|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 493
Wijziging
van de Wet werk en bijstand, van de Wet
studiefinanciering 2000, van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en van de Vreemdelingenwet
2000 in verband met de totstandkoming van Richtlijn 2004/38/EG
betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied
van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden,
alsmede goedkeuring van een daarmee samenhangend voorbehoud bij het
Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Op 29 april 2004 is tot stand gekomen Richtlijn 2004/38/EG ¹ betreffende
het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de
lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de richtlijn). Deze richtlijn strekt tot vervanging en integratie van een
reeks van eerdere richtlijnen, die in de loop der jaren successievelijk
tot stand waren gekomen, en waarin de
verblijfsrechten waren geregeld voor verschillende categorieën van
Unieburgers die binnen het gebied van de Europese Unie van hun migratierechten gebruik wensten te maken. Dit wetsontwerp
strekt ertoe enkele
onderdelen van de Wet werk en bijstand (Wwb), van de
Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000), van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en van de Vreemdelingenwet
2000
(Vw
2000) af te stemmen op deze richtlijn. Kort samengevat houden de
diverse onderdelen van het wetsontwerp het volgende in:
a. uitsluiting van het
recht op bijstand van EU-burgers die korter dan
drie maanden in het land
verblijven, als werkzoekende in het land verblijven of als
student in het land verblijven (artikel I);
b. beperking van het
recht op volledige studiefinanciering voor
EU-burgers, waarbij ook
rekening is gehouden met het recente arrest van het Hof van Justitie
(EG) van 15 maart 2005 (C-209/03, Bidar) (artikelen II en
III);
c. aanpassing van de
regeling van de documentplicht met betrekking tot EU-burgers (artikel
IV);
d. goedkeuring van een
voorbehoud met betrekking tot de toepasselijkheid van de Wet werk en
bijstand op grond van artikel 16, onderdeel b, van het Europees
verdrag
inzake sociale en medische bijstand, waardoor zeker wordt gesteld dat
de verplichtingen uit hoofde van dat verdrag op één lijn liggen met
die welke gelden krachtens het EG-verdrag (artikel
V).
1. Richtlijn nr.
2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van
29 april 2004 betreffende het recht van vrij
verkeer en verblijf op het grondgebied van de
lidstaten voor de burgers van de Unie en
hun familieleden, tot wijziging van Verordening
(EEG) 1612/68 en tot intrekking van
Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG,
73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG,
90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158).
rblz.|2|
Artikel I
(wijziging van
de Wet werk en bijstand)
De
richtlijn is mede
bepalend voor de mate waarin Unieburgers hier te lande aan de Wwb
bijstandsrechten kunnen ontlenen. Niet alleen is door de inwerkingtreding van
de zgn. Koppelingswet ¹ in 1999 het recht op bijstand voor hier te
lande verblijvende personen van niet-Nederlandse nationaliteit er rechtstreeks van afhankelijk gemaakt of deze personen
rechtmatig in het land
verblijven, doch de richtlijn bevat in artikel 24 ook bepalingen over de
bijstandsverlening als zodanig.
De totstandkoming van
deze richtlijn heeft aanleiding gegeven de regeling van bijstandsrechten,
zoals neergelegd in artikel 11 van de Wwb
en de daarop gebaseerde
bepalingen, nader te bezien. Een extra aanleiding hiertoe vormt de
toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU, waardoor landen met een zeer uiteenlopend niveau van sociale zekerheid deel
uitmaken van de Unie.
1. Wet van 26 maart 1998
tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige
andere wetten teneinde de aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op
verstrekkingen, voorzieningen en
uitkeringen te koppelen aan het recht verblijf van
vreemdelingen in Nederland (Stb. 1998,
203).
Uitgangspunt van de
regeling van bijstandsrechten in Nederland dient te zijn dat rechtmatig in
Nederland woonachtige Unieburgers op het punt van de bijstand gelijk
dienen te worden behandeld als de inwoners met de Nederlandse nationaliteit.¹ Anderzijds dient het risico te worden voorkomen dat door migratie naar
Nederland - in het bijzonder van personen die niet tot de actieve
beroepsbevolking behoren - het Nederlandse bijstandsstelsel
onredelijk wordt belast. Bij de opstelling van de richtlijn is met deze belangen
rekening gehouden.
De richtlijn onderscheidt verblijf korter dan
drie maanden, verblijf langer dan drie maanden doch
korter dan vijf jaar en verblijf langer dan vijf jaar. Verblijf korter dan drie
maanden wordt - behoudens bezwaren uit hoofde van openbare orde,
openbare veiligheid of volksgezondheid - zonder meer toegestaan, zonder
andere voorwaarde dan dat de betrokkenen over een geldig
identiteitsdocument dienen te beschikken (artikel 6). Ter voorkoming van een als onredelijk
beschouwde belasting van de bijstandsstelsels zijn de lidstaten op
grond van artikel 24, tweede lid, van de richtlijn evenwel niet verplicht
gesteld om betrokkenen een recht op bijstand toe te kennen gedurende
deze eerste drie maanden van verblijf.
In geval van verblijf
langer dan drie maanden doch korter dan vijf jaar onderscheidt de richtlijn
(artikel 7) een aantal categorieën: a. economisch actieven (werknemers of
zelfstandigen), b. niet-actieven en c. studerenden. Ten aanzien van de
categorieën b en c geldt als voorwaarde voor het verblijfsrecht dat betrokkene over voldoende eigen bestaansmiddelen
zal moeten kunnen
beschikken om een verblijfsrecht te verkrijgen of te behouden. Het
verblijfsrecht eindigt wanneer niet langer aan deze voorwaarde wordt voldaan (artikel
14, tweede lid). Aan een beroep op bijstand kan evenwel niet
automatisch als gevolg verbonden worden dat het verblijfsrecht wordt
beëindigd en betrokkenen het land moeten verlaten (artikel 14,
derde lid, van de richtlijn). Aan de verblijfsbeëindiging op die grond dient een
expliciete beslissing vooraf te gaan waarbij rekening dient te worden gehouden
met de omstandigheden van het geval en waarbij, overeenkomstig
de Hofjurisprudentie, het proportionaliteitsbeginsel in acht dient te worden
genomen. Zolang er geen beslissing is genomen tot beëindiging
van het verblijfsrecht, bestaat recht op bijstand op dezelfde voorwaarden
als voor Nederlanders gelden (artikel 24 van de richtlijn), behalve
indien het steun voor levensonderhoud betreft voor een studerende die niet tot
de beroepsbevolking behoort.
Ingeval een Unieburger
langer dan vijf jaar rechtmatig in het land heeft verbleven, heeft hij in
principe een onvoorwaardelijk verblijfsrecht, dat ook niet kan worden
beëindigd in verband met een beroep op bijstand (artikel 16 van de richtlijn). Er bestaat dan zo nodig aanspraak op bijstand op dezelfde voorwaarden
als voor Nederlanders gelden (artikel 24).
De richtlijn kent ook verblijfs- en daarvan afgeleide rechten toe aan de partner en financieel
afhankelijke familieleden van een Unieburger die zelf rblz.|3|
geen Unieburger zijn; in
het algemeen is hun verblijfsrecht van dat van de Unieburger afhankelijk.
Na overlijden van de Unieburger of na echtscheiding komt aan deze
familieleden in bepaalde gevallen een zelfstandig verblijfsrecht toe, onder
voorwaarde dat zij over voldoende eigen bestaansmiddelen beschikken (artikelen 12 en 13 van de
richtlijn). Na vijf jaren rechtmatig in het
land woonachtig te zijn geweest, verwerven ook deze familieleden een
onvoorwaardelijk duurzaam verblijfsrecht (artikel 16 van de richtlijn) en
recht op bijstand op gelijke voet als Nederlanders (artikel 24 van de richtlijn).
1. Voor de materie die nu
aan de orde is, dienen met Unieburgers
gelijk te worden gesteld onderdanen van alle staten die tot de EER
[Europese Economische Ruimte, red.] behoren, alsmede
onderdanen van Zwitserland. In deze
memorie wordt kortheidshalve slechts over Unieburgers
gesproken.
Het wordt wenselijk
geacht de regeling van bijstandsrechten, zoals die in Nederland is neergelegd
in de Wwb, nauw aan te laten sluiten bij deze communautaire regeling.
Een beroep op bijstand van de in artikel 24, tweede lid, van de richtlijn
bedoelde gevallen wordt per definitie beschouwd als een onredelijke belasting van het Nederlandse bijstandsstelsel.
In verband hiermee
voorziet artikel I van het wetsontwerp in een wijziging van
artikel 11,
tweede lid, van de Wwb. Dit artikellid houdt thans in dat alle Unieburgers
aanspraken aan de Wwb kunnen ontlenen indien zij rechtmatig in Nederland verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdeel e, van de
Vw 2000, i.e.
indien zij krachtens een regeling vastgesteld krachtens het EG-verdrag
verblijfsgerechtigd zijn. Aangezien de richtlijn, mede gelet op de Hofjurisprudentie op basis van artikel 18 van het
EG-verdrag, het
rechtmatig verblijf van Unieburgers vooropstelt, heeft deze verwijzing naar de
Vw
2000 onvoldoende onderscheidend vermogen. Een wijziging wordt
wenselijk geacht, waardoor de groep van bijstandsgerechtigde personen nauwkeuriger
wordt omlijnd.
De wijziging houdt in
dat krachtens artikel 11 van de Wwb
geen recht op bijstand bestaat in die
gevallen waarin artikel 24, tweede lid, van de richtlijn de mogelijkheid biedt om
betrokkenen bijstand te onthouden. Het betreft hier Unieburgers
en hun familieleden die korter dan drie maanden in het land verblijven,
alsmede Unieburgers die als werkzoekende zich naar Nederland hebben begeven,
die na drie maanden nog geen werk hebben gevonden, doch aan wie
langer verblijf als werkzoekende wordt toegestaan om reden dat zij een
reële kans maken alsnog te worden aangesteld. Tevens betreft het studerenden die niet tot de beroepsbevolking behoren.
Voor deze studerenden
bestaat echter ook uit anderen hoofde al geen recht op bijstand,
aangezien ter zake de WSF
2000 als voorliggende voorziening geldt, als bedoeld in
artikel 15 van de Wwb. Op de positie van de studerenden wordt hierna
nog nader ingegaan, in de toelichting op de artikelen II en
III.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt ook een wijziging in artikel 11, eerste lid, van de
Wwb aan te brengen, waardoor verduidelijkt wordt dat slechts personen die in
Nederland woonachtig zijn (te onderscheiden van personen die zich slechts
voor een tijdelijk doel in Nederland ophouden) bijstandgerechtigd zijn.
Weliswaar vloeit zulks indirect reeds voort uit artikel
40, eerste lid,
van de Wwb, doch het lijkt aangewezen dit ook expliciet tot uitdrukking te
brengen in het artikel dat de personele werkingssfeer van de Wwb regelt. Het in
artikel 11 opgenomen begrip "woonachtig" heeft dezelfde strekking als het begrip
"woonplaats", zoals dat
voorkomt in artikel 40 Wwb
en de artikelen 10 en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, en
het begrip "ingezetene" zoals dat voorkomt in de Nederlandse volksverzekeringen. Of een persoon in Nederland woonachtig
is, en dientengevolge
onder de werkingssfeer van de Wwb valt, dient te worden
beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van het geval, met name
waar iemand werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt, kortom de
plaats waar iemand niet
vandaan gaat dan met een bepaald doel om, als het doel is bereikt, naartoe terug te keren. In het algemeen kan
ervan worden uitgegaan dat een
persoon aan wie slechts tijdelijk verblijf in Nederland is toegestaan
met het oog op een naar zijn aard tijdelijk doel
rblz.|4|
(bijvoorbeeld studie, stage,
medische behandeling, tijdelijk verblijf als au pair) nog steeds zijn woonplaats
heeft in zijn land van herkomst, zodat geen bijstandsrechten bestaan
op grond van de Wwb.
Als deze wijziging van de
Wwb tot wet wordt verheven en in werking treedt, zal de positie
van EU-onderdanen wat betreft het uit de Wwb voortvloeiende recht op
bijstand als volgt zijn:
a. Gedurende de eerste drie maanden van verblijf bestaat geen recht op bijstand.
b. Unieburgers die als
werkzoekende zich naar Nederland begeven, hebben geen recht op
bijstand zolang zij geen werk hebben gevonden, ook niet wanneer zij
langer dan drie maanden in Nederland hebben verbleven.
c. Unieburgers, anders
dan die bedoeld onder b, die langer dan drie maanden doch korter dan
vijf jaar in Nederland verblijven en in Nederland woonachtig zijn, hebben
recht op bijstand op gelijke voet als in Nederland woonachtige
Nederlanders, doch een beroep op bijstand kan tot gevolg hebben dat
hun verblijfsrecht wordt beëindigd. Of dat zal geschieden, wordt
bepaald door het op grond de Vw
2000 vastgestelde uitvoeringsbeleid, dat
inhoudt (zie onderdeel B10/4.3.2 van de Vreemdelingencirculaire
2000) dat bij een beroep op bijstand door een Unieburger per geval
bezien moet worden of beëindiging van het verblijfsrecht een
evenredig middel is. Uitgangspunt daarbij is dat hoe langer de Unieburger in
Nederland verblijft alvorens een beroep te doen op publieke
middelen, des te minder snel aangenomen wordt dat beëindiging van het
verblijfsrecht een evenredig middel is. Naast de duur van het verblijf
worden bij de afweging betrokken de duur, frequentie en omvang van
het beroep op bijstand, de reden waarom betrokkene tijdelijk dan
wel permanent niet in staat is in zijn levensonderhoud te voorzien, de banden
die betrokkene nog heeft met zijn land van herkomst en zijn gezins- en medische situatie. Voor zover het
personen betreft die in
Nederland verblijven na als werknemer hier te lande arbeid te hebben
verricht, geldt hierbij de bijzondere regeling van artikel 7, derde lid,
van de richtlijn, die onder meer inhoudt dat beëindiging van het verblijfsrecht om
reden dat de betrokkene een beroep doet op bijstand niet
mogelijk is indien sprake is van onvrijwillige werkloosheid en de
betrokkenen ten minste één jaar in Nederland heeft gewerkt; deze regeling
zal nog in het Vreemdelingenbesluit
2000 worden verwerkt.
d. Unieburgers die langer
dan vijf jaren ¹ rechtmatig in Nederland hebben verbleven, hebben recht op bijstand op gelijke voet als Nederlanders.
Een beroep op bijstand
kan geen gevolgen meer hebben voor het verblijfsrecht.
1. In enkele specifieke
situaties, zo als geregeld in artikel 17 van Richtlijn
2004/38/EG, geldt een kortere termijn dan vijf
jaren.
Teneinde een volledig
beeld te geven over de voor Unieburgers voorgestane regeling van bijstandsrechten wordt nog het volgende opgemerkt.
In het onder meer op artikel 11
van de Wwb gebaseerde Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik zijn enkele aanvullingen opgenomen op de groep van
niet-Nederlanders die hier te lande bijstandsaanspraken
kunnen doen gelden. In dit besluit wordt onder andere bijstandsgerechtigd
verklaard de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland te hebben verbleven, een
bezwaar- of beroepsprocedure heeft lopen tegen de weigering van
voortgezet verblijf. Het voornemen bestaat om, in aansluiting op de in
artikel I opgenomen wetswijziging, een wijziging in genoemd besluit aan te
brengen, in ieder geval ertoe strekkende dat de gelijkstelling niet geldt
indien het bezwaar of het beroep betrekking heeft op voortgezet verblijf,
in aansluiting op het verblijf gedurende drie maanden die Unieburgers op grond
van artikel 6 van de richtlijn algemeen toekomt. Dit, om te voorkomen dat
Unieburgers - in het bijzonder niet-actieven en werkzoekenden - enkel door het
verstrijken van de driemaandstermijn automatisch rblz.|5|
bijstandsrechten
zouden verwerven. Tevens zal, met het oog op de kenbaarheid, in genoemd
besluit middels een verwijzing naar artikel 7, tweede lid, van
Verordening (EG) 1612/68 ¹ tot uitdrukking worden gebracht dat tot de actieve
beroepsbevolking behorende Unieburgers in alle gevallen zo nodig recht hebben op aanvullende bijstand op gelijke voet
als Nederlanders, ook
gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf hier te lande.
1. Verordening (EEG) nr.
1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968
betreffende het vrije verkeer van werknemers
binnen de Gemeenschap, PbEG (1968) L 257.
Artikelen II en
III
(wijziging van de WSF 2000 en van de WTOS)
1. Inleiding
De totstandkoming van de
richtlijn, bezien in samenhang met de recente jurisprudentie van het
Hof van Justitie (EG), geeft aanleiding om de Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) te wijzigen. De wijzigingen dienen primair ter
implementatie van Richtlijn 2004/38/EG,¹ maar zien ook op het opnemen van de
beleidsregel "Vergoeding van les- en collegegelden aan studerenden uit de
Europese Unie (EU) in Nederland" in de WSF 2000 en de WTOS en op het laten vervallen van
de woonplaatsvereiste
voor studerenden die
ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander
gelijk worden gesteld. Hieronder volgt eerst een korte samenvatting van de
huidige situatie, daarna volgt een toelichting op de wijziging ten
opzichte van de huidige situatie.
1. PbEU L
158 van 30 april 2004.
2. Huidige situatie
2.1. Nationaliteit
Op
studiefinanciering of
een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten kan aanspraak bestaan, indien de studerende of de
aanvrager:
- de Nederlandse
nationaliteit bezit;
- niet de Nederlandse
nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en op grond van een
internationale regeling met een Nederlander gelijk is gesteld;
- niet de Nederlandse
nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen.
Bij de tweede categorie
gaat het om onder andere EU/EER-onderdanen die hier verblijven als (ex-)werknemer,
(ex-)zelfstandige of een familielid
daarvan. De derde
categorie betreft de in artikel 3 van het Besluit
studiefinanciering 2000 aangewezen
vreemdeling die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houdt op grond
van een in deze algemene maatregel van bestuur aangegeven
verblijfsvergunning, of die in afwachting is van de beslissing op aanvraag tot het
verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, of de vreemdeling die al
eerder tegemoetkoming (ingevolge de WTOS) heeft ontvangen.
Bovenstaande is geregeld
in artikel 2.2 van de WSF
2000 en in artikel 2.2 van de WTOS. In beide
artikelen is tevens bepaald dat de niet-Nederlander in Nederland moet wonen
om aanspraak te kunnen maken op studiefinanciering
of tegemoetkoming, tenzij
deze voorwaarde niet kan worden opgelegd: de woonplaatseis geldt niet indien ingevolge een verdrag of
een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie die woonplaatseis niet mag worden gesteld.
rblz.|6|
2.2. Aanspraken van EU/EER-onderdanen
Een
EU/EER-onderdaan die óf (ex-)werknemer óf (ex-)zelfstandige óf een familielid van een
(ex-)werknemer óf (ex-)zelfstandige is, wordt op het terrein van de studiefinanciering
en de tegemoetkoming
gelijkgesteld aan een Nederlander en heeft
dus dezelfde aanspraken als een Nederlander. Een EU/EER-onderdaan die geen
(ex-)werknemer of (ex-)zelfstandige of een
familielid van een (ex-)werknemer of (ex-)zelfstandige is, maakt slechts aanspraak op de
zogenoemde Raulin-vergoeding. Dit betreft een tegemoetkoming in de kosten van de
toegang tot het onderwijs, geen tegemoetkoming in de kosten voor
levensonderhoud. Iedere Europese studerende heeft namelijk in
beginsel een recht op een gelijke toegang tot het hoger onderwijs, zonder
discriminatie naar nationaliteit. De Raulin-vergoeding wordt uitgekeerd op basis
van de beleidsregel "Vergoeding van les- en collegegelden
aan studerenden uit de Europese Unie (EU) in Nederland" (16 juli
2002, AGOCenW/MT/02053, Uitleg mededelingen IB-Groep 2002, 18).
In de memorie van
toelichting bij de Wet tot wijziging van de Wet
studiefinanciering 2000 en van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in verband
met aanpassing aan het Europese recht ¹ is uitgebreid aandacht besteed aan de
reikwijdte van het nationaliteitsartikel.
1. Kamerstukken II 2002-2003,
28 865, nr. 3.
3. Ontwikkelingen in het
Europese recht
Het Hof heeft in het
arrest-Bidar ¹ bepaald dat steun ter dekking van kosten van levensonderhoud voor
de toepassing van het in artikel 12, eerste alinea, EG, neergelegde
verbod van discriminatie naar nationaliteit ook binnen de werkingssfeer
van het verdrag valt en dat studerenden, die anders dan op grond van Richtlijn
93/96/EEG ² legaal verblijf hebben in een
andere lidstaat, een
beroep kunnen doen op artikel 12 EG. Echter, lidstaten mogen ervoor zorgen dat
de toekenning van deze steun aan studenten uit andere lidstaten geen
onredelijke last wordt die het totale bedrag van de door deze staat
toekenbare steun zou kunnen beïnvloeden. Deze overweging sluit aan bij artikel 24,
tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG (deze richtlijn vervangt onder
andere de Richtlijnen 93/96/EEG en 90/364/EEG).³ Op grond van artikel 24,
tweede lid, van deze richtlijn is een lidstaat niet verplicht vóór de
verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te
kennen aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun
familieleden. De
richtlijn geeft personen die onder het huidige systeem aanspraak kunnen maken op
een Raulin-vergoeding derhalve na een voorafgaand verblijf van
vijf jaren (dan wordt duurzaam verblijfsrecht verworven) aanspraak op
gelijkstelling met een Nederlander.
1. Bidar, HvJEG, 15 maart
2005, C-209/03.
2. PbEG L
317 van 18 december 1993.
3. PbEG L
180 van 13 juli 1990.
4. Wijziging WSF 2000 en
WTOS
4.1. Gehele of
gedeeltelijk gelijkstelling
Het Nederlandse beleid is
erop gericht de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning in de
kosten van levensonderhoud van uitgaande studerenden te leggen bij het
thuisland van deze studerenden. In de WSF
2000 en de WTOS
wordt dan ook
een grondslag gecreëerd om gebruik te maken van de mogelijkheid
die de richtlijn biedt om andere personen dan (ex-)werknemers of (ex-)zelfstandigen of familieleden daarvan pas na een voorafgaand verblijf van
vijf jaren gelijk te stellen met Nederlanders voor zowel de
tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs als de tegemoetkoming in
de kosten van levensonderhoud.
Studerenden die behoren
tot de kring van economisch actieven ((ex-)migrerende werknemers, (ex-)zelfstandigen en hun familieleden) blijven
in rblz.|7|
aanmerking komen voor de
gehele studiefinanciering op grond van de WSF 2000 en
tegemoetkomingen op grond van de WTOS. Studerenden uit andere lidstaten die niet
behoren tot de kring van economisch actieven krijgen geen aanspraak op
studiefinanciering en tegemoetkoming op grond van de WTOS voor zover deze betrekking hebben op de kosten van
levensonderhoud, totdat
zij het duurzaam verblijfsrecht verwerven. Deze studerenden blijven wel
in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van de
toegang tot het onderwijs. Deze vergoeding voorziet in een gelijke
tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs die aan Nederlandse
studerenden wordt toegekend. Eerder vond toekenning plaats op
grond van een beleidsregel, met deze wijziging wordt de vergoeding onder
de wet gebracht.
De wet maakt in het
nieuwe systeem een onderscheid tussen Nederlanders, personen die geheel
gelijk worden gesteld aan Nederlanders en personen die slechts
gelijk worden gesteld aan Nederlanders voor zover het betreft de
tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs. Wat betreft de laatste
categorie is gekozen voor het bij algemene maatregel van bestuur
aanwijzen van groepen van personen. Dit om de WSF
2000 en de WTOS
niet
bij ieder Europees arrest met gevolgen voor de gelijkstelling van (groepen van) personen te hoeven aanpassen. Bij
algemene maatregel van
bestuur zal in eerste instantie de groep worden aangewezen die wordt
bedoeld in de richtlijn, te weten: burgers van de Unie anders dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status
hebben behouden, en hun
familieleden, die nog niet in het bezit zijn van het duurzaam
verblijfsrecht. In die algemene maatregel van bestuur zal ook worden bepaald wat de
hoogte is van de tegemoetkoming (door middel van een normbedrag
of een berekening) en in welke vorm de tegemoetkoming wordt
verstrekt (gift, voorwaardelijke lening of lening).
4.2. Aanspraken
EU-studerende na verwerving duurzaam verblijfsrecht
Met de implementatie van
de richtlijn wordt de aanspraak op studiefinanciering
van niet-economisch
actieve EU-studerenden ¹ genormaliseerd. Zij hebben thans in
beginsel een gelijke aanspraak op studiefinanciering als studerenden met de
Nederlandse nationaliteit. Echter, zolang zij niet
beschikken over het duurzaam verblijfsrecht, ontvangen zij geen studiefinanciering
voor levensonderhoud. Zoals aangegeven, ontvangen zij wel een
tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
De totale periode dat een
studerende studiefinanciering kan genieten, volgt uit hetgeen ter zake
bepaald is in de WSF
2000. De periode waarin de niet-economisch actieve
EU-studerende aanspraak maakt op de tegemoetkoming in de kosten van de
toegang tot het onderwijs, geniet hij studiefinanciering. Als een EU-studerende op
enig moment het duurzaam verblijfsrecht verwerft,
dient dus gekeken te worden hoe lang hij de tegemoetkoming en daarmee
studiefinanciering heeft genoten om te bepalen hoe lang zijn aanspraak
op volledige studiefinanciering (dus inclusief de studiefinanciering voor
levensonderhoud) nog duurt. De periode dat hij beperkte
studiefinanciering heeft genoten, wordt dus in mindering gebracht op de resterende
duur van zijn aanspraak op volledige studiefinanciering. Voor de duidelijkheid
wordt opgemerkt dat die vermindering aan het begin plaatsvindt: op het moment van instromen in de volledige studiefinanciering heeft
de EU-studerende daarmee een resterende duur die gelijk is aan de
resterende duur die een Nederlandse studerende nog heeft die een gelijke
periode studiefinanciering heeft genoten. Het moment van instromen in
de volledige studiefinanciering is eveneens bepalend voor de vorm
(gift, prestatiebeurs of lening) waarin de EU-studerende de
volledige studiefinanciering ontvangt. Het voorgaande rblz.|8|
volgt uit de bestaande
bepalingen van de WSF 2000 en vergt dus geen afzonderlijke regeling.
1. De richtlijn is ook van
toepassing op de niet-EU-landen die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte (EER) en
Zwitserland. Waar in deze nota kortweg de term
EU-studerende wordt gebruikt, wordt dus ook
gedoeld op de student met de
nationaliteit van IJsland, Noorwegen, Liechtenstein
of Zwitserland.
4.3. Woonplaatseis
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om de woonplaatseis voor personen die niet de
Nederlandse nationaliteit bezitten, maar wel ingevolge een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering
met een Nederlander gelijk worden gesteld, te laten
vervallen. Er werd in de WSF
2000 en de WTOS
al een uitzondering gemaakt voor
personen aan wie deze eis niet mocht worden gesteld (artikel 2.2,
tweede lid, WSF
2000 en artikel 2.2, tweede lid, WTOS). Gebleken is dat deze eis
in de praktijk niet meer gesteld kan worden.
5. Artikelsgewijs,
artikel II, onderdeel A
Gelijkstelling vond al
plaats op grond van het oorspronkelijke artikel 2.2. De formulering van het
artikel bood echter geen ruimte voor een gedeeltelijke gelijkstelling (alleen
tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs). Het
artikel is nu aangepast zodat bij algemene maatregel van bestuur groepen
van
personen kunnen worden aangewezen die slechts in aanmerking
komen voor een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het
onderwijs (nieuw tweede lid). Dit artikellid geldt onverminderd het bepaalde in onderdeel
b van het eerste lid, het betreft namelijk personen die, net als in
onderdeel b, op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie gelijk moeten worden gesteld, maar waarvoor een
uitzondering kan worden gemaakt wat betreft de gelijkstelling voor de tegemoetkoming in de kosten voor levensonderhoud.
Op grond van het
oorspronkelijke artikel 2.2, onderdeel b, moest een studerende om gelijk te
kunnen worden gesteld aan een Nederlander in Nederland wonen, tenzij
deze voorwaarde niet aan hem kon worden gesteld (oorspronkelijke
tweede lid). De woonplaatseis en de uitzondering hierop uit het tweede lid
zijn komen te vervallen; aangezien het Europese recht momenteel geen
mogelijkheid laat voor het stellen van een woonplaatseis, is deze
constructie overbodig geworden.
6. Artikelsgewijs,
artikel II, onderdeel B
In het derde lid is
bepaald dat de hoogte van de studiefinanciering
wordt vastgesteld op basis van
een budget van een kalendermaand. Een budget voor een kalendermaand
bevat ook een tegemoetkoming in de kosten voor levensonderhoud.
Hierbij wordt een vierde lid toegevoegd waarin is bepaald dat in afwijking
van het derde lid de hoogte van de studiefinanciering ook kan worden
vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs. Daarmee is artikel 3.1 in overeenstemming gebracht met de wijziging
van artikel 2.2 op grond waarvan bij algemene maatregel
van bestuur de studiefinanciering voor bepaalde, aangewezen, groepen van
personen slechts de tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot
het onderwijs kan bedragen.
7. Artikelsgewijs,
artikel III, onderdeel A
Gelijkstelling vond al
plaats op grond van het oorspronkelijke artikel 2.2. De formulering van het
artikel bood echter geen ruimte voor een gedeeltelijke gelijkstelling (alleen
tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs). Het
artikel is nu aangepast zodat bij algemene maatregel van bestuur groepen
van
personen kunnen worden aangewezen die slechts in aanmerking
komen voor een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het
onderwijs. Dit artikellid geldt onverminderd het rblz.|9|
bepaalde in onderdeel b
van het eerste lid, het betreft namelijk personen die, net als in onderdeel
b, op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie gelijk moeten worden gesteld, maar waarvoor een uitzondering
kan worden gemaakt wat betreft de gelijkstelling voor de tegemoetkoming in
de kosten voor levensonderhoud.
Op grond van het
oorspronkelijke artikel 2.2 moest een aanvrager om gelijk te kunnen worden
gesteld aan een Nederlander (voor wat betreft hoofdstuk 4 en 5 van de WTOS) in Nederland wonen, tenzij deze voorwaarde niet aan hem kon worden
gesteld. De woonplaatseis is komen te vervallen aangezien het Europese recht momenteel geen mogelijkheid
laat voor het stellen van
een woonplaatseis.
8. Artikelsgewijs,
artikel III, onderdeel B
In de artikelen 2.6 en
2.10 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) wordt onder meer verwezen naar een instelling
als bedoeld in artikel
1.3.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. De Wet van 29 april 2004 tot
wijziging van de Wet
educatie en beroepsonderwijs in verband met
verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische
aard (technische herziening WEB), Stb. 2004, 216, heeft dat artikel per 1 juli
2004 vervangen, waarbij is nagelaten de WTOS
aan te passen. Dit wordt thans
hersteld. In het oorspronkelijke artikel 1.3.1 werden de volgende
opleidingen onderscheiden:
a. regionale opleidingencentra;
b. regionale
opleidingencentra in een samenwerkingsverband; en
c. agrarische
opleidingscentra.
Dit onderscheid is thans
opgenomen in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. De verwijzingen in de WTOS worden
hiermee in
overeenstemming gebracht.
Artikel IV
(wijziging van
de Vreemdelingenwet 2000)
Onderdeel
A
Door
middel van de voorgestelde wijziging wordt artikel 9 van de Vreemdelingenwet
2000 in overeenstemming gebracht met het geldende
Gemeenschapsrecht, meer in het bijzonder de richtlijn waarin het recht van vrij
verkeer en verblijf van burgers van de Unie eenduidig is neergelegd en versterkt.
Ingevolge de uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juli 2003
in de zaak nummer 200 302 048/1 (gepubliceerd in JV 2003/431) komt een
EU- of EER-onderdaan, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van
17 september 2002 in de zaak met nummer C-413/99 (Baumbast, R. en Secretary of State for the Home
Department, Jurispr. 2002, blz.
I-7091) een recht toe ingevolge artikel 18, eerste lid, van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag) in Nederland te verblijven,
met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden
gesteld. Het uit artikel 18 van het EG-verdrag voortvloeiende
verblijfsrecht wordt direct na inreis aangenomen, zolang en indien het onderzoek
door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie niet heeft
uitgewezen dat niet wordt voldaan aan die voorwaarden en beperkingen. Daarmee
is voor EU- en EER-onderdanen en Zwitsers het onderscheid
tussen rechtmatig verblijf in de zogeheten vrije termijn op grond van
artikel 8, onderdeel i, Vw
2000 en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan
ingevolge artikel 8, onderdeel e, Vw
2000 vervallen. Gemeenschapsonderdanen in
de zin van artikel 1, onderdeel e, onder 1º, 3º en 5º, Vw
2000 ontlenen hun
verblijfsrecht kortom rechtstreeks aan het EG-verdrag. Het
burgerschap van de Unie verleent iedere EU- en EER-onderdaan en Zwitser,
binnen de beperkingen van het EG-verdrag en de maatregelen tot uitvoering daarvan, immers een fundamenteel en
persoonlijk recht van
vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de rblz.|10|
lidstaten. Het verblijf
van Unieburgers kan niet meer afhankelijk worden gesteld van de
verkrijging van een verblijfsdocument. In verband met het vorenstaande is het
verblijfsdocument voor Unieburgers afgeschaft, voor de verblijfsperiode tot
de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht als bedoeld in artikel 16 van
de richtlijn. Het duurzame verblijfsrecht ontstaat als regel na vijf jaren
ononderbroken legaal verblijf in de lidstaat, maar het kan onder omstandigheden
ook eerder ontstaan, op grond van artikel 17 van de richtlijn. Die
omstandigheden, die waren neergelegd in hoofdstuk B10 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zullen in het
Vreemdelingenbesluit
2000 worden opgenomen.
Ten bewijze van het duurzame verblijfsrecht wordt aan Unieburgers
ingevolge artikel 19 van de richtlijn nog wel een verblijfsdocument
afgegeven (de zogenoemde duurzame verblijfskaart).
Het voorgaande geldt,
afgezien van de vrije termijn, bedoeld in artikel 8, onderdeel i,
Vw
2000,
niet voor de familieleden van de Unieburger die niet de nationaliteit van een
EU- of EER-lidstaat dan wel Zwitserland bezitten (gemeenschapsonderdanen
als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, onder 2º, 4º en 6º). Aan bedoelde familieleden wordt op hun daartoe strekkende aanvraag
nog wel een
verblijfsdocument verstrekt voor verblijfsperioden tot de verkrijging van het
duurzame verblijfsrecht, in aansluiting op de vrije termijn. Hangende hun
aanvraag om afgifte van een verblijfskaart wordt op grond van artikel 10
van de richtlijn geen sticker verblijfsaantekeningen verstrekt, maar een
verklaring dat een verblijfskaart is aangevraagd.
De richtlijn kent geen
verderstrekkende rechten toe aan het gezinslid dan artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68, dat ingevolge artikel 38,
eerste lid, van de richtlijn vervalt.
Onderdeel
B
Nederland heeft de toepassing opgeschort van de artikelen
1 tot en met 6 van
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers
binnen de Gemeenschap (PbEG L 257), zoals verwoord in de bijlagen
V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII en XIV waarnaar wordt verwezen in artikel 24
van het Toetredingsverdrag. Dit betekent dat het vrije verkeer van
werknemers nog niet van toepassing is op werknemers uit Estland, Hongarije,
Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.
In verband daarmee wordt
ingevolge hoofdstuk B10/8.1 en 8.4 Vreemdelingencirculaire
2000 ingaande 1 mei 2004 aan onderdanen uit die lidstaten op hun
aanvraag een verblijfsdocument verstrekt waarop, voor zover hier van
belang, wordt aangetekend of het hun al dan niet is toegestaan zich op de
Nederlandse arbeidsmarkt te begeven. Dat geldt ook indien bedoelde
onderdanen aangeven voor een ander doel van het verrichten [dan het
verrichten, red.] van arbeid in
loondienst in Nederland te (willen) verblijven.
In verband daarmee wordt
aan onderdanen van nieuwe lidstaten ten aanzien van welke
lidstaten de artikelen 1 tot en met 6 van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968
betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PbEG L 257)
is opgeschort - in afwijking van Richtlijn 2004/38/EG - op aanvraag
toch nog een verblijfsdocument verstrekt gedurende de periode voorafgaande
aan de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht. Dat heeft tot gevolg dat
de afschaffing van het verblijfsdocument voor die periode wordt uitgesteld tot het moment met ingang waarvan
Nederland bedoelde
opschorting van toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van de Verordening
(EEG) nr. 1612/68 opheft. Het nieuwe artikel 9a stelt dat veilig. Omdat
het een overgangsmaatregel betreft die tot 1 mei 2011 kan worden
voortgezet, terwijl vergelijkbare overgangsmaatregelen worden voorzien met
betrekking tot onderdanen van de kandidaat-lidstaten rblz.|11|
Bulgarije en Roemenië en eventueel andere, is ervoor gekozen
deze uitzondering op het
gewijzigde artikel 9 op te nemen in een afzonderlijk artikel 9a, in plaats
van deze onder te brengen in hoofdstuk 9 van de Vreemdelingenwet
2000.
Onderdeel
C
Artikel 8, tweede lid, en 9, derde lid, van de richtlijn voorzien
in de mogelijkheid
sancties op te leggen aan Unieburgers die de verplichting om zich
binnen een voorgeschreven termijn in Nederland in te schrijven in de
vreemdelingenadministratie niet naleven, alsmede aan familieleden van die
burgers die de verplichting om een verblijfskaart aan te vragen niet naleven,
indien die familieleden zelf geen Unieburger zijn. Door middel van artikel
108, eerste lid, Vw
2000 wordt hieraan automatisch uitvoering gegeven doordat artikel 108, eerste lid,
Vw 2000 handelen in
strijd met verplichtingen opgelegd bij of krachtens artikel 54 van de Vw
2000 strafbaar stelt en
krachtens dat artikel in het Vreemdelingenbesluit
2000 dergelijke verplichtingen zullen worden
opgenomen ter uitvoering
van de artikelen 8 en 9
van de richtlijn. Artikel 8, tweede lid, en 9, derde lid, van de richtlijn
brengen evenwel met zich dat voor wat betreft de sancties op de
niet-naleving van die verplichtingen niet mag worden gediscrimineerd ten
opzichte van Nederlanders. Door middel van de voorgestelde wijziging wordt zodanige
discriminatie voorkomen.
Ingevolge artikel 108,
eerste lid, van de Vw
2000 wordt handelen in strijd met verplichtingen in het
kader van toezicht opgelegd bij of krachtens artikel 54 van de Vw
2000 gestraft met ten hoogste een hechtenis van zes maanden of een geldboete
van de tweede categorie.
Een vergelijkbare, maar
geen identieke, verplichting is in dit geval die tot aangifte van adres en
verblijf in een gemeente als bedoeld in artikel 65 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA). Handelen in strijd
met die verplichting wordt ingevolge artikel 147 Wet
GBA gestraft met ten
hoogste een hechtenis van één maand of een geldboete van de tweede
categorie. Bij voormelde bepalingen van de Wet
GBA is aansluiting
gezocht omdat één van de uitgangspunten van de richtlijn, blijkens het
gemeenschappelijk standpunt van de Raad van de Europese Unie (Motivering
van de Raad van de Europese Unie d.d. 17 november 2003, kenmerk
13 263/1/03 REV 1 ADD 1), is dat burgers van de Unie zich mutatis
mutandis tussen de lidstaten kunnen verplaatsen op dezelfde voorwaarden als
de onderdanen van een lidstaat die in hun eigen land rondreizen of van
verblijfplaats veranderen.
Artikel V
Sinds 1955 is Nederland
partij bij het in het kader van de Raad van Europa tot stand gekomen
Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (hierna: EVSMB). Kernverplichting van dit verdrag is de verplichting de
onderdanen van andere
verdragsluitende partijen die rechtmatig in elkaars land verblijven op het punt van de bijstand gelijk te behandelen
als de eigen onderdanen.
Onder rechtmatig verblijf dient in dit verband te worden verstaan: verblijf
met een verblijfsvergunning of daarmee vergelijkbare vergunning. Zoals ook
door de Nederlandse rechter is vastgesteld, worden derhalve niet alle
vormen van rechtmatig verblijf, als opgesomd in artikel 8 van de Vw
2000, door het EVSMB bestreken (zie HR 1 februari 2002, NJ 2003, 535; de vaste
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is dienovereenkomstig).
Het EVSMB is
tot stand gekomen vóór de instelling van de Europese Economische Gemeenschap.
Ten tijde van de totstandkoming van het EVSMB gold algemeen dat
personen die met enige duurzaamheid verblijf wilden houden in een
ander land dan dat waarvan zij de nationaliteit hadden, over een door dat
land afgegeven verblijfsvergunning of vergelijkbaar document dienden te
beschikken. De bepalingen van het EVSMB rblz.|12|
knoopten hierbij aan en
verschaften de gelijke behandelingsrechten op het gebied van de sociale en medische bijstand uitsluitend aan personen
met een dergelijk
document; hiermee werd ook een afgrenzing gevormd met personen die slechts
korte tijd in het land verbleven gedurende een zgn. "vrije termijn",
of personen aan wie de desbetreffende staat het duurzaam verblijf nog
niet uitdrukkelijk had toegestaan.
Na de instelling van de
Europese Economische Gemeenschap in 1957, en de rechtsontwikkeling die sedertdien heeft plaatsgevonden, is dit anders
komen te liggen.
Geleidelijk aan zijn EG-richtlijnen tot stand gekomen waarin aan diverse
categorieën personen het recht werd toegekend zich vrijelijk binnen de Gemeenschap te
verplaatsen en in een ander EG-land
te verblijven dan waarvan
zij de nationaliteit bezitten. De culminatie vormde de
inwerkingtreding in 1999 van artikel 18 van het EG-verdrag, waarin aan ieder burger
van de Unie het recht werd toegekend op het grondgebied van de andere
lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de
beperkingen en voorwaarden die bij en krachtens het EG-verdrag zijn
vastgesteld.
Weliswaar voorzien de tot
dusver geldende EG-verblijfsrichtlijnen nog in de figuur van de zgn.
"EG-verblijfskaart",
door de ontvangende staat af te geven aan de
gemeenschapsonderdaan die op het grondgebied van die staat wenste te
verblijven en aan de in het gemeenschapsrecht geregelde verblijfsvoorwaarden
voldoen, doch een dergelijke verblijfskaart heeft slechts een declaratoir
karakter en kan niet zonder meer gelijk worden gesteld met een
verblijfsvergunning. Vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie (EG)
is dat de
verblijfsrechten van een gemeenschapsonderdaan die aan de in de EG-verblijfsrichtlijnen gestelde voorwaarden voldoet
rechtstreeks voortvloeien
uit deze richtlijnen en er niet afhankelijk van zijn, of ervan
afhankelijk mogen worden gesteld, of de betrokken persoon bepaalde formaliteiten
heeft doorlopen of over bepaalde vreemdelingenrechtelijke documenten beschikt. Het
staat een gemeenschapsonderdaan vrij om al dan niet een
EG-verblijfskaart aan te vragen; zijn verblijfsrecht is daarvan niet afhankelijk.
In Richtlijn 2004/38/EG, die deze verblijfsrichtlijnen vervangt, is nu zelfs
afgezien van handhaving van de verblijfskaart voor Unieburgers; wel
kunnen zij, indien zij langer dan drie maanden in het land wensen te
verblijven, overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2004/38/EG verplicht
worden zich bij de plaatselijke autoriteiten aan te melden en in te laten
schrijven.
Deze bijzondere
verblijfsrechtelijke positie van Unieburgers kan interpretatievragen
oproepen in het kader van de uitvoering van het EVSMB. Het overgrote deel
van de landen die dit verdrag hebben geratificeerd, wordt thans gevormd door
de lidstaten van de Gemeenschap. Door het ontbreken van een
specifiek verblijfsdocument is niet zonder meer duidelijk in welke
gevallen zij rechten kunnen ontlenen aan het EVSMB. Daar komt bij dat zich in
de jurisprudentie een lijn heeft uitgekristalliseerd, aanhakende bij artikel
18
van het EG-verdrag, dat het verblijfsrecht van een Unieburger dient te
worden verondersteld, zolang niet bij beschikking anders is vastgesteld.
Richtlijn 2004/38/EG
bevat niet alleen een regeling van verblijfsrechten, doch ook specifieke
bepalingen inzake het recht op gelijke behandeling op bijstandsgebied, alsmede
bepalingen welke nader aangeven in hoeverre het beroep doen op
bijstandsuitkeringen aanleiding mag vormen om het recht op verder verblijf
aan de betrokkene te ontzeggen. Verwezen zij naar de artikelen 6, 7, 14 en
24 van deze richtlijn. Hiermee geeft deze richtlijn, afgestemd op de
bijzondere verblijfsrechtelijke positie van de Unieburger, een meer geconcretiseerde
regeling van de materie welke door het EVSMB wordt bestreken;
deze meer geconcretiseerde regeling zou naar het oordeel van het
kabinet bepalend dienen te zijn. De wijziging van de Wwb, als neergelegd in
artikel I van dit wetsontwerp, sluit hierop aan. Het
rblz.|13|
wordt wenselijk geacht
elke twijfel weg te nemen of uit de algemene regeling van het EVSMB
verdergaande rechten zouden kunnen voortvloeien. In verband hiermee wordt
in artikel V van het
wetsontwerp goedkeuring gevraagd om, ter gelegenheid van de notificatie van de
Wwb (inclusief wijziging) aan
de Raad van Europa krachtens artikel 16, onderdeel b, EVSMB, te laten
vastleggen dat Nederland de in het EVSMB vastgelegde verplichtingen tot gelijke behandeling op bijstandsgebied wat betreft de Wet werk en bijstand ten
aanzien van Unieburgers slechts aanvaardt voor zover die
samenvallen met de overeenkomstige verplichtingen welke gelden in
EU-verband.
Opgemerkt wordt dat aan
het voorbehoud op grond van artikel 16, onderdeel b, EVSMB ook betekenis
toekomt in relatie tot het Europees Sociaal Handvest (hierna: ESH) en het
Europees Sociaal Handvest (herzien) (het wetsontwerp tot goedkeuring van
laatstgenoemd verdrag is bij de Staten-Generaal aanhangig; Kamerstukken II
2004-2005, 29 941). Nederland is
gebonden aan artikel 13,
vierde lid, van het ESH dat de verplichting bevat om onderdanen van andere
staten die partij zijn bij het ESH of ESH (herzien) gelijk te behandelen met betrekking tot, onder andere, het recht
op bijstand dat is
neergelegd in het eerste lid van artikel 13 ESH. Artikel 13, vierde lid, ESH
bepaalt dat de daarin opgenomen gelijke behandelingsverplichting
moet worden toegepast overeenkomstig de verplichtingen op grond
van het EVSMB. Via deze schakelbepaling werkt het voorbehoud op grond
van artikel 16, onderdeel b, van het EVSMB, zoals opgenomen in artikel V
van dit
wetsontwerp, door op de
gelijkebehandelingsverplichting
in artikel 13, vierde lid, van het ESH en artikel 13, vierde lid, van het
ESH (herzien). Dit betekent dat ook de gelijkebehandelingsverplichting
in artikel 13 van het ESH of ESH (herzien) wat betreft de Wwb
ten
aanzien van Unieburgers niet verder reikt dan wat reeds voortvloeit uit de
verplichtingen op grond van het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
De Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Rutte
De Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk
De Minister van
Buitenlandse Zaken,
B.R. Bot
|
|