|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2007-2008, 31 229
Wijziging
van een aantal wetten van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW-wetgeving 2008)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Bij deze wet
worden in verschillende wetten op het terrein van
de socialezekerheidswetgeving, arbeidsmarkt,
arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen wijzigingen van
technische aard aangebracht. Het gaat onder andere om
redactionele verbeteringen en het corrigeren van onjuiste verwijzingen.
Ook wordt in een aantal gevallen op beleidsmatige overwegingen berustende
wijzigingen aangebracht. In het artikelsgewijze deel wordt, voor zover
dit noodzakelijk is, nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.
Bedrijfseffecten,
nalevingskosten en administratieve lasten
De voorgestelde
wijzigingen hebben geen gevolgen voor het bedrijfsleven, zoals bedoeld in de
bedrijfseffectentoets.
Artikelsgewijs
Artikelen I, onderdeel
A,
II, onderdeel W,
III, onderdeel
V, en
XV, onderdeel A
Met ingang van 1 januari
2007 is de Wet van 30 november 2006 houdende regels inzake de
financiering bij uitvoering van socialezekerheidswetten door intergemeentelijke
samenwerkingsverbanden en inzake voorschotverstrekking op grond van de Wet werk
en bijstand (Stb. 2006, 712) in werking getreden.
Met betrekking tot de
financiering van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden is hiermee geregeld dat
de budgetten voor de uitvoering van socialezekerheidswetten,
ook in de situatie waarin sprake is van uitvoering door een openbaar lichaam
op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr), worden
verstrekt aan de individuele gemeenten. Met deze nieuwe wijze van
financiering wordt de betrokkenheid van de individuele gemeenten bij
de uitvoering van de Wet werk en bijstand (Wwb) beter gewaarborgd.
Door een omissie is in bovenstaand voorstel geen rekening gehouden
met de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik). Ook bij de uitvoering van de
Wwik, die door de centrumgemeenten als bedoeld in
artikel 16
van het Uitvoeringsbesluit
Wwik
rblz.|2|
geschiedt, kan er sprake
zijn van uitvoering door een openbaar lichaam. De voorgestelde wijziging
van de Wwik voorziet erin voor de Wwik aan te sluiten bij
bovengenoemde regels van de Wwb. In de uitvoering is gebleken dat
centrumgemeenten, die op grond van artikel 23 van de Wwik
zelf al in de regio
meerdere gemeenten vertegenwoordigen, ook nog eens in een
samenwerkingsverband kunnen samenwerken. Na deze wetswijziging kunnen
centrumgemeenten wel samenwerken in een samenwerkingsverband,
maar blijven zelf wel financieel verantwoordelijk voor de uitvoering en
ontvangen om deze reden ook afzonderlijk een budget. Het budget voor
de uitvoering van de Wwik gaat zodoende naar de afzonderlijke
centrumgemeenten en niet langer naar het samenwerkingsverband.
Uit het bovenstaande
vloeit voort dat het ook de individuele gemeenten zijn die de
verantwoording over de uitvoering van de Wwb, de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
(Bbz
2004) en Wwik
dienen af te leggen aan de Minister van SZW.
Hetzelfde geldt voor de informatievoorziening. De wijzigingen van artikel 8b van de Wwb, de artikelen
40 van de Ioaw en de
Ioaz en artikel 23
van de Wwik
voorzien daarin.
Uitgangspunt bij de
verantwoording over SZW-uitkeringen is dat de medeoverheid die de
uitkering van de Minister van SZW heeft ontvangen, zich ook over de
rechtmatige uitvoering ervan verantwoordt, ook als er sprake is van een
samenwerkingsverband op grond van de Wgr.
Artikelen I, onderdeel
C,
II, onderdeel DD,
III, onderdeel
CC,
XV, onderdeel
C, en
XVI
In de Wwik, de
Ioaw, de Ioaz, de Wwb
en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) staat een aantal verplichtingen waaraan belanghebbenden
moeten voldoen. Ook is
een aantal bepalingen in de Wwik, de Ioaw, de Ioaz en de Wwb opgenomen
die het college van burgemeester en wethouders de
mogelijkheid geven om te controleren of belanghebbenden aan deze verplichtingen
voldoen. Dit betreft onder andere het artikel met de
inlichtingenverplichting in de onderscheiden wetten.
Deze
controlemogelijkheden houden impliciet in dat de bevoegdheid bestaat tot het betreden
van plaatsen (met uitzondering van een woning zonder toestemming van de
bewoner). Echter, om onduidelijkheid hierover te voorkomen, wordt in de
onderscheiden wetten een artikel voorgesteld waarin het college de
mogelijkheid krijgt om toezichthouders bij besluit aan te wijzen.
Hierdoor worden aan deze toezichthouders de bevoegdheden toegekend
die in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
staan.
Op bekendmaking van het
besluit waarin toezichthouders worden aangewezen is artikel 3:42 van de
Awb van toepassing. Dat houdt in dat de bekendmaking onder andere
kan geschieden door middel van plaatsing in een huis-aan-huisblad.
Artikelen I, onderdeel
B,
en XV, onderdeel B
Dit betreffen
redactionele aanpassingen. Aangezien in één paragraaf twee verschillende soorten
toezicht worden geregeld (zie de wijzigingen in de artikelen I, onderdeel
C,
en XV, onderdeel C), is ter verduidelijking in het opschrift van de
artikelen beschreven om welk toezicht het gaat.
rblz.|3|
Artikel II, onderdeel B
De hier voorgestelde
wijziging heeft tot gevolg dat voor het verkrijgen van een Ioaw-recht moet zijn
voldaan aan zowel de wekeneis (artikel 17 van de
Werkloosheidswet (WW))
als de jareneis (artikel 42, tweede lid, van de
WW). Met de Wet wijziging
WW-stelsel is abusievelijk geregeld dat oudere werknemers die op of na 1
oktober 2006 werkloos worden al een Ioaw-recht kunnen krijgen als zij
alleen voldoen aan de wekeneis. Met de onderhavige wijziging wordt dat
gecorrigeerd. Door als eis op te nemen dat een recht op WW-uitkering
moet zijn verkregen met een duur van meer dan drie maanden is
gegarandeerd dat is voldaan aan de jareneis. Op grond van artikel 42 van de
WW
bedraagt de uitkering in principe drie maanden en wordt deze
uitkeringsduur alleen verlengd als is voldaan aan de jareneis. Op grond van
artikel 42b van de WW kan de uitkeringsduur ook worden verlengd wanneer
niet wordt voldaan aan de jareneis, maar dat bij een eerdere uitkering
wel het geval was en de uitkeringsduur toen niet is volgemaakt. Omdat bij
de eerdere uitkering wel was voldaan aan de jareneis, is ook indien de
verlenging op grond artikel 42b van de
WW tot stand kwam recht op een Ioaw-uitkering. In de WW is ook overgangsrecht opgenomen voor de
situatie waarin het eerdere recht vóór 1 oktober 2006 is ontstaan. Ook in
dat geval is verlenging alleen mogelijk wanneer ten aanzien van de
eerdere uitkering is voldaan aan de jareneis.
Een overeenkomstige
wijziging van artikel 2 van de Ioaw
is opgenomen in het wetsvoorstel inkomensvoorziening oudere werklozen (Kamerstukken
II 2006-2007, 30 819).
Zoals uiteengezet in de brief van 21 mei 2007 (Kamerstukken II 2006-2007,
30 819, nr. 6) zal in het kader van dat wetsvoorstel een nota van wijziging
voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State en uiterlijk 1
januari 2008 worden gezonden naar de Tweede Kamer. Gelet op de aldus
optredende vertraging in de behandeling van dat wetsvoorstel en de wenselijkheid
artikel 2 van de Ioaw
zo spoedig
mogelijk aan te passen, is
de wijziging van dat artikel opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel
en zal het door middel van genoemde nota van wijziging komen te vervallen in het wetsvoorstel inkomensvoorziening
oudere werklozen.
Artikelen
II,
uitgezonderd onderdelen B, W en
DD, en
III, uitgezonderd
onderdelen V
en CC
In de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) wordt nog de term
"burgemeester en wethouders" gebruikt. Met onderhavige technische aanpassing wordt zowel in
de Ioaw als in de Ioaz overal "burgemeester en wethouders" vervangen
door "het college". Hierbij wordt aangesloten bij de
begripsbepalingen in de Wet werk en bijstand.
Artikel IV
In de wettelijke
regelingen waarnaar in de artikelen 30 en 34 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) wordt verwezen en waarvan de
uitvoering aan (onder andere) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) of de Sociale verzekeringsbank (SVB) is opgedragen (bijvoorbeeld
de WW, Ziektewet, Algemene
Kinderbijslagwet), zijn verplichtingen
opgenomen waaraan belanghebbenden ten opzichte van UWV of SVB moeten
voldoen.
De Wet
SUWI bevat
daarnaast bepalingen die UWV en SVB de mogelijkheid bieden om te controleren
of belanghebbenden aan deze verplichtingen voldoen. Voorbeelden
hiervan zijn de medewerkings- en rblz.|4|
inlichtingenplicht (artikel
54) en de bepaling tot vaststelling van de identiteit van personen (artikel
55).
Deze bepalingen houden
impliciet het recht tot het betreden van plaatsen in (met uitzondering van
woningen zonder toestemming van de eigenaar). Echter, om
onduidelijkheid te voorkomen, wordt een artikel voorgesteld die deze bevoegdheid
expliciet vastlegt door de SVB en het UWV de mogelijkheid te bieden
bij besluit personen aan te wijzen die belast zijn met toezicht op de
naleving en daarmee toezichthouder zijn in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Hierdoor krijgen zij de bevoegdheden toegekend die in
afdeling
5.2 van de
Awb staan. Bij de aanwijzing van de toezichthouders
kunnen de uitvoeringsorganisaties de reikwijdte van die aanwijzing
aangeven en dus ook beperken. Wel moet uitdrukkelijk worden opgemerkt dat de
desbetreffende toezichthouders louter en alleen feitelijke (toezichts)handelingen verrichten.
Artikel V
Een werknemer heeft op
grond van artikel 6:1 van de Wet arbeid en zorg recht op
ouderschapsverlof. Deze verlofvorm kan samenlopen met zwangerschaps- en
bevallingsverlof waar vrouwelijke werknemers recht op hebben of met
adoptieverlof waar vrouwelijke en mannelijke werknemers recht op hebben. Dat
betekent dat de werknemer zijn/haar ouderschapsverlof moet kunnen onderbreken.
Daartoe zal deze een verzoek moeten doen aan de
werkgever. Wanneer het ouderschapsverlof wordt onderbroken, geeft
artikel 6:6 van de Wet arbeid en zorg aan dat het resterende deel van het
ouderschapsverlof vervalt. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
heeft in het kader van de raamovereenkomst inzake het
ouderschapsverlof die is opgenomen in de bijlage bij Richtlijn 96/34/EG
(PbEG L 145 van
19 juni 1996) in 2005 ¹ echter een arrest gewezen waarbij is vastgesteld dat het ouderschapsverlof niet kan worden
ingekort wanneer het
wordt onderbroken door een ander verlof met een ander doelstelling dan
het ouderschapsverlof, zoals het zwangerschapsverlof. Dit hangt samen met het
door het Hof al eerder ingenomen standpunt dat een door het
gemeenschapsrecht gewaarborgde verlofvorm niet kan afdoen aan het recht
om een ander door dit recht gewaarborgd verlof op te nemen.² Het uit 2005 stammende arrest noopt tot een aanpassing
van artikel 6:6 van de
Wet arbeid en zorg teneinde te voorkomen dat het onderbreken of niet
opnemen van het verlof in samenhang met een andere verlofvorm - zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof
- leidt
tot het vervallen van het
resterende deel van het verlof. In het verlengde daarvan moet in artikel
6:8 de afwijkingsmogelijkheid bij CAO worden aangepast.
1. HvJEG 14 april 2005, zaaknr. C-519/03, JAR 2005/102.
2. Zie HvJEG 18 maart
2004, zaaknr. C-342/01, Jurisprudentie 2004, p.
I-2605. Zie ook: HvJEG 6 april 2006, zaaknr. C-124/05, JAR 2006/102.
Artikel VI
Onderdeel A
Artikel 1:6 van de
Arbeidstijdenwet wordt gewijzigd om de begrippen die verband houden met de
medezeggenschap in overeenstemming te brengen met de onderwijs-
en defensiewetgeving.
Onderdeel B
In dit onderdeel wordt
vooruitgelopen op een wijziging van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 die op
dit moment in de Eerste Kamer ligt (Kamerstukken 30 674) [zie Wet
van 8 november 2007 tot wijziging van de Militaire ambtenarenwet 1931 en
intrekking van de Wet voor het reservepersoneel der Krijgsmacht in
verband met onder andere de invoering van een flexibel personeelssysteem
voor de krijgsmacht (Stb. 2007, 480), red.]. Onderdeel B zal,
indien dit wetsvoorstel eerder tot wet zal zijn verheven en in
werking treedt, in werking treden op het tijdstip waarop genoemd
wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
rblz.|5|
Onderdeel C
In onderdeel C vervalt de
verwijzing naar de Marinescheepsongevallenwet. Deze wet is inmiddels
vervallen op grond van artikel 91 van de Rijkswet
Onderzoeksraad voor veiligheid.
Onderdelen
D, E en F
Deze onderdelen betreffen
technische correcties in de Arbeidstijdenwet.
Onderdeel G
De in
onderdeel G
voorgestelde wijziging komt overeen met de wijziging in artikel IV, onderdeel E,
van de Wet van 30 november 2006, houdende wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet
1998 en enige andere wetten in verband met het
vergroten van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers
voor het arbeidsomstandighedenbeleid (Stb. 2006, 673). Met de
inwerkingtreding van de Wet van 30 november 2006 tot wijziging van de
Arbeidstijdenwet in verband met de vereenvoudiging van die wet (Stb.
2006, 632) is de
hiervoor aangegeven wijziging van artikel 10:1 echter weer tenietgegaan. De in
onderdeel G voorgestelde wijziging herstelt deze omissie. Het gaat om
een vervoersplicht van de werkgever ten behoeve van de
toezichthouder in de exclusieve economische zone. Het niet naleven van de
vervoerplicht wordt door vermelding van artikel 8:1, vijfde lid, in artikel
10:1 van de Arbeidstijdenwet
aangemerkt als een beboetbaar feit.
Artikel VIII
Bij
Wet van 2 november
2006 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met samenwonen
ten behoeve van zorg voor een hulpbehoevende (Stb. 2006, 558)
is in hoofdstuk VIII van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een
paragraaf 3
ingevoegd, met een artikel 62 dat overgangsrecht bevat voor besluiten tot
herziening van het ouderdomspensioen in verband met samenwonen
ten behoeve van zorg voor een hulpbehoevende die zijn
genomen vóór inwerkingtreding van de Wet van 2 november 2006.
Abusievelijk is door middel van de Wet van 7 december 2006, houdende wijziging
van enkele socialeverzekeringswetten betreffende de definitieve vaststelling van de uitkeringspositie van uitkeringsgerechtigden
woonachtig in het
buitenland (Stb. 2006, 697) eveneens een paragraaf 3
ingevoegd, met een artikel 62. Dit artikel bevat overgangsrecht voor AOW-ers die woonachtig zijn in het buitenland. Door middel van de
onderhavige wijziging
wordt dit hersteld. Artikel 62, zoals dat is komen te luiden door middel van de
Wet van 2 november 2006 wordt in dit kader vernummerd tot artikel
63.
Artikel IX
Door de huidige
formulering van artikel 8 van de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) kan er twijfel bestaan over de van toepassing zijnde CAO.
Dat geeft onduidelijkheid in die situatie waarin er geen algemeen
verbindend verklaarde bepalingen van een CAO van de inlener van toepassing
zijn en er wel een CAO geldt voor de vanuit het buitenland in Nederland
tewerkgestelde werknemer. Door de voorgestelde wijziging van dit artikel
wordt verduidelijkt dat het in die situatie gaat om een CAO naar
Nederlands recht door de verwijzing naar artikel 1 van de Wet
op de collectieve arbeidsovereenkomst. Deze formulering is overeenkomstig de
bedoeling van dit artikel en is een verdere stap in de richting ter voorkoming
van ontduiking van CAO’s door de keuze van een uitleenconstructie via
een in het buitenland gevestigd uitzendbedrijf.
rblz.|6|
Artikel X
Onderdelen A en
B
In artikel
18e, vierde
lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is aangegeven dat een
beschikking op grond van die
wet wordt genomen namens de Minister van SZW. In dit artikellid wordt echter verwezen naar "de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid". Deze ambtenaar is dezelfde ambtenaar die
ook de last onder dwangsom waarvan in artikel 18n, eerste lid, sprake
is, kan opleggen. Deze constructie roept in de praktijk de vraag op of de last
onder dwangsom ook namens de Minister van SZW wordt genomen. De voorgestelde wijziging in
artikel X beoogt deze
mogelijke onduidelijkheid
op te heffen door in een nieuw artikel 18q aan te geven dat de
beschikking met betrekking tot de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom
namens de Minister van SZW worden genomen.
Artikel XI
Onderdeel A
In dit onderdeel wordt in
artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen de verwijzing naar artikel
71 van de Vreemdelingenwet
2000 aangepast en een taalkundige verbetering
aangebracht.
Onderdeel B
In artikel 24 is een
overgangsregeling opgenomen die nog betrekking heeft op de Wet arbeid
buitenlandse werknemers. Deze overgangsregeling heeft een tijdsduur van
drie jaar. De Wet
arbeid vreemdelingen is inmiddels al meer dan
tien jaar geleden in werking getreden, zodat artikel 24 kan vervallen.
Artikel XII
Onderdeel A
Uit de definitie van
vrijwilliger zou kunnen worden afgeleid dat een aantal categorieën van arbeid
ook onder de reikwijdte van de definitie zou vallen, hetgeen uitdrukkelijk
niet de bedoeling is. Gewezen wordt op personen die arbeid verrichten in
het kader van de tenuitvoerlegging van een alternatieve straf. Het misverstand
zou kunnen ontstaan omdat ook bij deze arbeid geen sprake is van
beroepsmatige arbeid. Deze personen verrichten arbeid, niet
bij wijze van professionele arbeid om een inkomen te verwerven, maar bij
wijze van straf. Ook op dergelijke arbeid dient de arbeidsbescherming van de
Arbeidsomstandighedenwet
onverkort van toepassing te blijven.
Ook ten aanzien van
bijvoorbeeld personen die arbeid verrichten op basis van een zogenoemde
proefplaatsing in het kader van verschillende socialeverzekeringswetten,
leerlingen en stagiair(e)s die arbeid verrichten in het bedrijfsleven in
het kader van een beroepsopleiding en personen die arbeid verrichten in
gevangenissen of een justitiële inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden kunnen twijfels ontstaan omtrent het beroepsmatige
karakter van de verrichte arbeid. Dit geldt ook voor personen die arbeid
verrichten in het kader van de tenuitvoerlegging van een alternatieve
straf.
Om hierover geen
misverstand te laten ontstaan, is in de definitie van vrijwilliger in artikel
1, derde lid, onderdeel l, een aantal uitzonderingen opgenomen voor de
desbetreffende arbeid. De personen die de desbetreffende arbeid verrichten, vallen
niet onder de definitie van het begrip rblz.|7|
vrijwilliger, maar vallen
onder het begrip werknemer en daarmee onder de werkingssfeer van de
Arbeidsomstandighedenwet.
Met betrekking tot de
uitzondering die is opgenomen in onderdeel l, onder b, wordt opgemerkt dat
het hierbij gaat om arbeid die wordt verricht in het kader van de
tenuitvoerlegging van een taakstraf als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht, maar ook arbeid die wordt verricht als voorwaarde ter voorkoming van
strafvervolging of ter voorkoming dat een proces-verbaal naar het
OM wordt gezonden.
In het vijfde lid is
bepaald dat waar in
de
wet of in de hierop gebaseerde regelgeving de
aanduidingen "bedrijf" en "inrichting" worden gebruikt om een plaats aan te
duiden waar wordt gewerkt, deze mede een andere plaats omvatten waar
arbeid wordt verricht of pleegt te worden verricht. Deze begrippen moeten
derhalve ruim worden opgevat. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om een
bouwbedrijf, dan valt onder het begrip "bedrijf" niet alleen de
ruimtelijke afbakening van het permanente bedrijfsterrein van het bouwbedrijf, maar
ook de (tijdelijke) bouwplaats waar op een bepaald moment arbeid
wordt of pleegt te worden verricht. Voor bijvoorbeeld een onderhoudsbedrijf dat
reparaties verricht aan het machinepark in de fabriekshal van een
ander bedrijf is de directe omgeving van de te repareren machine(s) de
(tijdelijke) arbeidsplaats.
Een dergelijk bepaling
was reeds opgenomen in artikel 1, zesde lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet
zoals die luidde tot de
inwerkingtreding van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 (Wet van 18 maart 1999, houdende
bepalingen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden, Stb.
1999, 184). In laatstgenoemde wet is de desbetreffende
bepaling ten onrechte
niet meer opgenomen. Wel is in het Arbeidsomstandighedenbesluit
in artikel 1.1, zevende
lid, een vergelijkbare bepaling opgenomen. Om geen misverstanden te laten ontstaan over de strekking
van de desbetreffende
begrippen, ook bij de toepassing van de relevante bepalingen van de wet
zoals de artikelen 10 en 19, is in het voorgestelde vijfde lid wederom de
betreffende bepaling opgenomen. Het gaat hierbij derhalve om een
verduidelijking en niet om een inhoudelijke wijziging.
Onderdeel B
De reikwijdte van het
begrip "werkgever" in het eerste lid van artikel 4 wordt beperkt tot de
werkgever die werknemers in dienst heeft op basis van een
arbeidsovereenkomst of personen in dienst heeft op basis van een publiekrechtelijke
aanstelling. Dit sluit aan bij de reikwijdte van artikel 7:658a Burgerlijk
Wetboek (BW) en artikel 76e van de
ZW waarnaar in het eerste lid wordt
verwezen. De definitie van werkgever in de Arbeidsomstandighedenwet
is aanmerkelijk ruimer.
Zo valt bijvoorbeeld ook een inlener van ter
beschikking gestelde arbeidskrachten onder het begrip werkgever. Op de
inlenende werkgever rust echter niet de verplichting, bedoeld in het eerste lid,
om de arbeidsplaats aan te passen.
Het tweede lid is
redactioneel verbeterd en is een foutieve verwijzing naar de ZW gecorrigeerd. De
formulering is afgestemd op de redactie van artikel 7:658a, zesde
lid, BW
en artikel
76e, zesde lid, ZW. In het tweede lid wordt de verplichting om
de arbeidsplaats aan te passen aan de zieke werknemer van
overeenkomstige toepassing verklaard op de eigenrisicodrager voor het betalen van
ziekengeld. Een dergelijke eigenrisicodrager draagt het risico tot
betaling van ziekengeld aan personen die niet meer bij hem in dienst zijn of
niet bij hem in dienst zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. In
het laatste geval gaat het veelal om de formele werkgever, de uitlener,
van ter beschikking gestelde arbeidskrachten (uitzendkrachten) die
ziek zijn geworden. Op het uitzendbureau berust door de bepaling in het
tweede lid in het kader van de re-integratie van deze arbeidskrachten de
plicht te bevorderen dat de arbeidsplaats bij de inlener geschikt is voor
werkhervatting.
rblz.|8|
Onderdelen C en
G
In de artikelen 12 en 33
zijn enkele redactionele verbeteringen aangebracht en worden enkele omissies
hersteld.
Onderdeel D
In artikel 2.7, derde
lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit
is per 1 januari 2007 bepaald
dat een registratie als bedrijfsarts wordt aangemerkt als een certificaat van
vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit
Stb. 2006, 674; inwerkingtreding Stb. 2006,
675). Een
registratie vindt plaats indien op grond van het Besluit
Bedrijfsgeneeskunde van 26 maart 2004 van het College voor Sociale Geneeskunde
(Stcrt. 2004, 223) met succes een opleiding is afgesloten die voldoet aan de
opleidingseisen voor het sociaal-geneeskundig specialisme arbeid en
gezondheidsbedrijfsgeneeskunde. Het Besluit Bedrijfsgeneeskunde is
goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij
Besluit van 29 oktober 2004 (Stcrt. 2004, 223). Per 1 januari 2007 is het
niet meer nodig dat een afzonderlijk certificaat wordt verstrekt door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of een door hem aangewezen
certificerende instelling; een registratie als bedrijfsarts is
voldoende.
De aanhef van artikel 14
van de
wet is zodanig gewijzigd dat voor de vakbekwaamheid van een bedrijfsarts niet een certificaat van vakbekwaamheid is vereist, maar een
inschrijving in het betreffende specialistenregister. Hierbij gaat het om het
register met betrekking tot de bedrijfsarts. De bedrijfsarts is
opgeleid op het deelgebied arbeid en gezondheidsbedrijfsgeneeskunde. Volstaan kan worden met
een verwijzing naar dit register; de verdere
normering voor de inschrijving, zoals hiervoor is aangegeven, volgt uit
regelgeving van het College van Sociale Geneeskunde die door de Minister van
VWS is goedgekeurd. Hiermee wordt de strekking van artikel
2.7, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit
overgebracht naar de wet.
Het register van wettelijk erkende sociaal-geneeskundigen wordt
bijgehouden door de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der
Geneeskunst. Een dergelijke registratie geldt voor een periode van vijf jaar. Om
in aanmerking te komen voor een verlenging van de registratie voor weer
vijf jaar, dient betrokkene bewijzen te overleggen dat vakkennis en
vaardigheden zijn onderhouden overeenkomstig de door het College voor Sociale
Geneeskunde gestelde eisen.
Verder zijn in het tiende
en elfde lid van dit artikel enkele redactionele verbeteringen aangebracht
en zijn enkele omissies hersteld.
Onderdeel E
Per 1 januari 2007 is aan
artikel 20, vijfde lid, onderdeel c, de mogelijkheid van schorsing van een
certificaat toegevoegd. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de gronden waarop een certificaat kan worden
geschorst. Verzuimd is om het tweede lid hiermee in overeenstemming te
brengen. Deze omissie wordt hierbij hersteld.
Onderdeel F
In artikel 28 is geregeld
dat een mondeling bevel tot stillegging van werk schriftelijk moet worden
bevestigd aan de werkgever of aan de andere personen, bedoeld in
artikel 16, zevende lid. Een (mondeling) bevel kan echter ook betrekking
hebben op plaatsen of werkzaamheden waarvoor de personen, bedoeld in
artikel, 16, achtste en negende lid, verantwoordelijk zijn. In dat geval moet
een mondeling bevel uiteraard aan deze personen schriftelijk
kunnen worden bevestigd.
rblz.|9|
Artikel XIII
Onderdeel A
In artikel
III, onderdeel aa, van de Wet van 13 april 2006 tot intrekking en wijziging van diverse
wetten en een besluit op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Stb. 2006, 223, is de Wet
medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen ingetrokken. Van
deze wet
wordt echter nog wel melding gemaakt in artikel 1, onder 2º, van
de Wet op
de economische delicten. Voorgesteld wordt om deze vermelding
te verwijderen.
Onderdeel B
Dit onderdeel bevat een
herstel van een foutieve verwijzing.
Artikel XIV
Met ingang van 1 januari
2000 is artikel 26 van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: Besluit uitbreiding) gewijzigd,
in de praktijk wordt dit besluit ook wel aangeduid als "KB 746". Hiermee
is de verzekeringsplicht vervallen voor personen die buiten Nederland
wonen en een langlopende Nederlandse uitkering ontvangen. Met het
vervallen van de verzekeringsplicht werd toepassing gegeven aan het standpunt
van het kabinet dat de zorgplicht van de Nederlandse overheid zich
in beginsel niet tot over onze landsgrenzen uitstrekt.
Op dit uitgangspunt is
voor bepaalde categorieën in het buitenland [in het buitenland wonende,
red.] uitkeringsgerechtigden destijds een
overgangsmaatregel gecreëerd. Zo is ten aanzien van de
kinderbijslag geregeld dat degenen die vóór 1 januari 2000 recht hadden op
kinderbijslag verzekerd blijven voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
tot aan de datum waarop het jongste kind voor wie de verzekerde
kinderbijslag ontvangt de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Deze
overgangsmaatregel is neergelegd in artikel 27 van het
Besluit uitbreiding. Het
recht op kinderbijslag eindigt wel als op grond van het Besluit uitbreiding
geen recht meer zou bestaan omdat buiten Nederland arbeid wordt verricht of
een buitenlandse uitkering wordt ontvangen. De buitenlandse uitkering
moet dan wel ten minste 35% van het wettelijk minimumloon bedragen.
Daarnaast eindigt het recht op kinderbijslag indien niet meer wordt
voldaan aan de voorwaarden voor het recht op uitkering in de AKW.
Naar aanleiding van de
uitspraak van 7 juli 2005 van het Hof van Justitie EG ¹ heeft de regering
besloten artikel 27 van het Besluit
uitbreiding in dat besluit te laten
vervallen onder gelijktijdige opname van een inhoudelijk gelijkluidende bepaling
in het nieuwe artikel 7c van de AKW. Voor een inhoudelijke
uiteenzetting wordt hier verwezen naar de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel houdende wijziging van enige socialeverzekeringswetten in verband met de
beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden
(Kamerstukken
II 30 223, nr. 3, blz. 6). Dit artikel 7c is per 1 januari 2006 in werking
getreden.² Met de
invoering van artikel 7c AKW is geen materiële wijziging beoogd ten aanzien van
artikel 27 van het Besluit
uitbreiding. Nu is gebleken dat de huidige
redactie van artikel 7c AKW tot onduidelijkheid in de uitvoeringspraktijk
van de Sociale verzekeringsbank (SVB) leidt.
Daarom wordt - ter
verduidelijking van de wettekst - een voorstel gedaan tot aanpassing van
artikel 7c AKW. Als gevolg van deze technische wijziging is het noodzakelijk
gebleken het gehele artikel 7c opnieuw vast te stellen. Tevens wordt voorgesteld
artikel 11 AKW te
wijzigen.
1. C-227/03, RSV 2005/260.
2. Wet van 22 december
2005, Stb. 2005, 718.
rblz.|10| Artikel
7c wordt op twee
elementen aangepast. Ten eerste wordt in het nieuwe artikel
7c AKW
expliciet de datum 31 december 1999 opgenomen. Hiermee wordt beter
aangesloten bij de te beschermen doelgroep van het toenmalige artikel 27 van
het Besluit uitbreiding. Dit is geheel in overeenstemming met het doel van de
Wet
van 22 december 2005, Stb. 2005, 718. Ten tweede wordt de
voorwaarde voor het overgangsrecht dat de langlopende uitkering ten minste
gelijk is aan 35% van het minimumloon expliciet in artikel
7c AKW opgenomen.
Daartoe wordt verwezen naar artikel 26 van het
Besluit uitbreiding
zoals dat op 31 december 1999 luidde. Deze voorwaarde zorgt ervoor dat
betrokkene op grond van artikel 7c recht op
kinderbijslag houdt
zolang hij een uitkering van de aangegeven omvang blijft behouden. Ook
onder het regime van de oude overgangsbepaling (artikel 27 van het
Besluit uitbreiding) toetste de SVB elk jaar of betrokkene nog een uitkering van de
beoogde omvang had. Aangezien de tekst van artikel
7c tot een
andere conclusie aanleiding kan geven, wordt dit gebrek hierbij hersteld.
Aanpassing van
artikel 11
AKW bewerkstelligt dat de peildatumsystematiek ook op artikel
7c AKW van
toepassing zal zijn. In het huidige artikel 11, eerste lid, is
neergelegd dat men recht heeft op kinderbijslag
indien men op de eerste dag van
het kalenderkwartaal verzekerd is. Aangezien de personen die op grond
van het overgangsrecht recht hebben op kinderbijslag niet meer verzekerd zijn,
zou de kwartaalsystematiek niet op deze groep personen van
toepassing zijn. Dit is niet wenselijk en wordt met verwijzing naar de
voorwaarden van artikel 7c AKW voorkomen.
Artikel XVII
Indien een werkgever zijn
re-integratie-inspanningen onvoldoende heeft verricht, verlengt het
UWV de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Dit is de zogenoemde
loonsanctie. In deze verlengde periode van loondoorbetaling heeft de
werkgever de gelegenheid zijn tekortkomingen te herstellen. Zodra de
werkgever van mening is dat hij zijn tekortkomingen heeft hersteld, meldt hij
dit aan het UWV (artikel 25, twaalfde lid). Het UWV moet dan binnen
drie weken na ontvangst van deze melding een beschikking afgeven over
de vraag of de werkgever aan zijn verplichtingen heeft voldaan (artikel
25, dertiende lid).
Indien de werkgever niet
aan zijn verplichtingen heeft voldaan, loopt de loonsanctie door. Indien
de werkgever wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan, is er aanleiding
om de sanctietoepassing te beëindigen. De sanctietoepassing wordt
dan niet onmiddellijk beëindigd. Er geldt namelijk een uitlooptermijn van
zes weken. Dat is de tijd die nodig is om op basis van de meest
actuele gegevens de uitkeringsaanvraag te beoordelen.
Indien het
UWV later
beslist op de melding van de werkgever dan binnen de voorgeschreven
termijn, wordt het aantal weken dat later is beslist in mindering gebracht op de
uitlooptermijn van zes weken. Daardoor wordt de werkgever niet de dupe
van de te late beslissing van het UWV.
Dit is geregeld in
artikel 25, veertiende lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen. Een
dergelijke compensatie van de werkgever is echter niet duidelijk
geregeld voor de situatie dat het
UWV te laat de beschikking afgeeft
waarin wordt vastgesteld dat de werkgever niet aan zijn verplichtingen heeft
voldaan en de loonsanctie derhalve wordt gecontinueerd. Want ook in dat geval
ondervindt de werkgever nadelige gevolgen van de te late
beslissing. Immers, ten gevolge van de aan het UWV te wijten vertraging
kan de werkgever zijn re-integratie pas te laat bijsturen. Gevolg daarvan
is dat hij pas later een tweede reparatiemelding rblz.|11|
kan doen, waardoor de
loonsanctie uiteindelijk ook pas later zal kunnen eindigen. Met de
onderhavige wijziging van het veertiende lid wordt dit hersteld. Indien alsnog
herstel van de tekortkoming plaatsvindt, wordt de door het UWV in eerdere
instantie veroorzaakte vertraging alsnog gecompenseerd. Indien meerdere
beschikkingen met betrekking tot een zelfde periode van
loondoorbetaling te laat worden afgegeven, wordt per overschrijding een korting op het
tijdvak vastgesteld.
Artikel XVIII
Onderdeel A
Bij de
Wet Invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is aan artikel 8 van de
Toeslagenwet (TW) een zesde lid toegevoegd. Dit zesde lid moest
voorkomen dat indien een persoon die recht heeft op een uitkering op
grond van de WW minder beschikbaar was voor arbeid dan het aantal
arbeidsuren dat hij had verloren, zijn verlies aan WW-uitkering deels werd
gecompenseerd door een verhoging van de toeslag. Door de
verwijzing naar artikel 47 van de WW in het huidige zesde lid van
artikel 8
van de TW is dit lid ook van toepassing ingeval een WW-uitkering gedeeltelijk
eindigt in verband met werkhervatting. Dat is niet de bedoeling.
Bovendien voorkomt dat zesde lid niet dat bij een gedeeltelijke eindiging
van het recht op WW-uitkering die eindiging (gedeeltelijk) wordt
gecompenseerd door een hogere toeslag.
Voorgesteld wordt daarom
een derde lid aan artikel 5 toe te voegen dat hetzelfde doel heeft als
het huidige zesde lid van artikel 8, maar waarin de reikwijdte beter
beschreven wordt en de tekst aansluit bij de wijze waarop het UWV dit artikel uitvoert.
Gekozen is voor
toevoeging aan artikel 5, omdat in het eerste en tweede lid van dit artikel ook
situaties worden genoemd waarbij geen compensatie dient plaats te vinden
door verhoging van de toeslag.
Onderdeel B
Doordat de inhoud van het
zesde lid van artikel 8 in gewijzigde vorm is opgenomen in het derde
lid van artikel 5 (zie de toelichting op onderdeel
A), kan dat zesde lid
vervallen.
Artikel XIX
Onderdelen A en
C
Artikel
27, achtste lid,
van de WW zoals het geldt op basis van artikel 44, onderdeel
B, van de
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(ISUWI)
is door wijzigingen in de WW vernummerd tot tiende
lid.¹ Hierdoor is
het onduidelijk hoe het gewijzigde artikel 27 zich verhoudt tot
artikel 43,
onderdeel L, van de ISUWI en is er onduidelijkheid over hoe
artikel 27 komt
te luiden als het koninklijk besluit, genoemd in artikel 44, onderdeel
B,
van de ISUWI, wordt vastgesteld. De onderhavige wijzigingen scheppen
duidelijkheid over hoe artikel 27 nu luidt en over hoe het komt te luiden op
een bij koninklijk besluit bepaald tijdstip.
1. Verzamelwet sociale
verzekeringen 2007 (Stb. 2006, 703), artikel
III, onderdeel Da.
Onderdeel B
Artikel
47, tweede lid,
van de WW wordt toegepast indien de hoogte van de uitkering in geval van
gedeeltelijke werkloosheid berekend moet worden. De strekking van
het artikel reikt echter verder dan de letterlijke tekst. Hierdoor vallen
niet alle situaties die er thuishoren, onder het bereik van het tweede lid.
Het gaat hierbij om
situaties waarin tijdens het recht op uitkering deze rblz.|12|
uitkering gedeeltelijk
eindigt. De gronden voor (gedeeltelijke) eindiging zijn beschreven in
artikel 20, eerste lid, van de WW. Het huidige
artikel 47 houdt alleen rekening met
gedeeltelijke eindiging van de WW-uitkering voor zover de werknemer
niet langer werkloos is als gevolg van wijziging van het
arbeidsurenverlies (artikel 20, eerste lid, onderdeel
b). Ook in de andere gevallen dat het
recht op WW-uitkering gedeeltelijk eindigt, moet echter toepassing van
artikel 47 plaatsvinden.
Voorgesteld wordt dan ook
om in artikel 47, tweede lid, te verwijzen naar het eerste lid van
artikel 20 waarin de gronden voor (gedeeltelijke) eindiging worden beschreven.
Het
UWV voert dit artikel
conform deze strekking uit en de wijziging heeft dus geen materiële
gevolgen.
Daarnaast zijn ook twee
redactionele aanpassingen aangebracht. Ten eerste wordt bij de wijze
van berekening van de hoogte in het tweede lid verduidelijkt om welke
dienstbetrekking het gaat. Dit om verwarring te voorkomen in geval van
samenloop van dienstbetrekkingen.
Ten tweede wordt niet
langer meer gesproken van het aantal uren werkloosheid per kalenderweek, maar
van het aantal uren recht op uitkering per kalenderweek. Het
recht op uitkering kan immers ook om andere redenen dan vermindering
van de omvang van de werkloosheid gedeeltelijk eindigen.
Artikelen XX en
XXI
Bij de Wet OM-afdoening
wordt de mogelijkheid geïntroduceerd dat de officier van justitie een
strafbeschikking kan opleggen. In verband hiermee komt artikel 74 van het
Wetboek van
Strafrecht te vervallen en wordt artikel 77f van het Wetboek
van Strafrecht zodanig gewijzigd dat het niet meer nodig is om hier
apart naar te verwijzen omdat in het kader van een strafbeschikking ook een
taakstraf kan worden opgelegd.
Artikel XXII
In verband met de
overgang van de verantwoordelijkheid van de beleidsterreinen emancipatiebeleid en
kinderopvangbeleid van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is aanpassing van de Kaderwet
SZW-subsidies en de Wet
overige OCenW-subsidies noodzakelijk. Eén en
ander loopt via verzamelwetgeving van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
In de
Kaderwet SZW-subsidies
wordt met dit wetsvoorstel de begripsomschrijving "Onze Minister"
aangepast om daarmee een grondslag te bieden voor subsidies
voor activiteiten die zijn genoemd in artikel 2 van de Kaderwet
SZW-subsidies en die passen in het beleid van een andere minister die op
één of
meer onderdelen is belast met de zorg voor dat beleid. Dit betreft thans
met name de Minister voor Jeugd en Gezin.
Artikel XXIV
Dit artikel kan vervallen
vanwege de wijzigingen opgenomen in artikel XIX, onderdeel A en
C,
van deze wet.
Artikel XXVII
[zie artikel
XXV, red.]
Dit artikel regelt dat de
artikelen van deze wet of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen
inwerking kunnen treden. Er is gekozen voor deze gedifferentieerde
inwerkingtreding aangezien er in dit wetsvoorstel een groot aantal
verschillende wetten en onderdelen daarvan worden gewijzigd. Daardoor
bestaat er een aanzienlijke kans dat in een later rblz.|13|
stadium van het
wetgevingstraject blijkt dat voor bepaalde onderdelen een ander tijdstip van
inwerkingtreding moet worden gekozen.
De minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
|