|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007, 30 909
Regels tot
bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een
uitkering op grond van de Ziektewet
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Positie
vangnetters |
| 3 |
Een
samenhangend activeringspakket |
| 4 |
De
wijzigingen |
| 5 |
Flankerende
maatregelen |
| 6 |
Financiële
gevolgen |
| 7 |
Commentaren |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m III |
Algemeen
1.
Inleiding
In de brief van
30 maart 2006 over de evaluatie van de Wet verbetering poortwachter (Wvp) heeft
de regering aangegeven voorstellen te zullen uitwerken die de
uitvoering ondersteunen bij een verdere activering van personen met een
uitkering op grond van de Ziektewet (Kamerstukken
II 2005-2006, 30 510, nr.
1). Aanleiding daarvoor was de bevinding van het evaluatieonderzoek dat
aparte aandacht nodig is voor de groep zieke werknemers die aanspraak
maakt op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW; de ZW fungeert voor
hen als vangnet, omdat zij doorgaans geen werkgever meer
hebben met een loondoorbetalingsplicht bij ziekte; deze personen worden
hierna vangnetters genoemd). In het bijzonder heeft de regering in
genoemde brief het parlement bericht het niet gewenst te achten dat de
huidige redactie van artikel 19 ZW, waarin het ziektebegrip is omschreven, de activering van vangnetters kan belemmeren
en op dit punt een
wetswijziging te zullen voorbereiden. Dit wetsvoorstel voorziet hierin.
In navolging van de
Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is voor de ZW
bezien
op welke wijze de activerende werking voor vangnetters kan worden
vergroot. Het wetsvoorstel bevat daarom, naast de genoemde wijziging,
nog een aantal wijzigingen dat voortvloeit uit de aanbevelingen die een
projectgroep in februari 2006 heeft gedaan om de activering van
vangnetters verder te versterken en de uitvoering hierbij te ondersteunen. Aan deze
projectgroep werd deelgenomen door vertegenwoordigers uit de praktijk (vertegenwoordigers van
UWV, ABU [Algemene Bond
Uitzendondernemingen, red.], FNV, een
aantal bedrijven, een
arbodienst en van het ministerie). In dit wetsvoorstel wordt bij de bevindingen
van de projectgroep aangesloten.
Het betreft, naast
verduidelijking van het ziektebegrip, de volgende wijzigingen:
• verduidelijking en
concretisering van de activeringsverplichtingen vangnetter en
re-integratie-inspanningen UWV;
• aanscherpen van de
meldingstermijnen bij ziekte;
• versterking van de
activering voor vangnetters met een werkgever.
rblz.|2|
Het
wetsvoorstel kan worden getypeerd als een ondersteuning van de
uitvoering bij de activering van vangnetters. Naast de wijzigingen die
voortvloeien uit dit wetsvoorstel is nog een aantal andere maatregelen
van belang. De belangrijkste heeft de regering in genoemde brief van 30
maart 2006 reeds aangegeven. De regering heeft in deze brief immers
gemeld in vervolg op de evaluatie van de Wvp te willen bezien of het
wenselijk is om te komen tot een beschrijving van de procesgang voor
vangnetters. Hierdoor moet duidelijker worden wat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de vangnetter voor
wat betreft de re-integratie wederzijds concreet van elkaar mogen
verwachten. Hierop wordt eveneens in deze memorie van toelichting
ingegaan.
In de memorie van toelichting zal hierna eerst worden ingegaan op de
bijzondere positie van vangnetters in het re-integratiebestel en wordt
geschetst welk samenhangend activeringspakket de regering voor ogen
heeft voor deze bijzondere groep. Vervolgens wordt ingegaan op de
wijzigingen die beoogd zijn met dit wetsvoorstel en het flankerend
beleid dat ingezet zal worden. Tot slot komen de financiële aspecten en
de uitgebrachte commentaren aan bod.
2.
Positie vangnetters
Voor de meeste
vangnetters geldt dat zij bij ziekte geen werkgever (meer) hebben en dus
ook geen aanspraak kunnen maken op loondoorbetaling door de werkgever.
Gewone werknemers hebben nog wel een werkgever die het loon dient door
te betalen en die al het mogelijke moet doen voor de re-integratie. Bij
vangnetters zonder werkgever is dit niet aan de orde. Kenmerkend voor
vangnetters is dat zij bij ziekte aanspraak kunnen maken op ziekengeld,
uitbetaald door het UWV op grond van de ZW. Het UWV is verantwoordelijk
voor verzuimbegeleiding en re-integratie. Het UWV ziet zich bij deze
groep geplaatst voor twee taken: naast het bevorderen van herstel is ook
een (nieuwe) baan nodig. Bij vangnetters zonder werkgever moet worden
gedacht aan zieke uitzendkrachten, zieke werklozen en werknemers van wie
het tijdelijke contract is afgelopen. Bij vangnetters zonder werkgever
zijn dus het UWV en de vangnetter verantwoordelijk voor verzuimbeheersing en
re-integratie.
Voor de goede orde zij erop gewezen dat er ook vangnetters zijn die bij
ziekte nog wel een werkgever hebben. Het betreft een minderheid van de
gevallen. Deze vangnetters met een werkgever komen in aanmerking voor
ziekengeld door het UWV, om risicoselectie door de werkgever te voorkomen.
Voor hen geldt dat het ziekengeld compensatie biedt voor de
loondoorbetaling waartoe de werkgever verplicht is. Het betreft
vrouwelijke werkneemsters die ten gevolge van zwangerschap of bevalling
ziek worden, orgaandonoren en heringetreden arbeidsgehandicapten die
opnieuw ziek worden (no-riskpolis).
3.
Een samenhangend activeringspakket
De afgelopen
periode is in beleid en uitvoering reeds veel gebeurd om de activering
van vangnetters te bevorderen. In de brief van 7 februari 2006 naar
aanleiding van het rapport van de Inspectie Werk en Inkomen
[IWI, red.] "Vangnet
of springplank" (Kamerstukken II 2005-2006, 28 719, nr. 33) heeft de
regering onder meer gewezen op het veranderprogramma Werk boven
Uitkering, de invoering bij het UWV van afzonderlijke eenheden voor
verzuimbegeleiding van vangnetters en het arboconvenant voor de
uitzendsector.
Dit neemt niet weg dat er behoefte is aan een aanvullend, samenhangend
activeringspakket voor zieke vangnetters in de eerste twee ziektejaren
om rblz.|3|
de uitvoering bij de activering van deze groep verder te
ondersteunen. Dit blijkt uit de bevindingen van de eerdergenoemde
projectgroep die bezien heeft welke verbetermogelijkheden er zijn bij de
activering van vangnetters. De bevindingen van de projectgroep worden
ook door andere bronnen ¹ ondersteund:
- Vangnetters veroorzaakten een belangrijk deel van de instroom in de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het langdurig verzuim
is hoog. De kans op werkhervatting na langdurige ziekte is voor
vangnetters veel geringer dan voor reguliere werknemers. Belangrijkste
oorzaak is dat er doorgaans geen werkgever meer is, waardoor vangnetters
aangewezen zijn op een nieuwe baan.
- Er zijn daardoor meer inspanningen van UWV, vangnetters en werkgevers
nodig om zieke vangnetters te laten re-integreren naar een nieuwe
werkgever.
- Het UWV heeft de inspanningen vergroot om zijn taak goed in te vullen,
maar ziet zelf ook nog verbeterkansen, met name om het langdurend
verzuim van bepaalde vangnetgroepen terug te dringen.
- De wetgeving bevat een aantal belemmeringen voor activering.
Aanpassing is ook wenselijk omdat de ZW
materieel alleen voor
vangnetters geldt, maar onvoldoende is meegeëvolueerd met de gewenste
activeringsaanpak voor hen.
1. Bijvoorbeeld het hierboven
genoemde IWI-rapport over vangnetters "Vangnet of springplank"
en TNO-enquêtes onder vangnetters ten behoeve van de evaluatie van de
Wet verbetering poortwachter.
Het activeringspakket dient voldoende samenhang te vertonen en robuust
en evenwichtig te zijn. Doel ervan is de activerende aanpak ten aanzien
van zieke vangnetters die nu nog afhankelijk zijn van een uitkering te
versterken en hen meer aan te spreken op wat men nog aan
arbeidsmogelijkheden heeft, zodat met name het langdurig verzuim
aanzienlijk wordt beperkt.
Het pakket moet daarom voldoen aan de volgende ijkpunten:
1. helderheid over de verantwoordelijkheidsverdeling van partijen;
2. transparantie over rechten en plichten bij re-integratie, het
re-integratie-instrumentarium en de resultaten van inspanningen;
3. wegnemen van onnodige belemmeringen en bieden van voldoende
handvatten voor activering in wet- en regelgeving;
4. daadwerkelijke toepassing van sancties bij het niet nakomen van verplichtingen.
4.
De wijzigingen
In deze
paragraaf worden de wijzigingen nader toegelicht. Vooraf zij, met
betrekking tot de wijzigingen van artikelen 19 en
30
ZW, het volgende
opgemerkt. Artikel 19 betreft het ziektebegrip,
artikel 30 de
zoekverplichtingen die aan het recht op uitkering worden verbonden.
Vanuit het perspectief van activering is met name verbetering van de
activerende werking van de artikelen 19 en 30
ZW
gewenst. In bepaalde
situaties werken deze artikelen nu onvoldoende activerend en kunnen zij
zelfs passiviteit van de vangnetter in de hand werken. De werking en
toepassing van deze artikelen is onvoldoende meegegroeid met
ontwikkelingen van het laatste decennium. Twee ontwikkelingen zijn
vooral van belang.
• De belangrijkste
ontwikkeling is dat de doelgroep van de ZW
sinds 1996 is veranderd. De
artikelen 19 en 30 ZW
hadden vanouds betrekking op het totale
werknemersbestand. Sinds de invoering van de Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte, in 1996, is de ZW echter materieel
alleen relevant voor vangnetwerknemers. In het algemeen hebben
vangnetters bij ziekte geen werkgever (meer), waardoor hervatting van de
oude arbeid veelal niet meer mogelijk is; het UWV
vervult voor hen de
werkgeversrol. Bovendien geldt voor veel vangnetters dat zij doorgaans
zijn aangewezen op flexibele en vaak wisselende arbeid. rblz.|4|
De
maatstaf "zijn arbeid" (artikel 19
ZW), waarbij gekeken
wordt naar de feitelijk laatst verrichte arbeid, houdt onvoldoende
rekening met wisseling in werkpatronen die zich zeker bij flex- en
uitzendkrachten vaak voor kunnen doen. De maatstaf "zijn arbeid"
is in bepaalde gevallen daarom te strikt. Ook in het IWI-rapport Vangnet
of springplank is hierop gewezen.
• Sinds de invoering van de Wvp, in 2002, wordt een actievere houding van werkgever en werknemer
verwacht wat betreft herstel en re-integratie. Van de vangnetter en het UWV
wordt eveneens een actieve opstelling verwacht. Daarbij wordt niet
zozeer gekeken naar wat men niet meer kan, maar vooral naar wat men nog
wel kan. Onderdeel van deze benadering is dat
meer van de vangnetter mag worden gevraagd naarmate de ziekte langer
duurt. Voor vangnetters is de reikwijdte van de gevraagde
re-integratie-inspanningen echter niet altijd duidelijk c.q. niet
geconcretiseerd, zoals wel het geval is in de Werkloosheidswet (WW)
(Richtlijn passende arbeid 1996). Bij vangnetters is dus thans niet steeds
helder wat de reikwijdte van het begrip passende arbeid is. Ook
ontbreekt een procesgang voor vangnetters, zoals dit wel bestaat bij
werknemers met een vast dienstverband (de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar) [zie ook Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever,
in werking getreden vóór de inwerkingtreding van onderhavig
wetsvoorstel, red.].
In dit wetsvoorstel worden tegen deze achtergrond de volgende
wijzigingen voorgesteld.
a. Wijziging redactie ziektebegrip
Deze wijziging behelst het verduidelijken van het ziektebegrip in
artikel 19 van de wet. Daardoor wordt voortaan bij vangnetters zonder
werkgever in evidente gevallen niet meer uitgegaan van een strikte
toepassing van "geschiktheid voor laatst verrichte arbeid",
maar wordt uitgegaan van een ruimer begrip. Kern van de wijziging is
dat, wanneer het dienstverband met de werkgever niet meer bestaat, het UWV
bij de beoordeling of iemand ziek is geen rekening meer houdt met de
geschiktheid om bijzondere aspecten van de laatstelijk verrichte
dienstbetrekking uit te oefenen. Een voorbeeld: een
beveiligingsmedewerker kan bij rugklachten nog wel zijn normale taken
vervullen, maar geen bijzondere werkzaamheden meer (zoals het
incidenteel tillen van een gehandicapte medewerker in een rolstoel).
Thans kan dit laatste nog leiden tot een ZW-uitkering, na deze wijziging
kan dit niet meer. Door deze wijziging wordt een al te gemakkelijk
beroep op de ZW voorkomen, in evidente gevallen waarin betrokkene nog
wel geschikt is de werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor
zijn functie uit te oefenen. Betrokkene kan in dat geval wel een beroep
doen op de WW, uiteraard onder de daarvoor geldende voorwaarden, en op
het reguliere re-integratie-instrumentarium van de WW.
De voorgestelde wijziging van de ZW
richt zich alleen op vangnetters
zonder werkgever. Bij hen is terugkeer naar het oude werk immers niet
meer mogelijk. Er is dan dus geen aanleiding om met bijzondere aspecten
van de laatste arbeid rekening te houden.
De wijziging is uiteraard alleen van belang
voor situaties waarin deze bijzondere aspecten aan de orde zijn,
hetgeen in een kleine minderheid van de gevallen het geval zal zijn.
Deze situaties worden in de wettekst en de artikelsgewijze toelichting
concreet benoemd. Vooropstaat dat voortaan onder ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het
verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever
gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Hierdoor worden
werkzaamheden die weliswaar onderdeel uitmaakten van de laatstverrichte
arbeid maar die daar gewoonlijk niet kenmerkend voor zijn buiten beschouwing gelaten. Voorts worden hierdoor de situatieve
omstandigheden, zoals de plaats waar het werk werd verricht, buiten rblz.|5|
beschouwing gelaten. Als de werkgever bijvoorbeeld is verhuisd en de
combinatie werk en reizen voor de werknemer te veel wordt, wordt in dit
geval dat element buiten beschouwing gelaten. Het gaat dus uitsluitend
om de geschiktheid om de werkzaamheden zelf te verrichten.
Door het voorstel is verder geen sprake van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wanneer de verzekerde
de arbeid maar zeer korte tijd, namelijk minder dan één week, heeft
verricht, maar gedurende zes maanden daaraan voorafgaand andere arbeid
heeft verricht en de arbeid die hij in die periode hoofdzakelijk heeft
verricht nog steeds kan verrichten.
Met nadruk zij opgemerkt dat de wijziging de inkomensbeschermende
functie van de ZW
onverlet laat. De wijziging is alleen relevant voor
situaties waarin een vangnetter zonder werkgever nu nog aanspraak kan
maken op ziekengeld, louter vanwege het feit dat hij niet meer geschikt
is de bijzondere aspecten van de laatste functie uit te oefenen (maar
wel de normale functie-eisen).
b. Verduidelijking zoekverplichtingen
vangnetter en re-integratie-inspanningen UWV
Op grond van de Wvp mag, zoals eerder opgemerkt, een actieve houding
worden verwacht van zowel de werkgever als de werknemer, en dus ook van
het UWV en de vangnetter.
Deze wijziging behelst het definiëren van het
begrip passende arbeid in artikel 30 van de ZW
en een voldoende
grondslag daarin creëren op grond waarvan het UWV periodiek beoordeelt
welke zoekactiviteiten van de vangnetter mogen worden verwacht. Hierbij
wordt de zoekverplichting gedurende de ziekteperiode van maximaal 104
weken gaandeweg uitgebreid. Hierbij wordt aangesloten bij het WW-regime
inzake passende arbeid: gaandeweg worden meer functies voor betrokkene
als passend aangemerkt. Het beoogde effect is dat tussen het UWV en de
vangnetter helder wordt, ook in de communicatie, wat men qua
re-integratieactiviteiten over en weer van elkaar mag verwachten.
Bij zieke vangnetters verricht het UWV thans overigens reeds de nodige
activiteiten. Zo dient het UWV bij dreigende langdurige
arbeidsongeschiktheid uiterlijk de zesde week van ziekte een
probleemanalyse op te stellen en vervolgens, in overleg met de zieke
vangnetter, uiterlijk in de achtste week een plan van aanpak, gericht op
het ondernemen van de nodige re-integratieactiviteiten.
Als sluitstuk op de ondernomen
re-integratie-inspanningen bevat het wetsvoorstel het voorstel dat het
UWV aan het einde van de wachttijd een re-integratieverslag opstelt. Tot
dusver hoeft het UWV bij vangnetters bij einde wachttijd geen
re-integratieverslag op te stellen. Bij gewone werknemers moet aan het
einde van de wachttijd wel een re-integratieverslag worden gemaakt.¹ Het
UWV kan dan beoordelen of er voldoende re-integratie-inspanningen zijn
verricht.
1. De werkgever moet
voorts bij tijdelijke werknemers bij wie het contract afloopt een
re-integratieverslag opstellen indien de ziekte vóór het einde
dienstverband meer dan zes weken heeft geduurd.
De wijziging komt neer op het schrappen van de wettelijke uitzondering,
waarbij geen re-integratieverslag voor vangnetters hoeft te worden
opgemaakt (artikel 26 Wet
WIA). Dit voorstel acht de regering
gerechtvaardigd gelet op de bijzondere positie van vangnetters. Uit het
eerdere genoemd onderzoek in het kader van de evaluatie Wet verbetering
poortwachter is naar voren gekomen dat deze groep meer aandacht
verdient. Ook wijzen gegevens van het UWV erop dat de instroom vanuit
deze groep in de WAO/Wet
WIA relatief hoog is. Het is daarom gewenst en
noodzakelijk om te bezien welke maatregelen kunnen bijdragen aan een
actievere houding van zowel de zieke werknemer zonder werkgever als het
UWV. Beoogd wordt een structurele gedragsverandering bij zieke
werknemers zonder rblz.|6|
werkgever en een
structurele kwaliteitsimpuls in activering bij het UWV te bereiken. De
voorgestelde maatregel beoogt daarvoor een impuls te geven. Met nadruk
zij opgemerkt dat de voorgestelde maatregel niet op voorhand als
structurele voorziening is bedoeld: na enige jaren wordt de maatregel
geëvalueerd zodat beoordeeld kan worden of continuering daarvan
wenselijk is.
Effect van de voorgestelde maatregel is dat het
UWV voortaan verplicht is om bij einde wachttijd voor alle vangnetters
een re-integratieverslag op te maken. Het UWV dient voortaan ook in
individuele gevallen transparant te maken welke
re-integratie-inspanningen zijn verricht. De maatregel in combinatie met
het toezicht hierop via de reguliere kanalen betekent een incentive voor
het UWV om tijdig in de eerste twee ziektejaren de noodzakelijke
re-integratie-inspanningen te ondernemen. Voorts is het
re-integratieverslag een instrument om meer zicht te krijgen op de
specifieke aandachtspunten bij re-integratie voor deze groep. Tot slot
vormt een re-integratieverslag een overdrachtsdocument bij de overgang
naar een WIA-uitkering en de daarbij te ondernemen
re-integratieactiviteiten. Het opstellen en beoordelen van het
re-integratieverslag zal na enkele jaren worden geëvalueerd op basis
waarvan ook beoordeeld kan worden of continuering wenselijk is. Zoals
opgemerkt, wordt immers beoogd een structurele gedragsverandering bij
zieke vangnetters en een structurele kwaliteitsimpuls in activering bij
het UWV. Na enige jaren zal daarom worden [worden bezien, red.] of deze gedragsverandering tot
stand is gekomen en welke gevolgen hieraan dienen te worden verbonden
voor het in stand houden van het opstellen en beoordelen van
re-integratieverslagen van zieke vangnetters.
c. Aanscherping meldingstermijnen
De praktijk geeft aan dat het gewenst is de meldingstermijnen bij ziekte
aan te scherpen, zodat zo snel mogelijk kan worden begonnen met de
verzuimbegeleiding. Dit heeft een positief effect op de activering.
In dit wetsvoorstel worden daartoe de volgende
maatregelen genomen:
1. Zieke vangnetters worden wettelijk verplicht zich uiterlijk de eerste
dag ziek te melden bij de werkgever (als men daar nog een relatie mee
heeft; dit omvat ook uitzendbedrijven) of het UWV
(als er geen relatie
meer met de werkgever is).
2. Werkgevers van zieke vangnetters worden wettelijk verplicht tot een
ziekmelding bij het UWV uiterlijk de tweede ziektedag in plaats van de
vierde dag.
d. Zoekverplichtingen voor zieke
vangnetters met een werkgever na het bevallingsverlof
Vrouwen die ziek zijn op grond van zwangerschap of bevalling hoeven
thans de volledige periode van ziekte (dus maximaal 104 weken) niet naar
passende arbeid te zoeken. Zij zijn op grond van de huidige wet hiervan
vrijgesteld.
Hier wordt voorgesteld om vrouwen die ziek zijn
op grond van zwangerschap of bevalling na afloop van het
bevallingsverlof voortaan wel wettelijk te verplichten te zoeken naar
ander passend werk. Beoogd wordt hiermee een activerende aanpak voor
deze vrouwen te bevorderen, zonder te tornen aan de belangen van moeder
en kind tijdens de periode van zwangerschap en het bevallingsverlof.
Voorts wordt hiermee een gelijkschakeling met andere zieke werknemers
bereikt.
De maatregel houdt concreet in dat deze
werkneemsters voortaan in de periode na het bevallingsverlof verplicht
zijn naar passend werk te zoeken en dit ook te aanvaarden.
rblz.|7|
5.
Flankerende maatregelen
Naast de
wijzigingen die in het wetsvoorstel worden voorgesteld bevat het
activeringspakket nog een aantal onderdelen van niet-wettelijke aard.
Het betreft:
1. Het opstellen van een kader voor de procesgang bij vangnetters. Doel
is duidelijkheid te bieden over de reikwijdte van de
re-integratieverantwoordelijkheden van het UWV
en de vangnetter. Een
dergelijke procesgang voor vangnetters maakt transparant welke stappen
bij een bepaalde ziekteduur concreet zijn aangewezen en biedt een
maatstaf voor concrete actie. Dit zal de komende periode worden
uitgewerkt in het verband van de stuurgroep verbetering poortwachter.
2. Een actievere voorlichting aan werkgevers die nog een vangnetter in
dienst hebben en voor wie zij de verantwoordelijkheid ten aanzien van de
re-integratie dragen, zowel door het ministerie als door het UWV. Dit
zal plaatsvinden na aanvaarding van het
wetsvoorstel.
3. Nader onderzoek te doen naar verzuim dat gerelateerd is aan
zwangerschap of bevalling. Uit cijfers van het UWV blijkt dat dit
verzuim een relatief groot aandeel heeft in de totale ZW-uitgaven; dit
wordt overigens veroorzaakt door een kleine groep vrouwen die vervolgens
lang verzuimt. Dit is aanleiding om te onderzoeken wat de oorzaken zijn
van dit langdurig verzuim en wat eraan gedaan kan worden om te voorkomen
dat vrouwen, met name na het bevallingsverlof, te lang buiten het
arbeidsproces blijven. Dit onderzoek staat overigens los van de
voorgestelde wijziging inzake de verplichting om na het
zwangerschapsverlof ook passende arbeid te zoeken en te aanvaarden. Het
gaat in het onderzoek meer om inzicht in de problematiek van langdurig
verzuim bij deze groep om indien mogelijk deze te voorkomen of in te
perken en de mogelijkheden daartoe van betrokkenen.
6.
Financiële gevolgen
De wijziging van
het ziektebegrip en de verduidelijking van zoekverplichtingen leiden tot
eenmalige implementatiekosten bij het UWV. Zo zullen instructies voor
medewerkers alsmede systemen aangepast dienen te worden, dienen
medewerkers geïnstrueerd te worden over de doorgevoerde wijzigingen en
dient voorlichtingsmateriaal ten behoeve van uitkeringsgerechtigden
opgesteld te worden. De eenmalige implementatiekosten bedragen in 2007 circa €|1,2
miljoen. De eerdere ziekmeldingen en het opstellen en beoordelen
van re-integratieverslagen door het UWV voor vangnetters die langdurig ziek
zijn, betekent daarnaast een structurele intensivering in de uitvoering.
De uitvoeringskosten stijgen hierdoor structureel met circa €|5,5
miljoen per jaar vanaf 2009. Bij de vaststelling van het structurele niveau van
de uitvoeringskosten is reeds rekening gehouden een positieve werking
van dit wetsvoorstel en daarmee een afname van het aantal op te stellen
en te beoordelen re-integratieverslagen. In de jaren 2007 en 2008
bedragen de extra structurele uitvoeringskosten nog maximaal €|0,5
miljoen, omdat in die jaren nog geen sprake is van de beoordeling van
re-integratieverslagen van zieke vangnetters. Het wetsvoorstel voorziet
immers in werking voor nieuwe ziektegevallen vanaf 1 juli 2007. Over de
verschillende jaren is het effect van implementatiekosten en structurele
uitvoeringskosten tezamen als volgt: 2007 €|1,7
miljoen; 2008 €|0,5 miljoen en vanaf 2009 structureel €|5,5
miljoen.
Vanwege de activeringsdoelstelling mag een gunstig effect op de
uitkeringslasten van de ZW
en de Wet WIA verwacht worden. Het effect op de
uitkeringslasten is vooraf nauwelijks te kwantificeren. In dit opzicht
is er, rblz.|8|
hoewel in omvang beperkter, een zekere parallel met de Wet
verbetering poortwachter. Evenals bij de Wvp
wordt verwacht dat het
gunstig effect op de uitkeringslasten de extra uitvoeringskosten ten
minste zullen compenseren. In de meerjarenramingen zullen de effecten
per saldo neutraal worden verwerkt als een investering in de uitvoering
en een gelijke besparing op de uitkeringen.
Van het wetsvoorstel worden geen effecten op de administratieve lasten
of andere bedrijfseffecten verwacht.
7.
Commentaren
Een concept van
het wetsvoorstel is aan het UWV gezonden met het verzoek dit
wetsvoorstel van uitvoeringstechnisch commentaar te voorzien. Ook is het
conceptwetsvoorstel gezonden aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) met
het verzoek de toezichtbaarheidsaspecten van dit wetsvoorstel te
beoordelen.
De ontvangen commentaren kunnen als volgt
worden samengevat.
UWV
Het UWV is van oordeel dat het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar
is. Daarnaast maakt het UWV een aantal wetstechnische opmerkingen en
enkele opmerkingen van inhoudelijke aard. Deze opmerkingen zijn verwerkt
in dit wetsvoorstel.
UWV doet het voorstel om het wetsvoorstel van
toepassing te verklaren op vangnetters die uiterlijk één jaar vóór de
datum van inwerkingtreding ziek zijn geworden. Deze suggestie is in het
wetsvoorstel niet overgenomen, omdat het ongewenst is dat voor lopende
ziektegevallen de verplichtingen gedurende de ziekteperiode wijzigen.
Derhalve zal het wetsvoorstel gelden voor nieuwe ziektegevallen.
IWI
De IWI heeft een aantal inhoudelijke en wetstechnische opmerkingen bij
het conceptwetsvoorstel gemaakt. Deze opmerkingen zijn verwerkt.
De suggestie van de IWI om nader te bezien of Wsw-arbeid
[Wsw: Wet sociale werkvoorziening, red.]
als passende arbeid dient te worden aangemerkt, is om
beleidsmatige redenen niet gevolgd, gelet op het bijzondere karakter van
Wsw-arbeid. Bovendien zou daarmee worden afgeweken van het staande
beleid en de regelgeving in de WW.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel A
In artikel 26, eerste lid, van de Wet
WIA is beschreven welke re-integratie-inspanningen door het UWV moeten worden verricht ten
aanzien van de zogenoemde vangnetters (verzekerden die op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, c of d,
van de ZW
recht hebben op ziekengeld). Op grond van artikel
26, eerste
lid, is artikel 25, tweede tot en met zestiende lid, niet van toepassing
in vangnetstituaties. Dat betekent dat het UWV geen re-integratieverslag
hoeft op te stellen. Voorgesteld wordt om artikel
26, eerste lid, te
wijzigen in die zin dat ook het UWV verplicht wordt een
re-integratieverslag op te stellen. Dit wordt tot stand gebracht door in
artikel 26, eerste lid, van de Wet WIA te bepalen dat
artikel 25, rblz.|9|
eerste, derde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing is. Er is
voor het UWV geen sanctie gesteld op het niet opstellen van een
re-integratieverslag of op het onvoldoende hebben verricht van
re-integratie-inspanningen. Wel kan hierop via de reguliere kanalen
toezicht worden gehouden. Op grond van de delegatiebepaling die reeds in
artikel 26, vierde lid, is opgenomen, kan bij ministeriële regeling
nader vormgegeven worden aan de uitvoering van de
re-integratieverplichtingen in het eerste en tweede ziektejaar [zie Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever,
in werking getreden vóór de inwerkingtreding van onderhavig
wetsvoorstel, red.].
Onderdeel B
De verplichting voor het UWV om een re-integrativerslag op te stellen, is
alleen van toepassing ten aanzien van personen die na de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel recht krijgen op ziekengeld. Ten
aanzien van personen die vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
al recht hadden op ziekengeld geldt deze verplichting niet.
Artikel
II. Wijziging van de Ziektewet
Onderdeel A
In het hier voorgestelde vijfde lid van artikel 19 van de
ZW
wordt
aangegeven wat onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wordt verstaan indien de verzekerde geen werkgever meer heeft als
bedoeld in artikel 9, 10 of
12 van die wet. In dat geval wordt onder
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan:
ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een
soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Er
wordt gemeten naar dezelfde arbeid in dienst van een soortgelijke
werkgever. Zo wordt er gekeken naar (bijvoorbeeld) magazijnwerkzaamheden
bij een willekeurige houthandel en niet naar magazijnwerkzaamheden bij
een willekeurige werkgever. Daardoor wordt er rekening gehouden met
belasting die in een houthandel gebruikelijk is en niet naar de
belasting die bij magazijnwerkzaamheden in het algemeen gebruikelijk is.
In het algemeen deel van de toelichting wordt verder ingegaan op het
voorgestelde artikel 19, vijfde lid.
Er is geen sprake van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wanneer de verzekerde de arbeid maar zeer korte tijd, namelijk minder
dan één week, heeft verricht en de ongeschiktheid geen betrekking zou
hebben gehad op daarvoor verrichte arbeid wanneer die arbeid gedurende
ten minste zes maanden is verricht. Wanneer de verzekerde in dat geval
de arbeid die deze in de zes maanden daaraan voorafgaand hoofdzakelijk
heeft verricht wel zou kunnen verrichten, heeft de verzekerde geen recht
op ziekengeld.
Onderdeel B
Op grond van artikel 629, derde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek respectievelijk artikel 76b, tweede lid, van de
ZW
bestaat er geen recht op loon dan wel bezoldiging indien de verzekerde
de daar genoemde verplichtingen niet nakomt. De werkgever kan dus het
loon inhouden. Echter het recht op ziekengeld blijft
thans wel bestaan. Dit laatste staat een effectieve werking van de
genoemde artikelen in de weg. Daarom wordt hier voorgesteld ook ten
aanzien van de verzekerden, bedoeld in artikelen
29, tweede lid,
onderdeel e, 29a en 29b, voor zover op die persoon
artikel 629, derde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel
artikel 76b, tweede lid, van de ZW
wordt toegepast, geen
ziekengeld uit te keren. Het gaat hierbij uitsluitend om de situatie
waarin de verzekerde nog wel een reguliere werkgever heeft.
rblz.|10|
Onderdeel C
In artikel 29a, zesde lid, van de ZW
is een bepaling opgenomen
die als strekking heeft dat een vrouwelijke verzekerde die ongeschikt is
tot het verrichten van haar arbeid en van wie de ongeschiktheid haar
oorzaak vindt in de bevalling of de zwangerschap, niet verplicht is
passende arbeid te trachten te verkrijgen en deze arbeid te verrichten.
In dit onderdeel wordt voorgesteld om hier een beperking in aan te
brengen door die verplichting wel te laten gelden voor de betreffende
vrouwelijke verzekerden na afloop van het zwangerschaps- en
bevallingsverlof. In de periode vóór afloop van het bevallingsverlof
blijft de vrouwelijke verzekerde vrijgesteld van de verplichting
passende arbeid te verkrijgen en te verrichten.
Onderdeel D
Middels dit onderdeel wordt de definitie van het begrip passende arbeid
uit de WW ook overgenomen in de ZW. Daarbij is conform de WW ook een
delegatiebepaling opgenomen.
Onderdeel E en
F
Voorgesteld wordt om de termijn waarbinnen een verzekerde zich ziek moet
melden bij zijn werkgever of bij het UWV wanneer deze geen werkgever
meer heeft, terug te brengen tot de één dag. Daarnaast moet de werkgever
zieke vangnetters binnen twee dagen ziek melden bij het UWV. Van de
gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 38a
te splitsen in twee
artikelen. Eén artikel betreft de zieke vangnetter met werkgever (artikel 38a
nieuw) en het andere artikel betreft de zieke
vangnetter zonder werkgever (artikel 38ab
nieuw). In het geval
dat het contract van een uitzendkracht eindigt bij ziekte is artikel 38a
van de ZW
van toepassing. Immers het contract eindigt pas nadat de
verzekerde bij zijn werkgever melding heeft gemaakt van de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid.
De werkgever die een zieke vangnetter in dienst heeft en deze vangnetter
door toepassing van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek geen recht heeft op loon dan wel op grond
van artikel 76b, tweede lid, onderdeel g, van de
ZW
geen
recht heeft op bezoldiging is verplicht dit te melden aan het UWV. Op
grond van het voorgestelde artikel 29, zesde lid, van de
ZW
heeft die
vangnetter immers geen recht op ziekengeld. In het zevende lid wordt
voorgesteld om de werkgever die de melding niet of niet behoorlijk doet
een boete van ten hoogste €|454,- op te leggen. De toevoeging van de
zinsnede "ten hoogste" geeft aan dat er voor de uitvoering
beleidsruimte bestaat om de hoogte van de boete af te stemmen op de
omstandigheden van het geval. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn, kan het UWV besluiten van het opleggen van een boete af te zien (artikel 45a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing).
Onderdelen G en
H
De artikelen 45, eerste lid, en 72, tweede lid, van de
ZW
worden
aangepast aan de splitsing van artikel 38a
in twee artikelen, te
weten artikel 38a en artikel 38ab.
Onderdeel I
De wijzigingen die op grond van dit wetsvoorstel in de ZW
worden
aangebracht, zijn alleen van toepassing op personen die na de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel recht krijgen op ziekengeld. Ten
aanzien van rblz.|11|
personen die vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
al recht hadden op ziekengeld blijven de oude bepalingen gelden.
Artikel
III. Inwerkingtreding
De inwerkingtreding van deze wet wordt geregeld bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip. De beoogde datum van inwerking is 1 juli 2007.
Omdat echter nog niet met zekerheid kan worden gesteld dat deze datum
ook zal worden gehaald, is de mogelijkheid opgenomen de inwerkingtreding
van de wet bij koninklijk besluit te regelen.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|