|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2006-2007, 2007-2008,
31 080.
Handelingen II 2007-2008, blz. 1773-1773.
Kamerstukken I 2007-2008, 31 080 (A, B).
Handelingen I 2007-2008, blz. 367-368.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 6 december 2007, Stb.
2007, 545, tot wijziging van hoofdstuk IV van
de Werkloosheidswet teneinde enkele
vereenvoudigingen te realiseren en een uitkering bij overlijden toe te
voegen. Inwerkingtreding: 1 maart 2008 (Stb.
2007, 546).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet
te wijzigen teneinde enkele vereenvoudigingen te realiseren en een
uitkering bij overlijden toe te voegen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I. [MvT]
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 22, vijfde lid, wordt "artikel
18 of artikel 61" vervangen door: artikel
18, artikel 61 of artikel
61a,.
B. [MvT]
Na artikel 61 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 61a.
-1. De nagelaten betrekkingen van een werknemer hebben recht op
uitkering op grond van dit hoofdstuk over de periode vanaf de dag na
overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, ten
bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam,
indien zij van een werkgever die verkeert in een omstandigheid als
bedoeld in artikel 61 een
overlijdensuitkering te vorderen hebben.
-2. Artikel 674, derde en vierde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 63
zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het recht op
uitkering op grond van dit artikel. De artikelen
19, 20, 21, 64
en 65 zijn niet van toepassing met betrekking
tot het recht op uitkering op grond van dit artikel.
C. [MvT
+ bis + bis
+ bis]
Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel
20, eerste lid, onderdeel b, eindigt het recht op uitkering
niet ten aanzien van het aantal uren dat de werknemer voor de in het
eerste lid bedoelde werkgever arbeid verricht, tenzij sprake is van
onverminderde loonbetaling over die uren. Aan de werknemer die wegens
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid of een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk
3 van de Wet arbeid en zorg, wordt het in artikel
20 bedoelde vereiste van beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden
niet gesteld. [MvT]
2. In het derde lid wordt "De
werknemer heeft" vervangen door: De werknemer heeft of de nagelaten
betrekkingen hebben. [MvT]
3. In het vierde lid wordt "bedoeld in
artikel 61" vervangen door: bedoeld in artikel
61 of artikel 61a. [MvT]
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. Indien de dienstbetrekking op grond waarvan de werknemer recht heeft
op een uitkering is aangevangen in de periode van 26 kalenderweken,
bedoeld in artikel 16, tweede lid, wordt bij
de overeenkomstige toepassing van artikel 20,
eerste lid, onderdeel a en b, het aantal hele
kalenderweken in aanmerking genomen dat de dienstbetrekking, bedoeld in artikel
61, in die periode heeft geduurd. [MvT]
D. [MvT]
Artikel 65 komt te luiden:
Art. 65.
Voor de werknemer wiens recht op uitkering gedeeltelijk is geëindigd op
grond van de overeenkomstige toepassing van artikel
20, eerste lid, onderdeel a of b, bedraagt de
uitkering de op grond van artikel 64
vastgestelde uitkering, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid
per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren in de
dienstbetrekking met de werkgever, bedoeld in artikel
61, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren
waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan
het intreden van het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met
toepassing van artikel 16. Indien de
dienstbetrekking met de werkgever, bedoeld in artikel
61, is aangevangen in de periode van 26 kalenderweken, bedoeld in artikel
16, tweede lid, wordt daarbij het aantal hele kalenderweken in
aanmerking genomen dat die dienstbetrekking in die periode heeft
geduurd.
Da.
In het derde lid van artikel 66 vervalt "eerste en".
E. [MvT]
Artikel 68, eerste lid, komt te luiden:
1. De artikelen 17, 17a,
17b, 18, 19,
eerste lid, onderdeel e tot en met l, derde lid, vijfde
lid en zevende tot en met tiende lid, 28, 35,
41, 42, 42a
en 47 zijn niet van toepassing op het recht
op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de
betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
F. [MvT]
Aan hoofdstuk Xb wordt een artikel waarvan
de nummering aansluit op het laatste artikel van dat hoofdstuk
toegevoegd, luidende:
Art. #.
Hoofdstuk IV en de
daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag vóór
inwerkingtreding van de Wet van 6 december 2007 tot wijziging van hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet teneinde enkele
vereenvoudigingen te realiseren en uitkering bij overlijden toe te
voegen (Stb. 2007, 545) blijven van toepassing met betrekking tot een recht op
uitkering waarvan de eerste dag van de periode, bedoeld in artikel
64, eerste lid, onderdeel a, is gelegen op of vóór die dag
doch op of na 1 oktober 2006.
Art.
II.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 12 december 2007, Stb. 2007, 546, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 maart 2008, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
6 december 2007
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de twintigste
december 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|