|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007, 30 937
Wijziging
van de Toeslagenwet en intrekking van de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid in verband met het verbeteren en
vereenvoudigen van de wijze waarop het sociaal
minimum wordt gewaarborgd in de loondervingsuitkeringen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Aanleiding voor het
wetsvoorstel |
| 1.2 |
Huidige systematiek |
| 1.3 |
Uitkeringsgerechtigden die voor een
"kopje" in aanmerking komen |
| 2 |
Hoofdlijnen
wetsvoorstel |
| 2.1 |
Nieuwe
toeslagensystematiek |
| 2.2 |
Voordelen nieuwe
systematiek |
| 2.3 |
Overige wijzigingen |
| 3 |
Uitvoering |
| 4 |
Financiële
consequenties |
| 4.1 |
Overheveling |
| 4.2 |
Intensivering |
| 4.3 |
Administratieve
lasten burgers |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
Hoofdstuk
1. Inleiding
Het voorliggende
wetsvoorstel strekt tot verdiscontering van de kopjesregeling in de
Toeslagenwet (TW). De TW en de in de artikelen
24, 48 en 64a
van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) vervatte
kopjesregeling beogen beide te voorkomen dat werknemers met een loon net boven het
sociaal minimum, wanneer zij een beroep moeten doen op een
loondervingsuitkering, een inkomen ontvangen onder dat minimumniveau.
De TW zorgt voor een
aanvulling tot aan het brutominimum. Dit betreft 100% van het wettelijk
minimumloon (WML) voor gehuwden, 90% van het WML voor alleenstaande
ouders en 70% van het WML voor alleenstaanden. De kopjesregeling zorgt
ervoor dat de uitkering van alleenstaanden wordt aangevuld tot het
netto sociaal minimum.
Dit complexe systeem
wordt met het voorliggende wetsvoorstel vereenvoudigd. De regering stelt voor de
- in 1987 als tijdelijke maatregel ingevoerde - kopjesregeling in te
trekken en de aanvulling tot het netto
sociaal minimum te regelen in de TW. Het resultaat is een nauwkeuriger en beter aan de uitkeringsgerechtigden uit te leggen uitkeringssystematiek.
Dit wetsvoorstel heeft
als bijkomend voordeel dat de IWS geheel kan vervallen.
rblz.|2|
1.1. Aanleiding voor het
wetsvoorstel
Op 29 december 2005 is de
Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (IWIA)
in werking getreden. Deze wet bracht onder meer een verandering met zich
voor personen die tot die datum een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) ontvingen. Personen die een Ioaw-uitkering ontvingen
in combinatie met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een toeslag op
grond van de TW, krijgen sinds 1 januari 2006 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in combinatie met een hogere toeslag.
Hierdoor kunnen zij nu bij één loket terecht, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV). Deze wijziging heeft geleid tot een
vereenvoudiging van regelgeving, een vereenvoudigde uitvoering en een
vermindering van lasten voor burgers.
Begin 2006 werd duidelijk
dat een aantal gedeeltelijk arbeidsgeschikten onbedoeld een uitkering
beneden het (netto) relevant
sociaal minimum ontvangt. Hun uitkering is
bruto gelijk aan het relevante sociaal minimum, maar ligt daar netto
onder. Het verschil bedraagt maximaal €|61,50 op maandbasis. Hierdoor
zouden deze personen voor een inkomen op het netto sociaal minimum
alsnog bijstand moeten aanvragen.
Om dit onbedoelde effect
zo snel mogelijk aan te pakken, heeft het kabinet een tijdelijke
reparatiemaatregel in het leven geroepen (Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen overgang Ioaw naar Toeslagenwet (Stcrt. 2006, 157)).
Het voorliggende wetsvoorstel bevat de structurele oplossing voor deze
problematiek.
1.2. Huidige systematiek
Relevant sociaal minimum
Afhankelijk van de
leefsituatie zijn minimuminkomensniveaus vastgesteld om in het bestaan
te kunnen voorzien. Dit is het zogenoemd relevant
sociaal minimum. Een
uitkering op basis van de Wet werk en bijstand
(Wwb) is een inkomen op
het niveau van het relevant sociaal minimum. Het sociaal minimum is een
nettobedrag, dat wil zeggen: het bedrag dat resteert na afdracht van
premies en belasting.
Wanneer werknemers een
inkomen uit arbeid hebben op of net boven het niveau van het relevant
sociaal minimum, dan hoeven zij tengevolge van de TW
en de
kopjesregeling op het moment dat ze een uitkering ontvangen op grond van
de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) of een
arbeidsongeschiktheidsuitkering [lees: arbeidsongeschiktheidswet, red.], geen beroep te doen op een aanvulling
uit de Wwb. Vanwege het ontbreken van een vermogenstoets en een
beperktere inkomenstoets is het uitkeringsregime minder stringent dan
dat van de Wwb. Tevens kan de uitkeringsgerechtigde vanwege de TW en de
kopjesregeling terecht bij één uitkeringsloket: het UWV. Dit
uitgangspunt is bij de stelselherziening van de sociale zekerheid in
1987 vastgelegd in de TW en de kopjesregeling.
Het (netto) relevant
sociaal minimum voor gehuwden (100% van het WML) is het vertrekpunt; het
sociaal minimum voor alleenstaanden wordt hiervan afgeleid. Het sociaal
minimum bedraagt voor alleenstaanden 70% van het netto WML van gehuwden
en voor alleenstaanden met kinderen jonger dan 18 jaar 90% van het netto
WML van gehuwden.
Onderstaand wordt
toegelicht hoe de TW en de kopjesregeling momenteel ervoor zorgen dat
een loondervingsuitkering het niveau van het sociaal minimum bereikt.
Toeslagenwet
De
loondervingsuitkeringen voorzien in de meeste gevallen in een uitkering rblz.|3|
die 70% bedraagt van het aan de uitkering voorafgaande inkomen uit
arbeid. In die gevallen waarin de uitkering lager is dan het
sociaal minimum, maar het voorafgaande inkomen ten minste daaraan gelijk was,
zorgt de TW
voor een aanvulling op loondervingsuitkeringen tot het
sociaal minimum. De TW vult aan tot:
- 100% van het bruto WML
voor de gehuwde wiens echtgenoot is geboren vóór 1 januari 1972;
- 100% van het WML voor
gehuwden met een kind dat jonger is dan 12 jaar;
- 90% van het bruto WML voor
alleenstaanden met kinderen jonger dan 18 jaar; en
- 70% van het bruto WML voor
alleenstaanden zonder kinderen of kinderen die 18 jaar of ouder zijn.
De kopjesregeling
De uit 1987 daterende
kopjesregeling was bedoeld als een tijdelijke reparatieregeling. De
regeling zorgt voor een aanvulling op de loondervingsuitkering van
alleenstaanden. Het brutominimum dat door de loondervingsuitkering en
de TW
wordt gegarandeerd, resulteerde bij de invoering van de toenmalige
stelselherziening van de sociale zekerheid in een nettobedrag onder het
sociaal minimum. In de loop der tijd is de kopjesregeling meermalen
aangepast als gevolg van wijzigingen in de fiscaliteit.
Het kopje compenseert
voor alleenstaanden het verschil tussen het nettobedrag dat, na
afdracht van belastingen en premies, resteert van bruto 70% van het WML
en het netto sociaal minimum. Dit verschil vloeit voort uit het feit dat
alleenstaanden recht hebben op éénmaal de fiscale algemene
heffingskorting; het sociaal minimum voor alleenstaanden gaat uit van
70% van het netto WML voor gehuwden. Bij het netto WML voor gehuwden
wordt rekening gehouden met een dubbele algemene heffingskorting.
1.3.
Uitkeringsgerechtigden die voor een "kopje" in
aanmerking komen
Op dit moment worden
kopjes op de uitkering toegekend aan alleenstaanden zonder kinderen die
een WW-uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering vanwege volledige
arbeidsongeschiktheid of ZW-uitkering ontvangen. Wanneer de uitkering
bruto 70% tot circa 77% van het WML bedraagt, wordt deze door middel van
een kopje aangevuld tot een brutobedrag dat resulteert in een netto-inkomen op het
relevant
sociaal minimum.
De kopjesregeling is
thans niet van toepassing op alleenstaande ouders met kinderen jonger
dan 18 jaar. Deze categorie ontvangt momenteel een uitkering die netto
maximaal €|10,50 per maand onder het relevant netto sociaal minimum
kan liggen. Vanwege de fiscale alleenstaandeouderkorting is het
verschil tussen de bruto-uitkering en het relevant sociaal minimum voor
alleenstaande ouders minder groot dan bij alleenstaanden zonder
kinderen.
Het ligt voor de hand om
ook alleenstaande ouders via de TW
een inkomen op sociaal minimumniveau
te garanderen. In het voorliggende wetsvoorstel is daarom voorzien in
een verhoogde toeslag voor alleenstaande ouders.
rblz.|4|
Hoofdstuk
2. Hoofdlijnen wetsvoorstel
2.1. Nieuwe
toeslagensystematiek
De kopjesregeling en de
TW
beogen te voorkomen dat mensen die voorafgaand aan een
loondervingsuitkering een inkomen boven het
sociaal minimum hadden,
tijdens de uitkering een beroep op de bijstand moeten doen. Om dit te
bereiken, moet de TW zo goed mogelijk op de Wwb zijn afgestemd. Aangezien
de Wwb en TW een verschillende systematiek kennen, is exacte afstemming
niet mogelijk; wel is met dit wetsvoorstel een aantal verbeteringen in
de afstemming aangebracht. Onderstaand worden de veranderingen
toegelicht.
Alleenstaanden
De
Wwb maakt een
onderscheid tussen alleenstaanden jonger dan 21 jaar en alleenstaanden
van 21 jaar of ouder. De alleenstaanden van 21 jaar of ouder hebben
recht op algemene bijstand en een toeslag die afhankelijk is van de
noodzakelijke kosten van bestaan van betrokkene. De gemeenten hebben de
bevoegdheid om bij bijstandsgerechtigden van 21 of 22 jaar de toeslag
naar beneden bij te stellen om belemmeringen weg te nemen om betaalde
arbeid te aanvaarden. Wanneer de uitkering zodanig hoog is dat het
accepteren van betaalde arbeid geen of slechts een geringe
inkomensstijging oplevert, kan dat immers een belemmering zijn. Om te
zorgen dat de aansluiting op de arbeidsmarkt behouden blijft en het
activerend karakter van de loondervingsuitkeringen zo groot mogelijk te
laten zijn, ligt het voor de hand de norm af te stemmen op 70% van het
bij de leeftijd van betrokkene horende WML, evenals nu het geval is in
de TW.
Voor de alleenstaande bijstandsgerechtigden die jonger zijn dan 21 jaar geldt dat zij naast de
algemene bijstandsuitkering (een bedrag van ruim €|200,-) een beroep op de onderhoudsplicht van hun ouders moeten doen.
Wanneer
zij geen beroep op ouders kunnen doen en de noodzakelijke kosten van
bestaan boven de toepasselijke bijstandsnorm uitgaan, kan de gemeente
bijzondere bijstand verlenen. Dit maatwerk past niet in de systematiek
van de TW. Daarom blijft de regel van kracht dat betrokkene recht heeft
op een uitkering van 70% van het van toepassing zijnde WML. Dit
resulteert in leeftijdsafhankelijke bedragen voor alleenstaanden van 18
tot en met 22 jaar.
Het blijkt dat een
bruto-uitkering van 70% van het relevante WML vanwege de huidige stand van de
fiscale heffingskortingen en tarieven voor alleenstaanden van 18 tot en
met 22 jaar een netto-inkomen oplevert boven het relevant
sociaal minimum. Bij de vaststelling van de hoogte van de bedragen voor de
verschillende leeftijdsgroepen is daarom in het wetsvoorstel gekozen
voor brutobedragen die resulteren in een nettobedrag op het relevant
sociaal minimum. In onderstaande tabel zijn de verschillen in beeld
gebracht:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
22
jaar |
21
jaar |
20
jaar |
19
jaar |
18
jaar |
| Kopjesbedrag/bruto
sociaal minimum |
€|35,29 |
€|29,64 |
€|24,76 |
€|21,14 |
€|19,06 |
| 70% bruto relevant
WML |
€|35,59 |
€|30,35 |
€|25,75 |
€|21,98 |
€|19,05 |
Alleenstaande ouders
Voor de alleenstaanden
met kinderen die jonger zijn dan 18 jaar maakt de Wwb
een onderscheid
naar alleenstaande ouders van 18, 19 of 20 jaar en alleenstaande ouders
van 21 jaar of ouder. In de circulaire van 15 november 1999 heeft de minister de
gemeenten verzocht aan zelfstandig rblz.|5|
wonende alleenstaande
ouders tot 21 jaar in beginsel een uitkering te verstrekken op het
niveau van de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders van 21 jaar en
ouder. De TW
blijft daarom van één, leeftijdsonafhankelijk bedrag
uitgaan voor de alleenstaande ouders. Wel wordt dit bedrag iets hoger
vastgesteld dan het huidige bedrag ter hoogte van 90% van het WML
zodat
het inkomen van alleenstaande uitkeringsgerechtigde ouders niet onder
het relevante bijstandsniveau kan uitkomen.
Gehuwden
Gehuwden komen alleen in
aanmerking voor een toeslag die aanvult tot 100% van het WML
wanneer de
partner van de uitkeringsgerechtigde is geboren vóór 1 januari 1972 of
de gehuwden voor een kind zorgen dat jonger is dan 12 jaar. Met deze in
artikel 3 van de TW
vervatte "1990-maatregel" is in de TW
bewust
gekozen voor arbeidsparticipatie van beide partners als uitgangspunt.
Deze lijn blijft gehandhaafd in het wetsvoorstel. De bijhorende norm
blijft in lijn met de Wwb 100% van het WML.
In de Wwb is de hoogte
van de uitkering van ouders met kinderen tot 18 jaar afhankelijk van de
leeftijd van de gehuwden. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen ouders
die beide 18, 19 of 20 zijn, ouders waarvan de één 18, 19 of 20 is en de
ander 21 jaar of ouder en ouders die beide 21 jaar of ouder zijn.
Aangezien de TW dat op dit moment niet doet en voor alleenstaande ouders
is gekozen dat onderscheid evenmin te maken, is in het wetsvoorstel voor
gehuwden met één norm volstaan: 100% van het WML.
Toeslag alleen voor
personen van 18 jaar of ouder
Personen tot 18 jaar
komen op grond van dit wetsvoorstel niet meer in aanmerking voor een
toeslag. Dit is in overeenstemming met de Wwb. De
Wwb is in beginsel
niet beschikbaar voor personen jonger dan 18 jaar omdat tot die leeftijd
de onderhoudsplicht van ouders geldt. Wanneer ouders niet in hun eigen
bestaan kunnen voorzien, heeft de overheid een zorgplicht voor deze
personen en hun kinderen. Deze is ingevuld middels het verstrekken van
gezinsbijstand.
In de praktijk zijn er
slechts enkele personen (in de laatst beschikbare informatie: drie
personen) per jaar die 17 jaar zijn en een toeslag ontvangen. Met het
vervallen van deze aparte categorie wordt een uitvoeringstechnische
vereenvoudiging bewerkstelligd.
Aanvulling tot maximaal
het dagloon
Wanneer het inkomen uit
arbeid van de uitkeringsgerechtigde ten minste gelijk was aan het
sociaal minimum, komt hij in aanmerking voor de verhoogde toeslag. De
toeslag bedraagt het verschil tussen het van toepassing zijnde brutobedrag en het inkomen van de betrokkene. Voor diegenen die voorafgaand
aan de uitkering een inkomen uit arbeid hadden dat beneden het
toepasselijke sociaal minimum ligt, geldt dat de toeslag slechts aanvult
tot het niveau van dat oude inkomen (het dagloon). De toeslag bedraagt
nooit meer dan het verschil tussen het dagloon en de uitkering. Dat is
ook nu het geval.
2.2. Voordelen nieuwe
systematiek
Minder aanpassingen nodig
Het resultaat van de
nieuwe methode om de toeslag te berekenen, is dat er bij wijzigingen in
bijvoorbeeld de fiscaliteit geen nieuwe kopjes voor de afzonderlijke
loondervingsuitkeringen in het leven hoeven te worden geroepen. Dit
voorkomt dat categorieën uitkeringsgerechtigden, zoals is rblz.|6|
gebeurd met
de alleenstaande ouders, onbedoeld op een uitkeringsniveau uitkomen dat
onder het relevant
sociaal minimum ligt. Aanpassing van de in
de wet
opgenomen brutobedragen zorgt ervoor dat de toeslag de uitkering
aanvult tot een brutobedrag dat resulteert in een netto-inkomen op
niveau van het relevante sociaal minimum. De herziening van de brutobedragen is, evenals nu het geval is in de kopjesregeling, gekoppeld aan
de periodieke herziening van de in de Wwb opgenomen bedragen. De
bedragen van de TW
volgen daarmee de wijzigingen in de Wwb.
Eenvoudiger regeling
Voor de
uitkeringsgerechtigde brengt de voorgestelde wijziging een
vereenvoudiging met zich mee. Waar deze nu nog een uitkering ontvangt
die is samengesteld uit een drietal componenten (de
loondervingsuitkering, toeslag en het kopje), ontvangt hij na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een loondervingsuitkering en een
toeslag. Deze vereenvoudiging geldt eveneens voor het UWV: er hoeft geen
apart systeem meer in stand te worden gehouden voor de toekenning van de
kopjes. Wel zal de uitkeringsgerechtigde die op dit moment wel een
kopje, maar niet een toeslag ontvangt, eenmalig een (vereenvoudigde)
aanvraag in moeten dienen voor de nieuwe toeslag.
Deregulering
Tevens draagt
dit
wetsvoorstel bij aan het streven naar deregulering. Nu de kopjesregeling
in de TW
wordt verdisconteerd, kan de IWS
worden ingetrokken. De IWS
dateert uit 1987 en bevat, naast de kopjesregeling, artikelen die andere
wetgeving wijzigde in verband met de invoering van de - destijds
nieuwe - WW
en enig invoerings- en overgangsrecht. Twintig jaar na
dato is deze wet met het vervallen van de kopjesregeling geheel
uitgewerkt en dient deze te worden ingetrokken. De vier artikelen die
van kracht moeten blijven, worden overgeheveld naar andere wetten.
2.3. Overige wijzigingen
Uitbreiding doelgroep
minimuminkomensbescherming
De doelgroepen van de
huidige kopjesregeling en de TW
stemmen niet geheel overeen. Sommige
uitkeringsgerechtigden hebben nu namelijk wel recht op een toeslag, maar
niet op een kopje. Bij de doelgroep voor de verhoogde toeslag is de TW
als uitgangspunt genomen. Hierdoor komen ook personen met een uitkering
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of op
grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en
zorg (uitkering in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie en
pleegzorg) in aanmerking voor een aanvulling tot het netto
sociaal minimum.
Inkomstenverrekening
Bij de toekenning van een
kopje wordt geen rekening gehouden met inkomsten naast de
loondervingsuitkering. In de TW
worden dergelijke inkomsten wel in
mindering gebracht op de toeslag.¹ Dit past binnen het gedachtegoed
omtrent het
sociaal minimum: het garanderen van het sociaal minimum om
te voorkomen dat personen een beroep op de bijstand moeten doen naast
hun loondervingsuitkering, terwijl zij voorheen naast hun inkomsten uit
en in verband met arbeid geen aanvulling van de bijstand nodig hadden.
Hieruit vloeit voort dat uitkeringsgerechtigden die door inkomsten uit
arbeid reeds boven het sociaal minimum zitten niet ook nog eens een
toeslag ontvangen. Concreet betekent de omzetting van de kopjes naar de
TW met de bijhorende inkomstenverrekening rblz.|7|
dat circa
2100 personen hun kopje kwijt zullen raken. Voor de duidelijkheid zij
opgemerkt dat het inkomen van deze uitkeringsgerechtigden hierdoor niet
onder het
sociaal minimum uitkomt. Voor deze groep is in
het
wetsvoorstel een uitlooptermijn opgenomen.
1. De TW
bevat een vrijlatingsregeling: gedurende twee jaren wordt inkomen uit arbeid tot
een bedrag van maximaal 15% van het WML buiten beschouwing gelaten.
Aanvraag
Voor de toekenning van
een toeslag moet de uitkeringsgerechtigde een aanvraag indienen. Het
kopje wordt op dit moment ambtshalve toegekend. Er wordt dus een extra
inspanning van de betrokken uitkeringsgerechtigden gevraagd. Bij de
voorbereiding van dit wetsvoorstel is de mogelijkheid van ambtshalve
toekenning van toeslagen onderzocht. Daarbij bleek dat de gegevens met
betrekking tot de leefsituatie en het eventueel inkomen uit of in
verband met arbeid van de uitkeringsgerechtigde en, indien van
toepassing, zijn echtgenoot momenteel niet anders worden achterhaald dan
door een uitvraag bij de uitkeringsgerechtigde. Met name inkomsten van
zelfstandigen zijn niet tijdig beschikbaar voor het vaststellen van een
recht op toeslag. Ambtshalve toekenning is daarom niet mogelijk.
Het
UWV zal de circa 73
000 mensen die in 2007 een kopje maar geen toeslag ontvangen of die een
tegemoetkoming ontvangen op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen overgang Ioaw naar Toeslagenwet 2007 wel spontaan gaan benaderen. Zij
ontvangen in de tweede helft van 2007 informatie over dit wetsvoorstel
en worden in de gelegenheid gesteld op vereenvoudigde wijze een toeslag
aan te vragen. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de betrokkenen op
tijd een toeslag aan kunnen vragen en dat zij deze na toekenning meteen
ontvangen.
Uitlooptermijn
Circa 2100
uitkeringsgerechtigden zullen met de inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel het kopje kwijtraken. Deze personen hebben,
als gevolg van neveninkomsten uit of in verband met arbeid, een inkomen
boven het
sociaal minimum. De kopjesregeling hield hiermee geen
rekening, de TW
doet dat wel. De inkomensachteruitgang kan voor deze
groep maximaal €|61,50 netto per maand bedragen. Het
UWV
zal hierover
informeren in de brief die in de tweede helft van 2007 wordt gezonden
aan de uitkeringsgerechtigden met een kopje. Voor deze categorie is in
het wetsvoorstel verder een uitlooptermijn van twee maanden opgenomen
waarin zij recht blijven houden op een kopje. De betrokkenen kunnen zich
hierdoor instellen op de verlaging van hun uitkering.
Hoofdstuk
3. Uitvoering
Het UWV
acht het
wetsvoorstel uitvoerbaar per 1 januari 2008. In zijn
uitvoeringstechnische commentaar onderschrijft het UWV het voornemen om
de borging van het netto
sociaal minimum in één regeling op te nemen
en om de kopjesregeling in te trekken.
Het UWV adviseert om bij
kortdurende ZW-uitkeringen die vóór de invoeringsdatum van dit
wetsvoorstel zijn toegekend de omzetting van het kopje naar een toeslag
achterwege te laten.
Een dergelijke
overgangsregeling leidt tot minder administratieve belasting voor de
burger en voor het UWV. Het wetsvoorstel is naar aanleiding van dit
advies aangepast. De aangepaste regeling is in het artikelsgewijze deel
van deze memorie nader toegelicht (artikel I, onderdeel E, tweede lid).
rblz.|8|
De omzetting van de
bestaande kopjes naar een toeslag vergt een flinke inspanning van het UWV. Het UWV zal in de tweede helft van 2007 het bestand van circa 73
000 uitkeringsgerechtigden aanschrijven dat wel een kopje ontvangt of
een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen overgang Ioaw naar Toeslagenwet 2007, maar geen toeslag. In die periode zullen
informatie over de op handen zijnde wijziging en aanvraagformulieren
voor een toeslag moeten worden verstuurd, de geretourneerde formulieren
worden beoordeeld en verscheidene mutaties in de systemen moeten worden
doorgevoerd om tijdige betaling te realiseren.
Hoofdstuk
4. Financiële consequenties
4.1. Overheveling
Momenteel zijn er circa
73 000 uitkeringsgerechtigden die naast een loondervingsuitkering
(wegens arbeidsongeschiktheid, WW of ZW) een kopje krijgen. De kopjes
worden betaald uit de gelden die beschikbaar zijn voor de
loondervingsuitkeringen. De overheveling van de kopjesregeling naar de TW
heeft een besparing van uitkeringslasten in de
werknemersverzekeringen en een gelijktijdige intensivering in de TW tot
gevolg:
Tabel 1. Overheveling van
de uitkeringslasten (x €|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
| WAZ |
x–3,2 |
x–2,8 |
x–2,4 |
x–2,0 |
x–1,7 |
| Wajong |
–81,0 |
–84,0 |
–87,0 |
–90,0 |
–93,0 |
| WAO/Wet
WIA |
x–0,6 |
x–0,6 |
x–0,6 |
x–0,6 |
x–0,6 |
| WW
|
x–0,5 |
x–0,4 |
x–0,4 |
x–0,4 |
x–0,4 |
| ZW
|
x–2,6 |
x–2,6 |
x–2,6 |
x–2,6 |
x–2,6 |
| TW |
+87,9 |
+90,4 |
+93,0 |
+95,6 |
+98,3 |
| Totaal |
xv0,0 |
xv0,0 |
xv0,0 |
xv0,0 |
xv0,0 |
De extra structurele
uitvoeringskosten die aan deze regeling zijn verbonden, bedragen minder
dan €|1 miljoen per jaar. Daarnaast zijn er in 2007
eenmalige
implementatiekosten voor onder andere het aanpassen van systemen,
processen, mailings en informatiebrieven aan uitkeringsgerechtigden,
alsmede het stopzetten van de kopjes en het beoordelen een afhandelen
van aanvragen TW. Deze
eenmalige kosten bedragen €|2,25 miljoen.
4.2. Intensivering
Van de
uitkeringsgerechtigden die nu een kopje krijgen, zal een klein gedeelte
(ongeveer 2100 personen) niet in aanmerking komen voor een toeslag ter
vervanging van het kopje vanwege de aan de TW
verbonden inkomenstoets.
Daarnaast wordt de groep
uitkeringsgerechtigden van wie de loondervingsuitkering wordt aangevuld
tot het netto
sociaal minimum uitgebreid met:
a) 25 500 alleenstaande ouders;
b) 6500 alleenstaande gedeeltelijk arbeidsgeschikten;
c) een zeer gering aantal uitkeringsgerechtigden met een uitkering op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de
Wet
arbeid en zorg.
De bovengenoemde
uitbreiding van de doelgroep brengt een structurele stijging van de
uitkeringslasten met zich mee van per saldo €|6,1 miljoen op jaarbasis.
rblz.|9|
Naar verwachting zal een
deel van de alleenstaande ouders op dit moment een beroep doen op de Wwb. De hiermee gepaard gaande uitgaven vallen na invoering van
dit
wetsvoorstel vrij. Deze vrijval is niet gekwantificeerd omdat onbekend
is in welke mate op dit moment een beroep op de Wwb wordt gedaan.
Alleenstaande
gedeeltelijk arbeidsgeschikten konden tot 2006 een beroep doen op de Ioaw. Voor de jaren 2006 en 2007 is voor hen een reparatiemaatregel
getroffen. Na de invoering van dit wetsvoorstel vallen ook de kosten van
deze maatregel vrij.
4.3. Administratieve
lasten burgers
Als gevolg van het
verdisconteren van de kopjes in de TW zal het aantal personen dat een
toeslag aanvraagt, toenemen. Dit heeft een stijging in de administratieve
lasten voor de burgers tot gevolg van zowel de tijdsbesteding als de
zogenoemde "out-of-pocketkosten".
Het aantal personen dat
nu een kopje ontvangt maar nog geen toeslag, is maximaal 73 000. Deze
personen zullen van het UWV een informatieve brief ontvangen met de vraag:
Hebt u inkomsten naast de uitkering: ja/nee. Alleen als het antwoord nee
is, moet de betrokkene de brief ondertekenen en retourneren aan UWV. Als
het antwoord ja is, hoeft de betrokkene niets te doen. Circa 15 000
personen zullen afzien van het retourneren van de brief, omdat zij
vanwege neveninkomsten geen recht hebben op een toeslag.
Deze gegevensuitvraag is
slechts eenmalig, waardoor de daarmee gemoeide kosten en
administratieve belasting eveneens eenmalig is. De brief lezen, het
antwoord aankruisen en vervolgens ondertekenen, neemt naar schatting
gemiddeld tien minuten in beslag. De totale tijdsbesteding zal dan circa
10 000 uur bedragen. De out-of-pocketkosten
bestaan uit het kopiëren
van de brief en bedragen gemiddeld 13,5 eurocent per verzending.
Van alle personen die een
toeslag hebben aangevraagd, zal naar verwachting circa 8% te maken
krijgen met een terugvordering, circa 4% bezwaar aantekenen en ongeveer
0,75% in beroep gaan. Dit resulteert in een toename van de tijdbesteding
van gemiddeld 0,5 uur per persoon per jaar. De circa 1100 personen die
bezwaar maken en in beroep gaan, hebben out-of-pocketkosten. Deze kosten
worden geraamd op gemiddeld circa 12 eurocent per aanvrager per jaar.
Tot slot is aan een
toeslag de verplichting verbonden daaraan gekoppelde voorschriften na te
leven zoals de verplichting tussentijdse wijzigingen door te geven.
Ongeveer 7% van de aanvragers krijgt hiermee te maken, hetgeen resulteert
in een gemiddelde tijdsbesteding van circa 14,5 minuten per aanvrager
per jaar. Dit leidt tot een toename in de tijdsbesteding van 1000 uren
op jaarbasis.
In de onderstaande
tabellen is de toename van de administratieve lasten uitgewerkt:
Toename van de out-of-pocketkosten
[x €|1000,-, red.]:
| Out-of-pocketkosten |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
| Aanvraagvtoeslagxxxxxxxxxxxxxx |
8
000 |
vv0 |
vv0 |
vv0 |
vv0 |
| Opvolgen voorschriften |
xxx0 |
vv0 |
vv0 |
vv0 |
vv0 |
| Bezwaar en beroep |
x|130 |
130 |
130 |
130 |
130 |
| Totaal
out-of-pocketkosten |
8
130 |
130 |
130 |
130 |
130 |
rblz.|10|
Toename van de
tijdsbesteding:
| Tijd
in uren |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
| Aanvraagvtoeslagxxxxxxxxxxxxxx |
10
000 |
– |
– |
– |
– |
| Opvolgen voorschriften |
v1
000 |
1
000 |
1
000 |
1
000 |
1
000 |
| Bezwaar en beroep |
xx550 |
rr550 |
rr550 |
rr550 |
rr550 |
| Totaal
tijdsbesteding |
11 550 |
1 550 |
1 550 |
1 550 |
1 550 |
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
(artikel 1)
Met
dit wetsvoorstel
wordt in de TW
het begrip vervolgdagloon geïntroduceerd. In de
kopjesregeling (de artikelen 24, 48 en
64a van de IWS) wordt thans
verwezen naar het vervolgdagloon. Nu de kopjesregeling geïntegreerd
wordt in de TW wordt voorgesteld om ook in de TW het begrip
vervolgdagloon te gaan gebruiken. Vandaar dat dit begrip wordt
toegevoegd aan de algemene bepalingen. Het vervolgdagloon geldt als
basis voor de berekening van de vervolguitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Onderdeel B
(artikel 2)
Tweede lid
Dit betreft een
technische wijziging.
Zesde lid
Zoals uiteengezet in het
algemeen deel van de memorie van toelichting komen personen tot 18 jaar
op grond van dit wetsvoorstel niet in aanmerking voor een toeslag. Dit
is in overeenstemming met hetgeen geregeld is in de Wwb.
Onderdeel C
(artikel 5)
Het voorgestelde derde
lid betreft een redactionele verbetering en verduidelijking van artikel
5. Het doel van artikel 5 is te voorkomen dat het gedeeltelijk weigeren
of het niet tot uitbetaling komen van een uitkering resulteert in een
hogere toeslag. Over de toepassing van artikel 5
in die situaties waarin
de uitkeringsgerechtigde meerdere loondervingsuitkeringen (samenloop van
uitkeringen) ontvangt, zou misverstand kunnen bestaan. Het eerste en
tweede lid van artikel 5 zouden zo uitgelegd kunnen worden dat in
sommige gevallen van samenloop de gedeeltelijke weigering van één of
meer uitkeringen of het niet tot uitbetaling komen van één of meer
uitkeringen (gedeeltelijk) wordt gecompenseerd door een hoger
toeslagrecht.
Het UWV heeft artikel
5 altijd toegepast conform het beschreven doel. Om de bedoeling van artikel
5 te verduidelijken en te voorkomen dat bovengenoemde uitleg aan artikel
5 wordt gegeven, is een derde lid toegevoegd waarin regels
worden gesteld omtrent bovengenoemde situaties.
Onderdeel D
(artikel 8)
Eerste lid
In het voorgestelde
eerste lid wordt de wijze van berekening van de hoogte van de toeslag
voor de categorie gehuwden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
TW,
bepaald. De hoogte van de toeslag voor deze categorie rblz.|11|
betreft het
verschil tussen 100% van het WML (€|59,80) en het inkomen per dag.
Tweede lid
In het voorgestelde
tweede lid wordt de wijze van berekening van de hoogte van de toeslag
voor de categorie alleenstaanden met kind, bedoeld in artikel
2, tweede
lid, van de TW,
bepaald. De hoogte van de toeslag voor deze categorie
betreft het verschil tussen het brutobedrag dat overeenstemt met het relevant
sociaal minimum (€|54,61) en het inkomen per dag.
Derde lid
Het derde lid bevat de
rekenmethode voor de vaststelling van de toeslag voor de categorie
alleenstaanden zonder kind, bedoeld in artikel 2, derde lid. De toeslag
met het geïncorporeerde kopje wordt toegekend aan personen vanaf 18
jaar (voor wat betreft de categorie alleenstaanden zonder kind), dit in
afwijking van de huidige kopjesregeling die een minimumleeftijd kent van
21 jaar. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de toeslag die aan personen
jonger dan 21 jaar wordt toegekend, via dezelfde systematiek wordt
vastgesteld als voor personen vanaf die leeftijd.
Onderdeel D
(artikel
8a)
Eerste lid
In het voorgestelde
eerste lid is de inhoud van de huidige maximeringsbepaling (artikel
8,
vierde lid) in gewijzigde vorm opgenomen.
De toeslag bedraagt ten
hoogste het verschil tussen het dagloon (waarnaar de
loondervingsuitkering is berekend) en die loondervingsuitkering. Deze
wijze van maximering wordt gehandhaafd, maar zou zonder nadere regeling
tot gevolg hebben dat toeslaggerechtigden met een dagloon dat minstens
gelijk is aan het voor hen relevante percentage van het wettelijk
minimumloon (100%, 90%, respectievelijk 70%) maar minder bedraagt dan
het kopjesbedrag, niet in aanmerking zouden komen voor een volledige
aanvulling tot het kopjesbedrag. Om dit te voorkomen, wordt geregeld dat
de maximeringsbepaling alleen van toepassing is op
uitkeringsgerechtigden met een dagloon dat minder bedraagt dan het
relevante percentage van het wettelijk minimumloon.
De maximeringsbepaling
blijft van toepassing op de categorie gehuwden, ongeacht de hoogte van
hun dagloon. Voor hen speelt de problematiek die leidt tot een uitkering
onder het
sociaal minimum geen rol.
Tweede lid
Het voorgestelde tweede
lid bestaat uit de inhoud van het huidige vijfde lid van artikel 8 van
de TW, waarbij de tekst technisch verbeterd is.
Derde lid
Het voorgestelde derde
lid bestaat uit de inhoud van het huidige zesde lid van artikel 8 van de
TW.
Vierde lid
Voorgesteld wordt om de
delegatiegrondslag van artikel 8, zevende lid, te verplaatsen naar
artikel 8a, vierde lid. Dit lid vormt de grondslag voor de Regeling van
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december
1986, nr. SVV86/10998, houdende gelijkstelling van ander inkomen met
loondervingsuitkering (hierna: Regeling
gelijkstelling ander inkomen met loondervingsuitkering).
Daarnaast wordt
voorgesteld om in deze delegatiegrondslag te bepalen dat nadere regels
kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur, in plaats van
bij ministeriële regeling. Hiermee wordt het mogelijk om het stellen
van nadere regels op grond van het Inkomensbesluit
Toeslagenwet rblz.|12|
en van de Regeling gelijkstelling ander inkomen met loondervingsuitkering in één besluit
onder te brengen, hetgeen de voorkeur verdient vanuit een oogpunt van
uniformiteit.
Onderdeel D
(artikel 9
(nieuw))
Aangezien de bedragen die
in artikel 8 zijn opgenomen verband houden met het (relevante)
sociaal minimum, wordt voorgesteld om deze bedragen te herzien op hetzelfde
tijdstip en op overeenkomstige wijze als waarop de bedragen, genoemd in
hoofdstuk 3 van de Wwb, worden herzien. Van de herziene
bedragen wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Onderdeel D
(artikel 9
(oud))
Sinds de inwerkingtreding
van artikel 9 is er geen gebruik gemaakt van de daarin geboden
mogelijkheid tot delegatie. Daarnaast is deze delegatiebepaling
overbodig geworden door het bepaalde in artikel 8 van het
Inkomensbesluit Toeslagenwet. Door bovengenoemde redenen bestaat er geen
noodzaak meer om artikel 9 te handhaven en wordt voorgesteld het artikel
te laten vervallen.
Onderdeel E
(artikel
44a)
Eerste lid
Zoals beschreven in
hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is
besloten een uitlooptermijn op te nemen voor de mensen die door
inwerkintreding van het voorliggende wetsvoorstel hun "kopje" zullen
verliezen. In de bepaling wordt geregeld dat mensen die op de dag vóór
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel recht op een "kopje"
hebben en
die vanaf de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geen recht op een
toeslag hebben, twee maanden lang van rechtswege dit "kopje" blijven
ontvangen.
Tweede lid
Dit wetsvoorstel heeft
onder meer tot gevolg dat op de invoeringsdatum bestaande "kopjes"
worden omgezet in een toeslag. Het UWV heeft erop gewezen dat het niet
doelmatig is om ook de kopjes op zeer kortlopende ZW-uitkeringen om te
zetten. Bij een dergelijke uitkering is de omzetting van het kopje naar
een toeslag voor de uitkeringsgerechtigde en voor het UWV onevenredig
belastend. Het UWV adviseert om die reden het kopje op kortdurende
ZW-uitkeringen door te laten lopen tot het eind van die uitkering.
Deze overgangsbepaling
komt tegemoet aan het commentaar van het UWV.
Het tweede lid strekt
ertoe dat personen die op de dag vóór inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel recht hebben op een ZW-uitkering met een kopje en na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel recht zouden hebben op een
toeslag, het kopje behouden tot het einde van het recht op deze
uitkering, maar uiterlijk tot twee maanden na de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel. Als de ZW-uitkering langer duurt, dan wordt het kopje op
dat moment alsnog omgezet in een toeslag. Het overgrote deel van de
ZW-uitkeringen die vóór de inwerkingtredingsdatum zijn ontstaan, is op
dat moment al beëindigd.
De overgangsbepaling
geldt niet voor personen die vóór de inwerkingtredingsdatum al recht
hadden op een toeslag. Zij krijgen het kopje op die datum immers direct
in hun toeslag verdisconteerd.
rblz.|13|
Artikel II
In
artikel V wordt
voorgesteld om de IWS
in te trekken. Enkele artikelen van die wet kunnen
echter nog praktische betekenis hebben. Deze artikelen worden
overgeheveld naar andere wetten, zodat de IWS in zijn geheel kan worden
ingetrokken.
De inhoud van de
artikelen 51 en 52 wordt in aangepaste vorm verplaatst naar de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Hiervoor is gekozen omdat die wet
het beste aansluit bij de inhoud van genoemde artikelen.
Opgemerkt wordt dat de
verwijzing naar de Wijzigingwet AAW/WAO in het huidige artikel 52 van de
IWS
in het nieuwe artikel IXa wordt uitgeschreven, omdat deze wet geen
citeertitel kent.
Artikel III
De
artikelen 10, 12 en
21
van de IWS
worden verplaatst naar de WW, omdat ze nog praktische waarde
hebben (zie ook de toelichting op artikel II).
Onderdelen A en
B
(artikelen 17c en 42c)
De
artikelen 12 en 21 van
de IWS
worden verplaatst naar de WW.
Deze artikelen hebben betrekking op
de toepassing van de referte-eis en de arbeidsverledeneis bij werkloze
overheidswerknemers over tijdvakken vóór 2001. Overheidswerknemers
waren op dat moment nog geen werknemer in de zin van de WW.
Verder is in
bovengenoemde artikelen de verwijzing naar de datum van inwerkingtreding
van de "nieuwe Werkloosheidswet" in deze artikelen
vervangen door
de datum 1 januari 1987. Dit voorkomt verwarring over de bedoelde datum
en maakt het geheel beter leesbaar. Daarnaast is een aantal technische
wijzigingen in de artikelen aangebracht ("36 weken" in plaats van
"twaalf maanden" in artikel 17c, eerste lid, van de
WW) en zijn onderdelen
weggelaten die geen praktische betekenis meer hebben (artikel
12, derde
en zesde lid, en artikel 21, derde tot en met vijfde lid, van de
IWS).
Onderdeel C
(artikel
130r)
De inhoud van
artikel 10
van de IWS
dient nog tot 1 januari 2010 behouden te blijven aangezien
dit artikel de grondslag vormt voor het Besluit van 29 december 1986, houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb.
1986, 686), dat pas komt te vervallen per 1 januari 2010.
Om deze reden is dan ook
een nieuw vierde lid toegevoegd. Hierin wordt geregeld dat artikel
130r
vervalt met ingang van 1 januari 2010.
Artikel IV
De inhoud van
artikel 10
van de IWS
is verplaatst naar artikel 130r van de
WW (zie artikel III,
onderdeel C). Om deze reden wordt in artikel IV geregeld dat na
inwerkingtreding van deze wet het Besluit van 29 december 1986, houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb.
1986, 686) op artikel 130r komt te berusten.
rblz.|14|
Artikel V
Aangezien voorgesteld
wordt de kopjesregeling te verdisconteren in de TW
en de artikelen 10, 12,
21, 51 en 52 van de
IWS
worden verplaatst, kan de IWS
worden ingetrokken (zie ook de toelichting op de artikelen II en
III).
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|