|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007, 30 970
Wijziging
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, de Wet werk en bijstand, de Werkloosheidswet
en enige andere wetten in verband met
eenmalige gegevensuitvraag aan burgers (Wet eenmalige
gegevensuitvraag werk en inkomen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Aanleiding |
| 1.2 |
De
burger centraal! |
| 1.3 |
Hoofdlijn
van het wetsvoorstel |
| 2 |
Eenmalige
gegevensuitvraag werk en inkomen |
| 2.1 |
De
overheid vraagt niet naar de bekende weg |
| 2.2 |
Reikwijdte
en groeipad van de eenmalige gegevensuitvraag |
| 2.3 |
Rechten
en plichten van klant en organisaties |
| 3 |
Elektronische
gegevensuitwisseling en privacy |
| 3.1 |
Ontwikkeling
van een Digitaal Klantdossier werk en inkomen |
| 3.2 |
Wettelijke
regeling |
| 4 |
Overige
elementen in het wetsvoorstel |
| 4.1 |
Inlichtingenbureau
gemeenten |
| 4.2 |
Gegevensverstrekking
door potentiële werkgevers |
| 5 |
Lasten,
handhaving en inwerkingtreding |
| 5.1 |
Lasten
voor de burger |
| 5.2 |
Lasten
voor de organisaties, financiële gevolgen |
| 5.3 |
Handhaving
en toezicht |
| 5.4 |
Inwerkingtreding |
| 6 |
Ingewonnen
adviezen en toetsen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XV |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. Aanleiding
In mei 2005
heeft de Expertcommissie informatievoorziening en elektronische dienstverlening
SUWI het rapport "De burger bediend!" opgeleverd.¹ Opdracht aan de
Expertcommissie was, mede op basis van buitenlandse praktijkvoorbeelden
en best-practices, aanbevelingen te doen voor verbetering en
versnelling van de informatievoorziening en elektronische dienstverlening in de
uitvoering van werk en inkomen. Naast een aantal
positieve bevindingen over de prestaties in de SUWI-sector, constateerde de
Expertcommissie ook een aantal duidelijke knelpunten in de keten van werk en
inkomen. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 13 mei 2005 ² gaf de Staatssecretaris daarop aan dat de dienstverlening aan de burger beter kan
én moet. Hij kondigde aan een wetsvoorstel te zullen indienen dat
een wettelijk verbod op dubbele gegevensuitvraag in de SUWI-keten zou
regelen. Ter ondersteuning hiervan zou tevens een digitaal
klantdossier worden ontwikkeld. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt
invulling aan deze toezegging gegeven.
1. De genoemde
Expertcommissie stond onder voorzitterschap van prof.
dr. ir. W.J. Keller; tevens maakten hiervan
deel uit dhr. mr. J.N. van Lunteren en dhr.
U. Groen.
2. Kamerstukken II 2004-2005, 26 448,
nr. 206; het rapport "De burger bediend!" is
als bijlage bij deze brief gevoegd, evenals de
rapporten "Intake en beoordeling bij de bijstand" en "Afgesproken?"
van de Inspectie Werk
en Inkomen.
1.2. De burger centraal!
Op 1 januari 2002 is met
de inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI) de keten van werk en inkomen formeel tot stand
gekomen. De Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en gemeenten geven binnen
de kaders van de Wet SUWI hun procesmatige samenwerking vorm, met
als centrale doelstelling om cliënten zo snel mogelijk naar de
arbeidsmarkt te leiden en waar nodig te voorzien van (tijdelijk) inkomen
door middel van een WW- of Wwb-uitkering.
De CWI heeft daarbij de taak om
de intake voor werk en inkomen te verrichten.
Eind 2004 heeft de
Staatssecretaris van SZW de hierboven genoemde Expertcommissie gevraagd
om hem te adviseren over verbetering en versnelling van de
elektronische dienstverlening en informatievoorziening in de keten van werk en
inkomen. De Expertcommissie constateerde na onderzoek dat er in de SUWI-sector de laatste jaren veel tot stand is gebracht. De
organisaties, zowel de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) als gemeenten,
stonden en
staan voor grote opgaven en hebben significante voortgang met de
implementatie van SUWI en met de ICT gerealiseerd. De ICT-architectuur is
volgens de Expertcommissie een stuk verder dan in menige andere sector in Nederland en doorstaat bovendien de
vergelijking met
buitenlandse situaties op een goede wijze, zoals de Kruispuntbank in België.
De Expertcommissie
constateerde ook dat er duidelijke knelpunten in de keten van werk en inkomen
zitten. De belangrijkste zijn:
• er is een omvangrijke
intake die gepaard gaat met veel papier, uitgebreide formulieren en vele
bewijsstukken;
• de burger moet
dezelfde gegevens vaak meermalen aanleveren, al of niet in een net iets andere vorm;
• er is geen ketenbrede
statusinformatie over de burger beschikbaar;
• de controle of
burgers meer uitkeringen tegelijkertijd ontvangen, wordt nu achteraf uitgevoerd.
De belangrijkste oorzaak
van het tekortschieten van de dienstverlening is volgens de Expertcommissie gelegen in het feit dat de dienstverleningsprocessen
onvoldoende uitgaan van
de burger als centrale factor, maar van de afzonderlijke
organisaties. De kern van de oplossing ligt volgens rblz.|3|
de Expertcommissie in een
dienstverleningsconcept dat de burger centraal stelt. Ter ondersteuning van een klantvriendelijk en efficiënte
informatievoorziening
adviseerde de Expertcommissie om een digitaal klantdossier voor de
keten werk en inkomen te realiseren. In de Evaluatie SUWI
wordt deze analyse
nogmaals onderschreven.¹
1. Aan de Tweede Kamer
verzonden op 28 augustus 2006. (Kamerstukken II 2005-2006, 26 448,
nr. 290).
In bovengenoemde brief
van 13 mei 2005 heeft de Staatssecretaris van SZW zijn oordeel naar aanleiding van het onderzoek van de Expertcommissie
kenbaar gemaakt. Als
leidend principe voor de dienstverlening aan burgers dient te
gelden dat elk gegeven dat in de keten van werk en inkomen aan de burger
wordt gevraagd, slechts eenmaal uitgevraagd mag worden. Het is aan de
partijen om hun lokale/regionale samenwerking zo in te richten dat hieraan voldaan wordt. Zij kunnen afspraken
maken over de onderlinge
taakverdeling bij de uitvraag en de volgtijdelijkheid als vanuit
burgerperspectief maar geborgd wordt dat gegevens slechts eenmaal aan de
klant worden gevraagd. Om dit mogelijk te maken, is in opdracht van
de Staatssecretaris van SZW door de ketenpartners inmiddels de ontwikkeling
van een organisatieoverstijgend digitaal klantdossier ter
hand genomen. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 23 mei 2006 is de
Staatssecretaris van SZW ingegaan op de opzet en ontwikkeling van het
digitaal klantdossier.¹ Zie hiervoor ook verder in deze memorie van toelichting.
1. Kamerstukken II 2005-2006, 26 448,
nr. 273.
1.3 Hoofdlijn van het
wetsvoorstel
Uit een oogpunt van
optimale dienstverlening aan de burger wordt via dit wetsvoorstel geregeld dat
elk gegeven dat de ketenpartners werk en inkomen nodig hebben voor
hun werk slechts eenmaal mag worden uitgevraagd.
Bij het concept van bij
wet in te stellen "basisregistraties" hoort dat afnemers belast met een
publieke
taak verplicht zijn van de gegevens uit die basisregistraties gebruik
te maken. In een basisregistratie worden gegevens die logisch bij elkaar
horen en die voor de hele overheid van belang zijn (bijvoorbeeld over
bedrijven, personen, etc.), beheerd. In dit wetsvoorstel wordt aan het afnemen van
gegevens uit basisregistraties al invulling gegeven voor de
uitvoering van socialezekerheidswetten. Voorts vult dit wetsvoorstel voor het
SUWI-domein aan op de uitgangspunten van basisregistraties op zodanige
wijze dat CWI, UWV, de
Sociale verzekeringsbank (SVB) en gemeenten
al
verplicht worden om gebruik te maken van administraties en/of gegevens die geen
onderdeel uitmaken van het overheidsbrede stelsel van
basisregistraties. Op den duur moet dit leiden tot een zogenaamde omgekeerde
intake: niet de klant is de primaire bron van informatie, maar de overheid zelf.
Bij dit concept van
basisregistraties behoort ook dat de burger in staat moet worden gesteld
inzicht te krijgen in de opgenomen gegevens die de basis vormen voor de
handelingen en beslissingen van de organisaties en dat hij de gelegenheid
moet krijgen onjuiste gegevens te corrigeren.
Daartoe zullen de reeds
bekende gegevens worden vooringevuld op de formulieren; de burger
heeft vervolgens de mogelijkheid die gegevens te verifiëren en te
corrigeren. Als sluitstuk hoeft de burger de gegevens die kunnen worden verkregen
uit een basisregistratie niet te verstrekken. Dit uitgangspunt is in dit
wetsvoorstel al ingevuld door op de inlichtingenverplichtingen van de
uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden enkele uitzonderingen op te
nemen.
Op deze manier wordt
waargemaakt dat "de overheid niet naar de bekende weg vraagt".
Het digitaal klantdossier
gaat alle relevante gegevens bevatten (zowel actuele als historische) van een klant binnen het
SUWI-domein. Het gaat hierbij zowel om
basisgegevens (inkomen- en werkgerelateerd) als om rblz.|4|
statusinformatie (plaats
van de klant in de keten, status van dienstverlening). Het digitaal klantdossier
wordt tevens benut om diensten van de ketenpartners op
elektronische wijze (via internet) aan te bieden. Door de omgekeerde, elektronische
intake kan een burger circa twee uur tijd besparen bij zijn
informatielevering. In dit wetsvoorstel krijgt het digitaal klantdossier
als specifieke invulling
van elektronische voorzieningen voor gegevensgebruik binnen
het SUWI-domein een nadere uitwerking.
Privacy is een belangrijk
aandachtspunt. In overeenstemming met het huidige wettelijke regime
wordt informatie over burgers alleen verstrekt c.q. uitgewisseld als de
noodzaak daarvoor blijkt uit een wettelijke grondslag: het gesloten
verstrekkingenregime. Dit regime blijft van toepassing op het gebruik van het
digitaal klantdossier. In lagere regelgeving zullen in ieder geval op de
volgende punten nadere regels worden gesteld: het ter beschikking
stellen van
gegevens ten behoeve van ketenpartners via het klantdossier, de onderscheiden verantwoordelijkheden van de partijen voor gebruik en
beheer van het
klantdossier en informatiebeveiliging. Hiervoor worden de huidige (wettelijke)
kaders rond gegevensuitwisseling (Suwinet) aangepast. Er is daarbij sprake van
deregulering.
Het voorliggende
wetsvoorstel wordt tevens benut om bepalingen rond het Inlichtingenbureau
voor gemeenten aan te passen aan actuele ontwikkelingen en enkele andere zaken te
regelen.
2. Eenmalige
gegevensuitvraag werk en inkomen
2.1. De overheid vraagt
niet naar de bekende weg
Verbetering van
dienstverlening door de overheid aan burgers en bedrijven is een
speerpunt van het kabinet. In de nota "Op weg naar de elektronische
overheid"
heeft het kabinet een aanpak en een samenhangend aantal maatregelen
gepresenteerd om door toepassing van ICT de dienstverlening te
verbeteren.¹ Goed gebruik van nieuwe technologieën biedt daarvoor kansen.
Centraal in het
kabinetsbeleid staat het - door de Tweede Kamer omarmde - principe van
eenmalige gegevensverstrekking. Dit betekent dat de overheid zich
verplicht om gegevens waarover zij reeds beschikt niet opnieuw uit te
vragen, maar te hergebruiken waar dat mogelijk is. De ontwikkelingen in de
keten van werk en inkomen om via instrumenten als het Digitaal Klantdossier
en een omgekeerde intake dubbele (meervoudige) uitvraag van gegevens aan
burgers te voorkomen, past dus naadloos binnen het algemene
kabinetsbeleid op dit punt. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe
eenmalige gegevensuitvraag in de uitvoering van werk en inkomen wordt
vormgegeven.
1. Bijlage bij brief aan
de Tweede Kamer van de Ministers voor BVK en
van EZ, mede namens de Staatssecretarissen van Financiën en
van SZW, d.d. 14 juni
2004, Kamerstukken II 2003-2004, 26 387, nr. 23.
Sleutel tot het bereiken
van gegevenshergebruik en eenmalige uitvraag ligt in de eerste plaats
in de ontwikkeling van basisregistraties. Dit betekent dat steeds alle
(basis)informatie die bij elkaar hoort op één plek binnen de overheid
verzameld en beheerd wordt en beschikbaar gesteld voor gebruikers binnen de
overheid. Dus: persoonsgegevens bij elkaar in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (GBA), gegevens over bedrijven in het
Nieuwe Handelsregister en informatie over gebouwen (Basisgebouwenregistratie), grond en grondgebruik (Basisregistratie Kadaster), kaartmateriaal
(Basisregistratie Topografie) en adressen (Basisregistratie Adressen) ook bij elkaar. Op deze wijze ontstaat een samenhangend
stelsel van basisregistraties.¹
De overheidsbreed
gepositioneerde basisregistraties zijn geen vrijblijvende ontwikkeling; verplicht
gebruik van gegevens door de overheid staat daarbij voorop. Ook
voor de organisaties in het SUWI-domein leidt dit dus tot verplicht
gebruik van de hierin beschikbare authentieke gegevens.
rblz.|5|
Deze gegevens
worden niet meer steeds opnieuw aan de burger uitgevraagd, maar worden
geraadpleegd in de betreffende basisregistratie.
1. De hier genoemde
administraties zijn de eerste die het kabinet
realiseert als onderdeel van een stelsel van
basisregistraties. Met ook op de wettelijke
verankering hiervan zijn reeds voor een aantal
basisregistraties bij de Tweede Kamer
wetsvoorstellen ingediend. Het kabinet rapporteert over
de totstandkoming van basisregistraties
periodiek aan de Tweede Kamer, in het kader van
de voortgangsrapportages van het programma e-overheid.
Eenmalige uitvraag en
hergebruik van gegevens kan in de keten van werk en inkomen breder worden
ingevuld dan alleen door het gebruik van basisregistraties. De bij
wet aangewezen basisregistraties bevatten (authentieke) gegevens
van belangrijke objecten binnen de openbare sector. De
informatiebehoefte van de SUWI-organisaties is over het algemeen breder dan informatie die
beschikbaar is in de bij wet aangewezen basisregistraties. Niet
voor niets wees de Expertcommissie op de omvangrijke gegevensuitvraag die momenteel plaatsvindt voor de intake
Werkloosheidswet (WW) en
Wet werk en bijstand (Wwb). Uit oogpunt van vermindering van
administratieve lasten en efficiency wordt de eenmalige gegevensuitvraag daarom
voor de SUWI-organisaties uitgebreid tot deze gegevens. Een eerste stap
daartoe is al gezet met de regeling van de polisadministratie, de
registratie van werk en uitkeringsgegevens die met de Wet financiering
sociale verzekeringen in de Wet SUWI
is opgenomen. Bij die gelegenheid is
ook al geregeld dat de SVB een verzekerdenadministratie in stand houdt. Het
uitgangspunt van het gebruik van de gegevens uit de
polisadministratie en die verzekerdenadministratie, voordat gegevens worden
uitgevraagd bij de belanghebbende, is ook al geregeld in de Wet SUWI.
Dit wetsvoorstel borduurt voort op de uitgangspunten die al in de Wet
SUWI zijn neergelegd voor de uitvoering van wetten door de SVB en het UWV.
Met het oog op de
samenwerkingsrelatie tussen CWI enerzijds en UWV
respectievelijk gemeente anderzijds
bij de intake, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat informatie die wel
aan de burger/klant wordt gevraagd, niet opnieuw mag worden
uitgevraagd (bijvoorbeeld eerst door CWI en nadien door UWV of de
gemeente). Het onderzoek van de Expertcommissie, evenals twee rapporten
van de IWI [Inspectie Werk en Inkomen, red.]
die gelijktijdig verschenen, merkten dit immers als
belangrijk knelpunt in de ketensamenwerking aan. De ketenpartners dienen
hun samenwerking zo in te richten dat aan de geschetste uitgangspunten
wordt voldaan. Lokaal/regionaal dient dit vertaald te worden in
samenwerkingsafspraken. Ter onderstreping hiervan wordt de verplichting
voor de CWI om overeenkomsten met burgemeester en wethouders en het UWV
te sluiten over de uitvoering van de intake, zoals nu in de Regeling
SUWI is bepaald, op het niveau van de wet verankerd. Uit oogpunt van
deregulering worden bepalingen in de Wet SUWI
met betrekking tot de
inrichting van de intake met een voornamelijk organisatorisch of procedureel karakter
zoveel mogelijk geschrapt.
2.2. Reikwijdte en
groeipad van de eenmalige gegevensuitvraag
Het verbod op dubbele
gegevensuitvraag zal gelden voor UWV,
CWI, SVB en gemeenten bij de door
hen uitgevoerde wetten rond werk en inkomen. Dit zijn de Wet
SUWI, de
Wwb, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), de
Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik), de WW, de
Toeslagenwet (TW),
de Ziektewet (ZW), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet
WIA), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW), de Algemene Ouderdomswet
(AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw).
In de eerste plaats geldt
dit voor gegevens uit de polisadministratie, de GBA en de verzekerdenadministratie van de SVB. Voor UWV en SVB is nu
al wettelijk vastgelegd
dat gegevens niet aan de burger mogen worden rblz.|6|
gevraagd, voor zover ze
uit deze administraties kunnen worden betrokken. Dit wordt nu uitgebreid
tot CWI en gemeenten.
Het wetsvoorstel voorziet
daarnaast in de mogelijkheid om registraties (c.q. gegevens daaruit) aan te wijzen waarvoor het verplichte gebruik
tevens geldt. Dit doet
recht aan het gegeven dat de (elektronische) ondersteuning van de eenmalige
gegevensuitvraag via een groeipad wordt ontwikkeld. Criteria die
hierbij een rol spelen zijn met name:
• beschikbaarheid:
administraties zijn elektronisch te raadplegen, gegevens kunnen worden
benut in de
(elektronische) intake. Hierbij zijn dus ook de technische
mogelijkheden relevant van de organisaties die over relevante gegevens
beschikken en deze verstrekken aan de SUWI-organisaties.
• kwaliteit: de
actualiteit en volledigheid is zodanig dat de gegevens een verantwoorde basis
vormen
voor de daarop te baseren activiteiten en besluiten van de
organisaties;
• noodzaak: de gegevens
zijn noodzakelijk voor uitvoering van de wettelijke taken. Hierbij
kan het
overigens alleen gaan om gegevens (registraties) waarvoor de raadpleging
door de SUWI-organisaties op grond van een wettelijk
voorschift is geregeld. De in dit wetsvoorstel opgenomen bepalingen over het
hergebruik van gegevens doet dus niet af aan het gesloten verstrekkingenregime, waarin er steeds een expliciete
wettelijke verplichting
en bevoegdheid moet zijn voor het verstrekken van gegevens door
overheidsorganisaties.
Het vaststellen van
gegevens die voor eenmalige uitvraag in aanmerking komen, vergt, gezien deze
criteria, goede afstemming met de organisaties waar de gegevens
berusten. Aanwijzing zal daarom bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
plaatsvinden.
Het Digitaal Klantdossier
wordt in 2007 binnen de organisaties geïmplementeerd. De hiermee beschikbare
gegevens (voornamelijk uit de eigen administraties van de
ketenpartners en persoonsgegevens uit de GBA) kunnen dus ultimo 2007
onder het verplichte gebruik worden gebracht. Het ligt voor de hand dat
de uitbreiding van het verbod op dubbele gegevensuitvraag tot
andere gegevens/administraties wordt ingevuld via een jaarlijkse aanpassing
op basis van afspraken met de organisaties over de doorontwikkeling van
het Digitaal Klantdossier.
2.3. Rechten en plichten
van klant en organisaties
De in dit wetsvoorstel
voorgestelde bepalingen impliceren dat waar de organisaties informatie
aan de klant vragen, deze slechts verplicht is om gegevens te leveren voor
zover deze niet verkregen kunnen worden uit een aantal met name
genoemde administraties. De burger kan aan de geformuleerde bepalingen
een recht ontlenen dat hij - waar nodig - kan inroepen tegenover de
organisaties.
Omdat activiteiten en
beslissingen van de ketenorganisaties vaak belangrijke (rechts)gevolgen voor de
burger hebben, dient de klant inzicht te hebben in gegevens die daarvoor de basis vormen. Wanneer de organisaties
dus gegevens gebruiken
die niet rechtstreeks van de klant komen (bijvoorbeeld bij de omgekeerde
intake), worden deze aan de klant getoond (vooringevuld formulier),
waarop de klant de mogelijkheid heeft de juistheid en volledigheid te
verifiëren. Waar nodig kan de klant zijn recht jegens de
registratiehouder van het betreffende gegeven uitoefenen tot correctie daarvan. Door
het ondertekenen van het formulier verklaart de klant ten slotte dat de (vooringevulde)
gegevens juist zijn en dat er geen verdere relevante zaken
zijn te melden. Bij het bekendmaken van het uiteindelijke besluit van
de organisatie dient ook inzichtelijk te zijn op rblz.|7|
basis van welke gegevens,
feiten en omstandigheden dit tot stand is gekomen.
In aansluiting hierop
wordt het iedere organisatie in bijzondere situaties toegestaan alsnog de
gegevens bij de belanghebbende op te vragen. Dit kan aan de orde zijn
indien bij de uitvoering blijkt dat ten aanzien van die belanghebbende verwacht
kan worden dat de kwaliteit (actualiteit, volledigheid) van de uit administraties
te verkrijgen gegevens tekortschiet of wanneer daarover gerede
twijfel bestaat. Dit is vergelijkbaar met de regels zoals die voor gebruik
van (authentieke) gegevens uit basisregistraties worden gesteld. De
organisatie heeft in dit geval echter wel een motiveringsplicht
richting de klant. De organisaties kunnen overigens slechts in individuele
gevallen hierop een beroep doen en nooit generiek wat betreft een bepaalde
administratie of gegeven.
Aparte aandacht vraagt de
plicht van de burger om, niet alleen wanneer de organisaties daar om
vragen, maar ook uit eigen beweging relevante feiten en omstandigheden
aan de betreffende organisatie te melden. Deze inlichtingenplicht is in
de diverse socialezekerheidswetten opgenomen en legt bij de burger een
eigen verantwoordelijkheid neer om alle informatie die van belang is voor
uitvoering van de wet spontaan te melden. Het spreekt voor zich dat
een (overheidsbreed) systeem voor meervoudig gebruik van gegevens (via basisregistraties) ook gevolgen heeft voor dit
onderdeel van de
inlichtingenplicht van de burger. Bedoeling van dit systeem is immers dat een
burger bij wijziging van een bepaald gegeven of een omstandigheid dit
niet bij talrijke overheidsinstanties hoeft te melden; melding bij het
orgaan dat aangewezen is voor beheer van het betreffende gegeven (bijvoorbeeld
de gemeente voor persoonsgegevens in de GBA) zou moeten volstaan,
waarna de overheid zelf ervoor zorg draagt dat de wijziging daar
waar nodig bekend wordt. Dit wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid dat
bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties (respectievelijk gegevens daaruit)
worden uitgezonderd van de spontane informatieplicht van de
burger. Dit sluit aan op het verplichte gebruik van gegevens door
bestuursorganen zoals dat in de diverse wetten voor afzonderlijke
basisregisters wordt geregeld en de daarbij geregelde eenmalige gegevensverstrekking door de belanghebbende.
De concrete invulling van
deze mogelijkheid kan plaatsvinden wanneer de doorlevering van relevante wijzigingen in gegevens uit (basis)registers
aan organisaties die
hiervan op de hoogte dienen te zijn, met voldoende snelheid en actualiteit
kan worden vormgegeven. Voor het stelsel van basisregisters is deze
werkwijze beoogd op een termijn van enkele jaren, als onderdeel van een
gezamenlijke infrastructuur voor uitwisseling en beheer van gegevens. Dit
onderdeel van de voorgestelde bepalingen kan dus beschouwd worden als
sluitstuk op het verbod op dubbele gegevensuitvraag.
3. Elektronische
gegevensuitwisseling en privacy
3.1. Ontwikkeling van een
Digitaal Klantdossier voor werk en inkomen
Het digitaal klantdossier
betekent een aanzienlijke stap vooruit in de informatievoorziening en
gegevensuitwisseling in het domein van werk en inkomen. Sinds de
start van SUWI voorziet het Suwinet in ondersteuning van onderlinge
gegevensuitwisseling. Suwinet is welbeschouwd een samenstel van
voorzieningen, functionaliteiten en standaarden voor de elektronische
gegevensuitwisseling tussen de organisaties. Het ondersteunt zowel het digitaal
raadplegen van gegevens (Suwinet-Inkijk), het uitwisselen van
elektronische berichten (Suwinet-Meldingen) als communicatie tussen professionals via
een mailvoorziening (Suwinet-Mail). Dataverkeer vindt plaats over een
besloten netwerk.
rblz.|8|
De
Expertcommissie
constateerde dat er met de ICT-voorzieningen in het SUWI-domein een stevige
basis ligt voor de dienstverlening aan de burger. Om deze verder te
versterken, adviseerde de commissie de ontwikkeling van een gemeenschappelijk
elektronisch klantdossier. Dit dossier is zowel voor de burger als
de professional te raadplegen; het dossier ondersteunt de omgekeerde intake
zoals die in eerste aanleg wordt ontwikkeld. Op termijn groeit het
digitaal klantdossier verder tot een omvattend klantvolgsysteem.
Het concept
"digitaal
klantdossier" kan worden omschreven als een representatie van alle
relevante (zowel
actuele als historische) gegevens omtrent een klant binnen
het SUWI-domein. Dit betreft zowel basisgegevens (gestructureerde
klantgegevens, inkomensgerelateerd en werkgerelateerd) als statusinformatie
(plaats van de klant in de keten, status van dienstverlening).
Doordat de ketenpartners
de gegevens die tot het dossier worden gerekend uit hun administraties
digitaal ter beschikking stellen, ontstaat een gestructureerd en
samenhangend klantbeeld. Informatie die aldus beschikbaar is, kan worden
geraadpleegd en benut daar waar dit noodzakelijk is in het
uitvoeringsproces. De "omgekeerde intake" is hiervan een sprekend voorbeeld.
Het digitaal klantdossier
moet niet worden opgevat als een gegevensverzameling over een klant die op
één plaats, centraal wordt aangelegd en bijgehouden. De
dossierfunctie ontstaat doordat gegevens die bij verschillende organisaties en in
afzonderlijke registraties zijn vastgelegd, op een samenhangende, op de
gebruiker en het betreffende uitvoeringsproces toegesneden wijze worden
gepresenteerd. Hierbij worden ook relevante gegevens uit administraties van
niet-SUWI-organisaties betrokken, zodat
deze bijvoorbeeld voor de omgekeerde intake of raadpleging door de professional beschikbaar
zijn.
Conform de insteek van de
Expertcommissie wordt voor de technische realisatie van het digitaal klantdossier grotendeels
gebruik gemaakt van en
voortgebouwd op reeds
bestaande ICT-voorzieningen. Om gegevens te ontsluiten, worden de
diverse informatiesystemen van de ketenpartners aangepast. Met
gebruikmaking van internettechnologie worden gegevens gepresenteerd aan de
burger (via een klantportaal, met behulp van de authenticatievoorziening
DigiD) en aan de professional (de bevoegde medewerker van het uitvoeringsorgaan via
Suwinet-Inkijk). Ook kunnen gegevens rechtstreeks
door applicaties worden gebruikt (bijvoorbeeld Sonar van CWI, of
elektronische formulieren voor de intake). Het klantportaal wordt zo vormgegeven dat
dit tevens past binnen de Persoonlijke Internet Pagina.¹
1. De Tweede Kamer is over
de ontwikkeling en opzet van de Persoonlijke
Internet Pagina geïnformeerd bij brief van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing
en Koninkrijksrelaties d.d. 10 april 2006 (Kamerstukken II
2005-2006, 29 362, nr. 86).
De totstandkoming van het
digitaal klantdossier kent een groeipad. In de eerste fase worden in het
project per ultimo 2006 de volgende onderdelen implementatiegereed
gemaakt, waarbij de ingebruikname in 2007 wordt gerealiseerd:
• het ter beschikking
stellen van een eerste ketenbrede gegevensset, zowel aan de klant als
aan de professional;
• een drietal
elektronische diensten beschikbaar voor klanten, te weten Inschrijven Werk,
Aanvraag WW en Aanvraag Wwb.
Hierbij wordt reeds een
begin gemaakt met de "omgekeerde intake", waarbij naast de eigen
gegevens van de organisaties ook die van de Dienst Wegverkeer (RDW)
worden benut. De verdere ontwikkeling van het digitaal klantdossier in
2007 en 2008 wordt in 2006 nader uitgewerkt.
3.2. Wettelijke regeling
Bij de ketensamenwerking
en het gebruik en de inrichting van rblz.|9|
ICT-voorzieningen is
privacy een belangrijk aandachtspunt. Het wettelijk kader dient te voorzien
in noodzakelijke waarborgen hiervoor. Tevens dient voorzien te worden
in (minimale) voorwaarden voor het functioneren van het digitaal
klantdossier.
Als uitgangspunt voor
wettelijke regeling geldt dat deze sober van opzet is en het karakter van
kaderwetgeving heeft. De wet moet immers voldoende flexibel en
houdbaar zijn voor een dynamische praktijk. Dit betreft zowel de praktijk
van uitvoering (die niet eenvormig is, maar lokaal/regionaal wordt
ingericht) als de ontwikkeling en groei van ICT die het uitvoeringsproces
ondersteunt. Lagere regelgeving kan normen en standaarden invullen.
In overeenstemming met
het huidige wettelijke regime wordt informatie over burgers alleen dan
verstrekt c.q. uitgewisseld als daarvoor een wettelijke grondslag is.
Dit zogenaamde gesloten verstrekkingenregime is ook van toepassing op gebruik van
het digitaal klantdossier. Bij de inrichting en gebruik van het dossier
dient voldaan te worden aan de algemene beginselen van doelbinding en
proportionaliteit zoals die voortvloeien uit de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp). Er worden via het digitaal klantdossiers niet meer
gegevens verwerkt dan noodzakelijk zijn voor de uitvoering van taken door
de ketenpartners. De verwerking van gegevens (ook van organisaties
buiten de SUWI-keten) gebeurt op grond van (in het algemeen al bestaande)
wettelijke bepalingen die de bevoegdheid en verplichting tot het
inwinnen respectievelijk verstrekken van persoonsinformatie regelen. Bij de
totstandkoming van die bepalingen zijn de afwegingen gemaakt over de noodzaak
van de gegevensverstrekking en gegevensverwerking. Dit wetsvoorstel treedt
daarin niet.
Het wetsvoorstel legt een
verplichting aan de ketenorganisaties vast, gezamenlijk zorg te
dragen voor de instandhouding van elektronische voorzieningen waarmee zij
elkaar gegevens verstrekken of inzage bieden. Dit brengt in de eerste
plaats de gezamenlijke opdracht tot uitdrukking het digitaal klantdossier en
de daarvoor benodigde ICT-componenten in te richten en te
onderhouden. Dit betekent overigens niet dat gebruik van het digitaal klantdossier
andere vormen van elektronische gegevensuitwisseling tussen de organisaties
(bijvoorbeeld met behulp van RINIS [Routeringsinstituut (Inter)nationale
Informatiestromen, red.]) uitsluit. De ontwikkeling
van het digitaal klantdossier als geïntegreerd instrument vraagt echter
specifiek om transparantie en andere randvoorwaarden.
Om de belangen van de
betrokken burger te borgen, dient er een helder beeld te zijn van de gegevensverwerkingen die het digitaal klantdossier
ondersteunt. De klant
dient bijvoorbeeld te weten waar hij terecht kan voor correctie van
gegevens.
In lagere regelgeving
zullen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de (gezamenlijke)
inrichting en gebruik van het klantdossier en de daarmee ondersteunde
gegevensverwerking van de ketenpartners. Deze hebben in ieder geval
betrekking op de volgende elementen.
• Ter beschikking
stellen van gegevens ten behoeve van de ketenpartners. Daar waar het
(elektronische) gebruik en raadplegen van gegevens - binnen
wettelijke kaders en eisen - tot de eigen verantwoordelijkheid van de organisaties
behoort, kan het (elektronisch) ter beschikking stellen van
gegevens ten behoeve van het digitaal klantdossier niet vrijblijvend zijn;
dit wordt dus verplicht. Hiermee staat of valt immers de
totstandkoming van het dossier als geïntegreerd instrument. Deze verplichting, die
reeds voortvloeit uit de bepaling dat de organisaties gezamenlijk
zorg dragen voor instandhouding van elektronische voorzieningen, zal nader
worden uitgewerkt in de lagere regelgeving. Hierbij wordt
voortgebouwd op het bestaande Gegevensregister SUWI.
rblz.|10|
• Onderscheiden
verantwoordelijkheden van de partijen voor gebruik en beheer van het
klantdossier. Dit betreft onder andere de invulling van het inzage- en
correctierecht met het oog op borgen van kwaliteit van gegevens en de
samenwerking van de organisaties bij het beheer van voorzieningen, afspraken
en standaarden en de taken en verantwoordelijkheden van de ondersteunende
organisaties Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen [BKWI, red.]
en de
Stichting Inlichtingenbureau. Gezien het concept van
het digitaal klantdossier wordt ervan uitgegaan dat iedere
ketenorganisatie zelf ervoor moet zorg dragen dat haar gegevens worden ingebracht. De in
en op grond van de Wet
SUWI geregelde procedures voor melding
aan geregistreerden blijven met de introductie van het
klantdossier gehandhaafd.
• Informatiebeveiliging. Dit betreft uitgangspunten en voorschriften voor de fysieke en
organisatorische beveiliging van persoonsgegevens en het waarborgen van een
exclusieve, integere, beschikbare en controleerbare gegevensverwerking.
Hierbij wordt aangesloten op algemeen geldende normen binnen de overheid. Bij alle gebruikers van het digitaal
dossier dient eenzelfde
niveau van beveiliging te worden nagestreefd.
In het verlengde van
bovengenoemd uitgangspunt met betrekking tot flexibiliteit worden bepalingen in de
wet en de onderliggende regelgeving in beginsel techniek- en
implementatieonafhankelijk geformuleerd. Met andere woorden, de regelgeving
abstraheert van de specifieke ICT-voorzieningen die in gebruik zijn, maar
stelt voor gebruik en inrichting daarvan wel kaders vast. Expliciete
verwijzing naar en bepalingen over Suwinet zoals de huidige Wet
SUWI die
kent, komen daarom te vervallen. De bepalingen in de Regeling
SUWI over
beveiliging blijven gelden.
De bruikbaarheid van het
digitaal klantdossier staat of valt voor een belangrijk gedeelte met
de kwaliteit van gegevens. In de over het wetsvoorstel uitgebrachte toetsen en
adviezen wordt hier meermalen op gewezen. Het is daarom
zaak op korte en op langere termijn te investeren in maatregelen die
gegevenskwaliteit verhogen. Dit betreft zowel procesmaatregelen, systeem- als
organisatiemaatregelen. Het inregelen van een kwaliteitscyclus, waarin
raadpleging en gebruik van gegevens, het signaleren van eventuele
onjuistheden én het melden daarvan en de reactie op zo’n melding, zal
daartoe een onmisbare en wezenlijke bijdrage leveren.
4. Overige elementen in
het wetsvoorstel
4.1. Inlichtingenbureau
gemeenten
De Stichting
Inlichtingenbureau (IB) heeft een ondersteunende functie voor gemeenten
bij de
elektronische gegevensuitwisseling werk en inkomen. Deze
dienstverlening is meerledig.
In het kader van het
handhavings- en rechtmatigheidsbeleid Wwb c.a. vergelijkt de
samenloopapplicatie van het IB door de gemeente aangeleverde gegevens
over Wwb-, Ioaw-, Ioaz- en
Wwik-uitkeringen met gegevens van externe
organisaties (UWV, Informatie Beheer Groep en de Dienst Wegverkeer
aangeduid als RDW). Het doel hiervan is om samenloop vast te stellen
tussen de door de gemeente verstrekte uitkering en andere relevante
feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld een WW-uitkering, het volgen
van hoger onderwijs of autobezit). De gemeente controleert met behulp
van deze signalen of er sprake is van onterechte of niet-bekende samenloop,
wat aanleiding kan zijn tot aanpassing van de uitkering.
Naast deze specifieke
functie heeft het IB een meer algemene functie om elektronisch
gegevensverkeer van en naar gemeenten te ondersteunen. Als "sectorloket" of
"verwijsindex" fungeert het IB als centraal schakelpunt in rblz.|11|
het gegevensverkeer.
Aangezien het IB een administratie voert van door gemeenten verstrekte
uitkeringen op basis van het sofinummer, kunnen met behulp daarvan
elektronische berichten van en naar gemeenten over afzonderlijke uitkeringen
c.q. belanghebbenden gerouteerd worden.
De ondersteunende rol van
het IB in dit kader vindt zijn grondslag in artikel 64 van de
Wwb.
Dit artikel regelt de informatieverplichting van diverse instanties aan gemeenten. In het mede op dit artikel gebaseerde
Besluit Inlichtingenbureau gemeenten wordt de ondersteuning door
het IB
voor afzonderlijke
gegevensuitwisselingen nader uitgewerkt. Met het voorliggende wetsvoorstel
wordt deze systematiek vereenvoudigd, in die zin dat niet voor elke
afzonderlijke gegevensuitwisseling (dat wil zeggen per instantie) de
ondersteuning van het IB op het niveau van een algemene maatregel van bestuur
hoeft te worden geregeld. De voorgestelde wijziging voorziet in de vastlegging van een algemeen kader voor de werkzaamheden
van het IB.
Tot nu toe voorziet het
wettelijk kader niet in een rol voor het IB bij gegevensverstrekking door
gemeenten aan andere instanties (op grond van artikel 67
Wwb). Met
dit wetsvoorstel wordt hierin voorzien.
De taken van het
IB zijn
tot nu toe exclusief gericht op de uitvoering van de Wwb,
Ioaw, Ioaz en Wwik.
Gemeenten hebben aangegeven dat zij de netwerkverbindingen
met en de dienstverlening van het Inlichtingenbureau ook willen benutten voor
andere beleidsvelden en ontwikkelingen die hen de komende jaren raken. Dit betreft bijvoorbeeld gegevensuitwisselingen
in het kader van de Wet
maatschappelijke ondersteuning en op het vlak van
onderwijsbeleid. De Staatssecretaris van SZW
heeft ingestemd met deze
richting, omdat dit past binnen het beleid rond de e-overheid van efficiënt
gebruik van beschikbare voorzieningen (niet steeds opnieuw het wiel
uitvinden) en het toegroeien naar een overheidsbrede infrastructuur, beheerd
door de Gemeenschappelijke Beheerorganisatie (GBO.Overheid).
Met dit wetsvoorstel
worden voorwaarden geschapen om deze beweging te faciliteren.
Allereerst wordt geregeld dat de taakuitoefening van het IB niet meer krachtens de
wet beperkt is tot de uitvoering van werk en inkomen door gemeenten.
Hiermee ontstaat ruimte voor het IB voor activiteiten ter ondersteuning van
andere beleidsvelden en andere "opdrachtgevers" dan de bewindslieden
van SZW. Aangezien op termijn incorporatie van de IB-functionaliteit
in een overheidsbreed stelsel voor de hand ligt, wordt tevens erop
geanticipeerd dat de taken en voorzieningen van het IB bij een andere
rechtspersoon kunnen worden belegd dan de huidige Stichting
Inlichtingenbureau.
4.2. Gegevensverstrekking
door potentiële werkgevers
Artikel 54
Wet SUWI regelt in algemene zin het verstrekken van gegevens aan de
SUWI-organen,
zoals de CWI. In het eerste lid is geregeld dat de verplichting tot het
verstrekken van gegevens op een ieder berust, als er maar een relatie is met
het verstrekken van uitkeringen of arbeidsbemiddeling dan wel andere
taken die
uit de Wet SUWI voortvloeien. De gegevens moeten betrekking hebben
op een arbeidsrelatie of uitkeringsrelatie. De verplichting geldt dan
ook in ieder geval voor een ieder die zelf werknemer is of een uitkering
ontvangt of als werkgever een persoon in dienst heeft. De redactie van
artikel 54, eerste lid, is zodanig aangepast dat de verplichting tot het
verstrekken van gegevens ook kan berusten op een potentiële werkgever van
een persoon ten aanzien van wie bijvoorbeeld de CWI een taak vervult en
die gegevens relevant zijn voor de toepassing van de SUWI-wetten ten
aanzien van die persoon. De vergelijkbare bepaling voor de
gegevensverstrekking aan de colleges van burgemeester en wethouders is ook
aangepast.
rblz.|12|
5. Lasten, handhaving en
inwerkingtreding
5.1. Lasten voor de
burger
Vermindering van
administratieve lasten voor burgers is een doelstelling van het kabinet. Als
onderdeel van het actieprogramma Andere Overheid is de inzet vastgelegd
dat eind 2007 de administratieve lasten voor burgers met een kwart
zijn verminderd ten opzichte van de peildatum 31 december 2002. De
voorliggende voorstellen rond eenmalige gegevensuitvraag en de
ontwikkeling van het digitaal klantdossier (waaronder begrepen de elektronische
"omgekeerde" intake en andere e-diensten) vormen een
belangrijke ontwikkeling in de verbetering van kwaliteit van
dienstverlening in de SUWI-keten, ook in termen van administratieve lasten.
In zijn brief van 28
november 2005 aan de Tweede Kamer over de stand van zaken van het SZW-programma "Administratieve lastenvermindering burgers" gaf de
Minister
van SZW reeds een inschatting van de effecten.¹ Bij 50% digitale
aanlevering (voorzichtige aanname) besparen burgers jaarlijks 550 duizend uur
en € 0,8 miljoen aan kosten. Hierbij gaat het om de volgende handelingen:
registratie als werkzoekende, invullen formulier inschrijving werk,
invullen aanvraagformulieren WW
en bijstand, elektronische intake voor uitkering WW
en bijstand. De gemiddelde burger bespaart hierdoor circa
twee uur tijd bij zijn informatielevering aan het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.]. Dit doel kan in
beginsel wellicht al in 2007 worden gerealiseerd. Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat dit nog losstaat van de gevolgen voor de burgers van het
gebruik van de polisadministratie (wat hiermee nauw in verband staat), waarop
in dezelfde brief aan de Tweede Kamer is ingegaan.
De raming is gebaseerd op
de projectdoelstellingen zoals die in de eerste fase van het project
Digitaal Klantdossier ultimo 2006 worden gerealiseerd (zie ook hierboven). De
doorontwikkeling van het digitaal klantdossier in 2007 en 2008 zal tot een
verdere, nader te ramen vermindering van lasten voor de burger leiden.
Gezien de reikwijdte van
dit wetsvoorstel en het karakter van het Digitaal Klantdossier is er in
dit kader geen sprake van gevolgen voor bedrijven (in de zin van de
bedrijfseffectentoets).
1. Kamerstukken II 2005-2006, 29 362,
nr. 69.
5.2. Lasten voor de
organisaties, financiële gevolgen
De voorschiften in dit
wetsvoorstel betreffende eenmalige gegevensuitvraag zijn kaderstellend en
beogen een klantvriendelijke en efficiënte uitvoeringspraktijk te
borgen. Voor zover in het licht van de Andere Overheid en - in engere zin
- de SUWI-ketensamenwerking van lasten kan worden gesproken, betreft
dit inspanningen die tot een normale standaard van uitvoering en
samenwerking kunnen worden gerekend.
De ontwikkeling en
invoering van het digitaal klantdossier en de aanpassing van informatiesystemen
wordt gerealiseerd in een gemeenschappelijk programma van de
ketenpartners, waarvoor de Staatssecretaris van SZW
een afzonderlijk
projectbudget ter beschikking heeft gesteld (€ 5,0 miljoen over 2005 en € 15,9
[miljoen, red.] voor 2006).
De baten van de invoering
van het digitaal klantdossier voor de organisaties bestaan in een meer
efficiënte en gestroomlijnde informatievoorziening, resulterend in een
snellere en meer effectieve dienstverlening aan de klant. Dit slaat
met name neer in de processen rond de intake voor en bemiddeling naar
werk en de inname en afwikkeling van uitkeringsaanvragen WW
en Wwb. Op basis van een voorlopige raming wordt een
vermindering
van uitgaven voorzien van € 3,1 miljoen voor 2007 en van € 10,0
miljoen voor
2008 en volgende jaren.
De hier genoemde bedragen
betreffen de eerste fase van het klantdossier, zoals dat in 2006 wordt
gerealiseerd en in 2007 wordt ingevoerd.
rblz.|13|
5.3. Handhaving en
toezicht
Het wetsvoorstel bevat
verplichtingen voor bestuursorganen in het kader van de uitvoering van de
aan hen opgedragen taken. De voorschriften zijn duidelijk en relatief
eenvoudig, en de voorlichting en ondersteuning van invoering kan
logischerwijze worden gekoppeld aan het eigen programma van de ketenpartners ter
ontwikkeling van het digitaal klantdossier. De voorschriften zullen
vanwege hun doel en karakter als een katalysator werken voor de
lokale/regionale ketensamenwerking, aangezien partijen deze alleen in onderlinge
afstemming zullen kunnen waarmaken. Dit leidt ertoe dat er geen
afzonderlijke maatregelen nodig zijn voor het handhaven van de wettelijke
voorschriften. Toezicht op de uitvoering en handhaving van de voorschriften
vindt plaats door de Inspectie Werk en Inkomen (als onderdeel
van de reguliere taakuitoefening). Daarnaast dwingt het met dit
wetsvoorstel vastgelegde recht van de burger op eenmalige
gegevensverstrekking dat door hem in het contact met de organisaties in
voorkomende gevallen kan worden ingeroepen, de bepalingen in dit wetsvoorstel na te
leven.
5.4. Inwerkingtreding
De systematiek van het
wetsvoorstel met de mogelijkheid van het stellen van regels bij nadere
regelgeving voorziet in de mogelijkheid om bij de invoering aan te sluiten
op het groeipad van het digitaal klantdossier. Voor de eerste fase van
het digitaal klantdossier, dat de eenmalige gegevensuitvraag
ondersteunt, is 2007 een implementatiejaar. De ketenpartners hebben daarover onderling
en met de Staatssecretaris van SZW afspraken gemaakt. De
ingebruikname begint met een in omvang beperkte beproeving van
het dossier, zowel in technische als in procesmatige zin. Aan het eind van
deze fase, vanaf 1 mei 2007, dienen alle relevante gegevens op
geautomatiseerde wijze ter beschikking te worden gesteld ten behoeve van
het digitaal klantdossier, waarna landelijke uitrol plaatsvindt. De
inwerkingtreding van het wetsvoorstel sluit hierop aan. De bepalingen voor de
instandhouding van de elektronische voorzieningen (en het aanleveren van
gegevens) zullen op 1 mei 2007 in werking treden. De bepalingen voor het
regelen van de eenmalige gegevensuitvraag zullen op 1 januari 2008
in werking treden, aansluitend op de landelijke ingebruikname van het
digitaal klantdossier.
6. Ingewonnen adviezen en
toetsen
Het wetsvoorstel is voor
een uitvoeringstoets voorgelegd aan UWV, CWI, BKWI en
IB en gemeenten (via het Uitvoeringspanel, waarin gemeenten, VNG
[Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]
en Divosa deelnemen) en voor een toezichtbaarheidstoets aan
de IWI. Tevens is het
voor advies voorgelegd aan het College bescherming
persoonsgegevens (CBP) en het Adviescollege toetsing administratieve lasten
(Actal)
en voor een reactie aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR).
De geraadpleegde
uitvoeringsorganisaties steunen de doelstelling en opzet van het
wetsvoorstel zonder reserve. Zij wijzen op de noodzakelijke kwaliteit van
gegevens(bronnen) wanneer hiervoor een verbod op dubbele uitvraag gaat
gelden. De systematiek van het wetsvoorstel en het geschetste groeipad
houden
hier rekening mee. De reactie van de organisaties heeft op diverse punten
tot redactionele aanpassing in wettekst en toelichting geleid. De
organisaties wijzen erop dat nog het nodige nader uitgewerkt moet worden
bij algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling; zij zullen
hierbij worden betrokken.
Met betrekking tot de
toezichtbaarheid wijst de IWI op de eigen inschatting die organisaties kunnen
maken of de kwaliteit van administraties tekortschiet rblz.|14|
en derhalve
gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot nadere gegevensuitvraag.
De IWI
geeft aan dat hij met dit gegeven rekening te houden heeft. In de
toelichting is in verband benadrukt dat om toch gegevens aan de klant te vragen
alleen in specifieke gevallen kan plaatsvinden, dus nooit als generiek
beleid. De verwachting is dat de regeling bij algemene maatregel van bestuur
voor het toezicht van de IWI voldoende handvaten biedt. De IWI heeft voor de
tweede helft van 2007 een onderzoek naar eenmalige
gegevensuitvraag bij UWV, SVB,
CWI en gemeenten gepland.
De LCR kan van harte
instemmen met het beleidsvoornemen om de burger slechts één keer
gegevens uit te vragen. Diverse opmerkingen van de LCR zijn verwerkt.
Actal wijst erop dat het
bij de kwantificering van lasten met nadruk om een inschatting gaat en
adviseert dit nader in kaart te brengen. Zowel de verwachte financiële
baten als de vermindering van lasten voor burgers zullen in het verdere
traject nader worden uitgewerkt.
Het
CBP geeft aan dat de
beleidsmatige doelstellingen van vermindering van administratieve
lasten van burgers door terugdringen van uitvraag van gegevens en
bewijsstukken in lijn zijn of zelfs overeenkomen met uitgangspunten van
bescherming van persoonsgegevens. Voor de uitwerking wijst het CBP op de
noodzaak van een heldere verantwoordelijkheidsverdeling bij de verwerking van
persoonsgegevens. Op verzoek van het college is in deze
toelichting (in het algemene deel en bij de wijziging van artikel 62 van de
Wet SUWI) aandacht besteed aan de aspecten die het CBP in zijn advies in dit
verband behandelt. Daarbij dienen noodzakelijkheid en doelbinding
uitgangspunt te zijn en te blijven. De kwaliteit van persoonsgegevens dient
binnen de SUWI-keten te zijn gewaarborgd en transparantie voor de
burger dient voorop te staan. Uitgangspunt dient te zijn dat alle
ketenpartners een zelfde hoog niveau van beveiliging nastreven, waarvoor de
Minister van SZW een systeemverantwoordelijkheid heeft. Het CBP wijst op
het belang van de uitwerking in lagere regelgeving die op
onderscheiden onderdelen van het wetsvoorstel zal plaatsvinden, waaraan
naar de mening van het college een algemene langetermijnvisie op
het waarborgen van de kwaliteit van de gegevens binnen DKD [Digitaal
Klantdossier, red.] ten grondslag
dient te liggen. Een zelfde visie bepleit het CBP voor de invulling van het
recht op inzage en correctie. Dit is inderdaad hetgeen met dit
wetsvoorstel en de uitwerking daarbij wordt beoogd. De burger dient duidelijkheid te krijgen over hoe hij toegang tot zijn gegevens
kan krijgen en dat die
kunnen worden gecorrigeerd. Overigens is het daarbij niet de bedoeling
op wetsniveau of in lagere regelgeving meer te regelen dan waarin door
de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) en uitgewerkt in en op
grond van de Wet SUWI is voorzien. Het zal er meer om gaan om met
andere instrumenten, zoals goede voorlichting, de burger deze duidelijkheid
te geven. Daarnaast zal op het punt van beheer en beveiliging, zoals het
CBP ook opmerkt, eerder sprake zijn van afspraken tussen de partijen dan
van nadere regelgeving.
Overigens kan, tegen de
achtergrond van de specifieke opmerkingen over de nadere regelgeving, de
algemene opmerking van het CBP dat een aantal van de punten die
het CBP noemt beter op het niveau van de wet zouden kunnen worden
uitgewerkt, niet worden gevolgd. Het CBP verwijst daarbij met name naar de
procedurele waarborgen voor de burger. Deze worden niet bij of
krachtens deze wet nader geregeld, omdat de Wbp daarin al voldoende
voorziet en ook de Wet SUWI in bijvoorbeeld
artikel
33c over de melding aan
de verzekerde over de door het UWV
te verwerken gegevens.
Daarnaast worden er, zoals het CBP ook opmerkt, geen wijzigingen
opgenomen in het gesloten systeem van gegevensverstrekkingen.
rblz.|15|
Artikelsgewijs
Artikel
I.
Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel A, onder 1
De
wijziging van de
definitiebepaling betreffende het Inlichtingenbureau wordt de functie
van deze instelling aangeduid. Er is sprake van een Inlichtingenbureau
dat de functie heeft die voor de Wwb en de vergelijkbare wetten relevant
is, indien de dienstverlening ten behoeve van gemeenten betrekking heeft
op de uitvoering van socialezekerheidswetten. Het kan zijn dat deze
instelling te zijner tijd onderdeel zal gaan uitmaken van een
overheidsorgaan (een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is
ingesteld of een andere persoon of college met enig openbaar gezag
bekleed) en niet langer meer een zelfstandige stichting zal zijn. De
minister zal het Inlichtingenbureau afhankelijk van de organisatorische
onderbrenging als zodanig aanwijzen.
Onderdeel A, onder 2
Het laten vervallen van
de definitiebepalingen over Suwinet vloeit voort uit het feit dat de te
specifiek geachte bepalingen met betrekking tot (het gebruik van) Suwinet en het tot het Stelselontwerp
Suwinet behorende
Personenverwijsbestand zijn vervallen (zie artikel I, onderdeel
G,
onder 3, en onderdeel I)
Onderdeel B, onder 1
De aanpassing van het
tweede en vierde lid van artikel 28 hangen samen met het laten vervallen
van procedureregels.
Het voorgestelde derde
lid van dit artikel vloeit voort uit het verbod op dubbele
gegevensuitvraag en regelt dat de CWI de klant in het kader van de
intake geen gegevens mag vragen die beschikbaar zijn uit de
administraties van de SUWI-partners, de gemeentelijke basisadministratie
personen (GBA) en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
(gegevens uit) administraties. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan administraties waarin de Informatie Beheer Groep gegevens verwerkt.
Indien in het kader van het thans in aanbouw zijnde stelsel van
basisregistraties een verplichting tot gebruik van authentieke gegevens
uit een basisregistratie in een desbetreffende wet wordt voorgeschreven,
is de CWI als afnemer ook daaraan gebonden. Naast de GBA is daarom
aangegeven dat dit ook aan de orde kan zijn indien de CWI als afnemer
een authentiek gegeven uit een ander basisregistratie dient af te nemen.
Een gegeven wordt in of op grond van de wetgeving waarin de
basisregistratie wordt geregeld, aangemerkt als authentiek gegeven.
Wel bevat dit lid een
uitzondering op de regel van het verplichte gebruik van de hiervoor
bedoelde administraties. Indien de CWI bijvoorbeeld gerede twijfel
heeft over de betrouwbaarheid van bepaalde gegevens en dit een
belemmering vormt voor de goede vervulling van haar taak, mag de CWI
alsnog die gegevens uitvragen bij de klant. Het gaat hierbij om een
afweging in dat specifieke geval. Daarnaast kan de wettelijke regeling
zich verzetten tegen het zonder meer uitgaan van het authentieke gegeven.
Daarom wordt verwezen naar een wettelijk voorschrift dat anders kan
bepalen. Een voorbeeld hiervan is het adresgegeven. De socialezekerheidsinstanties zullen gebruik gemaakt van de melding van een
wijziging van het GBA-adres, maar dit ontslaat ze niet van de
verplichting het feitelijke adres te onderzoeken en daarover desnoods
nog nadere gegevens bij de belanghebbende op te vragen. Op het niveau
van een algemene maatregel van bestuur zal bepaald worden om welke
gegevens rblz.|16|
het gaat, wie de verantwoordelijke is voor het gegeven en bij
wie het correctierecht kan worden uitgeoefend door de burger. Op het
niveau van een ministeriële regeling kan de aanduiding van de gegevens
nog worden aangepast of worden aangevuld, om snel te kunnen inspelen op
wijzigingen daarin. De wijze van regelgeving is vergelijkbaar met die
van de gegevensset voor polisadministratie op basis van de Wet
SUWI. Op
die wijze kan het verplichte gebruik in het SUWI-domein worden afgestemd
op de ontwikkeling van de basisregistraties en de aanwijzing als
authentiek gegevens in andere sectoren binnen de overheid.
Onderdeel B, onder 3
Gezien het belang dat
wordt gehecht aan een goede samenwerking tussen de bij de intake
betrokken bestuursorganen wordt de thans in de Regeling
SUWI neergelegde
regeling met betrekking tot het sluiten van overeenkomsten opgenomen in
de wet. Daartoe is een nieuw vijfde lid opgenomen in artikel
28.
In de praktijk kan blijken dat vanwege de aanwezigheid van de gegevens bij het UWV
het
niet efficiënt is dat door de belanghebbende nog een aanvraag voor een
WW-uitkering bij de CWI
wordt ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien in aanvulling op een door het UWV verstrekte uitkering
recht op een WW-uitkering ontstaat. In dat geval kan in het kader van de
samenwerking tussen het UWV en de CWI worden overeengekomen dat de
aanvraag niet via de CWI zal verlopen. Bepaald wordt in het vijfde lid
dat kan worden overeengekomen dat daarom van de taakverdeling op grond
van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken. Het kan blijken dat
daarvoor nog nadere regels noodzakelijk zijn. Daarom is in het zevende
lid van dit artikel een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan
voor het vijfde lid nog regels kunnen worden gesteld. In tegenstelling
tot de bestaande delegatiebepaling is dit een facultatieve bepaling,
omdat op voorhand niet vaststaat of behoefte bestaat aan het stellen van
nadere regels. Veelal zal kunnen worden volstaan met werkafspraken
tussen de betreffende organisaties in de overeenkomsten op grond van het
nieuwe vijfde lid.
Om deze reden is de
delegatiebepaling in artikel 22, zesde lid, van de
Werkloosheidswet
waarin voor een andere taakverdeling voor de aanvraag van bepaalde
WW-uitkeringen een algemene maatregel van bestuur werd voorgeschreven,
komen te vervallen en is artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van
die
wet aangepast (zie artikel III, onderdeel A, onder
1, en onderdeel C).
In het rapport van de
Expertcommissie wordt met name als knelpunt genoemd het feit dat het UWV
en de gemeenten de klant om gegevens vragen die ook al door de
CWI zijn
uitgevraagd.
Het voorgestelde zesde lid van artikel 28 strekt ertoe om
dit te voorkomen.
Onderdeel C en de
artikelen II, onderdeel A, III, onderdeel
B, IV, V,
VI, VII,
VIII, IX,
X,
onderdeel B, XI, onderdeel A,
XII, XIII en
XIV
Artikel 29 bevat een
algemene informatieverplichting van de belanghebbende ten opzichte van
de CWI. De belanghebbende is verplicht alle feiten en omstandigheden mee
te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, toeslag of bijstand, het
geldend maken van het recht op uitkering, toeslag of bijstand, of de
hoogte of de duur van de uitkering, toeslag en bijstand. Dit
uitgangspunt blijft overeind, maar wordt in het wetsvoorstel beperkt in
die zin dat de verplichting niet geldt indien de CWI de feiten en
omstandigheden kan verkrijgen uit bepaalde (gegevens uit)
administraties, waarbij in eerste instantie wordt gedacht aan de GBA en
de polisadministratie. Indien gegevens op grond van de wetgeving, die
bepaalde administraties rblz.|17|
als basisregistratie vormgeven, als authentiek
gegeven worden aangemerkt, vloeit daar uit voort dat de belanghebbende
dat gegeven niet hoeft mede te delen, omdat dit al binnen de overheid
aan de afnemers ter beschikking wordt gesteld. Dit uitgangspunt is in de
bepalingen die de inlichtingenverplichting regelen, neergelegd. Echter
voor het verplicht gebruik ook van authentieke gegevens gelden enkele
uitzonderingen. Daarnaast is, zoals bij de toelichting op artikel 28
aangegeven, sprake van een geleidelijke ontwikkeling van het verplicht
gebruik binnen het SUWI-domein. Er is samenhang met de regeling op het
niveau van algemene maatregel van bestuur die ziet op het verplicht
gebruik binnen het SUWI-domein. Op het moment dat bij algemene maatregel
van bestuur gegevens zijn aangeduid voor verplicht gebruik kunnen ze in
aanmerking komen voor de uitzondering op de inlichtingenverplichting.
Echter of inderdaad in alle gevallen ervan uit kan worden gegaan dat
het gegeven dan ook niet uit eigen beweging dient te worden verstrekt,
zal kenbaar moeten worden gemaakt.
Voor welke gegevens ook
de spontane inlichtingenverplichting niet geldt, wordt daarom bij
ministeriële regeling vastgesteld. De aanwijzing bij ministeriële
regeling heeft vooral een voorlichtend karakter naar de belanghebbende
toe. Met deze beperking van de inlichtingenverplichting wordt invulling
gegeven aan één van de uitgangspunten van dit wetsvoorstel, namelijk dat
een burger de overheid geen informatie hoeft te verschaffen die al
binnen de overheid bekend is.
Deze wijziging is van
toepassing op alle artikelen in de verschillende materiewetten waarin
een algemene informatieverplichting van de uitkeringsgerechtigde ten
opzichte van het desbetreffende bestuursorgaan is opgenomen.
Onderdeel D
In
artikel
33a is reeds
het principe van verplicht (her)gebruik van gegevens neergelegd. Het
bepaalt dat indien gegevens in een drietal met name genoemde
administraties beschikbaar zijn, deze door het UWV
respectievelijk de CWI ten behoeve van het UWV niet aan de klant worden gevraagd. Dit komt
in feite neer op de ook door de Expertcommissie voorgestane "omgekeerde
intake" respectievelijk een verbod op dubbele gegevensuitvraag, zij het
alleen ten aanzien van het UWV. Het artikel heeft dan ook in het kader
van dit wetsvoorstel een bredere toepassing binnen de hele keten
gekregen.
De voorgestelde wijziging
van het artikel behelst een uitbreiding van de door het UWV te
raadplegen gegevensbronnen op dezelfde wijze als in het derde lid van
artikel 28 is geregeld voor de CWI, waarbij dezelfde beperkingen van
toepassing zijn.
Onderdeel E
Zie de
toelichting bij
onderdeel D, met dien verstande dat artikel 35 de
Sociale
verzekeringsbank betreft. Voorts is nog een onjuiste verwijzing naar
artikel 73 gecorrigeerd.
Onderdeel F, onder
1, en
de artikelen II, onderdeel D,
IX, onderdeel
D, X, onderdeel D, en
XI,
onderdeel B
In de praktijk is
gebleken dat er verschil van inzicht kan bestaan over de strekking en de
uitleg van het eerste en tweede lid van artikel
54. De verplichting tot
gegevensverstrekking in deze artikelleden en de vergelijkbare bepalingen
in de Wwb, Ioaw en aanverwante wetten richt zich tot een ieder. De
beperking in de formulering zit in de soort gegevens en de relatie met
de persoon wiens gegevens het betreft. Het doel van de
gegevensverstrekking is de noodzaak voor de taakuitoefening door de rblz.|18|
SUWI-organen en de colleges van burgemeester en wethouders. De gegevens
moeten dus betrekking hebben op de uitkerings- of arbeidsrelatie. Het
gaat om gegevens van en afkomstig van uitkeringsgerechtigden, werkgevers
en werknemers. De vraag is of, naast (ex)werkgevers, ook potentiële
werkgevers bevoegd zijn op verzoek of uit eigen beweging
persoonsgegevens verkregen in een sollicitatieprocedure te verstrekken
aan de in het eerste lid genoemde instanties. In lijn met de bedoeling
van de wetgever is de tekst van het eerste lid van dat artikel zodanig
verduidelijkt dat potentiële werkgevers persoonsgegevens mogen
doorgeven aan de genoemde instanties. Dat is het geval indien het gaat
om gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering de socialezekerheidswetten,
bijvoorbeeld het gegeven of geschikt werk voor de persoon van
werkzoekende aanwezig zou kunnen zijn. Deze noodzakelijke gegevens zijn
niet alleen voorhanden bij de werkgever of ex-werkgever, maar ook bij
iedere persoon met wie een uitkeringsgerechtigde een arbeidsrelatie zou
kunnen aangaan, zonder dat er ook feitelijk een arbeidsrelatie tot stand
dient te komen. De potentiële werkgever wordt aangeduid als de persoon
voor wie de betrokkene arbeid zou kunnen gaan verrichten.
Onderdeel F, onder 2
Aan
artikel 54 is een
tiende lid toegevoegd. In dit artikel ontbrak een algemene
delegatiebepaling om op het niveau van een algemene maatregel van
bestuur regels te stellen voor gegevensverstrekking aan de SUWI-organen
en de
minister voor de uitvoering van hun taken door andere instanties
dan in het derde, achtste en negende lid worden genoemd. Omdat de
organisatie en de wijze van samenwerking binnen de overheid veranderen
en ook de wettelijke grondslag voor de wettelijke taken, is de opsomming
in de wet te weinig flexibel om daarop in te spelen. Om die reden is
regeling bij algemene maatregel van bestuur wenselijk. De totstandkoming
van de algemene maatregel van bestuur brengt ook de afweging binnen het
kabinet over de noodzaak van de gegevensverstrekking met zich. Voorts
adviseert het College bescherming persoonsgegevens over een algemene
maatregel van bestuur. Ook in artikel 73, dat de gegevensverstrekking
door de SUWI-organen regelt, bevat de mogelijkheid van regeling op het
niveau van een algemene maatregel van bestuur. Daarnaast is in artikel
64 van de Wet werk en bijstand een vergelijkbare delegatiebepaling
opgenomen. In de algemene maatregel van bestuur worden naast de
instanties de soort en de aard van de gegevens die dienen te worden
verstrekt, aangeduid.
Onderdeel G, onder 1
In het voorgestelde
tweede lid van artikel 62 wordt een wettelijke plicht geformuleerd voor
de CWI, het UWV, de SVB
en de colleges van burgemeester en wethouders
tot instandhouding van elektronische voorzieningen voor de verwerking
van gegevens op grond van het eerste lid. Hiermee wordt vormgegeven aan
de gedachte dat de partners in de keten werk en inkomen op het terrein
van gegevensuitwisseling gezamenlijk optrekken bij de inrichting en het
beheer hiervan en toegang hebben tot elkaars gegevens. Onder toegang
wordt tevens begrepen de uitwisseling van gegevens. Ook wordt voorzien
in de mogelijkheid (de tweede zin van het tweede lid van artikel
62) dat
instanties waaraan de genoemde bestuursorganen (de SUWI-ketenpartners)
gegevens op grond van enig wettelijk voorschrift mogen verstrekken dan
wel waarvan ze gegevens mogen ontvangen via elektronische voorzieningen
toegang krijgen tot de gegevens die door SUWI-ketenpartners mogen
worden verwerkt. Voorts hebben de SUWI-ketenpartners via elektronische
weg toegang tot gegevens die verkregen worden van andere instanties en
die zij nodig hebben voor de uitvoering van hun taken. De uitvoering van
deze bepaling krijgt rblz.|19|
onder andere vorm door uitwerking tot digitaal
klantdossier. In alle gevallen gaat het ook dan om
gegevensuitwisselingen die bij wettelijk voorschrift zijn toegestaan.
Artikel 62 van de Wet
SUWI is het centrale artikel waarin de samenwerking volgens de
doelstellingen van de Wet SUWI in de informatievoorziening vormt krijgt
en al heeft gekregen. Uitgangspunt blijft dat de verschillende
uitvoeringsorganen en de door hen ingeschakelde re-integratiebedrijven
verantwoordelijke in de zin van de Wbp
zijn voor de verwerking van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken. In
zijn advies wijst het CBP erop dat dit
betekent dat ook voor de
burger duidelijk moet zijn bij welke instantie hij moet zijn om de
gegevens te consulteren en eventueel te laten corrigeren.
In de huidige werkwijze
zal in de meeste gevallen dat de instantie zijn die contact heeft met
de klant voor deelaspecten van de taak of voor bepaalde inzet bij de
re-integratie en de klant benadert om gegevens te verifiëren. Artikel
62 sluit niet uit dat er met de ontwikkeling van de samenwerking en de
gezamenlijke voorzieningen een gezamenlijke verantwoordelijke in de zin
van de Wbp aanwezig zal zijn, zodat elk van de verantwoordelijken
aansprakelijk is voor het geheel van gegevensverwerkingen. Dit zal
overigens alleen gelden voor de samenwerkende bestuursorganen en niet
voor de ingeschakelde re-integratiebedrijven, maar wel voor de gegevens
over de inzet bij de re-integratie die CWI, colleges van burgemeester
en wethouders en UWV verwerken vanwege hun wettelijke taak zorg te
dragen voor re-integratie in relatie tot de voortduring van het recht op
uitkering.
Onderdeel G, onder 2
Op grond van het (nieuwe)
derde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
gesteld voor het tweede lid, in ieder geval met betrekking tot de
inrichting, het beheer en de beveiliging van de elektronische
voorzieningen. Op deze wijze kan nadere normering en kaderstelling
plaatsvinden, voor zover dat noodzakelijk is uit oogpunt van
coördinatie en het bieden van waarborgen aan de burger. Daarbij zal ook
expliciet worden ingegaan op de toegang tot de gegevens (autorisaties
gekoppeld aan taken in het uitvoeringsproces) en de wijze van
verantwoording. Voor de inhoud van deze regelgeving zie verder hoofdstuk
3 van het algemene deel van deze toelichting.
Onderdeel G, onder 3
Het huidige derde tot en
met zesde lid vervalt, aangezien het uit oogpunt van deregulering
gewenst wordt geacht geen specifieke bepalingen over de te gebruiken
infrastructuur (Suwinet) in de wet op te nemen.
Onderdeel H
De functie
Inlichtingenbureau is opgenomen in de definitiebepaling. Daarom kan het
eerste lid van artikel 63 vervallen. Het artikel bevat nu alleen de
delegatiebepaling voor de nadere regelgeving voor de functie
Inlichtingenbureau voor zover deze functie gebruikt wordt voor het
gegevensverkeer van gemeenten voor de uitvoering van de socialezekerheidswetten. Voor die functie zal het
Inlichtingenbureau op grond
van de Wet SUWI
gefinancierd kunnen worden. De nadere regels hebben dus
geen betrekking op het inschakelen van het Inlichtingenbureau op een
ander beleidsterrein, bijvoorbeeld bij inburgering.
Onderdeel I
Het laten vervallen van
de artikelen 64, 66,
67, 68, 69,
70 en 71 vloeit voort
rblz.|20|
uit de wens tot
het schrappen van te specifiek geachte bepalingen met betrekking tot
(het gebruik en organisatie van) Suwinet.
Onderdeel J
Artikel
73, vijfde lid,
vormt de grondslag voor de regeling van de gegevensverstrekking door de CWI,
de SVB en het UWV aan bestuursorganen die is geregeld in paragraaf 5.3 van
het Besluit SUWI. Deze regeling is niet sluitend, omdat ook andere
wettelijke bepalingen in de verplichting tot het verstrekken van
gegevens voorzien. De verwijzing naar de infrastructuur in artikel 62
kan hierin nu vervallen. Voor de gegevensuitwisseling binnen het SUWI-domein en met andere bestuursorganen biedt
artikel 62 daarvoor nu
voldoende grondslag. De nadere regelgeving hiervoor is op grond van dit
artikellid niet meer noodzakelijk.
Onderdeel K
In
artikel 54 gaat het om
"een ieder" (personen in bepaalde rollen) die voor de uitoefening van
taken ten opzichte van bepaalde personen, gegevens dient te verstrekken.
Gebleken is dat de verwijzing in dit artikel naar de onderdelen b en
c
van artikel 54, eerste lid, niet juist is. In onderdeel b gaat het om
gegevens over de werkgever, ex-werkgever of potentiële werkgever van
degene die de gegevens verstrekt. In onderdeel c gaat het om de taken
ten opzichte van de werknemer over wie de werkgever (ex-werkgever of
potentiële) werkgever gegevens verstrekt. Artikel 83c
regelt de
bestuurlijke boete bij het niet voldoen aan het verstrekken van gegevens
door die werkgever. Er kan dus volstaan worden met verwijzing naar
alleen dat onderdeel c. Voorts is artikel 83c
zodanig aangepast dat het
duidelijk wordt dat het niet voldoen aan de verplichting tot het
verstrekken van gegevens over een werknemer door de persoon die de
werkgever, ex-werkgever dan wel potentiële werkgever is van die
werknemer gesanctioneerd kan worden.
Artikel
II.
Wijziging van
de Wet werk en bijstand
Onderdeel B
Ook bij de uitvoering van
de langdurigheidstoeslag maken gemeenten gebruik van de gegevens die al
voorhanden zijn en dient geregeld te worden dat de belanghebbende
bepaalde gegevens niet meer dient te verstrekken. Dit is geregeld door
in artikel 36 van de Wwb, dat de bepalingen over de
langdurigheidstoeslag bevat, in het zesde lid te regelen dat ook
artikel 17 (over de inlichtingenverplichting) en artikel 53a
van
overeenkomstige toepassing zijn.
Onderdeel C en de
artikelen IX, onderdeel A, en X, onderdeel A
De aanpassing van
artikel
41 van de Wwb vloeit voort uit de wijziging van
artikel I, onderdeel B (artikel 28 van de
Wet SUWI). Dit geldt ook voor de overeenkomstige
wijzigingen in de Ioaw en de Ioaz. Daarbij dient wel te worden
opgemerkt dat artikel 11a, eerste lid, van de
Ioaz (artikel X,
onderdeel A) nog niet in werking is getreden. Feitelijk voert de CWI
de
intake voor de Ioaz-uitkering nog niet uit.
Onderdeel D en de
artikelen IX, onderdeel C, en X, onderdeel C
Artikel
53a, eerste lid,
van de Wwb gaat over de gegevens die het college verwerkt voor de
toekenning van bijstandsuitkeringen en welke gegevens het college in
aanvulling op de gegevens die via de CWI worden aangeleverd, verstrekt
wil hebben. In dit eerste lid is nu nadrukkelijk rblz.|21|
bepaald dat het
college de gegevens die via de CWI zijn verkregen niet van de
belanghebbende vraagt en voorts ook niet gegevens die uit andere
basisregistraties worden verkregen. In dit artikellid is aldus het
beginsel van het verbod van dubbele uitvraag geregeld. Voor de
uitgangspunten daarbij en de mogelijkheid in specifieke gevallen van dit
verbod af te wijken, wordt verwezen naar de algemene toelichting en de
toelichting op de wijziging van de artikelen in de Wet SUWI. De
wijzigingen in de artikelen IX en X betreffen de overeenkomstige
bepalingen in de Ioaw en Ioaz.
Onderdeel F en de artikelen IX, onderdeel E, X, onderdeel E, en
XI, onderdeel C
Aangezien het gewenst
wordt geacht dat de tussenkomst van het Inlichtingenbureau niet langer
voor afzonderlijke gevallen wordt voorgeschreven en meer generiek kan
worden geregeld, is het tweede lid van artikel 64 daarop aangepast.
Onderdeel G en de
artikelen IX, onderdeel F, en IX, onderdeel F [lees:
X, onderdeel F, red.]
In
artikel 67 wordt de
inlichtingenverplichting van gemeenten jegens een aantal instanties
geregeld. Met de wijziging wordt een basis gelegd voor de ondersteunende
rol van het Inlichtingenbureau bij verstrekkingen op grond van dit
artikel. Dit gebeurt op vergelijkbare wijze als waarop in artikel 64 de
tussenkomst van het Inlichtingenbureau bij gegevensverstrekkingen van
instanties aan gemeenten wordt geregeld.
Artikel
XV. Wijziging van
de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank
Dit artikel breidt de
gegevensverstrekking uit het basisregister onderwijs uit. Dit register
wordt beheerd door de Informatie Beheer Groep
(IB-Groep). In artikel 54
van de Wet SUWI is al voorzien in een gegevensverstrekking door de
IB-Groep, voor zover het gegevens betreft die de
CWI, het
UWV of de SVB nodig hebben voor de uitvoering van hun taken. Dit onderdeel heeft in de
praktijk vooral betrekking op de gegevensverstrekking aan de SVB over
het recht op studiefinanciering.
Hierbij is niet
aangegeven om welke soort gegevens van de IB-Groep het gaat. Door de
regeling in de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank wordt nu
duidelijk dat uit het basisregister onderwijs aan de CWI, de SVB en het
UWV gegevens worden verstrekt.
De artikelen 9a tot en
met 9e van de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank (WVI) bevatten
de bepalingen voor het basisregister onderwijs. In dit register worden
persoonsgegevens opgenomen over de inschrijving van onderwijsvragenden
bij allerlei soorten onderwijsinstellingen (van primair onderwijs tot
hoger onderwijs). Daarnaast kunnen nog gegevens worden opgenomen over
opleidingseisen. De bepalingen in de WVI geven inzicht in het doel van
het register en gebruik van de gegevens daarin. De gegevensverstrekking
aan de SVB voor de uitvoering van de AKW was daarin al geregeld in
artikel 9e, zesde lid, van de WVI. Daaraan is nu toegevoegd de
gegevensverstrekking aan de CWI en het UWV. De CWI heeft deze gegevens
nodig voor haar arbeidsbemiddelingstaak en haar rol bij de inschakeling
in de arbeid van uitkeringsgerechtigden, zoals dat is geregeld in
artikel 21, onderdeel a tot en met e en g van de
Wet SUWI. Voorts
kunnen gegevens over inschrijving bij onderwijsinstellingen ook relevant
zijn voor de indicatie van personen voor de Wet sociale
werkvoorziening.
Deze indicatietaak van de CWI is geregeld in artikel
21a van de Wet
SUWI.
Voor het UWV zijn deze gegevens van belang voor de re-integratietaak van
uitkeringsgerechtigden en voor het bepalen van het recht op
loondervingsuitkeringen. Het betreft hierbij de taak van het UWV
rblz.|22|
die geregeld is in artikel 30, eerste lid,
onderdeel a en b, van de Wet
SUWI. Met dezelfde achtergrond was al in het tweede lid van artikel 9e voorzien in de
verstrekking van persoonsgegevens uit het Basisregister onderwijs aan
colleges van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van de Wwb,
Ioaw en Ioaz.
De wijze waarop de
gegevensverstrekking door de IB-Groep aan CWI en UWV wordt vormgegeven
en hoe voor toegang tot die gegevens gebruik zal worden gemaakt van de
elektronische voorzieningen als bedoeld in artikel 62 van de
Wet SUWI,
is nog onderwerp van nader overleg tussen de betrokken bestuursorganen.
De inwerkingtreding van dit artikel wordt gekoppeld aan de voortgang van
dit overleg. Voordat dit artikel in werking kan treden, worden in ieder
geval nog nadere afspraken gemaakt tussen SZW en
OCW op basis van een
uitvoeringstoets bij de IB-Groep.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|