|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 673
Wijziging
van de Wet sociale werkvoorziening in verband
met een betere realisering van de met die wet
beoogde doelen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Noodzaak tot
modernisering |
| 2.1 |
Context van wet- en
regelgeving |
| 2.2 |
Het beter realiseren
van het met de wet beoogde doel |
| 3 |
Nieuwe situatie |
| 3.1 |
Context van wet- en
regelgeving |
| 3.2 |
Het versterken van de
gemeentelijke verantwoordelijkheid |
| 3.3 |
Het creëren van meer
rechten voor de Wsw-geïndiceerde |
| 3.4 |
Het betrekken van
reguliere werkgevers |
| 3.5 |
Stroomlijning |
| 4 |
Reactie van de
uitvoerende partijen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxr |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit wetsvoorstel vormt het sluitstuk van de
modernisering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).
De doelgroep en het doel van de Wsw worden met dit
wetsvoorstel niet veranderd. De Wsw blijft een vrijwillige voorziening voor een
aparte groep van arbeidsgehandicapten die vanwege de ernst van hun
lichamelijke, verstandelijke en/of psychische handicap aangewezen zijn
op aangepaste arbeid in het kader van de Wsw, omdat zij duurzaam geen
reguliere arbeid kunnen verrichten, ook niet met inzet van
re-integratievoorzieningen. Doel van de Wsw is om aan zoveel mogelijk
arbeidsgehandicapten die zijn geïndiceerd voor de Wsw aangepaste arbeid te bieden welke
aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde.
De aanleiding voor de
modernisering van de Wsw is in de kabinetsreactie op het RWI-advies
[RWI: Raad voor werk en inkomen, red.]
over de
Wsw van september 2003 ¹ geschetst en vervolgens in de hoofdlijnennotitie
"Vervolg modernisering Wsw" van september 2004 ² verder uitgewerkt.
Deze brieven zijn uitgemond in een eerste wetsvoorstel, waarmee de Wsw-indicatiestelling werd overgedragen van
gemeenten naar de
Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) ³ [zie Wet
van 30 juni 2004, Stb. 2004, 325, red.]. In de brief van september 2004
en in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel werd aangegeven dat de
regering de modernisering van de Wsw vorm zou geven in twee
fasen. Doel van de overdracht van de Wsw-indicatiestelling in
de eerste fase was om te komen tot een meer onafhankelijke en
uniforme uitvoering van de indicatiestelling, om aldus te kunnen waarborgen dat
de toelating tot de Wsw voorbehouden blijft aan personen die als het
gaat om arbeidsinschakeling vanwege hun handicap exclusief op de
Wsw zijn aangewezen. De overdracht van de Wsw-indicatiestelling is
per 1 januari 2005 gerealiseerd.
1. Kamerstukken II 2003-2004, 26 448, nr. 87.
2. Kamerstukken II 2004-2005, 29 817, nr. 1.
3. Kamerstukken II 2003-2004, 29 225.
Met
dit wetsvoorstel zijn
de voorstellen die zijn gedaan in de tweede fase van de modernisering van
de Wsw geformaliseerd. Het gaat erom binnen het kader van de Wsw het
aangepast werken in een zo regulier mogelijke omgeving daar waar de
capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde rblz.|2|
dit toelaten te
bevorderen. In de brief aan de Tweede Kamer van juni 2005 ¹ zijn deze
voorstellen en het daaraan ten grondslag liggende doel beschreven. De
voorstellen zijn een concretisering van de hoofdlijnennotitie uit
september 2004 en zijn tot stand gekomen op basis van een uitgebreide
consultatie van alle bij de uitvoering van de Wsw betrokken partijen;
gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), sw-bedrijven
[socialewerkvoorzieningsbedrijven, red.] en de brancheorganisatie van sw-bedrijven Cedris, individuele cliënten
en cliëntenorganisaties, te weten de Landelijke Cliëntenraad (LCR), de
Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland (CG-Raad) en de
Federatie van Ouderverenigingen (FvO). In diverse landelijke
bijeenkomsten zijn de uitgangspunten en voorstellen uit de
hoofdlijnennotitie van september 2004 besproken en knelpunten bij de
uitvoering van de huidige Wsw en mogelijke oplossingsrichtingen
geïnventariseerd. Daarbij zijn de verschillende, soms uiteenlopende,
invalshoeken die betrokken partijen hebben als het gaat om de uitvoering
van de Wsw in kaart gebracht. De resultaten van deze consultaties zijn
vervolgens met VNG, Cedris en de cliëntenorganisaties verder uitgewerkt
in de vorm van concrete voorstellen. Ondersteunend aan dit proces is
samen met deze partijen een aantal onderzoeken uitgevoerd die ook met de
hoofdlijnennotitie van juni 2005 aan de Tweede Kamer zijn aangeboden.²
1. Kamerstukken II 2004-2005, 29 817, nr. 7.
2. Kosten per sw-plaats (SEOR, 2005); Goede praktijkvoorbeelden
modernisering Wsw (Berenschot 2004); De ontwikkeling van de
Wsw-CAO (SEOR
2005, ministerie van SZW en Arbeidsinspectie 2005).
Gedurende het
totstandkomingsproces van de voorstellen is gebleken dat de aan de
modernisering ten grondslag liggende uitgangspunten door alle betrokken
partijen worden onderschreven en dat overeenstemming bestaat over de
hoofdrichting van de voorstellen. Een aantal maatregelen dat op grond
van de hoofdrichting door het kabinet in de hoofdlijnennotitie van juni
2005 is voorgesteld, bleek bij een meerderheid van de bij de uitvoering
betrokken partijen niet op instemming te kunnen rekenen. Bij de
behandeling van de moderniseringsvoorstellen in de Tweede Kamer werd
duidelijk dat voor deze maatregelen ook onvoldoende draagvlak bestond
bij de Tweede Kamer. De Tweede Kamer heeft daarop bij motie-Van Hijum en
Bussemaker ¹ verzocht de moderniseringsvoorstellen op deze onderdelen aan
te passen. In concreto ging het om het voorstel een deel van de Wsw-werknemers die vóór 1998 in de Wsw zijn ingestroomd te
herindiceren, het voorstel om wettelijk te regelen dat gedeeltelijk
arbeidsgeschikten pas een Wsw-indicatie kunnen aanvragen nadat is
gebleken dat re-integratie naar de reguliere arbeidsmarkt niet mogelijk
is en het voorstel om in het kader van de vereenvoudiging van de
financieringssystematiek het onderscheid in de subsidiecategorieën voor
matig en ernstig gehandicapten te laten vervallen. Met het door de
Tweede Kamer aangenomen amendement-Verburg van 13 december 2005 ² ten
slotte, is bepaald dat de middelen die in de oorspronkelijke
moderniseringsvoorstellen bestemd waren voor de introductie van een
bonusregeling begeleid werken worden toegevoegd aan het Wsw-macrobudget.
Daarmee is het voornemen om een bonusregeling te introduceren,
vervallen. In dit wetsvoorstel en de verdere uitwerking daarvan in
lagere regelgeving, zijn bovengenoemde maatregelen derhalve niet meer
aan de orde. De overige voorstellen uit de brief van juni 2005 worden
met dit wetsvoorstel en daaropvolgende aanpassing van de lagere
regelgeving gerealiseerd.
1. Kamerstukken II 2005-2006, 29 817, nr. 14.
2. Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 XV, nr. 41.
2. Noodzaak tot
modernisering
De noodzaak om de
Wsw te
herzien, is gelegen in twee factoren. Enerzijds gaat het om de in de
praktijk gevoelde behoefte de uitvoering van de Wsw te verbeteren en een
aantal elementen in de Wsw dusdanig te wijzigen dat de doelstelling die
met de wet wordt beoogd beter kan worden gerealiseerd (zie paragraaf
2.2). Anderzijds noopt de veranderde context van wet- en regelgeving op
het terrein van arbeidsmarkt- en re-integratiebeleid rblz.|3|
en, in het
verlengde daarvan, de gewijzigde verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en
gemeenten, tot herziening van de Wsw (zie paragraaf
2.1).
2.1. Context van wet- en
regelgeving
De veranderde context
heeft onder meer geleid tot een verdergaande decentralisering van
verantwoordelijkheden op het terrein van arbeidsmarkt- en
re-integratiebeleid in de vorm van de introductie van de Wet werk en
bijstand (Wwb). Met de Wwb hebben gemeenten meer beleidsvrijheid en
-verantwoordelijkheid gekregen om op lokaal niveau arbeidsmarkt- en
re-integratiebeleid vorm te geven en is ook de financiële
verantwoordelijkheid voor dit beleid verschoven in de richting van
gemeenten. Gemeenten financieren met behulp van een lumpsumbudget zelf
de re-integratie van gemeentelijke werkzoekenden en bekostigen zelf de
uitkeringslasten voor bijstandsgerechtigde werkzoekenden die er nog niet
in zijn geslaagd te re-integreren op de arbeidsmarkt. De Wsw
is daardoor
als rijksgefinancierde voorziening in financieel opzicht aantrekkelijk
geworden voor gemeenten om moeilijk te re-integreren
bijstandsgerechtigde cliënten te plaatsen. Dat gegeven draagt het
risico in zich dat daarmee een oneigenlijke druk op de instroom in de
Wsw ontstaat. Een toenemende nadruk op re-integratie naar werk in het
kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen die met de introductie van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) zal worden
gerealiseerd, kan er ook toe leiden dat nadrukkelijker naar de Wsw
gekeken wordt als alternatief voor een reguliere arbeidsplaats. In
combinatie met de stijging van de wachtlijsten in de Wsw die zich sinds
eind 2002 voordoet, kan dit ertoe leiden dat personen die uitsluitend op
de Wsw zijn aangewezen, worden verdrongen, hetgeen contrair is aan de
bedoeling van de Wsw. Mede om die reden is in de eerste fase van de
modernisering de verantwoordelijkheid voor de Wsw-indicatiestelling,
waarmee wordt bepaald of personen die zich vrijwillig aanmelden voor de
Wsw ook daadwerkelijk op de Wsw zijn aangewezen, overgedragen van
gemeenten aan CWI. Daarmee wordt een onafhankelijke en uniforme
toelating tot de Wsw gewaarborgd.
2.2. Het beter realiseren
van het met de wet beoogde doel
Met de overdracht van de
Wsw-indicatiestelling per 1 januari 2005 werd de uitvoering van de Wsw
zelf niet gewijzigd. Daarom werd bij de start van de modernisering van
de Wsw al aangegeven dat in een tweede fase de uitvoeringssystematiek
verder zou worden herzien om het bieden van aangepaste arbeid, welke
aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde,
te bevorderen. Het realiseren van dit doel van de wet is na
inwerkingtreding van de wet uit 1998 nog onvoldoende van de grond
gekomen en derhalve voor verbetering vatbaar.
Belangrijke aanleiding
voor deze constatering is dat het aandeel Wsw-geïndiceerden dat bij
(her)indicatie een positief advies begeleid werken krijgt niet in
overeenstemming is met het aandeel daadwerkelijk gerealiseerde begeleid-werkenplaatsen en evenmin met het aandeel Wsw-geïndiceerden dat
anderszins, via detachering vanuit het sw-bedrijf, onder aangepaste
omstandigheden bij reguliere werkgevers werkzaam is. Het verkrijgen van
een positief advies begeleid werken wijst erop dat het verrichten van
arbeid onder aangepaste omstandigheden in een reguliere omgeving gezien
de capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde mogelijk is.
Eind 2005 heeft 39 procent van de Wsw-geïndiceerden op de
Wsw-wachtlijst en 34 procent van de mensen met een Wsw-arbeidsplaats van
na 1998 een positief advies begeleid werken. Van de mensen met een
Wsw-arbeidsplaats van vóór 1998 is niet bekend welk aandeel van hen in
staat zou zijn tot begeleid werken, aangezien het begrip begeleid werken
rblz.|4|
met de wetswijziging van 1998 is geïntroduceerd en deze mensen zijn
vrijgesteld van herindicatie. Ervan uitgegaan kan echter worden dat het
minstens een vergelijkbaar percentage zal zijn, gelet op het feit dat
met de wetswijziging van 1998 de toelatingscriteria voor de Wsw zijn
aangescherpt en er zich onder de doelgroep van vóór 1998 dus
Wsw-werknemers bevinden die tot de Wsw zijn toegelaten op grond van in
de persoon gelegen factoren die volgens de huidige criteria niet worden
gezien als dermate ernstig dat zij tot toelating tot de Wsw zouden
leiden. Ondanks dit relatief hoge aandeel Wsw-geïndiceerden dat op
grond van de aard en ernst van de arbeidshandicap in staat kan worden
geacht tot het verrichten van aangepaste arbeid onder meer reguliere
omstandigheden, werkt eind 2005 slechts 2 procent van het totale aantal
Wsw-werknemers begeleid bij een reguliere werkgever en is 16 procent
gedetacheerd bij een reguliere werkgever. Het merendeel, 83 procent, is
werkzaam in de beschutte omgeving van het sw-bedrijf. Geconstateerd kan
dus worden dat Wsw-geïndiceerden gezien hun capaciteiten en
mogelijkheden nog te vaak werken op een beschutte arbeidsplaats in het
sw-bedrijf. De mogelijkheden voor detachering bij een reguliere
werkgever of voor begeleid werken in dienst van een reguliere werkgever
met behulp van de Wsw-subsidie worden nog onvoldoende benut.
De wijzigingen in
het
wetsvoorstel en de daaropvolgende wijzigingen in de lagere regelgeving
zijn erop gericht om te stimuleren dat meer ingezet wordt op het
realiseren van aangepaste Wsw-arbeidsplaatsen die passen bij de
capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde. Het vergroten
van het aantal begeleid-werkenplaatsen is derhalve geen doelstelling op
zichzelf. Het gaat erom dat Wsw-geïndiceerden de kans krijgen zich te
ontplooien in een arbeidsomgeving die het beste recht doet aan hetgeen
de Wsw-geïndiceerde kan. Om dit te realiseren, beoogt de modernisering
van de Wsw de uitvoeringsstructuur weer terug te brengen bij de
doelstelling van de wet.
Uit onder meer overleg
met alle bij de uitvoering van de Wsw betrokken partijen is gebleken dat
belemmeringen bij het realiseren van deze doelstelling te maken hebben
met de door gemeenten ervaren verantwoordelijkheid voor de Wsw (zie
paragraaf 2.2.1), de mogelijkheden die Wsw-geïndiceerden zelf hebben om
sturing te geven aan het realiseren van een passende Wsw-arbeidsplaats
(zie paragraaf 2.2.2) en de bereidheid van werkgevers om arbeidsplaatsen
voor Wsw-geïndiceerden beschikbaar te stellen (zie paragraaf
2.2.3).
2.2.1. Versterken van de
gemeentelijke verantwoordelijkheid
De noodzaak tot het
verder versterken van de gemeentelijke verantwoordelijkheid is ingegeven
door de uitvoeringspraktijk die in de afgelopen jaren - mede door de
gehanteerde financieringssystematiek - is ontstaan. In de meeste
gevallen heeft het gemeentebestuur op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr) de uitvoering overgedragen aan een
openbaar lichaam en zijn alle verantwoordelijkheden voor de uitvoering
van de Wsw
overgeheveld naar het Wgr-verband. In het geval gemeenten
samenwerken in een Wgr-verband wordt ook het rijksbudget hiernaartoe
overgemaakt. Daarnaast biedt de huidige Wsw de mogelijkheid aan
gemeenten en Wgr-verbanden om een sw-bedrijf als privaatrechtelijk rechtspersoon aan te wijzen als verantwoordelijke voor de uitvoering van
de Wsw. Door de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wsw in
handen te leggen van een Wgr-verband of een privaatrechtelijk sw-bedrijf
kunnen individuele gemeenten een belemmering ervaren bij het aansturen
van de uitvoering naar eigen inzicht. Gemeenten komen hierdoor op een
relatief grote afstand te staan van de eigen Wsw-geïndiceerde
ingezetenen én het aanbod dat aan hen in het kader van de Wsw rblz.|5|
wordt
gedaan. In de praktijk gebeurt het lang niet altijd dat een
arbeidsplaats op maat gesneden wordt voor een instromende Wsw-werknemer.
Vooral in de situatie waarin het sw-bedrijf een centrale positie inneemt
bij de inzet van de Wsw-subsidie en het plaatsen van Wsw-geïndiceerden
van de wachtlijst, is bij plaatsing van Wsw-geïndiceerden vaak de
beschikbare "vacature" in het sw-bedrijf het uitgangspunt, en niet de
vraag of deze arbeidsplaats ook de best passende plaats is. Vanuit
bedrijfseconomisch belang van het sw-bedrijf is het vaak aantrekkelijker
en eenvoudiger om een Wsw-geïndiceerde - zeker de meer productieve
Wsw-geïndiceerden - in het sw-bedrijf te plaatsen dan om op zoek te
gaan naar een werkgever buiten het sw-bedrijf waar een aangepaste
arbeidsplaats met inzet van het Wsw-budget gerealiseerd zou kunnen
worden. Zelfs als die arbeidsplaats beter past bij de capaciteiten en
mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde zelf.
In de overleggen met
gemeenten bij de voorbereiding van de moderniseringsvoorstellen is ook
duidelijk gebleken dat gemeenten zelf de noodzaak inzien om de Wsw-geïndiceerde meer centraal te stellen bij de uitvoering van de Wsw.
Los daarvan zijn gemeenten ook vanuit financieel oogpunt overtuigd van
de noodzaak een omslag in het sw-bedrijf te bewerkstelligen. Vanuit
gemeenten en sw-bedrijven komen signalen dat het moeilijker wordt om
werkzaamheden voor Wsw-werknemers aan te bieden die voldoende
opbrengsten genereren om de Wsw kostendekkend te kunnen uitvoeren. De
wijze waarop grootschalige sw-bedrijven zijn ingericht, in combinatie
met veranderende marktverhoudingen en een afnemende vraag naar bepaalde
soorten van laaggeschoolde arbeid, blijkt in een toenemend aantal
gemeenten te leiden tot een verminderde rendabiliteit van de
bedrijfsvoering binnen sw-bedrijven. Samen met de sector is dan ook
geconstateerd dat een omslag moet plaatsvinden van de gerichtheid op
deze kapitaalintensieve werkvormen naar werkvormen waarmee de verhouding
tussen de kosten en opbrengsten van een Wsw-plaats beter in balans zijn
en de risico’s lager zijn. Dit past in de gewenste ontwikkeling die
door de sector zelf wordt aangeduid als de beweging van het sw-bedrijf
als productiebedrijf naar het sw-bedrijf als mensontwikkelbedrijf,
waarin arbeid op maat en expertise ten aanzien van passende begeleiding
zorgen voor een werkomgeving waarin aan Wsw-geïndiceerden een
arbeidsplaats wordt geboden die optimaal aansluit bij de capaciteiten en
mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde zelf. De binnen de Wsw
beschikbare middelen dienen daarvoor te worden aangewend en niet te
worden geïnvesteerd in het op peil houden van productielijnen en
productieomgevingen die gezien de huidige marktontwikkelingen steeds
minder rendabel worden en dus de inzet van een steeds groter deel van de
Wsw-middelen vergen. Daar komt nog bij dat aangepaste arbeidsplaatsen
buiten het sw-bedrijf over het algemeen goedkoper te realiseren zijn dan
arbeidsplaatsen in het sw-bedrijf.
Een toelichting op de
concrete maatregelen die ten aanzien van het versterken van de
gemeentelijke verantwoordelijkheid zijn getroffen en de gevolgen daarvan
voor het sw-bedrijf is opgenomen in paragraaf 3.2.
2.2.2. Het creëren van
meer rechten voor de Wsw-geïndiceerde
De doelstelling om het
werken in een zo regulier mogelijke omgeving te bevorderen, is ingegeven
vanuit het uitgangspunt dat de Wsw als vrijwillige voorziening voor een
specifieke groep arbeidsgehandicapten zo goed mogelijk moet aansluiten
bij de capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerden. Bij het
centraal stellen van de Wsw-geïndiceerde past ook het zorg dragen voor
voldoende rechten voor de Wsw-geïndiceerde. Wanneer de
Wsw-geïndiceerde de mogelijkheid heeft om mede te bepalen op welke plek
en op welke manier zijn arbeidsplaats wordt gerealiseerd, rblz.|6|
komt dit het
maatwerk ten goede. Binnen de kaders van meer beleidsvrijheid en
-verantwoordelijkheid voor gemeenten is het daarom van belang dat de
Wsw-geïndiceerde zijn stem kan laten gelden bij het vormgeven van het
aanbod dat in het kader van de Wsw aan hem wordt gedaan.
Ook de voorgenomen
Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gaat uit van meer sturing en regie
door gemeenten en meer eigen verantwoordelijkheid voor de cliënt. Meer
eigen verantwoordelijkheid van de cliënt voor re-integratie komt tevens
terug in de Wet WIA. De aanpassingen van de Wsw
in het kader van de
tweede fase van de modernisering sluiten hierbij aan. Daarmee kan de Wsw,
als aparte voorziening voor een specifieke doelgroep, worden ingezet op
een manier die past bij de lokale situatie én aansluit bij de
capaciteiten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde.
In
paragraaf 3.3 worden
de maatregelen ter vergroting van de rechten van de Wsw-geïndiceerden
beschreven.
2.2.3. Het betrekken van
reguliere werkgevers
Medewerking van reguliere
werkgevers is onontbeerlijk om het aangepaste werken in een zo regulier
mogelijke omgeving te kunnen bevorderen. Voor het realiseren van Wsw-arbeidsplaatsen buiten het sw-bedrijf in de vorm van begeleid werken
kunnen gemeenten afspraken maken met reguliere werkgevers over de inzet
van de Wsw-subsidie ten behoeve van een loonkostensubsidie, de
aanpassingen die noodzakelijk zijn om arbeid te kunnen verrichten en de
inkoop van begeleiding op de werkvloer. Dit blijkt in de praktijk niet
genoeg om werkgevers te overtuigen Wsw geïndiceerden in dienst te
nemen. Werkgevers zijn onbekend met de doelgroep van de Wsw en de
mogelijkheden die de Wsw-subsidie biedt. Daarnaast geven werkgevers aan
huiverachtig te zijn voor het in dienst nemen van een Wsw-geïndiceerde
in verband met de risico’s in geval van ziekte en
arbeidsongeschiktheid en het wegvallen van de Wsw-subsidie als
betrokkene bij herindicatie niet meer tot de doelgroep blijkt te
behoren.
In paragraaf
3.4 wordt
nader ingegaan op de weg waarlangs de betrokkenheid van reguliere
werkgevers kan worden vergroot.
3. Nieuwe situatie
3.1. Context van wet- en
regelgeving
In de hoofdlijnennotitie
"Vervolg modernisering Wsw" van september 2004 en de brief van juni 2005
is uitgebreid ingegaan op de positionering van de Wsw en de noodzaak om
deze ten opzichte van omliggende wet- en regelgeving beter af te bakenen
om daarmee de Wsw voor de doelgroep te kunnen behouden. Met de
wijzigingen in het kader van de modernisering van de Wsw is in deze
afbakening van de Wsw ten opzichte van het arbeidsmarkt- en
re-integratiebeleid enerzijds en het zorgbeleid anderzijds voorzien.
Het arbeidsmarkt- en
re-integratiebeleid dat op lokaal niveau gevoerd wordt door gemeenten en
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is
erop gericht
om werkzoekenden toe te leiden naar een plek op de reguliere
arbeidsmarkt. Voor groepen voor wie een reguliere arbeidsplaats niet
direct tot de mogelijkheden behoort, kunnen voorzieningen in het kader
van re-integratie worden ingezet, waaronder tijdelijk gesubsidieerde
arbeidsplaatsen. De Wsw is niet bedoeld voor deze groepen. De Wsw is
uitsluitend bedoeld voor personen met een lichamelijke, rblz.|7|
verstandelijke
en/of psychische arbeidshandicap die vanwege die handicap duurzaam niet
in staat zijn om arbeid onder reguliere omstandigheden te verrichten.
Voor zover deze personen op vrijwillige basis in het kader van de Wsw op
een aangepaste arbeidsplaats willen participeren, komen deze personen in
aanmerking voor een Wsw-indicatie. Toeleiding van moeilijk te
re-integreren doelgroepen naar de Wsw door gemeenten en UWV is dan ook
niet aan de orde. Voor gehandicapten die vanwege de ernst van de
handicap niet kunnen werken, ook niet in het kader van de Wsw, bestaat
de mogelijkheid van een zorgaanbod in het kader van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), ook wel dagbesteding genoemd, dat is
gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en het voorkomen van
sociaal isolement.
De bovenstaande
positionering van de Wsw als vrijwillige aparte voorziening voor een
specifieke, afgebakende groep arbeidsgehandicapten die op de Wsw is
aangewezen, dient ook gewaarborgd te zijn in omliggende wet- en regelgeving
(Wwb, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz), Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw),
Werkloosheidswet (WW), Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), Wet WIA, AWBZ). In
paragraaf 3.5 worden de maatregelen
toegelicht die zijn getroffen om te waarborgen dat er sprake is van
sluitendheid in het aanbod dat vanuit deze wetten wordt gedaan aan
personen die daarvoor in aanmerking komen en dat de voor de
Wsw-doelgroep uit de Wsw voortvloeiende rechten en plichten
gestroomlijnd worden met de omliggende wet- en regelgeving.
3.2. Het versterken van de
gemeentelijke verantwoordelijkheid
Subsidie naar individuele
gemeenten
Individuele
gemeenten
zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw
voor de
Wsw-geïndiceerden die woonachtig zijn in de eigen gemeente. Om de
verantwoordelijkheid van individuele gemeenten te benadrukken en hen
meer mogelijkheden te bieden om regie te voeren op de uitvoering van de
Wsw, zullen de rijksmiddelen voor de Wsw jaarlijks aan individuele
gemeenten worden verstrekt. De wijziging in de financieringsrelatie laat
onverlet dat samenwerking van gemeenten in Wgr-verband mogelijk blijft.
Gemeenten maken zelf bewust de afweging of en in hoeverre zij taken die
gemoeid zijn met de uitvoering van de Wsw en het bijbehorende budget
overdragen aan het samenwerkingsverband. Dit betekent dat gemeenten
ervoor kunnen kiezen om het wachtlijstbeheer, mits uitgesplitst naar
individuele gemeenten (zie paragraaf 3.3, recht op tijdige plaatsing),
het verzorgen van de aanvraag voor herindicatie bij CWI
en/of het
realiseren van passende Wsw-arbeidsplaatsen voor de eigen
Wsw-geïndiceerde ingezetenen over te laten aan het Wgr-verband. Indien
gemeenten op dit moment in Wgr-verband samenwerken, dienen zij bij de
vraag of en onder welke voorwaarden zij in Wgr-verband willen blijven
samenwerken uiteraard wel rekening te houden met bestaande afspraken en
verplichtingen die met de andere gemeenten zijn aangegaan.
Scheiding tussen het
publieke en private domein
Om de gemeentelijke
regiefunctie te versterken, is vastgelegd dat een aantal met de
uitvoering van de Wsw gemoeide taken, te weten het wachtlijstbeheer, het
verzorgen van de aanvraag voor herindicatie bij CWI
en het bekostigen
van begeleid-werkenplaatsen, tot de verantwoordelijkheid behoort van het
publieke domein, te weten de gemeente of het Wgr-verband als verlengd
lokaal bestuur. De verantwoordelijkheid voor rblz.|8|
bovengenoemde taken kan
door de gemeente of het Wgr-verband niet meer worden gedelegeerd aan een
privaatrechtelijke rechtspersoon. In de oude situatie kon dat wel. De
wijziging om het sw-bedrijf als aparte rechtspersoon niet langer
verantwoordelijk te laten zijn voor het wachtlijstbeheer, het verzorgen
van de aanvraag voor herindicatie bij CWI en het bekostigen van begeleid-werkenplaatsen past in de doelstelling om de Wsw-geïndiceerde centraal
te stellen bij de uitvoering van de Wsw. Daar waar het gaat om het
tijdig bieden van Wsw-plaatsen en het beoordelen van de passendheid
daarvan moet het belang van de individuele Wsw-geïndiceerde altijd
leidend zijn. Het is aan de gemeente of het Wgr-verband om dit te
bewaken. Het bedrijfseconomisch belang in het sw-bedrijf kan immers soms
tegengesteld zijn aan de doelstelling van de Wsw en de uitwerking
daarvan voor individuele Wsw-geïndiceerden. Zo kan het voor een
sw-bedrijf aantrekkelijk zijn om de relatief productieve
Wsw-geïndiceerden snel te plaatsen vanaf de wachtlijst, ten koste van
relatief minder productieve Wsw-geïndiceerden. Ook het actief
bevorderen van uitstroom van relatief productieve Wsw-geïndiceerden uit
het sw-bedrijf naar begeleid werken is in bedrijfseconomisch opzicht
niet in het belang van het sw-bedrijf. Door de verantwoordelijkheid voor
de uitvoering van de taken op dit gebied bij de gemeente of het
Wgr-verband te houden, wordt voorkomen dat dergelijke tegengestelde
belangen van doorslaggevende invloed zijn op het beleid dat ten aanzien
van individuele Wsw-geïndiceerden wordt gevoerd. Wel kan de gemeente of
het Wgr-verband bovengenoemde taken mandateren aan een privaatrechtelijk sw-bedrijf. Het sw-bedrijf handelt dan echter
uitsluitend in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de gemeente of
het Wgr-verband.
Voor het overige is de
taak van het sw-bedrijf in het kader van de uitvoering van de Wsw
gelegen in het bieden van beschutte arbeidsplaatsen, voor zover de gemeente
of het Wgr-verband het sw-bedrijf daar door middel van een
aanwijzingsbesluit toe heeft aangewezen, en het in opdracht van de
gemeente of het Wgr-verband zoeken naar begeleid werkenplaatsen en het
verzorgen van de begeleiding op de werkvloer.
Met deze wijzigingen
neemt de hoeveelheid taken die met de uitvoering van de Wsw
is gemoeid
niet toe. Door vereenvoudiging van de financieringssystematiek (zie
volgende onderdeel) is juist sprake van een aanzienlijke vermindering
van administratieve en verantwoordingslasten voor de gemeenten. De met
de uitvoering van de Wsw gemoeide kosten nemen door de maatregelen in
het wetsvoorstel per saldo dan ook niet toe. Wel kan in de gemeentelijke
uitvoering sprake zijn van een verschuiving van taken, doordat de
gemeente een aantal taken overneemt die op dit moment worden uitgevoerd
door het privaatrechtelijke sw-bedrijf. Daar de gemeenten alle taken die
gemoeid zijn met de uitvoering van de Wsw bekostigen vanuit het
Wsw-budget, ligt het in die gevallen voor de hand om dat deel van de
Wsw-middelen waarmee de uitvoering van die taken door het
privaatrechtelijke sw-bedrijf thans wordt bekostigd niet langer aan het
sw-bedrijf beschikbaar te stellen, maar binnen de gemeente zelf in te
zetten, zodat geen sprake is van een nettokostenstijging voor de
gemeente.
Door voornoemde
maatregelen is de regie op de uitvoering van de Wsw
nadrukkelijker in
handen gelegd van individuele gemeenten. Gemeenten worden hiermee
gestimuleerd vooraf na te denken op welke wijze zij het doel van de
wet,
het realiseren van aangepaste arbeid welke aansluit bij de capaciteiten
en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde, het beste kunnen realiseren.
Gemeenten zullen voor het realiseren van meer Wsw-arbeid buiten het
sw-bedrijf, door in te zetten op directe plaatsing vanaf de wachtlijst
bij een reguliere werkgever middels detachering of begeleid werken en
door in te zetten op doorstroom vanuit het sw-bedrijf, rblz.|9|
tijd nodig
hebben. Voor zover dat leidt tot een vermindering van de inkomsten van
het sw-bedrijf, waarmee de gemeente vervolgens zelf geconfronteerd
wordt, is de gedachte dat de focus van de gemeente desalniettemin minder
eenzijdig bij het bedrijfseconomische belang van het sw-bedrijf ligt en
dat de gemeenten in staat zullen zijn goede afwegingen te maken tussen
het belang van het sw-bedrijf enerzijds en het belang van de
Wsw-geïndiceerde anderzijds. Gemeenten zullen samen met sw-bedrijven
een toekomstvisie moeten ontwikkelen. Daarbij zal gekeken moeten worden
in hoeverre de werkzaamheden die nu aangeboden worden door sw-bedrijven
passen bij de doelgroep van de Wsw die is aangewezen op beschutte arbeid
en ook in financieel opzicht rendabel kunnen zijn. Met de verhoogde
beleidsvrijheid die gemeenten geboden wordt en de vereenvoudiging van de
uitvoering van de Wsw krijgen gemeenten de ruimte om aan een eventueel
noodzakelijke afbouw, hervorming en/of het anderszins benutten van de
infrastructuur van het sw-bedrijf op eigen wijze en in eigen tempo vorm
te geven.
Vereenvoudiging van de
financieringssystematiek
Om gemeenten
optimaal de
ruimte te geven om op lokaal niveau vorm te geven aan de uitvoering van
de Wsw en hierbij eigen, op de lokale situatie toegespitste keuzes te
maken ten aanzien van de uitvoeringsstructuur, is de
Wsw-financieringssystematiek vereenvoudigd. Gemeenten zullen te maken
krijgen met een sterke vermindering van de verantwoordingslasten en
minder beperkende voorwaarden bij de inzet van het Wsw-budget. Tegelijkertijd wordt met de nieuwe verdeelsystematiek de
verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de eigen Wsw-geïndiceerden,
dat wil zeggen de Wsw-geïndiceerden die in de eigen gemeente woonachtig
zijn, benadrukt.
Het beschikbare
Wsw-macrobudget van circa €|2,2 miljard
zal jaarlijks over gemeenten
worden verdeeld op basis van het aantal Wsw-geïndiceerden dat in elke
gemeente woonachtig is. Het aandeel van het landelijk beschikbare
Wsw-budget dat een individuele gemeente zal ontvangen, is gelijk aan het
aandeel Wsw-geïndiceerden dat woonachtig is in die gemeente ten
opzichte van het totale aantal Wsw-geïndiceerden in Nederland. Het
Wsw-budget dat gemeenten ontvangen, dient in beginsel volledig te worden
aangewend voor de uitvoering van de Wsw. Het beschikbare Wsw-macrobudget
is in de huidige systematiek gebaseerd op de structurele financiering
van circa 90 000 voltijds Wsw-arbeidsplaatsen. Dit aantal blijft in de
nieuwe systematiek gehandhaafd. Ontvangt een gemeente een x-percentage
van het totale Wsw-budget, dan zal deze gemeente ten minste hetzelfde
percentage van de circa 90 000 Wsw-arbeidsplaatsen moeten realiseren.
Gemeenten zijn verplicht om Wsw-arbeidsplaatsen waarop hun eigen
Wsw-geïndiceerden werkzaam zijn te financieren. Dat betekent dat
wanneer Wsw-werknemers die woonachtig zijn of gaan wonen in een andere
gemeente dan de gemeente die de Wsw-plaats heeft gerealiseerd, de
eerstgenoemde gemeente de kosten voor de Wsw-plaats, zolang deze
voortduurt, dient te betalen.
Gemeenten
dienen
overschotten op het Wsw-budget die er zijn na realisatie van het
minimale aantal Wsw-arbeidsplaatsen altijd in te zetten voor de
uitvoering van de Wsw. Daarmee worden gemeenten gestimuleerd om met het
verstrekte Wsw-budget méér Wsw-arbeidsplaatsen te realiseren dan het
minimale aantal. Alleen indien het minimale aantal Wsw-arbeidsplaatsen
is gerealiseerd en er geen Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst staan in
de desbetreffende gemeente, mag de gemeente een eventueel overschot op
het Wsw-budget voor andere doeleinden inzetten.
De andere wijze van
verdelen van het Wsw-budget over gemeenten kan tot herverdeeleffecten
leiden. Onder herverdeeleffecten wordt verstaan de rblz.|10|
mate waarin een
gemeente in enig jaar meer of minder Wsw-budget ontvangt dan in het
voorgaande jaar ten koste of ten gunste van de verstrekking van
Wsw-budget aan andere gemeenten. Ook in de huidige systematiek is
jaarlijks sprake van herverdeeleffecten. Om deze effecten te beperken en
gemeenten niet met te grote wisselingen in de budgetverstrekking van
jaar op jaar te confronteren, wordt thans de zogenaamde
95-procentgarantie gehanteerd. Ook in de nieuwe verdeelsystematiek zal
sprake zijn van een 95-procentgarantie.
De rijksfinanciering van
Wsw-arbeidsplaatsen is gericht op personen met een
Wsw-indicatie, die
voor hun arbeidsinschakeling uitsluitend op de Wsw aangewezen zijn. Dat
betekent ook dat voor personen die blijkens een herindicatiebeschikking
niet meer behoren tot de Wsw-doelgroep, arbeidsplaatsen niet blijvend
met het rijks-Wsw-budget kunnen worden gefinancierd. De rijkssubsidie
voor arbeidsplaatsen van personen die geen Wsw-indicatie meer hebben,
loopt om die reden in een periode van vijf jaar tijd af. Deze periode
dient door gemeenten te worden benut om een alternatief aanbod voor de
betrokken werknemer te realiseren.
Gemeenten kunnen
Wsw-geïndiceerden niet uit hun Wsw-arbeidsplaats ontslaan zonder hen
een dergelijk alternatief aanbod te hebben gedaan. Lukt dit niet binnen
vijf jaar, dan zijn de gemeenten zelf volledig verantwoordelijk voor de
doorfinanciering van de arbeidsplaats tot het moment waarop alsnog een
alternatief aanbod beschikbaar is. Gemeenten kunnen hiervoor - naast
andere middelen - ook het werkdeel van het Wwb-budget inzetten. In de
oude situatie werd de financiering vanuit het Wsw-budget na verlies van
de Wsw-indicatie pas stopgezet op het moment dat de gemeente een passend
ander aanbod had gedaan aan de voormalige Wsw-geïndiceerde. In de
praktijk komt het voor dat een dergelijk aanbod van de gemeente bewust
achterwege blijft, waardoor de betrokkene zonder Wsw-indicatie in
beginsel tot de pensioengerechtigde leeftijd op een Wsw-arbeidsplaats
met Wsw-subsidie werkzaam kan blijven. Aan die praktijk wordt met deze
maatregel een einde gemaakt door de termijn van doorfinanciering met
Wsw-middelen voor deze arbeidsplaatsen tot maximaal vijf jaar te
beperken. Op die manier komt ook ruimte vrij voor personen die wél tot
de Wsw-doelgroep behoren en nog op de wachtlijst staan in afwachting van
plaatsing op een Wsw-arbeidsplaats.
Individuele
gemeenten zullen zelf verantwoording over de besteding van de rijksmiddelen moeten
afleggen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de gemeenteraden in alle
gevallen nauw betrokken zijn bij en op de hoogte zijn van de prestaties
die worden geleverd voor de Wsw-geïndiceerden die ingezetenen zijn van
de eigen gemeente.
Gemeenten hoeven daarvoor
niet langer een apart verantwoordingsverslag in te dienen, maar kunnen
de benodigde gegevens opnemen in de gemeentelijke jaarrekening. De
jaarrekening met daarin de benodigde gegevens is voldoende voor het Rijk
om het Wsw-budget per gemeente te kunnen vaststellen. De verantwoording
over de Wsw wordt hierdoor voor gemeenten vereenvoudigd, hetgeen gepaard
gaat met een aanzienlijk vermindering van administratieve en
verantwoordingslasten. Dit past in het algemene beleid van het kabinet
om ernaar te streven de administratieve en verantwoordingslasten waar
mogelijk terug te dringen en spoort tevens met de aanbevelingen die zijn
gedaan door de commissie-Brinkman in het rapport "Anders gestuurd beter
bestuurd: de specifieke uitkeringen doorgelicht" en het daarop
geformuleerde kabinetsstandpunt.¹ Conform het in het kabinetsstandpunt
geformuleerde voornemen wordt met deze wijziging van de Wsw ook het
principe van single audit en single information voor de Wsw ingevoerd.
Het Rijk vraagt bij single information en single audit naar informatie
die zoveel mogelijk aansluit bij de informatiebehoefte en
verantwoordingsmomenten van de gemeenten en rblz.|11|
provincies zelf. Dat
betekent voor de Wsw dat het Rijk voldoende heeft aan het jaarverslag
inclusief de jaarrekening van een gemeente. Deze jaarstukken moeten
ieder jaar volgend op het jaar waarover verantwoording wordt afgelegd,
uiterlijk 15 juli aan het Rijk worden aangeleverd. Inherent aan
invoering van single information en single audit is dat er geen aparte
verantwoordings- en accountantsverklaring per specifieke uitkering meer
wordt gevraagd. Daarvoor in de plaats wordt een bijlage bij de
jaarrekening van iedere medeoverheid meegenomen. In deze bijlage wordt
alleen de noodzakelijke verantwoordingsinformatie per specifieke
uitkering opgenomen, zodat het Rijk zijn verantwoordelijkheid voor het
beheer van specifieke uitkeringen beter kan waarmaken.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 29 800 B, nr. 16.
Gezien de beoogde
inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2008 zal de
subsidieverstrekking voor het uitvoeringsjaar 2008, die plaatsvindt in
2007, conform de in dit wetsvoorstel en in het voorstel tot wijziging
van het Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken opgenomen systematiek plaatsvinden. Gemeenten zullen
vóór 1 oktober 2007
een subsidietoekenning ontvangen volgens de nieuwe systematiek, onder
het voorbehoud van inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2008.
Neveneffecten
In veel gevallen zullen
de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen voor gemeenten aanleiding
zijn om de uitvoeringsstructuur te herzien. De gemoderniseerde Wsw
biedt
gemeenten echter ook de mogelijkheid om, ten opzichte van de
huidige gemeentelijke uitvoering, andere beleidskeuzes te maken, maar daarbij de
huidige uitvoeringsstructuur goeddeels onaangepast te laten. Als
gemeenten ervoor kiezen om het als zelfstandige gemeente te ontvangen
Wsw-budget integraal over te dragen aan het Wgr-verband of de
taken die voortvloeien uit de Wsw te mandateren aan het
privaatrechtelijke sw-bedrijf, dan kan dat. Het enige waar gemeenten dan rekening
mee moeten houden, is dat een deel van het ontvangen budget mogelijk
ingezet moet worden voor Wsw-geïndiceerden uit de eigen gemeente die
in een andere gemeente werkzaam zijn en dus door de woongemeente
gefinancierd moeten worden. Voor het
overige hoeft de
wijziging van de financierings- en uitvoeringssystematiek voor gemeenten geen
consequenties te hebben. Desalniettemin is de op grond van signalen van
gemeenten gestaafde verwachting dat veel gemeenten in de
wijzigingen aanleiding zullen zien om de uitvoering van de Wsw, mede uit
eerdergenoemde overwegingen ten aanzien van de financiële houdbaarheid
van de sw-bedrijven, te heroverwegen.
Voor de sw-bedrijven kan
een toenemende gerichtheid op aangepaste Wsw-arbeidsplaatsen
buiten het sw-bedrijf op termijn een krimp betekenen. Daarvoor geldt ten eerste
dat het in stand houden van een sw-bedrijf niet het doel
van de Wsw kan zijn en in die zin geen overweging mag vormen voor het
blijven plaatsen van Wsw-geïndiceerden in het sw-bedrijf. Het
Wsw-budget moet worden ingezet ten behoeve van de Wsw-geïndiceerde en niet
ten behoeve van het in stand houden van een infrastructuur als dat
laatste ten koste zou gaan van de mogelijkheden die de Wsw-geïndiceerden kan
worden geboden. Ten tweede geldt dat het gemeenten en UWV in het
kader van het voeren van integraal arbeidsmarktbeleid vrijstaat om de
infrastructuur van het sw-bedrijf desgewenst ook voor andere,
niet-Wsw-geïndiceerde, personen in te zetten. Trajecten en gesubsidieerde
arbeidsplaatsen in een sw-bedrijf voor niet-Wsw-geïndiceerde personen vallen echter
buiten het kader van de Wsw en kunnen onder geen enkele
voorwaarde met Wsw-middelen worden gefinancierd. Voor zover sw-bedrijven
naast Wsw-plaatsen voor Wsw-geïndiceerde personen ook andere, al
of niet overheidsgefinancierde, arbeidsplaatsen aanbieden, dient sprake
te zijn van een transparante boekhouding.
rblz.|12|
Een
neveneffect voor sw-bedrijven kan tevens zijn dat de meer productieve Wsw-geïndiceerden
waarvoor een aangepaste Wsw-arbeidsplaats relatief minder duur is,
steeds meer buiten het sw-bedrijf gepositioneerd zullen gaan worden,
waardoor de Wsw-arbeidsplaatsen in het sw-bedrijf, voor de minst productieve
en meest ernstig gehandicapte werknemers, relatief duurder worden.
Doordat gemeenten de ruimte hebben om te differentiëren in de per
Wsw-plaats in te zetten middelen, kan dit verschil worden opgevangen: door
buiten het sw-bedrijf arbeidsplaatsen te realiseren waarvoor minder dan de
per Wsw-plaats beschikbare subsidie hoeft te worden ingezet, is
meer subsidie per Wsw-plaats beschikbaar voor Wsw-plaatsen in het
sw-bedrijf. Daardoor kan ook meer maatwerk geleverd worden voor de
Wsw-werknemers die aangewezen zijn op een beschutte Wsw-arbeidsplaats in het
sw-bedrijf.
Om gemeenten
te
ondersteunen bij het maken van strategische keuzes ten aanzien van de
uitvoeringsstructuur, de samenwerking in Wgr-verband en de positionering van
het sw-bedrijf, is door het ministerie van SZW aan Ecorys de
opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de verschillen tussen
gemeenten, Wgr-verbanden en sw-bedrijven als het gaat om de met de
uitvoering van de Wsw en het bieden van Wsw-plaatsen gemoeide kosten. Er zijn sw-bedrijven waar de rijkssubsidie
en de met de Wsw-arbeid
gegenereerde opbrengsten structureel in gunstige verhouding staan
tot deze kosten en waar dus, ook zonder een gemeentelijke bijdrage, altijd winst gemaakt wordt. Andere sw-bedrijven
zijn van oudsher
afhankelijk van een gemeentelijke bijdrage om exploitatietekorten te kunnen dekken.
Daarnaast zijn er sw-bedrijven waar het exploitatieresultaat van
jaar op jaar varieert, zij het dat in de afgelopen jaren een toenemend
aantal sw-bedrijven geconfronteerd is met het oplopen van tekorten.
Door op basis van onderzoek inzicht te bieden in de oorzaken en de factoren
die ten grondslag liggen aan de uiteenlopende financiële resultaten
van de uitvoering van de Wsw door gemeenten, kan gemeenten een handvat
worden geboden om de eigen uitvoeringssituatie te bezien, te vergelijken
met anderen en zo nodig te herzien.
3.3. Het creëren van meer
rechten voor de Wsw-geïndiceerde
Recht op tijdige
plaatsing
Wsw-geïndiceerden
krijgen recht op tijdige plaatsing op een passende Wsw-arbeidsplaats. In
concreto betekent dit dat de Wsw-geïndiceerde bij de gemeente
een klacht
kan indienen indien na twaalf maanden wachttijd voor het realiseren van
een Wsw-arbeidsplaats nog voldoende Wsw-budget beschikbaar
is, omdat het minimumaantal plaatsen nog niet is gerealiseerd, of een
Wsw-geïndiceerde die later op de Wsw-wachtlijst is ingestroomd eerder is
geplaatst. De gemeente is dan verplicht om betrokkene onverwijld in dienst te
nemen. Voldoet de gemeente hier niet aan, dan kan de
Wsw-geïndiceerde bij de civiele rechter een vordering tegen het college
van
burgemeester en wethouders instellen wegens onrechtmatige daad (het niet uitvoeren
van de wet). Om dit recht te kunnen effectueren, wordt geregeld dat
gemeenten aan Wsw-geïndiceerden die langer dan twaalf maanden tot de
doelgroep behoren en op de wachtlijst staan zodanig inzage dienen te
geven in de plaatsingen die door de gemeente zijn gerealiseerd dat de
Wsw-geïndiceerde kan beoordelen of er sprake is geweest van plaatsing van
andere Wsw-geïndiceerden in afwijking van de geldende volgorde (zie
artikel 8, achtste lid, van het voorstel tot wijziging van het
Besluit
uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken). Er zijn geen aanvullende
wettelijke voorschriften opgenomen over de wijze waarop de gemeente dit
exact moet doen, om gemeenten de ruimte te geven hieraan op een op
de lokale situatie toegespitste wijze vorm te geven. In een gemeente
met vijf Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst is mogelijk een andere
systematiek passend dan in een gemeente met 500 rblz.|13|
Wsw-geïndiceerden op de
wachtlijst. De wijze waarop de gemeente vormgeeft aan zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het inzichtelijk maken
van de positie op de
wachtlijst aan zijn Wsw-geïndiceerden is een passend onderwerp van
overleg tussen de gemeente en de Wsw-geïndiceerden in het kader van de
cliëntenparticipatie (zie onderstaand).
Met het vastleggen van
het recht van de Wsw-geïndiceerde op tijdige plaatsing komt de huidige
verplichting voor gemeenten om verantwoording aan het Rijk af te leggen
over het wachtlijstbeheer te vervallen.
Recht op keuze
begeleidingsorganisatie
Als de
gemeente een
begeleidingsorganisatie inschakelt voor het zoeken naar een passende
begeleid-werkenplaats en het verzorgen van de begeleiding op de werkvloer, heeft de
Wsw-geïndiceerde het recht een keuze te maken tussen ten minste
twee begeleidingsorganisaties (zie artikel
11, tweede lid, van het
voorstel tot wijziging van het Besluit
uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken). Tevens wordt geregeld dat indien de inspanningen van
gemeenten om een begeleid-werkenplaats te realiseren na zes maanden nog niet
hebben geleid tot een Wsw-arbeidsplaats, de Wsw-geïndiceerde het
recht heeft om zelf een begeleidingsorganisatie aan te dragen (zie
artikel 11, vierde lid, van het voorstel tot wijziging van het
Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken).
Recht op een
persoonsgebonden budget begeleid werken
In het verlengde hiervan
is de rol van de Wsw-geïndiceerde zelf ook vergroot door het
introduceren van de mogelijkheid gebruik te maken van een persoonsgebonden
budget voor begeleid werken. De gemeente is gehouden het beschikbare
Wsw-budget conform de wens van de Wsw-geïndiceerde in te
zetten voor begeleid werken als:
1. de door de
Wsw-geïndiceerde of de door hem aangedragen begeleidingsorganisatie
voorgestelde werkplek en de begeleiding op de werkplek aan de door
de gemeente gestelde kwaliteitseisen voldoen;
2. de betrokkene
werknemer is of recht heeft op plaatsing; en
3. de door de gemeente
aan de werkgever te verstrekken periodieke subsidie en de aan de begeleidingsorganisatie te verstrekken vergoeding,
na aftrek van de door de
gemeente rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
uitvoeringskosten, binnen het voor een Wsw-plaats beschikbare
budget passen.
De gemeenteraad dient bij
verordening nadere regels te stellen over de wijze waarop het college
vorm geeft aan het persoonsgebonden budget. Die regels dienen in
ieder geval betrekking te hebben op:
1. de wijze waarop de
hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te worden
vastgesteld;
2. de hoogte van de voor
het college rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis;
3. de voorwaarden
waaronder het college aan de werkgever een vergoeding verstrekt voor de
eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden
waaronder arbeid wordt verricht; en
4. de voorwaarden
waaronder het college een begeleidingsorganisatie inschakelt die door de
Wsw-geïndiceerde zelf is aangewezen.
Door de
Wsw-geïndiceerde
het recht te geven op een persoonsgebonden budget wordt een impuls
gegeven aan het zoeken naar begeleid-werkenplaatsen. Te meer daar de gemeente
het aanspreekpunt is voor de Wsw-geïndiceerde, en
niet het sw-bedrijf. Ook in gevallen waarin vanuit het sw-bedrijf geen
initiatief wordt genomen om een passende arbeidsplaats buiten het sw-bedrijf te
zoeken of het sw-bedrijf de Wsw-geïndiceerde daartoe geen mogelijkheid
biedt, kan de Wsw-geïndiceerde bij de gemeente verzoeken om een persoonsgebonden budget, waarmee de
rblz.|14|
geïndiceerde zelf op
zoek kan gaan naar een begeleid-werkenplek of daarvoor een organisatie in kan
schakelen.
Met deze nieuwe
stimulerende maatregel zal de huidige taakstelling begeleid werken, die aan de
gemeenten jaarlijks wordt opgelegd en waarover gemeenten verantwoording
aan het Rijk moeten afleggen, komen te vervallen. Een vooraf
opgelegde taakstelling past ook niet bij het doel van de wet om de capaciteiten
en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde leidend te laten zijn bij
het realiseren van een passende Wsw-arbeidsplaats.
Recht op
cliëntenparticipatie
Om
Wsw-geïndiceerden en
hun vertegenwoordigers nadrukkelijker te betrekken bij de wijze
waarop de gemeente uitvoering geeft aan de Wsw, is ten slotte opgenomen
dat elke gemeente de participatie van Wsw-geïndiceerden en de wijze waarop de
gemeente aan deze cliëntenparticipatie vormgeeft in een gemeentelijke verordening verankert. Daarbij kan de
gemeente zelf bepalen hoe
de cliëntenparticipatie zich verhoudt tot de wettelijk georganiseerde
inspraak en medezeggenschap van Wsw-werknemers op grond
van de Wet op
de ondernemingsraden (WOR).
3.4. Het betrekken van
reguliere werkgevers
Permanente no-riskpolis
bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
Om begeleid werken voor
werkgevers aantrekkelijker te maken, is per 1 januari 2006 reeds
voorzien in een permanente no-riskpolis bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
voor Wsw-ers die begeleid gaan werken.
Doorlopen subsidie bij
verlies Wsw-indicatie
Tevens wordt geregeld dat
gemeenten de verplichting hebben om de subsidie aan de werkgever
door te betalen ingeval de Wsw-werknemer bij herindicatie blijkt
niet meer tot de doelgroep te behoren tot het moment dat de gemeente
een passend alternatief aanbod heeft gedaan.
Werkgeversaanpak
Het wegnemen van
financiële risico’s is echter niet voldoende om werkgevers over de streep te
trekken. Ook goede voorlichting, maar vooral een aanpak op lokaal niveau,
waarbij met name de gemeente als verantwoordelijke voor de uitvoering van de
Wsw
de werkgevers actief betrekt, zijn nodig om het aangepast werken in een zo regulier mogelijke omgeving
daadwerkelijk naar een
hoger plan te brengen. De RWI is om advies gevraagd over de vraag
hoe gemeenten meer werkplekken voor Wsw-ers bij reguliere werkgevers kunnen realiseren zowel via detachering als via
begeleid werken. De RWI
is gevraagd de aanpak voor de doelgroep van de Wsw niet geïsoleerd te
benaderen, maar tevens te kijken naar activiteiten die gemeenten reeds
ondernemen voor andere doelgroepen aan de onderkant van de
arbeidsmarkt. In het najaar van 2006 brengt de RWI zijn advies uit. Daarna zal
samen met de bij de modernisering betrokken partijen in het kader van
de implementatie een werkgeversaanpak worden ontwikkeld.
3.5. Stroomlijning
De positionering van de
Wsw als vrijwillige voorziening voor arbeidsgehandicapten die vanwege de aard en
ernst van hun handicap exclusief op de Wsw zijn
aangewezen, dient ook gewaarborgd te zijn in omliggende wet- en
regelgeving.
Derhalve is het volgende geregeld.
Vanwege het vrijwillige
karakter van de Wsw kan niemand uit hoofde van zijn uitkering verplicht
worden om een aanvraag voor een Wsw-indicatie rblz.|15|
te doen of een
Wsw-arbeidsplaats te aanvaarden. Dat betekent dat dus ook geen sanctie op de
uitkering kan worden opgelegd als iemand geen aanvraag voor een
Wsw-indicatie wil doen. Evenmin kan op grond van het feit dat een
Wsw-geïndiceerde op de wachtlijst een passend aanbod voor Wsw-arbeid weigert, een
sanctie op de uitkering worden opgelegd. Wel kan de gemeente
de
Wsw-indicatie om die reden intrekken. Gaat het om een Wsw-werknemer die een
ander passend aanbod voor Wsw-arbeid weigert, bijvoorbeeld in
het geval een passende begeleid-werkenplek wordt aangeboden aan
iemand die gedetacheerd is of werkzaam is in het sw-bedrijf, dan kan de
gemeente de Wsw-indicatie intrekken alsook de dienstbetrekking
opzeggen.
Heeft een
Wsw-geïndiceerde eenmaal een dienstbetrekking in de zin van
hoofdstuk 2 of 3 van de
Wsw, dan is dat niet vrijblijvend. Bij het verwijtbaar verlies van een
dergelijke dienstbetrekking is het normale maatregelenregime van de WW,
Wet WIA en
Wwb van toepassing. In geval van beëindiging van een dienstbetrekking in de zin van
hoofdstuk 2 of 3 van de
Wsw zal UWV in het
kader van de WW bijvoorbeeld beoordelen of sprake is van verwijtbare
werkloosheid. Daarbij zullen alle omstandigheden van het geval worden
gewogen. Als daaruit bijvoorbeeld volgt dat er sprake is van
ontslagname zonder dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige
bezwaren zijn verbonden dat de voortzetting ervan redelijkerwijs niet
van de Wsw-geïndiceerde kan worden gevergd, is inderdaad sprake van
verwijtbare werkloosheid. In beginsel dient UWV de WW-uitkering dan
blijvend geheel te weigeren. Kan één en ander de Wsw-werknemer niet in
overwegende mate worden verweten, dan dient UWV het
uitkeringsperecentage te verlagen naar 35 over een periode van 26 weken.
Daarnaast geldt dat
iemand pas voor een Wsw-indicatie in aanmerking komt als hij duurzaam
niet in staat is om reguliere arbeid te verrichten, ook niet met inzet van
re-integratievoorzieningen. Dat betekent dat personen die in het bezit
zijn van een Wsw-indicatie vrijgesteld worden van re-integratie- en/of
sollicitatieverplichtingen die voortvloeien uit een eventuele uitkering.
Omdat
Wsw-arbeid niet als
reguliere arbeid kan worden aangemerkt, is de inzet van gemeentelijke
en UWV-re-integratiemiddelen voor personen op de
Wsw-wachtlijst, ter
toeleiding naar een Wsw-dienstbetrekking ook niet toegestaan. De
re-integratiemiddelen zijn immers bedoeld voor toeleiding naar reguliere arbeid.
Inzet van het overschot op het I-deel [inkomensdeel. red.] van de Wwb
of van middelen uit het
gemeentefonds hiervoor is wel mogelijk. Vrijwillig werken met behoud van
uitkering in het sw-bedrijf of elders in afwachting van een Wsw-plaats
behoort ook tot de mogelijkheden (met uitzondering van WW-ers).
Zodra een
Wsw-geïndiceerde zijn Wsw-indicatie verliest, omdat hij in staat kan worden geacht om
reguliere arbeid te verrichten, is het aan gemeenten om zorg te dragen voor
toeleiding naar een passend alternatief op de reguliere arbeidsmarkt.
Hiervoor mogen gemeenten - voor zover het Wwb-ers,
Ioaw-ers, Ioaz-ers,
Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden betreft
- en
UWV - voor zover het WW-ers,
WAZ-ers, Wajong-ers,
WAO-ers en WIA-ers
betreft - wel re-integratiemiddelen inzetten.
Wsw-arbeidsplaatsen
dienen uitsluitend beschikbaar te zijn voor personen die tot de doelgroep
behoren. Daarom was in artikel 6, tweede lid, van de
Wsw een aantal
omstandigheden opgenomen waaronder het college van burgemeester en
wethouders (het college) de dienstbetrekking moet opzeggen. Zo dient
ontslag bijvoorbeeld plaats te vinden als er sprake is van een onaantastbaar
geworden herindicatiebeschikking waaruit blijkt rblz.|16|
dat de werknemer niet
langer tot de doelgroep behoort en wel op het moment, ingeval iemand
"te slecht" is geworden voor de Wsw, dat dagbesteding in het kader
van de AWBZ feitelijk beschikbaar is dan wel als de
persoon niet wil
deelnemen aan dagbesteding of, ingeval iemand "te goed" is geworden
voor de Wsw, zodra hij een aanbod tot passende arbeid onder normale
omstandigheden heeft geweigerd. Deed zich echter de situatie voor dat de
arbeidshandicap van een Wsw-werknemer dusdanig is verslechterd
dat hij duurzaam geen Wsw-arbeid meer kan verrichten en hij
derhalve bij herindicatie niet meer tot de Wsw-doelgroep wordt gerekend, dan kon
die persoon op grond van het huidige artikel 6 niet ontslagen worden.
Dit kwam doordat in artikel 6 niet expliciet was opgenomen dat afgeweken
kan worden van de opzegverboden van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waaronder het opzegverbod van het dienstverband
gedurende de eerste 104 weken van ongeschiktheid tot het verrichten van de
bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebrek. Met het wetsvoorstel is
artikel 6 derhalve aangepast.
Daarnaast heeft de gemeente
op grond van artikel 11 de mogelijkheid om na
dertien weken van
ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid als gevolg van
ziekte of gebrek een vervroegde aanvraag voor herindicatie te doen bij CWI. Dit is alleen bedoeld voor die beperkte gevallen waarin het
evident is dat de Wsw-werknemer vanwege verslechtering van zijn arbeidshandicap
duurzaam niet meer in staat is om Wsw-arbeid te verrichten.
De gemeente dient dit aannemelijk te maken middels indiening van een
re-integratieverslag. Het college kan ingeval een negatieve
herindicatiebeschikking wordt afgegeven door CWI, de dienstbetrekking van de
Wsw-werknemer opzeggen zodra dagbesteding in het kader van de AWBZ
feitelijk beschikbaar is dan wel als de persoon niet wil deelnemen aan
dagbesteding.
Met voornoemde
maatregelen wordt voorkomen dat Wsw-werknemers die eigenlijk niet meer
tot de doelgroep behoren, en voor wie inspanningen gericht op re-integratie
naar Wsw-arbeid geen kans van slagen hebben, gedurende de
volledige duur van het opzegverbod een Wsw-arbeidsplaats bezet houden, waardoor
instroom vanaf de Wsw-wachtlijst van een andere
Wsw-geïndiceerde op die plek niet kan plaatsvinden. Anderzijds krijgen deze
werknemers de mogelijkheid om eerder door te stromen naar dagbesteding
in het kader van de AWBZ, waarmee hun maatschappelijke
participatie wordt gewaarborgd.
Gewaarborgd wordt dat in
het inkomen van de Wsw-werknemer voorzien blijft worden als na
afgifte van een onaantastbaar geworden herindicatiebeschikking de dienstbetrekking door
het college wordt opgezegd zodra dagbesteding in het kader
van de AWBZ feitelijk beschikbaar is dan wel als de persoon niet wil
deelnemen aan dagbesteding. In die gevallen is geen sprake meer van de
loondoorbetaling bij ziekte of gebrek, maar zal in het inkomen van de
Wsw-werknemer tot 104 weken na aanvang van de ziekte of het gebrek
worden voorzien door ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na afloop van
de 104 weken ontstaat eventueel het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor betrokkene of komt een tijdens
de Wsw-dienstbetrekking
niet of niet geheel uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering weer geheel tot
uitbetaling.
Ook met betrekking tot de
overige situaties waarin het college de Wsw-dienstbetrekking
dient op te zeggen, is nu geregeld dat de opzegverboden in het BW
daaraan niet in
de weg staan. Dat is dus de situatie dat de werknemer blijkens
een onaantastbaar geworden herindicatiebeschikking niet langer tot de
doelgroep behoort zodra voor hem een alternatieve
opvangmogelijkheid feitelijk beschikbaar is of door zijn toedoen niet beschikbaar
komt dan wel zodra hij een passend aanbod tot arbeid onder normale
omstandigheden heeft geweigerd, de situatie dat de werknemer niet meewerkt
aan een herindicatie (dat wil zeggen een periodieke herindicatie of een
herindicatie op verzoek van de gemeente zoals rblz.|17|
hierboven beschreven) en
de situatie dat hij niet meewerkt aan het behoud dan wel het
bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid en aan het verkrijgen van arbeid
onder normale omstandigheden, voor zover hij daartoe in staat wordt
geacht.
Ten aanzien van het
opzeggen van een Wsw-dienstbetrekking geldt dat alleen het college
waarmee de dienstbetrekking is aangegaan deze dienstbetrekking kan opzeggen. Het kan
echter voorkomen dat de betrokken Wsw-werknemer woonachtig
is in een andere gemeente en dat het college van die gemeente verantwoordelijk is voor de financiering van de
Wsw-dienstbetrekking. In
die gevallen kan het college dat verantwoordelijk is voor de financiering
van de Wsw-dienstbetrekking het college waarmee de
dienstbetrekking is aangegaan, verzoeken de dienstbetrekking op te zeggen in situaties
waarin dat aan de orde is. Het laatstgenoemde college is er in die
gevallen aan gehouden dit verzoek onverwijld in te willigen.
4. Reactie van de
uitvoerende partijen
De
moderniseringsvoorstellen zijn in samenspraak met de bij de uitvoering van de
Wsw betrokken
partijen - VNG, Cedris, CG-Raad,
LCR en FvO - tot stand gekomen. De
nadere uitwerking van de voorstellen in dit wetsvoorstel heeft eveneens
plaatsgevonden in afstemming met deze partijen. Zo heeft de uitwerking
van het bepaalde ten aanzien van bijvoorbeeld het persoonsgebonden budget
samen met deze partijen plaatsgevonden.
In aanvulling op het
gezamenlijk overleg dat over het wetsvoorstel heeft plaatsgevonden, is aan
elk van de partijen afzonderlijk gevraagd op de inhoud van het
wetsvoorstel te reageren. Daarnaast is het wetsvoorstel voorgelegd aan een
uitvoeringspanel van gemeenten, aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI),
aan UWV
en aan CWI. Dit heeft geleid tot een aantal technische en
inhoudelijke opmerkingen en aanvullingen die waar mogelijk in dit
wetsvoorstel zijn verwerkt. De opmerkingen en aanvullingen van inhoudelijke aard
zijn alleen verwerkt voor zover deze een uitwerking waren van de
voorstellen zoals aan de Tweede Kamer voorgelegd en waarmee de Tweede
Kamer heeft ingestemd. Voor zover opmerkingen en
aanvullingen in strijd waren met de door de Tweede Kamer aangegeven richting,
zijn deze niet verwerkt.
Naar aanleiding van de
reactie van IWI is een aantal technische formuleringen in
het wetsvoorstel
gewijzigd en zijn enkele passages in de memorie van toelichting
verduidelijkt. Voorts is naar aanleiding van de reactie van IWI en VNG
een overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van personen die op het
moment van inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 10 van de
Wsw werkzaam zijn in een andere gemeente
of werkvoorzieningschap dan
waar zij woonachtig zijn.
Op verzoek van
CWI is in
artikel 11, zesde lid, van de Wsw bepaald dat CWI
zestien weken de tijd
heeft om een bezwaar tegen een indicatiebeschikking of
herindicatietbeschikking af te handelen. Daarvoor stond een periode van
zes weken.
De praktijk leert echter dat CWI in geval van bezwaar vaak de gehele
indicatieprocedure, inclusief inschakeling van medisch deskundige
derden, moet overdoen, waarvoor een periode van maximaal zestien weken staat.
Daarnaast heeft de
reactie van CWI ertoe geleid dat in artikel 11, vijfde lid, wordt opgenomen dat
indicatieaanvragen van personen waarvan de indicatie of herindicatie
in de voorliggende periode van twaalf maanden is ingetrokken niet in
behandeling hoeven te worden genomen. Daarmee is geregeld dat personen van
wie de indicatie is ingetrokken, bijvoorbeeld omdat zij weigerden een
passend Wsw-aanbod te aanvaarden, zich niet direct weer voor een
nieuwe Wsw-indicatie kunnen aanmelden.
rblz.|18|
Op
verzoek van de VNG is in de memorie van toelichting een aantal verduidelijkingen
aangebracht. Zo is duidelijker aangegeven welke taken die zijn gemoeid met de
uitvoering van de Wsw tot de verantwoordelijkheid van het publieke domein
behoren en dus niet mogen worden gedelegeerd aan een privaatrechtelijk
sw-bedrijf.
De VNG heeft tevens
gewezen op het belang van een overgangsbepaling voor mensen op de
Wsw-wachtlijst met een dienstbetrekking die op grond van artikel 14 van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand geldt als voorziening op grond van artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wwb. Omdat
met dit wetsvoorstel expliciet geregeld wordt dat re-integratiemiddelen niet mogen worden ingezet
voor mensen op de wachtlijst in afwachting van een Wsw-arbeidsplaats, moet voor personen op de wachtlijst
waarvoor dit thans wel
het geval is een uitzondering worden gemaakt. Artikel VII, onderdeel
C [vervallen, red.],
voorziet hierin.
Op aangeven van de
cliëntenorganisaties is de gemeentelijke verantwoordelijkheid om vorm te geven aan
cliëntenparticipatie in de wet verankerd door in artikel
2, derde
lid, van de Wsw vast te leggen dat de gemeenteraad bij verordening regels
dient te stellen over de wijze waarop de Wsw-geïndiceerden of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de
uitvoering van deze wet.
Voor de formulering van dit artikel is aangesloten bij de manier waarop in
de Wwb de cliëntenparticipatie is vormgegeven. In de memorie van toelichting is daarbij op verzoek van de cliëntenorganisaties
nog gewezen op het
onderscheid tussen Wsw-werknemers en Wsw-geïndiceerden op
de wachtlijst en de mogelijke verschillen in de specifieke belangen en
behoeften van beide groepen. In tegenstelling tot de Wsw-geïndiceerden op
de wachtlijst is de participatie van Wsw-werknemers immers ook al vormgegeven
in de vorm van ondernemingsraden en door middel van de vakbonden. Met dit verschil zal de
gemeente bij
het uitwerken van de
cliëntenparticipatie rekening moeten houden.
Mede
op aanraden van de cliëntenorganisaties wordt met het bepaalde onder artikel
12, derde
lid, geregeld dat in geval van ontslag door verwijtbaar gedrag van een
Wsw-werknemer de Wsw-indicatie door het college pas kan worden
ingetrokken vanaf het moment dat de opzegging van de dienstbetrekking rechtens
onaantastbaar is geworden. Daarmee wordt voorkomen dat
Wsw-geïndiceerden die worden ontslagen en waarvan de Wsw-indicatie wordt
ingetrokken - indien ze het daarmee niet eens zijn - gelijktijdig tegen beide
beslissingen in bezwaar en, eventueel, beroep dienen te gaan.
Ten slotte is in de
memorie van toelichting op verzoek van de cliëntenorganisaties verduidelijkt dat met de
Wsw-subsidie aan werkgevers alle met een begeleid-werkenplek samenhangende kosten kunnen worden vergoed.
Artikelsgewijs
Artikel
I.
Wijziging Wet
sociale werkvoorziening
Onderdeel A, onder 1
Met dit onderdeel is de
definitie van het begrip dienstbetrekking en het begrip werknemer
gewijzigd. In combinatie met het opnemen van de zorgplicht van de gemeenten in hoofdstuk 1 (het voorgestelde artikel
1, derde lid) van de Wsw en
niet langer in hoofdstuk 2 - alsmede het feit dat anders dan in het huidige
artikel 2, eerste lid, niet langer wordt gesproken van het college dat er
zorg voor draagt dat hij een dienstbetrekking aanbiedt - is aldus
verhelderd dat bij de uitvoering van de Wsw
beschut werken niet het primaire
uitgangspunt is, doch dat begeleid werken, mits de Wsw-geïndiceerde
daartoe in staat wordt geacht, ten minste een gelijkwaardig rblz.|19|
alternatief is.
Voorst zijn de begrippen college en geïndiceerd gedefinieerd.
Onderdeel A, onder 2
Met dit onderdeel is
geregeld dat ook in de situatie waarin sprake is van een openbaar lichaam op
grond van de Wgr
waaraan de uitvoering van de Wsw
volledig is
overgedragen het Wsw-budget niet meer wordt verstrekt aan dat openbaar lichaam,
maar aan de individuele gemeenten. Het is aan de individuele gemeente
om te bepalen op welke manier het Wsw-budget wordt ingezet en in
hoeverre hierbij een openbaar lichaam op grond van de Wgr wordt benut (zie
ook paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting).
Onderdeel A, onder 3
Met dit onderdeel is een
nieuw derde lid aan artikel 1 toegevoegd. Met dit lid wordt verhelderd dat
er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen de verschillende
dienstbetrekkingen die in het kader van de Wsw
kunnen worden gerealiseerd
(beschut werken en detachering enerzijds en begeleid werken anderzijds).
Onderdeel B
Artikel
2, eerste lid, is
aangepast in verband met het nieuwe derde lid van artikel
1. Artikel 2,
tweede lid, zoals dat luidde, is vervallen in verband met de aanpassing van de
definitie van het begrip dienstbetrekking. Het derde lid is vervangen door het
nieuwe tweede lid. Met dit lid wordt bewerkstelligd dat ingeval het college
een privaatrechtelijke rechtspersoon aanwijst voor de uitvoering van de Wsw,
dit slechts kan voor zover het hoofdstuk 2 betreft. Deze
rechtspersoon kan derhalve niet de verantwoordelijkheid dragen voor het
wachtlijstbeheer, het verzorgen van de aanvraag voor herindicatie bij CWI
en
het bekostigen van begeleid-werkenplaatsen, noch degene zijn aan wie door
het Rijk het budget wordt verstrekt of die de verantwoordingsinformatie
aan het Rijk verstrekt. Deze taken behoren uitdrukkelijk tot de
verantwoordelijkheid van het publieke domein, oftewel de gemeente
of het
openbaar lichaam indien de uitvoering van de Wsw volledig is overgedragen
op grond van de Wgr
(zie ook paragraaf 3.2 van het algemeen deel van de
memorie van toelichting).
Het vierde lid van
artikel 2 van de Wsw is in dit wetsvoorstel overgeheveld
naar artikel 12, derde
lid (zie onderdeel I).
Het derde lid regelt de
cliëntenparticipatie (zie hiervoor paragraaf 3.3 van het algemeen deel van de
memorie van toelichting). De gemeenten hebben inmiddels de
nodige ervaring opgedaan met cliëntenparticipatie in het kader van de Wwb.
Het derde lid komt nagenoeg overeen met artikel 47 van de
Wwb en
biedt flexibiliteit in keuzemogelijkheden om organisatie en vormgeving
van cliëntenparticipatie in te vullen. Daarbij kan de gemeenteraad zelf
bepalen hoe de cliëntenparticipatie zich verhoudt tot de wettelijk
georganiseerde inspraak en medezeggenschap van Wsw-werknemers op
grond van de WOR.
Onderdeel C
Van de mogelijkheid tot
het stellen van regels inzake de aanpassing van de omstandigheden
waaronder de Wsw-arbeid wordt verricht op grond van
artikel 3, derde lid,
van de Wsw is tot op heden geen gebruik gemaakt. Hiertoe bestaat ook thans
geen voornemen. Gelet hierop is dit lid vervallen.
rblz.|20|
Onderdeel D
Van de mogelijkheid tot
het stellen van regels inzake de samenwerking tussen de gemeenten, UWV
en CWI met betrekking tot de uitstroom naar normale arbeid van de Wsw-werknemer en met betrekking tot het begeleid werken op grond van
artikel 4, tweede lid, van de Wsw is tot op heden geen gebruik gemaakt.
Hiertoe bestaat ook geen voornemen. Gelet hierop is dit lid vervallen.
Voorts is de tekst van het huidige eerste lid aangepast. In de eerste plaats omdat
het eerste lid een dode letter was: re-integratietrajecten
worden niet eerder ingezet dan nadat bij herindicatiebeschikking is vastgesteld dat de
werknemer te goed is geworden voor de Wsw. Ten tweede om te
verduidelijken dat het de taak van het college is om inschakeling in het
arbeidsproces te bevorderen van de werknemers die na herindicatie te
goed zijn bevonden voor de Wsw. Het college kan daarbij, voor zover het
gaat om degenen die recht hebben op een (aanvullende) uitkering op grond van de
Wwb of een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw) alsmede de niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6
van de Wwb, op grond van artikel 7 van de
Wwb een voorziening
aanbieden gericht op arbeidsinschakeling. De Wsw-werknemer van wie bij
de herindicatie is vastgesteld dat hij te goed is bevonden voor de Wsw
en die geen recht heeft op een Wwb- of Anw-uitkering dient zich
wel als werkloze werkzoekende te registreren bij CWI alvorens hij in
aanmerking kan komen voor een dergelijke voorziening. Voor personen van wie bij
herindicatiebeschikking is vastgesteld dat zij te goed zijn voor de
Wsw en die recht hebben op een uitkering op grond van de WW, de
WAO,
de Wajong, de WAZ, en de
Wet WIA kan UWV
re-integratiemiddelen
inzetten.
Onderdelen E en
F
De
artikelen 5 en 6,
tweede lid, zijn ter verduidelijking redactioneel aangepast. De artikelen 5 en
6 zien
op de situatie dat de betrokkene een Wsw-dienstbetrekking
heeft met het college.
Voorts is artikel 6,
tweede lid, aangepast. Voor een toelichting hierop verwijs ik naar paragraaf
3.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Onderdeel G
In
artikel 7 van de Wsw
was de mogelijkheid voor het college opgenomen om subsidie aan de
werkgever te verstrekken in het kader van het begeleid werken alsmede een
vergoeding aan de begeleidingsorganisatie voor de noodzakelijke kosten
van arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de betrokkene op de
werkplek. De subsidie aan de werkgever kan zowel een
loonkostensubsidie betreffen als een subsidie voor de kosten voor de
noodzakelijke aanpassingen waaronder arbeid kan worden verricht. Onder dit
laatste worden bijvoorbeeld verstaan kosten die gemaakt worden voor
technische aanpassingen in de werkplek of intermediaire activiteiten ten behoeve
van mensen met een visuele of auditieve handicap (zoals een voorleeshulp of een doventolk).
Door aanpassing van
artikel 7, eerste lid, geldt nu voor de toepassing daarvan niet langer de
voorwaarde dat de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking
aangeeft dat betrokkene in aanmerking komt voor begeleid werken. Hiermee
is een onnodige drempel voor het realiseren van begeleid-werkenplekken weggenomen. De subsidie en de vergoeding op grond van het eerste
lid kunnen zowel een eenmalige als een periodieke subsidie en vergoeding
betreffen. Een combinatie van beiden is ook mogelijk. Voorts is het
tweede lid van artikel 7 vervallen omdat het nieuwe artikel
12, derde lid, onderdeel a, b of c, van de Wsw
ook met betrekking tot de situatie van het
weigeren van een begeleid werkenplek - als betrokkene rblz.|21|
daarvoor
geïndiceerd is - respectievelijk het verwijtbaar ontslag daaruit onverkort van
toepassing is. Met het tweede lid van artikel 7 is de mogelijkheid van een
persoonsgebonden budget voor begeleid werken geïntroduceerd in de Wsw
(zie ook paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting). Indien een werkgever een dienstbetrekking met de betrokkene aangaat
voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden (begeleid werken), is het college op verzoek
van de betrokken
Wsw-geïndiceerde gehouden aan de werkgever een periodieke subsidie en
aan de begeleidingsorganisatie een periodieke vergoeding te verstrekken,
indien:
1. de inpassing in de
arbeid, met inbegrip van begeleiding op de werkplek, adequaat wordt verzorgd;
2. betrokkene reeds een
dienstbetrekking in de zin van de Wsw heeft of recht heeft op aanbieding
van een Wsw-dienstbetrekking; en
3. het bedrag van de
periodieke subsidie aan de werkgever en de periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie voor begeleiding op
de werkplek omgerekend op
jaarbasis niet meer bedragen dan het voor de gemeente
beschikbare Wsw-budget gedeeld door het bijbehorende minimumaantal
arbeidsjaren waarop de jaarlijks aan de subsidieverlening voor de
gemeente klevende uitvoeringskosten in mindering zijn gebracht.
Indien betrokkene is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig, wordt de uitkomst
van de deling vermenigvuldigd met 1,25 alvorens de
uitvoeringskosten daarop in mindering worden gebracht.
Komt het bedrag van de
periodieke subsidie en de periodieke vergoeding van begeleiding boven het
hiervoor bedoelde bedrag en/of heeft betrokkene nog geen recht op
aanbieding van Wsw-dienstbetrekking, dan is het college niet verplicht om
subsidie te verstrekken, maar mag het dat, op grond van het eerste lid,
wel.
Indien een periodieke
subsidie wordt verleend op grond van het tweede lid, kan het college ook
een vergoeding verlenen voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht.
Dit is niet als verplichting voor het college opgenomen om te voorkomen dat het
college gebonden zou kunnen worden aanpassingen voor zijn
rekening te nemen waarvan de kosten niet in een redelijke verhouding
staan tot het resultaat. Voor periodieke kosten van dergelijke aanpassingen
alsmede kosten van vervoer van en naar de werkplek, scholing e.d. wordt geen
aparte subsidie verleend. De periodieke subsidie wordt geacht
daarvoor een adequate compensatie te vormen. Het college kan zelf zorg
dragen voor de totstandkoming van een dienstbetrekking in het kader van het
begeleid werken, maar kan daar ook een begeleidingsorganisatie
voor inschakelen. Indien een geïndiceerde gebruik wil maken van het persoonsgebonden budget, is het in principe
aan die geïndiceerde om
zelf een werkgever te zoeken. Op grond van het vierde lid van artikel 7
kan hij evenwel het college verzoeken om hiervoor een door hem aangewezen
begeleidingsorganisatie in te schakelen.
Een periodieke subsidie
op grond van het eerste of tweede lid en de periodieke vergoeding voor
begeleiding worden slechts beëindigd bij beëindiging van de
dienstbetrekking
indien niet langer sprake is van adequate verzorging van de
inpassing in de arbeid dan wel indien de betrokkene blijkens een
onaantastbaar geworden herindicatiebeschikking niet langer Wsw-geïndiceerd is. In
dat laatste geval wordt de loonkostensubsidie pas beëindigd op het moment
dat voor betrokkene een alternatieve opvangmogelijkheid feitelijk beschikbaar is
of door zijn toedoen niet beschikbaar komt dan wel zodra hij
een aanbod tot passende arbeid onder normale omstandigheden heeft
geweigerd. Indien de loonkostensubsidie wordt beëindigd omdat
betrokkene niet langer Wsw-geïndiceerd is of in verband met het feit dat de
werknemer niet meewerkt aan een herindicatie of aan de toepassing van artikel
6, eerste lid, mag de werkgever om die reden de dienstbetrekking van de
werknemer opzeggen.
rblz.|22|
Het
achtste en negende lid komen overeen met de oorspronkelijke leden
drie en vier van artikel
7 van de Wsw, met dien verstande dat het bereik ervan is uitgebreid in
verband met de invoering van een persoonsgebonden budget.
Op grond van het tiende
lid van artikel 7 dient de gemeenteraad bij verordening nadere regels te stellen
over de wijze waarop het college vormgeeft aan het
persoonsgebonden budget. Die regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op:
1. de wijze waarop de
hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te worden
vastgesteld;
2. de hoogte van de voor
het college rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis;
3. de voorwaarden
waaronder het college aan de werkgever een vergoeding verstrekt voor de
eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden
waaronder arbeid wordt verricht; en
4. de voorwaarden
waaronder het college een begeleidingsorganisatie inschakelt die door de
Wsw-geïndiceerde zelf is aangewezen.
Onderdeel H
Met dit onderdeel is
hoofdstuk 4 van de Wsw in zijn geheel vervangen. De
artikelen 8 en 9 treden
in de plaats van de oorspronkelijke artikelen 8 en
9. In het voorstel tot
wijziging van het Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken is de
nieuwe financierings- en verdeelsystematiek opgenomen (zie ook paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze
memorie van toelichting).
Artikel 8 bevat niet meer
de bepaling die in artikel 8, derde lid, was opgenomen dat het budget na overleg
met een representatieve vertegenwoordiging van gemeenten wordt
vastgesteld. Een dergelijk overleg is voor de budgetvaststelling niet
meer nodig omdat de systematiek die aan de budgetvaststelling ten
grondslag ligt, is vereenvoudigd. In de nieuwe systematiek wordt het Wsw-budget over gemeenten verdeeld op grond van het aantal
Wsw-geïndiceerden per gemeente. Bij de verdeling van het Wsw-budget werden tot nu
toe correctiefactoren gehanteerd die in overleg met de VNG
jaarlijks werden vastgesteld. Van deze factoren is geen sprake meer.
Daarnaast is het jaarlijks in overleg met de VNG vast te stellen minimumpercentage
begeleid werken vervallen, waardoor ook hiervoor geen apart
overleg ter uitvoering van de wet meer nodig is. Dit laat onverlet dat in het
periodieke bestuurlijke overleg dat plaatsvindt met de VNG de uitvoering van
de Wsw geagendeerd kan worden als daar aanleiding toe bestaat.
Indien het toegekende
budget niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt op grond van
artikel 9, eerste lid, de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig
bestede deel teruggevorderd. Op grond van artikel
9, zevende lid, is in het
voorstel tot wijziging van het Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken evenwel geregeld dat indien het minimale aantal Wsw-arbeidsplaatsen is gerealiseerd en er geen Wsw-geïndiceerden op de
wachtlijst staan in de desbetreffende gemeente, de gemeente een
eventueel overschot op het Wsw-budget voor andere doeleinden
mag inzetten.
Indien het aantal
gerealiseerde arbeidsjaren minder bedraagt dan het op grond van het budget te
realiseren aantal arbeidsjaren, wordt op grond van artikel
9, tweede
lid, een evenredig deel van het toegekende budget teruggevorderd.
Indien zowel het eerste
als het tweede lid van toepassing is, wordt niet meer teruggevorderd dan
het hoogste van beide terug te vorderen bedragen.
rblz.|23|
Omdat
het toegekende budget is gebaseerd op het aantal Wsw-geïndiceerden op 31 december t-2, wordt
het volgende geregeld met betrekking tot een verhuizing van de gemeente A naar de gemeente B. Zolang de Wsw-dienstbetrekking met
de gemeente A blijft bestaan, dan wel de door de gemeente A
gesubsidieerde dienstbetrekking in het kader van begeleid werken, blijft deze in
het kalenderjaar van de verhuizing en het daaropvolgende kalenderjaar meetellen
bij de berekening van de door de gemeente A gerealiseerde arbeidsjaren. Dit wordt geregeld in
artikel 9, derde lid,
eerste zin. Als de
dienstbetrekking met de gemeente A daarna nog steeds voortduurt, verstrekt de
gemeente B een - overeenkomstig artikel 10,
derde lid, te berekenen - vergoeding aan de gemeente A vanaf het tweede
kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar van de verhuizing. Immers vanaf dat moment wordt
betrokkene meegeteld in het Wsw-budget van de gemeente B en niet langer
in het budget van de gemeente A. De vergoeding wordt alleen betaald voor
zover de Wsw-dienstbetrekking met de gemeente A voortduurt.
Eindigt deze bijvoorbeeld per 1 juli van het tweede kalenderjaar
volgend op het kalenderjaar van de verhuizing, dan bedraagt de vergoeding de
helft van het overeenkomstig het derde lid berekende bedrag.
Met betrekking tot een
dienstbetrekking in het kader van begeleid werken is in het eerste lid van
artikel 10 bepaald dat het college van de gemeente B voor de toepassing van
artikel 7 van de Wsw
in de plaats treedt van het college van de gemeente
A. Dat geschiedt per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar van die verhuizing.
De in het voorgestelde
artikel 10 opgenomen regeling is niet van toepassing indien de werknemer zijn
ingezetenschap verliest door verhuizing uit de gemeente A naar het
buitenland. In dat geval zal hij voor de vaststelling van het budget mee
blijven tellen bij de gemeente A zolang de dienstbetrekking voortduurt. Dit zal
geregeld worden in het Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken. In artikel 9, derde lid, tweede zin, wordt geregeld dat
zolang de Wsw-dienstbetrekking met de gemeente A blijft bestaan, dan wel
de door de gemeente A gesubsidieerde dienstbetrekking in het kader van begeleid
werken, deze blijft meetellen bij de berekening van de door de
gemeente A gerealiseerde arbeidsjaren. Verhuist
betrokkene daarna weer naar Nederland (gemeente B) dan blijft betrokkene, op grond van
artikel 9, derde lid, tweede zin, in het kalenderjaar van de verhuizing en het
daaropvolgende kalenderjaar meetellen bij de berekening van de door
de gemeente A gerealiseerde arbeidsjaren. In het budget voor de
gemeente A zal hij ook in die jaren nog meetellen. Daarna zal hij meetellen
in het budget van de gemeente B en zal die gemeente op grond van
artikel 10 een vergoeding moeten betalen aan de gemeente A, dan wel
- bij begeleid werken - in de plaats treden van de gemeente A.
Het oorspronkelijke
artikel 10, tweede lid, is overgebracht naar artikel
12. Het eerste lid van het
oorspronkelijke artikel 10 is vervallen. Van de mogelijkheid tot het stellen van
regels op grond daarvan was tot op heden geen gebruik gemaakt. Hiertoe
bestaat ook geen voornemen.
Onderdeel I
Het
opschrift van
hoofdstuk 5 is aangepast in verband met het nieuwe artikel
12.
Met het eerste lid van
artikel 11 is verduidelijkt dat CWI pas tot het afgeven van een
indicatiebeschikking verplicht is als deze wordt aangevraagd.
Met het derde lid is
herindicatie mogelijk op verzoek van het college in de situatie dat de werknemer
ten minste dertien weken ongeschikt is tot het rblz.|24|
verrichten van de
bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebrek (zie ook paragraaf
3.5 van
het algemeen deel van deze memorie van toelichting).
Met het vierde lid is
buiten kijf gesteld dat alleen diegenen worden geïndiceerd die zelf in aanmerking
willen komen voor een dienstbetrekking op grond van de Wsw. Voorts
is hiermee de tekst van het derde lid aangepast aan de aanpassingen in de
artikelen 1 en 2. Ten slotte is in dit lid geregeld dat als van een
Wsw-geïndiceerde de (her)indicatiebeschikking op grond van artikel
12, derde
lid, is ingetrokken, hij niet binnen twaalf maanden opnieuw geïndiceerd kan
worden.
Het oorspronkelijke
vierde lid van artikel 11 is overgeheveld naar
artikel 12. Het zevende en
achtste lid (de oorspronkelijke leden vijf en zes) zijn aangepast aan die
overgang.
In het vijfde lid is
geregeld dat de indicatiebeschikking en herindicatiebeschikking door CWI binnen
zestien weken na ontvangst van de aanvraag moeten worden
afgegeven. Dit was geregeld in de artikelen
4, eerste lid, en 6, vierde
lid, van het Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken. Deze
bepalingen zijn overgebracht naar wetsniveau gelet op de samenhang met
het nieuwe zesde lid. In dat lid is geregeld dat CWI een
beslistermijn heeft van zestien weken voor beslissingen op bezwaar
tegen een indictiebeschikking of herindicatiebeschikking. Daarvoor gold de termijn
voor de beslissing op bezwaar van artikel 7:10
Awb. Die
termijn is zes weken (of als ten behoeve van de beslissing op bezwaar een
adviescommissie is ingesteld, tien weken). Die termijn kan met vier
weken worden verlengd. Verder uitstel is mogelijk als de indiener van het
bezwaar daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun
belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen. De termijn van
zes weken is voor CWI nauwelijks haalbaar. De bezwaarzaken houden
een volledige heroverweging in. Indien de gronden van het bezwaar
zijn gericht tegen de medische beoordeling, moet een nieuwe medische
beoordeling plaatsvinden. Die geschiedt door een andere
arts/psycholoog dan de beoordeling in primo. Dit geldt mutatis mutandis voor het
arbeidsdeskundige advies. Ook kan het noodzakelijk zijn om (wederom) het
multidisciplinair overleg in te schakelen. Tevens levert het horen
van bezwaarden, gezien de doelgroep, nog al eens vertraging op.
Een mededeling van
verlenging van de beslistermijn is bovendien emotioneel nogal belastend voor de
betrokkenen evenals een verzoek om in te stemmen met verlenging
van de termijn.
Om deze redenen is in de
wet een termijn opgenomen van zestien weken voor de beslissing op
bezwaar tegen een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking.
In
artikel 12 zijn de
taken en bevoegdheden van het college opgenomen die verband houden met
intrekking van de (her)indicatiebeschikking en het wachtlijstbeheer.
Artikel 12, eerste lid, bevat het oorspronkelijke artikel
11, vierde lid. In het
tweede lid is geregeld dat de Wsw-geïndiceerde in beginsel recht heeft op
plaatsing binnen twaalf maanden na de datum per wanneer hij volgens de
indicatiebeschikking tot de doelgroep behoort (zie ook paragraaf 3.3 van het
algemeen deel van deze memorie van toelichting). Dit betekent dat zolang
betrokkene nog geen twaalf maanden na die datum op de wachtlijst
staat het college ervoor kan kiezen om iemand die korter op de wachtlijst
staat eerder te plaatsen dan betrokkene. Betrokkene heeft dan nog geen
(afdwingbaar) recht op aanbod van een Wsw-dienstbetrekking. Na twaalf maanden is dat recht er in beginsel wel. Uitzondering hierop vormt
de situatie dat er niet voldoende budget is. Dan geldt evenwel wel dat
degenen die langer op de wachtlijst staan dan twaalf maanden op het moment dat
er wel budget beschikbaar komt voorrang hebben op degenen die
korter dan twaalf maanden op de wachtlijst staan en rblz.|25|
wel in volgorde van
plaatsing op de wachtlijst (degene die het langste op de wachtlijst staat, dient
het eerste geplaatst te worden).
Het derde lid bevat het
oorspronkelijke artikel 2, vierde lid. In verband met de wijziging van het
begrip dienstbetrekking kan het college de indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking ook intrekken in de situatie dat een betrokkene die
geïndiceerd is voor begeleid werken een aanbod voor begeleid werken weigert
respectievelijk een betrokkene ontslagen wordt uit een dienstbetrekking
tot begeleid werken omdat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen
dat van de werkgever redelijkerwijs niet kon worden gevergd de
dienstbetrekking te laten voortduren. In de situaties, genoemd in de onderdelen
b en c, vindt eerst beëindiging van de dienstbetrekking plaats, waarbij het
college afhankelijk van de reden van opzegging op grond van artikel
6,
derde lid, Wsw advies van CWI
vraagt, en wordt pas na het rechtens
onaantastbaar worden van de opzegging de (her)indicatiebeschikking
ingetrokken. Daarnaast wordt geregeld dat het college de
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking kan intrekken in de situatie dat de
dienstbetrekking eindigt op verzoek van betrokkene. Dat kan zowel opzegging door
betrokkene betreffen als ontbinding op diens verzoek of beëindiging
met wederzijds goedvinden op verzoek van betrokkene.
Met het vijfde lid is
geregeld dat indien betrokkene daarom verzoekt, het college de
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking intrekt.
Het zesde en zevende lid
bevatten de oorspronkelijke leden vijf en zes van artikel 11
voor zover van
toepassing op de taak van het college zoals opgenomen in artikel
11, vierde
lid. Voorts is in het zesde lid toegevoegd dat regels kunnen worden
gesteld met betrekking tot de omstandigheden waaronder de termijn van
twaalf maanden, bedoeld in het tweede lid, mag worden overschreden.
In artikel 12, achtste
lid is, in afwijking van het oude artikel 10, tweede lid, het apart noemen van de
arbeidsovereenkomst, bedoeld in hoofdstuk 3, vervallen, nu deze in
artikel 1, derde lid, op één lijn is gesteld met een door de gemeente
aangeboden dienstbetrekking.
Onderdeel J
In de eerste plaats is
het eerste lid van artikel 13 aangepast. Duidelijk wordt gemaakt dat
toezicht wordt gehouden op zowel de rechtmatigheid als de doeltreffendheid
van de wetsuitvoering. Het toezicht op de doeltreffendheid van de wetsuitvoering
heeft uitsluitend betrekking op de vraag in welke mate de uitvoering
door de gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan de doelen van
de wet.
Deze vorm van toezicht richt zich niet op de prestaties van individuele
gemeenten. De toezichthouder kan de gemeente in dit kader dan ook niet
aanspreken op haar prestaties. Dit laat onverlet dat het landelijk beeld van de
doeltreffendheid van de wetsuitvoering wel wordt opgebouwd uit informatie
op gemeentelijk niveau. Gelet hierop blijft het huidige vijfde lid
bestaan, ondanks dat in het kader van het rechtsmatigheidstoezicht wordt uitgegaan van het
principe van single audit en single information (zie
hierna).
Het toezicht dat is
gericht op individuele gemeenten zal beperkt blijven tot de rechtmatigheid van de
uitvoering. De primaire verantwoordelijkheid voor de controle op de
rechtmatigheid van de uitvoering ligt bij de gemeente zelf. De wijze
waarop in deze wet het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering is
geregeld, is, zoals in paragraaf 3.2 van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting al aangegeven, vormgegeven via het principe van
single audit en single information. In het Besluit
accountantscontrole provincies en gemeenten zal geregeld worden dat in het verslag
van bevindingen van de accountant per specifieke uitkering - dus ook
voor de Wsw - gerapporteerd wordt met een rapporteringstolerantie
gebaseerd op de lasten van de specifieke uitkering in het
verantwoordingsjaar. In het derde lid van dit artikel is geregeld dat rblz.|26|
alleen bij ernstige
tekortkomingen in de rechtmatige uitvoering van deze wet een aanwijzing wordt
gegeven. Op grond van het vierde lid zal de verantwoordingsinformatie
met betrekking tot de Wsw - net als de verantwoordingsinformatie
met betrekking tot de andere specifieke uitkeringen - worden opgenomen in
een bijlage bij de gemeentelijke jaarrekening. Op grond van het zesde
lid zal in de Regeling uitvoering sociale
werkvoorziening en begeleid werken geregeld worden welke informatie dat voor de Wsw zal zijn.
Onderdeel K
De
artikelen 14, eerste
lid, en 15 zijn hiermee redactioneel aangepast aan de aanpassing van
artikel 2. Tevens zijn deze artikelen aangepast aan de definiëring van college
in artikel 1.
Onderdelen L, M,
O en P
Deze overgangsbepalingen
van de huidige artikelen 16, tweede tot en met vijfde lid,
17, 18, 20 en
21 hebben materieel geen betekenis meer en zijn derhalve vervallen.
In artikel 20 is het
overgangsregime opgenomen voor de situatie dat een werknemer op de datum van
inwerkingtreding van artikel 10 al is verhuisd en in dienst is gebleven
van het college van de gemeente waaruit hij verhuisd is of de door
dat college aangewezen rechtspersoon dan wel dat college de subsidie
begeleid werken nog voor zijn rekening neemt. Per de datum van
inwerkingtreding van het nieuwe artikel 10 Wsw
dient het college van de gemeente
waarvan de werknemer ingezetene is het andere college een vergoeding
overeenkomstig artikel 10, derde lid, te betalen respectievelijk de
subsidie begeleid werken over te nemen.
In artikel 21 is geregeld
dat het financierings- en informatieregime, zoals die golden vóór de datum
van inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 4
Wsw, van toepassing
blijven op de kalenderjaren voorafgaande aan die datum.
Onderdeel N
Met deze wijziging van
artikel 19 is uitdrukkelijk de mogelijkheid geopend voor degenen die al
vóór 1 januari 1998 een dienstbetrekking hadden op grond van de Wet Sociale
Werkvoorziening en voor wie die dienstbetrekking nog steeds voortduurt om
zich vrijwillig te laten herindiceren. Het uitdrukkelijk wel van
toepassing verklaren van artikel 6, derde lid, kan vervallen nu slechts
verwezen wordt naar de herindicatie, bedoeld in artikel
11, tweede lid.
Artikel
II.
Werkloosheidswet
Artikel III. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Artikel IV. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel V. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen
Artikel VI. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers
Artikel VII. Wet werk en
bijstand
Artikel VIII. Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen
Voor een toelichting op
deze artikelen verwijs ik naar paragraaf 3.5 van het algemeen deel van de
memorie van toelichting. Volledigheidshalve merk ik op dat, doordat de
dienstbetrekking in de zin van de Wsw niet wordt uitgezonderd van het
begrip (arbeid in) dienstbetrekking in de zin van artikel
24, tweede lid,
van de WW en artikel 30, derde lid, van de
Wet WIA, rblz.|27|
bij een beëindiging van
een Wsw-dienstbetrekking eventueel wel een maatregel kan worden
opgelegd op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel
a, juncto tweede lid, WW of artikel
30, derde lid, Wet WIA. In het kader van de Wwb
kan in dat
geval een maatregel aan de orde zijn in verband met een tekortschietend
besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel
18, tweede lid, van de Wwb).
Met betrekking tot de
inzet van Wwb-re-integratiemiddelen voor personen op de
Wsw-wachtlijst ter toeleiding naar een Wsw-dienstbetrekking zij volledigheidshalve
nog opgemerkt dat, voor de personen voor wie dat op het
moment van inwerkingtreding van artikel VII, onderdeel
A, gebeurt, dat ook na
dat moment is toegestaan tot het moment dat die voorziening eindigt.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|