|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 666
Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet in verband met
samenwonen ten behoeve van zorg voor een hulpbehoevende
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitwerking
voorstel |
| 2.1 |
Huidige
situatie |
| 2.2 |
Voorgestelde
wijziging |
| 3 |
Gevolgen
voor andere wetten |
| 4 |
Overgangsrecht |
| 5 |
Inspectie
Werk en Inkomen (IWI) en SVB |
| 6 |
Financiële
gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikel
I, onderdeel C |
Algemeen
1.
Inleiding
Naar
aanleiding van de motie-Noorman-den Uyl/Van Oerle-van der Horst inzake
proportiecontrole op het voeren van een gezamenlijke huishouding door AOW-ers
( Kamerstukken II 2004-2005, 17 050, nr.
272) is door de regering toegezegd te onderzoeken of het
mogelijk is in het kader
van de zorgbehoefte een maatregel te treffen die voorkomt dat het ongehuwdenpensioen van twee alleenstaande
AOW-gerechtigden wordt
omgezet in een gehuwdenpensioen. Tijdens het algemeen overleg van 26
mei 2005 is in dit kader door de Tweede Kamer expliciet aandacht
gevraagd voor de situatie van ouderen die alleen vanwege een zorgrelatie
meerdere dagen bij elkaar zijn, maar die wel over een eigen woning
beschikken ( Kamerstukken II
2005-2006, 17 050, nr. 302). Bij brief van 17 februari 2006 ( Kamerstukken
II 2005-2006, 17 050, nr. 320) is deze praktijksituatie nader
uitgewerkt. Naar aanleiding van het algemeen overleg van 16 maart 2006
is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij
brief van 4 april 2006 ( Kamerstukken
II 2005-2006, 17 050, nr. 323) aangegeven op welke wijze het overgangsrecht in
onderhavig voorstel wordt vormgegeven.
Ter invulling van
bovengenoemde motie stelt de regering voor een bepaling in de Algemene
Ouderdomswet (AOW) op te nemen waarin is bepaald dat in de
betreffende situatie weliswaar sprake is van het voeren van een gezamenlijke
huishouding, maar dat beide gerechtigden in die omstandigheid hun AOW-ongehuwdenpensioen van 70% van het
minimumloon
behouden. Ongehuwde
pensioengerechtigden die een kind jonger dan 18 jaar hebben
en onder de bepaling vallen, behouden dan een AOW-uitkering ter hoogte van 90% van het minimumloon. Doel van
dit voorstel is niet
langer financiële belemmeringen op te werpen wanneer alleenstaande
AOW-gerechtigden een gezamenlijke huishouding gaan voeren omdat één van hen niet langer in staat blijkt in het leven van
alledag zelfstandig te
kunnen functioneren. Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte van ouderen
om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen. Vandaar dat dit
voorstel goed past in het door de regering geformuleerde ouderenbeleid waarin het
belang van meer maatwerk voor én een meer individueel
gerichte benadering van ouderen is benadrukt.¹
1. Zie kabinetsnota "Ouderenbeleid in het perspectief van de
vergrijzing" van 19 april 2005, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, Den Haag.
rblz.|2|
2.
Uitwerking voorstel
2.1. Huidige situatie
De AOW
kent
verschillende pensioenbedragen. De hoogte van dit recht is niet
gerelateerd aan het voorheen genoten inkomen, maar aan minimumloon. Er
geldt geen inkomens- of vermogenstoets. De gehuwde pensioengerechtigde heeft een zelfstandig
recht ter hoogte van 50% van het minimumloon. De ongehuwde
pensioengerechtigde ontvangt 70% van het minimumloon. Achtergrond
hiervan is dat bij de hoogte van het ouderdomspensioen rekening wordt gehouden
met de besparende werking van het gezamenlijk voeren
van een huishouding ten opzichte van het voeren van een
eenpersoonshuishouden.
Sinds 1 januari 1987
worden in de AOW niet-gehuwde meerderjarige partners die een
gezamenlijke huishouding voeren als gehuwd aangemerkt. In de gehele sociale
zekerheid geldt dezelfde definitie van gezamenlijke huishouding.
Van een gezamenlijke
huishouding is volgens de wet sprake als twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (huisvestingscriterium) én blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage
in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (verzorgingscriterium).
Deze wettelijke criteria zijn nader uitgewerkt in de rechtspraak. Uit de
rechtspraak blijkt dat zorg en verzorging elementen zijn die betrokken dienen
te worden bij de beoordeling of voldaan is aan het verzorgingscriterum.¹
Ook is uitgebreide jurisprudentie over het huisvestingscriterium
voorhanden. Hieruit komt naar voren dat het feitelijk verblijf in een woning
een belangrijk criterium is bij de beoordeling of er sprake is van het
hoofdverblijf.² Kern van de rechtspraak is dat het uiteindelijke oordeel het
resultaat is van een afweging van alle factoren, die uitsluitend in het
individuele geval kan plaatsvinden.
1. Zie CRvB 11 juli 1995,
JABW 1995/357, en CRvB 6 januari 1998, USZ
1998/56.
2. HR 27 november 1992 en CRvB 31 oktober 1995.
De uitvoeringsinstantie
van de AOW
- de Sociale verzekeringsbank (SVB) - stelt op basis van
objectieve feitelijke omstandigheden in het individuele geval vast of er sprake
is van een gezamenlijke huishouding. Dit betekent dat de SVB een zekere
mate van beleidsvrijheid heeft bij de beoordeling of er sprake is van een
gezamenlijke huishouding.
Het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding 1998 waarborgt dat wanneer een uitvoeringsinstantie vaststelt dat sprake is van een
gezamenlijke huishouding,
dit tevens geldt voor de toepassing van de andere socialezekerheidswetten. Daarnaast is in alle socialezekerheidswetten
de mogelijkheid
gecreëerd tot het instellen van beroep in cassatie tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) met betrekking tot het begrip
gezamenlijke huishouding. Op deze wijze is een uniforme hantering en
interpretatie van dit begrip binnen de sociale zekerheid gewaarborgd.
2.2. Voorgestelde
wijziging
De regering stelt voor de
AOW-uitkering van ongehuwde AOW-gerechtigden
niet te herzien als zij
vanwege een zorgrelatie een gezamenlijke huishouding voeren en beiden over
een eigen woning beschikken. De regering komt hiermee tegemoet aan
de wens van de Tweede Kamer om voor deze groep personen een aparte maatregel te treffen. Door de gekozen
vormgeving blijft de
definitie van de gezamenlijke huishouding in de AOW intact, wat tot gevolg
heeft dat binnen de sociale zekerheid het wettelijk begrip gezamenlijke
huishouding onaangetast blijft.
De in
dit wetsvoorstel
vervatte maatregel bevat de volgende elementen: rblz.|3|
1. AOW-gerechtigden;
2. definitie van een
zorgbehoefte;
3. het blijven beschikken
over een eigen woning;
4. duur maatregel.
AOW-gerechtigden
De regering acht het
- vanwege de uniformiteit in de verschillende socialezekerheidswetten - van belang het begrip gezamenlijke huishouding
in tact te laten en
uitstraling naar andere wetten te voorkomen. Vandaar dat de maatregel
binnen de AOW
is getroffen, hetgeen ook overeenkomt met de wensen van de Tweede Kamer. Zou de maatregel ook
betrekking hebben op
personen jonger dan 65 jaar, dan wordt de maatregel uitgebreid tot andere
wetten, zoals de Wet werk en bijstand (Wwb). Dan zou - hoewel een
gezamenlijke huishouding aanwezig is - ook in die wet een uitzondering
moeten worden opgenomen, waarvan niet te rechtvaardigen is dat die beperkt is tot
zorg voor 65-jarigen. De doelstelling van dit wetsvoorstel zou
daarmee worden verlaten.
Zorgbehoefte
De zorgbehoefte van één
van de AOW-gerechtigden moet aanleiding zijn
voor het gaan voeren van
een gezamenlijke huishouding. Alleen dan zal het recht op een
AOW-ongehuwdenpensioen blijven bestaan. Deze voorwaarde betekent dat wanneer de
zorgbehoefte eindigt en men een gezamenlijke huishouding blijft
voeren, men niet meer onder de uitzonderingsregel valt en men recht heeft
op een AOW-gehuwdenpensioen ter hoogte van 50%. Voor personen
die elk de beschikking hebben over een eigen woning en al een
gezamenlijke huishouding voeren voordat de zorgbehoefte intreedt, zal een
economische en/of emotionele verstrengeling bepalend zijn geweest, en
niet een zorgbehoefte. Deze personen komen daarom evenmin in
aanmerking voor de uitzonderingsregel.
Voor de definitie van het
begrip zorgbehoefte wordt aangesloten bij de in de Algemene
nabestaandenwet (Anw) gehanteerde definitie. Onder hulpbehoevende in de Anw wordt verstaan
"de persoon die vanwege ziekte of één of meer
stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in
staat is een eigen huishouding te voeren daar hij dagelijks is
aangewezen op intensieve zorg van anderen. De SVB heeft op basis daarvan
beleidsregels opgesteld. Deze regels luiden dat onder het begrip "hulpbehoevende"
ten behoeve van haar beleid wordt verstaan de persoon:"
• van wie al is
vastgesteld dat hij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke,
verstandelijke of geestelijke aard in aanmerking komt voor opname in een
AWBZ-inrichting;
• die hetzij vanwege
ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard is
aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene
dagelijkse levensverrichtingen, hetzij is aangewezen op constant toezicht
teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf of voor anderen te voorkomen.
De organisatie
"Client
First Medical Services BV" verstrekt (para)medisch advies aan de SVB
onder
meer in het kader van de Anw. Voordeel van aansluiting
bij de definitie in de Anw is dat hiermee aangesloten wordt bij de
uitvoeringspraktijk met betrekking tot de toepassing van het begrip
hulpbehoevende. De regering verwacht op dit vlak dan ook geen
handhavingsproblemen.
Beschikken over een eigen
woning
De AOW-gerechtigden die
een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren, moeten ieder de
beschikking houden over een eigen woning en daar de financiële
lasten van dragen. Gecombineerd met de voorwaarde rblz.|4|
dat de reden voor het
voeren van een gezamenlijke huishouding moet zijn gelegen in een
zorgbehoefte van de één, kan ten aanzien van hen worden gesteld dat het voeren
van een gezamenlijke huishouding voor hen nauwelijks een economisch
voordeel oplevert. In deze situatie is het daarom gerechtvaardigd om
hen het AOW-ongehuwdenpensioen te laten behouden. De SVB
zal in
de praktijk het aanhouden van een eigen woning in combinatie met een
inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie (GBA) goed kunnen controleren.
Duur maatregel
Samenwonende
AOW-gerechtigden behouden hun aanspraak op een
ongehuwdenpensioen zolang
zij aan de gestelde voorwaarden voldoen. Dit betekent dat, als er
geen sprake meer is van een zorgbehoefte of één van hen niet langer meer
beschikt over een eigen woning, er geen aanspraak meer kan worden
gemaakt op een ongehuwdenpensioen op grond van dit
voorstel.
Als gevolg hiervan zal de AOW-uitkering verlaagd worden.
Het nieuwe
artikel 17 AOW
ziet op personen aan wie reeds een AOW-pensioen is
toegekend. In de enkele gevallen waarin de eerste toekenning van het
pensioen samenvalt met het begin van een gezamenlijke huishouding vanwege een
zorgbehoefte, zal eerst een alleenstaandenpensioen worden toegekend en vervolgens - conform het nieuwe
artikel 17 - van
herziening van het pensioen worden afgezien.
3. Gevolgen voor andere
wetten
Dit voorstel heeft
uitsluitend betrekking op de AOW
en werkt niet door naar andere wetten, zoals
de Wwb. Dit acht de regering, gegeven het complementaire karakter
van de Wwb, gerechtvaardigd. De Wwb beoogt een aanvulling te zijn
tot het relevante sociaal minimum. De regering ziet geen aanleiding om voor
de groep waarop deze maatregel ziet van dit uitgangspunt af te
wijken.
Ook werkt
dit voorstel
niet door naar de Algemene nabestaandenwet (Anw), omdat dit voorstel
uitsluitend geldt voor AOW-gerechtigden die
een gezamenlijke
huishouding gaan voeren. Wel komen de begrippen hulpbehoevendheid en
gezamenlijke huishouding ook in de Anw voor. In de Anw is het gaan voeren
van een gezamenlijke huishouding, anders dan in de AOW, een grond
om de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw te beëindigen.
Hierop bestaat een uitzondering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding voert ten behoeve van de verzorging
van een hulpbehoevende.
Deze nabestaande heeft in het kader van de Anw recht op een
inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering van 50% van het minimumloon.
Voorts is in de Anw een
herlevingsbepaling van het recht op Anw opgenomen. Wanneer de nabestaandenuitkering is beëindigd als gevolg van
het voeren van een
gezamenlijke huishouding, herleeft de uitkering weer indien de nabestaande
deze gezamenlijke huishouding binnen een termijn van zes maanden na
beëindiging van de nabestaandenuitkering niet meer voert. In de AOW bestaat
een dergelijke termijn niet en die is in het kader van de AOW ook niet
nodig. Indien een pensioengerechtigde geen gezamenlijke huishouding meer voert,
wordt het AOW-gehuwdenpensioen immers herzien in een ongehuwdenpensioen.
Een ieder met een
chronische en langdurige zorgbehoefte kan aanspraak maken op zorg op grond
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Vanuit de AWBZ
wordt de zorg, waarvan in dit voorstel sprake is, gezien als indiceerbare
zorg. Dat betekent dat als de verzorger de zorg niet meer of tijdelijk niet
kan verrichten, die zorg dan vergoed wordt vanuit de rblz.|5|
AWBZ. Als een betrokkene
geïndiceerd is voor extramurale AWBZ-zorg, bestaat de mogelijkheid
de benodigde zorg in natura te ontvangen of als persoonsgebonden budget
(PGB).
4. Overgangsrecht
In dit voorstel is bij
wijze van overgangsrecht geregeld dat AOW-ers die
voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit voorstel al vanwege een zorgrelatie samenwonen,
de SVB kunnen verzoeken om per datum van inwerkingtreding van
de
wet de uitkering te herzien, waarbij die herziening terugwerkt tot aan de
dagtekening van de brief (4 april 2006) van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer.
Zoals in de voornoemde
brief van 4 april 2006 is aangegeven, kunnen betrokkenen zich vóór de inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel
bij de SVB melden, zodat
de SVB zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding een nieuwe beslissing kan
nemen. Voor betrokkenen zal dit betekenen dat zij over de periode
van 4 april 2006 en de inwerkingtreding van de
wet een nabetaling
zullen ontvangen.
Indien op een later
tijdstip dan 4 april 2006 aan de voorwaarden van het overgangsrecht wordt
voldaan, vindt nabetaling plaats vanaf het tijdstip waarop aan de voorwaarden
is voldaan. De herziening wordt niet gewijzigd indien vóór 4 april
2006 weliswaar sprake was van zorg voor een hulpbehoevende, maar deze zorg ook
vóór die datum is geëindigd.
Om voor het
overgangsrecht van de wetswijziging in aanmerking te komen, moet de
pensioengerechtigde binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding een
aanvraag hebben ingediend.
5. Inspectie
Werk en
Inkomen (IWI) en SVB
Het wetsvoorstel is voor
een uitvoeringstoets aan het IWI voor een toezichtbaarheidstoets
voorgelegd en aan de SVB voor een uitvoeringstoets. Het IWI ziet naar
aanleiding van het wetsvoorstel geen aanleiding tot het maken van opmerkingen ten
aanzien van de toezichtbaarheid en handhaving. De SVB acht het voorstel uitvoerbaar. Wel heeft de SVB op enkele punten
suggesties tot
verbeteringen gedaan, die de regering - voor zover relevant - heeft overgenomen.
6.
Financiële gevolgen
Uitkeringslasten
De gevolgen voor de uitkeringslasten worden geraamd op maximaal €|2,7
miljoen op jaarbasis. In 2007 zal dit door de nabetalingen, vanwege het
overgangsrecht in 2006, op kunnen lopen naar circa €|3,7 miljoen.
Uitvoeringskosten
Aan
het wetsvoorstel zijn
eenmalige invoeringskosten en structurele uitvoeringskosten voor de SVB
verbonden. De eenmalige invoeringskosten houden verband met
voorlichting aan uitkeringsgerechtigden en instructie van
medewerkers van de SVB. De structurele uitvoeringskosten houden verband met de
gevalsbehandeling; aanvragen dienen inhoudelijk beoordeeld te worden
(waarbij de SVB gebruik maakt van de kennis van een gespecialiseerd
bureau op het gebied van medisch advies) en tegen rblz.|6|
de beschikking van de SVB
staat bezwaar en beroep open met de daarbij behorende
uitvoeringskosten. De eenmalige invoeringskosten zijn zeer beperkt (geraamd wordt
ca. €|20 000,-). De structurele uitvoeringskosten zijn volledig afhankelijk
van het aantal aanvragen dat bij de SVB ingediend wordt. Maximaal zullen
deze kosten €|0,5 miljoen bedragen.
Gevolgen voor de
administratieve lasten
Gezien de beperkte omvang
van de groep AOW-ers die hiervoor in
aanmerking komen, zijn er
nauwelijks gevolgen voor de administratieve lasten.
Artikelsgewijs
(Onderdeel
C)
De wijziging in artikel 71 van de AOW
is technisch van aard. Door middel
van de Wet van 23 december 2004 tot wijziging van enkele
socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het
aanbrengen van enige vereenvoudigingen (Stb. 2004, 728) is
artikel 12 van de AOW vervallen, waardoor herzieningen van de
pensioenbedragen niet langer bij ministeriële regeling hoeven plaats te
vinden. In artikel 71 van de AOW
was hier abusievelijk nog geen rekening
mee gehouden. De onderhavige wijziging corrigeert dit.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|