|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007, 31 094
Wijziging
van de Zorgverzekeringswet en de Wet
op de zorgtoeslag houdende vervanging van de no-claimteruggave door
een verplicht eigen risico
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1.1 |
Inleiding |
| 1.2 |
Verplicht eigen risico |
| 1.3 |
Compensatie in plaats
van uitzonderen chronisch zieken en gehandicapten |
| 1.4 |
Afbakening te
compenseren groepen |
| 1.5 |
Compensatie |
| 1.6 |
Financiële aspecten |
| 1.7 |
Administratieve lasten |
| xArtikelsgewijs |
| xxxr |
Artikelen
I t/m XI |
Algemeen
1.1.
Inleiding
Een
systeem van eigen betalingen in de Zorgverzekeringswet (Zvw) stimuleert
verzekerden meer afgewogen gebruik te maken van medische voorzieningen. Als verzekerden niet al te
snel gebruik maken van medische voorzieningen, neemt de
kostenstijging in de gezondheidszorg af en zijn er uiteindelijk gemiddeld
lagere kosten voor de verzekerden. Voorts doen eigen betalingen een appel
op de eigen verantwoordelijkheid van verzekerden voor wie het eigenbetalingensysteem geldt.
Om deze redenen zijn per 1
januari 2005 in de Ziekenfondswet (Zfw) eigen betalingen ingevoerd in de
vorm van de no-claimteruggaveregeling. De no-claimteruggave is in de
plaats gekomen van een eigen risico dat in het Hoofdlijnenakkoord (Kamerstukken II
2002-2003, 28 637, nr. 19) was afgesproken.
Reden voor deze keus was de
vriendelijker vormgeving van de no-claimteruggave. De
no-claimteruggave vermijdt de liquiditeitsdrempel die het eigen risico met
zich meebrengt en geeft positieve in plaats van negatieve prikkels.
Daarnaast leidde de no-claimteruggaveregeling in de Zfw tot minder administratieve lasten dan het eigen risico. De
no-claimteruggaveregeling die in de Zfw was ingevoerd,
is met ingang van 1 januari 2006 ook in de Zvw
opgenomen.
De no-claimteruggaveregeling
heeft echter ook een aantal nadelen. De remmende werking van de
no-claimteruggaveregeling is beperkt. De verzekerde ziet pas achteraf
het gevolg van zijn gebruik van medische voorzieningen. Ook de
positieve prikkel die de no-claimteruggave geeft in plaats van een negatieve
prikkel die in het algemeen van een eigen betaling uitgaat, draagt bij tot een
geringere remmende werking. Daarnaast betekent de
no-claimteruggave dat verzekerden die vanwege hun gezondheidssituatie naar
verwachting nooit recht zullen krijgen op een no-claimteruggave, via hun
nominale premie wel een bijdrage leveren aan de teruggaven die gezonde
verzekerden ontvangen. Dit laatste heeft vanaf het begin af aan tot aanzienlijke maatschappelijke en politieke onvrede
geleid.
rblz.|2|
Voorts is in de
Zvw de
samenloop van de no-claimteruggaveregeling met het vrijwillige eigen risico
lastiger uit te voeren dan de samenloop van een verplicht en een vrijwillig
eigen risico, omdat de no-claimteruggaveregeling van een andere opzet uitgaat
dan een eigen risico. Bij de no-claimteruggaveregeling keert de zorgverzekeraar een
bedrag uit aan de verzekerde, terwijl met een verplicht of
vrijwillig eigen risico de zorgverzekeraar een bedrag bij de verzekerde
in rekening brengt.
De nadelen van de
no-claimteruggaveregeling en het feit dat chronisch zieken en gehandicapten door
middel van de no-claimopslag in de nominale premie meebetalen aan de
no-claimteruggave voor gezonde verzekerden terwijl zijzelf waarschijnlijk nooit voor een no-claimteruggave in
aanmerking komen, hebben het
huidige kabinet tot een andere politieke afweging gebracht dan de
twee voorgaande kabinetten. Het huidige kabinet wil goed luisteren
naar de gevoelens van onvrede die in de samenleving bestaan over de
no-claimteruggaveregeling. Dit past in het streven de kloof tussen
politiek en burger te verkleinen.
Het per 1 januari 2008
vervangen van de no-claimteruggave door een ander systeem van eigen
betalingen en het ongedaan maken van het financiële nadeel dat
chronisch zieken en gehandicapten hebben omdat zij geen keus hebben in hun
zorgconsumptie, past in dit streven en is om die reden ook opgenomen in het
Coalitieakkoord van CDA, PvdA en
CU (Kamerstukken II 2006-2007, 30
891, nr. 4). Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe de Zvw
te
wijzigen ten einde uitvoering te geven aan deze afspraken in het
Coalitieakkoord.
Ter uitvoering van die
afspraken is nagegaan welk systeem van eigen betalingen het best aansluit
op het vrijwillig eigen risico, en in combinatie daarmee, de mogelijkheid
biedt voor zorgverzekeraars om te sturen op kwaliteit en doelmatigheid
van de zorg. Tevens is bezien welk systeem van eigen betalingen per 1
januari 2008 met de minste uitvoeringskosten en administratieve lasten is in
te voeren. De systemen van de zorgverzekeraars zijn al ingesteld op een
eigen risico, vanwege de keuzemogelijkheid van een vrijwillig eigen
risico die de Zvw biedt. De systemen van de zorgverzekeraars zijn niet ingesteld op eigen
bijdragen die in principe voor alle verzekerde zorgprestaties
gelden; invoering van een algemeen eigenbijdragensysteem zou majeure
aanpassingen vereisen die niet per 2008 zijn door te voeren.
1.2.
Verplicht eigen risico
Inhoud wetsvoorstel
Dit
wetsvoorstel regelt de vervanging van de no-claimteruggave door een
verplicht eigen risico. Hiervoor zal een bedrag van €|150,- per
kalenderjaar gelden. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd, maar het
bedrag wordt slechts gewijzigd indien deze indexatie leidt tot een
verhoging met €|10,- of een veelvoud daarvan. De zorgverzekeraar brengt
de kosten van het verplichte eigen risico in
rekening bij de verzekerde. Naast het verplichte eigen risico blijft de
keuzemogelijkheid voor een vrijwillig eigen risico bestaan.
Net als bij de
no-claimteruggave het geval is, geldt het verplichte eigen risico uitsluitend voor
verzekerden van 18 jaar of ouder. Het betreft de verzekerden voor wie een
nominale premie verschuldigd is. Bij het verplichte eigen risico
blijven dezelfde zorgvormen buiten beschouwing als bij de
no-claimteruggave. Het verplichte eigen risico gaat niet gelden voor de huisartsenzorg,
verloskundige zorg en kraamzorg. Hiermee wordt net als bij de
no-claimteruggaveregeling inhoudelijk aangesloten bij de internationale
normverdragen.
rblz.|3|
De no-claimteruggave wordt
in feite voorgefinancierd door middel van een extra nominale premie,
om deze reden is bij de invoering ervan besloten een datum te
regelen waarvóór de no-claimteruggave moet worden uitbetaald. Daarbij
werd vastgelegd dat de afrekening uiterlijk 31 maart na afloop van het
desbetreffende kalenderjaar dient plaats te vinden. In de praktijk doet
zich de situatie voor dat sommige kosten pas bekend worden na de
uitkering van de no-claimteruggave. Daarom is geregeld dat de
no-claimteruggave nog één jaar mag worden gecorrigeerd op nagekomen rekeningen. Dat
kan dan vervolgens leiden tot terugvordering bij de verzekerde of
verrekening met nog te ontvangen gelden. De no-claimteruggaven 2007
worden afgewikkeld volgens de geldende no-claimsystematiek, dus
inclusief de mogelijkheid om tot 1 april 2009 de in maart 2008 uit te keren
no-claimteruggave over 2007 te corrigeren en terug te vorderen.
Het corrigeren voor
nagekomen rekeningen speelt niet bij het verplichte eigen risico, omdat er
anders dan bij de no-claimteruggave geen sprake is van voorfinanciering. Bij
het verplichte eigen risico brengt de zorgverzekeraar in de situatie dat een
verzekerde een verzekeringsovereenkomst heeft die uitgaat van zorg
in natura, het verplichte eigen risico bij de verzekerde in rekening. In
de situatie van restitutie komen de kosten van behandeling voor eigen
rekening van de verzekerde tot het maximum is bereikt. Het stellen van een
uiterste termijn is dan niet nodig. Het verplichte eigen risico in
2008 geldt voor rekeningen die betrekking hebben op het jaar 2008.
Een verplicht eigen risico
heeft het nadeel dat bij dure zorgvormen het jaarmaximum van €|150,- al
bereikt wordt indien één keer zorg wordt ingeroepen. Dit zal zich vooral voordoen
bij ziekenhuiszorg of geneeskundige zorg van specialistische
aard. In zo’n geval gaat van het verplichte eigen risico geen remmende werking
meer uit bij verder zorggebruik en is er geen gedragseffect meer. Een
eigen bijdrage die niet de volledige kosten, maar slechts een deel van de
gemaakte zorgkosten omvat, heeft dat nadeel van het verplichte
eigen risico niet. Anders gezegd, een verplicht eigen risico remt in
vergelijking met een eigen bijdrage harder, maar heeft een kortere remweg. Als het
eigen risico eenmaal is volgemaakt, is er geen rem meer op het gebruik
van zorg.
Daarom wordt de mogelijkheid
voorgesteld dat bij algemene maatregel van bestuur (AMvB)
zorgvormen worden aangewezen die niet langer voor het hele bedrag aan gemaakte
zorgkosten onder het verplichte eigen risico vallen, maar waarvoor
een eigen bijdrage gaat gelden. Die eigen bijdrage voor de aangewezen
zorgvormen telt dan mee voor het bereiken van het jaarmaximum van €|150,- van het verplichte eigen risico en, indien de verzekerde daarvoor
gekozen heeft, het vrijwillige eigen risico.
Om de invoering van het
verplichte eigen risico niet te compliceren en de uitvoering voor de
zorgverzekeraars zo eenvoudig mogelijk te houden, zal in 2008 nog geen gebruik
worden gemaakt van deze mogelijkheid.
De thans reeds bestaande
eigen bijdragen voor een aantal verzekerde prestaties - bijvoorbeeld
voor zittend ziekenvervoer en sommige hulpmiddelen - blijven gehandhaafd en blijven voor het bereiken van het jaarmaximum
buiten beschouwing.
Toekomstige mogelijkheid voor
zorgverzekeraars om te sturen
Vanuit de kring van de zorgverzekeraars is de wens naar voren gebracht
om de mogelijkheid te krijgen om het verplichte eigen risico in te
zetten als sturingsinstrument om verzekerden te stimuleren gebruik te
maken van doelmatige zorgarrangementen of om verzekerden te stimuleren
zich gezond te gedragen en preventieprogramma’s te volgen. In onderhavig
wetsvoorstel is hierom
opgenomen dat bij AMvB vormen van zorg of rblz.|4|
overige diensten kunnen
worden aangewezen waarvan de zorgverzekeraar kan bepalen dat deze buiten
het verplichte eigen risico vallen, alsmede voorwaarden kunnen worden gesteld waaronder de zorgverzekeraar
dit mag doen. De
zorgverzekeraar krijgt daarmee de mogelijkheid in de modelovereenkomst, en
daarmee in de zorgpolis, binnen de grenzen van de AMvB bepalingen op te nemen over het inzetten van het verplichte eigen risico.
Deze mogelijkheid zal zorgverzekeraars stimuleren om samen met hun verzekerden
en zorgaanbieders te komen tot doelmatige zorgarrangementen en gezond
gedrag.
Het gaat hier om een nieuw
element waarmee nog geen ervaring bestaat. Daarom dient uitgewerkt te
worden op welke wijze deze sturingsmogelijkheden gebruikt kunnen worden
zonder afbreuk te doen aan de publieke randvoorwaarden die binnen
de Zvw gelden. Dit doordenken kost tijd. Om die reden wordt per 2008 in
ieder geval nog geen uitvoering gegeven aan deze mogelijkheid. Hierbij
is ook van belang dat de zorgverzekeraars hier in 2008 nog geen invulling
aan kunnen geven, aangezien de invoering van het verplichte eigen risico
alle inzet zal vergen van zorgverzekeraars.
In de situatie waarin een
zorgverzekeraar gunstige afspraken heeft gemaakt met een bepaalde
zorgaanbieder en de verzekerde ervoor kiest naar die zorgaanbieder te
gaan, kan de zorgverzekeraar besluiten de kosten van die zorg niet (geheel) ten laste van het verplichte eigen risico
te laten komen. De overheid
behoudt de mogelijkheid om aan deze systematiek voorwaarden te verbinden.
Dergelijke afspraken tussen
zorgverzekeraars en zorgaanbieders kunnen meer omvatten dan
uitsluitend het tarief, zoals bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde zorg.
Zo is bijvoorbeeld de
situatie denkbaar dat een ziekenhuis zorg van hoge kwaliteit levert of een
nieuwe behandelmethode toepast. Dit kan ertoe leiden dat bij
operatiepatiënten minder dan gemiddeld wondinfecties of complicaties optreden. Ook
kan een ziekenhuis goede (samenwerkings)afspraken hebben gemaakt
over de behandeling na het ontslag van de patiënt uit het ziekenhuis,
waardoor minder dan gemiddeld een heropneming dient plaats te vinden.
Hetzelfde kan zich voordoen op het terrein van revalidatie na een
ingreep; indien het ziekenhuis op dit terrein nauw samenwerkt met bijvoorbeeld
fysiotherapeuten en eventueel de thuiszorg, kan sneller ontslag uit het
ziekenhuis plaatsvinden. In dergelijke situaties kan het behandeltraject
bekort worden, wat tot lagere kosten voor de gehele behandeling leidt.
Ook op het terrein van de
farmaceutische zorg doen zich situaties voor waarbij de zorgkosten lager
zijn indien de verzekerde zich wendt tot een apotheker met wie zijn
zorgverzekeraar afspraken heeft gemaakt bijvoorbeeld over een voorkeursassortiment.
Zorgverzekeraars kunnen,
indien de verzekerde voor zijn zorg naar een dergelijke preferente
zorgaanbieder gaat, dat voordeel aan de verzekerde doorgeven door die kosten
niet (geheel) ten laste van het verplichte eigen risico te laten komen.
De mogelijkheid dat
zorgverzekeraars voor bij AMvB aan te wijzen zorgvormen de kosten (gedeeltelijk)
kunnen uitsluiten van het verplichte eigen risico is bedoeld voor die
situaties waarin zorgverzekeraars tot gunstige afspraken met zorgaanbieders
weten te komen. Dit kan een extra prikkel voor zorgverzekeraars zijn
om te investeren in de zorginkoop en op dat terrein resultaten te
boeken. Zorgverzekeraars zullen dergelijke afspraken het best kunnen realiseren
op terreinen waar sprake is van voldoende aanbod van zorg en
competitie tussen zorgaanbieders.
Ook op het terrein van
preventie kan de zorgverzekeraar met zorgaanbieders afspraken maken. Indien
verzekerden deelnemen aan preventieprogramma’s rblz.|5|
waardoor zij
gezonder gaan leven en minder ziektekosten hebben, kan een zorgverzekeraar zijn verzekerden belonen door voor bij
AMvB aangewezen zorgvormen
de kosten niet (geheel) onder het verplichte eigen risico te
laten vallen. Het gaat hier om de zorg die direct samenhangt met deze
preventieactiviteiten.
Indien een verzekerde
daarnaast zorg inroept die niet behoort tot een zorgvorm die bij de bedoelde
AMvB is aangewezen, tellen de zorgkosten daarvan in alle gevallen mee
voor het verplichte eigen risico, behalve uiteraard voor zorgvormen
waarvan is bepaald dat zij buiten het verplichte eigen risico
blijven.
Internationale aspecten
Nederland heeft een aantal
verdragen van de Raad van Europa en de Internationale
Arbeidsorganisatie (IAO) geratificeerd die normen stellen aan het niveau van de
stelsels van sociale zekerheid.
De belangrijkste verdragen
die in het kader van het onderhavige wetsvoorstel relevant zijn, zijn de
IAO-verdragen nrs. 102, 103, 121 en 130 en de Europese Code inzake
sociale zekerheid met bijbehorend Protocol (hierna: Europese Code).
Deze verdragen geven onder meer de grenzen aan waarbinnen eigen
betalingen voor medische zorg zijn toegestaan. In de context van de verdragen
dienen eigen betalingen nadrukkelijk te worden onderscheiden van
premiebetalingen.
Naar de overtuiging van de
regering brengt het verplichte eigen risico tot een maximum van €|150,- per
verzekerde van 18 jaar of ouder niet een te zware last met zich
mee voor de verzekerde. In de Europese Code is het criterium "geen te
zware last met zich meebrengen" nader geconcretiseerd in een percentage van 25%.
Dit percentage houdt in dat verzekerden samen niet meer dan
gemiddeld genomen 25% van de zorgkosten op jaarbasis mogen betalen (artikel
10, tweede lid, onderdeel c). Gezien het aandeel dat eigen betalingen
in Nederland uitmaken van de zorgkosten, voldoet Nederland aan dit
criterium. Dit was met de no-claimteruggaveregeling het geval en dat is ook zo
met het voorgestelde verplichte eigen risico van €|150,-.
De Centrale Raad van Beroep
heeft geoordeeld dat het heffen van eigen bijdragen voor zorg die
genoten wordt als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte in strijd
is met deel VI (Arbeidsongevallen en beroepsziekten) van de Europese Code.
Dit
betekent dat in geval van een arbeidsongeval of beroepsziekte geen eigen
betaling mag worden gevraagd. De Nederlandse regering beraadt
zich op dit moment op welke wijze er moet worden omgegaan met deze
uitspraak. Het opzeggen van deel VI en het ratificeren van de herziene
code is daarbij een reële mogelijkheid. Aangezien op 17 maart 2007 de termijn
verliep waarbinnen opzegging mogelijk was en de volgende
mogelijkheid om op te zeggen zich pas weer in 2012 voordoet, heeft de
Nederlandse regering de opzegging van deel VI van de huidige Europese Code op 22
februari 2007 aan de Raad van Europa bekendgemaakt.
Om verder inhoudelijk aan te
sluiten bij de verdragen, blijven de verloskundige zorg en de kraamzorg
uitgezonderd in die zin dat de kosten van die zorg niet ten laste
komen van het verplichte eigen risico. Overigens is ook de huisarts uitgezonderd
van het verplichte eigen risico.
1.3. Compensatie in plaats
van uitzonderen chronisch zieken en gehandicapten
Ingevolge het
Coalitieakkoord worden chronisch zieken en gehandicapten uitgezonderd van het nieuwe
systeem van eigen betalingen. Er is voor gekozen dit in te vullen
door deze groepen verzekerden niet wettelijk vrij rblz.|6|
te stellen van het
verplichte eigen risico, maar deze verzekerden financieel te compenseren. Hieraan
liggen de navolgende overwegingen ten grondslag.
Compensatie in plaats van
uitzonderen belast de uitvoering van het verplichte eigen risico door
de zorgverzekeraars het minst. Doordat het verplichte eigen risico
zonder uitzondering geldt voor elke verzekerde van 18 jaar of ouder,
hoeven zij voor het verplichte eigen risico geen onderscheid te maken in hun
verzekerdenbestand.
Doordat het verplichte eigen
risico voor alle verzekerden van 18 jaar of ouder geldt, is er ook
geen complicatie voor het systeem van risicoverevening. Er hoeft immers in de
verevening geen rekening te worden gehouden met het feit dat
een zorgverzekeraar relatief veel of weinig verzekerden heeft die van
het verplichte eigen risico zijn uitgezonderd en als gevolg daarvan voor de
zorgverzekeraar voor minder of meer inkomsten zorgen.
Ook kunnen alle verzekerden
gebruik maken van de toekomstige mogelijkheid die zorgverzekeraars hebben
om het verplichte eigen risico in te zetten als
sturingsinstrument gericht op doelmatige zorgarrangementen en preventieprogramma’s.
De uitkering die dient ter
compensatie voor het verplichte eigen risico wordt door het Centraal
Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten BV (CAK-BZ) uitgevoerd en is
daarmee goed herkenbaar. Het CAK-BZ keert de compensatie voor het
verplichte eigen risico van 2008 in het vierde kwartaal van 2008 uit.
1.4. Afbakening te
compenseren groepen
Het compenseren van
chronisch zieken en gehandicapten van het nieuwe systeem van eigen betalingen
stuit op een probleem aangezien er geen definitie is van chronisch
zieken en gehandicapten. De groepen chronisch zieken en gehandicapten zijn
niet duidelijk afgebakend. Voor de oplossing van dit probleem is een
pragmatische aanpak noodzakelijk.
De argumentatie voor de
afspraak in het Coalitieakkoord om chronisch zieken en gehandicapten uit
te sluiten van het nieuwe systeem van eigen betalingen is dat deze
groepen gezien hun gezondheid te maken hebben met langdurige zorgkosten
die zij niet kunnen vermijden. Het betreft zorgkosten die niet incidenteel
optreden, maar zorgkosten die verschillende jaren achtereen en soms
levenslang gemaakt moeten worden. Verzekerden uit deze groepen kunnen niet
kiezen of zij al dan niet zorg gebruiken. Omdat er geen
bruikbare definitie is van chronisch zieken en gehandicapten, wordt, ook
gelet op deze intentie van het Coalitieakkoord, in het vervolg de term
"verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten" gebruikt in plaats van
"chronisch zieken en gehandicapten".
Er zijn verschillende
mogelijkheden nagegaan om de te compenseren groep verzekerden af te
bakenen. Een mogelijke benadering was om verzekerden die over 2006 of
2007 geen no-claimteruggave uitgekeerd krijgen en dus in die jaren minimaal €|255,- aan zorgkosten ten laste van de
Zvw hebben gemaakt, van het
nieuwe systeem vrij te stellen. Hiertoe is niet besloten, omdat met
deze benadering te veel verzekerden die niet chronisch op zorg zijn
aangewezen, maar slechts incidenteel zorg hebben ingeroepen, zouden worden
gecompenseerd.
Ook is overwogen de
verzekerden die een eigen bijdrage voor AWBZ-zorg of in het kader van de
Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verschuldigd zijn, voor de
nieuwe eigen betalingen te compenseren. Deze optie is afgewezen, omdat verzekerden die AWBZ-zorg of via de Wmo
gefinancierde voorzieningen
krijgen, niet noodzakelijk zorg in het kader van de Zvw gebruiken.
Bovendien blijft bij deze benadering de groep chronisch zieken voor een
belangrijk deel buiten beeld.
rblz.|7|
De derde benadering die is
onderzocht, betreft de groep die in het kader van de inkomstenbelasting
gebruik maakt van de aftrek buitengewone uitgaven (BU) of van de
teruggaveregeling buitengewone uitgaven (TBU). Ook hierbij is het doorslaggevende nadeel dat de beoogde doelgroepen
niet goed worden afgebakend.
Uit onderzoek van het NIVEL onder het panel chronisch zieken en
gehandicapten blijkt dat chronisch zieken en gehandicapten slechts in
ongeveer de helft van de gevallen een beroep doen op de (T)BU. Daarnaast
blijkt dat veel oudere verzekerden in aanmerking te komen voor (T)BU omdat
zij de verschuldigde Zvw-premie en de inkomensafhankelijke
Zvw-bijdrage kunnen opvoeren. Ten slotte kunnen bij gebruikmaking van de
(T)BU-bestanden
ook mensen met incidenteel hoge zorgkosten in
aanmerking komen voor compensatie.
Als noodoplossing voor 2008
is ook overwogen de te compenseren groep verzekerden af te bakenen
door hiervoor de verzekerden die meer dan een bepaald bedrag aan
zorgkosten in de Zvw maken aan te wijzen. Om te
voorkomen dat de omvang van
deze groep verzekerden erg groot zou zijn, zou de grens iets boven €|2000,- aan zorgkosten komen te liggen. Een verzekerde zou dan in
één
jaar ruim €|2000,- zorgkosten gemaakt moeten hebben, wil hij in
aanmerking komen voor compensatie van het verplichte eigen risico. Dan zou het
kunnen zijn dat verzekerden met incidenteel hoge kosten in aanmerking
komen voor compensatie, maar verzekerden met jaarlijkse kosten van
minder dan ruim €|2000,- niet. Om die reden is van deze benadering
afgezien. Daar komt nog bij dat betrouwbare gegevens per verzekerde over de
zorgkosten in 2006 aan het eind van 2007 nog niet beschikbaar zijn,
vanwege de nakomende rekeningen voor ziekenhuiszorg en specialistische zorg.
Na weging van de
alternatieven is de keuze gevallen op een afbakening op basis van gegevens uit de
risicoverevening.
Voordat de afspraak in het
Coalitieakkoord was gemaakt, was reeds gestart met onderzoek of de
bestanden die in de risicoverevening voor zorgverzekeraars worden
gehanteerd ook gebruikt kunnen worden om de groepen chronisch zieken en
gehandicapten te onderscheiden van andere verzekerden. De bestaande
risicoverevening kent bepaalde omschrijvingen voor chronische ziekte (de
diagnosekosten- en farmaciekostengroepen). Deze zijn met een ander doel
tot stand gebracht dan het hier beoogde onderscheid. Daarom
is het voor de uiteindelijke oplossing niet wenselijk deze
één-op-één te gebruiken. Vooruitlopend op een structurele oplossing waarbij de
bestanden van de risicoverevening gehanteerd worden, is voor 2008 echter
een pragmatische oplossing noodzakelijk, in het besef dat dit een
suboptimale oplossing is. Voor de jaren na 2008 zal verbetering moeten
plaatsvinden.
Om alvast zoveel mogelijk
aan te sluiten bij de beoogde structurele oplossing is het voorstel om
verzekerden die in 2006 en 2007 op grond van hun geneesmiddelengebruik zijn
ingedeeld in een farmaceutische kostengroep (FKG), in het jaar 2008 als
verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten te beschouwen.
FKG’s zijn ontwikkeld als voorspeller voor hoge zorgkosten voortkomend
uit chronische aandoeningen. Om ingedeeld te worden in een FKG moet
een verzekerde minimaal 180 dagdoseringen van een
medicijn voor de betreffende chronische ziekte voorgeschreven hebben
gekregen. Met toepassing van FKG’s wordt zoveel mogelijk vermeden dat
verzekerden met incidentele hoge zorgkosten toch in aanmerking komen
voor compensatie van het verplichte eigen risico. Met de
voorwaarde dat een verzekerde zowel in 2006 als in 2007 in een FKG dient te
zijn ingedeeld, wordt nog beter bereikt dat het gaat om verzekerden die
langdurig en onvermijdbaar op zorg zijn aangewezen.
rblz.|8|
Daarnaast is een voordeel
van het gebruik van FKG’s dat farmaceutische zorg doorgaans snel bij de
zorgverzekeraars wordt gedeclareerd, omdat in deze sector het
elektronische declaratieverkeer op uitgebreide schaal wordt toegepast. Het
probleem van nagekomen declaraties, zoals bij de ziekenhuiszorg, doet zich
bij de farmacie niet of nauwelijks voor. In de tweede helft van 2008 is dan
ook een praktisch compleet bestand van in 2006 en 2007 gebruikte
farmaceutische zorg bij de zorgverzekeraars beschikbaar. Aan de hand
daarvan kan worden vastgesteld welke verzekerden in 2006 en 2007 in een FKG
vielen.
Het aantal verzekerden van 18 jaar of ouder dat in 2006 en 2007 in een FKG is ingedeeld, wordt
geschat op ongeveer 2,2 miljoen. Deze schatting heeft plaatsgevonden op
basis van ziekenfondsgegevens over 2004 en 2005, geëxtrapoleerd naar de
Zvw-populatie. Mede gelet op de omvang van deze
groep is
onderzocht of binnen de FKG-groep een nader onderscheid zou kunnen worden gemaakt
gelet op de chronische aard van de aandoeningen. Daartoe zijn
de aandoeningen, verbonden aan de verschillende FKG’s, onderzocht.
Alle FKG’s, met
uitzondering van de FKG "hoog cholesterol", zijn nadrukkelijk gekoppeld aan een chronische
ziekte of aandoening. Daarom acht ik het verdedigbaar dat de FKG "hoog
cholesterol" niet wordt meegenomen in de FKG’s die voor de
onderhavige afbakening worden gebruikt.
Hierbij speelt ook een rol
dat verzekerden tegelijk in meer dan één FKG ingedeeld kunnen zijn. Zo
worden verzekerden die in verband met een hartaandoening chronisch
medicijnen gebruiken, ingedeeld in de FKG "hartaandoeningen". Indien
voor de afbakening de FKG "hoog cholesterol" wordt uitgesloten,
blijven hartpatiënten die chronisch medicijnen gebruiken onder de FKG
"hartaandoeningen" vallen. Daardoor blijft de compensatie voor het
verplichte eigen risico voor deze hartpatiënten gelden, ook al is dat niet
op basis van de voor deze afbakening uitgesloten FKG "hoog
cholesterol".
Geschat wordt dat door het
uitsluiten van de FKG "hoog cholesterol" het aantal van 2,2 miljoen te
compenseren verzekerden met ongeveer 600 000 afneemt tot 1,6 miljoen.
Zoals hiervoor vermeld, is
in de tweede helft van 2008 een praktisch compleet bestand van in 2006
en 2007 gebruikte farmaceutische zorg bij de zorgverzekeraars
beschikbaar. Aan de hand daarvan kunnen de zorgverzekeraars vaststellen welke
verzekerden gezien hun geneesmiddelengebruik in 2006 en 2007 in een FKG
vielen. De bestanden met de verzekerden die in 2006 en 2007 onder
een FKG vielen, geven zij door aan het CAK-BZ. Op basis van dit
bestand keert het CAK-BZ de compensatie voor het jaar 2008 in het laatste
kwartaal van 2008 uit.
1.5. Compensatie
Bij het bepalen van de
compensatie is ervan uitgegaan dat een verzekerde met meerjarige,
onvermijdbare zorgkosten niet slechter af dient te zijn dan wanneer er geen
verplicht eigen risico zou zijn.
Zorgkosten voor eigen
rekening
De invoering van het
verplichte eigen risico van €|150,- betekent een verlaging van het maximumbedrag
waarvoor de zorgkosten voor eigen rekening van de verzekerde kunnen
komen (van €|255,- naar €|150,-).
Premie
Met de invoering van het
verplichte eigen risico daalt de gemiddelde premie met €|115,- ten
opzichte van een situatie zonder verplicht eigen risico. Vanwege de
compensatiekosten voor verzekerden met meerjarige, rblz.|9|
onvermijdbare zorgkosten
wordt de premie met €|4,- verhoogd. Per saldo leidt dit tot een
premiedaling van €|111,- (– €|115,- + €|4,-).
Zorgtoeslag
De zorgtoeslag verandert
nauwelijks door de invoering van het verplichte eigen risico. Dit komt
doordat de gemiddelde premie met €|111,- daalt en de gemiddelde eigen betaling
van verzekerden zonder meerjarige, onvermijdbare zorgkosten met €|110,-
stijgt. Per saldo blijft de zorgtoeslag dus vrijwel ongewijzigd.
Compensatie
De mensen met meerjarige,
onvermijdbare zorgkosten ontvangen van het CAK-BZ een compensatie van €|40,-. De compensatie van €|40,- is berekend door van het verplichte
eigen risico van €|150,-, de gemiddelde eigen betaling van verzekerden zonder
meerjarige, onvermijdbare zorgkosten van €|110,- af te trekken.
Zodoende zijn verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten niet slechter af
dan de gemiddelde verzekerde. Per saldo worden mensen met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten volledig
gecompenseerd voor het
verplichte eigen risico van €|150,- door de premiedaling van €|111,- en
de compensatie van €|40,-.
1.6. Financiële aspecten
Er is in het Coalitieakkoord
geen financiële ruimte gereserveerd voor invoering van een nieuw
systeem van eigen betalingen dat minder oplevert dan de
no-claimteruggaveregeling. Dit houdt tevens in dat er ook geen financiële ruimte is
om de no-claimteruggaveregeling te laten vervallen, zonder hiervoor
tegelijkertijd een ander systeem van eigen betalingen in te voeren. Het
volume-effect dient gelijk te zijn aan dat van de no-claimteruggave, dus
een volume-effect van €|200 miljoen per jaar. Op basis hiervan kwam het
Centraal Planbureau in de doorrekening op een verplicht eigen risico
met een jaarmaximum van €|150,-.
De zorgverzekeraars worden
volledig risicodragend wat betreft de opbrengst van de nieuwe
eigen betalingen, net als nu bij de no-claimteruggave het geval is.
De compensatie die het
CAK-BZ uitkeert en de uitvoeringskosten van het CAK-BZ worden gefinancierd
uit het Zorgverzekeringsfonds.
1.7. Administratieve lasten
Een verplicht eigen risico
is door de zorgverzekeraars per 1 januari 2008 goed uitvoerbaar. De
ICT-systemen van zorgverzekeraars kennen immers al een vrijwillig eigen
risico. In de toekomst zal er een inverdieneffect zijn door besparing van het
terugvorderen van onterecht uitgekeerde no-claimteruggaven.
Compensatie in plaats van
het uitzonderen van verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten
belast de uitvoering van het verplichte eigen risico door de
zorgverzekeraars het minst. Een bestand van de in 2006 en 2007 gebruikte
farmaceutische zorg is bij zorgverzekeraars beschikbaar. Aan de hand
daarvan kunnen de zorgverzekeraars vaststellen welke verzekerden gezien hun
geneesmiddelengebruik in 2006 en 2007 in een FKG vielen. Wel is
sprake van een incidentele investering in de software in 2008 als in 2009
invulling wordt gegeven aan de mogelijkheid bij dure zorgvormen een eigen
bijdrage te heffen die ten laste worden gebracht van het verplichte
eigen risico. Op dit moment zijn er 33 verzekeraars met een vergunning om de
Zvw uit te voeren. Bij een investering rblz.|10|
van maximaal €|20 000,-
per zorgverzekeraar is er sprake van een incidentele last van maximaal €|700
000,-.
De uitvoeringslast wordt
vooral bepaald door het aantal keer dat de zorgverzekeraar met verzekerden moet
communiceren over rekeningen van zorgconsumptie en de vulling
van het verplichte eigen risico. Indien het verplichte eigen risico in
één keer na afloop van het kalenderjaar door de zorgverzekeraar wordt
afgerekend (tot 2006 veelal gebruikelijk bij particuliere ziektekostenverzekeraars),
vallen de uitvoeringskosten mee. Indien het verplichte eigen risico
periodiek bij verzekerden in rekening wordt gebracht om
liquiditeitsproblemen te voorkomen, lopen de uitvoeringskosten op.
De zorgverzekeraar kan in
zijn modelovereenkomst een betalingsregeling met gespreide betaling
aanbieden. Het wettelijk verplichten dat een zorgverzekeraar een dergelijke
betalingsregeling aanbiedt, levert spanning op met de derde Europese
schaderichtlijn.¹
1. Richtlijn nr. 1992/49/EEG
van de Raad van de Europese Unie van 18 juni
1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuurlijke bepalingen betreffende het directe
verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de
levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de
Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG
(derde schaderichtlijn) (PbEG L 228).
Het CAK-BZ kan op basis van
een bestand dat de zorgverzekeraars aanleveren de compensatie
uitkeren, hierdoor zijn de verwachte uitvoeringslasten zo laag
mogelijk.
Het effect voor de burgers
is naar verwachting 2,7 miljoen uur (16 miljoen à 10 minuten) incidentele
lasten om de regeling te lezen en te interpreteren. Daarnaast bestaan de
structurele lasten voor burgers uit het jaarlijks kennisnemen van de zorgconsumptie, die leidt tot een betaling van
het verplichte eigen risico.
De grootte van de doelgroep
die kennisneemt van de zorgconsumptie en daarmee betaling verricht,
zal bestaan uit het aantal verzekerden van 18 jaar of ouder, verminderd
met de groep die de maximale no-claimteruggave heeft gehad. Het betreft
hier geen toename van de administratieve lasten, omdat één en ander
gelijk blijft ten opzichte van de situatie van de no-claimteruggave.
Ter voorbereiding van de
invoering van het verplichte eigen risico en de compensatie voor de groep
verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten zal een
voorlichtingscampagne in gang worden gezet waarbij de vertegenwoordigende
organisaties van zorgverzekeraars en consumenten en patiënten, de belastingdienst en het CAK-BZ worden betrokken. Ook zullen
zorgverzekeraars hun eigen verzekerden inlichten over deze verandering.
Omdat gekozen is voor een
constructie waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande
informatiestromen en systemen, zullen de structurele administratieve lasten niet
toenemen. Vanaf 1 april 2009 (effectief vanaf 2010), de datum waarop
alle aanspraken van de no-claimteruggaveregeling vervallen, zal er zelfs een
inverdieneffect zijn. Op dit moment is het nog niet mogelijk de
besparing die dit met zich meebrengt in beeld te brengen.
Actal, het adviescollege
toetsing administratieve lasten, heeft bij brief van 25 april 2007, RL/AZ/2007/093,
over het wetsvoorstel geadviseerd. Actal vindt dat in de memorie van
toelichting onvoldoende aandacht wordt besteed aan de gevolgen voor
de administratieve lasten en dat de voorgestelde compensatie tot te veel
administratieve lasten leidt. Actal adviseert daarom het wetsvoorstel niet
door te zetten. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van Actal is in
deze paragraaf meer uitgeschreven wat de betekenis is van het
wetsvoorstel op de administratieve lasten voor de verschillende partijen.
rblz.|11|
.Artikelsgewijs
Artikel I
A
Met dit wetsvoorstel wordt
de no-claimteruggaveregeling afgeschaft; hiervoor in de plaats krijgt
iedere verzekerde van 18 jaar of ouder een eigen risico van €|150,-
per kalenderjaar. Dit heeft als gevolg dat een verzekerde twee soorten
eigen risico kan hebben. Het nieuw in te voeren eigen risico geldt voor
iedere verzekerde van 18 jaar of ouder en wordt om deze reden in
artikel 1, onderdeel g, Zvw gedefinieerd als
verplicht eigen risico.
Voorgesteld wordt het reeds bestaande eigen risico, zoals omschreven in artikel
19 Zvw, waarbij de verzekerde, in ruil voor
korting op de premie, kan
kiezen voor een eigen risico oplopend van €|100,- tot
€|500,-, in het
vervolg vrijwillig eigen risico te noemen.
De definitie van
"Centraal Administratiekantoor" in het voorgestelde artikel
1, onderdeel v, Zvw hangt samen met het feit dat
dit kantoor in het voorgestelde artikel 118a
Zvw (onderdeel N) de taak krijgt verzekerden met meerjarige,
onvermijdbare zorgkosten een uitkering te verstrekken ter compensatie van het ook met
dit wetsvoorstel in te voeren verplichte eigen risico (onderdeel D).
Het Centraal Administratiekantoor heeft op dit moment reeds taken in het
kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de
Wet
maatschappelijke ondersteuning. Het stelt eigen bijdragen op grond van die
wetten vast en int deze, en daarnaast bevoorschot en betaalt het de
AWBZ-zorgaanbieders voor de door hen geleverde zorg.
B
Artikel 9 Zvw verplicht de
zorgverzekeraar om bij het beëindigen van de verzekeringsovereenkomst een
bewijs hiervan te verstrekken aan de verzekerde. Hierin dient de
zorgverzekeraar onder andere aan te geven of voor de verzekerde een eigen
risico gold, en zo ja, met welke ingangsdatum, voor welk bedrag en welke
korting in verband met het eigen risico is verleend. Aangezien
slechts bij een vrijwillig eigen risico korting op de premie kan worden verleend
door de zorgverzekeraar (artikel 19, tweede lid,
Zvw), wordt in artikel
9,
tweede lid, onderdeel e, Zvw met "eigen
risico" het vrijwillige eigen risico
bedoeld. Hierom wordt in dit artikel eigen risico gewijzigd in vrijwillig
eigen risico.
C
Deze wijziging betreft een
redactionele aanpassing in verband met de in onderdeel
A, onder 1,
opgenomen verlettering van onderdelen van artikel 1
Zvw.
D
Artikel 18a, eerste lid,
Zvw
In het eerste lid van het
voorgestelde artikel 18a Zvw
is bepaald dat elke verzekerde van 18 jaar
of ouder een verplicht eigen risico heeft van €|150,- per kalenderjaar.
Dit verplichte eigen risico komt in plaats van de no-claimteruggave.
Artikel 18a, tweede lid,
Zvw
Op dit moment zijn er op
grond van artikel 11, derde en vierde lid, Zvw
onder andere eigen bijdragen
geregeld voor hulpmiddelen, kraamzorg, zittend ziekenvervoer en
geneesmiddelen indien een duurder middel rblz.|12|
wordt gebruikt dan de vergoedingslimiet voor de groep geneesmiddelen
waartoe het middel behoort.
De verzekerde moet voor zorg waarvoor een zorggebonden eigen bijdrage
geldt eerst die bijdrage betalen, waarna het restant van de kosten ten
laste wordt gebracht van de no-claimteruggave en daarna, als dat er is,
onder een (vrijwillig) eigen risico valt. Aangezien in dit wetsvoorstel de
no-claimteruggave wordt vervangen voor een verplicht eigen risico, ligt
het voor de hand om, net als nu het geval is, de verzekerde eerst de
zorggebonden eigen bijdrage te laten betalen en het restant van de kosten onder
het verplichte, of als dat er is, het vrijwillige eigen risico te laten
vallen.
Dit houdt in
dat indien een
verzekerde bijvoorbeeld hulpmiddelen nodig heeft van €|100,- waarvoor
op grond van artikel 11, derde lid, Zvw
een eigen bijdrage geldt van €|40,-, de verzekerde deze
€|40,- moet betalen en daarnaast de resterende
€|60,- ten laste van het verplichte eigen risico komt. Indien deze verzekerde
zijn verplichte en, indien daarvoor gekozen is, het vrijwillige eigen
risico nog niet heeft opgebruikt, moet de verzekerde de facto ook de resterende €|60,- uit eigen zak betalen.
Het tweede lid maakt het
mogelijk om bij AMvB te bepalen vormen van zorg aan te wijzen waarvoor
een zorggebonden bijdrage geldt die meetelt voor het bereiken van het
verplichte eigen risico van €|150,-, en waarvan de resterende kosten
- dat
wil zeggen de kosten die uitgaan boven die zorggebonden eigen bijdrage -
niet ten
laste van het verplichte eigen risico komen. Deze mogelijkheid is
opgenomen om het remmende effect van eigen betalingen in de zorg
te kunnen optimaliseren. De verzekerde is bij bepaalde (relatief dure)
vormen van zorg, zoals ziekenhuiszorg, het verplichte eigen risico van €|150,- meteen in zijn geheel kwijt; er is dan geen remmende werking voor
de rest van het kalenderjaar. Indien voor ziekenhuiszorg een
zorggebonden eigen bijdrage zou worden geregeld die bovendien op grond van de
AMvB, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, onder het verplichte eigen
risico gaat meetellen, zou het volgende kunnen gaan gelden. Stel dat voor
een bezoek aan de eerste hulp van een ziekenhuis een eigen bijdrage geldt van
€|50,- en dat de werkelijke kosten
€|900,- zijn, dan betaalt de verzekerde
€|50,- zelf, de overige
€|850,- komen ten laste
van de zorgverzekeraar. Het
openstaande verplichte eigen risico neemt met €|50,-
af en het
resterende bedrag van €|850,- gaat niet, zoals bij het rekenvoorbeeld van de
hulpmiddelen, ten laste van het verplichte eigen risico.
Overigens zal, zoals ook in
het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, van de in
artikel 18a, tweede lid, genoemde mogelijkheid voor het jaar 2008 geen
gebruik worden gemaakt.
Artikel 18a, derde en vierde
lid, Zvw
Het is wenselijk het bedrag
van het verplichte eigen risico jaarlijks te indexeren. Het bedrag zal -
op hele tientallen euro’s - worden afgerond. Alleen indien het bedrag
tien of meerdere tientallen euro’s afwijkt van het geldende bedrag, zal het
bedrag voor het eerstvolgende kalenderjaar worden herzien. Aldus wordt
voorkomen dat het bedrag van het verplichte eigen risico ieder jaar moet worden gewijzigd. Het nieuwe
bedrag zal bij ministeriële
regeling worden vastgesteld en zal, zodra die ministeriële regeling in
werking is getreden, in de plaats komen van het bedrag, genoemd in het
eerste lid.
E
Aangezien met dit
wetsvoorstel naast het vrijwillige eigen risico een verplicht eigen risico wordt
ingevoerd, wordt in artikel 19 van de Zvw voor eigen risico telkens
vrijwillig geplaatst.
rblz.|13|
F
Artikel 20, onderdeel
a, Zvw [zie artikel
20, eerste lid, Zvw, red.]
Artikel 20
Zvw regelt op dit
moment dat bij AMvB vormen van zorg of overige diensten kunnen
worden aangewezen waarvan de kosten buiten het (vrijwillige) eigen
risico vallen. Bij of krachtens AMvB kan worden bepaald voor welk bedrag
deze vormen van zorg of overige diensten buiten het (vrijwillige)
eigen risico vallen. Met de voorliggende wijziging in artikel 20
Zvw wordt de mogelijkheid gecreëerd om ook voor het
verplichte eigen risico bij AMvB bepaalde vormen van zorg of overige diensten uit te sluiten.
Artikel 20, onderdeel
b, Zvw [zie artikel 20,
tweede lid, Zvw, red.]
In het voorgestelde
artikel 20, onderdeel b, is geregeld dat bij
AMvB vormen van zorg of overige
diensten kunnen worden aangewezen die de zorgverzekeraar buiten het
verplichte eigen risico mag houden. Aldus zal bijvoorbeeld kunnen worden
geregeld dat een zorgverzekeraar voor bij die AMvB aan te wijzen
vormen van zorg vrijstelling van het verplichte eigen risico mag geven
indien zijn verzekerde die zorg van een door hem aangewezen "preferente"
zorgaanbieder heeft betrokken. De zorgverzekeraar zal wel aan iedere
verzekerde die naar zo’n preferente zorgaanbieder gaat dezelfde vrijstelling
moeten verlenen. Hij zal zijn preferente zorgaanbieders en de mate
van vrijstelling die geldt daarom in zijn modelovereenkomst (en daarmee ook in iedere individuele zorgpolis)
moeten opnemen.
Bij eerderbedoelde
AMvB zullen tevens voorwaarden kunnen worden geregeld waaraan de
zorgverzekeraar zich, wil hij van de hier bedoelde mogelijkheid gebruik kunnen
maken, zal moeten houden. Zo kan met het oog op de remmende werking
van het verplichte eigen risico bijvoorbeeld een bedrag aan verplicht
eigen risico worden vastgesteld dat "altijd" geldt, dat wil zeggen dat
het zelfs geldt indien de verzekerde zijn zorg louter heeft betrokken van
eerderbedoelde preferente zorgaanbieders voor wie de zorgverzekeraar
de in de vorige alinea bedoelde vrijstelling heeft gegeven.
G
Onder
1
In het eerste lid wordt
artikel 21 Zvw gewijzigd, zodat het eerste lid zowel
voor het verplichte als het
vrijwillige eigen risico geldt. Dit houdt in dat indien een verzekerde in de
loop van een kalenderjaar een andere zorgverzekeraar krijgt of voor het eerst
verzekeringsplichtig wordt (bijvoorbeeld doordat hij een
verblijfsstatus krijgt of zijn werk als militair in werkelijke dienst neerlegt), het
verplichte eigen risico op dezelfde manier wordt berekend als het vrijwillige
eigen risico.
Eindigt de verzekering
bijvoorbeeld op 1 maart 2008 van rechtswege omdat de verzekerde buiten
het werkgebied van de zorgverzekeraar is gaan wonen, dan gaat de
eerste zorgverzekeraar uit van een verplicht eigen risico van €|24,-. Dit
bedrag is tot stand gekomen op grond van de volgende berekening:
59 dagen x €|150,- : 365 dagen = €|24,25 (op grond van artikel 21, derde lid, Zvw
afgerond tot €|24,-)
Afhankelijk van de wijze
waarop de zorgverzekeraar de bedragen aan eigen risico verrekent of
invordert, kan dit, indien de verzekerde in de eerste twee maanden van 2008
zorg heeft geconsumeerd, betekenen dat de zorgverzekeraar de
verzekerde alsnog een bedrag uitbetaalt voor het rblz.|14|
te veel ingevorderde of
verrekende verplichte eigen risico. In het bovengenoemde rekenvoorbeeld dient de
zorgverzekeraar alles dat boven de €|24,- is ingevorderd of verrekend
aan de verzekerde uit te keren.
Het verschil tussen
invorderen en verrekenen hangt samen met het verschil tussen het
naturamodel en het restitutiemodel. Indien de verzekerde gekozen heeft voor een
verzekering waarbij er recht bestaat op levering van zorg waaraan
hij behoefte heeft (naturamodel), betaalt de zorgverzekeraar de rekening
van de zorgaanbieder rechtstreeks. Het bedrag aan eigen risico dat
de verzekerde verschuldigd is, moet dan van de verzekerde worden
ingevorderd. Als de verzekerde heeft gekozen voor een zorgverzekering waarbij
de verzekerde recht heeft op de vergoeding van de kosten van deze zorg
(restitutiemodel), verrekent de zorgverzekeraar het eigen risico bij het
restitueren van de gemaakte kosten.
Als de verzekerde met een
nieuwe zorgverzekeraar een zorgverzekering sluit, geldt voor de rest
van het aansluitend jaar een verplicht eigen risico van €|126,-. Dit bedrag
berust op de volgende berekening:
306 dagen x €|150,- : 365 dagen = €|125,75 (op grond van artikel 21, derde lid,
Zvw afgerond tot €|126,-)
Onder
2
Artikel 21, tweede lid, Zvw
geeft aan hoe het eigen risico moet worden berekend als het bedrag van
het eigen risico gedurende het kalenderjaar wijzigt. Aangezien enkel het
bedrag van het vrijwillige eigen risico kan variëren, heeft dit artikel
slechts betrekking op het vrijwillige eigen risico. Om deze reden wordt in het
tweede lid van artikel 21 Zvw
eigen risico telkens gewijzigd in "vrijwillig eigen risico".
H
Met dit artikel vervalt de no-claimteruggaveregeling.
I
Onder
1
Op grond van
artikel 23,
tweede lid, Zvw worden zorggebonden eigen bijdragen en kosten die op
grond van artikel 13, eerste lid, Zvw
voor rekening van de verzekerde blijven
niet meegeteld bij het (vrijwillige) eigen risico en de
no-claimteruggave. In verband met het vervangen van de no-claimteruggave door een
verplicht eigen risico wordt met dit artikel de zinsnede over de no-claimteruggave geschrapt en het verplichte eigen
risico toegevoegd.
Daarnaast zijn in het
voorgestelde artikel de bedragen, bedoeld in het voorgestelde artikel
18a,
tweede lid, Zvw, uitgezonderd, aangezien in dat
artikel de mogelijkheid is
opgenomen om bij AMvB voor bepaalde zorgvormen of overige diensten eigen
bijdragen vast te stellen die wel ten laste komen van het
verplichte eigen risico.
Onder
2
Op grond van
artikel 23,
derde lid, Zvw worden kosten van zorg eerst in
mindering gebracht op de
no-claimteruggave en pas daarna op een eventueel (vrijwillig) eigen risico.
Nu met dit wetsvoorstel de no-claimteruggave is komen te vervallen en hiervoor in de plaats een verplicht eigen
risico komt, is deze
bepaling hierop aangepast. Slechts voor zover een verzekerde het totale bedrag
van het verplichte eigen risico aan zorg heeft geconsumeerd, worden de
kosten van zorg in rekening gebracht van een eventueel vrijwillig eigen
risico. Alleen als het om kosten gaat die nooit rblz.|15|
ten laste worden gebracht
van het verplichte eigen risico, maar wel van het vrijwillige eigen
risico, zoals het consult van de huisarts, wordt hier van afgeweken. Deze kosten
komen wel direct ten laste van het vrijwillige eigen risico, ongeacht of
het verplichte eigen risico reeds is verbruikt.
Dat de volgorde van innen
ook bij een systeem van verplicht en vrijwillig eigen risico van belang is,
wordt geïllustreerd door het volgende voorbeeld. Hierbij wordt van situatie
uitgegaan dat er niets is bepaald over de volgorde van innen en de zorgverzekeraar dus zelf deze volgorde kan
bepalen.
Een verzekerde met een
vrijwillig eigen risico van €|300,- gaat in februari 2008 naar het ziekenhuis
voor een behandeling die €|400,- kost. In juni 2008 brengt de verzekerde een
bezoek aan de huisarts. Zorgverzekeraar A spreekt eerst het
vrijwillige eigen risico aan. Het gevolg hiervan is dat de kosten van het
ziekenhuisbezoek ten laste komen van de verzekerde en de kosten van het consult van
de huisarts worden betaald door de zorgverzekeraar. Het bedrag van €|300,- van
het vrijwillige eigen risico minus de €|400,- aan ziekenhuiskosten
geeft als resultante dat €|100,- ten laste van het verplichte eigen risico
worden gebracht. Er is dan nog €50 verplicht eigen risico over (€|150,- –
€|100,-
= €|50,-). De kosten van het consult
van de huisarts vallen nooit onder het
verplichte eigen risico, aangezien deze kosten hiervan zijn uitgezonderd,
en komen dus voor rekening van de zorgverzekeraar.
Zorgverzekeraar B spreekt
eerst het verplichte en dan het vrijwillige eigen risico aan. In dit geval
worden de kosten voor het consult van de huisarts wel bij de verzekerde in
rekening gebracht. Het bedrag van €|150,- aan verplicht eigen risico is opgegaan aan de behandeling in het ziekenhuis,
maar de verzekerde heeft nog
wel €|50,- vrijwillig eigen risico openstaan
(het bedrag van €|150,-
verplicht eigen risico minus de €|400,- ziekenhuiskosten geeft als resultante
€|250,-). Deze
€|250,- wordt ten laste van het vrijwillig eigen risico
gebracht, er is dan nog €|50,- vrijwillig eigen risico over (€|300,- –
€|250,-
= €|50,-). Aangezien de kosten van het consult van de huisarts wel ten lasten van
het vrijwillige eigen risico komen, dient de verzekerde de kosten van het
consult van de huisarts in dit geval wel te zelf te betalen.
Aangezien dit verschil
tussen beide zorgverzekeraars onwenselijk is, omdat het voor de verzekerde
zeer lastig te doorgronden is hoe zijn zorgverzekeraar dit berekent, is in het
derde lid de volgorde van innen bepaald. Hierbij is aangesloten bij de wijze van innen bij de
no-claimsystematiek.
J, alsmede
artikel VIII
Onder
1
Voor de wijziging in het
eerste onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel
L.
Onder
2, alsmede artikel VIII
In dit onderdeel wordt
geregeld dat de uitkering die het CAK-BZ op grond van het voorgestelde artikel
118a Zvw aan verzekerden met meerjarige,
onvermijdbare zorgkosten
betaalt, uit het Zorgverzekeringsfonds wordt gefinancierd. Hetzelfde geldt overigens voor de daarmee voor het CAK-BZ
gepaard gaande
uitvoeringskosten.
Ook in het voorstel van wet
tot wijziging van de Zorgverzekeringswet
en andere wetten met het oog op
het verzwaren van het premie-incassoregime en andere maatregelen om de
werking van het met die wet en de rblz.|16|
Wet op de zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren
(verzwaren incassoregime
premie en andere maatregelen zorgverzekering), Kamerstukken II 2006-2007, 30
918, wordt voorzien in toevoeging van een onderdeel f aan
artikel 39, derde lid, Zvw. De artikelen VIII en
IX zijn louter
wetstechnisch: zij voorkomen dat het derde lid van artikel 39
Zvw uiteindelijk twee
onderdelen f krijgt. Het met laatstgenoemd wetsvoorstel toe te voegen onderdeel zal
onderdeel g worden.
K
In het buitenland wonende
personen met recht op een Nederlands pensioen of uitkering
hebben, indien zij niet op grond van de wetgeving van hun woonland voor
ziektekosten verzekerd zijn, recht op (vergoeding van) geneeskundige zorg
indien zij recht op prestaties op grond van de Zvw
zouden hebben als zij in
Nederland zouden hebben gewoond. In het woonland worden de
verstrekkingen verleend naar het recht van dat woonland en deze komen voor
rekening van Nederland. Hiertoe wordt jaarlijks een bedrag aan het
desbetreffende woonland betaald. Deze zogenaamde "verdragsverzekerden" zijn
niet verzekeringsplichtig en hebben geen zorgverzekering en
hoeven dus ook geen premie voor een zorgverzekering te betalen. De bijdrage die
de verdragsgerechtigden verschuldigd zijn, wordt echter wel als
premie voor de zorgverzekering beschouwd voor het toepassen van de
no-claimteruggave. De verdragsgerechtigden komen namelijk wel in
aanmerking voor de no-claimteruggave. Nu de no-claimteruggave komt te
vervallen, komt ook dit recht te vervallen. Dit wordt met deze wijziging
gerealiseerd. Voor verdragsverzekerden zal geen verplicht eigen risico gaan
gelden. Zij krijgen dan ook geen compensatie voor het verplichte eigen
risico.
L en
J
In het zevende lid van
artikel 70 Zvw is geregeld dat de kosten van zorg of
overige diensten verleend
aan een gemoedsbezwaarde alleen vergoed worden als die kosten in een
kalenderjaar hoger zijn dan het verschil van het bedrag dat vastgesteld
is voor de no-claimteruggave en het geraamde gemiddelde bedrag dat een
verzekerde naar verwachting in het daaropvolgende jaar terugontvangt. Nu de no-claimteruggave wordt vervangen door een verplicht eigen
risico, vervalt de tekst van artikel 70, zevende lid,
Zvw (onderdeel L). Dat leidt
vervolgens tot een redactionele wijziging in artikel
39, tweede lid, onder 3º, Zvw (onderdeel
J, onder 1).
Voor gemoedsbezwaarden zal
geen verplicht eigen risico gaan gelden. Zij krijgen dan ook geen
compensatie voor het verplichte eigen risico.
M
In artikel
87, zesde lid, Zvw wordt geregeld dat bij ministeriële regeling
kan worden bepaald in welke
gevallen persoonsgegevens verder mogen worden verwerkt met het oog
op de uitvoering van de zorgverzekering of een aanvullende ziektekostenverzekering. In
artikel 87, zesde lid, onderdeel e,
onder 2º,
Zvw wordt
aangegeven dat die regeling onder meer kan zien op verwerking
van persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van een
nog openstaand (vrijwillig) eigen risico of een no-claimteruggave aan de
verzekerde. Aangezien met dit wetsvoorstel de no-claimteruggave komt te
vervallen, zullen met het oog daarop ook geen persoonsgegevens meer hoeven
te worden verwerkt. Aan de andere kant zullen met het oog op het
verplichte eigen risico persoonsgegevens moeten worden verwerkt.
rblz.|17|
N en
artikel IX
Artikel 118a, eerste lid,
Zvw
In het voorgestelde
artikel 18a Zvw
is voor verzekerden van 18 jaar of ouder een verplicht eigen
risico van €|150,- geregeld. Voorliggend artikel regelt de compensatie
daarvan voor verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten. Het is niet
mogelijk aan te duiden wie precies onder het begrip "chronisch
zieken en gehandicapten" vallen. Dat komt omdat er op dit moment geen
eenduidige definitie van deze groep is, noch een bestand personen waaruit
voor de toekenning van de uitkering geput zou kunnen worden. Daarom is
bepaald dat de groep verzekerden die recht op de uitkering heeft, bij of
krachtens AMvB wordt bepaald. Voor het jaar 2008 zullen worden
aangewezen personen die in 2006 en 2007 in het kader van de
risicoverevening in één of meer farmaceutische kostengroepen (FKG’s) als bedoeld in het
Besluit zorgverzekering zijn ingedeeld, met uitzondering van
personen die louter binnen FKG 4 (hoog cholesterol) vallen. FKG’s zijn
categorieën van chronische aandoeningen waarin verzekerden op grond van hun
geneesmiddelengebruik in het verleden zijn ingedeeld (zie ook artikel
1,
onderdeel n, Besluit zorgverzekering). Mocht in latere jaren een beter
dekkende, en bovendien voor het CAK-BZ uitvoerbare, definitie van het begrip
"chronisch zieken en gehandicapten" ter beschikking komen, dan
zullen de bepalingen bij of krachtens AMvB, bedoeld in artikel
118a,
eerste lid, zo gewijzigd kunnen worden dat deze nieuwe groepen worden aangewezen.
Slechts verzekerden van
18 jaar of ouder kunnen aanspraak maken op de uitkering. Dat is
logisch, nu voor de zorgverzekering van verzekerden jonger dan 18 jaar
geen verplicht eigen risico geldt. De verzekerde krijgt de uitkering ook als
hij pas gedurende dat kalenderjaar 18 jaar werd. De uitkering
wordt in dat geval dus niet tijdsevenredig verlaagd. Hiervoor is
gekozen met het oog op voorkoming van onnodige uitvoeringslasten voor het
CAK-BZ.
Personen die gedurende het
kalenderjaar voor het eerst verzekeringsplichtig worden (bijvoorbeeld doordat
zij een verblijfsstatus krijgen of hun werk als militair in
werkelijke dienst neerleggen), zullen de eerste twee jaren geen compensatie
ontvangen, aangezien er van hen geen FKG-gegevens beschikbaar zijn van de
voorafgaande twee jaren.
Een verzekerde zonder
meerjarige, onvermijdbare zorgkosten is in 2008 gemiddeld €|110,-
verschuldigd in verband met het verplicht eigen risico. Een verzekerde met
meerjarige, onvermijdbare zorgkosten in 2008 zal €|150,- verschuldigd zijn in
verband met het verplicht eigen risico. Met een financiële compensatie van
€|40,- (€|150,- –
€|110,-) wordt het verschil tussen verzekerden met meerjarige,
onvermijdbare zorgkosten en mensen zonder meerjarige, onvermijdbare
zorgkosten overbrugd. Deze verzekerden krijgen de compensatie in
het laatste kwartaal van het kalenderjaar van het CAK-BZ uitgekeerd.
Eerder uitkeren is niet mogelijk aangezien zorgverzekeraars de FKG-gegevens over het
voorafgaande jaar pas in de loop van het derde kwartaal
beschikbaar hebben.
In de zorgtoeslag wordt het
gemiddelde bedrag dat verzekerden kwijt zijn aan het verplichte eigen
risico meegenomen. Hiermee is aangesloten op de huidige systematiek van
de zorgtoeslag waarbij rekening wordt gehouden met het gemiddelde bedrag dat verzekerden aan no-claimteruggave
uitgekeerd krijgen. Omdat
bepaalde groepen verzekerden met de uitkering van het CAK-BZ
worden gecompenseerd voor het verplichte eigen risico, is besloten in
de zorgtoeslag uit te gaan van de gemiddelde eigen betaling van de niet-gecompenseerde verzekerden. Hiermee wordt de gemiddelde eigen betaling €|110,-.
rblz.|18|
Artikel 118a,
tweede lid, Zvw en artikel IX
Het tweede lid bepaalt dat
het het sociaal-fiscaal nummer (sofinummer) of, nadat de Wet gebruik burgerservicenummer in de
zorg (Kamerstukken I, 2006/07, 30 380, A) in
werking zal zijn getreden, het burgerservicenummer (BSN; artikel
IX) van de
personen aan wie de uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt
verstrekt, in zijn administratie opneemt. Het CAK-BZ wordt daarmee bevoegd tot
gebruik van dat sofinummer respectievelijk het BSN.
Artikel 118a, derde lid,
Zvw
In het derde lid wordt
geregeld dat de zorgverzekeraars dan wel een bij AMvB aan te wijzen instantie
aan het CAK-BZ (persoons)gegevens verstrekken die het het
CAK-BZ mogelijk maken om de uitkering, bedoeld in artikel
118a, eerste lid,
te verstrekken. Het zal hierbij slechts gaan om die gegevens die voor het
CAK-BZ noodzakelijk zijn om deze uitkering te kunnen verstrekken. Op dit
moment wordt vooral gedacht aan een verplichting aan de zorgverzekeraars om het CAK-BZ
- op basis van het sofi-nummer of het BSN - te melden welke van zijn verzekerden tot de voor de uitkering relevante FKG-groepen behoren, alsmede het bank- of
gironummer van betrokkenen
(opdat het CAK-BZ de uitkering aan hen kan overmaken). Omdat het voor
de uitkering en daarmee voor het CAK-BZ niet relevant is te weten
binnen welke FKG-groep men precies valt (met dien verstande dat de
zorgverzekeraars verzekerden die in FKG 4 vallen sowieso niet dienen te melden), zullen de zorgverzekeraars overigens niet
mogen doorgeven binnen welke
FKG-groep een aangemelde verzekerde valt. Het CAK-BZ kan deze
gegevens aangevuld krijgen met de noodzakelijke persoonsgegevens van de
verzekerde uit de gemeentelijke basisadministratie. Op grond van artikel 88,
eerste lid, van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens kunnen aan de CAK-BZ die
persoonsgegevens worden
verstrekt die noodzakelijk zijn voor de CAK-BZ ter uitvoering van zijn
wettelijke taak. Het is nog niet duidelijk wat de meest geschikte wijze is
voor CAK-BZ om het bank- of gironummer van de betrokken verzekerde te
krijgen; daarom is de mogelijkheid opgenomen om bij AMvB een instantie
aan te wijzen die het CAK deze gegevens zal verstrekken.
Aangezien het CAK-BZ een
zelfstandig bestuursorgaan is, heeft het personeel daarvan op grond van artikel
2:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een
geheimhoudingsplicht. Het is dus niet nodig een afzonderlijke geheimhoudingsplicht
in artikel 118a Zvw
te regelen.
Artikel 118a, vierde lid,
Zvw
In het vierde lid is bepaald
dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met
betrekking tot het verwerken van de gegevens die noodzakelijk zijn voor
het uitvoeren van de compensatieregeling voor verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten.
O
In artikel 124 Zvw
is
bepaald dat vier weken voordat een voordracht wordt gedaan van een ontwerp van
een krachtens artikel 22, vijfde lid, Zvw
vast te stellen AMvB, dit ontwerp
eerst aan beide kamers der Staten-Generaal wordt overgelegd. Nu de no-claimteruggave komt te vervallen, komt ook
de voorhangbepaling over een
vast te stellen AMvB over de no-claimteruggave te vervallen.
rblz.|19|
Artikel II
Artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag
geeft aan hoe de standaardpremie wordt berekend die bepalend
is of iemand recht heeft op een zorgtoeslag. De standaardpremie voor de
zorgtoeslag wordt berekend door de gemiddelde (nominale) premie te verminderen met het geraamde gemiddelde
bedrag van de
no-claimteruggave in het daaropvolgende jaar. Of de verzekerde ook daadwerkelijk
een no-claimteruggave ontvangt, is hierbij niet van belang. Aangezien
in dit wetsvoorstel de no-claimteruggave wordt afgeschaft, speelt
deze geen rol meer bij het berekenen van de standaardpremie. In dit
artikel wordt artikel 4 van het Wet op de zorgtoeslag
hierop aangepast. De
standaardpremie is in het nieuwe artikel 4 van de
Wet op de zorgtoeslag gelijk aan de geraamde gemiddelde premie die door de
Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk vijftien dagen voorafgaande aan het
berekeningsjaar bij regeling wordt vastgesteld met daarbij opgeteld het
geraamde gemiddelde bedrag dat een verzekerde zonder
meerjarige, onvermijdbare zorgkosten (zoals bedoeld in het voorgestelde artikel
118a, eerste lid, Zvw) naar verwachting aan
verplicht eigen risico
betaalt. Dit bedrag zal voor 2008 €|110,- zijn. Verzekerden met een inkomen beneden de
voor de zorgtoeslag relevante maximuminkomensgrenzen
krijgen derhalve via de zorgtoeslag compensatie voor het verwachte bedrag
dat zij voor het verplichte eigen risico kwijt zullen zijn.
Artikel III
A en
B
Zoals bij artikel I,
onderdeel N, is toegelicht, zullen bij AMvB regels worden gesteld met betrekking tot
de persoonsgegevens die zorgverzekeraars het CAK-BZ dienen te verstrekken
zodat dit kantoor zijn in artikel 118a
Zvw geregelde taak kan uitvoeren. Deze artikelen zorgen ervoor dat de Nederlandse
Zorgautoriteit
zorgverzekeraars die niet conform die regels handelen een last onder
dwangsom (artikel 83 van de Wet
marktordening gezondheidszorg) dan wel een
bestuurlijke boete (artikel 88 van die
wet) kan opleggen.
Artikel IV
Indien een verzekerde van
mening is dat hem ten onrechte niet het bedrag, genoemd in het
voorgestelde artikel 118a Zvw,
is uitgekeerd, dient de verzekerde hierover een
beschikking te vragen bij het CAK-BZ. Het besluit dat het CAK-BZ
vervolgens neemt, is een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat
hiertegen bezwaar kan worden gemaakt bij het CAK-BZ. Indien de verzekerde
het niet eens is met de beslissing op bezwaar, kan er beroep bij
de rechtbank worden ingesteld. Door de toevoeging van artikel
118a aan onderdeel C, onderdeel 22a, van de
bijlage bij de Beroepswet is
geregeld dat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep openstaat bij
de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Hiervoor is
gekozen omdat tegen alle
overige besluiten die een bestuursorgaan jegens verzekeringnemers en
verzekerden neemt ook hoger beroep bij de CRvB
openstaat.
Ingevolge artikel 19 van de
Beroepswet wordt de werking van een uitspraak met betrekking tot
een besluit dat is genomen op grond van artikel
118a Zvw opgeschort
tot het hoger beroep is beslist. Artikel 22 van de
Beroepswet regelt welk
griffierecht men is verschuldigd voor een hoger beroep tegen het
besluit van het CAK-BZ.
rblz.|20|
Artikel V
De vervanging van de
no-claimteruggave door een verplicht eigen risico leidt ertoe dat de
buitengewone-uitgavenregeling in de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
aanpassing behoeft, om te waarborgen dat de onder het regime van het verplichte eigen risico per saldo voor rekening
van de belastingplichtige
komende uitgaven fiscaaltechnisch op dezelfde wijze worden behandeld als
onder de no-claimteruggaveregeling en de beoogde prikkelwerking in
stand blijft.
Op basis van de huidige buitengewone-uitgavenregeling wordt de zogenoemde standaardpremie in
aanmerking genomen (artikel 6.18, eerste lid, onderdeel b, Wet
IB 2001).
De standaardpremie is gedefinieerd in artikel 4 van de
Wet op de zorgtoeslag. Voor 2007 is de standaardpremie de gemiddelde
nominale premie (waarin een
bedrag van €|255,- was begrepen ter financiering van de
no-claimteruggave) verminderd met de gemiddelde no-claimteruggave (€|91,-).
Als gevolg van de afschaffing van de no-claimteruggave en de invoering van een
verplicht eigen risico (van €|150,-) wordt de definitie van de standaardpremie gewijzigd. De nieuwe definitie
wordt: de gemiddelde
nominale premie (die ten opzichte van 2007 wordt verlaagd in verband met de
vervanging van de no-claimregeling door het verplichte eigen risico)
vermeerderd met het geraamde gemiddelde bedrag dat een verzekerde
naar verwachting aan verplicht eigen risico betaalt (€|110,-). Per 1
januari 2008 wordt deze aangepaste standaardpremie in aanmerking genomen voor
de buitengewone-uitgavenregeling. Als gevolg hiervan is
derhalve een bedrag van €|110,- van de als gevolg van het verplichte eigen
risico voor rekening van de belastingplichtige komende uitgaven in de
standaardpremie begrepen en wordt dus in aanmerking genomen in de
buitengewone-uitgavenregeling. Deze situatie
is dan vergelijkbaar met de
fiscale behandeling onder de no-claimteruggaveregeling waar op dit moment een
bedrag van €|164,- (zijnde de gemiddelde
no-claimdruk) via de standaardpremie in aanmerking wordt
genomen.
In de huidige (no-claim)situatie
is het per saldo voor rekening van de belastingplichtige komende
bedrag (van €|91,-, zijnde de gemiddelde no-claimteruggave) niet
aftrekbaar via de buitengewone-uitgavenregeling. Om in de nieuwe situatie,
waarin de no-claimteruggaveregeling is vervangen door een verplicht
eigen risico, eenzelfde systematiek te realiseren, dient het resterende deel (€|150,- verminderd met de
eerdergenoemde
€|110,-, oftewel
€|40,-) van de als gevolg van het verplichte eigen risico voor rekening van de
belastingplichtige komende uitgaven niet aftrekbaar te zijn in de
buitengewone-uitgavenregeling. Hiertoe strekt de voorgestelde wijziging van
artikel 6.18 van de Wet
IB 2001. Voorgesteld wordt aan dit artikel een
tiende lid toe te voegen dat bepaalt dat uitgaven niet in aanmerking worden
genomen voor de buitengewone-uitgavenregeling, voor zover deze uitgaven ten
laste komen van een verplicht eigen risico als bedoeld in
artikel 18a van de Zvw.
Doordat via de
aftrekbaarheid van de standaardpremie, die deels bestaat uit het gemiddelde eigen
risico van €|110,-, de facto een deel van de ten laste van het verplichte
eigen risico komende uitgaven wel in aanmerking wordt genomen voor de
buitengewone-uitgavenregeling, wordt per saldo
bewerkstelligd dat de eerdergenoemde €|40,- niet in aanmerking worden genomen voor de
buitengewone-uitgavenregeling. Hiermee blijft de beoogde prikkelwerking van
het verplichte eigen risico in stand en wordt de fiscale regeling niet
gunstiger gemaakt in vergelijking met de huidige situatie van de
no-claimteruggave.
De voorgestelde wijzigingen
hebben overigens geen gevolgen voor de meest kwetsbare groep, de
verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten. Immers, deze
groep wordt ingevolge dit wetsvoorstel (zie artikel I, onderdeel
N)
buiten de fiscaliteit gecompenseerd. In het Uitvoeringsbesluit
inkomstenbelasting 2001 zal nog worden opgenomen
rblz.|21|
dat deze compensatie bij de
bepaling van hetgeen op de belastingplichtige aan buitengewone uitgaven
drukt, buiten beschouwing zal blijven.
Artikel VI
In artikel 31, tweede lid,
van de Wet werk en bijstand wordt aangegeven dat de no-claimteruggave
niet tot de middelen van de belanghebbende wordt gerekend. Bij het
vervangen van de no-claimteruggave door een verplicht eigen risico dient
dit te vervallen en wordt dit vervangen door het bedrag dat aan
verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten op grond van het
voorgestelde artikel 118a Zvw
wordt uitgekeerd, aangezien deze €|40,- ook
niet tot de middelen van de belanghebbende dient te worden gerekend.
Met deze compensatie is er volgens het kabinet sprake van een passende en
toereikende voorziening.
Artikel VII
In artikel 4, tweede lid,
van de Wet werk en inkomen kunstenaars wordt aangegeven dat de
no-claimteruggave niet tot de middelen van de kunstenaar of zijn gezin behoort. Bij
het vervangen van de no-claimteruggave door een verplicht eigen
risico dient dit te vervallen en wordt dit vervangen door het bedrag
dat aan verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten op grond van het
voorgestelde artikel 118a Zvw
wordt uitgekeerd, aangezien
deze €|40,- ook niet tot de middelen van de kunstenaar of zijn gezin
dient te worden gerekend. Met deze compensatie is er volgens het kabinet
sprake van een passende en toereikende voorziening.
Artikel XI
Met
dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld de no-claimteruggaveregeling te laten vervallen. De
bepalingen over de no-claimteruggave zijn echter nog wel noodzakelijk voor het
berekenen van de no-claimteruggave over de jaren 2006 en 2007. Zo moet
de zorgverzekeraar op grond van artikel 87,
zesde lid, onderdeel e, Zvw gegevens kunnen verstrekken tot de
no-claimteruggave is
afgehandeld. Aangezien de no-claimteruggave in feite wordt voorgefinancierd
door middel van een extra nominale premie, is bij de invoering daarvan
besloten een datum te regelen waarvóór de no-claimteruggave moet
worden uitbetaald. Daarbij werd als datum vastgelegd dat de afrekening
uiterlijk 31 maart na afloop van het desbetreffende kalenderjaar dient plaats te
vinden. In de praktijk doet zich de situatie voor dat kosten pas
bekend worden na de uitkering van de no-claimteruggave. Daarom
was geregeld dat de no-claimteruggave nog één jaar mag worden
gecorrigeerd op nagekomen rekeningen. Dat kan dan vervolgens leiden tot
terugvordering bij de verzekerde of verrekening met nog te ontvangen gelden.
De no-claimteruggaven van het jaar 2007 worden afgewikkeld volgens
de geldende no-claimsystematiek, dus inclusief de mogelijkheid om tot 1
april 2009 de in maart 2008 uit te keren no-claimteruggave over 2007
te corrigeren en terug te vorderen.
Om deze reden blijven de
bepalingen die door dit wetsvoorstel gewijzigd of geschrapt worden, tot 1
april 2009 onverminderd gelden zoals deze luidden vóór het in werking
treden van dit wetsvoorstel.
De minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink.
|