|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 679
Regels
inzake de financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten
door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en inzake
voorschotverstrekking op grond van de Wet werk en
bijstand
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Gemeenschappelijke
uitvoering van de socialezekerheidswetten |
| 2 |
Voorschotten
in de Wwb |
| 2.1 |
Aanleiding |
| 2.2 |
Doel
en strekking |
| 2.3 |
Financiële
gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikel
I, onderdeel B |
[Algemeen,
red.]
1.
Gemeenschappelijke uitvoering van de socialezekerheidswetten
Met de Wet werk
en bijstand (Wwb) hebben de colleges van burgemeester en wethouders een
grotere vrijheid en financiële verantwoordelijkheid gekregen voor de
uitvoering van de bijstand. Ook de rol van de gemeenteraad is
belangrijker geworden: deze raad stelt de kaders vast voor de Wwb en
controleert de uitvoering hiervan door het college van burgemeester en
wethouders (hierna: het college).
Samenwerking tussen
gemeenten kan bijdragen aan een doelmatiger en doeltreffender uitvoering
van de Wwb. Gemeenten kunnen zelf kiezen of
zij de Wwb gezamenlijk
met andere gemeenten willen uitvoeren en in welke vorm. Zij kunnen
bijvoorbeeld samenwerken in een gemeenschappelijke regeling in de vorm van
een openbaar lichaam met volledige overdracht van bevoegdheden en
verantwoordelijkheden. Dat kan op basis van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr).
Om de betrokkenheid van
de individuele
gemeenten bij de gemeenschappelijke uitvoering te waarborgen,
wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat ook in de situatie waarin
sprake is van een openbaar lichaam op grond van de Wgr waaraan de
uitvoering van de Wwb
volledig is overgedragen, het Wwb-budget wordt verstrekt aan de individuele gemeenten. Gelet op
artikel 7 van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand is dit ook van toepassing op de financiering van
bijstand die is verleend op grond van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).
Met het voorstel van wet
tot wijziging van de Wet sociale werkvoorziening
in verband met een betere realisering van de met die wet beoogde
doelen, zal in de Wet
sociale werkvoorziening een overeenkomstige regeling worden opgenomen. Ook
voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en Wet
inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
wordt één en ander overeenkomstig geregeld.
Samenwerking in
Wgr-verband blijft mogelijk. Door het
Wwb-budget aan
de gemeente te geven, dat
zij desgewenst zelf kan inbrengen in het samenwerkingsverband, is
gegarandeerd dat het college, de verantwoordelijke rblz.|2|
wethouder en de
gemeenteraad betrokken zijn bij de uitvoering van de Wwb en daarop meer
invloed en controle blijven uitoefenen. Daarnaast krijgen
gemeenten die (besluiten tot) samenwerken in de vorm van een openbaar lichaam
zekerheid over de omvang van het budget. Immers, gemeenten die
samenwerken in de vorm van een openbaar lichaam krijgen niet meer
te maken met een overgang van een historisch bepaald budget naar het
objectief verdeelmodel. Bijkomend voordeel van deze nieuwe wijze van
financiering is dat de verdelende werking van het verdeelmodel verbeterd
wordt. Dit blijkt uit analyses die zijn uitgevoerd in het kader van het
onderhoudstraject voor de verdeelmodellen Wwb.
De Raad voor de
financiële verhoudingen heeft op 25 april jl. advies uitgebracht over de wijze
van financiering van samenwerkingsverbanden. De Raad adviseert als
volgt:
Door
samenwerkingsverbanden buiten het objectief verdeelmodel te houden, wordt voorkomen
dat zij een oneigenlijke invloed uitoefenen op de uitkomsten van de
budgettering. De Raad gaat daarom akkoord met het buiten de
geobjectiveerde verdeling houden van samenwerkingsverbanden. Wel dient te worden
bezien op welke wijze deze
gemeenten een overgangstraject geboden
kan worden om nadelige herverdeeleffecten te kunnen opvangen. Het
uitgangspunt van de ex-anteaftopping lijkt daarbij in de rede te liggen.
Met
dit wetsvoorstel is
rekening gehouden met deze advisering van de Raad. Het advies van de
Raad een overgangstraject voor samenwerkingsverbanden te bieden, is niet
overgenomen, om de volgende redenen:
• Door een wijziging
van het verdeelmodel ondervinden sommige
gemeenten altijd nadelen
ten opzichte van het eerder gebruikte model. Compensatie daarvoor is
nooit aan de orde geweest.
• Gemeenten die er door
de nieuwe financieringswijze op achteruitgaan, zullen veelal in
het verleden voordeel hebben gehad van de oude financieringswijze.
• Een berekend nadeel
is een momentopname en kan op andere momenten weer een
voordeel zijn. Bepalen wie voor compensatie in aanmerking komt, zou dus
enigszins willekeurig zijn.
Parallel aan
dit
wetsvoorstel zal conform het kabinetsstandpunt over de aanbevelingen van de
stuurgroep Doorlichting specifieke uitkeringen (de commissie-Brinkman) het
principe van single audit en single information voor de Wwb,
Ioaw, Ioaz
en Bbz 2004 worden ingevoerd. Dat betekent voor deze wetten dat het
Rijk voldoende heeft aan het jaarverslag inclusief de jaarrekening van een
gemeente. Bij de jaarrekening wordt een bijlage van iedere medeoverheid
opgenomen. In deze bijlage wordt alleen de noodzakelijke
verantwoordingsinformatie per specifieke uitkering opgenomen, zodat het
Rijk haar
verantwoordelijkheid voor het beheer van specifieke regelingen kan
waarmaken. Gemeenten hoeven niet langer een apart
verantwoordingsverslag in te dienen, maar kunnen de benodigde gegevens opnemen in
de
gemeentelijke jaarrekening. Met deze regeling dalen de administratieve
lasten voor gemeenten aanzienlijk. In verband hiermee bevat het
onderhavige wetsvoorstel geen bepaling waarin de gevolgen voor de
verantwoording over de uitvoering worden geregeld.
Historisch aandeel
bepalen
Voor
gemeenten in
samenwerkingsverbanden die zich in een jaar (vóór 2007) gezamenlijk hebben
verantwoord voor de Wwb,
Ioaw, Ioaz en Bbz
2004 zijn alleen de
uitgaven voor het gehele samenwerkingsverband bekend, de uitgaven van
de individuele gemeenten niet. Deze gegevens zijn echter noodzakelijk
om ten behoeve van het budget voor de jaren rblz.|3|
2007, 2008 en 2009 het
historisch budgetaandeel van deze gemeenten te kunnen berekenen.
Om voor deze gemeenten de
historische uitgaven over de jaren waarvoor deze gegevens niet
beschikbaar zijn toch te kunnen bepalen, zullen de historische uitgaven
benaderd worden door gebruik te maken van volumerealisaties.
Daardoor worden de uitgaven van het samenwerkingsverband in jaar t verdeeld over
de gemeenten in het samenwerkingsverband, op basis van het aandeel
per gemeente in het totale volume van het samenwerkingsverband.
Voorbeeld:
Samenwerkingsverband 1
bestaat uit de
gemeenten A, B en C.
De totale uitgaven aan de Wwb
in 2004 voor het gehele samenwerkingsverband bedroegen €|40 mln.
Het totale Wwb-volume in
2004 voor het gehele samenwerkingsverband was 10 000.
De volume-verdeling per
gemeente was in 2004:
Gemeente A: 5000
Gemeente B: 2000
Gemeente C: 3000
Dit betekent dat het
volume in gemeente A 50% van het totale volume van het samenwerkingverband
omvatte, zodoende wordt 50% van de Wwb-lasten toegerekend
aan gemeente A (is €|20 mln). Gemeente B krijgt dan 20%
toegerekend (is €|8 mln) en gemeente C 30% (is €|12
mln).
Deze berekeningswijze
wordt gehanteerd zolang het historisch aandeel is gebaseerd op de uitgaven
in 2006 of eerder. Daarna zijn voor alle
gemeenten weer gegevens
over uitgaven beschikbaar op gemeenteniveau.
Als bron voor de
volumecijfers zal gebruik gemaakt worden van CBS-cijfers [CBS: Centraal
bureau voor de statistiek, red.] over het
gemiddelde jaarvolume, uit hetzelfde jaar als gebruikt wordt voor de uitgaven.
Voor de voorlopige budgetten 2007 zullen de volumes 2004 als basis
dienen.
Samenwerkingsverbanden
kunnen in het kader van de meeneemregeling budget uit het W-deel
[werkdeel, red.] hebben doorgeschoven naar een volgend jaar of uitgaven hebben gedaan
ten laste van het volgende jaar. Zo kan er een vermogen of schuld zijn
opgebouwd. Indien sprake is van vermogen of schuld bij een samenwerkingsverband, dan zal dit worden verdeeld over
de
gemeenten via een
verdeelsleutel naar rato van het toegekende budget per gemeente.
Voorbeeld:
Samenwerkingsverband 1
bestaat uit de gemeenten A, B en C.
Samenwerkingsverband 1
heeft een totaal vermogen uit het W-deel opgebouwd van €|2 mln.
Per 1 januari 2007 krijgen de
gemeenten A, B en C het volgende voorlopige budget W-deel toegekend
door SZW [ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, red.]:
Gemeente A: 5000
Gemeente B: 2000
Gemeente C: 3000
Totaal: 10 000
Het opgebouwde vermogen
wordt dan op de volgende wijze over de gemeenten verdeeld:
Gemeente A: 5000/10 000
* €|2 mln = €|1 mln
Gemeente B: 2000/10 000
* €|2 mln = €|0,4 mln
Gemeente C: 3000/10 000
* €|2 mln = €|0,6 mln
rblz.|4|
De voorstellen voor het
bepalen van de historische aandelen en het verdelen van vermogen en
schulden zullen zo spoedig mogelijk geregeld worden in het Besluit
Wwb.
2. Voorschotten
in de Wwb
2.1. Aanleiding
Vanuit de Tweede
Kamer is meerdere malen, onder meer via Kamervragen van het lid De Wit
(Aanhangsel Handelingen II nr. 70, vergaderjaar 2005-2006) en de leden
Verburg en Mosterd (Aanhangsel Handelingen II nr. 468, vergaderjaar
2005-2006) aandacht gevraagd voor de wijze waarop
gemeenten de bijstand bevoorschotten. Inkomensonzekerheid bij de bevoorschotting wordt
gezien als één van de oorzaken voor het ontstaan van schulden en een
toename van het beroep op voedselbanken. Ik heb met de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.] overleg gevoerd over een mogelijke oplossingsrichting. De VNG heeft, mede namens
Divosa, daarbij kenbaar gemaakt van mening te zijn dat de
uitvoering van bevoorschotting niet tot noemenswaardige problemen
leidt bij gemeenten. Volgens de VNG en Divosa is er over het
algemeen géén sprake van lange wachttijden voordat een voorschot is
geregeld. Nadere regelgeving of handreikingen zijn daarom naar het oordeel
van de VNG en Divosa niet nodig. Hoewel de regering op basis van
deze informatie niet de indruk heeft dat er op dit moment van een acuut en
omvangrijk probleem sprake is, acht zij het niettemin wenselijk om
voor de situaties waarin trage bevoorschotting wel tot problemen kan
leiden de wet zodanig aan te passen dat deze problemen ook voor de
toekomst worden voorkomen. In paragraaf 2.2 wordt hierop nader
ingegaan.
Het Uitvoeringspanel
gemeenten (UP) is van mening dat het ter advisering voorgelegde voorstel een
groot aantal nadelige gevolgen heeft voor de gemeentelijke
uitvoering en dat het op onaanvaardbare wijze tot beknotting van de
gemeentelijke beleidsvrijheid bij voorschotverlening leidt. Om deze redenen
adviseert het UP af te zien van de voorgenomen wijziging. Naar het
oordeel van het UP biedt het huidige artikel 52
van de Wwb
gemeenten voldoende
ruimte om een adequaat voorschotbeleid te formuleren en uit te voeren en levert de huidige voorschotpraktijk weinig
problemen op. De regering
merkt op dat dit laatste niet aansluit bij de signalen die in deze
toelichting aan de orde komen. De afweging tussen het bieden van rechtszekerheid ten aanzien van bevoorschotting op de
wijze die de wetgever met
de invoering van de Wwb
heeft beoogd en het gestelde door het UP,
geeft de regering geen aanleiding om de huidige gemeentelijke
beleidsvrijheid bij voorschotverlening ongewijzigd te handhaven. Wel heeft de regering, in
lijn met het advies van de Raad van State, in de uitwerking van het
voorstel rekening gehouden met uitvoeringsproblemen van praktische aard.
Het
wetsvoorstel voorziet erin dat de gemeente geen voorschot behoeft te
verlenen als onmiddellijk duidelijk is
dat er geen recht op
bijstand bestaat, maar de formele beslissing daarover nog niet rond is vanwege
late gegevensverstrekking door de aanvrager. Dit voorkomt dat, indien
later blijkt dat geen recht op bijstand bestaat, er invorderingsproblemen
ontstaan voor zowel het uitvoeringsorgaan als de aanvrager.
De Inspectie Werk en Inkomen
(IWI) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is advies gevraagd om het voorstel te toetsen op
toezichtbaarheid. Naar
aanleiding van het commentaar van de IWI wordt de toepassing van artikel 52
van de Wwb
in relatie tot artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in de artikelsgewijze toelichting
uiteengezet.
rblz.|5|
2.2. Doel en strekking
In een recent onderzoek
van Regioplan naar het gebruik van voedselbanken wordt aangeven dat een reden, die door zowel respondenten van
de sociale dienst,
hulpverleners als oprichters vaak wordt genoemd voor het gebruik van
voedselbanken, is dat mensen periodes zonder inkomen zitten omdat hun aanvraag
voor een uitkering nog loopt.¹ Voor mensen die voor de voorziening
in het bestaan op bijstand zijn aangewezen, dient inkomenszekerheid
maximaal gewaarborgd te zijn. Betalingsachterstanden die ontstaan in een
periode dat niet over voldoende middelen kan worden beschikt, kunnen
bij deze kwetsbare groep tot structurele financiële problemen leiden. Om
zeker te stellen dat een belangenhebbende na een bijstandsaanvraag in
alle gevallen tijdig over een voorschot kan beschikken, wordt
voorgesteld een expliciete termijn voor bevoorschotting in de Wwb
vast te leggen.
Het gaat daarbij niet om de reguliere afhandelingstermijn van
acht weken van de aanvraag om bijstand, maar specifiek om tijdige bevoorschotting van algemene bijstand, teneinde
risico’s op het
ontstaan van schulden en de gang naar eerder genoemde voedselbanken te
voorkomen. Het wetsvoorstel beoogt om inkomenszekerheid te bieden in de periode
totdat het recht op bijstand is vastgesteld.
1. Klantanalyse
Voedselbanken, onderzoek uitgevoerd door Regioplan
in opdracht van het ministerie van SZW,
maart 2006, blz. 9.
Een tijdig vastgesteld
recht op bijstand betekent niet vanzelfsprekend dat de belanghebbende ook
feitelijk binnen een redelijke termijn over bestaansmiddelen
beschikt. De maximale wettelijke afhandelingsperiode voor een
uitkeringsaanvraag van acht weken is voor mensen die op bijstand zijn aangewezen
dikwijls te lang om verstoken te blijven van bestaansmiddelen, daarbij
mede gelet op de vaste lasten die veelal op maandbasis zijn. Een
bekorting van de wettelijke afhandelingstermijn ziet de regering niet als
middel om het beoogde doel te bereiken, omdat dit voorbijgaat aan de tijd
die
gemeenten nodig hebben om een aanvraag af te wikkelen.
In onderhavig
wetsvoorstel wordt geregeld dat het college verplicht is om uiterlijk binnen vier
weken na de datum van aanvraag en vervolgens telkens uiterlijk na vier
weken, bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm van een
renteloze geldlening te verlenen, zolang nog onzekerheid bestaat over het
recht op
algemene bijstand. Het voorschot heeft een hoogte van minimaal 90%
van de algemene bijstandsuitkering.
Wanneer het een aanvraag
om bijzondere bijstand betreft, blijft de gemeente
de bestaande
bevoegdheid behouden om voorschotten te verstrekken. Omdat de
regering geen aanwijzingen heeft dat zich bij de bijzondere bijstand
structurele knelpunten voordoen en mede gezien de aard van de kosten
waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, het in de regel incidentele
karakter en de hoogte van deze kosten, is er geen aanleiding om ook de
voorschotverlening voor bijzondere bijstand een verplichtend karakter te
geven.
2.3. Financiële gevolgen
Het onderhavige
wetsvoorstel voorziet erin de belanghebbende rechtszekerheid te bieden ten aanzien van
bevoorschotting op de wijze die de wetgever met de invoering
van de Wwb
heeft beoogd. Omdat het volume aan
uitkeringsgerechtigden en de prijs niet wijzigen met dit wetsvoorstel, zal er geen effect zijn
op de uitkeringslasten.
Voor
gemeenten die de
bevoorschotting reeds op deze wijze uitvoeren, leidt het wetsvoorstel
tevens niet tot extra uitvoeringskosten. In de reguliere middelen die nu al voor
gemeenten beschikbaar zijn voor de uitvoering van de Wwb is al rekening
gehouden met het wetsonderdeel bevoorschotting
rblz.|6|
van bijstand.
Mijn inschatting is vooralsnog dat het onderhavig voorstel geen
noemenswaardig effect op de uitvoeringskosten zal hebben. Deze verwachting is in
lijn met de inschatting van de VNG dat de huidige praktijk van
bevoorschotting niet tot problemen leidt voor de gemeenten zelf en geen lange
wachttijden oplevert. Wel monitoren de gemeentefondsbeheerders jaarlijks of de verdeling
van het gemeentefonds nog spoort met de uitgaven
van de afzonderlijke kostenposten. Eén van de kostenposten betreft de
uitgaven in het cluster Werk en Inkomen, waarin ook de uitvoeringskosten
zitten.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel B
In artikel 52, eerste lid, van de Wwb
wordt geregeld dat het college bij
wijze van voorschot algemene bijstand verleent in de vorm van een
renteloze geldlening, zolang het recht op algemene bijstand niet is
vastgesteld. Uit het karakter van de
voorschotverlening volgt dat deze tot een zo kort mogelijke periode beperkt
dient te worden. Over het recht op bijstand dient op zo kort
mogelijke termijn zekerheid te bestaan. Dit voorschot wordt uiterlijk binnen
vier weken na de datum van aanvraag verleend en daarna telkens uiterlijk
na vier weken. Het voorschot wordt verleend in de vorm van een renteloze
geldlening. Dit illustreert het voorlopige karakter van het voorschot en het
gegeven dat dit moet worden terugbetaald. Als het onderzoek is afgerond
en de belanghebbende voor bijstand in aanmerking blijkt te
komen, wordt het voorschot verrekend met de toegekende bijstand. Is het
voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend, dan kan dit van
de belanghebbende worden teruggevorderd (artikel
58, eerste lid,
onderdeel b, van de Wwb). De
gemeente kan bij het
toekennen van een
voorschot besluiten om gefaseerd te betalen binnen vier weken, bijvoorbeeld
eens per week.
Zodra het recht op
bijstand is vastgesteld, is er geen aanspraak op een voorschot. Er bestaat
geen recht op een voorschot indien de belanghebbende de voor de vaststelling
van het recht op bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde
bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem
dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende
medewerking verleent. Evenmin bestaat er recht op een voorschot
indien bij een aanvraag onmiddellijk duidelijk is dat er geen recht op
bijstand is, zodat de aanvraag zal moeten worden afgewezen. Hiervan is
bijvoorbeeld sprake indien de aanvrager is uitgesloten van het recht op bijstand
op grond van artikel 13 Wwb
of een beroep kan doen op een
toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15
Wwb. Indien
de gemeente op grond van artikel 4:5 van de
Awb de
belanghebbende heeft gevraagd de aanvraag aan te vullen, neemt dat
niet weg dat zij een beslissing dient te nemen over de
voorschotverstrekking. Het feit dat de gemeente de belanghebbende gedurende een termijn in
de gelegenheid heeft gesteld om de aanvraag aan te vullen,
betekent dan dat er gedurende die termijn géén sprake zal zijn van een
verwijtbaarheid in de zin van artikel 52 van de
Wwb.
De hoogte van het
voorschot op de algemene bijstand bedraagt in ieder geval 90% van de hoogte
van de algemene bijstand, bedoeld in artikel 19,
tweede lid, van de Wwb.
Dit om te bewerkstelligen dat de belanghebbende in ieder geval over
voldoende inkomen beschikt, terwijl voorts rekening kan worden gehouden met eventueel aanwezig inkomen van de
belanghebbende. Bedoeld
voorschot sluit immers aan bij het niveau van de beslagvrije voet. Om
uitvoeringstechnische redenen is ervoor gekozen rblz.|7|
om het voorschot in ieder
geval 90% van de hoogte van de algemene bijstand te laten
bedragen, zodat gemeenten in voorkomende gevallen eenvoudigweg kunnen
bevoorschotten op afgeronde bedragen.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|