| Totaal
effect
WW-uitkeringslasten |
13xx |
–12xx |
–77xx |
–144xx |
–257xx |
–375xx |
–436xx |
| Uitvoeringskosten UWV
|
1xx |
–2xx |
–6xx |
–8xx |
–12xx |
–16xx |
–18xx |
| x |
| Doorstroom
Wwb
|
–1xx |
37xx |
67xx |
85xx |
115xx |
147xx |
163xx |
Netto-effect
|
13xx |
23xx |
–16xx |
–67xx |
–154xx |
–245xx |
–292xx |
De gemeenten worden
volledig gecompenseerd voor de toename van de Wwb-uitkeringslasten.
De reductie in
uitvoeringskosten is procentueel van minder grote omvang als de besparing aan
uitkeringslasten. Dit is gedeeltelijk een gevolg van de vaste kosten in de
uitvoering. Daarnaast leiden de maatregelen voornamelijk tot een minder lange
WW-duur. De instroom in de WW neemt slechts zeer beperkt af,
terwijl de grootste kosten bij de uitvoering van de WW vooral bij de aanvraag
liggen, en minder bij de continuering. Overigens wordt nog overleg gevoerd
met het UWV over de implementatiekosten en volgt nadere
afstemming met het UWV over de besparing op de structurele uitvoeringskosten.
De financiële effecten
van de in paragraaf 3.5 voorgestelde regeling die voorkomt dat de werknemer
met een kortere
WW-duur wordt geconfronteerd indien hij na
werkhervatting opnieuw werkloos wordt, kunnen pas worden geraamd na een
bestandskoppeling.
9.2.2. Doorwerking naar
de Wet WIA tengevolge van de wijzigingen in de polisvoorwaarden
De polisvoorwaarden van
de loongerelateerde uitkering voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (de
WGA,
als onderdeel van de Wet WIA) zijn afgestemd op de polisvoorwaarden voor
de
WW. De voorgestelde wijzigingen in duur en hoogte van de WW zullen
doorwerken naar de WGA. De aanscherping van de wekeneis, die voor de
WW wordt geregeld bij een apart wetsvoorstel,¹ gaat met dit wetsvoorstel
ook gelden voor de loongerelateerde uitkering op grond van de WGA. De koppeling van de duur van de
WGA-uitkering rblz.|42|
aan het feitelijk
arbeidsverleden treedt per 1 januari 2008 in werking. De invoeringsdatum van de
doorwerking in de WGA van de andere wijzigingen in de polisvoorwaarden
van de WW moet nog worden vastgesteld.
1. Kamerstukken II 2003-2004,
29 738.
Gedurende de eerste jaren
na invoering zal de uitkeringsverhoging in de eerste periode van werkloosheid de
WIA-uitkeringslasten doen stijgen met circa €|5
mln op
jaarbasis. Uitgaande van gelijktijdige invoering van de niveauverhoging en de
duurverkorting zullen de besparingen in de Wet WIA tengevolge van de duurverkorting
na ongeveer drie jaar de kosten van de uitkeringsverhoging overtreffen en treedt er
een jaarlijkse besparing aan uitkeringslasten Wet WIA op van structureel
per saldo circa €|20 mln. Onderstaande tabel presenteert de
financiële effecten, uitgaande van invoering van de wijzingen in de Wet
WIA per
1 januari 2008.
Tabel 3. Budgettaire
effecten van doorwerking van gewijzigde polisvoorwaarden naar de
Wet WIA [x
mln euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2008x |
x2009x |
x2010x |
x2011x |
x2012x |
Structureel |
| Uitkeringsverhoging |
5 |
5 |
x5 |
xr5 |
xr5 |
xr5 |
| Duurverkorting |
0 |
0 |
–5 |
–15 |
–25 |
–25 |
| Uitvoeringskosten
UWV |
0 |
0 |
x0 |
r–1 |
r–1 |
r–1 |
| Totaal |
5 |
5 |
x0 |
–11 |
–21 |
–21 |
9.3. De preventieprikkel
Het wetsvoorstel biedt de
mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur een regeling te
treffen voor het verhalen van de
WW-lasten van oudere werknemers op de
voormalige werkgever. Deze maatregel wordt in overleg met het UWV
en belastingdienst nader geconcretiseerd. De preventieprikkel heeft tot doel om investeringen in de employability en de
werkloosheidspreventie
van oudere werknemers te stimuleren. Door de kostentoerekening van de
WW-lasten aan de voormalige werkgever worden ouderen meer
beschermd tegen ontslag. Deze extra bescherming kan ten koste gaan
jongere werknemers. Omdat oudere werklozen gemiddeld genomen een hogere en
tevens langer durende WW-uitkering ontvangen, zal deze
substitutie op de korte termijn tot een besparing van WW-lasten kunnen leiden.
Daarnaast is de zoekeffectiviteit van jonge werklozen gemiddeld hoger
dan van ouderen. Hierdoor kan eveneens op de korte termijn een
gunstig effect op de werkloosheid optreden. Maar hiertegenover staat de
vervanging van het lifo-beginsel door het afspiegelingsbeginsel als
hoofdregel bij bedrijfseconomisch ontslag, waarmee een tegengesteld
substitutie-effect valt te voorzien.
De verhoging van de
ontslagkosten voor ouderen werkt door in hun loonkosten. Dit zou ertoe kunnen
leiden dat werkgevers minder geneigd kunnen zijn ouderen in
dienst te nemen.
Het financiële effect,
zowel op de korte als op de lange termijn, kan pas worden geraamd nadat de
maatregel zijn concrete invulling heeft gekregen.
9.4. Versoepeling
ontslagpraktijk: de beperking van de verwijtbaarheidstoets
De in dit wetsvoorstel
opgenomen beperking van de verwijtbaarheidstoets zal leiden tot een
besparing aan uitvoeringskosten en administratieve lasten. Hiertegenover
staat een extra instroom in de
WW, en zodoende een stijging van
de uitkeringslasten. Op basis van cijfers van het UWV
over de redenen van
afwijzing van een WW-aanvraag valt op te maken dat er circa 1800
personen extra bij aanvraag een WW-uitkering krijgen terwijl die bij
de huidige regeling worden geweigerd. De regering rblz.|43|
acht de beperking van de
verwijtbaarheidstoets niet van dien aard dat personen die nu geen
uitkering aanvragen omdat zij veronderstellen verwijtbaar werkloos te
zijn, dat na die beperking wel zullen doen. Rekening houdend met een
gemiddelde WW-duur van zo’n negen maanden betekent een toename van
de instroom met 1800 een toename van de uitkeringslasten WW van
structureel €|26 mln.
Bij de bijstand treedt
dientengevolge een afname aan uitkeringslasten op van structureel €|8
mln. Omdat het UWV in minder gevallen een toets hoeft uit te voeren, staat er
tegenover de nettostijging van de uitkeringslasten een besparing aan
uitvoeringskosten van structureel €|2 mln.
Tabel 4. Financiële
effecten beperking verwijtbaarheidstoets per 1 oktober 2006 [x mln euro,
red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2006x |
x2007x |
x2008x |
Structureel |
| Extra
WW-lasten
|
1 |
18 |
24 |
26 |
| Besparing
Wwb
|
0 |
–5 |
–7 |
–8 |
| Uitvoeringskosten
UWV |
0 |
–2 |
–2 |
–2 |
Netto-effect |
1 |
10 |
15 |
16 |
Hoewel het hier
gepresenteerde netto-effect van uitkeringslasten en uitvoeringskosten geen
besparing betekent, levert de maatregel buiten SZW flinke
kostenbesparing op, met name voor werkgevers en voor de rechterlijke macht.
Daarom is het vanuit financieel oogpunt toch zinvol de verwijtbaarheidstoets te
beperken.
9.5. Deregulering WW
9.5.1. Zieke werklozen
Het voortzetten van de
WW-uitkering gedurende de eerste dertien weken van ziekte leidt tot een
besparing op de uitvoeringskosten. Het UWV hoeft als gevolg van deze maatregel
bij kortlopende ziektegevallen niet langer de WW-uitkering te
beëindigen en een ZW-uitkering te openen.
Voor de uitkeringsduur
heeft deze maatregel geen gevolgen. Op dit moment wordt de eerste
drie maanden van ziekte in mindering gebracht op de resterende
WW-uitkeringsduur.
Wanneer de
sollicitatieplicht gedurende de eerste dertien weken van ziekte in de
WW gehandhaafd blijft,
kan verwacht worden dat een deel van de werklozen eerder uitstroomt door
het vinden van werk. Dit levert een beperkte besparing op aan
uitkeringslasten en uitvoeringskosten van samen circa €|5 mln.
Tabel 5. Financiële
effecten doorlopen WW tijdens eerste dertien ziekteweken [x mln euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2006x |
x2007x |
x2008x |
Structureel |
| Besparing
op WW |
–1 |
–4 |
–4 |
–4 |
| Besparing
op uitvoeringskosten |
x0 |
–1 |
–1 |
–1 |
Netto-effect |
–1 |
–5 |
–5 |
–5 |
9.5.2. Werkhervattingen
van kleine omvang
Voorgesteld wordt de
bijzondere samenloopregeling bij kleine werkhervattingen te laten vervallen. Deze
maatregel heeft een gering effect. Uit cijfers van het UWV
blijkt
dat in ongeveer 0,6% van alle uitbetaalde weken toepassing is gegeven aan
de regeling voor kleine werkhervattingen.
rblz.|44|
Aangezien het hierbij per
definitie gaat om uitkeringen van zeer geringe omvang, zijn de
budgettaire consequenties nihil.
9.6. Gevolgen voor de
ontslagkosten en de administratieve lasten voor het bedrijfsleven
9.6.1. Beperking van de
verwijtbaarheidstoets
Als gevolg van de
voorgestelde maatregelen met betrekking tot de verwijtbaarheidstoets
zullen minder ontslagaanvragen bij de CWI en ontbindingsverzoeken bij de
kantonrechter
plaatsvinden. Dit volume-effect (minder
ontslagprocedures) leidt tot een administratieve lastenreductie voor werkgevers van €|13 mln. De beperking van de verwijtbaarheidstoets levert verder een
besparing aan overige werkgeverslasten op in de orde van grootte van €|75 à €|85 mln. De uitvoeringskosten van
de CWI zullen als gevolg van de beperking van de verwijtbaarheidstoets met €|1,5 mln
afnemen. Overigens wordt
nog overleg gevoerd met de CWI over de implementatiekosten en volgt nadere
afstemming met de CWI over de besparing op de structurele
uitvoeringskosten.
9.6.2. Kabinetsvoornemens
inzake ontslagrecht
Het
Ontslagbesluit wordt
aangepast in die zin dat het afspiegelingsbeginsel de hoofdregel wordt bij
de ontslagselectie bij een bedrijfseconomisch ontslag. In het
onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld dat CAO-partijen de
bevoegdheid krijgen om afwijkende ontslagcriteria bij bedrijfseconomische
ontslagen overeen te komen. Bij een dergelijke CAO-afspraak is geen
toestemming van de CWI voor het ontslag vereist. De mate waarin CAO’s
met afwijkende criteria worden overeengekomen en het percentage werknemers dat onder dergelijke CAO’s komt te vallen,
is relevant voor het
bepalen van het effect op de administratieve lasten voor werkgevers. Hoe meer
werknemers onder dergelijke CAO’s komen te vallen, des te groter de
besparing op de administratieve lasten. Als ervan wordt uitgegaan dat dit
voor 25% tot 50% zou gelden, waarbij circa de helft bezwaar maakt tegen zijn
ontslag en wordt gehoord door een commissie, dan zal de besparing aan
administratieve lasten €|2 tot €|4
mln bedragen en zullen de uitvoeringskosten bij het CWI met €|0,5 tot €|1
mln afnemen.
9.7. Gevolgen voor de
administratieve lasten voor burgers
De afname van
WW-volume
als gevolg van de voorgestelde wijzigingen in de polisvoorwaarden
heeft ook consequenties voor de administratieve lasten voor de burgers.
De gegevens zijn
samengevat in navolgende tabel, waaruit blijkt dat macro gezien er een
lichte tijdwinst is voor de burgers, maar dat de out-of-pocketkosten per saldo
toenemen.
Tabel 6. Effecten
administratieve lasten burgers:
| Regeling |
Effect in
aantal uren |
Effect
op de kosten |
Soort
mutatie |
|
WW |
–€|164 000xxxxxx |
–€|20
000xxxxxx |
volumedaling |
| TW |
–€|5 000xxxxxx |
–€|500xxxxxx |
volumedaling |
| Wet
SUWI |
–€|86 000xxxxxx |
–€|11 000xxxxxx |
gegevensuitvraag |
| Rechtspraak |
dalingxxxxxx |
dalingxxxxxx |
gegevensuitvraag |
| Wwb
|
€|245 000xxxxxx |
€|192 000xxxxxx |
volumestijging |
Totaal |
–€|10 000xxxxxx |
€|160
500xxxxxx |
x |
rblz.|45|
Uit
de tabel valt ook af
te lezen dat de tijdwinst door de volumedaling
WW ruimschoots wegvalt door
het effect bij de volumestijging Wwb. De inkomens- en partnertoets
in de bijstand leiden weliswaar tot een beperking van het aantal
uitkeringsgerechtigden, maar tevens vergt het rechtmatigheidonderzoek
voor de gemiddelde burger in de bijstand hierdoor veel meer tijd dan bij de
WW. Bij WW, TW en bijstand hebben de voorgestelde maatregelen
geen effect op de gemiddelde tijdsbesteding per burger bij de in deze wetten opgenomen informatieverplichtingen. De
burgers besparen echter
wel tijd door het vervallen van de pro-formatoets bij de procedures
van de WW-aanvraag bij de CWI's en de rechtspraak bij de
kantonrechter.¹
Tot slot blijkt uit de
tabel dat de sterke toename van de totale out-of-pocketkosten vooral het gevolg
is van de kosten van informatielevering bij de bijstand. De feitelijke
toename van de totale out-of-pocketkosten zal wel minder zijn dan de tabel
aangeeft, omdat de burgers ook bij de kantonrechterprocedure minder kosten
zullen maken.
1. De
tijdwinst bij de kantonrechterprocedure is niet gemeten, maar zal
ruwweg in de orde van grootte liggen van 30
000 tot 75 000 uur.
9.8. Voorlichtingskosten
De kosten van de
voorlichting over de wijzigingen van de
Werkloosheidswet en het
ontslagrecht door de overheid zijn geraamd op €|300 000,-.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I.
Wijziging van
de Werkloosheidswet
Onderdeel A
Bij de
OOW-operatie zijn
de werknemers in overheidsdienst vanaf 1 januari 2001
onder de
WW gebracht. Het is dus niet langer nodig in de WW een uitzondering
op de verzekering van overheidspersoneel op te nemen. De artikelen
7, 17b, zesde lid, onderdeel a,
125 en 126 kunnen derhalve vervallen.
Artikel 7 vervalt. Omdat artikel 17b
in zijn geheel vervalt, hoeft het zesde
lid niet apart te vervallen.
Onderdeel B
Met het vervallen van
hoofdstuk IIb vervalt het recht op kortdurende uitkering. Om die reden
komt "hoofdstuk IIa" te luiden "hoofdstuk II".
Onderdeel C
Het opschrift van
hoofdstuk II komt te luiden "De uitkering bij werkloosheid". Vanaf de
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal de
WW namelijk nog slechts
één soort uitkering kennen.
Onderdeel D
In het nieuwe
hoofdstuk
II van de
WW vervalt de onderverdeling in afdelingen. De verdeling vervalt
omdat het hoofdstuk, na de afschaffing van de vervolguitkering met
ingang van 1 januari 2004, nog slechts één uitkering betreft. De regeling van
de vervolguitkering was opgenomen in afdeling III van hoofdstuk II
[hoofdstuk IIa, red.] van
de
WW. De in afdeling I opgenomen algemene bepalingen zien daarmee
uitsluitend nog op de loongerelateerde uitkering. Een onderverdeling van
dat hoofdstuk in afdelingen ligt daarom niet langer voor de hand.
rblz.|46|
Onderdelen E en
G
In het opschrift van de
paragrafen 1, 2 en 3 vervalt ten opzichte van de opschriften van de
huidige paragrafen "loongerelateerde". In het onderhavige wetsvoorstel wordt de
kortdurende uitkering afgeschaft. Dit betekent dat de
WW vanaf de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog slechts één soort uitkering kent: een loongerelateerde uitkering. De
toevoeging "loongerelateerde" aan uitkering kan dus komen te vervallen in het opschrift. Om die
reden kan "loongerelateerde" ook vervallen in artikel 15 van de
WW.
Onderdeel F
Aangezien de verdeling
van
hoofdstuk
II in afdelingen vervalt, worden de paragrafen in dat
hoofdstuk doorgenummerd. Dit betekent dat paragraaf
1 van afdeling II paragraaf 4 wordt,
terwijl paragraaf 2 van die afdeling paragraaf 5 wordt.
Onderdelen H en
I
Gezien het grote aantal
leden dat artikel 16 van de
WW op dit moment kent, is het in verband
met de overzichtelijkheid wenselijk het artikel op te splitsen in een tweetal
afzonderlijke artikelen. Hiertoe wordt een nieuw artikel ingevoegd na
artikel 16, te weten artikel 16a. Voorgesteld wordt om in
artikel 16 de algemene
regels met betrekking tot het begrip werkloosheid te plaatsen en in artikel
16a de regels over welke dag in welke situatie aangemerkt kan worden als
eerste dag van werkloosheid. Het huidige achtste en negende lid
van artikel 16 worden verplaatst naar respectievelijk het eerste en tweede lid
van artikel 16a. Hiermee wordt het huidige tiende lid vernummerd tot
achtste lid en het twaalfde lid zoals dat wordt toegevoegd met de
inwerkingtreding van de IWIA tot tiende lid. Het huidige elfde lid blijft
het elfde lid. In het zevende lid wordt onderdeel b verwijderd omdat per 1
januari 2006 een model voor premiegroepen in de wachtgeldfondsen wordt
ingevoerd waardoor onderdeel b overbodig wordt. Het is evenwel
niet wenselijk om de betreffende grondslag per 1 januari 2006 te laten
vervallen, vanwege het overgangsrecht bij de regeling inzake cyclische
werkloosheid (artikel 4b van de Regeling
gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren). De planning is om de gewijzigde tekst van artikel
16,
zevende lid, per 1 mei 2007 in werking te laten treden. Het nieuwe artikel
16,
negende lid, is een toevoeging ten opzichte van het huidige artikel
16. Een
werknemer heeft op grond van het huidige artikel
64, onderdeel b, van de
WW bij beëindiging van de dienstbetrekking door opzegging, recht op een
uitkering over de opzegtermijn. Dit recht op uitkering is echter gemaximeerd op
de opzegtermijn van artikel 40 van de Faillissementswet. Deze
termijn bedraagt zes weken. Bij opzegging buiten faillissement kan de
termijn van opzegging echter langer zijn. Door dit verschil in termijnen kan
het gebeuren dat een werknemer gedurende een bepaalde periode nog geen
recht op hoofdstuk
II WW uitkering heeft, terwijl hij geen recht op
hoofdstuk IV-WW-uitkering meer heeft. Dit komt omdat hij in die periode
officieel nog recht heeft op loondoorbetaling en één van de voorwaarden om
recht op een uitkering op grond van de
WW te hebben, is dat de
werknemer zijn recht op onverminderde loondoorbetaling moet hebben verloren. Met
de voorgestelde wijziging van het negende lid van artikel
16 wordt geregeld dat de werknemer over deze periode toch een recht op
een uitkering heeft.
Met de zinsnede "In
afwijking van het eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan
het eerste lid, onderdeel b, doch niet voldoet aan het eerste lid,
onderdeel a, uitsluitend vanwege het feit dat hij recht heeft op onverminderde
doorbetaling van loon," wordt bedoeld dat de werknemer aan alle voorwaarden uit het eerste lid van
artikel 16 moet
voldoen (beschikbaar moet
zijn om arbeid te aanvaarden en ten minste rblz.|47|
vijf of ten minste de
helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek moet hebben verloren) met
uitzondering van de voorwaarde dat hij het recht op onverminderde
doorbetaling van zijn loon moet hebben verloren. Daarnaast wordt met de zinsnede
"en de werkgever dit loon niet voldoet omdat hij verkeert in een
toestand als bedoeld in artikel 61" beoogd te verduidelijken om welke
situatie het hier gaat: het gaat om een werknemer die recht op loon heeft,
maar die zijn loon niet krijgt omdat de werkgever verkeert in de
blijvende toestand dat hij is opgehouden te betalen. Met de laatste
zin uit het negende lid wordt aangegeven gedurende welke periode de
werknemer werkloos is in afwijking van het eerste lid van artikel 16 en
daarnaast wordt als voorwaarde gesteld dat de werknemer gedurende de eerste zes
weken van zijn opzegtermijn recht op een uitkering op grond van
hoofdstuk IV moet hebben gehad. In het derde lid van
artikel 16a wordt ten slotte bepaald welke dag de eerste dag van
werkloosheid is voor de werknemer, bedoeld in het nieuwe negende lid van
artikel 16.
Onderdeel J
Recht op uitkering
ontstaat voor de werknemer op grond van het voorgestelde artikel 17 indien hij in
36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van
werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.
Voor het ontstaan van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk
II van de
WW zal dus niet langer de arbeidsverledeneis
gelden. Op grond van die
eis ontstaat op dit moment voor de werknemer pas recht op
loongerelateerde uitkering indien de werknemer in de vijf kalenderjaren
onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag
is gelegen in ten minste vier van die kalenderjaren over 52 of meer dagen
loon heeft ontvangen. Deze eis blijft overigens wel van belang, namelijk
voor de vraag of de werknemer recht heeft op verlenging van de uitkering. Wat dit betreft wordt verwezen naar de
toelichting op de
wijziging van artikel 42 van de
WW.
Onderdeel K
De wijzigingen van
artikel 17a van de
WW betreffen de verwijzingen naar artikel 17
WW en de
afschaffing van de kortdurende uitkering en het verletteren van twee
onderdelen, in verband met het feit dat in een eerder stadium reeds het eerste
lid, onderdeel c, is vervallen.
Onderdeel L
Aangezien de
arbeidsverledeneis niet langer wordt gesteld voor het ontstaan van het recht op
uitkering ligt het niet langer voor de hand de inhoud van artikel 17b
van de
WW, dat nadere regels stelt omtrent het voldoen aan de
arbeidsverledeneis, op te nemen in de paragraaf die ziet op de voorwaarden voor
het recht op uitkering. Aangezien die eis zoals aangegeven wel een rol
speelt bij het bepalen van de duur van de uitkering wordt het equivalent van
artikel 17b opgenomen in de nieuwe paragraaf 4 van hoofdstuk II (een
nieuw artikel 42a), dat de duur van de uitkering regelt.
Artikel 17c wordt vernummerd tot artikel 17b.
Onderdeel M
Van de mogelijkheid in
het tweede lid van artikel 18 om bij ministeriële regeling regels te
stellen, wordt geen gebruik gemaakt. Vanuit het oogpunt van deregulering wordt
dan ook voorgesteld om het tweede lid te laten vervallen. Het derde lid
wordt vernummerd tot tweede lid. In het tot tweede lid vernummerde lid wordt geregeld dat niet alleen
artikel 17,
maar ook artikel 42 van
de
WW niet van toepassing is. Het is noodzakelijk rblz.|48|
die verwijzing naar
artikel 42 op te nemen, omdat met het onderhavige wetsvoorstel de arbeidsverledeneis wordt opgenomen in
artikel 42. Bij
vorstwerkloosheid wordt
die eis niet gesteld. Ook het vierde lid van artikel 18 vervalt. Dit artikel
heeft betrekking op het vaststellen van de duur van de uitkering na een
periode van vorstwerkloosheid. Het ligt daarom meer voor de hand die regeling
op te nemen in de nieuwe paragraaf 4, die ziet op de duur van de
uitkering. Het equivalent van het huidige artikel
18, vierde lid,
WW wordt
opgenomen in artikel 42, derde lid.
Onderdelen N, P,
X en LL
Artikel
19, eerste lid,
onderdeel e, het vijfde lid, onderdeel c, artikel 34a
en artikel 67, onderdeel
b,
van de
WW kunnen vervallen. Deze bepalingen zijn niet langer noodzakelijk,
omdat er geen gebruik meer zal worden gemaakt van vakantiebonnen en
daarmee overeenkomende aanspraken. Er is nog niet bepaald per welke
datum deze wijziging precies zal plaatsvinden. De onderdelen f tot en met
m
van artikel 19, eerste lid, worden verletterd tot
onderdelen e tot en met l. In verband
hiermee worden verwijzingen naar de betreffende onderdelen in de overige
leden van artikel 19 aangepast. Hierbij is rekening gehouden met de
inwerkingtreding van achtereenvolgens de wetsvoorstellen Wet Invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (IWIA)
(het toevoegen van een nieuw lid aan het artikel) en Verzamelwet
sociale verzekeringen 2006 (het schrappen van een lid en het toevoegen
van een tweetal nieuwe leden). Om die reden is eveneens artikel 21
aangepast.
Ter verduidelijking wordt
aan artikel 19, tweede lid, van de
WW toegevoegd dat de eerste dertien
weken van ziekte van de werkloze werknemer niet als wachtdagen
worden aangemerkt. Hiermee wordt voorkomen dat de periode van ziekte een
uitsluitingsgrond voor de uitkering op grond van de
WW vormt.
Onderdeel O
Op dit moment geldt als
hoofdregel dat bij werkhervatting het recht op uitkering eindigt ter
zake
van het aantal uren dat de werknemer arbeid verricht. Echter in het
geval dat de werkhervatting minder dan vijf uur en minder dan de helft van
de arbeidsuren bedraagt, wordt de uitkering volgens het huidige
artikel 35 verminderd met 70% van het inkomen uit die arbeid. Een uniforme
systematiek bij werkhervatting maakt de regelgeving en de uitvoering
eenvoudiger. Bovenstaande wijziging van artikel 20 komt hieraan tegemoet
door te regelen dat ook indien de werkhervatting minder dan vijf en minder
dan de helft van de arbeidsuren bedraagt, de uitkering wordt
beëindigd ter zake van het aantal uren dat de werknemer arbeid verricht.
Daarnaast wordt
voorgesteld de structuur van artikel 20 aan te passen zodat het artikel
eenvoudiger en de gebruikte terminologie meer uniform wordt. De inhoud van het
huidige derde, vierde en vijfde lid worden ondergebracht in een
nieuw geformuleerd derde en vierde lid. Het vijfde lid kan dus komen te
vervallen. Het zesde lid wordt vernummerd tot vijfde lid. Het voorstel is om
dit nieuwe vijfde lid per 1 mei 2007 te wijzigen. Daarom wordt onder 3 een
nieuwe tekst voorgesteld. Dit houdt verband met het feit dat per 1 januari 2006 een model voor premiegroepen in de
wachtgeldfondsen wordt
ingevoerd. De grondslag die nu nog in artikel 20, zesde lid (dus nieuw
vijfde lid), onderdeel a, onder 2º, is opgenomen, kan dan komen te vervallen.
Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op de
wijziging van artikel 16, zevende lid.
Ten slotte worden aan
artikel 20 twee nieuwe leden (het zesde en zevende lid) toegevoegd die betrekking hebben op de zieke werklozen. Beoogde
inwerkingtredingsdatum
voor die leden is eveneens 1 mei 2007. Het nieuwe zesde lid strekt
ertoe te voorkomen dat het recht op uitkering op rblz.|49|
grond van de
WW eindigt
omdat de zieke werkloze niet aan het vereiste van beschikbaarheid
voldoet. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de zieke werkloze
niet aan artikel 19, eerste lid, onderdeel a, voldoet omdat hij weliswaar recht
heeft op ziekengeld, maar hij dit niet krijgt uitbetaald; hij ontvangt
dat ziekengeld dus niet als bedoeld in artikel
19, eerste lid, onderdeel
a.
Met betrekking tot de periode van dertien weken gelden op grond van het
nieuwe zevende lid de in de WW en de ZW gebruikelijke
samentellingsregels. Indien de periode wordt onderbroken met minder dan vier
weken, worden deze periodes samengeteld. Bij een onderbreking door
zwangerschap en bevallingsverlof wordt rekening gehouden met een langere
onderbrekingsperiode. Indien de periode van ziekte direct voorafgaat
aan en aansluit op een zwangerschaps- of bevallingsuitkering,
worden deze perioden bij elkaar opgeteld.
Onderdeel P
Zie hiervoor de
toelichting op artikel 19.
Onderdeel Q
Het huidige
artikel 23
WW wordt met enkele wijzigingen verplaatst naar artikel 35
WW. Zie voor
meer uitleg de toelichting op dat artikel. Het huidige
artikel 22b wordt vernummerd tot artikel
23.
Onderdeel R
Artikel 24 van de
WW regelt de verplichtingen die gelden voor de werknemer. De werknemer moet op
grond van het eerste lid, onderdeel a, voorkomen dat hij
verwijtbaar werkloos wordt. Het tweede lid van artikel 24 regelt wanneer een
werknemer verwijtbaar werkloos is geworden. Hierbij wordt onderscheid
gemaakt tussen werkloosheid die het gevolg is van een ontslag op
initiatief van de werkgever, de a-grond, en werkloosheid die het gevolg is van een
ontslag door of op verzoek van de werknemer, de b-grond. In dit wetsvoorstel is aan beide gronden een andere
invulling gegeven.
Op grond van het
voorgestelde tweede lid, onderdeel a, is een werknemer verwijtbaar werkloos als
zijn dienstbetrekking is beëindigd omdat hij zich verwijtbaar zodanig heeft
gedragen dat de voortzetting van de dienstbetrekking niet van zijn werkgever
kon worden gevergd. Hierbij is aangesloten bij de omschrijving van
het begrip dringende reden als bedoeld in artikel 678 van Boek
7 van het BW. De rechtspositieregelingen van de overheidswerknemer kennen
de dringende reden niet als ontslaggrond. Ook in de verhouding
tussen de overheidswerknemer en zijn werkgever gelden gedragsnormen bij
de overtreding waarvan de voortzetting van de dienstbetrekking niet van
de werkgever kan worden gevergd. De gekozen formulering maakt de
a-grond zowel toepasbaar op de marktsector als op de publieke sector.
Op grond van het
voorgestelde tweede lid, onderdeel b, is een werknemer ook verwijtbaar werkloos
als de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer,
terwijl aan de voortzetting van de dienstbetrekking niet dusdanige bezwaren
waren verbonden dat een voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
Niet iedere beëindiging
van de dienstbetrekking op initiatief van de werknemer leidt tot verwijtbare
werkloosheid. Als redelijkerwijs niet verwacht kan worden van de
werknemer dat hij zijn dienstbetrekking voortzet, is geen sprake van
verwijtbare werkloosheid.
Door de gekozen
formulering van zowel de a-grond als de b-grond is niet de wijze waarop de
dienstbetrekking eindigt maar de reden voor de beëindiging rblz.|50|
bepalend voor de
beoordeling van verwijtbare werkloosheid. Voor een verdere toelichting
hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting. In
aanvulling hierop is nog van belang op te merken dat als een beëindiging
met wederzijds goedvinden op initiatief van de werknemer heeft
plaatsgevonden, het UWV aan de hand van de b-grond zal nagaan of de
werknemer als gevolg hiervan verwijtbaar werkloos is geworden.
Op
grond van het
voorgestelde artikel 24, zesde lid, van de
WW leidt het niet voeren van
(adequaat) verweer door de werknemer tegen of het instemmen van de
werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever niet
tot overtreding van de verplichting voor de werknemer om te voorkomen
dat hij verwijtbaar werkloos wordt (het eerste lid, onderdeel a)
of van de verplichting om geen zogenaamde benadelingshandeling te
verrichten (het vijfde lid). Het gaat daarbij om een verweer tegen of instemming met de beëindiging van de dienstbetrekking
als zodanig. Van de
werknemer wordt wel verwacht dat hij - indien nodig in rechte - vordert dat bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking rekening wordt gehouden
met de termijn die bij regelmatige opzegging van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever rechtens zou gelden. Dit behoeft geen
expliciete regeling, maar vloeit voort uit de zinsnede "het instemmen
(...) met de beëindiging van de dienstbetrekking". De niet-verwijtbaarheid
heeft dus uitsluitend betrekking op de beëindiging als zodanig, en niet op
de daaraan verbonden voorwaarden. De werknemer moet dus wel in verweer
komen tegen een te vroege opzegging door de werkgever en ook
bij een beëindiging met wederzijds goedvinden voorkomen dat hij de
WW-fondsen benadeelt. Het zesde lid laat verder onverlet dat aan de
werknemer een maatregel wegens verwijtbare werkloosheid kan worden opgelegd als
hij is ontslagen vanwege een verwijtbare gedraging als gevolg
waarvan van de werkgever geen voortduring van de dienstbetrekking
kon worden gevergd. Met het opnemen van dit
zesde lid is het huidige derde lid niet langer noodzakelijk. Het derde
lid van artikel 24 kan daarom vervallen.
Op grond van het eerste
lid, onderdeel b, onder 3º, mag de werknemer niet werkloos zijn of
blijven doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.
In de jurisprudentie die omtrent deze verplichting is ontwikkeld, is hieraan
in grote lijnen dezelfde invulling gegeven als aan de verplichting voor
de werknemer om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Dit ligt
ook voor de hand, omdat het om vergelijkbare gevallen gaat, terwijl
niet gesproken kan worden over verwijtbaar werkloos worden,
bijvoorbeeld omdat de dienstbetrekking niet eindigt. Bij het niet behouden van
passende arbeid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat er
geen verlenging van een arbeidsovereenkomst plaatsvindt en deze
niet-verlenging de betrokkene te verwijten is. Ook kan gedacht worden aan de
situatie dat de betrokkene wel verwijtbaar heeft gehandeld maar niet
verwijtbaar jegens de werkgever en de situatie dat de dienstbetrekking niet
is beëindigd, maar de betrokkene zich verwijtbaar niet beschikbaar stelt
voor passende arbeid of de werkgever wegens verwijtbare gedragingen
van de betrokkene geen arbeid meer aanbiedt. Met betrekking tot deze
gevallen blijkt uit de jurisprudentie dat getoetst wordt aan verwijtbaarheid
als bedoeld in het tweede lid. Om dit duidelijk te maken, is het wenselijk
het tweede lid van overeenkomstige toepassing te verklaren. Ook is het
wenselijk dat het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het
instemmen van de werknemer met de betreffende situatie op dezelfde
wijze wordt behandeld als bij verwijtbaar werkloos worden als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a. Daarom is het wenselijk ook het zesde
lid van overeenkomstige toepassing te verklaren. Er is in het nieuwe
zevende lid van artikel 24 van de
WW in beide gevallen (zowel met betrekking tot
het tweede als met betrekking tot het zesde lid) rblz.|51|
gekozen voor overeenkomstige toepassing, omdat het zoals hierboven
beschreven is, gaat om
gevallen die enerzijds van uiteenlopende aard zijn, maar anderzijds dezelfde
strekking hebben als de situatie waarin sprake is van verwijtbare
werkloosheid. Het zevende lid wordt vernummerd tot achtste lid.
Daarnaast wordt zowel aan
artikel 24 als aan artikel 26 een (negende respectievelijk zesde)
lid toegevoegd. Die leden bieden de grondslag om middels bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels in individuele gevallen
ontheffing te verlenen van op grond van de betreffende artikelen geldende
verplichtingen (artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder
1º, 2º en 4º, en
artikel 26, eerste lid, onderdeel d, f en g). Aan deze ontheffingsmogelijkheid
zullen voorwaarden gesteld worden, die op het niveau van een algemene
maatregel van bestuur en eventueel een ministeriële regeling zullen worden
vastgelegd. Voor een nadere toelichting op de beide grondslagen voor
de mogelijkheid van individuele ontheffing van de
WW-verplichtingen
wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel S
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op de toevoeging van een
negende lid aan artikel 24 van de
WW en naar het algemeen deel van de
toelichting met betrekking tot de ontheffing van de sollicitatieplicht
[zie paragraaf 4.4, red.].
Onderdeel T
Het huidige
artikel 27,
eerste lid, van de
WW regelt de sanctie die het UWV kan opleggen aan de werknemer die de verplichting op grond van
artikel 24, eerste lid, onderdeel
a (voorkomen verwijtbaar werkloos te worden) of onderdeel b, onder
3º
(werkloos zijn of blijven doordat de werknemer door eigen toedoen geen
passende arbeid behoudt), van de
WW heeft overtreden. Bij de
vaststelling van de hoogte van de sanctie wordt in het geval het niet nakomen
van de verplichting niet in overwegende mate aan de werknemer kan worden
verweten, uitgegaan van een uitkeringspercentage van 70% van het dagloon
over een periode van 26 weken. In dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld de hoogte van de uitkering over de eerste twee maanden te
bepalen op 75% van het dagloon. Daarnaast is de duur van de uitkering
niet langer ten minste een halfjaar, maar ten minste drie maanden. Op grond
van het voorgestelde eerste lid van artikel 27 van de
WW wordt het
uitkeringspercentage in het geval er geen sprake is van verwijtbaarheid in
overwegende mate vastgesteld op 35%. Die verlaging vindt plaats over de
volledige uitkeringsduur, maar ten hoogste over een duur van 26 weken.
Het invoegen van een
nieuw vierde lid in artikel 27 van de
WW maakt het mogelijk dat in de
dertien weken waarin de zieke werkloze een uitkering op grond van de WW
ontvangt, maar ook aan de verplichtingen voortvloeiend uit de ZW
moet voldoen,
zo nodig een maatregel op grond van de WW kan worden
toegepast indien een verplichting uit de ZW wordt overtreden. De
verplichtingen die voortvloeien uit artikel 45, eerste lid, van de
ZW gelden voor de
ZW-verzekerde die aanspraak heeft op ziekengeld. De zieke werkloze die gedurende dertien weken een WW-uitkering
ontvangt, krijgt
weliswaar geen ZW-uitkering uitbetaald, maar maakt wel degelijk aanspraak op de
uitkering. Dit betekent dat ook de ZW-verplichtingen op hem
van toepassing zijn. Er wordt in het vierde lid niet gesproken van een
verplichting, maar van een verplichting die voortvloeit uit de ZW. Dit omdat de
ZW, in tegenstelling tot de WW, de verplichtingen niet expliciet uitschrijft, maar formuleert als gronden voor het
opleggen van een maatregel.
rblz.|52|
Naar aanleiding van het
invoegen van het nieuwe vierde lid worden het huidige vierde tot en met
het achtste lid vernummerd en worden in het nieuwe vijfde, zesde en
negende lid verwijzingen naar artikelleden aangepast.
Onderdeel U
De verwijzingen naar de
kortdurende uitkering in artikel 28 dienen met het vervallen van de
kortdurende uitkering komen te vervallen.
Onderdeel V
Het voorgestelde
artikel 30, vijfde lid, regelt dat de betaling van de uitkering plaatsvindt over
vijf dagen
per week. De uitkering per week bedraagt dus vijfmaal het dagloon.
Dit betekent dat per week over twee dagen geen uitbetaling plaatsvindt.
Onderdeel W
Het tweede en het derde
lid van artikel 31 kunnen vervallen. Onderdeel a van het tweede lid kan
vervallen omdat de situatie die hierin beschreven staat tevens valt onder
hetgeen in het eerste lid beschreven wordt, zoals dit lid komt te luiden
vanaf 1 januari 2006 met de inwerkingtreding van IWIA. Onderdeel b van
het tweede lid kan vervallen omdat hierin een voorziening wordt
getroffen voor de werknemer die door het verschil tussen de werkelijke
opzegtermijn en de maximale opzegtermijn ingevolge het voorgestelde artikel
64, eerste lid, onderdeel b, van de
WW een periode geen recht heeft
op een uitkering. In het huidige tweede lid, onderdeel b, van artikel
31 wordt geregeld dat deze werknemer van het UWV
een voorschot ontvangt. Deze voorziening zal echter overbodig
worden, omdat in het
voorgestelde artikel 16, negende lid, van de
WW geregeld wordt dat de
werknemer in bovengenoemde situatie recht heeft op een uitkering op grond
van de
WW.
Aangezien het tweede lid
vervalt, kan ook het derde lid vervallen aangezien hierin een bevoegdheid
aan het UWV wordt verleend met betrekking tot het tweede lid. Met
het vervallen van het tweede en het derde lid worden het vierde en
vijfde lid vernummerd tot het tweede en derde lid, waarbij in beide leden
een verwijzing wordt aangepast.
Onderdeel X
Zie de
toelichting op
artikel 19 WW.
Onderdeel Y
Artikel 20 van de
WW wordt op grond van het onderhavige wetsvoorstel zo aangepast dat er een
uniforme systematiek van beëindiging van de uitkering bij
werkhervatting ontstaat waarbij in alle gevallen de uitkering wordt beëindigd met het
aantal uren dat de werknemer arbeid verricht. Hierdoor kan het huidige artikel 35 van de
WW, dat een aparte regeling
treft voor werkhervatting
gedurende minder dan vijf en minder dan de helft van de arbeidsuren,
vervallen. Hiervoor in de plaats komt de algemene verjaringsbepaling van
het recht op uitkering van het huidige artikel
23, maar dan in
gewijzigde vorm. De algemene verjaringsbepaling van artikel 23 wordt
verplaatst omdat deze bepaling beter past in paragraaf
3, omdat die paragraaf de betaling
van de uitkering behandelt.
De tekst van het artikel
wordt aangepast opdat hiermee wordt verduidelijkt dat, in overeenstemming
met de uitleg van de huidige bepaling, het recht op uitkering wel
wordt vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 rblz.|53|
weken voorafgaande aan de
dag waarop de aanvraag om een uitkering wordt ingediend, maar
niet betaald wordt door het UWV.
Onderdeel Z
De verwijzing in
artikel
35b, eerste lid, van de
WW, dat de volgorde van de vermindering van de
uitkering regelt indien de werknemer meer dan één recht op uitkering heeft,
naar artikel 35 dient te vervallen. De regeling die in het huidige
artikel 35
van de
WW, dat de aftrek van arbeidsinkomsten regelt, is opgenomen, vervalt. Dit wordt nader toegelicht in de
toelichting op artikel 35.
Onderdeel AA
De wijzigingen in de
WW met betrekking tot de afschaffing van de kortdurende uitkering hebben tot
gevolg dat er niet langer behoefte bestaat aan een regeling met
betrekking tot samenloop tussen meerdere kortdurende uitkeringen. Derhalve
wordt voorgesteld artikel 35c van de
WW te laten vervallen.
Onderdeel BB
Artikel 42 van de
WW regelt de duur van de
WW-uitkering. Op grond van het eerste lid van het
voorgestelde artikel 42 bedraagt de duur van de uitkering ten minste drie
maanden. Vereiste voor het ontstaan van het recht op deze uitkering
is dat voldaan moet zijn aan de eis dat in de laatste 36 weken 26 weken is
gewerkt (artikel 17). Als de werknemer in de periode van vijf kalenderjaren
onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag
is gelegen in minimaal vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar
loon heeft ontvangen, wordt de uitkering verlengd met één maand
voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie
kalenderjaren overstijgt. Dit betekent dus bijvoorbeeld dat de werknemer met een arbeidsverleden van
vijf jaar recht
heeft op vijf maanden
uitkering en dat de werknemer met een arbeidsverleden van veertien jaar recht heeft
op veertien maanden uitkering. Wanneer een werknemer bijvoorbeeld
een WAO-uitkering heeft gehad en slechts een arbeidsverleden heeft van
drie jaar, dan heeft hij op grond van het voorgestelde artikel
42, tweede lid,
onderdeel b, recht op drie maanden WW-uitkering. Op grond
van de huidige regelgeving zou hij recht gehad hebben op een WW-duur van
drie maanden. Er geldt een maximale uitkeringduur van 38
maanden. Een werknemer met een arbeidsverleden van 42 jaar heeft dus
recht op 38 maanden uitkering. Bij het vaststellen van de uitkeringsduur op
grond van het eerste en tweede lid blijven perioden waarin recht op
uitkering bestaat in geval van vorstwerkloosheid op grond van artikel
18,
eerste lid, van de
WW buiten beschouwing. Dit is het equivalent van het
huidige artikel 18, vierde lid, van de
WW. Aangezien het betrekking heeft op
het vaststellen van de duur van de uitkering past deze bepaling echter
beter in artikel 42. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op artikel 18. Overigens
is artikel 42 inhoudelijk
ongewijzigd gebleven.
Onderdeel CC
Het voorgestelde
artikel
42a van de
WW stelt nadere regels omtrent het vaststellen van
loondagen. Het artikel is het equivalent van het huidige artikel 17b
van de
WW.
Aangezien de arbeidsverledeneis niet langer wordt gesteld voor het ontstaan
van het recht op uitkering, maar wel een rol speelt bij het bepalen van de duur van de uitkering, wordt deze regeling in
paragraaf 4 van hoofdstuk II, dat de duur van de uitkering regelt, opgenomen.
Wel wordt in het zesde
lid geregeld dat ook een uitkering die naar rblz.|54|
aard en strekking
overeenkomt met een uitkering als bedoeld in de onderdelen a, b en
c van het zesde
lid niet als loon wordt beschouwd. Hiermee wordt geregeld dat
uitkeringen die weliswaar niet zijn aan te merken als een
WW-uitkering, als
uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met uitzondering van een uitkering
aan de persoon die
slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van die wet, of als uitkering op grond
van de WAO, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, maar
feitelijk naar aard en strekking hiermee overeenkomen, eveneens
niet als loon wordt beschouwd. Hiermee wordt bewerkstelligd dat dagen
waarover dergelijke uitkeringen worden verstrekt niet gezien
worden als loondagen en daarmee dus ook niet meetellen voor de
jareneis. Met betrekking tot het voorgestelde artikel 42a, zesde lid, wordt
opgemerkt dat met "de persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste
20% te verdienen" wordt bedoeld de werknemer die een WGA-uitkering
ontvangt omdat hij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
Inhoudelijk is overigens met dit artikel geen wijziging beoogd ten
opzichte van artikel 17b.
Daarnaast wordt een nieuw
artikel 42b voorgesteld. Dat artikel regelt de vaststelling van de duur
van de uitkering als er een nieuw recht op uitkering ontstaat na een gehele of
gedeeltelijke eindiging van een eerder recht, terwijl er met
betrekking tot het nieuwe recht niet voldaan is aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een verlenging van de
uitkering op grond van
het tweede lid. In dat geval wordt het nieuwe recht verlengd met de duur van
de verlengde uitkering van het eerdere recht. Het nieuwe recht wordt
overigens slechts verlengd met de resterende duur van het eerdere
recht, voor zover de werknemer hierover geen uitkering heeft ontvangen. Het
eerste lid wordt niet toegepast voor zover het eerdere recht geheel of
gedeeltelijk was geëindigd op grond van artikel
20, eerste lid, onderdeel
a, b, c of d, en op grond van artikel 21 niet voor herleving in aanmerking
zou zijn gekomen wegens het overschrijden van de in laatstgenoemd
artikel bedoelde termijnen.
Onderdeel DD
Dit betreft een louter
technische wijziging in verband met het vervallen van de kortdurende
uitkering.
Onderdeel EE
Dit onderdeel heeft
evenals het vorige onderdeel betrekking op artikel
43. De betreffende
wijzigingen zullen waarschijnlijk op verschillende momenten in werking
treden. De planning is om het vorige onderdeel (schrappen van "loongerelateerde in het eerste lid) per 1 oktober 2006 in werking te laten treden.
Het is de planning om artikel 43 zoals dat op grond van het onderhavige
onderdeel zal komen te luiden pas per 1 mei 2007 in werking te laten
treden. Deze nieuwe tekst houdt verband met de regelgeving omtrent zieke
werklozen. Om technische problemen rondom de inwerkingtreding te
voorkomen, is ervoor gekozen om het "nieuwe" artikel 43 in een apart
onderdeel op te nemen. Een beëindigd recht op uitkering op grond van de
WW kan in bepaalde gevallen herleven. Bij herleving van het recht
op uitkering na een volledige beëindiging van dat recht is de hoofdregel
dat in zo’n geval de uitkeringsperiode verlengd wordt met de duur van de
onderbreking. Dit is geregeld in het huidige eerste lid van artikel
43. Een uitzondering op deze hoofdregel vormt de situatie dat het recht op
uitkering is beëindigd wegens ziekte. In dat geval wordt bij herleving van
dat recht de uitkeringsduur niet verlengd met de periode van ziekte indien
deze korter heeft geduurd dan drie maanden. Deze uitzondering wordt
geregeld in het huidige tweede lid van artikel
43. Dit rblz.|55|
tweede lid kan nu
vervallen aangezien er wordt voorgesteld dat de zieke werkloze tijdens de
eerste dertien weken van ziekte een uitkering op grond van de WW blijft ontvangen.
Het derde en het vierde lid kunnen ook vervallen, aangezien zij betrekking
hebben op het huidige tweede lid.
Onderdeel FF
Deze wijziging is een
technische wijziging in verband met het vervallen van de verdeling van het
"nieuwe" hoofdstuk II in afdelingen.
Onderdeel GG
Op dit moment bedraagt de
loongerelateerde uitkering 70% van het dagloon. Op grond van het
voorgestelde eerste lid van artikel 47 van de
WW bedraagt de uitkering
75% van het dagloon over de eerste twee maanden. Vanaf de derde
maand bedraagt de uitkering 70% van het dagloon. Op dit moment
wordt bij het bepalen van de hoogte van de uitkering in het geval er
geen sprake is van een volledig arbeidsurenverlies of een wijziging van het
arbeidsurenverlies gedurende de duur van de uitkering uitgegaan
van een uitkering naar rato van het arbeidsurenverlies uitgaande van een
uitkering van 70% van het dagloon. Aangezien de uitkering gedurende de
eerste twee maanden niet 70%, maar 75% van het dagloon zal bedragen,
wordt voor de situatie van een gedeeltelijk arbeidsurenverlies het
tweede lid aangepast, zodat in het geval de werknemer recht heeft op een
uitkering van 75% van het dagloon de hoogte van de uitkering op basis
daarvan naar rato wordt vastgesteld en in de situatie waarin de
werknemer recht heeft op 70% van het dagloon (dus vanaf de derde maand),
naar rato van die 70%. Hiermee is dus geen inhoudelijke wijziging van de bestaande situatie beoogd.
Onderdeel HH
Artikel 61
Voorgesteld wordt om het
tweede lid van artikel 61 te laten vervallen. Het tweede lid beschrijft een
situatie waarin de werknemer geen recht op uitkering heeft. Alle
situaties waarin geen sprake is van recht op uitkering worden ondergebracht in
het voorgestelde artikel 62, tweede lid.
Onderdeel II
Aan
artikel 62 worden een
nieuw tweede en derde lid toegevoegd. Er is voor gekozen om het
huidige tweede lid te vernummeren tot vierde lid omdat het voorgestelde
tweede en derde lid wat inhoud betreft beter aansluiten op het eerste
lid. Daarnaast is de verwijzing in het huidige tweede lid naar artikel
61, eerste lid, gewijzigd. Door de voorgestelde wijziging van artikel 61
vervalt namelijk de onderverdeling van dat artikel in leden.
Het voorgestelde tweede
lid heeft tot doel het verschil in regelingen met betrekking tot het
verrichten van arbeid bij een andere werkgever weg te nemen.
Op dit moment is het zo
dat als een werknemer vóór de dag van opzegging, bedoeld in artikel 64 van
de
WW, arbeid gaat verrichten bij een andere werkgever, er
slechts een recht op uitkering ontstaat over de arbeidsuren die de
werknemer heeft verloren. De werknemer krijgt dus geen uitkering over de
uren dat hij arbeid verricht bij die andere werkgever.
Indien de werknemer
echter pas arbeid gaat verrichten bij een andere werkgever tijdens de
termijn van opzegging, geldt er een andere regeling.
rblz.|56|
In
artikel 65 van de
WW wordt bepaald dat in die situatie het recht op uitkering niet beëindigd
wordt ter zake het aantal uren dat hij arbeid verricht, maar dat het
bij de andere werkgever verdiende loon in mindering wordt gebracht. Door dit
verschil in regeling met betrekking tot het verrichten van arbeid bij
een andere werkgever bestaat het gevaar dat de werknemer dubbel gekort
wordt op zijn uitkering. Om deze reden wordt voorgesteld dat in alle
gevallen van het verrichten van arbeid bij een andere werkgever artikel
65 van toepassing is.
In een aantal gevallen
moet de werknemer die niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden dus
toch een recht op uitkering hebben. Deze gevallen zijn
rechtstreeks overgenomen uit het huidige artikel
61, tweede lid, van de
WW in artikel 62. Er is echter aan toegevoegd het geval waarin de werknemer arbeid
verricht als werknemer of werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij
niet als werknemer wordt beschouwd. Met dit laatste worden
werkzaamheden in de zin van artikel 16, tweede lid, tweede zin, van de
WW bedoeld.
Het voorgestelde derde
lid regelt de verjaring van het recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de
WW. Er bestaat in de vorm van het huidige artikel
23, dat
overigens ook gewijzigd en verplaatst wordt met dit
wetsvoorstel, al een
algemene verjaringsbepaling van het recht op uitkering op grond van de
WW, maar
dit artikel is niet toegespitst op de situatie van
hoofdstuk IV van de
WW. Bovendien ziet het voorgestelde artikel 35 (= huidig
artikel 23) niet
op het recht op maar de betaling van de uitkering. Voorgesteld wordt om in
het geval dat de aanvraag om een uitkering in de zin van
hoofdstuk IV van
de WW later dan 26 weken is ingediend nadat de werkgever is komen te
verkeren in een toestand als bedoeld in artikel
61, de werknemer geen recht
op uitkering heeft.
De reden hiervoor is dat
de vaststelling van het recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de
WW een stuk lastiger is naarmate langer wordt gewacht met de
aanvraag. In bijzondere gevallen kan het UWV
hiervan afwijken.
Onderdeel JJ
Deze wijziging van
artikel 63
WW is gebaseerd op het voorstel om het tweede lid van artikel 61
te laten vervallen. Hierdoor bestaat artikel 61 niet meer uit verschillende
leden en kunnen de verwijzingen naar het eerste lid van artikel 61 vervangen
worden door verwijzingen naar artikel 61.
Onderdeel KK
Artikel 64
Er wordt een nieuw
artikel 64 voorgesteld. Het voorstel is om het recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de
WW uit te breiden naar die gevallen waarin anders
dan door opzegging een einde is gekomen aan de dienstbetrekking. Op dit
moment is het zo dat indien op een andere manier dan door opzegging
een einde is gekomen aan de dienstbetrekking, de werknemer formeel geen
recht zou hebben op een uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de
WW. Omdat dit een onbedoeld resultaat is, wordt in de praktijk ook
uitkering verstrekt indien de dienstbetrekking op andere wijze dan door
opzegging is geëindigd. Deze wijziging van artikel
64, onderdeel a, voorziet
erin deze praktijk te codificeren.
In het huidige artikel is
bepaald dat de uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de
WW onder andere
het loon over ten hoogste dertien weken voorafgaande aan de dag van opzegging
omvat, tenzij het UWV vindt dat er redelijkerwijs eerder
opgezegd had moeten worden. In dat laatste geval kan het UWV een andere
datum dan de dag van opzegging hanteren. Het rblz.|57|
voorstel is om ook een
soortgelijke bevoegdheid voor het UWV te creëren met betrekking tot
beëindiging van de dienstbetrekking door ontbinding en wederzijds goedvinden.
Dit is tot uitdrukking gebracht door middel van een algemene formulering
in het tweede lid van artikel 64. Daarbij moet in geval van beëindiging
van de dienstbetrekking door ontbinding gedacht worden aan het geval dat
het verzoek tot ontbinding naar de mening van het UWV eerder ingediend
had moeten worden. Bij beëindiging van de dienstbetrekking door
wederzijds goedvinden moet worden gedacht aan het geval waarin de
beëindigingsovereenkomst eerder tot stand had moeten komen.
Het bovenstaande geldt
niet voor het eindigen van de dienstbetrekking van rechtswege aangezien
het hierbij niet mogelijk is dat er aan deze dienstbetrekking naar de
mening van het UWV eerder een einde had moeten komen.
Voor de berekening van
het vakantiegeld wordt in dit voorstel uitgegaan van het aantal
vakantiedagen dat de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking heeft.
Dit in tegenstelling tot de huidige manier van berekenen waarbij het
aantal vakantiedagen dat is opgenomen in het jaar voorafgaand aan het
tijdstip, bedoeld in het voorgestelde artikel 64, eerste lid, onderdeel c, wordt
afgetrokken van het in datzelfde jaar opgebouwde aantal vakantiedagen. Bij
het huidige systeem wordt dus geen rekening gehouden met het recht op
vakantiedagen die de werknemer nog kan hebben uit voorgaande
jaren.
Bij de nieuwe methode van
het berekenen van vakantiegeld in artikel 64, derde lid, wordt wel een maximum gesteld aan de uitkering van het
vakantiegeld. De
uitkering bedraagt niet meer dan het vakantiegeld over het aantal vakantiedagen
dat de werknemer gedurende één jaar waarin hij gedurende de volledig
overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft, had kunnen opbouwen bij
de werkgever die in betalingsonmacht verkeert.
Artikel 65
De inhoud van het huidige
artikel 65 wordt in gewijzigde vorm ondergebracht in het eerste lid van het
voorgestelde nieuwe artikel 65. Op grond van het huidige
artikel
65 worden inkomsten uit arbeid op de uitkering in mindering gebracht. In
het voorgestelde eerste lid worden deze inkomsten nader opgesomd.
Bij de in het eerste lid,
onderdeel c, bedoelde situatie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
situatie dat de werknemer tijdens de periode waarin hij een uitkering
op grond van
hoofdstuk IV van de
WW ontvangt, bij een andere werkgever
dan de werkgever die in betalingsonmacht verkeert, arbeid
verricht. De pensioenpremie die deze andere werkgever afdraagt over de
verrichte arbeid gedurende de periode dat de werknemer een uitkering op grond
van
hoofdstuk IV van de
WW ontvangt, dient dan in mindering te worden gebracht op de uitkering op grond van
hoofdstuk IV van de
WW.
Het nieuwe tweede lid
vloeit voort uit een uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ EG, 14 juli
1998, zaak C-125/97). Deze uitspraak heeft tot gevolg dat als de
werkgever die in betalingsonmacht verkeert een loonbetaling doet in de periode dat de
werknemer op grond van
hoofdstuk IV van de
WW recht heeft op overname van loon, deze loonbetaling bij voorrang
moet worden toegerekend
aan de periode voorafgaand aan de periode, bedoeld in
artikel 64, eerste lid, onderdeel a. Dit is natuurlijk alleen van toepassing
indien de werknemer ook over deze periode een loonvordering heeft op de
werkgever. Hetzelfde is analoog van toepassing op betalingen van
vakantiegeld, vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband
met
de dienstbetrekking met de werknemer aan rblz.|58|
derden verschuldigd is.
Hierbij geldt dat indien de werkgever een betaling van vakantiegeld,
vakantiebijslag of de bedragen die de werkgever in verband met de
dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, verricht in de periode
waarover de werknemer recht heeft op overname van deze betalingen op
grond van artikel 64, deze betalingen moeten worden toegerekend
aan de periode voorafgaand aan de periode in artikel
64, eerste
lid, onderdeel c.
Artikel 66
Voorgesteld wordt dat het
UWV bij het verhaal op de werkgever van de premies voor de sociale verzekeringen op grond van
hoofdstuk IV van de
WW eenzelfde voorrecht
krijgt als de belastingdienst. De belastingdienst verzorgt na de
inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen de heffing
en inning van
de premies voor de sociale verzekeringen. Bij de invordering van de
premies zijn de regels voor de invordering van de loonbelasting van de Invorderingswet
1990 van overeenkomstige toepassing. Dit houdt in
dat de belastingdienst bij verhaal een voorrecht heeft op alle goederen
van degene die premies verschuldigd is. In het geval dat het UWV op grond
van dit hoofdstuk de premies voor de sociale verzekeringen die de
werkgever aan de belastingdienst is verschuldigd, betaalt, is het niet meer
dan logisch dat het UWV wat betreft het verhaal hiervan op de werkgever
hetzelfde voorrecht krijgt als de belastingdienst. Artikel 66 regelt dit.
Onderdeel LL
Voor de toelichting op
dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel
19.
Onderdeel MM
Mede in verband met het
afschaffen van de kortdurende uitkering is het wenselijk de verwijzingen
in artikel 68, waarmee wordt geregeld dat bepaalde artikelen van de
WW niet van toepassing zijn op
hoofdstuk IV, aan te passen.
Onderdelen NN, RR en
SS [alle
drie vervallen, red.]
De stimuleringsmaatregel
preventie werkloosheid wordt opgenomen in hoofdstuk V van de
WW,
dat op dit moment vacant is. Het voorgestelde artikel
69, eerste lid,
van de
WW regelt dat het UWV de uitkeringen aan een werknemer op grond
van hoofdstuk II van de
WW verhaalt op zijn werkgever indien die
werknemer uit de dienstbetrekking met zijn werkgever arbeidsuren en het recht
op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren heeft
verloren en recht op een uitkering op grond van hoofdstuk II
heeft
gekregen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
voorwaarden voor het verhaal van deze werkloosheidslasten
gesteld. Artikel 79, vijfde tot en met tiende
lid, (dat betrekking heeft op
verhaal op de overheidswerkgever) is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor "overheidwerkgever" en "overheidswerkgever,
bedoeld in het eerste lid" wordt gelezen "werkgever" en voor
"de in het
eerste lid bedoelde uitkering, premies, tegemoetkoming of vergoeding" wordt
gelezen "de in artikel 69, eerste lid, bedoelde uitkering". Dit
betekent dat de regels voor wat betreft de invordering en dergelijke dezelfde
zijn als de regels zoals die gelden voor het verhaal op
overheidswerkgevers. Er is niet voor gekozen om het tweede tot en met vierde lid van
artikel 79 van overeenkomstige toepassing te verklaren, omdat de
daarin opgenomen regels deels uitsluitend betrekking hebben op de specifieke
positie van de overheidswerkgever en deels rblz.|59|
omdat dit vanwege de
preventieve werking die uitgaat van artikel 69, eerste lid, niet
wenselijk wordt geacht. Voorts worden de artikelen 80 en
81 van de
WW, die
eveneens betrekking hebben op het verhaal op de overheidswerkgever, in
verband hiermee gewijzigd. Hierbij wordt opgemerkt dat de wijzigingen in
artikel 80 uitsluitend zien op het toevoegen van het verhaal met
betrekking tot de oudere werknemers en overigens geen inhoudelijke
wijziging beogen. Deze artikelen hebben eveneens betrekking op de
procesmatige regels rondom invordering en verhaal. Uit oogpunt van deregulering
is ervoor gekozen artikel 79, vijfde tot en met tiende lid, van
overeenkomstige toepassing te verklaren. Met betrekking tot de artikelen 80 en
81
was dit om technische redenen (in verband met een verwijzing naar
artikel 79, eerste lid) niet mogelijk. Feitelijk wordt met beide manieren van
wijziging hetzelfde beoogd: het verhaal van de
WW-uitkeringen met
betrekking tot een werknemer die op oudere leeftijd in de WW terecht is
gekomen, moet op dezelfde wijze geschieden als het verhaal van
werkloosheidslasten op de overheidswerkgever. Het eerste lid van het voorgestelde
artikel 69 vindt in een tweetal situaties geen toepassing. Dit is ten eerste het
geval in de situatie dat de werknemer na het bereiken van de leeftijd
van 50 jaar voor de eerste maal sedert één jaar bij de werkgever in
dienstbetrekking is gekomen. Werkgevers die een werknemer in dienst nemen
die 50
jaar of ouder is terwijl deze werknemer langer dan één jaar niet
in dienst is geweest, worden dus niet geconfronteerd met het verhaal van de
werkloosheidslasten van zo’n werknemer die na zijn 55-ste in de WW
is terechtgekomen. Deze regeling is opgenomen om de arbeidsparticipatie
van oudere werknemers niet te belemmeren. Voor een nadere
toelichting hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting
met betrekking tot de preventieprikkel [zie paragraaf 4.2,
red.].
De in hoofdstuk VII van
de
WW opgenomen regeling voorziet in een verhaal van de door een overheidswerknemer genoten WW-uitkering op
de overheidswerkgever,
zodat de onderhavige regeling slechts toepassing behoeft voor niet-overheidswerkgevers en -werknemers. In het voorgestelde artikel
69, vierde lid,
is daarom geregeld dat hoofdstuk V niet van toepassing is op
overheidswerkgevers.
Onderdelen OO en
PP
Deze onderdelen betreffen
louter technische wijzigingen.
Onderdeel QQ
De uitkeringen op grond
van de
WW en de ZW van overheidswerknemers worden uit het
Uitvoeringsfonds voor de overheid betaald (op grond van artikel
108, eerste lid,
onderdeel a van de Wfsv). De uitkeringen op grond van de WW worden achteraf
door het UWV bij de overheidswerkgevers gedeclareerd, omdat deze eigenrisicodragers zijn voor de WW. Met de
toevoeging van artikel 79, tweede lid, onderdeel c, van de
WW wordt voorkomen dat de
overheidswerkgevers een lastenverzwaring krijgen van dertien weken uitkering
op grond van de WW. Er wordt geregeld dat het UWV de uitkeringen op
grond van de WW van zieke werklozen niet declareert bij de
overheidswerkgever. Ook bij de financiering zijn de samentellingsregels zoals
genoemd in de toelichting op de wijziging van artikel 20 van de
WW van
toepassing.
Onderdeel TT [vervallen,
red.]
In
dit wetsvoorstel wordt
gekozen voor een gescheiden rechtsgang voor werkgevers en werknemers
met betrekking tot de stimuleringsmaatregel preventie werkloosheid.
Dit wil zeggen dat de werkgever geen belanghebbende is bij beschikkingen
omtrent de uitkering van de werknemer en dat de werknemer geen belanghebbende is bij beschikkingen omtrent de
rblz.|60|
preventieprikkel. Om dit
te effectueren, worden de artikelen 117 en 118 opgenomen.
Onderdeel UU
Aangezien
artikel 7 van
de
WW vervalt, kunnen de artikelen 125 en 126 eveneens vervallen. Voor
een toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op het
vervallen van artikel 7.
Onderdelen VV en
WW
Deze onderdelen betreft
het overgangsrecht. Er wordt gezien de gespreide
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel gekozen voor twee aparte onderdelen
(VV en WW) die twee nieuwe artikelen toevoegen aan hoofdstuk
Xb.
Artikel # [artikel
130o, red.]
De beoogde
inwerkingtredingsdatum van dit artikel, dat betrekking heeft op de polisvoorwaarden en
op
hoofdstuk IV van de
WW, is 1 oktober 2006.
Zoals ook aangegeven in
het algemeen deel van de memorie van toelichting zal de wijziging van de
polisvoorwaarden met betrekking tot de duur en de hoogte van de
uitkering alleen van toepassing zijn met betrekking tot rechten op uitkering
waarvan de eerste werkloosheidsdag gelegen is op of na de datum van inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel en zullen
bestaande
uitkeringsrechten niet worden aangetast. Dit wordt geregeld in het eerste lid. Er is
voor gekozen de desbetreffende artikelen waarin wijzigingen met betrekking tot de
polisvoorwaarden zijn aangebracht te vermelden en niet "slechts" de hoofdstukken
IIa en IIb, omdat sommige artikelen ook in verband
met andere onderwerpen, waarvoor ander overgangsrecht geldt, worden gewijzigd.
Omdat het voorgestelde
artikel 42b niet thans reeds in de
WW voorkomt, wordt in het eerste lid
bepaald dat met betrekking tot in dat lid genoemde personen artikel 42b
buiten toepassing blijft. Datzelfde geldt met betrekking tot artikel 42a.
In het tweede lid is
geregeld dat de artikelen 42, 43,
52g en 52h
(de huidige artikelen die de
duur van een uitkering op grond van de
WW regelen), zoals die
luiden op de dag voordat artikel I, onderdeel
BB, van dit wetsvoorstel in werking
treedt, van toepassing blijven op de persoon die op of vóór die datum
recht op uitkering op grond van deze wet had, welk recht eindigt of is
geëindigd op grond van het verrichten van werkzaamheden als werknemer, en die
ter zake van de verrichte werkzaamheden na die datum een nieuw recht
op uitkering krijgt, indien dit een langere duur van de uitkering tot
gevolg heeft dan toepassing van de artikelen die de duur van de WW regelen
zoals die komen te luiden met de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel. Het
tweede lid heeft dus uitsluitend betrekking op de duur van de
uitkering, en niet op het ontstaan van het recht en de hoogte van de uitkering.
Opgemerkt wordt dat het tweede lid een horizonbepaling omvat, te weten vijf jaar
na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
BB,
van dit wetsvoorstel.
In het
algemeen deel van
de memorie van toelichting is aangegeven dat de voorstellen met
betrekking tot
hoofdstuk IV van de
WW van toepassing zullen zijn op personen
wier recht op uitkering is ontstaan na de datum van inwerkingtreding van
het voorstel. Dit wordt geregeld in het derde lid. Omdat ook de wijzigingen
van de artikelen 16, vierde lid, en 31 met dit voorstel samenhangen,
worden in het derde lid ook de artikelen 16 en
31 genoemd.
rblz.|61|
In
het vierde lid wordt
geregeld dat de artikelen 20 en 35 zoals die luiden op de dag voordat de
betreffende wijzigingen van die artikelen in werking treden van toepassing
blijven op een verlies van arbeidsuren dat heeft plaatsgevonden op of vóór
die dag, zolang er sprake is van aftrek van arbeidsinkomsten op grond
van artikel 35 zoals dat luidt op die dag. Op grond hiervan blijven bij
elke uitbreiding van uren in werkhervatting (onder de vijf uur) bij
dezelfde of (aansluitend) bij een andere werkgever de oude artikelen van
toepassing. In die situatie geldt dus nog niet dat ook indien de werkhervatting
minder dan vijf en minder dan de helft van de arbeidsuren bedraagt, de
uitkering wordt beëindigd ter zake van het aantal uren dat de werknemer arbeid verricht.
Artikel ## [artikel
130q, red.]
In dit artikel wordt
geregeld dat de bepalingen die betrekking hebben op de in dit wetsvoorstel
voorgestelde regeling voor zieke werklozen zoals die luiden op de dag
voordat artikel I, onderdeel BB, van dit wetsvoorstel in werking treedt van
toepassing blijven op
WW-gerechtigden wier eerste ziektedag is gelegen vóór
de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Beoogde
inwerkingtredingsdatum van dit artikel is 1 mei 2007.
Artikel
II. Wijziging van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Onderdelen A en
B
Door de afschaffing van
de kortdurende uitkering zijn de hoofdstukaanduidingen en de verwijzingen
daarnaar veranderd. De artikelen 2, onderdeel b, en
9, vijfde
lid, van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) zijn gekoppeld aan de kortdurende
uitkering en vervallen om die reden. De verwijzing naar het vijfde lid in
artikel 9, zesde lid, dient dan ook te vervallen. Met de inwerkingtreding
van de IWIA vervalt ook artikel
2, onderdeel c en d. Artikel 2 wordt
om die reden opnieuw geformuleerd. Ter verduidelijking wordt nog opgemerkt dat
met de zinsnede "de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II
van de
Werkloosheidswet" in artikel 2,
onder 3º, wordt bedoeld de volledige uitkeringsduur zoals die wordt
vastgesteld mede op grond
van het overgangsrecht bij de artikelen 42, 43,
52g en 52h. Dit is niet
aan te merken als een verlenging van de uitkeringsduur zoals bijvoorbeeld
geregeld is in artikel 76 van de
WW, maar als de volledige uitkeringsduur
op grond van hoofdstuk II
van de
WW. Het is dus niet noodzakelijk hier
nadere regels voor te treffen.
Onderdeel C
De
artikelen 2 en 9 van
de Ioaw blijven gelden voor de situaties ontstaan
vóór inwerkingtreding van
het onderhavige wetsvoorstel.
Artikel
III. Wijziging
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel A
Met
dit wetsvoorstel
wordt aan het begrip "verwijtbare werkloosheid" in artikel 24 van de
WW een
nieuwe invulling gegeven. Omdat artikel 30 van de
Wet WIA thans aansluit
bij de huidige tekst van artikel 24 van de
WW, dient ook artikel 30 van
de Wet WIA te worden aangepast.
Dit geldt eveneens voor
de voorgestelde wijziging van artikel 24, zesde lid, van de
WW. Op grond van
die bepaling leidt het niet voeren van rblz.|62|
(adequaat) verweer door
de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer met een
beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever niet tot overtreding van
de verplichting voor de werknemer om te voorkomen dat hij
verwijtbaar werkloos wordt. De in artikel 24 voorgestelde toevoeging wordt in
artikel 30, vijfde lid, van de Wet WIA opgenomen.
Het vijfde lid laat
onverlet dat aan de werknemer een maatregel wegens verwijtbaar verlies van
passende arbeid kan worden opgelegd als hij is ontslagen vanwege een
verwijtbare gedraging als gevolg waarvan van de werkgever geen
voortduring van de dienstbetrekking kon worden gevergd.
Onderdeel B
Het voorgestelde derde
lid van artikel 32 biedt de grondslag om, evenals met betrekking tot de
WW,
in individuele gevallen ontheffing te verlenen van een aantal op grond
van artikel 30, eerste lid, van de Wet
WIA
aan die werknemer opgelegde
verplichtingen. De in artikel 30, eerste lid,
onderdeel a, b en
c, opgenomen
verplichtingen zijn het equivalent van de verplichtingen die voor
de WW-gerechtigde gelden op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder 1º, 2º en 4º (de sollicitatieplicht, de verplichting tot het aanvaarden/verkrijgen van passende arbeid alsmede de
verplichting geen
belemmerende eisen te stellen), en waarvoor op grond van het voorgestelde
artikel 24, negende lid, van de
WW een ontheffingsmogelijkheid wordt gecreëerd. De voor
de WW-gerechtigde geldende verplichtingen op grond
van artikel 26, eerste lid, onderdeel d, f of g, van de
WW (CWI-inschrijving,
scholing en medisch onderzoek) waarvoor op grond van het
voorgestelde zesde lid van dat artikel een ontheffingsmogelijkheid in het leven wordt
geroepen, zijn niet als zodanig in de Wet WIA terug te vinden en/of
het is niet wenselijk om hiervoor ontheffing te verlenen.
Aan de
ontheffingsmogelijkheid op grond van het voorgestelde artikel
32, derde lid, van de Wet WIA zullen voorwaarden worden gesteld, die op het niveau van een algemene
maatregel van bestuur vastgelegd zullen worden. Voor een nadere
toelichting op deze grondslag voor de mogelijkheid van individuele ontheffing van de op grond van de
Wet WIA geldende verplichtingen
wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting [zie paragraaf
4.4, red.].
Onderdeel C
In het
algemeen deel van
deze memorie van toelichting is reeds aangegeven dat de koppeling van de
duur van het arbeidsverleden aan de duur van de loongerelateerde
uitkering op grond van de
WW zal doorwerken naar de Wet WIA. Derhalve
wordt artikel 59, eerste lid, van de Wet
WIA
(conform de tekst van artikel 42 van de
WW) gewijzigd.
Onderdeel D
In het
algemeen deel van
deze memorie van toelichting is reeds aangegeven dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering bij
werkloosheid gelijk zal zijn aan de hoogte van de loongerelateerde
WW-uitkering. Het feit
dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering in de eerste twee maanden hoger zal zijn dan in de
maanden daarna blijkt uit
de voorgestelde wijziging van artikel
61, eerste lid. Deze verhoging naar
75% in de eerste twee maanden wordt niet doorvertaald naar de loonaanvullingsuitkering van de
WGA-uitkering. Immers, indien een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte geen recht heeft op een loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering, heeft hij niet voldaan aan de in de Wet
WIA
gestelde
wekeneis. Omdat in de WW in die situatie geen rblz.|63|
recht op een
werkloosheidsuitkering zou bestaan, is het ook niet nodig de verhoging van de
uitkering naar 75% door te vertalen naar de loonaanvullingsuitkering van de
WGA-uitkering.
Daarom wordt artikel
61, tweede lid, aangepast aan
de nieuwe tekst van het eerste lid van dat artikel in die zin dat de
hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering overeenkomt
met de hoogte van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b (oftewel 70%).
Onderdeel E
Op grond van de in dit
onderdeel voorgestelde overgangsrechtelijke bepaling blijven de artikelen 59
en 61 van de Wet WIA die met
dit wetsvoorstel worden gewijzigd van
toepassing op de persoon wiens recht op WGA-uitkering op grond
van de Wet WIA is ontstaan vóór de dag van inwerkingtreding van
artikel III van deze wet. Dit overgangsrecht geldt uitsluitend voor de duur
van dat recht. Hiermee wordt voorkomen dat na het eindigen van het
recht en het op een later moment ontstaan van een nieuw recht op een
WGA-uitkering nog steeds de oude bepalingen over hoogte en duur van de
loongerelateerde WGA-uitkering van toepassing zijn, Wellicht ten
overvloede wordt opgemerkt dat voor het bepalen van de dag waarop een recht
op WGA-uitkering op grond van de Wet WIA ontstaat de artikelen 54
en 55 van die wet van belang zijn.
Artikel IV.
Wijziging van
de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria
Door de afschaffing van
de kortdurende uitkering zijn de hoofdstukaanduidingen en de verwijzingen
daarnaar veranderd.
Artikel
V.
Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Met de inwerkingtreding
van het bij koninklijke boodschap van 4 maart 2005 ingediende
wetsvoorstel tot wijziging van de
Werkloosheidswet in
verband met het preventief inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de
reïntegratietaak aan overheidswerkgevers, het ondersteunen van
WAO-herbeoordeelden bij scholing, het subsidiëren van
scholing in het kader van de WAJONG en enkele andere wijzigingen in
wetten die de reïntegratie-instrumenten betreffen (Kamerstukken 30 016) is het
voormalige artikel 83c van de Wet
SUWI vernummerd tot artikel 83i.
De onderhavige wijziging
van dat nieuwe artikel 83i van de Wet
SUWI is noodzakelijk omdat de
inhoud van artikel 17b van de
WW met dit wetsvoorstel wordt opgenomen in
artikel 42a van de
WW. Voor de toelichting daarop wordt verwezen
naar de toelichting op die artikelen.
Artikel
VI. Wijziging van
de Wet kinderopvang
Artikel 6 van de
Wet kinderopvang wordt louter technisch aangepast.
Artikel
VII. Wijziging
van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
De wijzigingen van de
Wet kinderopvang en de
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen op grond van bovengenoemde artikelen
zijn noodzakelijk in
verband met het afschaffen van de kortdurende uitkering in de
WW (hoofdstuk IIb van de
WW). In het tweede lid van artikel 45b
staat ook een
verwijzing naar de kortdurende uitkering. Deze kan echter blijven staan
nu het hier gaat om een overgangsbepaling op rblz.|64|
grond waarvan geen nieuwe
rechten kunnen ontstaan. De bepaling heeft betrekking op kortdurende
uitkeringen die zijn toegekend vóór datum fase 2 OOW,
vóór 1 januari
2001. Door het tweede lid te laten staan, is in ieder geval duidelijk dat recht
op Ioaw blijft bestaan voor de personen die onder de regeling vallen.
Artikel
VIII. Wijziging
van de Wet financiering sociale verzekeringen
Onderdelen A en
C
Op grond van
artikel 104,
eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv worden de eerste zes maanden van de
uitkering op grond van de
Werkloosheidswet gefinancierd uit de
sectorfondsen. De uitkering op grond van de Ziektewet
van zieke werklozen wordt
op grond van artikel 100, onderdeel b, van de
Werkloosheidswet betaald
uit het AWf. Met de toevoeging van artikel
104, zevende lid, en de
wijziging van artikel
100, onderdeel a, wordt geregeld dat de uitkering op grond
van de WW van zieke werklozen ten laste van het AWf komt. Daarmee
blijft de financieringsbron van de uitkering van zieke werklozen
ongewijzigd. Ook bij de financiering zijn de in de toelichting
op de wijziging van
artikel 20
WW genoemde samentellingsregels van toepassing. Verder wordt
er nog een achtste lid aan artikel 104 toegevoegd waarin geregeld wordt dat
bij de bepaling van de periode van zes maanden waarin de
uitkering op grond van de WW gefinancierd wordt uit de sectorfondsen, de
eerste dertien weken waarin de zieke werkloze WW krijgt buiten aanmerking
worden gelaten.
Onderdeel B [vervallen,
red.]
Dit onderdeel voegt een
onderdeel toe aan artikel 103 van de Wfsv (onderdeel g) op grond waarvan de
inkomsten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 69 van de
WW (de stimuleringsmaatregel preventie werkloosheid), te weten het verhaal van
de
WW-uitkeringen die worden uitbetaald aan werknemers
die in de WW terecht zijn gekomen nadat ze de leeftijd van 55 jaar
hebben bereikt op de werkgever, ten gunste komen aan de sectorfondsen.
Voor een uitgebreidere toelichting op deze stimuleringsmaatregel
preventie werkloosheid wordt verwezen naar de toelichting op het voorgestelde artikel
69.
Onderdeel D
Artikel 108 van de
Wfsv
wordt louter technisch aangepast naar aanleiding van het vernummeren van
artikel 22b van de
WW tot artikel 23.
Onderdeel E
Met betrekking tot de
voorstellen die zien op
hoofdstuk IV van de
WW is overgangsrecht opgenomen.
Dit overgangsrecht houdt onder andere in dat artikel 52d
van de
WW, zoals dat luidde vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet wijziging
WW-stelsel en ontslagrecht, van toepassing blijft met betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste
werkloosheidsdag is
gelegen vóór of op die dag.
Omdat ook in die situatie
financiering nodig is, is ook met betrekking tot de voorgestelde wijziging
van artikel 104, derde lid, overgangsrecht opgenomen.
rblz.|65|
Artikel
IX. Wijziging van
de Ziektewet
Onderdeel A
Door de wijziging van
artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de ZW
wordt geregeld dat zieke
werklozen als bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de
ZW pas na dertien weken
een uitkering op grond van de ZW krijgen. Op grond van
artikel 19,
eerste lid, van de ZW hebben zij echter wel recht op ziekengeld, waardoor
de
verplichtingen van de ZW ook op hen van toepassing zijn. De zieke
werkloze behoudt verder zijn uitkering op grond van de
WW, omdat de
uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de
WW (het
ontvangen van een uitkering op grond van de ZW) niet van toepassing is.
Mocht de uitkering op grond van de WW echter worden beëindigd in
verband met het bereiken van het einde van de uitkeringsduur, terwijl
de werkloze nog steeds ziek is, dan krijgt hij vanaf dat moment een uitkering
op grond van de ZW (en niet pas na dertien weken).
Voor zieke werklozen als
bedoeld in artikel 7, onderdeel b, geldt deze wijziging niet. De wijziging is ook
niet van toepassing op werklozen die ziek zijn als gevolg van
zwangerschap of bevalling dan wel als gevolg van orgaandonatie. Deze
groepen houden vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken recht op
ziekengeld en daarmee op een uitkering van 100% van hun dagloon.
Met betrekking tot de
periode van dertien weken gelden op grond van het nieuwe twaalfde lid
verder de in de
WW en de ZW gebruikelijke
samentellingsregels. Deze
worden nader toegelicht in de toelichting op de
wijziging van artikel 20
WW.
Onderdeel B
Door de wijziging van
artikel 36 van de ZW blijft het mogelijk een overlijdensuitkering uit te betalen indien
de
zieke werkloze tijdens de eerste dertien weken van ziekte
komt te overlijden.
Onderdeel C
Voorgesteld wordt om aan
het vijfde lid twee redenen toe te voegen waarvoor van het opleggen van een
maatregel op grond van artikel 45 moet worden afgezien. Ten
eerste zou geen maatregel moeten worden opgelegd indien voor dezelfde
gedraging een maatregel op grond van artikel 27, vierde lid, van de
WW is opgelegd. Dit om te voorkomen dat de zieke werkloze die gedurende de
eerste dertien weken van zijn ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid een uitkering op grond van de
WW krijgt tweemaal een maatregel
voor dezelfde gedraging kan worden opgelegd. Dit zou mogelijk zijn
omdat de zieke werkloze zowel aan de verplichtingen van de ZW
als aan de
verplichtingen uit de WW moet voldoen. Voor het niet nakomen van de
verplichtingen die voortvloeien uit artikel 45 van de
ZW dient op grond van de
ZW een maatregel te worden opgelegd. Daarnaast dient tevens op grond van
het nieuwe vierde lid van artikel 27 (zie de
toelichting op artikel 27) een maatregel te worden opgelegd bij het niet nakomen van de werknemer
van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 45
ZW. Dat zou
dus betekenen dat voor dezelfde gedraging, namelijk het niet nakomen van een
bepaalde verplichting die uit artikel 45 voortvloeit, een maatregel op grond van de WW en op grond van de ZW
dient te worden opgelegd.
Aangezien dit niet
wenselijk is, wordt voorgesteld dit te voorkomen door middel van het toevoegen
van onderdeel b aan het vijfde lid.
Ten tweede zou geen
maatregel moeten worden opgelegd indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 27a van de
WW is rblz.|66|
opgelegd. Indien immers
geen boete op grond van artikel 45a kan worden opgelegd door invoering
van het nieuwe achtste lid van dat artikel, zou wel nog de mogelijkheid bestaan om voor dezelfde gedraging naast een
boete op grond van
artikel 27a van de WW een maatregel op grond van
artikel 45 op te leggen.
Door het voorgestelde onderdeel c wordt dit onmogelijk gemaakt.
De zieke werkloze die
gedurende de eerste dertien weken van zijn ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid een
WW-uitkering ontvangt, moet dus voldoen aan de
verplichtingen uit de WW en uit de ZW. Indien hij niet voldoet aan de
verplichtingen uit de ZW, dient op grond van het nieuwe vierde lid van artikel 27
WW een maatregel te worden opgelegd. Als na de eerste dertien
weken van
ongeschiktheid de WW-uitkering eindigt en de zieke werkloze een ZW-uitkering
krijgt, eindigt tevens de op grond van artikel
27, vierde lid, van de
WW opgelegde maatregel. Dit is niet wenselijk aangezien de maatregel
was opgelegd wegens het niet nakomen van verplichtingen uit de ZW.
Om te zorgen dat het resterende gedeelte van de maatregel, opgelegd op
grond van de WW, van toepassing is op de ZW-uitkering wordt de
toevoeging van een nieuw lid aan artikel 45 voorgesteld. In dit achtste lid wordt
geregeld dat een beschikking op grond van artikel
27, vierde
lid, van de
WW waarbij een maatregel wordt opgelegd wegens het niet voldoen
aan verplichtingen uit de ZW, na de eerste dertien weken geldt als
een beschikking op grond van artikel 45, eerste lid, van de
ZW.
Op grond van het
voorgestelde artikel 24, zesde lid, van de
WW leidt het niet voeren van verweer
door de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer met een
beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever
niet tot overtreding van de verplichtingen, bedoeld in het eerste
lid, aanhef en onder a, of het vijfde lid, van artikel
24. Het is niet
de bedoeling dat deze beperking van de verwijtbaarheidtoets in de
WW doorwerkt in de ZW. Dit risico bestaat omdat de (arbeidsrechtelijke) benadelingshandeling in de ZW vaak op vergelijkbare
wijze wordt uitgelegd.
Het is echter niet de bedoeling dat het instemmen met of het niet verweren
tegen een beëindiging van de dienstbetrekking door de zieke werknemer
niet langer kan worden bestraft in de periode dat hij recht heeft op
doorbetaling van loon tijdens ziekte. Dit zou immers ertoe kunnen leiden dat
het relatief eenvoudig wordt om de verplichting van de werkgever tot
loonbetaling bij ziekte en de reïntegratie-inspanningen die daar bij horen te
ontlopen. Om te verduidelijken dat onder benadeling als
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel j, van de
ZW wel degelijk mede de
situatie wordt verstaan dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft
nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van
de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel
29,
eerste lid, wordt aan artikel 45 een zevende lid toegevoegd.
Onderdeel D
Zoals ook uit de
toelichting op artikel 45 blijkt, kan het problemen opleveren dat de zieke werkloze
gedurende de eerste dertien weken van zijn ongeschiktheid zowel aan
de verplichtingen uit de
WW als uit de ZW moet voldoen. Dit kan lastig
zijn als eenzelfde verplichting zowel in de WW als in de ZW voorkomt. Hierdoor zou onder andere tweemaal een boete
kunnen worden opgelegd
voor dezelfde gedraging. Om dit te voorkomen, wordt er een nieuw
achtste lid aan artikel 45a toegevoegd.
Dit achtste lid regelt
dat indien er op grond van artikel 27a
van de
WW een boete wordt opgelegd voor
dezelfde gedraging als waarvoor op grond van artikel 45a
ZW
een
boete zou moeten worden opgelegd, dit laatste achterwege dient te
blijven.
rblz.|67|
Onderdeel E
Op grond van
artikel
86a van de ZW zijn de genoemde wijzigingen niet van toepassing op
werklozen die vóór de inwerkingtreding van artikel 86a
ziek worden.
Artikel
X.
Wijziging van
het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
[vervallen, red.]
Zoals in het
algemeen
deel van deze toelichting is aangegeven, wordt het wenselijk geacht aan
sociale partners de mogelijkheid te bieden bij CAO eigen ontslagcriteria
overeen te komen die bij een bedrijfseconomisch ontslag in aanmerking
zullen worden genomen. Een ontslag op bedrijfseconomische gronden kan onder meer
betrekking hebben op het vervallen van
arbeidsplaatsen als gevolg van een vermindering van werkzaamheden als zodanig, maar
bijvoorbeeld ook op het vervallen van arbeidsplaatsen als
gevolg van een wijziging in de aard van de te verrichten werkzaamheden.
Verder is aangegeven dat in geval door CAO-partijen
ontslagcriteria worden overeengekomen, het toestemmingsvereiste van de CWI,
bedoeld in
artikel 6 van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA), dat normaal gesproken in acht moet worden genomen, niet
langer van toepassing zal zijn. De voorgestelde wijziging van
artikel 6 strekt hiertoe.
Wil het
toestemmingsvereiste niet van toepassing zijn, dan moet in de bedoelde CAO-afspraken
zijn voorzien in de mogelijkheid voor de werknemer in zijn bezwaar tegen
opzegging te worden gehoord. Dit enerzijds ter bescherming van de
werknemer die daardoor niet zonder meer kan worden opgezegd, anderzijds ter voorkoming van een extra belasting van
de rechterlijke macht,
die het gevolg zou kunnen zijn van het vervallen van het hiervoor genoemde
toestemmingsvereiste. Daartoe is in het voorgestelde tweede lid, onderdeel
d, bepaald dat de CAO in een regeling moet voorzien op grond waarvan
de arbeidsverhouding van de werknemer niet kan worden opgezegd dan
nadat hij in de gelegenheid is gesteld over zijn bezwaar tegen die
opzegging te worden gehoord door een commissie die is belast met de behandeling van de bezwaren van werknemers tegen de
door de werkgever beoogde
opzegging van de arbeidsverhouding. Verder is voorgesteld dat
ingeval de Wet
melding collectief ontslag van toepassing (Wmco) is, de regeling
erin moet voorzien dat bezwaren van werknemers door de commissie eerst
in behandeling worden genomen nadat de werkgever de
verplichting tot schriftelijke melding, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
Wmco, overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften heeft gedaan. Deze bepaling komt overeen met artikel 6
Wmco en strekt
ertoe werkgevers te
verplichten de voorschriften te volgen die op grond van die
wet bij een
collectief ontslag in acht genomen moeten worden. In voorkomende gevallen kan de
bezwaarcommissie bij twijfel of de werkgever zijn verplichtingen in
het kader van de Wmco heeft voldaan dienaangaande navraag doen bij de CWI.
Voorts zijn in onderdeel
d van het tweede lid van artikel 6
BBA nadere eisen gesteld aan de werknemersverenigingen die de hier bedoelde
CAO-afspraken over
selectiecriteria bij bedrijfseconomisch ontslag willen maken. Van een dergelijke
vereniging moeten allereerst in de onderneming of bedrijfstak werkzame
personen lid zijn.
Daarmee samenhangt dat
zij op grond van haar statuten ten doel moet hebben de belangen van
haar leden als werknemers te behartigen en ook dat [en ook dat zij, red.]
als zodanig in de
betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam moet zijn. Tot slot geldt
als eis dat de betreffende werknemersvereniging ten minste twee jaar in het
bezit moet zijn van volledige rechtsbevoegdheid.
rblz.|68|
Het
nieuwe derde lid van artikel 6 BBA
bepaalt vervolgens dat voor een
vereniging die krachtens
haar statuten kan worden geacht een voortzetting te zijn van één of meer
andere verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, de duur
van de volledige rechtsbevoegdheid van die vereniging of verenigingen voor de vaststelling van die periode
van twee jaar mede in
aanmerking wordt genomen. Het stellen van dergelijke eisen aan
werknemersverenigingen is overigens niet nieuw. Vergelijkbare eisen komen voor in
bijvoorbeeld de WOR [Wet
op de ondernemingsraden, red.] en in de Wmco.
In
artikel 9, eerste lid, BBA
is het aantal situaties waarin sprake is van vernietigbaarheid van de
opzegging van de arbeidsverhouding uitgebreid en in overeenstemming
gebracht met de voorgestelde wijziging van
artikel 6, tweede lid.
Hoewel in de voorgestelde wijziging van artikel
6, tweede lid, BBA alleen sprake is van het in
CAO-verband afspreken
van selectiecriteria voor
de ontslagkeuze en de mogelijkheid om bezwaar te kunnen maken door de
betrokken werknemer, geeft de voorgestelde wijziging van artikel
9,
eerste lid, BBA een nadere invulling van de te maken afspraken op dit
punt. Eén en ander veronderstelt allereerst dat de werkgever zijn voornemen
tot opzegging aan de werknemer kenbaar maakt. Er moet een
mogelijkheid zijn om bezwaar te kunnen maken, wat impliceert dat daarvoor
een bepaalde termijn zal moeten gelden. Is de werknemer niet in de
gelegenheid gesteld bezwaar te maken, dan is de opzegging op grond van de
voorgestelde wijziging van artikel 9, eerste lid,
BBA vernietigbaar.
Vervolgens zal de bezwaarcommissie binnen een bepaalde termijn moeten
reageren op het bezwaar van de werknemer, dus een advies daarover
moeten uitbrengen. Dit zal schriftelijk aan de werknemer en de werkgever kenbaar
moeten worden gemaakt. Als wordt opgezegd zonder dat het
advies van de bezwaarcommissie schriftelijk kenbaar is gemaakt, is [is
de opzegging, red.] op
grond van de voorgestelde wijziging van artikel
9, eerste lid, BBA vernietigbaar. Het spreekt voor zich dat het advies van de commissie op het
bezwaar van de werknemer gemotiveerd moet zijn.
In de CAO-afspraken kan
worden aangegeven wat de status van het advies van de
bezwaarcommissie is, dus of er bijvoorbeeld sprake is van een bindend advies. Als
het advies bindend is en de werkgever in weerwil van het (negatieve)
advies de arbeidsovereenkomst met de betrokken werknemer toch opzegt,
dan is die opzegging op grond van de voorgestelde wijziging van artikel
9,
eerste lid, BBA eveneens vernietigbaar. Als het advies niet
bindend is en de werkgever daarvan in negatieve zin afwijkt, zal hij aan
de
werknemer moeten aangeven op grond waarvan hij van dat advies afwijkt.
In geval van een dergelijke afwijking kan de werknemer een beroep doen op het in
artikel 7:681 BW
neergelegde kennelijk onredelijk ontslag.
Voor de goede orde wordt
hierbij nog opgemerkt dat als in de betreffende CAO wel selectiecriteria
zijn afgesproken maar niet is voorzien in een regeling die voldoet aan
de in
artikel 6, eerste lid, onderdeel d, gestelde eisen, dan kan de
werknemer, als hij wordt opgezegd, eveneens een beroep doen op het vernietigbaar zijn van deze opzegging, namelijk
wegens het ontbreken van
toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen om de
arbeidsverhouding op te mogen zeggen. In dat geval voldoet de CAO immers
niet aan de gestelde eisen en is het toestemmingsvereiste,
bedoeld in artikel 6 BBA, gewoon van toepassing.
Artikel
XI. Wijziging van
het BW [vervallen,
red.]
In artikel 7:670,
eerste lid, BW is het opzegverbod bij ongeschiktheid van de werknemer tot het
verrichten van de bedongen arbeid wegens ziekte geregeld. Op dit verbod
zijn twee uitzonderingen gemaakt.
rblz.|69|
De
eerste heeft
betrekking op de duur van de ziekte, namelijk twee jaar (of zoveel langer als de
verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte geldt). De tweede uitzondering heeft
betrekking op ziekte die is ontstaan nadat de CWI
een verzoek om
toestemming om de arbeidsverhouding te mogen opzeggen, heeft ontvangen.
De in onderdeel A voorgestelde wijziging ligt in het verlengde hiervan
en sluit aan bij de ontslagaanzegging die plaats heeft gevonden op basis
van de selectiecriteria die in CAO-verband zijn afgesproken (waardoor het
toestemmingsvereiste van de CWI niet meer is vereist).
Verder wordt in onderdeel
B voorgesteld artikel 7:681, tweede lid, onderdeel d, BW
te herzien in verband
met de mogelijkheid om ontslagcriteria bij CAO overeen te komen.
Artikel
XII. Wijziging
van de Wet melding collectief ontslag [vervallen,
red.]
In artikel 2, eerste lid,
Wmco is
aangegeven dat
de wet
niet van toepassing is als voor het doen
eindigen van de dienstbetrekking geen toestemming van het bevoegd gezag is
vereist. Door de mogelijkheid tot afwijking bij CAO waarbij er geen
toestemming meer nodig is van de CWI (het bevoegd gezag) heeft deze formulering tot
gevolg dat geen melding meer
hoeft te worden gedaan
als de werkgever het voornemen heeft om op grond van
bedrijfseconomische redenen tot collectief ontslag over te gaan (met inachtneming
van de
bij CAO overeengekomen criteria). Dat zou strijdig zijn met
Richtlijn 98/59/EG inzake collectief ontslag. Aanpassing van artikel 2, eerste
lid, Wmco
is om die reden noodzakelijk. Daarbij wordt thans aangegeven - in tegenstelling tot de huidige formulering waarin wordt aangegeven
wanneer de wet niet van toepassing is -
wanneer de wet wel van toepassing
is, namelijk bij het door de werkgever doen eindigen van een
arbeidsovereenkomst om redenen van bedrijfseconomische aard. Deze formulering is
een aanzienlijke vereenvoudiging die aangeeft wanneer de Wmco
van toepassing is, namelijk daar waar ontslag op grond van
bedrijfseconomische motieven aan de orde is. Het doen eindigen van de arbeidsovereenkomst heeft niet alleen betrekking
op de opzegging ervan,
maar behelst ook de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel
7:685 BW
die is ingegeven door bedrijfseconomische motieven. Op grond
daarvan kan het tweede lid van artikel 3 komen te vervallen.
Het tweede lid, onderdeel
a, en het derde lid van het voorgestelde artikel 2 Wmco
komen overeen met
het tweede lid van het thans geldende artikel 2. Het voorgestelde
tweede lid, onderdeel b, geeft aan dat het eindigen van de
arbeidsovereenkomst tengevolge van faillissement van de werkgever of tengevolge van
het
toepassen van een schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (in
beginsel) buiten het toepassingsgebied van de Wmco
valt, zoals thans
ook het geval. Het voorgestelde tweede lid, onderdeel c, is
noodzakelijk om te vermijden dat bijvoorbeeld de onderwijssector onder het
regime van de Wmco zou vallen, wat nu ook niet het geval is. Het
vierde lid is gelijkluidend aan het huidige derde lid.
In de artikelen 3, 4, 6
en 7 Wmco
wordt voorgesteld om de term "dienstbetrekking" steeds te vervangen
door de term "arbeidsovereenkomst". Daar in de in artikel 1 Wmco
gegeven definitie van de begrippen werkgever en werknemer uitsluitend
wordt verwezen naar de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel
7:610 BW,
wordt (thans) in de overige artikelen van de
wet derhalve ten
onrechte de term "dienstbetrekking" gebezigd.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|