|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2006-2007, 30 937.
Handelingen II 2006-2007, blz. 4117-4117.
Kamerstukken I 2006-2007, 30 937 (A, B, C).
Handelingen I 2006-2007, blz. 1195-1195.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 21 juli 2007, Stb.
2007, 302, tot
wijziging van de Toeslagenwet en intrekking van de
Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid in verband met het verbeteren en
vereenvoudigen van de wijze waarop het sociaal minimum wordt gewaarborgd
in de loondervingsuitkeringen. Inwerkingtreding: 1 januari 2008 (Stb.
2007, 303).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de huidige systematiek van de toeslagen en kopjesbedragen
te verbeteren en vereenvoudigen teneinde het sociaal minimum
te
waarborgen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Toeslagenwet [MvT]
De Toeslagenwet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 1, eerste lid,
wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door
een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. vervolgdagloon: het
vervolgdagloon, bedoeld in artikel 21b
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
B.
[MvT]
Artikel 2 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
onderdeel b, wordt "lager is dan het minimumloon" vervangen door: lager is dan
€|59,80.
2. In het tweede lid,
onderdeel b, vervalt
"(Stb. 1980,
1)". [MvT]
3. In het tweede lid,
onderdeel c, wordt "lager is dan 90% van het
minimumloon" vervangen
door: lager is dan
€|54,61.
4. Het derde lid, onderdeel
b, komt te luiden:
b. per dag een inkomen heeft
dat lager is dan:
1º. indien hij 23 jaar of
ouder is:
€|46,12;
2º. indien hij 22 jaar is:
€|35,29;
3º. indien hij 21 jaar is:
€|29,64;
4º. indien hij 20 jaar is:
€|24,76;
5º. indien hij 19 jaar is:
€|21,14;
6º. indien hij 18 jaar is:
€|19,06.
5. Er wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-6. Zolang een gehuwde of
ongehuwde de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, heeft hij
geen recht op toeslag. [MvT]
C. [MvT]
Aan artikel 5 wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-3. Indien bij samenloop van
loondervingsuitkeringen op grond van enig handelen of nalaten van
betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten één of meer van de
loondervingsuitkeringen gedeeltelijk worden geweigerd of niet tot
uitbetaling komen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop
berustende bepalingen het inkomen in aanmerking genomen alsof die weigering
niet heeft plaatsgevonden respectievelijk alsof die uitbetaling heeft
plaatsgevonden.
D. [MvT]
Paragraaf 2 van hoofdstuk II
komt te luiden:
§ 2. De hoogte van de
toeslag
Art. 8.
[MvT]
-1. Voor de persoon, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, is de toeslag gelijk aan het verschil tussen
€|59,80 en het inkomen per dag. [MvT]
-2. Voor de persoon, bedoeld
in artikel 2, tweede lid, is de toeslag gelijk aan het verschil tussen
€|54,61 en het inkomen per dag. [MvT]
-3. Voor de persoon, bedoeld
in artikel 2, derde lid, is de toeslag gelijk aan het verschil tussen het
in artikel 2, derde lid, onderdeel b, bij de leeftijd van die persoon
genoemd bedrag en het inkomen per dag. [MvT]
Art. 8a. [MvT]
-1. De toeslag bedraagt niet
meer dan het verschil tussen het dagloon, vervolgdagloon of de
grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend en de
loondervingsuitkering, voor:
a. de persoon, bedoeld in
artikel 2, eerste lid;
b. de persoon, bedoeld in
artikel 2, tweede lid, indien het dagloon, vervolgdagloon of de
grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend lager is dan
€|54,61;
c. de persoon, bedoeld in
artikel 2, derde lid, indien het dagloon, vervolgdagloon of de
grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend lager is dan het
in artikel 2, derde lid, onderdeel b, bij de leeftijd van die persoon genoemd
bedrag. [MvT]
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt de in het dagloon, vervolgdagloon of grondslag
waarnaar de loondervingsuitkering is berekend begrepen
vakantiebijslag niet in aanmerking genomen. [MvT]
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt bij een persoon ten aanzien van wie artikel
47,
tweede lid, van de Werkloosheidswet toepassing heeft
gevonden
een loondervingsuitkering in aanmerking genomen als ware dat artikel
niet van toepassing. [MvT]
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat voor de toepassing van het eerste
lid ander inkomen dan de loondervingsuitkering wordt gelijkgesteld met de
op het dagloon, vervolgdagloon of de grondslag waarnaar de
loondervingsuitkering is berekend in mindering te brengen
loondervingsuitkering. [MvT]
Art. 9. [MvT
+ bis]
-1. De in de artikelen 2, 8
en 8a genoemde bedragen worden gewijzigd overeenkomstig de wijze en
met ingang van de dag waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van
de Wet werk en bijstand, worden gewijzigd. De herziene bedragen treden
voor de in artikel 8 genoemde bedragen in de plaats.
-2. Van de herziene bedragen,
bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister mededeling gedaan
in de Staatscourant.
E. [MvT]
Na het bij de Wet invoering
en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ingevoegde
artikel 44 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 44a.
-1. De artikelen 24, 48 en
64a van de Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid en de
daarop rustende bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2007 blijven tot
1 maart 2008 van toepassing op de persoon die:
a. op 31 december 2007 recht
had op een verhoging van zijn uitkering op grond van de artikelen
24, 48 of 64a
van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid; en
b. op 1 januari 2008 geen
recht heeft op een toeslag. [MvT]
-2. Artikel 64a van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en deze wet en de op dat
artikel en deze wet rustende bepalingen zoals deze luidden op 31 december
2007 blijven van toepassing tot de dag waarop het recht op
ziekengeld is geëindigd, maar uiterlijk tot 1 maart 2008 op de persoon die:
a. op 31 december 2007 recht
had op een verhoging van zijn uitkering op grond van artikel 64a
van
de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid;
b. op 31 december 2007 geen
recht had op een toeslag; en
c. op 1 januari 2008 recht
zou hebben op een toeslag. [MvT]
F.
Het bij de Wet van 7
december 2006, houdende overgangsrecht inzake de beëindiging van het
recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet binnen de Europese Unie, de
Europese Economische Ruimte en Zwitserland (Stb. 695, 2006) ingevoegde
artikel 44 wordt vernummerd tot artikel
44b.
Art. II.
Wijziging van de Invoeringswet nieuwe
en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsheidsregelingen [MvT]
In de Invoeringswet nieuwe
en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsheidsregelingen wordt na artikel IX een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. IXa. Overgangsrecht AAW en WAO
-1. In dit artikel wordt
verstaan onder arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uitkering op grond van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide wetten.
-2. De artikelen 5, 12,
tweede tot en met vierde lid, en 23, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen
18, 21, tweede tot en met vierde lid, en
32 van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden
op de dag voorafgaande aan die waarop de Wet van 6 november
1986, houdende nadere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband
met verminderde gelegenheid tot het
verkrijgen van arbeid), in werking is getreden, blijven van toepassing op de persoon
die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die
dag de leeftijd
van 35 jaar heeft bereikt.
-3. De artikelen 5, 12,
tweede tot en met vierde lid, en 23 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan
die
waarop de Wet van 6 november 1986, houdende nadere wijziging
van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde
gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid), in werking is getreden, blijven
van toepassing op de persoon die op die dag recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel
b, van die
wet.
-4. Vanaf de datum dat de Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. 1993, 412) in
werking
is getreden, vinden de voorgaande leden nog slechts
toepassing met betrekking tot personen die op die datum de leeftijd van
45 jaar hebben bereikt.
-5. De uitkeringsgerechtigde
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering die zowel op 31
december 1986 als op 1 januari 1987 recht had op een
uitkering op grond van die wet, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55
tot 65% of 65 tot 80%, heeft, zolang hij in dezelfde
arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, in afwijking van artikel
21, tweede lid, van die wet,
recht op een uitkering die per dag, de zaterdagen en de zondagen
niet meegerekend, bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
55-65%: 44% van 100/108
maal het dagloon of het vervolgdagloon;
65-80%: 57% van 100/108
maal het dagloon of het vervolgdagloon.
-6. Voor de toepassing van
het vijfde lid wordt te rekenen vanaf 30 januari 1986 een
herziening van een uitkering als bedoeld in artikel 38 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht niet te hebben
plaatsgevonden
indien de uitkeringsgerechtigde binnen 48 weken na de herziening weer wordt
ingedeeld in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse als vóór die herziening.
Art.
III.
Wijziging van de Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Na artikel 17b wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 17c.
-1. De persoon die op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid
werknemer in de zin van deze wet was en die in de periode van 36 weken,
bedoeld in artikel 17, gelegen vóór 1 januari
1987 arbeid heeft verricht als
werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet
Werkloosheidsvoorziening zoals die wetten luidden op 31 december 1986, dan wel
zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst heeft
vervuld, wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft
verricht, beschouwd als werknemer in de zin van deze wet.
-2. De persoon die op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid
werknemer in de zin van deze wet was en die in de periode van 36 weken,
bedoeld in artikel 17, vanaf 1 januari 1987 arbeid heeft verricht in een
arbeidsverhouding ter zake waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen
is verzekerd, wordt met betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft
verricht, beschouwd als werknemer in de zin van deze wet.
-3. Artikel 17a is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste en tweede lid.
-4. Ten aanzien van de
persoon die op 31 december 1986 recht had op een uitkering op grond van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide wetten en die op het tijdstip waarop de
arbeidsongeschiktheid intrad werknemer was in de zin van de
Werkloosheidswet zoals die wet luidde op 31 december 1986, zijn het eerste en het
derde lid van overeenkomstige toepassing.
B. [MvT]
Na artikel 42b wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 42c.
-1. De persoon die op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid
werknemer in de zin van deze wet was, wordt voor de toepassing van de
artikelen 42 en 42a als werknemer in de zin van deze wet beschouwd gedurende de
periode waarin hij:
a. vóór 1 januari 1987 als
werknemer in de zin van de Werkloosheidswet of de Wet
Werkloosheidsvoorziening zoals die wetten luidden op 31 december 1986 in
dienstbetrekking heeft gestaan dan wel zijn militaire dienstplicht of in plaats
daarvan vervangende dienst heeft vervuld;
b. vanaf 1 januari 1987 een
arbeidsverhouding had ter zake waarvan hem door het Rijk
invaliditeitspensioen was verzekerd.
-2. Ten aanzien van de
persoon, bedoeld in artikel 17c, vierde lid, is het eerste lid, onderdeel
a, van overeenkomstige toepassing.
C. [MvT]
Na artikel 130q wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 130r.
-1. Ten aanzien van degene
die overheidswerknemer is, in de zin van artikel
1, onderdeel l,
onder 1º, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, uit
hoofde van zijn arbeidsverhouding tot de Stichting Pensioenfonds ABP
of een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
privatisering ABP, niet zijnde het Rijk, een provincie,
gemeente, waterschap,
veenschap of veenpolder, kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent zijn ten
laste van die stichting of
dat lichaam komende aanspraken bij werkloosheid.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op degene die overheidswerknemer is uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een lichaam als
bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel b tot en met e, van de Wet
privatisering ABP, mits
zodanig lichaam krachtens subsidievoorwaarden voorschriften als bedoeld in
het eerste lid toepast.
-3. Bij de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden
gegeven omtrent aanspraken bij werkloosheid ten laste van
een lichaam als bedoeld in dat lid van degene die op 31 december 1986 een
aanspraak op uitkering ontleent aan de algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet zoals die
wet luidde op 31 december 1986.
-4. Dit artikel vervalt met
ingang van 1 januari 2010.
Art. IV.
Wijziging grondslag [MvT]
Na de inwerkingtreding van
artikel III, onderdeel C, van deze wet berust het Besluit van 29 december
1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 10 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1986,
686), op artikel
130r van de Werkloosheidswet.
Art. V.
Intrekking van de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid [MvT]
De
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid wordt ingetrokken.
Art. VI. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en kunnen
terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 23 augustus 2007, Stb. 2007, 303, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2008, waarbij artikel
III, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 oktober 2006.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 21
juli 2007
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de dertigste
augustus 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|