|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007, 31 138
Wijziging
van de Wet werk en bijstand in verband met het
openstellen van de mogelijkheid van het verlenen van bijzondere bijstand
aan bepaalde groepen personen die gedwongen zijn opgenomen of worden
verpleegd en met uitbreiding van de doelgroep van de
langdurigheidstoeslag met gedeeltelijk arbeidsgeschikten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Bijzondere
bijstand bij opname met toepassing van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen of bij een verpleging
in een forensisch psychiatrisch centrum |
| 1.1 |
Inleiding |
| 1.2 |
Doelgroepen |
| 1.3 |
Openstelling
bijzondere bijstand |
| 2 |
Langdurigheidstoeslag voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
| 3 |
Financiering |
| 4 |
Adviezen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
1.
Bijzondere bijstand bij opname met toepassing van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen of bij een verpleging in een
forensisch psychiatrisch centrum
1.1.
Inleiding
Degene aan wie
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft op grond van artikel
13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk
en bijstand (Wwb) of op grond van artikel 19,
eerste lid, onderdeel g, van de Werkloosheidswet
(WW) geen recht op een bijstands- of WW-uitkering.
Het begrip "rechtens zijn vrijheid ontnomen" omvat zowel
gevangenisstraf als andere vormen van vrijheidsontneming zoals
dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) of op
grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht (Sr).¹ Kosten in levensonderhoud voor personen in
hechtenis of die een gevangenisstraf uitzitten, komen ten laste van de
Staat. Daarom is bepaald dat een persoon van wie "rechtens zijn
vrijheid is ontnomen" niet voor een socialezekerheidsuitkering in
aanmerking komt. Echter, de kosten voor het levensonderhoud van personen
die vanwege een geestesstoornis gedwongen zijn opgenomen in een
psychiatrisch ziekenhuis komen thans niet ten koste van de Staat. Dit
is bevestigd in de (niet-gepubliceerde) uitspraak d.d. 22 maart 2006
(05/5826 WWB) van de Rechtbank Amsterdam. In deze uitspraak oordeelde de
Rechtbank Amsterdam dat dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis op
grond van de Bopz of op grond van artikel 37, eerste lid, Sr
onder het begrip "rechtens zijn vrijheid ontnomen" als bedoeld
in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, Wwb
valt, op grond waarvan bijstandverlening aan deze personen niet
mogelijk is. De Rechtbank concludeert echter ook dat ten aanzien van
deze categorieën van personen sprake is van een omissie in de wetgeving
en dat sprake is van omstandigheden die niet door de wetgever zijn
verdisconteerd. Anders dan bij hechtenis en gevangenisstraf, waar de
kosten van het bestaan op grond van artikel 35 Sr
ten laste rblz.|2|
komen van de Staat, komen
deze kosten voor genoemde categorieën noch op grond van het Wetboek
van Strafrecht noch op grond van een andere wet ten laste van de
Staat. Dit wetsvoorstel beoogt deze omissie weg te nemen.
1. Wet
socialezekerheidsrechten gedetineerden, Kamerstukken II 1997-1998, 26
063, nr. 3, blz. 12.
Omdat bij rechtens gedwongen opname in psychiatrische ziekenhuizen op
grond van de Bopz
of artikel 37, eerste lid, Sr
in voorkomende gevallen in het geheel geen sprake is van een bijstands-
of WW-uitkering als gevolg waarvan de
ziektekostenpremie niet kan worden betaald en er voor deze groepen,
anders dan bijvoorbeeld bij gevangenisstraf, geen sprake is van
verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor de verstrekking
van geneeskundige zorg, kan het niet betalen van de ziektekostenpremie
op termijn leiden tot opzegging of ontbinding van de zorgverzekering
door de zorgverzekeraar (artikelen 8 en 24
van de Zorgverzekeringswet). Daarmee zou
betrokkene verstoken kunnen raken van de noodzakelijke geneeskundige
zorg.
1.2.
Doelgroepen
De Bopz
regelt gedwongen opname en behandeling van mensen die lijden aan een
geestesstoornis. Iemand kan slechts gedwongen worden opgenomen wanneer
hij door zijn geestesstoornis een gevaar veroorzaakt voor zichzelf of
zijn omgeving. Het betreft hier personen die hun vrijheidsbeneming niet
kan worden aangerekend. Omdat het gaat om vrijheidsbeneming, is in
beginsel een rechterlijk oordeel vereist. Dat is slechts anders wanneer
de situatie te dringend is om een rechterlijk oordeel af te wachten. In
dat geval kan de burgemeester een last tot inbewaringstelling afgeven op
grond van artikel 20 Bopz.
Verder oordeelt een indicatiecommissie op grond van artikel 60 Bopz
over de noodzaak van opname in een zwakzinnigeninrichting of
verpleeginrichting voor personen die geen blijk geven van de nodige
bereidheid ter zake, maar die zich daar ook niet tegen verzetten. Strikt
genomen is bij deze laatste groep onduidelijk of sprake is van een
vrijheidsbenemende maatregel: zij spreken zich niet uit over de
bereidheid tot een vrijwillige opname. Naar het oordeel van de regering
kan niet gezegd worden dat het om een (expliciet) vrijwillige opname
gaat. Omdat het niet om een expliciete vrijwillige opname gaat, vallen
zij onder dit wetsvoorstel.
Niet onder dit wetsvoorstel vallen patiënten
ten aanzien van wie een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel
14a Bopz
geldt of een zelfbindingsverklaring op grond van artikel 34a Bopz
wanneer dit artikel in werking is getreden. Een voorwaardelijke
machtiging houdt in dat aan de betrokkene voorwaarden worden opgelegd
ter voorkoming van een opname in een inrichting. Een
zelfbindingsverklaring houdt nog geen opname in, pas als die opname
werkelijkheid wordt, op grond van artikel 34k van de Bopz,
valt het onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel. Zolang betrokkene
niet is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis is aan hem niet
rechtens zijn vrijheid ontnomen en valt hij niet onder de
uitsluitingsgrond van artikel 13, eerste
lid, onderdeel a, Wwb en artikel
19, eerste lid, onderdeel g, WW.
Een bijzondere groep wordt gevormd door de
personen aan wie de rechter op grond van artikel 37, eerste lid, Sr
een last tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis heeft opgelegd.
Artikel 37, eerste lid, Sr
wordt toegepast ten aanzien van personen aan wie een strafbaar feit
vanwege een gebrekkige ontwikkeling of geestesstoornis niet kan worden
toegerekend. Zij worden om die reden ontslagen van alle
rechtsvervolging. Als zij vanwege een geestesstoornis een gevaar voor
zichzelf of anderen betekenen, kan een machtiging op grond van de Bopz
gegeven worden. Om proceseconomische redenen heeft de strafrechter een
soortgelijke mogelijkheid tot gedwongen opname in een psychiatrisch
ziekenhuis. Zo wordt verwijzing van de strafrechter naar de civiele
rechter voorkomen. rblz.|3|
Dat de
last ex artikel 37, eerste lid, Sr
vergelijkbaar is met een rechterlijke machtiging op grond van de Bopz,
blijkt uit het feit dat de tenuitvoerlegging vanaf het moment van opname
in een psychiatrisch ziekenhuis op gelijke wijze plaatsvindt.
In zijn uitspraak d.d. 18 juni 2004 (RSV
2004/298) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat
personen die worden ontslagen van alle rechtsvervolging en aan wie de
rechter op grond van artikel 37b, eerste lid, Sr
terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege
oplegt, gelijkgesteld dienen te worden met personen die op grond van de
Bopz of artikel 37, eerste lid, Sr
rechtens gedwongen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. In
navolging van deze uitspraak is deze groep eveneens in dit wetsvoorstel
opgenomen.
1.3.
Openstelling bijzondere bijstand
Iemand die als
gevolg van een gedwongen opname zijn uitkering verliest, heeft - naast
het probleem van het betalen van de ziektekostenpremie - mogelijk ook
geen middelen meer om de vaste lasten die verbonden zijn aan het
aanhouden van woonruimte te kunnen voldoen. Dit klemt te meer omdat in
de regel de geestesstoornis die leidt tot een gedwongen opname
onverwachts optreedt, waardoor de betrokkene - anders dan bij detentie
die in de regel van tevoren bekend is - geen maatregelen kan nemen om
de woonruimte aan te houden (bijvoorbeeld door reservering voor de
woonkosten of een huisbewaarderschap). Gedwongen opname kan zo leiden
tot schulden of dakloosheid.
Het
feit dat een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis in
voorkomende gevallen kan leiden tot onverzekerdheid, schulden of
dakloosheid acht de regering onwenselijk. Om deze ongewenste situatie op
te lossen, wordt met dit wetsvoorstel voorzien in een structurele
oplossing waarbij de bijzondere bijstand wordt opengesteld voor personen
die worden opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen met toepassing van
de Bopz
of artikel 37, eerste lid, Sr
dan wel na ontslag van alle rechtsvervolging in een TBS-inrichting op
grond van artikel 37b, eerste lid, Sr.
Door deze openstelling kan de betrokkene een beroep doen op bijzondere
bijstand om te voorzien in onder meer de kosten van de premie voor een
ziektekostenverzekering, de doorbetaling van vaste lasten die verbonden
zijn aan de woning en eventuele persoonlijke uitgaven.
De beoordeling van de uiteenlopende situaties
van de doelgroep met de daaruit voortvloeiende verschillen in
noodzakelijke bestaanskosten is afhankelijk van een combinatie van
factoren die van geval tot geval moet worden gewogen. De bijzondere
bijstand vormt vanuit het maatwerkprincipe het aangewezen kader voor
deze vorm van bijstandverlening. Het is een uitdrukkelijke gemeentelijke
verantwoordelijkheid om uitvoering te geven aan dit maatwerkprincipe en
de bijstand adequaat af te stemmen op de individuele situatie waar het
betreft de ziektekostenpremie, huisvestingskosten en persoonlijke
uitgaven. Bij gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond
van de Bopz of artikel 37, eerste lid, Sr
dan wel in een TBS-inrichting op grond van artikel 37b, eerste
lid, Sr na
ontslag van alle rechtsvervolging bestaat voor de betrokkene geen
mogelijkheid de inrichting te verlaten.
Anders dan bij de Bopz of artikel 37, eerste
lid, Sr
geschiedt de verstrekking van geneeskundige zorg voor TBS-ers onder
verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Voor de Wwb
geldt deze verstrekking als een passende en toereikende voorliggende
voorziening (artikel 15 Wwb).
Dit betekent dat voor personen die, na te zijn ontslagen van alle
rechtsvervolging, worden opgenomen in een TBS-inrichting geen recht
bestaat op bijzondere bijstand voor geneeskundige zorg of voor de
ziektekostenpremie. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor bijzondere
bijstand voor het aanhouden van woonruimte of voor persoonlijke rblz.|4|
uitgaven. Het recht op deze bijzondere bijstand gaat in vanaf het moment
van opname in die TBS-inrichting. Ingeval de belanghebbende, na te zijn
ontslagen van alle rechtsvervolging, enkel in een penitentiaire
inrichting verblijft in afwachting van plaatsing in een TBS-inrichting,
gaat het recht op bijzondere bijstand in vanaf het moment waarop het
vonnis op grond waarvan de plaatsing is bevolen onherroepelijk is
geworden.
Ingeval de belanghebbende met toepassing van de
Bopz of artikel 37, eerste lid, Sr
is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, gaat het recht op
bijzondere bijstand in vanaf het moment van opname in dat psychiatrisch
ziekenhuis.
Volgens artikel 40, eerste lid, Wwb
bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de
belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste
lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de
woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede bevindt, en
bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn
wil blijkt om haar prijs te geven. Een natuurlijk persoon wordt vermoed
zijn woonstede te hebben verplaatst wanneer hij daarvan op de wettelijk
voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van burgemeester en
wethouders heeft kennisgegeven.
De vraag waar iemand een woonplaats heeft als
bedoeld in artikel 40, eerste lid, Wwb
dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.¹ Een tijdelijk verblijf in een gemeente impliceert niet
zonder meer dat de belanghebbende in die gemeente zijn woonstede heeft.
Uit de wilsuiting die uit de daden voortvloeit, kan worden afgeleid of de
belanghebbende die (gedwongen) in een inrichting verblijft, geacht moet
worden al dan niet naar de plaats waar de inrichting zich bevindt zijn
woonstede te hebben overgebracht. Te denken valt aan de verkoop van de
eigen woning of het opzeggen van de huur van de woning. Bij een
belanghebbende die vooropgezet tijdelijk (gedwongen) verblijft in een
inrichting en die de eigen huisvesting handhaaft, blijft de band
gehandhaafd met de gemeente waar zijn woonstede zich bevindt. Die
gemeente is gehouden de bijstandverlening op zich te nemen dan wel
voort te zetten. Indien redelijk aannemelijk is dat de belanghebbende
niet meer naar de gemeente terugkeert of kan terugkeren waar zijn
woonstede zich bevindt,² gaat de bijstandverlening over van die
gemeente naar de gemeente waar de inrichting is gevestigd.
De bepalingen in de Wwb
geven aan welke gemeente de bijstand dient te verlenen aan personen die
(gedwongen) verblijven in een inrichting. Naar aangenomen mag worden,
zullen de gemeenten waar een inrichting is gevestigd geen onevenredige
financiële gevolgen ondervinden van de te verlenen bijzondere bijstand
omdat de belanghebbende naar verwachting zijn woonstede in een andere
gemeente zal behouden.
1. CRvB 3 juni 2003, nrs.
00/6404 NABW en 00/6438 NABW, JABW 2003/196; CRvB 12 december 2000, nr.
99/1683 NABW, JABW 2001/32.
2. CRvB 10 september 2002, nr. 00/4643 NABW, JABW 2002/202.
De
geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis wordt onder
bepaalde voorwaarden verplicht gegevens te verstrekken aan gemeenten.
Het kunnen opvragen van deze gegevens bij de geneesheer-directeur van
het desbetreffende ziekenhuis is van belang omdat de opname-, verlof- en
ontslagdata bepalend zijn voor het recht op en de hoogte van de
bijzondere bijstand. In het kader van een rechtmatige verstrekking van
bijzondere bijstand hebben gemeenten belang bij het kunnen verifiëren
van de door de betrokkene verkregen gegevens. Om onverzekerdheid,
schulden en dakloosheid te voorkomen, heeft ook de betrokkene belang bij
deze verificatie.
Ook de desbetreffende ziekenhuizen hebben
belang bij een tijdige en juiste verstrekking van bijzondere bijstand
aan de betrokkene. Indien de belanghebbende niet beschikt over middelen
om de ziektekostenpremie te betalen, kan dit leiden tot onverzekerdheid.
Kosten voor geneeskundige rblz.|5|
behandelingen die de
belanghebbende dient te ondergaan, worden niet vergoed. Deze kosten
komen in de praktijk vervolgens ten laste van het ziekenhuis waar de
betrokkene is opgenomen. De ziekenhuizen hebben in het kader van het
beheer van de desbetreffende instelling belang bij het verstrekken van
bijzondere bijstand aan de belanghebbende en daarmee aan een goede
verificatiemogelijkheid tussen de instelling en de gemeente.
2.
Langdurigheidstoeslag voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten
Op 4 juli 2006
heeft de CRvB een uitspraak gedaan met betrekking tot het recht op
langdurigheidstoeslag voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten zonder
inkomsten uit arbeid (LJN AY0173). De CRvB komt in deze uitspraak tot
het oordeel dat het in de langdurigheidstoeslag aangebrachte onderscheid
tussen bijstandsgerechtigden die uitsluitend bijstand ontvangen en
personen die (tevens) een gedeeltelijke uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen geen
geschikt en evenredig middel kan worden geacht om de doelstelling van de
langdurigheidstoeslag te bereiken. De CRvB oordeelt dat het onderscheid
dat bij de langdurigheidstoeslag wordt gemaakt tussen
bijstandsgerechtigden en personen met een gedeeltelijke WAO-uitkering
geen stand houdt. De Raad komt tot dit oordeel omdat hij van mening is
dat het voor een gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet gemakkelijker is om
daadwerkelijk (betaalde) arbeid te verwerven dan voor personen ten
aanzien van wie geen gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid is vastgesteld.
De consequentie van deze uitspraak is dat iedere gedeeltelijk
arbeidsgeschikte zonder inkomsten uit arbeid die voldoet aan de overige
voorwaarden recht heeft op langdurigheidstoeslag. De kring van
rechthebbenden op langdurigheidstoeslag wordt dus uitgebreid met deze
groep. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt de uitspraak van de CRvB
gecodificeerd.
3.
Financiering
De potentiële
doelgroep van de uitbreiding van de bijzondere bijstand wordt geschat op
ongeveer 14 000 personen. Slechts een deel van deze groep kan aanspraak
maken op bijzondere bijstand. De kosten worden geraamd op €|3 miljoen
per jaar. Vergoeding van de kosten geschiedt via de algemene uitkering
van het gemeentefonds. In verband met de uitbreiding van de reikwijdte
van de langdurigheidstoeslag is het macrobudget Wwb
(I-deel [inkomensdeel, red.]) met ingang van 2006 structureel met
€|2 miljoen verhoogd.
4.
Adviezen
Het wetsvoorstel is
waar het de bijzondere bijstand bij opname met toepassing van de Bopz
of bij een verpleging in een forensisch psychiatrisch centrum betreft,
voor advies over de uitvoeringsaspecten voorgelegd aan het
Uitvoeringspanel gemeenten. In dit Uitvoeringspanel participeren
vijftien gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en
Divosa. Een deel
van het Uitvoeringspanel acht de beperking tot bijzondere bijstand niet
goed uitvoerbaar en geeft de voorkeur aan het kunnen verstrekken van
algemene bijstand, zak- en kleedgeldnorm.
Een ander deel van het Uitvoeringspanel acht de
voorgestelde oplossing via bijzondere bijstand reëel en uitvoerbaar,
ook al zal het bewerkelijk zijn. Deze bewerkelijkheid blijft wanneer
gekozen zou worden voor algemene bijstand, omdat daarnaast in de meeste
gevallen bijzondere bijstand zal worden verstrekt voor de doorbetaling
van de vaste lasten die verbonden zijn aan een woning. Bovendien zal de
bijzonderebijstandverlening naar de mening van dit deel van het
Uitvoeringspanel zich in een groot aantal gevallen beperken tot de
zorgpremie en woonlasten.
rblz.|6|
Met
betrekking tot de aanpassing van de voorwaarden waaronder de
langdurigheidstoeslag kan worden toegekend, heeft het Uitvoeringspanel
zich eveneens uitgesproken. Het panel adviseerde om de eis te laten
vervallen dat bij arbeidsongeschiktheid een arbeidskundig onderzoek moet
zijn uitgevoerd. Dit advies is overgenomen.
Het
wetsvoorstel is voor de toezichtbaarheidstoets voorgelegd aan de
Inspectie Werk en Inkomen. De Inspectie heeft het wetsvoorstel
beoordeeld en zij verwacht niet dat dit tot problemen bij het toezicht
op de Wwb zal leiden.
Omdat in het wetsvoorstel bepalingen zijn opgenomen over de verwerking
van bijzondere (persoons)gegevens, is het College bescherming
persoonsgegevens (CBP) eveneens gevraagd hierover advies uit te brengen.
Het CBP is van mening dat de
geneesheer-directeur ten onrechte op één lijn wordt gesteld met de
overige personen en instellingen in artikel 64,
eerste lid, onderdeel a tot en met n, van de Wwb,
omdat het in dit geval gaat om bijzondere (erg gevoelige)
persoonsgegevens en doorbreking van het medisch beroepsgeheim. In het
kader van deze omstandigheden zijn de termen "opgaven en
inlichtingen" en "voor de uitvoering van de wet" te
algemeen. Een wettelijke verplichting tot doorbreking van het
beroepsgeheim moet voldoende specifiek zijn en moet de geneesheer-directeur verplichten nadere bepaalde medische
persoonsgegevens te verstrekken, zodat hij het medisch beroepsgeheim mag
doorbreken. Dit is in het wetsvoorstel verwerkt.
In de memorie van toelichting bij dit
wetsvoorstel is eveneens de aanbeveling van het CBP verwerkt om meer
duidelijkheid te verstrekken over de noodzaak van het opvragen van de
medische persoonsgegevens bij de geneesheer-directeur en de praktische
invulling van de informatieplicht van de geneesheer-directeur.
Artikelsgewijs
Artikel
I
Onderdeel
A
Met
dit onderdeel wordt geregeld dat de uitsluitingsgrond van artikel
13, eerste lid, onderdeel a, Wwb
niet in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand op grond
van artikel 35 Wwb
aan de persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen met toepassing
van de Bopz,
of op grond van artikel 37, eerste lid, Sr
of, na ontslag van alle rechtsvervolging, van artikel 37b, eerste
lid, Sr. Deze
blijft echter wel uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Voor
verlening van bijzondere bijstand is het evenwel geen vereiste dat de
betrokkene algemene bijstand ontvangt.
Onderdeel
C
De
geneesheer-directeur van een psychiatrisch ziekenhuis waarin een persoon
verblijft, draagt op grond van de Bopz
zorg voor het patiëntendossier. In artikel 56 van de Bopz
en in de nadere uitwerking in het Besluit
patiëntendossier Bopz wordt
bepaald welke gegevens in dat dossier worden verwerkt.
Daartoe behoren ook de gegevens die relevant
zijn voor de toepassing van het voorgestelde artikel
13, derde lid, Wwb, zoals de opname- en
ontslaggegevens. Ook behoren daartoe de ontvangen afschriften van
rechterlijke beslissingen tot voorlopige machtiging tot opname of
beschikkingen van de burgemeester tot inbewaringstelling. Op grond van
artikel rblz.|7|
51, eerste lid, Bopz
geldt artikel 56 van die
wet ook voor opname van patiënten in instellingen op grond van een
uitspraak van de strafrechter (artikel 37, eerste lid, Sr)
aan wie op grond van dit voorstel ook bijzondere bijstand kan worden
verstrekt. Voorts blijkt uit artikel 61 Bopz
dat artikel 56 van die
wet ook van toepassing is op gegevens van personen die zonder een
rechterlijke tussenkomst zijn opgenomen in een zwakzinnigeninrichting of
verpleeginrichting, maar op grond van een oordeel van een commissie die
dit noodzakelijk acht zoals bepaald in artikel 60 Bopz.
Ook deze personen horen tot de doelgroep van de bijzondere bijstand.
Artikel 64 Wwb
houdt in dat de in dat artikel genoemde instanties verplicht zijn
desgevraagd kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die voor de
uitvoering van de Wwb noodzakelijk zijn. Ten
behoeve van de voorgestelde wijziging van artikel
13 Wwb wordt in artikel
64, eerste lid, Wwb de
geneesheer-directeur, bedoeld in de Bopz, opgenomen. In artikel
64, tweede lid, zal expliciet worden aangegeven om welke gegevens
het gaat en met welk doel deze gegevens worden verstrekt. Hiermee is de
noodzaak voor het opvragen van medische persoonsgegevens bij de
geneesheer-directeur concreet aangegeven. Het gebruik van het woord
"of" aan het einde van het tweede lid, onderdeel a,
betekent dat daaronder mede wordt begrepen de situatie dat meer dan één
van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoet.
De gegevens worden in eerste instantie van de
betrokkene zelf verkregen. Gelet op de situatie van de belanghebbende
zullen die gegevens niet altijd actueel of volledig zijn. Daarom is het
van belang dat gegevens over de duur van de opname ook verkregen kunnen
worden van de instelling, althans bij die instelling kunnen worden
geverifieerd. Een aantal gegevens is ook af te leiden uit rechterlijke
beslissingen, die openbaar zijn. Dit geldt niet voor alle gegevens.
Omdat alle gegevens wel in het patiëntendossier Bopz zijn opgenomen, is
de verplichting tot het desgevraagd verstrekken van die gegevens in dit
voorstel opgelegd aan de geneesheer-directeur, die ook bevoegd is dit
soort gegevens te verwerken. De geneesheer-directeur kan de gegevens dan
op grond van artikel 5 Besluit
patiëntendossier Bopz in afwijking van
artikel 457 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zonder toestemming van de patiënt
verstrekken, omdat de gegevensverstrekking op grond van artikel
64 Wwb een verplichting
is. Ook op grond van de bepalingen
betreffende de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling in het Burgerlijk Wetboek
kan bij een wettelijke verplichting worden afgeweken van
het vereiste van toestemming. De wettelijke verplichting is
gerechtvaardigd omdat de toestemming niet altijd direct kan worden
verkregen van de belanghebbende zelf, gelet op de omstandigheden waarin
hij verkeert. Met de wettelijke regeling wordt kenbaar dat de gegevens,
indien noodzakelijk, van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch
ziekenhuis kunnen worden verkregen. De geneesheer-directeur verstrekt
slechts gegevens in het kader van artikel 64,
eerste lid, onderdeel o, indien deze noodzakelijk zijn voor de
beoordeling van het recht op bijzondere bijstand of indien deze
betrekking hebben op de opname, het ontslag, het verleend verlof, het
ingetrokken verlof of de gedwongen opname. Bij de verstrekking van deze
gegevens is het van belang niet meer (bijzondere) persoonsgegevens op te
vragen dan voor het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand
noodzakelijk zijn.
Uit het voorgaande blijkt dat de gemeente
individueel de noodzaak toetst tot het opvragen van de
desbetreffende gegevens bij de geneesheer-directeur. Eerst dient te
worden bezien of de belanghebbende de gegevens zelf verstrekt of kan
verstrekken. Dit is in lijn met het uitgangspunt in de Wwb dat de
belanghebbende zelf verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen
die van invloed zijn op het recht op bijstand (artikel
17 Wwb). Indien dit niet mogelijk is, gelet op de
omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, dient vervolgens te
worden bezien of de belanghebbende zijn toestemming geeft aan de
gemeente om de gegevens op te vragen. Pas als beide onmogelijk blijken,
bestaat er een noodzaak deze gegevens bij de geneesheer-directeur op te rblz.|8|
vragen. Het is daarbij van belang niet meer (bijzondere)
persoonsgegevens op te vragen dan voor het beoordelen van het recht op
bijzondere bijstand noodzakelijk zijn.
Artikel
II
Artikel
I, onderdeel B, van dit wetsvoorstel treedt in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het wordt
geplaatst. Deze datum laat onverlet dat de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep al van kracht is op besluiten die genomen werden vanaf
het moment van (publicatie van) die uitspraak (4 juli 2006), dan wel die
voor die datum zijn genomen en waartegen een bezwaar- of beroepszaak loopt.
Gezien de betekenis die in het
Nederlandse rechtsbestel wordt toegekend aan het in kracht van gewijsde
gaan van besluiten, brengt deze uitspraak geen verandering in besluiten
die genomen zijn vóór deze datum en waartegen geen bezwaar of beroep
meer mogelijk is.
Aan de colleges van burgemeester en wethouders
is verzocht om met ingang van 29 augustus 2006 te anticiperen op het
onderhavige wetsvoorstel waar het de bijzondere bijstand bij opname met
toepassing van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen of bij een
verpleging in een forensisch psychiatrisch centrum betreft. In verband
daarmee wordt aan artikel I, onderdeel A
en C, van dit wetsvoorstel - nadat
het tot wet is verheven en in werking is getreden - terugwerkende kracht
verleend tot en met die datum.
De staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
|
|