|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007
Wijziging
van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet
teneinde enkele vereenvoudigingen te realiseren en een uitkering bij
overlijden toe te voegen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Inhoud en doelstelling
van het wetsvoorstel |
| 3 |
Uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid |
| 4 |
Financiële effecten |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Aanleiding
Hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet (WW) biedt de werknemer een
tijdelijke garantie op
doorbetaling van zijn loon en enkele andere financiële aanspraken ingeval de
werkgever door blijvende betalingsonmacht daartoe niet langer in staat
is. De werknemer van een betalingsonmachtige werkgever kan op grond van
hoofdstuk IV WW (verder: hoofdstuk
IV) bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) een aanvraag indienen voor een
uitkering die voorziet in overname van loon, vakantiegeld of
vakantiebijslag. Ook bedragen die de betalingsonmachtige werkgever in verband met de
dienstbetrekking aan derden verschuldigd is, maar niet heeft betaald,
worden door het UWV overgenomen. Dit betreft met name
pensioenpremies en bijdragen voor een spaar- of levensloopregeling. Sinds
1980 zijn de voorwaarden waaraan de regeling moet voldoen, opgenomen in de
Europese richtlijn inzake de bescherming van werknemers bij
insolventie van de werkgever.¹
1. Richtlijn 80/987 EEG.
Met
het onderhavige
wetsvoorstel beoogt de regering de regeling van de gevolgen van werkhervatting
tijdens de uitkering op grond van
hoofdstuk IV te vereenvoudigen en
minder belastend te maken voor de werkgever waar de werknemer het werk
hervat. Voorts stelt de regering voor om in
hoofdstuk IV een recht op
een overlijdensuitkering op te nemen voor de nabestaanden van een werknemer van wie de werkgever door blijvende
betalingsonmacht niet in
staat is de overlijdensuitkering op grond van artikel 674 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:674 BW) of een
overlijdensuitkering op
grond van een ambtelijke rechtspositieregeling te voldoen.
Hoofdstuk IV is met
de Wet wijziging WW-stelsel per 1 oktober 2006 ingrijpend
gewijzigd, onder meer om de
regeling meer eenduidig en eenvoudiger te maken. Voor de gevolgen
van werkhervatting bevatte
hoofdstuk IV vóór 1 oktober 2006
twee aparte regimes, afhankelijk van het moment waarop de werknemer het werk
hervatte. Bepalend daarvoor was de datum waarop de curator (of
bij betalingsonmacht buiten faillissement: de werkgever) de
dienstbetrekking had opgezegd. Als de werknemer vóór of rblz.|2|
op de datum van opzegging
van zijn dienstbetrekking al werkzaamheden voor een andere werkgever
verrichte, ontstond geen recht op uitkering over de opzegtermijn.¹ De
inkomsten uit die werkzaamheden werden verrekend met de uitkering
over de periode vóór de opzegdatum. Als de werknemer na de datum van
opzegging werkzaamheden ging verrichten, leidden deze tot een gehele
of gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, afhankelijk van de omvang
van die nieuwe arbeid. De verhouding tussen deze regimes, inkomstenverrekening of beëindiging op arbeidsuren, was
onvoldoende duidelijk.
1. In paragraaf 2 zijn de op
grond van
hoofdstuk IV over te nemen perioden
nader uiteengezet.
Vanaf 1 oktober 2006 geldt
bij werkhervatting een uniforme regeling: de uitkering op grond van
hoofdstuk IV wordt doorbetaald tot het einde van de opzegtermijn. De
inkomsten uit de nieuwe arbeid worden met die uitkering verrekend.
Na de invoering van deze
wijziging merkte het UWV op dat de nieuwe regeling moeilijk
uitvoerbaar is en administratieve lasten veroorzaakt bij de werkgever bij wie de
werknemer het werk hervat (de nieuwe werkgever). Het UWV moet bij die nieuwe
werkgever uitvragen welk loon de werknemer over de
uitkeringsperiode heeft verdiend, hoeveel vakantierechten en -toeslag de werknemer over
die periode heeft opgebouwd en welke bedragen de werkgever
in verband met de dienstbetrekking aan derden verschuldigd is. Met name de verrekening van de bij de nieuwe
werkgever opgebouwde
vakantieaanspraken en pensioenpremies over de duur van de uitkering levert
in de praktijk problemen op. De periode waarover de werknemer recht heeft op
een uitkering op grond van
hoofdstuk IV hangt af van de datum
waarop de curator de dienstbetrekking heeft opgezegd. De periode
waarover de nieuwe werkgever inkomsten moet opgeven, wijkt daarom bijna
altijd af van het aangiftetijdvak waarover de werkgever het loon administreert (maand of vier weken). In de praktijk
blijkt het bewerkelijk om
vakantieaanspraken en pensioenpremies over een afwijkende periode te
berekenen. Het is voor het UWV bovendien niet goed mogelijk om de
opgegeven bedragen te verifiëren. Daarvoor zou het UWV actuele kennis over alle
CAO’s en pensioenreglementen moeten bijhouden. De toename van de administratieve lasten en de complexere
uitvoeringspraktijk staan
haaks op het doel van de wijziging van hoofdstuk
IV WW. Dit wetsvoorstel
beoogt deze effecten ongedaan te maken.
Voorts stelt de regering
voor om in
hoofdstuk IV de mogelijkheid van een uitkering voor nabestaanden
van de werknemer in te voeren. Als een werknemer overlijdt, hebben
zijn nabestaanden op grond van artikel 7:674 BW
of een bepaling in een
CAO recht op een overlijdensuitkering. Ook in de rechtspositieregelingen
van overheidswerknemers zijn aanspraken geregeld op een overlijdensuitkering. Als de werkgever deze uitkering
wegens faillissement, of
anderszins blijvende betalingsonmacht, niet kan betalen, staan de
nabestaanden met lege handen. De overlijdensuitkering wordt op dit moment bij
faillissement of blijvende betalingsonmacht van de werkgever niet
overgenomen.
2. Inhoud en doelstelling
van het wetsvoorstel
De uitkering op grond van
hoofdstuk IV omvat:
a. het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de
dienstbetrekking;
b. het loon over de voor de
werknemer geldende termijn van opzegging, met als maximum de termijn
op grond van artikel 40 van de Faillissementswet
(zes
weken);
c. het vakantiegeld, de
vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband met de
dienstbetrekking met de werknemer aan derden rblz.|3|
verschuldigd is, over ten
hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de
onder b bedoelde termijn eindigt.
Dit voorstel strekt ertoe
dat het recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IV bij werkhervatting geheel
of gedeeltelijk eindigt. Het recht op uitkering eindigt geheel als de omvang
van de nieuwe arbeid in arbeidsuren per week niet, of in geringe
mate, afwijkt van de omvang van de dienstbetrekking van de werknemer met de
betalingsonmachtige werkgever. Dat is het geval als het aantal arbeidsuren per week van de nieuwe arbeid minder
dan vijf uur afwijkt van het
aantal arbeidsuren bij de betalingsonmachtige werkgever. Als de werknemer
per week minder dan tien uur werkzaam was voor de betalingsonmachtige
werkgever, eindigt de uitkering geheel als de nieuwe arbeid in omvang meer
dan de helft van dat aantal uren bedraagt. Als het verschil vijf uur of
meer bedraagt, eindigt het recht gedeeltelijk.
De beoordeling van het
verschil in arbeidsuren is ontleend aan de systematiek van artikel 16 in verbinding
met artikel 20 WW dat
de omvang van het recht op een "normale" WW-uitkering regelt. Om technische redenen
wijkt de berekening op een
enkel punt af. Als de dienstbetrekking met de betalingsonmachtige
werkgever namelijk korter dan 26 weken heeft geduurd, wordt het gemiddeld
aantal arbeidsuren berekend over de duur van die dienstbetrekking.
Dit voorkomt dat in een dergelijk geval de uitkering na werkhervatting
onevenredig laag uitkomt. Voor het recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IV is
de duur van de dienstbetrekking met de betalingsonmachtige
werkgever niet van belang.
Het belangrijkste voordeel
van de voorgestelde systematiek is dat er bij de nieuwe werkgever - behoudens een incidentele steekproef
- in het geheel geen gegevensuitvraag nodig
is. Voor de hoogte van het recht is immers alleen van belang hoeveel
uren de werknemer werkt, niet hoeveel hij verdient. Voor de omvang van
de hervatte arbeid baseert het UWV zich primair op de opgave
van de
werknemer. De controle op de opgegeven arbeidsuren geschiedt aan de
hand van steekproeven. De administratieve lasten worden hiermee
beperkt.
Het voorgestelde systeem bij
werkhervatting is meer in overeenstemming met de systematiek van de WW-uitkering bij
ontslagwerkloosheid. De werknemer die het werk
tijdens de uitkering op grond van
hoofdstuk IV gedeeltelijk hervat en na
afloop van die uitkering gedeeltelijk werkloos blijft, krijgt hierdoor niet
met twee verschillende vormen van anticumulatie te maken, eerst inkomstenverrekening en vervolgens een beëindiging
op uren.
Een nadeel kan optreden voor
de werknemer die het werk hervat tegen een lager loon dan hij
verdiende bij de betalingsonmachtige werkgever. Als de omvang van de nieuwe arbeid (ongeveer) gelijk is aan de omvang van de
dienstbetrekking met de betalingsonmachtige werkgever, wordt de uitkering
beëindigd.
Bij de huidige regeling
wordt de uitkering tot het einde van de opzegtermijn (maximaal zes weken)
voortgezet en de nieuwe inkomsten daarmee verrekend.
Door het wegvallen van de
gegevensuitvraag bij de werkgever en van de verrekening van eventuele
inkomsten met de uitkering wordt de uitvoering eenvoudiger. Het UWV
kan de
uitkeringen hierdoor eenvoudiger en sneller vaststellen. De
betaling aan de werknemer zal hierdoor ook sneller plaatsvinden. De
beëindiging van de uitkering bij werkhervatting beperkt voorts het aantal
lopende
uitkeringen.
De beoogde invoeringsdatum
van dit voorstel is 1 januari 2008. Op uitkeringen
op grond van
hoofdstuk IV waarvan de eerste dag van de periode van dertien weken vóór de
opzegdatum ligt vóór 1 januari 2008, blijven de rblz.|4|
bepalingen van toepassing
die vóór de invoeringsdatum van kracht zijn. De gewijzigde regeling bij
werkhervatting geldt alleen voor uitkeringen met een ingangsdatum op of
na 1 januari 2008. Bij dit overgangsrecht is rekening gehouden met het
Toetsingskader overgangsrecht.¹
1. Kamerstukken I 1999-2000, 25
900, nr. 87b.
3. Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid
Zoals hiervoor is aangegeven,
is dit voorstel ingegeven door in de uitvoeringspraktijk
ervaren problemen. De
voorgestelde wijziging van
hoofdstuk IV is afgestemd met het UWV.
In zijn uitvoeringstechnisch
commentaar van 2 april 2007 acht het UWV het voorstel vanaf 1 januari
2008 goed uitvoerbaar als rekening wordt gehouden met zijn
opmerkingen. Deze opmerkingen waren aanleiding om:
- op de
overlijdensuitkering in
hoofdstuk IV (ook) het vierde lid van artikel 7:674 BW
van
overeenkomstige toepassing te verklaren;
- de wettekst aan te
passen in die zin dat de uitkering ook bij werkhervatting in het kader van een
doorstart wordt beëindigd;
- in de toelichting enkele
aspecten te verduidelijken.
De voorgestelde systematiek
is voor het UWV niet nieuw. Vóór 1 oktober 2006
paste het UWV deze al toe op
uitkeringen op grond van
hoofdstuk IV als de werknemer op de
opzeggingsdatum al geheel of gedeeltelijk aan het werk was bij een nieuwe
werkgever.
Het voorstel past binnen een
breder streven naar vereenvoudiging van de WW en vermindering van
administratieve lasten als gevolg van de socialeverzekeringswetgeving.
De Inspectie Werk en Inkomen
(IWI) merkt in haar commentaar van 30 maart 2007 op dat de
aanvraag van de overlijdensuitkering op grond van
hoofdstuk IV niet
adequaat was geregeld. Naar aanleiding van dit commentaar is in het
wetsvoorstel geregeld dat de aanvraag wordt ingediend bij het UWV. Evenals het UWV
adviseert de IWI het vierde lid van artikel 7:674 BW
van
overeenkomstige toepassing te verklaren op de overlijdensuitkering. Dit advies is overgenomen.
4. Financiële effecten
a. Uitkeringslasten
De voorgestelde wijziging
van de gevolgen van werkhervatting voor de uitkering leidt niet tot
substantiële toe- of afname van de uitkeringslasten WW. Het gewijzigde
uitkeringsregime heeft alleen gevolgen voor uitkeringsgerechtigden die hervatten in lager
betaalde arbeid. Naar verwachting brengt dat geen extra lasten
of opbrengsten met zich mee.
In 2005 is aan ongeveer 24
000 werknemers een uitkering op grond van
hoofdstuk IV toegekend. Ruim
een kwart van deze werknemers heeft in 2005 tijdens de uitkering
het werk hervat. Het overgrote deel (ongeveer 6250) hervatte de arbeid in
hetzelfde aantal uren per week. Ongeveer 250 werknemers hervatten de
arbeid voor een deel van de verloren arbeidsuren. In 2006 heeft het UWV
aan
ongeveer 25 000 werknemers een uitkering toegekend. Van hen hebben
naar schatting 5000 werknemers het werk tijdens de duur van de
uitkering hervat. Het is niet bekend tegen welk inkomen werknemers met
een uitkering op grond van
hoofdstuk IV het werk hervatten.
De invoering van de
overlijdensuitkering ter hoogte van een maandloon voor de nabestaande(n) van
de werknemer leidt tot een beperkte toename van de uitkeringslasten.
Deze toename bedraagt minder dan €|100
000,-.
rblz.|5|
b. Uitvoeringskosten
De vereenvoudigde uitvoering
van
hoofdstuk IV vermindert de uitvoeringskosten van het UWV. Het wegvallen
van het uitvragen en verrekenen van de inkomsten van de
werknemer na werkhervatting bespaart structureel €|375 000,- per jaar.
De (eenmalige)
invoeringskosten bedragen €|200 000,-.
c. Gevolgen voor de
administratieve lasten voor het bedrijfsleven
Als gevolg van
het voorstel
vindt enige verlichting van administratieve lasten plaats. Voor
werkgevers vervalt de verplichting voor de betreffende groep over loon- en ander
kosten te rapporteren aan het UWV. Vaak is de
periode waarover
gerapporteerd dient te worden niet gelijk aan het tijdvak waarover de werkgever het
loon, de vakantieaanspraken en de pensioenpremies administreert. Door dit
verschil moeten werkgevers een rekenslag maken om de juiste
informatie aan te leveren. Het is vooral deze berekening die door
werkgevers als problematisch wordt ervaren. Naar schatting zullen de
administratieve lasten voor werkgevers met circa €|0,4 miljoen dalen.
Het Adviescollege toetsing
administratieve lasten (Actal) merkt in zijn advies van 30 maart 2007 op
dat het wetsvoorstel - vanuit het oogpunt van administratieve lasten
- een minder belastend alternatief vormt voor de regeling van de gevolgen
voor werkhervatting voor de uitkering op grond van
hoofdstuk IV.
Actal adviseert op basis hiervan het wetsvoorstel in te dienen.
d. Gevolgen voor de
administratieve lasten voor de burger
Door
onderhavig voorstel
ontstaat geen wijziging in de informatieverplichting van de burger. Het voorstel
leidt dan ook niet tot een af- of toename van de
administratieve lasten voor de burger.
Artikelsgewijs
Onderdeel A
Dit onderdeel regelt dat de
aanvraag van een uitkering op grond van het voorgestelde artikel
61a WW,
evenals de aanvraag van een uitkering op grond van artikel 61
WW,
wordt ingediend bij het UWV.
Onderdeel B en
onderdeel C,
onder 2 en 3
Artikel
61a WW maakt het
mogelijk dat de nagelaten betrekkingen van een werknemer een uitkering
verkrijgen op grond van
hoofdstuk IV. Deze uitkering komt overeen met
de overlijdensuitkering die de werkgever op grond van artikel 7:674 BW
verschuldigd is in verband met het overlijden van de werknemer.
De nagelaten betrekkingen
hebben recht op uitkering op grond van artikel
61a WW als de werknemer komt
te overlijden tijdens de periode waarin voor hem recht bestaat op
uitkering op grond van
hoofdstuk IV. Daarnaast kan een recht op
overlijdensuitkering ontstaan in het geval waarin de werknemer vóór de datum
van blijvende betalingsonmacht van de werkgever is overleden en de werkgever
de op de datum van blijvende betalingsonmacht
verschuldigde uitkering aan de nagelaten betrekkingen als gevolg van de
betalingsonmacht niet kan voldoen.
rblz.|6|
Een deel van de
overheidswerknemers in de zin van de WW valt niet
onder het regime van artikel
7:674 BW. Indien evenwel op
grond van hun rechtspositieregeling,
bijvoorbeeld artikel 102 van het Algemeen rijksambtenarenreglement,
een recht op een overlijdensuitkering ontstaat voor de nagelaten
betrekkingen van een overheidswerknemer, ontstaat in het geval van betalingsonmacht van de overheidswerkgever recht op een
uitkering op grond van
artikel 61a WW alsof artikel 7:674 BW
wel van toepassing is.
Voor de uitbetaling van de
uitkering is op grond van het tweede lid van artikel
61a de volgorde van
uitbetaling aan de nagelaten betrekkingen uit het derde lid van artikel
7:674 BW van overeenkomstige toepassing.
Het
UWV is door het van
overeenkomstige toepassing verklaren van het vierde lid van artikel 7:674
BW bevoegd om een
overlijdensuitkering op grond van een wettelijk
voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering te
brengen op
de uitkering op grond van artikel 61a
WW. In een
beperkt aantal situaties kan namelijk aan de nagelaten betrekkingen naast de
uitkering op grond van artikel 61a WW
ook een overlijdensuitkering op
grond van artikel 35 van de Ziektewet (ZW)
worden toegekend. Deze
samenloop doet zich met name voor in situaties waarin ondanks het bestaan
van een dienstbetrekking de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan
zijn overlijden ook recht heeft op een ZW-uitkering (bijvoorbeeld
bij de toepassing van artikel 29, tweede lid,
onderdeel e, van de ZW). Het
ligt niet in de rede dat de uitkering op grond van artikel
61a WW en een
met dezelfde dienstbetrekking samenhangende overlijdensuitkering op
grond van artikel 35 ZW
onverkort naast elkaar worden betaald.
Indien de nagelaten
betrekkingen op grond van het vijfde lid van artikel 7:674 BW
van de werkgever
geen overlijdensuitkering kunnen vorderen, bestaat er - op grond van
het eerste lid van het voorgestelde artikel 61a
WW - ook geen aanspraak op
grond van dat artikel.
Onderdelen C, onder 1 en
4,
en E
Met de aanpassing van
artikel 68 worden de artikelen 19, eerste lid,
onderdeel
a tot en met d, tweede,
vierde en zesde lid, 20 en 21 en de daarop
berustende bepalingen van
overeenkomstige toepassing op
hoofdstuk IV. Een recht op uitkering op
grond van dat hoofdstuk - met uitzondering van de uitkering, bedoeld in het
nieuwe artikel 61a WW
- ontstaat indien is voldaan aan de voorwaarden
van artikel 61 WW en
artikel 62, eerste, derde en vierde lid WW. Eventueel arbeidsurenverlies speelt daarbij geen rol. Op
grond van het voorgestelde nieuwe tweede en vijfde lid van dat
artikel eindigt en herleeft het recht op uitkering daarna wel geheel of
gedeeltelijk op basis van de urensystematiek in plaats van inkomensverrekening van het bij een nieuwe werkgever
verdiende loon.
Wanneer sprake is van
hervatting of uitbreiding van werkzaamheden bij een andere werkgever dan de
betalingsonmachtige werkgever tijdens de periode die is vermeld in
het eerste lid, onderdeel a of b, van artikel 64
WW, eindigt het recht op de
uitkering over die perioden geheel of gedeeltelijk overeenkomstig artikel
20,
eerste lid, onderdeel b, juncto derde tot en met zevende lid, van
de WW. Dit
geldt ook ingeval er sprake is van een "doorstart" van de
betalingsonmachtige werkgever, waarbij deze weer overgaat tot betaling van loon over
gewerkte uren.
Werkzaamheden als
zelfstandige leiden eveneens tot gehele of gedeeltelijke eindiging van het recht op
uitkering voor het aantal uren dat die werkzaamheden worden
verricht overeenkomstig artikel 20, eerste lid,
onderdeel a, juncto artikel
8 WW.
rblz.|7|
Het resterende
arbeidsurenverlies wordt vastgesteld overeenkomstig de beoordeling op grond van
artikel 16 juncto 20 WW.
Daartoe worden zowel de dienstbetrekking met de
betalingsonmachtige werkgever als eventuele daarnaast bestaande dienstbetrekkingen in aanmerking genomen. Bijvoorbeeld:
als de werknemer in de
referteperiode van 26 kalenderweken twee dienstbetrekkingen vervulde
van 20 uur en bij één van de twee werkgevers betalingsonmacht optreedt
waarna de werknemer vervolgens het aantal arbeidsuren bij de
andere werkgever uitbreidt naar 30 uur, resteert een arbeidsurenverlies van
tien uur.
Echter, als de duur van de
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 61 WW,
korter was dan 26
kalenderweken, wordt de referteperiode voor de berekening van het arbeidsurenverlies
bepaald op het gehele aantal kalenderweken dat de werknemer werkzaam
was in die dienstbetrekking.
Op het vereiste om
beschikbaar te zijn om arbeid te verrichten, wordt een uitzondering
gemaakt voor
zover het gaat om niet-beschikbaarheid als gevolg van ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling en voor zover de werknemer een uitkering
ontvangt op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met zwangerschap,
bevalling, adoptie en pleegzorg. Mocht de werknemer na werkhervatting
bij de nieuwe werkgever ziek worden en in verband daarmee recht op
ziekengeld krijgen, dan is overigens geen sprake van herleving van het
recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IV.
Het komt voor dat een
werknemer al vóór het faillissement elders in dienst is getreden, maar nog
een vordering op de werkgever heeft die uitsluitend wegens de
betalingsonmacht niet kan worden geïnd. Het gaat daarbij met name om
vorderingen op grond van artikel 64, eerste lid,
onderdeel c (vakantiegeld,
vakantiebijslag en bedragen die de werkgever aan derden verschuldigd is).
Op dergelijke vorderingen is het al dan niet bestaan van
arbeidsurenverlies niet van invloed, voor zover deze vorderingen betrekking
hebben op het
tijdvak vóór de periode, bedoeld in artikel 64, eerste lid,
onderdeel a, WW.
Onderdeel D
Aangezien niet langer
gekozen wordt voor het in mindering brengen van inkomsten uit arbeid als
werknemer of werkzaamheden anders dan als werknemer, maar voor een
berekening van het arbeidsurenverlies ten opzichte van de gemiddelde
arbeidsduur in een referteperiode, kan het huidige artikel 65
WW vervallen. Ook de bepalingen ten aanzien van
vakantiedagen,
vakantiebijslag en bedragen die in verband met de dienstbetrekking verschuldigd zijn aan
derden, zijn hierdoor niet langer nodig. In de plaats daarvan komt
een artikel dat aangeeft wat de hoogte van de uitkering is ingeval dat
recht gedeeltelijk is geëindigd. In het voorbeeld van de werknemer die in de
referteperiode van 26 kalenderweken twee dienstbetrekkingen vervulde
van 20 uur en bij één van de twee werkgevers betalingsonmacht optreedt
waarna de werknemer vervolgens het aantal arbeidsuren bij de
andere werkgever uitbreidt naar 30 uur, leidt dat tot de volgende uitkomst.
Door de uitbreiding resteert een arbeidsurenverlies van tien uur. Aangezien het
gemiddeld aantal arbeidsuren bij de betalingsonmachtige
werkgever 20 is, is de hoogte van de uitkering over de desbetreffende week 10/20
van het op grond van artikel 64 WW
vastgestelde recht over die week.
Onderdeel F
Met dit onderdeel wordt
bewerkstelligd dat op uitkeringen op grond van
hoofdstuk IV waarvan de
eerste dag van de periode van dertien weken, bedoeld in artikel
64,
eerste lid, onderdeel a, ligt op of na 1 oktober 2006 rblz.|8|
en vóór de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel,
hoofdstuk IV van toepassing blijft zoals het
luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
De minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|