|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2005-2006,
2006-2007, 30 679.
Handelingen II 2006-2007, blz. 504-507, 1104-1105.
Kamerstukken I2006-2007, 30 679 (A).
Handelingen I 2006-2007, blz. 406-407.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET
van 30 november 2006, Stb. 2006, 712, houdende regels inzake de financiering bij
uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke
samenwerkingsverbanden en inzake voorschotverstrekking
op grond van de Wet werk en bijstand.
Inwerkingtreding: 1 januari 2007 (Stb.
2006, 713).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke
verantwoordelijkheid bij gemeenschappelijke uitvoering van socialezekerheidswetten
te versterken en de verstrekking van voorschotten op grond van de
Wet werk en bijstand nader te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
Wet werk en bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Aan paragraaf 1.2 wordt een
artikel toegevoegd, luidende:
Art. 8b.
Gemeenschappelijke regelingen
Indien bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is
overgedragen aan het bestuur
van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die
wet,
treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van
paragraaf 7.1, in de plaats van de betrokken
colleges.
B. [MvT]
Artikel 52 komt te luiden:
Art. 52. Voorschot
-1. Het college verleent
uiterlijk binnen vier weken na de datum van aanvraag en vervolgens
telkens uiterlijk na vier weken, bij wijze van voorschot algemene bijstand
in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op algemene
bijstand niet is vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing, indien:
a. de belanghebbende de voor
de vaststelling van het recht op algemene bijstand van belang
zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet
tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent;
b. bij de aanvraag duidelijk
is dat geen recht op algemene bijstand bestaat.
-2. De hoogte van het in het
eerste lid bedoelde voorschot bedraagt in ieder geval 90% van de
hoogte van de algemene bijstand, bedoeld in artikel
19, tweede lid.
-3. Het college is bevoegd om
bij wijze van voorschot bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van
een renteloze geldlening.
-4. Indien bijstand wordt
verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste
lid een voorschot is verleend, kan deze bijstand zonder machtiging van de
belanghebbende worden verrekend met dit voorschot.
Art. II.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers [MvT]
Artikel 40 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers komt te luiden:
Art. 40.
Indien bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is
overgedragen aan het bestuur
van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die
wet,
treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van
hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken burgemeesters
en wethouders.
Art.
III.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen [MvT]
Artikel 40 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen komt te luiden:
Art. 40.
Indien bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is
overgedragen aan het bestuur
van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die
wet,
treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van
hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken burgemeesters
en wethouders.
Art. IV.
Inwerkingtreding [MvT]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 18 december 2006, Stb. 2006, 713, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2007, red.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
30 november 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de
achtentwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|