|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 063.
Overgangsrecht
inzake de beëindiging van het recht op toeslag op grond van de
Toeslagenwet binnen de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en
Zwitserland
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Beperking
van de export op grond van de Toeslagenwet binnen de EU/EER door
plaatsing op bijlage IIbis bij Verordening (EEG) nr. 1408/71 |
| 2 |
Vormgeving
overgangsrecht |
| 3 |
Bijzondere positie
Zwitserland |
| 4 |
Financiële
consequenties |
| 5 |
Uitvoeringstoets |
| 6 |
Handhavingsaspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
1.
Beperking van de export op grond van de Toeslagenwet binnen de EU/EER
door plaatsing op bijlage IIbis bij Verordening (EEG) nr. 1408/71
Met de
inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) op 1
januari 2000 is aan de Toeslagenwet (TW) artikel
4a toegevoegd, waarin
is bepaald dat toeslag niet wordt uitbetaald wanneer een gerechtigde buiten
Nederland woont. Deze regeling verhindert het exporteren van een toeslag naar
het
buitenland in die situaties waarin wel recht op een
loondervingsuitkering buiten Nederland bestaat. Toeslagen van personen die op 31
december 1999 in verdragslanden of niet-verdragslanden woonden - uitgezonderd
de lidstaten van de Europese Unie en de Europese
Economische Ruimte (hierna: EU/EER) - werden afgebouwd in drie
jaarlijkse termijnen.
Beperking van de export
van toeslagen binnen de EU/EER was niet mogelijk, omdat Verordening (EEG)
nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni
1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen
(PbEG L 149, hierna Verordening (EEG)
nr. 1408/71) zich hiertegen verzette.
Op grond van artikel 10,
eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 moeten uitkeringen bij
invaliditeit en renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten worden
geëxporteerd. Verordening (EEG) nr. 1408/71 kent hierop één
uitzondering, namelijk voor bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling
berustende prestaties. Op grond van artikel 10bis kunnen deze prestaties
worden uitgezonderd van de algemene exportverplichting indien ze zijn vermeld op
bijlage IIbis bij Verordening (EEG) nr. 1408/71. Het betreft
hier prestaties die uit de openbare middelen worden gefinancierd en
die een bijzonder karakter hebben. Bijzondere prestaties zijn
prestaties die worden verstrekt als aanvulling op of als vervanging van een
andere
socialezekerheidsprestatie en die niet zelf rblz.|2|
verband houden met één
van de in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71
uitdrukkelijk genoemde socialezekerheidsrisico’s.
In verband hiermee werd
in de memorie van toelichting bij de Wet BEU (Kamerstukken II
1997-1998,
25 757, nr. 3) vermeld dat de export van toeslagen binnen de
Europese Unie wordt voortgezet totdat de TW is geplaatst op bijlage
IIbis.
Op 31 juli 2003 heeft de
Commissie een voorstel voor een verordening bij de Raad ingediend tot
wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Onderdeel van deze verordening
maakt uit plaatsing van de TW op bijlage IIbis. Op 8 maart 2005 heeft het
Europees Parlement aangenomen het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad
vastgesteld met het oog op de aanneming van de
Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op
hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van
Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van
toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (12062/3/ 2004-C6-0189/2004-2003/0184
COD).¹ Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening (hierna: wijzigingsverordening) en de daarmee
gepaard gaande plaatsing
van de TW op bijlage IIbis, is de export van toeslag binnen de EU/EER
niet langer mogelijk.
1. De tekst is te
raadplegen op www.europarl.eu.int.
De wijzigingsverordening
is op het moment dat dit wetsvoorstel wordt ingediend bij de Tweede
Kamer nog niet aangenomen door de Raad. De wijzigingsverordening
heeft daardoor nog geen nummer. Op het moment van plaatsing van deze
wet in het Staatsblad zal het nummer van de wijzigingsverordening alsnog in
de wet worden opgenomen.
De plaatsing van de
TW op
bijlage IIbis leidt tot wederkerigheid tussen de lidstaten. Personen die
hun toeslag verliezen bij verhuizing naar een andere lidstaat kunnen
aanspraak maken op een bijzondere, niet op premiebetaling berustende
uitkering in het woonland indien de wetgeving van dit land voorziet in een dergelijke uitkering. Andersom kunnen in
Nederland wonende
personen met een loondervingsuitkering uit een EU/EER-lidstaat na
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening in aanmerking komen voor een
toeslag.
Volledigheidshalve zij
vermeld dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 op termijn zal worden
vervangen door Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de
Raad van 29 april 2004 (PbEU L 166).¹ Op grond van artikel 70,
derde lid, juncto artikel 70, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EG) nr.
883/2004 kunnen bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling
berustende prestaties worden uitgezonderd van de algemene exportverplichting indien
deze zijn vermeld op bijlage X bij deze verordening. De Commissie
moet nog een voorstel voor bijlage X indienen bij de Raad. Dit
voorstel zal zijn gebaseerd op de op dat moment geldende tekst van
bijlage IIbis van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Aangezien de
TW door middel van de
wijzigingsverordening op bijlage IIbis
wordt geplaatst, zal de
TW ook deel uitmaken van het voorstel van de Commissie over bijlage X.
Het Europees Parlement en de Raad zullen de inhoud van bijlage X
vaststellen vóór de datum van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004. De
exportbeperking van de toeslag wordt derhalve gecontinueerd na
de intrekking van Verordening (EEG) nr. 1408/71 op basis van
bijlage X bij Verordening (EG) nr. 883/2004.
1. Op grond van artikel 90
van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt
Verordening (EEG) nr. 1408/71 met ingang van de
toepassingsdatum van Verordening (EG) nr.
883/2004 ingetrokken. Verordening
(EG) nr. 883/2004 is op grond van artikel 91
van toepassing met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de - nieuwe, nog
vast te stellen - toepassingsverordening
die de huidige toepassingsverordening
(EEG) 574/72 zal gaan vervangen.
rblz.|3|
2. Vormgeving
overgangsrecht
Deze wet creëert
overgangsrecht voor toeslaggerechtigden die op het moment van
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening in een lidstaat van de EU/EER
(buiten Nederland) wonen.
Het specifieke
exportregime voor bijzondere niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties is
in Verordening (EEG) nr. 1408/71 opgenomen door Verordening (EEG)
nr. 1247/92, die op 1 juni 1992 in werking is getreden. In Verordening
nr. 1408/71 is in artikel 95ter, achtste lid, voorzien in overgangsrecht voor
prestaties die per 1 juni 1992 op bijlage IIbis
zijn geplaatst en die uit
hoofde van titel III van de verordening zijn toegekend. Dit overgangsrecht
schrijft eerbiedigende werking voor voor dergelijke prestaties. Verordening
(EEG) nr. 1408/71 kent echter geen overgangsregeling ten behoeve van
prestaties die na 1 juni 1992 op de bijlage worden vermeld. Ook de
wijzigingsverordening waarmee de TW op bijlage IIbis
wordt
geplaatst, bevat geen overgangsrecht. De considerans (overweging nr. 6) bij de
wijzigingsverordening stelt dat "de lidstaten moeten nagaan of
overgangsregelingen of bilaterale oplossingen nodig zijn om rekening te
houden met de situatie van personen van wie de verkregen rechten dientengevolge kunnen worden
aangetast". Het wordt
derhalve aan de lidstaten
overgelaten of er overgangsrecht komt, en zo ja, hoe dit wordt
vormgegeven.
In het toetsingskader
overgangsrecht 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 934, nr. 1) wordt
gesteld dat overgangsrecht maatwerk is. Bij de keuze voor overgangsrecht bij
wijzigingen in socialezekerheidswetgeving zijn twee algemene
overwegingen van belang. Eerbiedigende werking geeft druk op het beginsel van
gelijke behandeling. Onmiddellijke werking geeft druk op het vertrouwens-
en rechtszekerheidsbeginsel. In de spanning tussen onmiddellijke en
eerbiedigende werking biedt de keuze voor een gefaseerde, stapsgewijze
aanpassing van bestaande rechten een tussenweg.
In
deze wet wordt het
overgangsrecht voor toeslaggerechtigden die wonen in een lidstaat van
de EU/EER zodanig vormgegeven dat alle bestaande toeslagen op de
eerste dag van de maand volgend op de datum van
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening in drie jaar lineair worden afgebouwd.
Met deze regeling wordt aangesloten bij het overgangsrecht dat gold
voor toeslaggerechtigden buiten de EU/EER op basis van artikel XI van
de Wet BEU.
Door de
TW binnen de
EU/EER gefaseerd af te bouwen, wordt voorkomen dat de betrokken toeslaggerechtigden gedurende zeer lange tijd in een
gunstigere positie
verkeren dan personen die niet onder het overgangsrecht vallen. Daarnaast is er
sprake van eenzelfde behandeling ten aanzien van personen die buiten
de EU/EER wonen en wier toeslag met ingang van 1 januari 2000 in
drie jaarlijkse termijnen werd afgebouwd. Bij eerbiedigende werking zouden alle
toeslagen moeten worden doorbetaald tot het bereiken van de
65-jarige leeftijd. Doordat er sprake is van een gefaseerde afbouw en de TW zelf
geen
inkomensvervangende uitkering maar een toeslag daarop is
naar het Nederlandse sociaal minimum, wordt met de afbouwregeling
voldoende recht gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel.
3. Bijzondere positie
Zwitserland
Onder het overgangsrecht
vallen tevens de toeslaggerechtigden die wonen in Zwitserland.
Zwitserland is weliswaar geen lidstaat van de EU en is ook niet bij de EER
aangesloten. Niettemin is rblz.|4| Verordening (EEG)
nr. 1408/71 - op grond van
het Verdrag tussen de EU en Zwitserland (PbEU L 114 van 30 april 2003, blz.
6, Overeenkomst zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2/2003 van
het Gemengd Comité EU-Zwitserland, PbEU L 187 van 26 juli 2003, blz. 55)
- ook van toepassing op in Zwitserland wonende gerechtigden.
4. Financiële
consequenties
Met ingang van de eerste
dag van de maand volgend op de datum van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening wordt de toeslag afgebouwd.
Het eerste jaar verandert
er niets. Het tweede jaar levert een besparing op van een derde; het derde jaar een besparing van
twee derde. Daarna wordt geen toeslag
meer uitbetaald aan in de EU/EER wonende gerechtigden.
Eind 2003 werden er circa
1300 TW-uitkeringen geëxporteerd naar lidstaten van de EU/EER
en Zwitserland. De uitkeringslasten bedroegen voor 2003 ongeveer €|4,5 miljoen. Per 1 mei 2004 is de export van de TW
weer mogelijk naar de
tien nieuwe toetreders tot de EU. De financiële gevolgen hiervan voor de
export TW zijn op dit moment nog niet bekend en derhalve niet in de
huidige geraamde uitgaven voor 2004 en 2005 (begroting 2005) van
circa €|5 miljoen meegenomen.
In de begroting 2005 was
al rekening gehouden met een voornemen tot de afbouw van de TW. Dit wetsvoorstel geeft vorm aan dit voornemen. In
tabel 1 staan de
jaarlijkse uitgaven en besparingen die het gevolg zijn van de afbouw zoals met dit
wetsvoorstel wordt geregeld en de gevolgen voor de begroting. De totale
besparingen voor de huidige kabinetsperiode bedragen €|3,5 miljoen.
De structurele besparing voor de daaropvolgende jaren komt neer op circa €|5 miljoen per jaar. In 2006 en 2007 is de besparing
van
het wetsvoorstel
lager dan in de Begroting 2005 is opgenomen, vanwege een latere
ingangsdatum van de wijzigingsverordening. In de daaropvolgende jaren is
de besparing hoger, omdat de afbouw dan volledig wordt
gerealiseerd.
Tabel 1. Besparingen
afbouw export TW
(x €|1 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx| |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
| Afbouw
conform Begroting 2005 |
5,2 |
5,3 |
x3,7 |
x2,0 |
2,0 |
2,0 |
2,0 |
| Afbouw
conform dit
wetsvoorstel |
5,2 |
5,3 |
x4,4 |
x2,7 |
1,0 |
0,0 |
0,0 |
Besparing wetsvoorstel
t.o.v.
Begroting 2005 |
0,0 |
0,0 |
–0,7 |
–0,7 |
1,0 |
2,0 |
2,0 |
| Totale besparingen afbouw
TW |
0,0 |
0,0 |
v0,9 |
v2,6 |
4,3 |
5,3 |
5,3 |
Door het niet verstrekken
van de TW aan gerechtigden die wonen in een lidstaat van de
EU/EER
zullen de uitvoeringskosten enerzijds dalen. Anderzijds zal het
overgangsrecht leiden tot een (tijdelijke) verhoging van de uitvoeringskosten.
UWV
raamt de uitvoeringskosten die verband houden met de
afbouwregeling op circa €|577 000,-.
Zoals vermeld in
paragraaf 1 van deze memorie van toelichting leidt de plaatsing van de
TW
op bijlage IIbis tot wederkerigheid tussen de lidstaten. Na
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening kunnen in Nederland
wonende personen met een loondervingsuitkering uit een andere EU/EER-lidstaat
in aanmerking komen voor een toeslag. Over de mogelijke omvang
van de groep en de uitkeringslasten die hiermee gepaard zullen
gaan, zijn geen gegevens beschikbaar. Naar verwachting zal dit
overigens nauwelijks extra uitkeringslasten opleveren, maar er zal mogelijk wel
sprake zijn van een verschuiving van lasten van de Wwb naar de TW.
UWV meldt in de uitvoeringstoets dat een nieuwe
rblz.|5|
procedure voor deze
aanvragen op zijn vroegst in september 2005 kan worden geïmplementeerd.
Tot die datum zullen de dossiers handmatig worden beoordeeld. De
structurele uitvoeringskosten zijn vooralsnog moeilijk te begroten. De
eenmalige kosten voor het inrichten van een handmatige beoordeling
worden door UWV begroot op €|24 000,-.
5. Uitvoeringstoets
UWV
acht de
afbouwregeling in drie jaarlijkse termijnen praktisch uitvoerbaar. UWV signaleert echter
procesrisico’s en verwacht, gelet op de ervaringen met de reeds eerder
afgebouwde toeslagen buiten de EU/EER op grond van de Wet BEU,
relatief veel bezwaar- en beroepszaken. De gefaseerde afbouw in drie jaarlijkse
termijnen brengt volgens UWV ongelijke behandeling teweeg tussen
personen die hun pensioen ontvangen van lidstaten die hun
non-contributieve prestaties op 1 juni 1992 op bijlage IIbis
hebben geplaatst en
personen die een Nederlandse uitkering ontvangen.
Voorts wijst UWV op de
mogelijke ongelijke behandeling tussen toeslaggerechtigden in de EU/EER die hun
toeslag als gevolg van deze wet zullen verliezen en
toeslaggerechtigden buiten de EU/EER die, als gevolg van jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep (zaaknummers 02/2072 WAO en 02/2183 WAO en 01/5573
TW),
op grond van het socialezekerheidsverdrag met hun woonland hun
toeslag behouden. In het licht van de reparaties die hebben plaatsgevonden
naar aanleiding van de hierboven vermelde jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep adviseert UWV om een overgangsregeling te
creëren die geen of zeer weinig procesrisico meebrengt, te weten een
overgangsregeling houdende eerbiedigende werking voor alle
toeslagen die op de datum inwerkingtreding van de wijzigingsverordening
naar EU-/EER-landen of Zwitserland worden geëxporteerd.
De uitvoeringstoets van
UWV geeft om de navolgende redenen geen aanleiding
het
wetsvoorstel aan te passen. Er bestaan geen Europeesrechtelijke overgangsbepalingen ten
behoeve van de situatie waarin een non-contributieve
prestatie na 1 juni 1992 wordt bijgeschreven op bijlage IIbis
van Verordening
(EEG) nr. 1408/71.
De overgangsbepaling in
artikel 95ter, achtste lid, van Verordening nr. 1408/71 geldt specifiek
voor prestaties die per 1 juni 1992 op bijlage IIbis
zijn geplaatst en die uit
hoofde van titel III van de verordening zijn toegekend. Verordening (EEG) nr.
1408/71 kent echter geen overgangsregeling ten behoeve van
prestaties die na 1 juni 1992 op de bijlage worden vermeld. Bij gebrek aan
Europeesrechtelijke overgangsbepalingen moet in de eerste plaats
aansluiting worden gezocht bij de uitgangspunten van de wijzigingsverordening
waarmee de TW op bijlage IIbis
wordt geplaatst. In de considerans van de
wijzigingsverordening staat dat bij aantasting van uitkeringsrechten als
gevolg van nieuwe vermeldingen in bijlage IIbis, de lidstaten zelf moeten
nagaan of overgangsmaatregelen dan wel bilaterale oplossingen nodig zijn.
De communautaire wetgever heeft daarmee de vormgeving van het overgangsrecht expliciet aan de lidstaten overgelaten.
Nederland geeft hieraan
gevolg door in een afbouwregeling te voorzien. Voor het
overige wordt verwezen naar paragraaf 2 van deze memorie van
toelichting.
Ten aanzien van de door
UWV naar voren gebrachte ongelijkheid in behandeling tussen
inwoners van de EU/EER en toeslaggerechtigden buiten de EU/EER is het
volgende van belang. Om de export van toeslag naar landen buiten de
EU/EER waarmee Nederland een bilateraal socialezekerheidsverdrag heeft in de
toekomst
alsnog te beëindigen, is aan de autoriteiten van de
desbetreffende verdragslanden voorgesteld om de verdragen aan te passen.
Nadat de noodzakelijke verdragswijziging is rblz.|6|
overeengekomen, kan het exportverbod ten aanzien van deze landen
alsnog worden
geëffectueerd.
Ten aanzien van de
beoogde invoeringsdatum van deze wet merkt UWV
op dat de afbouwregeling
kan worden geïmplementeerd mits de periode tussen aanname van deze
wet en de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening maximaal zes maanden
bedraagt. Tevens adviseert UWV om de datum van afbouw te stellen op de eerste dag van de maand volgend
op de datum van
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening.
6. Handhavingsaspecten
Omdat met deze wet de
TW wordt afgebouwd en er drie jaar na plaatsing van de TW op bijlage
IIbis geen toeslag meer wordt uitbetaald aan in de EU/EER/Zwitserland
wonende gerechtigden, leidt deze wet tot afname van de handhavingsrisico’s
die verbonden zijn aan de export van de TW. UWV
wijst er in de uitvoeringstoets op dat door het wegvallen van de TW er wel
een groter risico
ontstaat op het niet doorgeven van extra inkomsten. UWV vraagt tevens
aandacht voor de problematiek rondom de woonfictie: een gerechtigde heeft
geen recht op toeslag als hij buiten Nederland woont, maar wel als hij
buiten Nederland verblijft. Afbouw van de TW zou volgens UWV kunnen leiden
tot een versterking van de tendens van het pendelen tussen Nederland
en een ander land (waarbij Nederland als formele woonplaats wordt aangehouden) of het terugverhuizen naar
Nederland als gevolg van
het wegvallen van inkomen. Met het oog op een rechtmatige uitvoering
van de TW zijn hieraan handhavingsactiviteiten verbonden.
Artikelsgewijs
Artikel I
Artikel 44, tweede lid
Het recht op toeslag voor
gerechtigden woonachtig buiten Nederland maar binnen de
EU/EER/Zwitserland wordt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
volgend op de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening waarmee de TW
wordt
geplaatst op bijlage IIbis
van Verordening (EEG) 1408/71 lineair
afgebouwd. Het eerste jaar na inwerkingtreding van de
wijzigingsverordening blijft betrokkene het recht op toeslag behouden. Het tweede jaar
volgt een vermindering van het bedrag van de toeslag met een derde
deel. Het derde jaar wordt het eerst uitbetaalde bedrag verminderd met
twee derde. Na drie jaar ontvangt betrokkene geen toeslag meer.
Artikel 44, tweede lid, is dan uitgewerkt en er bestaat geen recht op toeslag op
grond van het dan geldende artikel 4a, eerste lid, van de
TW (het
exportverbod). Betrokkene kan pas weer recht op toeslag krijgen indien hij weer
in Nederland gaat wonen en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2 van
de TW (zie artikel 4a, tweede lid, van de
TW). Dit overgangsrecht kan uitsluitend van toepassing zijn op rechten op
toeslag die zijn
toegekend op een datum die gelegen is vóór de dag van inwerkingtreding van de
wijzigingsverordening.
De voorwaarde in het
tweede lid, onderdeel a, is opgenomen om aan te duiden dat het recht op
toeslag betaald wordt op grond van het Europese recht. Immers, het
nationale recht (artikel 4a van de TW) geeft geen recht op toeslag. Op het moment
dat betrokkene niet langer binnen de EU/EER/ Zwitserland woont, voldoet betrokkene niet meer aan het tweede lid,
onderdeel a. Er bestaat
derhalve geen recht meer op toeslag op grond van het dan geldende artikel
4a, eerste lid, van de TW.
In de aanhef van
onderdeel b wordt gerefereerd aan het recht op toeslag rblz.|7|
zoals dit op grond van de
Verordening (EEG) 1408/71 niet alleen kan bestaan in de lidstaten
van de Europese Unie, maar ook in die landen waar betrokkenen op meer
indirecte wijze rechten kunnen ontlenen aan deze verordening. Dit zijn de
overige EER-landen, niet zijnde tevens lidstaten van de Europese Unie, en
Zwitserland (zie ook paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting). Om
voor het overgangsrecht in aanmerking te komen, moeten betrokkenen op de
dag vóór inwerkingtreding van de wijzigingsverordening in één van deze
lidstaten of landen woonachtig zijn. Onderdeel b (de subonderdelen
1º, 2º en 3º) is zodanig geformuleerd dat betrokkenen hun recht op toeslag
tevens blijven behouden in de periode direct na inwerkingtreding van
de wijzigingsverordening tot aan de eerste dag van de kalendermaand
volgend op de datum waarop de wijzigingsverordening in werking is getreden.
Hiermee wordt voorkomen dat UWV de toeslag halverwege
een kalendermaand moet beëindigen. Dit laatste is - om
uitvoeringstechnische redenen - onwenselijk.
Artikel II
De
verordening waarmee de TW wordt bijgeschreven op bijlage
IIbis zal, zoals het zich nu laat
aanzien, eerder van kracht worden dan deze wet. Als gevolg hiervan bestaat
met ingang van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening
geen recht op toeslag meer voor toeslaggerechtigden wonende buiten Nederland
maar binnen de EU/EER/ Zwitserland. Om het recht
op toeslag op grond van het in dit wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht
met ingang van de eerste dag van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening zeker te stellen, zal aan deze wet
terugwerkende kracht
worden gegeven. Dit wetsvoorstel leidt ertoe dat voor de betrokken
gerechtigden de toeslag niet direct wordt beëindigd, maar over drie jaren
wordt afgebouwd. Gezien dit begunstigende karakter is het toekennen van
terugwerkende kracht zonder meer mogelijk. Wel wordt UWV
per brief
verzocht om vooruitlopend op deze wet met ingang van
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening de toeslag aan alle betrokkenen door te
betalen (voor zover aan de overige voorwaarden voor het recht op
uitkering voldaan blijft).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|