|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 682
Wijziging
van enige socialeverzekeringswetten en enige andere
wetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2007)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
"Klein
beleid" |
| 3 |
Financiële gevolgen,
administratieve lasten en gevolgen voor de rechterlijke macht |
| 4 |
Gevraagde commentaren |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XIX |
| xBijlage:
Overzicht inwerkingtredingen met terugwerkende kracht |
Algemeen
1.
Algemeen
Met dit
wetsvoorstel worden in diverse socialeverzekeringswetten met name technische
verbeteringen aangebracht. Het betreft onder meer taalkundige
verbeteringen, correcties van onjuiste verwijzingen en onjuiste
vernummeringen.
De voorgestelde technische wijzigingen worden nader toegelicht
in het artikelsgewijze gedeelte van deze memorie. Naast deze
verbeteringen van technische aard worden ook enkele
beleidsinhoudelijke voorstellen gedaan, Het gaat hier echter niet om majeure
beleidswijzigingen. Om redenen van "wetgevingseconomie" is dan ook besloten deze
voorstellen niet in meerdere separate wetsvoorstellen aan het parlement aan te
bieden, maar samen te voegen in één wetsvoorstel.
Deze wijzigingen worden
kort in het navolgende toegelicht. Voor een meer uitvoerige toelichting op
deze voorstellen wordt verwezen naar het artikelsgewijze gedeelte van deze
memorie.
2.
"Klein beleid"
In dit wetsvoorstel wordt
geregeld dat niet langer de toestemming vereist is van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) wanneer een zieke werknemer bij
een andere werkgever het werk hervat. Dit vereiste is thans nog
opgenomen in artikel 7:629, derde lid, onderdeel c, van het Burgerlijk
Wetboek.
Het schrappen van het toestemmingsvereiste past in het streven van het
kabinet om regels die geen aantoonbare toegevoegde waarde hebben te
schrappen. De met het toestemmingsvereiste beoogde bescherming van
de werknemer wordt immers reeds geborgd doordat de werknemer de
mogelijkheid heeft om, bij vragen of conflicten over de vereiste
re-integratie-inspanningen, een deskundigenoordeel aan het UWV te vragen. Deze
mogelijkheid, die in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI) is opgenomen, biedt derhalve voldoende
soelaas om in voorkomende gevallen, waarin de werkgever of werknemer
daaraan behoefte heeft, een zorgvuldige procedure te
waarborgen.
rblz.|2|
Conform de aankondiging
bij de evaluatie van de Wet instroomcijfers [Wet
instroomcijfers WAO, red.] d.d. 30 maart 2006
(Kamerstukken II 2005-2006, 28 333, nr. 78) wordt in dit wetsvoorstel voorts de verplichting
geschrapt voor het UWV om instroomcijfers in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te publiceren. Deze verplichting
vervalt
met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006. De reden
hiervoor is dat het niet zinvol is om in 2006 en in latere jaren nog
instroomcijfers te publiceren. In verband met de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
(Wvlz 2003) en de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaan namelijk geen nieuwe rechten meer
op een WAO-uitkering en vindt sedert 2005 alleen nog instroom in de
WAO plaats op grond van oude rechten.
In de Wet WIA is reeds
(in artikel 130) geregeld dat openbaarmaking van de instroomcijfers werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA), bedoeld in hoofdstuk 7
van de Wet WIA, voor het eerst plaatsvindt in 2008.
Verder wordt, conform
onder meer de brief van 9 februari 2006 (Kamerstukken I 2005-2006, 30 034, nr.
I), de volgende wijziging voorgesteld die verband houdt met de Wet
WIA.
Het uitgangspunt bij de
vormgeving van de uitkeringsstructuur van de WGA is geweest dat (meer)
werken moet lonen. In de loongerelateerde fase heeft dit tot het
volgende uitkeringsregime geleid. Als een gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet
werkt, heeft hij aanspraak op een uitkering van 70% van het (maximale) dagloon. Als hij vervolgens gaat werken, neemt
zijn totale inkomen toe
doordat 70% van de inkomsten wordt verrekend met de uitkering.
Dit uitkeringsregime
geldt voor iedereen, dus ook voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die
meer verdienden dan het maximumdagloon, maar heeft tot gevolg dat er
geen uitkering wordt verstrekt als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte meer
gaat verdienen dan het maximumdagloon. Dit is een logisch uitvloeisel
van het bestaan van een maximumdagloon in de werknemersverzekeringen.
Het uitkeringsregime van
de WGA heeft echter bij nadere overweging ook een ongewenst gevolg voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die meer
verdienden dan het
maximumdagloon. Het kan namelijk tot gevolg hebben dat zij geen
uitkering ontvangen, terwijl zij wel aan alle voorwaarden voor het recht op
uitkering voldoen én hun resterende verdiencapaciteit volledig benutten. Dit
kan het best worden geïllustreerd met het voorbeeld van de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte die een inkomen verdiende van tweemaal
het maximumdagloon (hierna: tweemaalmaxdagloner). Er wordt verondersteld
dat deze persoon een resterende verdiencapaciteit per dag
heeft die gelijk is aan het maximumdagloon; zijn mate van arbeidsongeschiktheid is dus 50%.
Als de tweemaalmaxdagloner niet werkt, heeft hij aanspraak op een loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering (loongerelateerde uitkering) die, op dagbasis, 70% van
het maximumdagloon bedraagt. Deze uitkering is even hoog
als de loongerelateerde uitkering van de maxdagloner die niet werkt. De rechtvaardiging daarvoor is dat in beide gevallen
dezelfde - maximale - premie is betaald.
Als de tweemaalmaxdagloner wel werkt, en daarmee een inkomen verdient dat gelijk is
aan zijn resterende verdiencapaciteit, dan ontvangt hij geen loongerelateerde
uitkering. Dit komt doordat zijn resterende verdiencapaciteit gelijk
is aan het maximumdagloon. Ook dit lijkt op het eerste gezicht gerechtvaardigd. Immers, ook de maxdagloner die (weer)
een inkomen gaat
verdienen dat gelijk is aan het maximumdagloon, ontvangt geen uitkering.
Toch is er sprake van een
verschil tussen beide situaties. De tweemaalmaxdagloner heeft, als hij een
inkomen verdient dat gelijk is aan het maximumdagloon, nog
steeds een omvangrijk loonverlies, terwijl de maxdagloner dan geen
loonverlies meer heeft. Ondanks dat de tweemaalmaxdagloner rblz.|3|
naar vermogen
werkt (hij benut immers zijn resterende verdiencapaciteit),
ontvangt hij dus geen financiële compensatie voor zijn loonverlies als gevolg
van zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, terwijl wel de maximale premie is
betaald.
De oplossing is dat voor
degenen die meer verdienden dan het maximumdagloon een lager verrekenpercentage wordt gehanteerd dan 70%. Dit
percentage wordt
verkregen door het quotiënt van het maximumdagloon met het laatstverdiende
loon (dat gelijk is aan het dagloon zoals dat zou zijn geweest als er geen
maximum gold) te vermenigvuldigen met 70%. In het hiervoor gegeven
voorbeeld van de tweemaalmaximumdagloner betekent dit dat 35% (1/2 * 70%)
van de inkomsten wordt verrekend met de loongerelateerde
uitkering.
De formule van de
loongerelateerde uitkering ziet er na deze wijziging als volgt uit: 0,7 * (maandloon –
inkomen * f), waarbij f gelijk is aan (dagloon)/(ongemaximeerde dagloon).
Als het ongemaximeerde dagloon lager dan of gelijk is aan het
maximumdagloon, dan is de factor f gelijk aan 1; als het ongemaximeerde
dagloon hoger is dan het maximumdagloon, dan is de factor f kleiner dan
1. Voornoemde factor f wordt ook doorgevoerd in de formules van de
loonaanvulling en de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de volledig en
duurzaam arbeidsongeschikte (IVA-uitkering).
Verder worden voorstellen
gedaan die verband houden met de intrekking van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea). De Wet Rea
is met ingang van 29
december 2005 ingetrokken. De instrumenten die voor
arbeidsgehandicapten in die wet geregeld waren, zijn opgenomen in andere
wetten
voor
zover deze instrumenten noodzakelijk werden geacht om de
re-integratie te bevorderen. Voor zover instrumenten in andere wetten waren
geregeld in samenhang met (het begrip arbeidsgehandicapte in)
de Wet Rea, zijn de bepalingen in die andere wetten aangepast en is
voor zover nodig overgangsrecht opgenomen.
In
de uitvoering is
gebleken dat enige situaties nadere regeling of verduidelijking behoeven. Dit betreft in
de eerste plaats de afgifte van een verklaring door het UWV
ten behoeve van jongeren die belemmeringen hebben ondervonden in het
onderwijs en voor wie daardoor aanspraak bestaat op de no-riskpolis, bedoeld
in artikel 29b van de Ziektewet (ZW), en de premiekorting, bedoeld
in artikel 49 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), bij
werkaanvaarding na school. In de praktijk is er behoefte aan een
dergelijke verklaring voor of op het moment waarop de dienstbetrekking wordt
aangegaan.
In het overgangsrecht
worden enkele situaties geregeld waarvan bedoeld was dat ook daarvoor de
no-riskpolis en premiekorting zouden blijven bestaan. Geregeld wordt
dat voor degene die onmiddellijk voorafgaande aan de intrekking van de Wet
Rea
weliswaar geen arbeidsgehandicapte meer was, maar waarvoor wel
aanspraak zou hebben bestaan op ziekengeld of premiekorting omdat hij
wel arbeidsgehandicapte was bij aanvang van de dienstbetrekking, dit ook
nadien mogelijk is.
In de
ZW,
Wet WIA, de WAO
en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) wordt tot slot voorgesteld dat
eventuele aanspraken op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering buiten beschouwing blijven, voor
zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld omdat de belanghebbende niet meewerkt aan een medisch
onderzoek. Thans mist het UWV adequate mogelijkheden om dergelijke aanspraken buiten
aanmerking te laten, voor zolang niet wordt meegewerkt. De wijziging beoogt te
bevorderen dat personen die een aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering indienen gevolg geven aan een oproep van het UWV voor
een medisch onderzoek.
rblz.|4|
3. Financiële gevolgen,
administratieve lasten en gevolgen voor de rechterlijke macht
Een belangrijk deel van
de wijzigingen in het onderhavige wetsvoorstel is technisch van aard. Deze
wijzigingen brengen geen financiële gevolgen met zich mee. Een tweetal
wijzigingen doet dit echter wel. Dit betreft het schrappen van het
toestemmingsvereiste uit artikel 7:629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de wijzigingen in de WGA-uitkeringssystematiek
die verband houden met het maximumdagloon.
Door het schrappen van
het toestemmingsvereiste wanneer een werknemer bij een andere werkgever
in dienst treedt, hoeft een werkgever geen toestemming meer te
vragen aan het UWV. Het vervallen van deze verplichting leidt tot
een vermindering van de administratieve last voor werkgevers en het
vervallen van een uitvoeringstaak bij het UWV. Uit informatie van het UWV
blijkt dat dit slechts sporadisch (15 keer per jaar) voorkomt en bovendien in
de praktijk geen extra tijd kost. Het effect op de administratieve lasten is
dus vrijwel nihil.
De wijzigingen in de
WGA-uitkeringssystematiek, die verband houden met het maximumdagloon,
leiden tot een hogere uitkering voor werkende WGA-gerechtigden met een
dagloon boven het maximumdagloon. Van de werkende gedeeltelijk
arbeidsgeschikten heeft circa 5% een loon verdiend dat hoger lag dan het
maximumdagloon. In de WGA komt dit neer op circa 500 personen per jaar. In
de meeste gevallen betreft dit lonen die niet ver boven het maximumdagloon
liggen. In de helft van deze gevallen gaat het bijvoorbeeld om een dagloon dat tussen de 100% en 120% maximumdagloon
ligt en in een kwart van
de gevallen om een dagloon dat tussen de 120% en 140%
maximumdagloon ligt. De meerkosten van deze wijzigingen worden geraamd
op structureel circa € 10 miljoen. In onderstaande tabel wordt een
meerjarig overzicht van de meerkosten gepresenteerd. Deze zijn in de
ramingen voor de SZW-begroting verwerkt.
| |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
Structureel |
Meerkosten
wijziging uitkeringssystematiek WGA
(x €|1 mln) |
1,9 |
2,9 |
3,7 |
4,5 |
5,2 |
10,0 |
Het wetsvoorstel
heeft welhaast geen effect op de uitvoering van de volksverzekeringen
door de Sociale
verzekeringsbank (SVB). Het effect op de uitvoeringskosten van de
SVB is dan ook nihil. De effecten voor het UWV
zitten met name in technische wijzigingen. Het effect hiervan op de
structurele uitvoeringskosten voor het UWV is eveneens nihil. Voorts
brengen de voorstellen eenmalige implementatiekosten mee voor het UWV. Deze kosten bedragen circa €|250
000,- en worden door het UWV gefinancierd uit het reguliere budget.
Dit wetsvoorstel heeft
geen gevolgen voor de rechterlijke macht. De regeling van de technische punten
leidt tot een verbetering van de wetgeving.
4. Gevraagde commentaren
Een concept van het
wetsvoorstel is aan het UWV en de SVB gezonden met het verzoek dit
wetsvoorstel van uitvoeringstechnisch commentaar te voorzien. Ook is het
conceptwetsvoorstel gezonden aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) met het
verzoek de toezichtbaarheidsaspecten van dit wetsvoorstel te
beoordelen. De ontvangen commentaren ¹ kunnen als volgt worden
samengevat.
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
rblz.|5|
UWV
Het
UWV is van oordeel
dat de onderhavige voorstellen goed uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.
Daarnaast maakt het UWV een aantal wettechnische opmerkingen en enkele
opmerkingen van redactionele en inhoudelijke aard. Deze opmerkingen
zijn verwerkt in dit wetsvoorstel.
SVB
De
SVB constateert dat
het wetsvoorstel geen directe invloed heeft op de taken van de SVB en
voorziet dan ook geen gevolgen voor de uitvoering. Wel vraagt de SVB de
aandacht voor een aantal onderwerpen dat het wetsvoorstel niet omvat,
maar dat de SVB graag in het wetsvoorstel opgenomen zou willen zien. De voorstellen van de SVB worden overgenomen.
Verschillende onderdelen
krijgen echter hun beslag in andere wetstrajecten dan dit wetsvoorstel.
IWI
De
IWI heeft het conceptwetsvoorstel beoordeeld op de mogelijkheden van het houden van
toezicht op rechtmatigheid en doelmatigheid. De uitgevoerde toets geeft
de IWI aanleiding tot het maken van één inhoudelijke opmerking. Deze suggestie
van de IWI is overgenomen in dit wetsvoorstel. Daarnaast maakt de IWI
enkele technische opmerkingen. Deze zijn eveneens
overgenomen.
Artikelsgewijs
Artikel
I.
Wijziging van
de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
In
artikel 24 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (hierna: IWS) is met
betrekking tot de kopjesregeling voor de werkloosheidswetten
opgenomen hoe de hoogte daarvan moet worden vastgesteld. In het
eerste en tweede lid wordt verwezen naar hoofdstukken
IIa en IIb van de
Werkloosheidswet (WW). Met de inwerkingtreding van de Wet
wijziging WW-stelsel vervalt met het afschaffen van de kortdurende uitkering een onderverdeling in de
hoofdstukken IIa en IIb (dit wordt vervangen door
hoofdstuk II).
Artikel 24 van de IWS wordt hieraan aangepast. Het is mogelijk dat met
betrekking tot lopende uitkeringen op grond van
hoofdstukken IIa of IIb van
de WW op een later moment (dat wil zeggen na 1 oktober 2006) zich
een situatie voordoet op grond waarvan recht op een kopje zou kunnen
ontstaan. Om te effectueren dat een persoon daar ook daadwerkelijk
aanspraak op kan maken, is het noodzakelijk dat overgangsrecht wordt opgenomen met
betrekking tot artikel 24. Hiertoe wordt een bepaling opgenomen in
artikel 34 van de IWS. Op grond daarvan blijft
artikel 24 zoals dat
luidde voordat het onderhavige artikel in werking treedt van toepassing met
betrekking tot een recht op uitkering waarvan de eerste
werkloosheidsdag is gelegen vóór 1 oktober 2006 (oftewel een recht op uitkering op
grond van
hoofdstukken IIa of IIb van de
WW). Aangezien de desbetreffende wijziging
van de WW in werking treedt met ingang van 1 oktober 2006, is het
noodzakelijk dat deze wijziging eveneens terugwerkende kracht heeft tot en met
deze datum. Dit bewerkstelligt dat recht op een kopje op een
uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW
kan ontstaan over uitkeringen
vanaf 1 oktober 2006 en niet pas vanaf de datum van
inwerkingtreding van dit artikel. Met betrekking tot het in artikel 34 van de
IWS
opgenomen overgangsrecht geldt hetzelfde.
Ten slotte wordt opgemerkt
dat nu met artikel 34 overgangsrecht aan rblz.|6|
hoofdstuk II, afdeling
XII, wordt
toegevoegd, het opschrift van die afdeling dient te worden
aangepast.
Artikel
II.
Wijziging van
de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria
Met
de invoering van de
Wfsv
is de grondslag voor de regels die zien op de afdracht van gelden door
het Rijk, van de Wet SUWI overgeheveld naar eerstgenoemde
wet. Ten
onrechte was daar in artikel 12, derde lid, van de
Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria geen rekening mee gehouden. Met de onderhavige wijziging wordt dit
gecorrigeerd.
Artikel
III.
Wijziging
van de Werkloosheidswet
Onderdeel A
Aan
artikel 6 van de WW wordt een lid toegevoegd. Deze toevoeging is bedoeld om buiten twijfel
te stellen dat gewezen overheidswerknemers met recht op wachtgeld
gebaseerd op de wachtgeldregelingen zoals die luidden op 31 december
2000 (ongeacht of dat recht is ingegaan vóór of na 1 januari 2001, het
tijdstip waarop de WW van toepassing is geworden op
overheidswerknemers)
niet in aanmerking komen voor een WW-uitkering ter zake van
dezelfde arbeidsverhouding. Deze toevoeging is bedoeld als complement op
het vervallen van artikel 7 van de WW
per 1 januari 2007 met de
inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel. Voor de definitie van
wachtgeld is aangesloten bij artikel 1, onderdeel r, van de
Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen. De
beoogde
inwerkingtredingsdatum van dit onderdeel is 1 januari 2007, de datum waarop
artikel 7
van de WW vervalt.
Onderdeel B
Op grond van de
Wet wijziging WW-stelsel is de duur van de WW-uitkering vanaf 1
oktober 2006 in beginsel drie maanden en wordt deze verlengd met één
maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur
van drie kalenderjaren overstijgt, indien de werknemer aantoont in de vier
kalenderjaren voorafgaand aan zijn eerste werkloosheidsdag over 52
of meer dagen loon te hebben ontvangen. Deze laatste eis is op dit
moment nog neergelegd in artikel 17, onderdeel b, onder
1º,
WW. Op grond van
de Wet wijziging WW-stelsel wordt dit aspect neergelegd in artikel
42,
tweede lid, onderdeel a, WW. Artikel 18
WW verwijst ten onrechte
naar artikel 42, tweede lid, WW
en niet naar onderdeel a van dat lid. Deze
technische omissie wordt door de onderhavige wijziging hersteld. Aan
dit onderdeel zal terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2006 worden
verleend.
Onderdeel C
Met de
Wet wijziging WW-stelsel is artikel 24, zesde lid, van de WW
in werking getreden. Daarmee
is de beperking van de verwijtbaarheidstoets in de WW
tot stand
gebracht in die zin dat meewerken aan of instemmen met beëindiging van de
dienstbetrekking niet langer leidt tot verwijtbare werkloosheid en eveneens
niet tot een benadelingshandeling. Bedoeling hiervan was pro-formaontslagprocedures overbodig te maken.
Verder vloeit uit
artikel 88, eerste lid, onderdeel d, van de
Wet WIA voort dat als tijdens de
periode waarin de werkgever een loonsanctie is opgelegd (dat wil zeggen de
loondoorbetalingsperiode op grond van artikel
25, negende lid, van de Wet WIA is verlengd) de werknemer zonder
deugdelijke rblz.|7|
grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd
met een beëindiging van
de dienstbetrekking, het UWV hem een maatregel moet opleggen.
In de
memorie van
toelichting bij de Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Kamerstukken II
2005-2006, 30 318,
nr. 3, blz. 17) is reeds
een vergelijkbare verplichting aangekondigd in de WW
voor de werknemer die
na de wachttijd op grond van de Wet WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In deze bepaling wordt met dit
onderdeel voorzien.
Dit is van belang om
werkgever en werknemer niet de mogelijkheid te bieden om - zonder
consequenties voor de WW-uitkering - de loonsanctie ineffectief te maken. Het
is immers niet gewenst de prikkel tot re-integratie van zieke werknemers te
ondergraven door een beëindiging van de dienstbetrekking door of met instemming van de werknemer. Bij het
ontslag stopt namelijk de
loondoorbetalingsplicht van de werkgever.
De consistentie van
beleid in WW en Wet
WIA
blijft met het opnemen van de genoemde uitzondering
in de WW gehandhaafd. Bij de formulering van artikel
24, tiende
lid, van de WW
is aansluiting gezocht bij artikel 45, zevende lid, van de
ZW.
Omdat de voorgestelde
tekst een uitzondering op de beperking van de toets op een
benadelingshandeling vormt, is in het voorgestelde artikel
24, tiende lid, de zinsnede "in afwijking van het zesde en zevende
lid" opgenomen.
Onderdeel D
Artikel
26, eerste lid,
onderdeel m, WW sluit niet aan bij de aanhef van dat lid. Daarnaast is het
onderdeel ten onrechte niet geformuleerd als een verplichting. Dit
onderdeel herstelt deze redactionele omissies.
Onderdeel E
In
artikel I, onderdeel W, onder 2, van de Wet
wijziging WW-stelsel is een wijziging opgenomen van
artikel 31, tweede lid, van de WW die in verband met een foutieve
wijziging niet kan worden doorgevoerd. Dit onderdeel ziet erop de
desbetreffende wijziging alsnog te bewerkstelligen. Aangezien de wijziging al
per 1 oktober 2006 doorgevoerd had moeten worden, is het wenselijk
dat aan de wijziging terugwerkende kracht wordt verleend tot en met 1
oktober 2006.
Onderdeel F
Artikel
42a van de WW regelt onder meer het verzorgingsforfait (het tweede lid) en vanaf 1
januari 2007 het mantelzorgforfait (het derde lid), op grond waarvan ook
kalenderjaren waarin niet over 52 of meer dagen loon is ontvangen onder
voorwaarden kunnen meetellen voor het arbeidsverleden. Op grond van het vierde
lid van artikel 42a (zoals dat met ingang van 1 januari 2007 komt
te luiden) vinden het tweede en derde lid geen toepassing indien de
verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een
halfjaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake
werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid. In die
situatie gelden het verzorgingsforfait en het mantelzorgforfait niet.
In artikel 15 van de Wet
WIA
is een soortgelijke bepaling opgenomen met
betrekking tot de opbouw van het arbeidsverleden ten behoeve van de
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering. In artikel
15, achtste lid, van de Wet WIA zoals dat met ingang van 1 januari 2007
komt te luiden, geldt het niet van toepassing rblz.|8|
zijn van het
verzorgingsforfait en het mantelzorgforfait zowel als de desbetreffende persoon in
een kalenderjaar langer dan een halfjaar recht heeft op een uitkering
ter zake van werkloosheid als wanneer hij ten minste gedurende die
periode recht heeft op een uitkering op grond van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering. Het is wenselijk dit laatste ook te
regelen met betrekking tot de arbeidsverledenopbouw voor de WW
en artikel
42a van de WW aldus te wijzigen. Het onderhavige onderdeel ziet hierop. De
beoogde inwerkingtredingsdatum van deze wijziging is 1 januari
2007. Dit betekent dat met betrekking tot kalenderjaren vanaf en met inbegrip van
2007 geen sprake kan zijn van arbeidsverledenopbouw met betrekking tot de WW
als gevolg van de toepassing van het
verzorgingsforfait of het mantelzorgforfait als de werknemer over dat kalenderjaar ten
minste gedurende een halfjaar recht heeft gehad op een uitkering op grond
van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering.
Onderdeel G en
artikel X,
onderdeel K (wijziging van de WAO), artikel
XII, onderdeel C
(wijziging van de Wet WIA), artikel XIV, onderdeel G (wijziging
van de ZW), en artikel XVII.
De artikelen
53, eerste
lid, onderdeel b, WW, 18, tweede lid, onderdeel b, van de
Wet WIA, 64,
tweede lid, onderdeel b, van de ZW en 81, tweede lid, onderdeel b, van de
WAO
luiden op dit moment als volgt: die Nederlander is en die is uitgezonden
om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking
te verrichten.
Hiermee wordt in de
werknemersverzekeringen de mogelijkheid geboden aan ontwikkelingswerkers
zich vrijwillig te verzekeren voor het risico van werkloosheid dan wel
arbeidsongeschiktheid. Met ingang van 1 januari 2001 wordt voor de
toelating van de vrijwillige verzekering voor de volksverzekeringswetten
de AOW en de Anw de inmiddels ingetrokken Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties BEU (later vervangen door de regeling van 2002 en
nu inmiddels die van 2005 [zie Regeling
aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2005, red.]) gebruikt. Deze regeling verving de vóór het
jaar 2001 gebruikte lijst van werkzaamheden c.q. ontwikkelingsorganisaties,
zoals die door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking was vastgesteld. De
nieuwe regeling wordt niet langer opgesteld door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking, maar door
Onze Minister in
samenwerking met de Minister van Ontwikkelingssamenwerking.
Op grond van
artikel VIII
van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW
en Anw is die
regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 aangewezen
als de regeling die tevens gebruikt moet worden bij de
vaststelling van de vrijwillige verzekering voor de AOW en de
Anw. In de praktijk
van de uitvoering van de vrijwillige verzekering voor de genoemde
werknemersverzekeringen werd met ingang van 1 januari 2001 dezelfde
regeling gebruikt. Met de voorgestelde wijziging wordt dit met
terugwerkende kracht tot die datum - ter voorkoming van onduidelijkheden
- vastgelegd. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de wijziging van
artikel 18 van de Wet
WIA
terugwerkende kracht tot en met 29 december 2005
krijgt, omdat die wet eerst per die datum in werking is getreden.
Onderdeel H
De onderhavige wijziging
van artikel 72a, eerste lid, onderdeel b, is louter redactioneel van aard.
rblz.|9|
Onderdeel I en
artikel IV,
onderdeel E (wijziging Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ)), artikel V, onderdeel E (wijziging Wajong),
artikel X, onderdeel I
(wijziging WAO), artikel XII, onderdeel I (wijziging Wet WIA), en
artikel XIV, onderdeel E
(wijziging ZW).
In de artikelen
76a WW,
37 Wet WIA, 52e
ZW, 65g
WAO, 67e WAZ en
59h Wajong
wordt de
proefplaatsing geregeld. In deze artikelen is geregeld dat wanneer de betrokkene
werkzaamheden op de proefplaats gaat verrichten, hij hiervan
mededeling moet doen aan het UWV
(of de eigenrisicodrager waar het de Wet WIA
betreft). Omdat het UWV respectievelijk de eigenrisicodrager
eerst toestemming moet geven voor het verrichten van werkzaamheden op een
proefplaats, zijn zij op de hoogte van het gaan verrichten van de werkzaamheden. Het is wel mogelijk dat op het
moment waarop toestemming
wordt gegeven niet precies bekend is wanneer de werkzaamheden
aanvangen of dat de feitelijke datum van aanvang afwijkt van de aanvangsdatum waarvan sprake was op het
moment waarop de
toestemming werd gegeven. De betrokkene zal in die gevallen het UWV
respectievelijk de eigenrisicodrager wel moeten informeren over de werkelijke
aanvangsdatum. Dit is hij echter al verplicht op grond van de algemene
informatieplicht die in de diverse wetten is opgenomen. De afzonderlijke
verplichting die is opgenomen in de genoemde artikelen kan daarom uit
het oogpunt van deregulering vervallen.
Onderdeel J, onder 1
Gelet op de systematiek
van de WW verdient het de voorkeur de termijn waarbinnen werkzaamheden
als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, mogen worden verricht te
stellen op 26 kalenderweken, in plaats van zes maanden.
Onderdeel J, onder 2
De wijziging van
artikel
77a, derde lid, van de WW betreft een redactionele wijziging.
Onderdeel K, onder 1
Artikel
130o wordt per 1
oktober 2006 aan de WW toegevoegd. Het betreft overgangsrecht in het
kader van de Wet wijziging WW-stelsel. Het artikel beoogt eerbiedigende
werking te verlenen aan de wijzigingen van de polisvoorwaarden in de WW
in verband met de inwerkingtreding van die wet. Het eerste lid van
artikel 130o regelt onder meer dat de wijziging van de polisvoorwaarden met
betrekking tot de duur en de hoogte van de uitkering alleen van
toepassing zullen zijn op personen van wie de eerste werkloosheidsdag gelegen
is op of na 1 oktober 2006. Bestaande uitkeringsrechten worden
dus niet aangetast. Bij een nieuw WW-recht dat ontstaat op of na 1
oktober 2006 zijn de artikelen 42, 42a
en 42b van de WW
van toepassing en dus ook
in geval van verlenging bij gedeeltelijke beëindiging.
De laatste zinsnede in
het eerste lid, die regelt dat voor een recht op uitkering met een eerste WW-dag die
is gelegen vóór 1 oktober 2006 de artikelen 42a
en 42b buiten
toepassing blijven, kan mogelijk tot verwarring leiden. In artikel 42b
wordt twee keer gesproken over rechten: "indien het recht op uitkering geheel
of gedeeltelijk is geëindigd" en "een nieuw recht op
uitkering". Bedoeld
is dat op een oud recht artikel 42b niet van toepassing is. Om dit te regelen, is
de laatste zinsnede van artikel 130o, eerste lid, evenwel niet
noodzakelijk. Dit is reeds op grond van onmiddellijke werking het geval. Het
eerdere recht, waarover in artikel 42b
gesproken wordt, kan zowel een
eerste WW-dag vóór als na 1 oktober 2006 hebben.
rblz.|10|
Om
onduidelijkheden te
voorkomen, zal de laatste zinsnede van het eerste lid geschrapt worden. De
onderhavige wijziging beoogt dus geen inhoudelijke wijziging, maar is louter
een verduidelijking.
Onderdeel K, onder 2
Per 1 oktober 2006 wordt
met de Wet wijziging WW-stelsel de invulling van de
verwijtbaarheidstoets en de benadelingshandeling (artikel 24 van de
WW) gewijzigd. In
artikel 130o, eerste lid, van de WW is overgangsrecht opgenomen met betrekking
tot onder meer die verwijtbaarheidstoets en benadelingshandeling.
In het eerste lid van dat artikel is onder meer geregeld dat
artikel 24 en 27 en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden op 30
september 2006 van toepassing blijven met betrekking tot een recht
op uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen op of vóór die
dag. Dit betekent dat voor personen met een eerste werkloosheidsdag
die is gelegen vóór 1 oktober 2006 de oude verwijtbaarheidstoets
geldt. Het is evenwel wenselijk dat met betrekking tot herlevingen van het
recht op uitkering die zich voordoen op of na 1 oktober 2006 de nieuwe
verwijtbaarheidstoets toegepast zal worden. Met dit doel wordt aan
artikel 130o een nieuw lid toegevoegd. Op grond van dat vijfde lid is met
betrekking tot herlevingen die zich voordoen op of na 1 oktober 2006 de
nieuwe verwijtbaarheidstoets en benadelingshandeling van toepassing. Artikel
27, dat betrekking heeft op het opleggen van een maatregel bij een
overtreding van de verplichtingen, bedoeld in artikel
24, is eveneens
aangepast in de Wet wijziging WW-stelsel.
Vanaf 1 oktober 2006
wordt de benadelingshandeling, waarnaar wordt verwezen in artikel
27,
namelijk niet langer in het zesde lid, maar in het vijfde lid van artikel 24
opgenomen.
Eén en ander betekent dus
dat voor de persoon met een eerste werkloosheidsdag vóór 1
oktober 2006 de huidige artikelen 24 en 27 van toepassing blijven. In
afwijking hiervan geldt dat indien er sprake is van een herleving van een
recht op WW-uitkering op of na 1 oktober 2006, de nieuwe
artikelen 24 en 27
van toepassing zijn, ook als de eerste werkloosheidsdag is
gelegen vóór 1 oktober 2006. Met betrekking tot gedragingen vóór 1
oktober en een eerste werkloosheidsdag vóór die datum zijn dus de oude
artikelen 24 en 27 van toepassing.
Met betrekking tot de
beide subonderdelen die artikel 130o
WW wijzigen, geldt dat terugwerkende
kracht tot en met 1 oktober 2006, de datum waarop artikel 130o
van
de WW in werking is getreden, noodzakelijk is.
Onderdeel L
De
Wet wijziging WW-stelsel voegt artikel 42b toe aan de
WW. In dat artikel wordt geregeld
dat de duur van een nieuw recht op uitkering wordt verlengd met de duur van
de verlengde uitkering van het eerdere WW-recht voor zover de
werknemer hierover geen uitkering heeft ontvangen als gevolg van
de eindiging van dat eerdere recht indien de werknemer met betrekking
tot het nieuwe recht niet voldoet aan de voorwaarden voor het ontstaan van het
recht op verlengde WW-uitkering. Vóór 1 oktober 2006 bestond er evenwel nog geen verlengde uitkering (wel een
loongerelateerde
uitkering of eventueel nog een kortdurende uitkering). Het is evenwel wenselijk
(en ook altijd beoogd) dat de resterende duur van die eerdere rechten
van vóór 1 oktober 2006 op dezelfde wijze kunnen leiden tot een verlenging
van een nieuwe uitkering als de resterende duur van eerdere rechten die
zijn ontstaan op of na 1 oktober 2006. Eerdere rechten van vóór 1
oktober 2006 kunnen dus leiden tot een verlenging van het nieuwe recht met de
resterende duur van dat eerdere recht minus drie maanden. De aftrek van
drie maanden is noodzakelijk omdat met betrekking tot de rechten die zijn
ontstaan vanaf 1 oktober 2006 ook uitsluitend rblz.|11|
de verlengde uitkering
tot verlenging van een nieuw recht kan leiden en niet de eerste periode
van drie maanden (waarop al recht ontstaat indien is voldaan aan de
wekeneis). Ter verduidelijking het volgende voorbeeld. Een persoon wordt op 1
december 2006 werkloos. Hij heeft op grond van artikel 17 juncto
42,
eerste lid, recht op een WW-uitkering van drie maanden. Daarnaast resteert uit
een ouder recht dat is ontstaan vóór 1 oktober 2006 een WW-duur van
acht maanden
(loongerelateerde uitkering). Die werknemer heeft dan een nieuw recht van
acht maanden. Zijn nieuwe recht is drie maanden op grond van
artikel 42, eerste lid, van de WW. Op grond van
artikel 42 juncto 42b
(met toepassing van het overgangsrecht dat op grond van dit onderdeel
wordt gerealiseerd) wordt die duur verlengd met vijf maanden (acht maanden
loongerelateerde uitkering minus drie maanden).
Het is wenselijk dat aan
dit artikel terugwerkende kracht wordt verleend tot en met 1 oktober
2006, de datum waarop artikel 42b van de
WW in werking is getreden.
Artikel
IV. Wijziging van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
Onderdeel A
In
artikel 1 van de WAZ
is nog een definitie opgenomen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Het Aof
komt echter niet meer voor in de WAZ. Derhalve kan de
definitie worden geschrapt.
Onderdeel B
Zie de
toelichting op
artikel V, onderdeel B.
Onderdeel C, onder 1
De hier voorgestelde
aanpassing is van redactionele aard.
Onderdeel C, onder 2
Met het voorgestelde
vierde lid van artikel 59 van de WAZ
wordt buiten twijfel gesteld dat bij
uitbetaling bij samenloop van een WAZ-uitkering met een uitkering op
grond van de Wet WIA uitgegaan moet worden van het bedrag aan
WAZ-uitkering waar recht op bestaat na anticumulatie in verband met inkomsten uit
arbeid.
Onderdeel D
Met het voorgestelde
vijfde lid van artikel 59a van de WAZ
wordt buiten twijfel gesteld dat bij
uitbetaling bij samenloop van een WAZ-uitkering met een uitkering op
grond van de WAO uitgegaan moet worden van het bedrag aan WAZ-uitkering
waar recht op bestaat na anticumulatie in verband met inkomsten uit
arbeid. Hetzelfde geldt bij toepassing van artikel 65
WAO.
Onderdeel E
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel I.
rblz.|12|
Artikel
V. Wijziging van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten
Onderdeel A en
artikel X,
onderdeel D (wijziging van de WAO), artikel
X, onderdeel E
(wijziging van de WAO), artikel XII, onderdeel K (wijziging
van de Wet WIA), en
artikel XIV, onderdeel D (wijziging van de Ziektewet)
Het komt voor dat
personen die een aanvraag om een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid
hebben ingediend geen gevolg geven aan een oproep voor een medisch
onderzoek. Deze wijziging beoogt het juist wel gevolg geven aan een
oproep te bevorderen.
Het is immers van belang
dat het onderzoek naar een arbeidsongeschiktheidsuitkering zorgvuldig plaatsvindt.
Daarbij kan niet zonder meer op de gegevens in
het dossier worden afgegaan. Het is derhalve gewenst dat betrokkene
wordt opgeroepen voor een medisch onderzoek. Het is ook redelijk dat betrokkene gevolg geeft aan een deugdelijke
oproep voor een medisch
onderzoek.
Wanneer betrokkene
hieraan geen gevolg geeft, kan de (mate van) arbeidsongeschiktheid en dus het recht
op
uitkering veelal niet worden vastgesteld. De wijziging behelst dat
in dat geval eventuele aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
buiten beschouwing blijven, voor zolang het recht op uitkering
niet kan worden vastgesteld. Dit is uiteraard alleen het geval zolang
betrokkene weigert op een oproep te verschijnen. Wanneer betrokkene wel
aan een onderzoek meewerkt, is dat niet langer grond om deze aanspraken buiten beschouwing te laten.
Voorgesteld wordt dit te
regelen in de Wet WIA, de ZW, de WAO
en de Wajong. De
WAZ behoeft op
dit punt geen wijziging omdat in verband met de inwerkingtreding
van de Wet einde toegang verzekering WAZ geen instroom in de WAZ zal
plaatsvinden.
Opgemerkt wordt dat de
zinsnede "voor zolang het recht op uitkering niet kan worden
vastgesteld"
betekent dat gedurende die periode de aanspraken buiten
aanmerking blijven. Zodra echter het medisch onderzoek wel heeft plaatsgevonden
en het recht op uitkering van betrokkene kan worden vastgesteld
(hij dient uiteraard aan de voorwaarden voor de uitkering te voldoen),
krijgt hij met terugwerkende kracht tot het moment waarop zijn uitkering zou
zijn ingegaan als hij direct aan het medisch onderzoek zou hebben meegewerkt, de uitkering toegekend.
Ten slotte wordt opgemerkt
dat in het zeer bijzondere geval waarin het dossier voldoende
gegevens bevat om de mate van arbeidsongeschiktheid en daarmee het recht op
uitkering vast te stellen de voorgestelde artikelen geen
toepassingen behoeven te vinden. Dit komt ook tot uitdrukking in de
zinsnede "naar het oordeel van het
UWV" in de voorgestelde teksten.
Onderdeel B en
artikel IV,
onderdeel B (wijziging van de WAZ)
Indien een
Wajong-gerechtigde inkomsten uit arbeid gaat genieten, wordt de uitkering op
grond van de Wajong in verband met die inkomsten niet ingetrokken of
herzien gedurende een tijdvak van vijf jaar. De inkomsten worden in
mindering gebracht op de uitkering (anticumulatie). In het tweede lid van
artikel 50 is een regeling getroffen voor de situatie waarin de arbeid
onderbroken wordt. Indien de periode van onderbreking van de werkzaamheden
langer is dan vier weken, dan wordt ook het tijdvak van vijf jaar onderbroken. Na hervatting van dezelfde arbeid als
vóór de onderbreking
vangt het resterende deel van de periode van vijf jaar aan. Met de
voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat dit uiteraard geldt voor de hervatting
in dezelfde arbeid als verricht vóór de onderbreking. rblz.|13|
Indien andere
arbeid is aanvaard, kan een nieuwe periode van vijf jaar ingaan. Deze
wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 29 december 2005, het
moment waarop de onderbrekingsregeling is gewijzigd.
Dezelfde verduidelijking
is opgenomen in artikel 44, tweede lid, van de
WAO en artikel 58, tweede
lid, van de WAZ. Daar gaat het om tijdvakken van ten hoogste drie
jaar. Voor het overige is de onderbrekingsregeling dezelfde.
Onderdeel C, onder 1
De hier voorgestelde
aanpassing is van redactionele aard.
Onderdeel C, onder 2
Met het voorgestelde
negende lid wordt buiten twijfel gesteld dat bij uitbetaling bij samenloop
van een Wajong-uitkering met een uitkering op grond van de Wet
WIA
uitgegaan moet worden van het bedrag aan Wajong-uitkering waar
recht op bestaat na anticumulatie in verband met inkomsten uit arbeid.
Onderdeel D
Met het voorgestelde
achtste lid wordt buiten twijfel gesteld dat bij uitbetaling bij samenloop van een
Wajong-uitkering met een uitkering op grond van de WAO
of de WAZ uitgegaan moet worden van het bedrag aan
Wajong-uitkering waar
recht op bestaat na anticumulatie in verband met inkomsten uit arbeid.
Het zelfde geldt bij toepassing van artikel 65
WAO.
Onderdeel E
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel I.
Onderdeel F
In
artikel 65 van de Wajong
wordt een onjuiste citeertitel van de IWIA gebruikt. Voorgesteld
wordt dit te corrigeren.
Artikel
VI.
Wijziging van
de Wet financiering sociale verzekeringen
Onderdelen A en B
Aan
artikel 17, eerste
lid, van de Wfsv wordt een zin toegevoegd. Deze zin dient ter verduidelijking
van het feit dat artikel 18, vierde lid, van de
Wfsv slechts ziet op het
maximumloon waarover de premie wordt geheven en niet op het
maximumdagloon. Voorts wordt in artikel 18, vierde lid, niet langer geregeld dat
het
maximumloon waarover premie wordt geheven op een hele euro naar
beneden wordt afgerond. Er is geen enkel doel gediend met een
dergelijke afronding.
Onderdeel C
Waar het aanvragen van
het eigenrisicodragerschap dient plaats te vinden bij de
belastinginspecteur, onder overlegging van een schriftelijke garantie van een
kredietinstelling of een verzekeraar waarin deze zich jegens het UWV
verplicht
op het eerste verzoek van het UWV die verplichtingen na te komen, ligt het
in
de rede dat de schriftelijke opzegging van rblz.|14|
de garantie door de
kredietinstelling of verzekeraar eveneens geschiedt bij de belastinginspecteur.
Onderdeel D, onder
1, en artikel XIV, onderdeel B, onder 1 (wijziging van de ZW)
Het kan voorkomen dat
iemand twee dienstbetrekkingen heeft, ziek wordt, maar de arbeid van
één
van zijn beide dienstbetrekkingen wel en de andere niet langer kan
uitoefenen. Met betrekking tot de dienstbetrekking waarvoor betrokkene ziek
is gemeld, vangt de wachttijd aan. Wanneer hij aan het einde van de
wachttijd voor die dienstbetrekking nog ziek is en in de andere
dienstbetrekking nog werkt, en minder dan 35% arbeidsongeschikt is, komt hij niet in
aanmerking voor de no-riskpolis op grond van artikel 29b, eerste lid,
onderdeel c, van de ZW en de premiekorting op grond van
artikel 49,
vijfde lid, van de Wfsv. Betrokkene werkt immers op het moment van dertien
weken vóór het einde wachttijd/einde verlengde loondoorbetaling bij een
andere werkgever. Hij voldoet dus niet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
29b, eerste lid, onderdeel
c, van de ZW en artikel
49, vijfde lid,
van de Wfsv. Omdat iemand die in dezelfde situatie in de andere
dienstbetrekking niet zou zijn blijven werken, wel recht zou hebben gehad
op de no-riskpolis/premiekorting, is de geschetste situatie niet gewenst. Het is
immers niet re-integratiebevorderend.
Met het oog hierop worden
artikel 29 [artikel 29b, red.], eerste lid, onderdeel c,
onder 2º, van de ZW
en artikel 49,
vijfde lid, onder 2º, van de Wfsv opnieuw geformuleerd. Uit de nieuwe formulering
blijkt dat wanneer de dienstbetrekking die op de eerste dag van dertien
weken voorafgaand aan de eerste dag na afloop van de wachttijd reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd, de
no-riskpolis en de
premiekorting wel van toepassing zijn (mits uiteraard aan de overige
voorwaarden is voldaan). Voor het reeds bestaan van de dienstbetrekking is
gekozen voor het moment van de eerste dag van de wachttijd om mogelijk
misbruik te voorkomen.
Onderdeel D, onder 2
Door de toevoeging van
een zevende lid aan artikel 49 Wfsv
ontstaat de mogelijkheid voor (aspirant-)werknemers om een verklaring van het UWV
te ontvangen of zij in
aanmerking komen voor de premiekorting, bedoeld in artikel
49, eerste
lid, onderdeel e of f, Wfsv. De verklaring kan, indien gewenst en mits de
(aspirant-)werknemer deze tijdig aanvraagt, worden afgegeven alvorens hij
een dienstbetrekking aangaat. Juist met het oog op het feit dat de
verklaring (ook) kan worden aangevraagd voordat de betrokkene als werknemer
kan worden beschouwd, wordt in het nieuwe elfde lid naast "werknemer" ook genoemd
"de persoon die verwacht een
dienstbetrekking met een
werkgever aan te zullen gaan".
Onderdelen E en
J, onder
2
De hier voorgestelde
aanpassingen betreffen redactionele verbeteringen.
Onderdeel F
Sinds 1 januari 2006 is
in de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en
Algemene Kinderbijslagwet de mogelijkheid opgenomen dat van horen kan worden
afgezien als de belanghebbende niet binnen een door de
Sociale verzekeringsbank (SVB) gestelde redelijke termijn verklaart dat hij
gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Deze
mogelijkheid is niet aangebracht in hoofdstuk 5 van de
Wfsv, dat de ontheffing
van verplichtingen op grond van volks- of werknemersverzekeringen wegens gemoedsbezwaren
betreft. Daardoor is de situatie ontstaan dat
voor verschillende regelingen binnen de SVB een rblz.|15|
afwijkend bezwaarregime
bestaat. Met het oog hierop wordt aan hoofdstuk 5 van de
Wfsv een artikel
toegevoegd waarmee de bedoelde mogelijkheid om af te zien van het
horen van belanghebbende wordt gecreëerd.
Onderdeel G,
J, onder 3,
en K, onder 2
In de
artikelen 100, 115
en 117 van de Wfsv
wordt een onjuiste citeertitel van de IWIA
gebruikt.
Voorgesteld wordt dit te corrigeren.
Onderdeel H
Door middel van de
Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 is in artikel 105 een derde lid
ingevoegd dat de bepaling van het maximumpercentage dat in een kalenderjaar
ten laste van het sectorfonds voor de uitzendbranche komt opnieuw formuleert.
Verzuimd is dat artikellid aan te passen aan de invoering van de Wet
WIA
waardoor de maximering niet van toepassing is op de
WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 104, eerste lid, onderdeel d
(zgn.
WGA-uitkeringslasten voor vangnetters). Dit verzuim wordt door middel van de
onderhavige wijziging hersteld.
Onderdeel I
Dit betreft een
technische wijziging in verband met een verkeerde verwijzing in het eerste, tweede en
derde lid van artikel 108 van de Wfsv.
Onderdeel J, onder 1
Re-integratietrajecten
voor personen met een Wajong-uitkering worden op grond van
artikel 65
van de Wajong
gefinancierd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten. De tekst van artikel 115, eerste lid, aanhef en
onder m, zou zo kunnen worden geïnterpreteerd dat die kosten ten laste
van het Arbeidsongeschiktheidsfonds kunnen worden gebracht. Om deze
onduidelijkheid weg te nemen, wordt aan de aanhef van artikel
115,
eerste lid, artikel 65 Wajong
toegevoegd.
Onderdeel J, onder 2
Zie de
toelichting op
artikel VI, onderdeel E.
Onderdeel J, onder 3
Zie de
toelichting op
artikel VI, onderdeel G.
Onderdeel K, onder 1
Artikel
91b van de WAO bepaalt dat ten aanzien van de
persoon wiens eerste
arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen vóór 1 januari 2004 artikel 117 van de
Wfsv van
toepassing is zoals dat artikel luidde op 31 december 2003. Hiermee
is beoogd te regelen dat de periode van vier jaar gedurende welke de WAO-uitkeringen op grond van
artikel 117 van
de Wfsv ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen niet geldt als de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag ligt vóór 1 januari 2004. In dat geval geldt een periode
van
vijf jaar. Artikel 117 van de Wfsv
bestond evenwel niet op 31 december 2003.
Op die datum was in artikel 76f van de
WAO geregeld wat ten laste
van de Arbeidsongeschiktheidskas kwam. De verwijzing in artikel
91b van de WAO is derhalve technisch onjuist. Door de inwerkingtreding van
de Wet WIA komen bovendien de personen voor wie die bekorting van de
WAO-periode zou gaan gelden niet meer in aanmerking voor een
WAO-uitkering, maar voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Dit
betekent dat de periode gedurende welke de rblz.|16|
WAO-uitkeringen ten laste
van de Arbeidsongeschiktheidskas komen altijd vijf jaar zou moeten
bedragen. Gelet hierop wordt in artikel 117, eerste lid, van de
Wfsv de periode
van vier jaar gedurende welke de WAO-uitkeringen ten laste
van de Arbeidsongeschiktheidskas komt, vervangen door een
periode van vijf jaar. Voorts wordt artikel 91b
van de WAO in verband hiermee
aangepast (zie artikel X, onderdeel L).
Onderdeel K, onder 2
Zie de
toelichting op
artikel VI, onderdeel G.
Onderdeel L
In
artikel 2.14,
onderdeel B, onder 2, van de IWIA is deze wijzigingsopdracht ten onrechte gegeven met
betrekking tot artikel 117b, derde lid, onderdeel e,
Wfsv. Daarin
kon de wijziging niet worden verwerkt. In dit onderdeel wordt met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 de wijzigingsopdracht
opnieuw gegeven, maar nu met betrekking tot het juiste onderdeel.
Onderdeel M
In
artikel
122b, vierde
lid, van de Wfsv is geregeld dat voor de jaren 2006 en 2007 in
artikel 46,
eerste en tweede lid, van die wet in plaats van
"de eigenrisicodrager met
betrekking tot de Arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel
40,
eerste lid, onderdeel b" wordt gelezen "de eigenrisicodrager met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 122d,
tweede lid". Eerstgenoemde zinsnede komt evenwel niet voor in
artikel 46, tweede lid, van de Wfsv. Teneinde het met betrekking tot
artikel 46, tweede lid, van de Wfsv
beoogde effect te bereiken, wordt met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 een nieuw elfde lid
toegevoegd aan artikel 122b van de
Wfsv.
Onderdeel N
Met
artikel
122e van de Wfsv is beoogd een wettelijk kader te scheppen voor het laten vervallen
van de differentiatie met betrekking tot de premie voor de
Arbeidsongeschiktheidskas met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006. Door de
verwijzing in artikel 122e van de
Wfsv naar artikel 38 van de
Wfsv wordt
ten
onrechte geregeld dat dan ook de differentiatie met betrekking tot de
premie voor de Werkhervattingskas zou vervallen. Met dit onderdeel wordt
het bereik van artikel 122e van de
Wfsv beperkt tot de premie voor de
Arbeidsongeschiktheidskas.
De onderhavige wijziging
van artikel 122e Wfsv
werkt terug tot en met 1 januari 2006 omdat het
hier een correctie betreft die betrekking heeft op de mogelijkheid om de
differentiatie met betrekking tot de premie voor de Arbeidsongeschiktheidskas
met terugwerkende kracht tot die datum te laten vervallen.
Artikel
VII.
Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Onderdelen A,
B,
C,
D en
F
Met
artikel 1.18 van de IWIA
is artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
per 29 december 2005 komen te vervallen. De benodigde technische
aanpassingen van de artikelen 5, 5a,
6 en 8 van de Ioaz
zijn daarbij evenwel niet doorgevoerd. Met dit artikel wordt
daarin alsnog voorzien.
Gelijktijdig wordt, met terugwerkende kracht tot rblz.|17|
en met 29 december 2005,
geregeld dat op degenen die eerst op grond van artikel
2, eerste
lid, onderdeel b, van de Ioaz
als gewezen zelfstandige werden aangemerkt en
thans op grond van het overgangsrecht van artikel 63 van
die wet de
voorwaarden voor het recht op uitkering van toepassing blijven zoals
die golden op 28 december 2005.
Onderdeel E en
artikel
VIII, onderdeel B (wijziging van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers)
De
Wet wijziging WW-stelsel wijzigt de verwijtbaarheidstoets in de WW
(artikel 24) inhoudelijk.
Als gevolg van die wijziging zal het aantal gevallen waarin sprake is van
verwijtbare werkloosheid afnemen. In de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en
Ioaz
is eveneens een maatregel opgenomen voor de situatie dat de
dienstbetrekking van een belanghebbende eindigt waarbij dit aan hem te
wijten is (artikel 20 van de beide wetten). Voor de invulling van die
verwijtbaarheidstoets in de Ioaw
en Ioaz is tot op heden aangesloten bij de
verwijtbaarheidstoets in de WW. In de Wet wijziging WW-stelsel is echter
verzuimd de desbetreffende wijzigingen ook mee te nemen met
betrekking tot de Ioaw en Ioaz. De onderhavige wijzigingen zien erop wat betreft de
verwijtbaarheidstoets in de Ioaw
en in de Ioaz aan te sluiten bij
de WW. Dit betekent dat artikel 20, eerste lid, van de Ioaw
en artikel 20,
tweede lid, van de Ioaz
geformuleerd worden overeenkomstig artikel
24, tweede lid, van de WW. Dit betekent dus een wijziging van de wijze
van toetsing aan verwijtbaarheid in de Ioaw
en de Ioaz overeenkomstig de
wijziging van de toetsing van verwijtbare werkloosheid zoals die op grond van de
Wet wijziging WW-stelsel is beoogd met betrekking tot de WW.
Als gevolg hiervan zal het aantal gevallen waarin sprake is van
verwijtbaarheid in de zin van artikel 20 van de Ioaw
en de Ioaz
dus afnemen.
Daarnaast wordt met betrekking tot de Ioaw
en Ioaz eveneens
(overeenkomstig artikel 24, zesde lid, van de
WW) geregeld dat louter het niet
voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen
van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door
of op verzoek van de werkgever niet leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het feit dat de dienstbetrekking
verwijtbaar is
geëindigd. Dit wordt geregeld in artikel 20, vijfde lid, van de
Ioaw
en de Ioaz.
Artikel
VIII.
Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Onderdeel A
Met de invoering van de
Wet WIA is de WW-uitkering geïncorporeerd in de
WGA. Daardoor ontvangt
een gedeeltelijk arbeidsongeschikte naast zijn WGA-uitkering geen
WW-uitkering meer. Gevolg daarvan is dat een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering (die even
lang duurt als de WW-uitkering) niet meer in aanmerking komt voor een Ioaw-uitkering. Dat is op zich geen probleem, omdat de betrokkene
- naast zijn WGA-vervolguitkering of WGA-loonaanvullingsuitkering - in voorkomend geval
een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangt.
Echter, als de WGA-vervolguitkering of WGA-loonaanvullingsuitkering
vervolgens eindigt, dan eindigt ook de eventuele toeslag.
Daarnaast kan zich ook de situatie voordoen dat een uitkeringsgerechtigde
tijdens de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering wordt
afgeschat naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% en,
nadat de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is
geëindigd, niet in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering
of WGA-vervolguitkering. Iemand die rblz.|18|
ouder is dan 50 jaar op
de dag van het ontstaan van het recht op loongerelateerde WGA-uitkering is daardoor
slechter af dan in de vroegere situatie de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte die op de leeftijd van 50 jaar of ouder recht kreeg op
een
gedeeltelijke WAO-uitkering en daarnaast in eerste instantie een
loongerelateerde WW-uitkering. Immers, deze laatste had bij eindiging van
de WAO-uitkering als gevolg van een afschatting aanspraak op een (hogere)
Ioaw-uitkering, terwijl eerstgenoemde persoon nu bij eindiging
van zijn WGA-vervolguitkering of WGA-loonaanvullingsuitkering, dan wel het daarvoor niet
in aanmerking komen omdat hij reeds in de
loongerelateerde fase is afgeschat, geen aanspraak heeft op een Ioaw-uitkering (en
evenmin op een toeslag). Hij zal mogelijk een beroep moeten doen op de Wwb, waarbij de vermogenstoets een rol kan spelen. Met onderdeel b
in het voorgestelde artikel 2 van de Ioaw
wordt geregeld dat ook in dit
laatste geval recht op Ioaw-uitkering ontstaat.
Onderdeel B
Zie de
toelichting op
artikel VII, onderdeel E.
Artikel
IX.
Wijziging van
de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
Onderdeel A
Omdat
hoofdstuk 4 van de Wet
WIA
geen paragraaf 2 maar een paragraaf 4.2 kent, wordt de
verwijzing naar deze paragraaf in artikel 2.6
IWIA gecorrigeerd.
Onderdeel B
Artikel
2.7b van de IWIA bepaalt dat het Besluit
SUWI mede is gebaseerd op
artikel 2.7 van de IWIA. Blijkens de toelichting op
artikel
2.7b (Kamerstukken II
2005-2006, 30 318, nr.
6, blz. 16 en 17) wordt met dit artikel beoogd de bepalingen uit het
Besluit SUWI die zien op het persoongebonden re-integratiebudget (PRB)
van een nieuwe grondslag te voorzien. Abusievelijk is in artikel
2.7b niet
als nieuwe grondslag artikel 2.7a
IWIA (dat het PRB betreft), maar
artikel 2.7 IWIA (dat het experimentele
PRB betreft) genoemd. Deze omissie
wordt met de voorgestelde wijzigingen van artikel 2.7 gecorrigeerd.
Onderdeel C
In de
artikelen 2.8 en
2.9 van de IWIA zijn reeds de middelen en de uitgaven van het
Reïntegratiefonds geregeld. In het toe te voegen artikel 2.7c
wordt de beheerstaak
van dat fonds aan het UWV opgedragen.
Artikel
X.
Wijziging van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A
In de
Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
is aan artikel 1 van de
WAO een onderdeel m toegevoegd. Daarbij is verzuimd de
punt aan het slot van onderdeel l te vervangen door een puntkomma. Met
dit onderdeel wordt daarin alsnog voorzien.
Onderdeel B
In
artikel 120, onderdeel
b, van de Wet WIA is geregeld dat geen recht op een uitkering op grond
van de Wet WIA bestaat als recht bestaat op rblz.|19|
toekenning van een
WAO-uitkering op grond van artikel
43a van de WAO. In laatstgenoemd artikel
worden twee situaties geregeld:
1. een ingetrokken
WAO-uitkering wordt binnen vijf jaar heropend ("toegekend") als de
betrokkene opnieuw arbeidsongeschikt wordt, terwijl deze
arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit dezelfde oorzaak op basis waarvan de eerdere
WAO-uitkering was toegekend;
2. als de betrokkene na
het einde van de wachttijd niet arbeidsongeschikt is, wordt er binnen vijf
jaar alsnog een WAO-uitkering toegekend als deze
arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit dezelfde oorzaak op basis waarvan de wachttijd is
voltooid.
Ondanks het feit dat aan
de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan, kan het zich echter
voordoen dat toch geen WAO-uitkering wordt toegekend.
Artikel 43a WAO
is
namelijk niet van toepassing als artikel 29b
van de ZW toepassing kan
vinden en het ziekengeld op grond van dat artikel hoger is dan de WAO-uitkering (zie
artikel 43a, vierde lid, WAO). Het
gevolg daarvan is dat de
betrokkene na het einde van de periode waarin het ziekengeld wordt
ontvangen geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering (zoals in de situatie voordat de
Wet WIA in werking trad),
terwijl dat wel de bedoeling is. Immers, het is ongewenst dat geen aanspraak op een
WAO-uitkering ontstaat enkel en alleen omdat de betrokkene in de beide hiervoor genoemde situaties eerst recht heeft op
ziekengeld. De oorzaak
van het feit dat geen aanspraak op een WAO-uitkering ontstaat, is
dat de betrokkene na het einde van het recht op ziekengeld niet meer als
verzekerde wordt aangemerkt voor de WAO (zie artikel 16
WAO), terwijl
artikel 19 WAO die voorwaarde wel stelt.
Het is de bedoeling van
de wetgever geweest deze personen na het einde van de ziekengeldperiode,
waarin een wachttijd voor de WAO van 104 weken gaat lopen, recht
te geven op toekenning van een WAO-uitkering, ook al is de hernieuwde
arbeidsongeschiktheid ná 1 januari 2004 ingetreden. Om dit te bereiken, wordt
in dit wetsvoorstel een wijziging voorgesteld van artikel 16 van de
WAO.
Hierbij wordt opgemerkt
dat het niet nodig is artikel 120 van de Wet
WIA
te wijzigen, omdat in
onderdeel a van dat artikel reeds wordt geregeld dat de persoon die is
verzekerd op grond van artikel 16 WAO
geen recht heeft op uitkering op grond van
de Wet WIA.
Om de genoemde bedoeling
van de wetgever vorm te geven, is het nodig dat de betrokkene op het
moment dat de ziekengeldperiode aanvangt, verzekerd is op grond van
de WAO. Deze voorwaarde vloeit voort uit artikel
19, eerste lid,
waarin het begrip "verzekerde" wordt gebruikt.
Omdat betrokkene, gelet
op artikel 16 WAO, op dat moment niet is verzekerd (hij is immers na 1
januari 2004 arbeidsongeschikt geworden), dient dat artikel te worden
aangepast. Er wordt daarom een wijziging van artikel 16
WAO voorgesteld. In de aan artikel 16 WAO
toe te voegen onderdelen d en e wordt geregeld
dat de personen, bedoeld in artikel 43a
WAO, verzekerd zijn vanaf het
moment van aanvang van de periode waarin zij ziekengeld op grond van
artikel 29b ZW ontvangen. Ze voldoen daardoor aan de voorwaarde van
artikel 19 dat men bij aanvang van de wachttijd
arbeidsongeschikt moet zijn en kunnen, mits zij voldoen aan de overige voorwaarden, in aanmerking
komen voor een WAO-uitkering.
Hierbij wordt opgemerkt
dat het niet nodig is te regelen dat bedoelde personen tijdens de
wachttijd van 104 weken (waarin ziekengeld op grond van artikel 29b
ZW wordt
ontvangen) verzekerd zijn, want men dient "slechts" verzekerd te
zijn op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (de dag waarop de wachttijd
begint te lopen).
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat in het aan artikel 16 WAO
toe te voegen onderdeel d
de persoon, bedoeld in onderdeel a, van artikel
43a, eerste lid, WAO,
wordt bedoeld. En in het aan artikel 16 toe te voegen
rblz.|20|
onderdeel e de persoon,
bedoeld in onderdeel b, van artikel 43a, eerste lid,
WAO.
Onderdeel C en artikel XII, onderdeel S (wijziging van de Wet WIA)
In deze onderdelen worden
tekstuele omissies in artikel 29g van de
WAO en artikel 96 van de
Wet WIA gecorrigeerd.
Onderdelen D en
E
Zie de
toelichting op
artikel V, onderdeel A.
Onderdeel F
De hier voorgestelde
aanpassing is van redactionele aard.
Onderdeel G
In
artikel XI, onderdeel La, van de Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
was een wijziging van
artikel 43d van
de WAO opgenomen. Daarbij
is in het laatstgenoemde artikel het woord
"lid" weggevallen. Dit
wordt hier hersteld.
Onderdeel H
Zie de
toelichting op
artikel V, onderdeel B.
Onderdeel I
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel I.
Onderdeel J
Zoals reeds opgemerkt in
het verslag van de werking van de Wet
Instroomcijfers WAO, dat
op 30 maart 2006 is aangeboden aan beide kamers der
Staten-Generaal, is het niet zinvol om in 2006 en latere jaren nog instroomcijfers
WAO te publiceren, omdat in verband met de Wvlz
2003 en de
Wet WIA alleen nog
instroom in de WAO plaatsvindt op grond van oude rechten. Om die
reden vervalt artikel 80a van de WAO
met terugwerkende kracht tot en met 1
januari 2006.
Onderdeel K
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel G.
Onderdeel L
Zie de
toelichting op
artikel VI, onderdeel K, onder 1.
Artikel
XI.
Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
Onderdeel A
Op enig moment is een
onderdeel in artikel 30, eerste lid, van de
Wet SUWI
vervallen zonder dat
er is verletterd, waarna in een daaropvolgende wijziging van
artikel 30, eerste lid, is uitgegaan van de "oude" situatie. Dit wordt met
dit artikel hersteld.
rblz.|21|
Onderdeel B
Bij de aanpassing van
artikel 83i van de Wet SUWI in de Verzamelwet
sociale verzekeringen 2006 met het oog op het versnellen van de integratie van het
verzekerdenbericht en de arbeidsverledenbeschikking tot 1 januari 2009 is ten
onrechte het lid komen te vervallen waarin overgangsrecht was opgenomen voor de
inhoud van de arbeidsverledenbeschikking. Het gaat erom dat de
periode waarover het arbeidsverleden wordt gemeld langer of
korter kan zijn dan vijf jaar en dat het tijdstip van melding van het
arbeidsverleden kan afwijken van de periode van achttien maanden na een tijdvak
van vijf kalenderjaren. Ook al is de overgangsperiode bekort, dan nog is het
noodzakelijk bij wet deze afwijkingen toe te staan. Deze wijziging betreft een correctie en werkt daarom terug tot
1 januari 2006 [tot en met 1 januari 2006, red.], dat wil
zeggen het tijdstip waarop dit artikel 83i
in werking is getreden. Voor de
uitvoering is deze afwijkingsmogelijkheid in de fase van de introductie van de
arbeidsverledenbeschikking noodzakelijk.
Wegens het belang van zo
volledig mogelijke informatie aan de werknemers is er geen sprake van
enige benadeling van de werknemer.
Onderdeel C
Bij de aanvulling van
artikel 84, eerste lid, van de Wet SUWI met bepalingen uit de
Wet WIA is ten
onrechte naar artikel 76, zesde lid, van de
Wet WIA verwezen. Bedoeld
is in plaats daarvan te verwijzen naar artikel
77, zesde lid, van de Wet WIA. Dit wordt in dit onderdeel gecorrigeerd.
Artikel
XII.
Wijziging
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel A
In
artikel XV, onderdeel A, van de Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
was een wijziging van
artikel 4 van de Wet WIA
opgenomen.
Daarbij was bedoeld de zinsnede "arbeidskundige" te laten vervallen.
Echter verwezen werd naar het woord "arbeidskundig", daarnaast was verzuimd de
rest van de zinsnede aan te passen. Dit wordt hier hersteld.
Onderdeel B
Deze wijziging ziet erop
om aan te sluiten bij een wijziging op grond van artikel I, onderdeel
BB,
van de Wet wijziging WW-stelsel met betrekking tot de vaststelling van
dagen die niet als loon moeten worden beschouwd voor het vaststellen van
het arbeidsverleden. Hiermee wordt geregeld dat uitkeringen die weliswaar
niet zijn aan te merken als een WW-uitkering, als uitkering op grond
van hoofdstuk 7 van de Wet
WIA, met uitzondering van een uitkering aan de
persoon die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen
van het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van
die wet, of als
uitkering op grond van de WAO, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%, maar feitelijk naar aard en strekking hiermee
overeenkomen, eveneens niet als loon wordt beschouwd. Deze
toevoeging voor de vaststelling van het arbeidsverleden voor de WW wordt dus
overeenkomstig opgenomen voor het vaststellen van het arbeidsverleden
met betrekking tot de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering.
Daarnaast is besloten om (evenals in het nieuwe artikel 42a, zesde lid,
van de WW) het desbetreffende lid in onderdelen op te splitsen, om zo de
inzichtelijkheid te vergroten. Uitsluitend artikel
15, elfde lid, onderdeel
d,
is een toevoeging ten opzichte van de huidige regeling. De beoogde
inwerkingtredingsdatum van dit onderdeel is 1 januari 2008.
rblz.|22|
Onderdeel C
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel G.
Onderdeel D
In
artikel 23, zesde lid,
van de Wet WIA wordt ten onrechte verwezen naar artikel
65, hetgeen met
dit onderdeel wordt gecorrigeerd. Bedoeld is te verwijzen naar artikel
66. Artikel 66 en niet artikel 65 stelt
immers regels met betrekking tot de
verkorte wachttijd. Het is niet nodig dat bij de aanvraag om verkorte wachttijd een re-integratieverslag (dat in
artikel 65
wordt geregeld) wordt
ingediend. De verklaring, bedoeld in artikel 66, derde lid, is voldoende.
Onderdeel E
Op grond van
artikel 24
van de Wet WIA bestaat voor het UWV
de mogelijkheid om op gezamenlijk verzoek
van werkgever en werknemer het tijdvak waarover de WIA-verzekerde recht heeft op loon of bezoldiging te verlengen. De
toelichting
op artikel 24 Wet WIA
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, nr. 3, blz. 157)
vermeldt dat de mogelijkheid van verlenging van het bedoelde tijdvak alleen
geldt voor zover de werkgever het loon of de bezoldiging doorbetaalt.
Wanneer er recht op ziekengeld bestaat, kan het bedoelde tijdvak dus niet
worden verlengd. Deze uitzondering die wel in artikel
19, zevende lid,
van de WAO (zie voor de toelichting op dit artikel Kamerstukken II
2000-2001,
27 678, nr. 3, blz. 20) is opgenomen en welk artikel dezelfde achtergrond en
grotendeels dezelfde inhoud kent als artikel 24 van de
Wet WIA, is in
artikel 24, eerste lid, van de Wet WIA ten onrechte niet opgenomen. Dit wordt
met dit onderdeel gecorrigeerd.
Hierbij wordt opgemerkt
dat artikel 24 van de Wet
WIA
niet alleen ziet op de werkgever die op grond
van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek het loon moet
doorbetalen, maar ook op de werkgever die daartoe is verplicht op
grond van artikel 76a van de ZW. Met het oog hierop wordt niet alleen
een uitzondering op de mogelijkheid om de loondoorbetalingsperiode vrijwillig te verlengen
gecreëerd in geval van toepasselijkheid van
artikel 29 en 29a, eerste of vierde lid, van de
ZW, maar ook in geval van de
situatie, bedoeld in artikel 76c, onderdeel a, van de
ZW. Dit betekent dat
als de betrokken werknemer recht heeft op een vergoeding of uitkering
krachtens een wettelijk voorgeschreven verzekering, de werkgever en werknemer
de loondoorbetalingsperiode, bedoeld in artikel 76a
van de ZW,
niet vrijwillig kunnen verlengen.
Onderdeel F, onder 1
Omdat de verplichtingen
waarvan in artikel 25, negende lid, van de Wet
WIA
wordt gesproken in
dezelfde zin staan, wordt de tekst van lid redactioneel aangepast.
Hoewel ook uit het
veertiende lid van artikel 25 van de Wet
WIA
blijkt dat het tijdvak van de
loonsanctie, bedoeld in artikel 25, negende lid, ten hoogste 52 weken is,
wordt dit ter verduidelijking ook aan dat negende lid toegevoegd. Met deze
wijziging is nadrukkelijk geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar slechts een
verduidelijking in het artikellid dat de loonsanctie regelt.
Onderdeel F, onder 2
In
artikel 25, tiende
lid, van de Wet WIA zijn de beslistermijnen opgenomen in verband met het
opleggen van de loonsancties. Daarin is opgenomen dat de beschikking zes
weken vóór afloop van de wachttijd moet worden gegeven. Dit is
een absolute termijn, dat is niet de bedoeling. De rblz.|23|
beschikking moet
uiterlijk zes weken voor afloop van de wachttijd worden gegeven. De tekst wordt
hierop aangepast.
Onderdeel F, onder 3
Door de wijziging van
artikel 25, veertiende lid, wordt bereikt dat wanneer het UWV
de beschikking,
bedoeld in dat lid, bijvoorbeeld één dag te laat afgeeft (zie in dit kader
ook artikel 25, dertiende lid), het tijdvak van de loondoorbetaling niet
één
week eerder maar één dag eerder eindigt.
Verder wordt in het kader
van de verduidelijking in artikel 25, negende lid, van de
Wet WIA ook het
veertiende lid van artikel 25 van de Wet
WIA
aangepast, zodat
duidelijk is dat waar in dat artikellid over "tijdvak" wordt gesproken, daarmee wordt
bedoeld het tijdvak, bedoeld in het negende lid van artikel 25 van de
Wet WIA.
Onderdeel G
In
artikel 27, derde lid,
is een bepaling opgenomen die de strekking heeft dat de informatie- en medewerkingsverplichtingen ook gelden ten
opzichte van de Centrale
organisatie werk en inkomen en re-integratiebedrijven,
die een taak hebben bij de re-integratie. Door de huidige redactie van dat
lid zou de indruk kunnen ontstaan dat de informatieplicht alleen
geldt wanneer er sprake is van een oproep, vraag of onderzoek. Bedoeld is
echter de algemene informatieplicht zoals neergelegd in artikel
27, eerste
lid, onverkort ook van toepassing te laten zijn. Met de hier voorgestelde
wijziging wordt dat verduidelijkt.
Onderdeel H
Het recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling dat in artikel 34
Wet WIA is geregeld, is een
recht jegens het UWV. Het recht is dus niet bedoeld voor de verzekerde voor
wiens re-integratie de eigenrisicodrager op grond van artikel
42 verantwoordelijk
is.
Omdat de
eigenrisicodrager op grond van artikel 83, derde lid,
Wet WIA ervoor kan kiezen de
betaling van de WGA-uitkering aan het UWV over te laten, waarna het UWV de
uitkering op hem verhaalt, kan verwarring ontstaan over de zinsnede "en wiens uitkering door het UWV wordt
betaald" in
artikel 34,
eerste lid. Teneinde dergelijke verwarring te voorkomen, wordt artikel
34, eerste
lid, op dit punt gewijzigd.
Onderdeel I
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel I.
Onderdeel J
Met betrekking tot de
instroomcijfers Wet WIA wordt de berekeningswijze verduidelijkt. Tevens
vindt een aanpassing plaats die verband houdt met de Wvlz
2003. Aangezien in
die wet de wachttijd voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is verlengd van één naar twee jaar, is voor de berekening van
het instroompercentage het gemiddeld aantal werknemers van twee jaar
geleden relevant in plaats van één jaar geleden.
Onderdeel K
Zie de
toelichting op
artikel V, onderdeel A.
rblz.|24|
Onderdelen L en
N
Voor een toelichting op
deze onderdelen wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting.
Opgemerkt wordt dat de
wijziging van artikel 61, derde lid, een redactionele wijziging betreft.
Onderdeel M
In dit onderdeel wordt
een tekstuele omissie in artikel 58 Wet
WIA
gecorrigeerd.
Onderdeel O
In
artikel 62, eerste
lid, Wet WIA is de hoogte van de vervolguitkering van de WGA-uitkering (hierna:
vervolguitkering) geregeld. Die uitkering kan zijn gebaseerd op het
minimumloon per maand of op het maandloon. Voor de situatie waarin
niet over de gehele kalendermaand recht op uitkering bestaat (bijvoorbeeld
wanneer de vervolguitkering halverwege de maand ingaat) en de
vervolguitkering is gebaseerd op het maandloon, bepaalt artikel
13,
vierde lid, onderdeel b, Wet WIA hoe de hoogte van de uitkering dient te worden
berekend. Die wijze van berekening van de hoogte van de
vervolguitkering is niet geregeld voor de situatie waarin de vervolguitkering is
gebaseerd op het minimumloon per maand en niet over de gehele
kalendermaand recht op uitkering bestaat. Omdat is gebleken dat hier in de
uitvoering van de Wet WIA behoefte aan bestaat, wordt de wijze van
berekening van de hoogte van de vervolguitkering in de genoemde situatie aan
artikel 62, eerste lid, Wet WIA toegevoegd. Voor de formulering van deze
zin is aansluiting gezocht bij artikel 13, vierde lid, onderdeel b,
Wet WIA.
Hierbij wordt opgemerkt
dat bij de formulering van de aan artikel 62, eerste lid, van de
Wet WIA toe te voegen zinnen is uitgegaan van het feit dat het voorstel van Wet
bevordering naleving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ¹ op
hetzelfde tijdstip in werking treedt als dit
wetsvoorstel. De Wet
bevordering naleving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
wijzigt namelijk artikel 12, eerste lid, van de
Wet WIA zodanig dat het
begrip minimumloon in de Wet WIA wordt gedefinieerd als minimumloon per
maand.
1. Wellicht wordt hier het
voorstel van wet tot wijziging van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met de invoering van
bestuursrechtelijke handhaving bedoeld, hoewel daarin de
Wet WIA niet wordt gewijzigd, red.
Onderdeel P
In
artikel 77, vijfde
lid, wordt ten onrechte naar artikel 77 verwezen. De wijze van
tenuitvoerlegging die in dit artikel wordt bedoeld, is omschreven in artikel 78 (dat weer
verwijst naar artikel 96). Met dit onderdeel wordt dit gecorrigeerd, waardoor
overigens dezelfde structuur als in artikel 57, vijfde lid, van de
WAO wordt gehanteerd.
Onderdeel Q
Uit
artikel 83, tweede
lid, van de Wet WIA volgt dat de eigen risico
dragende werkgever van de loonaanvullingsuitkering die hij aan de werknemer
betaalt niet hoeft te
betalen het bedrag ter hoogte van de vervolguitkering die de werknemer zou
hebben ontvangen als hij geen recht zou hebben gehad op een
loonaanvullingsuitkering. Gelet op artikel 60, derde lid, van de
Wet WIA is
het ten aanzien van de verzekerde die slechts in staat is om met arbeid
ten hoogste 20% van het maatmaninkomen per uur te verdienen niet
mogelijk te rblz.|25|
bepalen welk bedrag de eigen risico dragende werkgever op grond van
artikel 83 op het UWV kan verhalen. De in artikel
60, derde lid,
bedoelde verzekerde ontvangt immers nimmer een vervolguitkering. Om met
betrekking tot deze verzekerde toch te kunnen bepalen welk bedrag de
eigen risico dragende werkgever op het UWV kan
verhalen, wordt aan
artikel 83, tweede lid, van de Wet WIA een volzin toegevoegd. Daarin wordt
bepaald dat in plaats van het bedrag van de vervolguitkering 70% van het
minimumloon in mindering moet worden
gebracht op het bedrag
van de loonvullingsuitkering.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat deze wijziging doorwerking heeft op de bedragen die
op grond van artikel 117b, derde lid, onderdeel e, van de
Wfsv ten laste
van de Werkhervattingskas worden gebracht.
Gelet echter op de tekst
van dat artikelonderdeel is het niet nodig de Wfsv
op dit punt te wijzigen.
Onderdeel R, onder 1
De hoofdregel bij het
betalen van uitkeringen op grond van de Wet WIA door eigenrisicodragers
aan uitkeringsgerechtigden is dat het UWV de uitkeringen betaalt,
tenzij de eigenrisicodrager aangeeft dit zelf te willen doen (zie artikel 83 van
de Wet WIA). Op deze manier wordt aangesloten bij de bestaande situatie
in de WAO. Bij deze hoofdregel past dat het UWV voor de betaling van de
uitkering geen kosten in rekening brengt bij de eigenrisicodrager. Dit
ligt te meer voor de hand omdat in geval van een loonaanvullingsuitkering
van de WGA-uitkering er in alle gevallen kosten verrekend dienen te
worden tussen het UWV en de werkgever. Het betreft namelijk óf het deel ter
hoogte van de vervolguitkering óf het deel ter hoogte daarboven (zie ook
artikel 83, tweede lid, van de Wet WIA).
Gelet hierop is de
huidige tekst van artikel 86, eerste lid, van de
Wet WIA onduidelijk. Het UWV
brengt alleen kosten in rekening als de eigenrisicodrager de uitkering niet wil of
niet kan betalen en het UWV de betaling moet overnemen. De nieuwe
redactie van artikel 86, eerste lid, beoogt aan te sluiten bij deze praktijk.
Onderdeel R, onder 2
In
artikel 86 van de Wet
WIA
wordt ten onrechte naar artikel 82, derde lid, van
die wet verwezen.
Bedoeld wordt te verwijzen naar het verhaal, bedoeld in artikel
83,
derde lid, van de Wet WIA. Dit wordt in dit onderdeel gecorrigeerd. Het is
gewenst dat aan dit onderdeel terugwerkende kracht wordt verleend tot en
met
de inwerkingtredingsdatum van de Wet WIA, te weten 29 december 2005.
Opgemerkt wordt dat de
wijzigingen van artikel 86, eerste lid, in twee onderdelen zijn opgenomen
omdat de wijziging onder 2 terugwerkende kracht tot en met 29
december 2005 zal krijgen en de wijziging onder 1
niet.
Onderdeel S
Zie de
toelichting op
artikel X, onderdeel C.
Onderdeel T
De aanhef van
artikel 120
van de Wet WIA eindigt met "de persoon
die". Omdat de onderdelen
b en
c van artikel 120 ook beginnen met "de persoon
die" loopt de
tekst van artikel 120 niet goed door. Dit wordt met dit onderdeel
gecorrigeerd.
Onderdeel U
Zowel in
artikel 128 als
in artikel 131 Wet WIA
wordt overgangsrecht met betrekking tot artikel
90, derde lid, Wet WIA geregeld. Omdat artikel 128 overbodig is, kan het
vervallen.
rblz.|26|
Onderdeel V
De
Wet wijziging WW-stelsel wijzigt de artikelen 59 en 61 van de
Wet WIA. Die wet voegt een
overgangsartikel toe aan de Wet WIA op grond waarvan met betrekking
tot de persoon wiens recht op een WGA-uitkering is ontstaan vóór de dag
van inwerkingtreding de artikelen zoals ze op die dag luidden van toepassing blijven.
In
artikel 127 van de Wet
WIA
is echter overgangsrecht opgenomen met betrekking tot artikel
59, eerste lid, van de Wet WIA voor de verzekerde wiens recht ontstaat
vóór
1 januari 2008. Artikel 127 vervalt niet en wordt niet gewijzigd, hetgeen
ook niet de bedoeling is. Dit betekent dat nog altijd de bepaling van
artikel 127 onverkort geldt. De bepaling die is ingevoegd bij de Wet
wijziging WW-stelsel brengt daar geen verandering in. De wijze waarop het
artikel ten aanzien van personen wiens recht is ontstaan vóór 1 januari 2008 gelezen moet worden, blijft gelijk. Het artikel
dat is ingevoegd bij de
Wet wijziging WW-stelsel is derhalve overbodig daar waar het betrekking
heeft op artikel 59. De onderhavige wijziging ziet erop dit te corrigeren.
Onderdeel W
De verwijzing in
artikel
134 Wet WIA naar artikel 35
Wet WIA is niet juist, nu in artikel 35 niet
over de bedoelde verplichting wordt gesproken. De juiste verwijzing naar
artikel 33 Wet WIA wordt met dit onderdeel aangebracht.
Artikel
XIII.
Wijziging
van de Wet wijziging WW-stelsel
Artikel II, onderdeel
B,
onder 2 en 3, van de Wet wijziging WW-stelsel kan vervallen. Dit betreft
een wijziging van de Ioaw die ook reeds is meegenomen in de
Wet van 30 maart
2006 tot wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in
verband met aanscherping van de wekeneis (Stb. 2006, 167). Aangezien
laatstgenoemde wet op een eerder
moment in werking kon
treden, is ervoor gekozen het betreffende onderdeel van de Wet
wijziging WW-stelsel niet in werking te laten treden en op een later moment te laten
vervallen. De onderhavige wijziging ziet hierop.
Artikel
XIV.
Wijziging
van de Ziektewet
Onderdeel A
Met de
IWIA is de
zinsnede die met dit voorstel wordt geschrapt aan artikel 11a
van de ZW toegevoegd. De toelichting bij de IWIA luidde:
"In
artikel
11a, eerste
lid, is geregeld hoe het ziekengeld wordt uitbetaald van de werknemer die in
dienstbetrekking stond tot een werkgever die eigenrisicodrager is. Dit ziekengeld wordt uitbetaald door tussenkomst
van die werkgever.
Voorgesteld wordt om dit artikellid ook van toepassing te laten zijn op de
werknemer die in een dienstbetrekking stond tot de eigenrisicodrager in de
zin van de Wet WIA"
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 118, nr. 3,
blz. 112).
De ratio hierachter was
dat het, evenals bij de WAO, gewenst werd geacht dat tijdens de eerste
twee ziektejaren een financiële band blijft bestaan tussen de werkgever en de
werknemer die ziekengeld op grond van de ZW ontvangt, ingeval de
werkgever na die twee jaar eigenrisicodrager voor de Wet
WIA
is.
Omdat echter uit artikel
82, vierde lid, van de Wet WIA voortvloeit dat de werkgever het risico van
de betaling van de WIA-uitkering niet draagt als die uitkering aansluit op
een uitkering op grond van de ZW, gaat de rblz.|27|
bedoelde ratio in dat
geval, anders dan in de WAO, niet op. Daarom kan de bedoelde zinsnede in
artikel 11a, eerste lid, van de ZW vervallen.
Onderdeel B, onder 1
Zie de
toelichting op
artikel VI, onderdeel D, onder 1.
Onderdeel B, onder 2
Op grond van
artikel
29b,
derde lid, onderdeel a, van de ZW geldt er een permanente no-riskpolis
voor personen die een Wajong-uitkering hebben of hebben gehad
vóór aanvang van de dienstbetrekking. De no-riskpolis voor die
personen is dus onbeperkt in duur. Voor andere personen kan een
tijdelijke no-riskpolis van toepassing zijn, als zij voldoen aan de voorwaarden. Een
tijdelijke no-riskpolis geldt voor een periode van ziekteverzuim dat
intreedt binnen vijf jaar na aanvang van de dienstbetrekking en kan verlengd
worden
met vijf jaar. Jongeren die in dienst treden bij een werkgever voordat
zij 18 jaar zijn, kunnen voorafgaande aan het moment van in dienst
treden geen arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong (Wajong-uitkering)
genieten. De Wajong-uitkering kan immers pas ingaan als
zij 18 jaar zijn. Als een jongere in dienst treedt bij een
werkgever voordat hij 18 jaar wordt, kan de permanente no-riskpolis in verband
met Wajong-uitkering niet van toepassing zijn bij het voortbestaan
van de dienstbetrekking bij deze werkgever. Als hij na zijn 18e jaar een
Wajong-uitkering krijgt, leidt dat voor de werkgever die hem in dienst heeft
genomen niet tot voordeel van de permanente no-riskpolis. Elke andere
werkgever waarbij de jongere nadien in dienst treedt, heeft dit
voordeel wel. Dit wordt niet redelijk geacht ten opzichte van de (eerste)
werkgever die de jongere al in dienst heeft genomen vóór zijn 18e
jaar.
Dit is de reden om artikel 29b, derde lid, zodanig te wijzigen dat de permanente no-riskpolis ook geldt
als de werknemer na aanvang van de dienstbetrekking recht op een Wajong-uitkering krijgt. Dit wordt geregeld in het nieuwe onderdeel c
van artikel 29b, derde lid.
In principe ontstaat het
recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
die zijn aangevangen na aanvang van de dienstbetrekking. In geval
van de jongere die een dienstbetrekking is aangegaan voordat hij
recht kreeg op een Wajong-uitkering, kan de ziekte ontstaan na
aanvang van de dienstbetrekking, maar vóór het recht op
Wajong-uitkering.
Omdat het gewenst is dat het recht op no-riskpolis pas ontstaat nadat het
recht op Wajong-uitkering is ontstaan, is aan het slot van artikel 29b,
derde lid, een volzin toegevoegd. De permanente no-riskpolis geldt op
grond daarvan dus voor de ziektegevallen die intreden na aanvang van
de Wajong-uitkering. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de werknemer in die situatie recht heeft op loondoorbetaling
van de werkgever tot het
moment waarop zijn recht op Wajong-uitkering
ontstaat. Een uitzondering hierop kan zijn de situatie waarin de werknemer voorafgaand aan zijn
Wajong-uitkering
voldoet aan de
voorwaarden voor een tijdelijke no-riskpolis; in dat geval krijgt de werknemer
ziekengeld op grond van artikel 29b.
Onderdeel B, onder 3
Door de toevoeging van
een elfde lid aan artikel 29b ZW
ontstaat de mogelijkheid voor (aspirant-)werknemers om een verklaring van het UWV
te ontvangen of zij in
aanmerking komen voor de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b, eerste lid,
onderdeel d of e, ZW. De verklaring kan, indien gewenst en mits de
(aspirant-)werknemer deze tijdig aanvraagt, worden
afgegeven alvorens hij
een dienstbetrekking aangaat. Juist met het oog rblz.|28|
op het feit dat de
verklaring (ook) kan worden aangevraagd voordat de betrokkene als werknemer
kan worden beschouwd, wordt in het nieuwe elfde lid naast "werknemer" ook genoemd
"de persoon die verwacht een dienstbetrekking met een
werkgever aan te zullen gaan".
Onderdeel C
Door wijziging van
artikel 45 van de ZW middels artikel XVI,
onderdeel
Fa, van de Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
is de verwijzing naar
artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI niet meer volledig. Middels
deze wijziging wordt dat gecorrigeerd.
Onderdeel D
Zie de
toelichting op
artikel V, onderdeel A.
Onderdeel E
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel I.
Onderdeel F en
artikel
XVIII (wijziging grondslag Besluit werkzaamheden,
administratieve voorschriften en kosten eigen risico dragen ZW)
Het
Besluit incasso
boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers geldt sinds de
inwerkingtreding van artikel 62 van de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen als ministeriële regeling. Deze regeling stelt ook
regels met betrekking tot artikel 63a
van de ZW. Omdat het zevende lid
van dat artikel nog spreekt van een bevoegdheid voor het UWV
om
dergelijke regels te stellen, wordt dat artikellid gewijzigd in een
ministeriële delegatiebevoegdheid.
In
artikel XVIII wordt
bepaald dat het Besluit werkzaamheden,
administratieve voorschriften en kosten eigen risico dragen ZW (dat door de Minister van de Sociale Zaken en
Werkgelegenheid op 24 april 2003 is goedgekeurd (Strct. 2003, 80)), dat
is gebaseerd op artikel 63a, zevende lid,
ZW, na de wijziging van dat artikel geldt als ministeriële regeling.
Onderdeel G
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel G.
Onderdeel H
Omdat de NV Nederlandse
Spoorwegen is verzelfstandigd en het personeel dat daar in dienst is
onder het arbeidsrecht van het Burgerlijk
Wetboek valt en deswege
niet de status van overheidspersoneel heeft, hoeft dit personeel niet
langer in artikel 76 ZW
- dat de toepasselijkheid van enkele artikelen van
de ZW
op overheidspersoneel regelt - te worden genoemd.
Onderdeel I en artikel XV, onderdeel B (wijziging van het Burgerlijk Wetboek)
Met
artikel 13, onderdeel A, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen
(IWfsv) is
artikel 8 van de Wet Rea gewijzigd. Op het moment dat
artikel 13 van
de IWfsv in werking trad, was
artikel 8 Wet Rea echter reeds vervallen
(namelijk door inwerkingtreding van artikel 2.10 van de
IWIA). De inhoud
van
artikel 8 Wet Rea is bij de IWIA overgenomen in artikel
658a van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 76e
rblz.|29|
van de ZW. De met artikel
13 IWfsv beoogde wijziging is echter in die artikelen ten onrechte
niet overgenomen. Dit wordt in deze wet gecorrigeerd.
Hierbij wordt opgemerkt
dat de nieuwe tekst in artikel 76e van de
ZW iets anders luidt dan de
nieuwe tekst van artikel 658a van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. In
artikel 76e wordt gesproken van "de personen, bedoeld in
artikel 29,
tweede lid, onderdeel a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking
stonden" en in artikel
658a van "de personen, bedoeld in
artikel 29,
tweede lid, onderdeel a, b en c, van die
wet, die laatstelijk met hem een
arbeidsovereenkomst zijn aangegaan". Hoewel in beide artikelen beoogd
wordt hetzelfde te regelen, is de formulering verschillend, nu in titel
7.10 van het Burgerlijk Wetboek niet meer wordt gesproken van een
dienstbetrekking, maar van een arbeidsovereenkomst.
Onderdeel J
Met
artikel 90 ZW is
bedoeld te regelen dat de persoon die voorafgaand aan de intrekking van de
Wet Rea arbeidsgehandicapte was gedurende een bepaalde (in
artikel
90 geregelde) duur recht houdt op de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
ZW. Door het in de aanhef van artikel
90, eerste lid, opnemen van de eerstgenoemde zinsnede "op de
dag" bevat dat artikel
een lacune in het
overgangsrecht met betrekking tot de no-riskpolis dat kan worden uitgelegd aan
de hand van het volgende voorbeeld: Betrokkene genoot een WAO-uitkering
tot 1 januari 2000. Op grond van artikel 2 Wet
Rea behield hij de arbeidsgehandicaptestatus tot 1 januari 2005.
Op 1 november 2004 treedt hij
in dienst bij een nieuwe werkgever.
Op grond van artikel 29b
zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van de IWIA
zou hij tot 1 november 2009 bij ziekte aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de
Ziektewet.
Op grond van het bij de
IWIA gewijzigde artikel 29b
ZW bestaat in deze situatie geen recht op
no-riskpolis noch is in het overgangsrecht (artikel 90
ZW) voorzien in deze
situatie. Er zou dus bij een ziekmelding op of na 29 december 2005 geen uitkering
meer kunnen worden verleend. Dit is niet gewenst. Daarom wordt
artikel 90 ZW zodanig aangepast dat de no-riskpolis ook van
toepassing is op de verzekerde die op 28 december 2005 reeds de status van
arbeidsgehandicapte heeft verloren, maar op grond van artikel
29b ZW (oud) nog
wel recht zou hebben gehad op ziekengeld.
Artikel
XV.
Wijziging van
het Burgerlijk Wetboek
Onderdeel A, onder
1, sub a
In artikel
658a van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is de verplichting voor de werkgever
geregeld om zijn zieke werknemer in te schakelen in passende arbeid in zijn
bedrijf. Indien in het eigen bedrijf geen passende arbeid voorhanden is,
dient de werkgever de inschakeling te bevorderen in passende arbeid in het
bedrijf van een andere werkgever. Daarbij is niet geregeld dat het UWV
in
alle gevallen vooraf beoordeelt of aangeboden arbeid bij een andere
werkgever passend is. Als twijfel bestaat of de aangeboden arbeid passend
is, kan hierover een deskundigenoordeel worden gevraagd. Gelet hierop
kan de zinsnede in artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek "met toestemming van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen" vervallen.
Onderdeel A, onder
1, sub b
Dit betreft een
redactionele correctie.
rblz.|30|
Onderdeel A, onder 2
Door de redactie van
artikel 629, elfde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek kan de
indruk ontstaan dat de ene grond voor verlenging de ander uitsluit. Dit is
uitdrukkelijk niet de bedoeling. Om dit beter tot uitdrukking te laten
komen, wordt de redactie van dat onderdeel enigszins aangepast.
Onderdeel B
Zie de
toelichting op
artikel XIV, onderdeel I.
Artikel
XVI.
Wijziging
van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen
Met ingang van 1 januari
2006 is de Wfsv in werking getreden en zijn bepalingen betreffende de
heffing van premies voor de sociale verzekeringen opgenomen in die
wet. In
de artikelen 31, tweede lid, en 33, vierde lid, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen werd
abusievelijk nog verwezen naar de premieheffing ingevolge de WW. Door
middel van de onderhavige wijziging is dit gewijzigd in de
premieheffing ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de
Wfsv.
Artikel
XVII.
Verruiming
grondslag Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties
BEU
Zie de
toelichting op
artikel III, onderdeel G.
Artikel
XVIII. (Wijziging
grondslag Besluit werkzaamheden, administratieve
voorschriften en kosten eigen risico dragen ZW)
Zie de
toelichting op
artikel XIV, onderdeel F.
Artikel
XIX.
Inwerkingtreding
De
inwerkingtredingsbepaling maakt het mogelijk (delen van) artikelen met
terugwerkende kracht in werking te laten treden. In onderstaand
overzicht is opgenomen voor welke bepalingen dit in ieder geval zal
gelden.
| Artikel
wetsvoorstel: |
Betreft
wijziging van: |
Terugwerkende
kracht tot en met: |
Reden
terugwerkende kracht: |
| Artikel
I |
IWS |
1
oktober 2006 |
Omdat
de desbetreffende wijziging van de WW
in werking treedt met ingang van 1 oktober 2006, is het
noodzakelijk dat deze wijziging eveneens terugwerkende kracht
heeft tot en met deze datum (zie ook de artikelsgewijze
toelichting). |
| Artikel
III, onderdeel B |
Artikel
18, tweede lid, WW |
1
oktober 2006 |
Correctie
in artikel 18
WW dat bij de Wet
wijziging WW-stelsel, die op 1 oktober 2006 in werking zal
treden, is ingevoegd. |
| Artikel
III, onderdeel E |
Artikel
31, tweede lid, WW |
1
oktober 2006 |
PM |
| Artikel
III, onderdeel G |
Artikel
53, eerste lid, onderdeel b, WW |
1
januari 2001 |
Op
grond van
artikel VIII van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en
Anw is die
regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001
aangewezen als de regeling die tevens gebruikt moet worden bij
de vaststelling van de vrijwillige verzekering voor de AOW
en de Anw (zie verder de artikelsgewijze
toelichting). |
| Artikel
III, onderdeel J |
Artikel
77a WW |
1
juli 2006 |
Betreft
een correctie die terug dient te werken tot [tot en met, red.]
de datum waarop artikel 77a WW
in werking trad. |
| Artikel
III, onderdeel K, onder 1
en 2 |
Artikel
130o WW |
1
oktober 2006 |
Betreft
een correctie die terug dient te werken tot [tot en met, red.]
de datum van inwerkingtreding van de Wet wijziging
WW-stelsel. |
| Artikel
III, onderdeel L |
Artikel
130p WW |
Inwerkingtreding
dag na plaatsing in het Staatsblad en terugwerkend tot
en met 1 oktober 2006 |
Betreft
overgangsrecht dat verband houdt met een bepaling uit de Wet wijziging WW-stelsel
die op 1 oktober 2006 in werking zal treden (zie ook de artikelsgewijze
toelichting). |
| Artikel
IV, onderdeel B |
Artikel
58, tweede lid, WAZ |
29
december 2005 |
Betreft
een verduidelijking van de wijziging die per 29 december 2005 in
werking is getreden. |
| Artikel
V, onderdeel B |
Artikel
50, tweede lid, Wajong |
29
december 2005 |
Betreft
een verduidelijking van de wijziging die per 29 december 2005 in
werking is getreden. |
| Artikel
VI, onderdeel H |
Artikel
105, derde lid, Wfsv |
1
januari 2006 |
Betreft
een correctie van de wijziging die verband houdt met de
wijziging die per 1 januari 2006 in werking is getreden. |
| Artikel
VI, onderdeel K, onder 1 |
Artikel
117, eerste lid, Wfsv |
1
januari 2006 |
Betreft
een correctie van de wijziging die verband houdt met de
inwerkingtreding van artikel 117 Wfsv,
dat per 1 januari 2006 in werking is getreden. |
| Artikel
VI, onderdeel L |
Artikel
117b, derde lid, onderdeel f, Wfsv |
1
januari 2006 |
Correctie
van het onderdeel dat met Wfsv, die
op 1 januari 2006 in werking is getreden, is ingevoegd. |
| Artikel
VI, onderdeel M |
Artikel
122b Wfsv |
1
januari 2006 |
Correctie
van het onderdeel dat met de Wfsv, die
op 1 januari 2006 in werking is getreden, is ingevoegd. |
| Artikel
VI, onderdeel N |
Artikel
122e Wfsv |
1
januari 2006 |
De
onderhavige wijziging van
artikel 122e Wfsv
werkt terug tot en met 1 januari 2006 omdat het hier een
correctie betreft die betrekking heeft op de mogelijkheid om de
differentiatie met betrekking tot de premie voor de
Arbeidsongeschiktheidskas met terugwerkende kracht tot die datum
te laten vervallen. |
| Artikel
VII, onderdeel F |
Toevoegen
van een vierde lid aan artikel 63 Ioaz |
29
december 2005 |
Correctie
van wijzigingen van de Ioaz die met
de IWIA, die op 29 december 2005 in
werking is getreden, zijn aangebracht. |
| Artikel
X, onderdeel H |
Artikel
44, tweede lid, WAO |
29
december 2005 |
Betreft
een verduidelijking van de wijziging die per 29 december 2005 in
werking is getreden. |
| Artikel
X, onderdeel J |
Artikel
80a WAO |
1
januari 2006 |
Het
is niet zinvol om in 2006 en in latere jaren nog instroomcijfers
te publiceren; zie paragraaf
"Klein beleid". |
| Artikel
X, onderdeel K |
Artikel
81, tweede lid, onderdeel b, WAO |
1
januari 2001 |
Op
grond van
artikel VIII van de Wet
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw is die
regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001
aangewezen als de regeling die tevens gebruikt moet worden bij
de vaststelling van de vrijwillige verzekering voor de AOW
en de Anw
(zie verder de artikelsgewijze toelichting). |
| Artikel
X, onderdeel L |
Artikel
91b, eerste lid, WAO |
1
januari 2006 |
Betreft
een correctie van de wijziging die verband houdt met de
inwerkingtreding
artikel 117 Wfsv,
dat per 1 januari 2006 in werking is getreden. |
| Artikel
XI, onderdeel B |
Artikel
83i Wet SUWI |
1
januari 2006 |
Deze
wijziging betreft een correctie en werkt daarom terug tot [tot
en met, red.] 1 januari 2006, dat wil zeggen het tijdstip
waarop dit artikel
83i in werking is getreden. |
| Artikel
XII, onderdeel C |
Artikel
18, tweede lid, onderdeel b, Wet WIA |
29
december 2005 |
Op
grond van artikel VIII van de Wet
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw is die
regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001
aangewezen als de regeling die tevens gebruikt moet worden bij
de vaststelling van de vrijwillige verzekering voor de AOW
en de Anw
(zie verder de artikelsgewijze toelichting). |
| Artikel
XII, onderdeel R, onder 2 |
Wijziging
artikel 86, eerste lid, Wet
WIA: vervanging "artikel 82,
derde lid" door: artikel 83,
derde lid |
29
december 2005 |
Correctie
van de Wet WIA, die op 29 december 2005
in werking is getreden. |
| Artikel
XIV, onderdeel G |
Artikel
64, tweede lid, onderdeel b, ZW |
1
januari 2001 |
Op
grond van
artikel VIII van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en
Anw is die
regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001
aangewezen als de regeling die tevens gebruikt moet worden bij
de vaststelling van de vrijwillige verzekering voor de AOW
en de Anw
(zie verder de artikelsgewijze toelichting). |
| Artikel
XVI |
Wijziging
WVA |
1
januari 2006 |
Correctie
van het onderdeel dat met de Wfsv, die
op 1 januari 2006 in werking is getreden, is ingevoegd. |
| Artikel
XVII |
Verruiming
van de grondslag van de Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties BEU [zie Regeling
aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2005, red.] en
de Regeling van 6 juni 1989 (Stcrt. 1989, 121) [zie Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003, red.] |
1
januari 2001 |
Op
grond van artikel VIII van de Wet
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw is die
regeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001
aangewezen als de regeling die tevens gebruikt moet worden bij
de vaststelling van de vrijwillige verzekering voor de AOW
en de Anw
(zie verder de artikelsgewijze toelichting). |
rblz.|32|
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|
|