Het
in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand
(Wwb) vastgelegde territorialiteitsbeginsel is
nader uitgewerkt in artikel 13 van die
wet. Op grond van artikel 13,
eerste lid, onderdeel d, heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier
weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten
periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht
op bijstand. In afwijking van deze bepaling geldt op grond van artikel
13, vierde lid, een periode van dertien weken voor personen van 57,5 jaar
of ouder doch jonger dan 65 jaar aan wie op grond van artikel
9, tweede
lid, ontheffing is verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel
9, eerste
lid, en voor personen van 65 jaar of ouder.
De uitzondering voor
personen van 57,5 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die ontheven zijn van
de plicht tot arbeidsinschakeling is ingevoegd bij een, met algemene
stemmen aanvaard, amendement (Kamerstukken II 2003-2004, 29 499, nr. 8). De
toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft dit
amendement destijds ontraden vanwege de kwetsbaarheid die met het
amendement is ingebouwd in het licht van de jurisprudentie inzake
eenzelfde bepaling in de Algemene bijstandswet.
Blijkens deze jurisprudentie
kan er niet worden gezegd dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd
tussen bijstandsgerechtigden die zijn ontheven van de plicht tot
arbeidsinschakeling op objectieve en redelijke gronden berust (Kamerstukken II
2003-2004, 29 499, nr. 10, en nr. 11, blz. 7-9).
Bij brief van 8 mei 2006 is
door de wethouder Werk en Inkomen van de gemeente
Amsterdam, mede
namens de wethouders van Den Haag, Rotterdam en
Utrecht, de
aandacht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid gevraagd voor de problemen die in de uitvoering zijn gerezen bij de
toepassing van artikel 13, vierde lid, van de
Wwb vanwege het discriminatoire
karakter van deze bepaling. Daarbij is verwezen naar recente
rechterlijke uitspraken waaruit blijkt dat de desbetreffende bepaling - net als de
vergelijkbare bepaling in de Algemene bijstandswet
- een niet op
objectieve en redelijke gronden berustend onderscheid naar leeftijd
maakt tussen enerzijds bijstandsgerechtigden rblz.|2|
van 57,5 jaar of ouder en
anderzijds jongere bijstandsgerechtigden die zijn ontheven van de verplichting
tot arbeidsinschakeling. In de brief wordt aangegeven dat de gemeenten
"knel zitten" tussen de tekst van de wet en
de rechterlijke uitspraken.
Deze brief is te zien als
een bevestiging van de vorengenoemde kwetsbaarheid van artikel
13, vierde lid,
van de Wwb en gaf het kabinet aanleiding om deze
bepaling te herzien.
Over het voornemen hiertoe heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid de voorzitter van de Tweede Kamer
geïnformeerd bij brief van 26 juni 2006 (szw0600505). Op 22 januari 2007 is
vervolgens een voorstel van wet (Kamerstukken II 2006-2007, 30 936) bij de
Tweede Kamer ingediend. Inmiddels heeft de Centrale Raad van Beroep in
zijn uitspraak d.d. 5 december 2006, nr. 06/1851 Wwb (LJN AZ5429)
bevestigd dat het in artikel 13, vierde lid,
van de Wwb gemaakte onderscheid
naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder die
zijn ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling en recht
hebben op bijstand bij een verblijf van ten hoogste dertien weken in het
buitenland, en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden die eveneens van de plicht
tot arbeidsinschakeling zijn ontheven, maar recht hebben
op bijstand bij een verblijf van ten hoogste vier weken in het
buitenland, niet op objectieve en redelijke gronden berust.
Het op 22 februari 2007
aangetreden kabinet heeft aanleiding gevonden om dat wetsvoorstel, daartoe
gemachtigd door Hare Majesteit de Koningin, in te trekken en het thans voorliggende nieuwe wetsvoorstel
daarvoor in de plaats te
stellen. De reden van intrekking is dat het kabinet ervoor heeft gekozen om in
het voorliggende wetsvoorstel de door de Centrale Raad van Beroep
gewraakte tekst op een andere manier te redigeren dan het ingetrokken
wetsvoorstel dat doet. Het kabinet heeft zich daarbij laten leiden door
het door de Kamer op 16 maart 2007 vastgestelde verslag (Kamerstukken II
2006-2007, 30 936, nr. 7). In tegenstelling tot het ingetrokken wetsvoorstel
wordt aangesloten op de categoriale uitzonderingspositie van artikel
13, vierde lid,
van de Wwb door deze niet alleen voor belanghebbenden van
57,5 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die ontheven zijn van de
plicht tot arbeidsinschakeling te laten gelden, maar ook jongere belanghebbenden die ontheven zijn van de plicht tot
arbeidsinschakeling daar
onder te brengen. Het ingetrokken wetsvoorstel had juist het uitgangspunt
om een einde te maken aan deze categoriale benadering en koos voor een
individuele uitzonderingspositie. Invalshoek bij deze
uitzonderingspositie was dat zwaarwegende bijzondere omstandigheden, los van leeftijd en de
plicht tot arbeidsinschakeling, een langer verblijf buiten Nederland
noodzakelijk kunnen maken en voortzetting van bijstand tot een maximale
duur van dertien weken kunnen rechtvaardigen. Met de Raad van State en het
Uitvoeringspanel gemeenten is het kabinet echter van oordeel dat
artikel 16 van de Wwb voldoende mogelijkheid
biedt voor de gemeenten om
in individuele gevallen maatwerk te leveren. Op grond van artikel 16 van
de Wwb kan de gemeente aan een persoon die geen recht heeft op
bijstand, gelet op alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer
dringende redenen daartoe noodzaken.
2. Doel en strekking
2.1. Invoering categoriale
uitzonderingspositie voor alle bijstandsgerechtigden die ontheven zijn van de
plicht tot arbeidsinschakeling
Dit wetsvoorstel voorziet in
een invoering van een categoriale uitzonderingspositie voor bijstandsgerechtigden
die ontheven zijn van de plicht tot arbeidsinschakeling ex
artikel 9, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wwb. Hiermee komt een eind
aan de uitzonderingspositie voor belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder doch
jonger dan 65 jaar. Omdat voor rblz.|3|
deze leeftijdsgrens geen
objectieve en redelijke redenen aanwezig zijn, is dit leeftijdscriterium in
het wetsvoorstel geschrapt en komen ook bijstandsgerechtigden jonger
dan 57,5 jaar die van genoemde arbeidsverplichtingen zijn ontheven in aanmerking
voor behoud van bijstand tijdens een verblijf buiten
Nederland gedurende maximaal dertien weken. De beëindiging van de
bestaande categoriale uitzonderingspositie op grond van een
leeftijdscriterium in combinatie met de ontheffing van
arbeidsverplichtingen sluit
aan bij het individuele en tijdelijke karakter van de ontheffing van de
arbeidsverplichting in de Wwb waarbij - anders dan in de
Algemene
bijstandswet - geen uitzondering geldt voor personen van 57,5 jaar
of ouder doch jonger dan 65 jaar. Herziening van de leeftijdsgrens, die in
combinatie met de ontheffing recht geeft op de faciliteit, ligt niet in de
rede omdat de regering, in lijn met de jurisprudentie, ook voor een ander
leeftijdscriterium geen objectieve en redelijke gronden ziet waarop een
leeftijdsonderscheid in deze kan berusten.
De categoriale
uitzonderingspositie voor wat de duur van de bijstand tijdens het verblijf buiten
Nederland [lees: buiten Nederland betreft, red.], hangt samen met het ontbreken van
arbeidsperspectief van de
desbetreffende personen. Vandaar dat alleen bijstandsgerechtigden met
een zogenaamde "dubbele vrijstelling" voor de uitzonderingspositie in
aanmerking komen. Dit houdt in dat alleen personen die én ontheven
zijn van de sollicitatieplicht (algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen en
aanvaarden) én ontheven zijn van de re-integratieplicht (gebruik maken van
re-integratievoorzieningen), eenmaal per kalenderjaar in
aanmerking komen voor een verblijf in het buitenland van maximaal
dertien weken met behoud van bijstand. In lijn met de bestaande
bepaling hoeft de invulling van de dertien weken per kalenderjaar niet een
aaneengesloten periode te zijn. Tweemaal zes à zeven weken, vier en negen
weken of een andere combinatie van dertien weken is eveneens mogelijk.
Het wetsvoorstel brengt geen
wijziging in de reeds bestaande uitzonderingspositie van de groep belanghebbenden
van 65 jaar of ouder. Voor hen blijft gelden dat zij gedurende een aaneengesloten periode van maximaal
dertien weken buiten
Nederland mogen verblijven. Ook hier hangt deze langere periode samen
met het ontbreken van een arbeidsverplichting voor deze categorie.
2.2. Afwijking op grond van
zeer dringende redenen
De Wwb
is een
vangnetvoorziening, waarbij het verblijf hier te lande een expliciete voorwaarde is om
in aanmerking te komen voor een (aanvullende) bijstandsuitkering. Een
tijdelijk verblijf buiten Nederland is toegestaan, waarbij als tijdelijk
verblijf wordt aangemerkt een normale vakantieperiode in het buitenland van in
beginsel vier weken.
In artikel 16 van de
Wwb is
een uitzonderingsbepaling opgenomen op grond waarvan het college
aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van
paragraaf 2.2 van de Wwb, waarvan
artikel 13,
eerste lid, onderdeel uitmaakt, bijstand kan verlenen indien zeer
dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens de wetsgeschiedenis en de
jurisprudentie is daarvan slechts sprake indien zich een acute noodsituatie
voordoet en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene
verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Bij de
beoordeling of er sprake is van "zeer dringende redenen" dient een strikt
individuele beoordeling door de gemeente van het voorliggende geval
plaats te vinden. Er moet dan sprake zijn van "acute levensbedreigende
omstandigheden" waarin de belanghebbende zelf verkeert, maar ook de
situatie dat er sprake is van ernstige consequenties voor de psychische gezondheidstoestand van de belanghebbende,
valt onder het begrip "acute noodsituatie". Met name deze laatste
kwalificatie ten aanzien van
de psychische gezondheidstoestand van de rblz.|4|
belanghebbende kan voor het
college een reden zijn om - in een individuele situatie van een
belanghebbende die niet onder de categoriale uitzonderingspositie van
artikel 13 valt - toch verblijf tot maximaal dertien weken met behoud van
bijstand buiten Nederland toe te staan. Het betreft echter steeds uitzonderlijke
situaties waarbij steeds een strikt individuele afweging van de
omstandigheden noodzakelijk is. Deze omstandigheden zijn niet in centrale
regelgeving te vatten. Het is bovendien uitdrukkelijk niet de bedoeling van de
wetgever om in artikel 16 van de Wwb
een algemene ontsnappingsclausule te
formuleren voor de uitsluiting van het recht op bijstand. Voor de
toepassing van de individuele uitzonderingsmogelijkheid op grond van de zeer
dringende redenen is het niet van belang of de belanghebbende
al dan niet is ontheven van de arbeidsverplichtingen ex artikel
9, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wwb.
Wel kan een zeer dringende reden
ex artikel 16 van de Wwb
aanleiding geven om in individuele gevallen
alsnog tijdelijk ontheffing te verlenen van één of beide arbeidsverplichtingen ex
artikel 9, eerste lid, onderdeel a en
b, van de Wwb.
Het college kan bij de
bijstandverlening aan belanghebbende de verplichting opleggen om zijn verblijf in
het buitenland vóóraf te melden; belanghebbende is hiertoe dan op grond van
artikel 17 van de Wwb gehouden.
3. Financiële gevolgen
Naar verwachting heeft
het
wetsvoorstel geen budgettaire effecten. Noch het recht op, noch de hoogte
van de bijstand wordt beïnvloed door een toegestaan verblijf in het
buitenland. Voor degenen die dertien in plaats van vier weken met behoud
van bijstand in het buitenland kunnen gaan verblijven, geldt dat zij
onverminderd recht hebben op bijstand als zij binnen die dertien weken in
Nederland zijn teruggekeerd. Bij een niet-toegestaan verblijf van
langer dan vier weken buiten Nederland vervalt na die periode het recht op
bijstand.
4. Adviezen
Het Uitvoeringspanel,
waaraan gemeenten, Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en Divosa
deelnemen (hierna te noemen: het UP), kan zich goed vinden in het uitgangspunt van
onderhavig wetsvoorstel om belanghebbenden die een
"dubbele vrijstelling" van de arbeidsverplichtingen hebben, ongeacht de
leeftijd, toe te staan om met behoud van bijstand dertien weken in het
buitenland te verblijven. Het UP heeft opgemerkt dat het in het nieuwe artikel 13
vierde lid, van de Wwb volstaat om te verwijzen
naar artikel 9, eerste lid.
De onderdelen a en b zijn immers opgenomen in artikel
9, eerste lid, van
de Wwb. Het kabinet hecht er echter aan - door verwijzing naar de
onderdelen a én b van artikel 9, eerste lid
- te benadrukken dat de uitzonderingsbepaling
op grond van artikel 13, vierde lid, expliciet
betrekking heeft
op de "dubbele vrijstelling" van de arbeidsverplichtingen. Voorts is conform het advies
van het UP besloten om in het wetsvoorstel de
voorwaarde om het verblijf in het buitenland aan te vragen te schrappen. Immers,
dit zou administratieve lasten met zich brengen. Bovendien kan het
college bij de bijstandverlening aan belanghebbende de verplichting opleggen om
zijn verblijf in het buitenland vóóraf te melden;
belanghebbende is hiertoe dan op grond van artikel 17
van de Wwb gehouden.
Artikelsgewijs
Artikel I
Op
grond van het nieuwe artikel 13, vierde lid, heeft een belanghebbende
jonger dan 65 jaar die
ontheven is van de beide arbeidsverplichtingen ex rblz.|5|
artikel 9, eerste lid, onderdeel a en
b, van de Wwb, in afwijking van artikel
13, eerste lid,
onderdeel d, recht op bijstand gedurende een periode van dertien
weken in het buitenland.
Voor personen van 65 jaar of
ouder blijft onverkort het recht gelden om maximaal dertien weken met
behoud van bijstand in het buitenland te verblijven.
Verblijft een
bijstandsgerechtigde langer in het buitenland dan de toegestane wettelijke periode van vier
dan wel dertien weken, dan brengt het in artikel 11 van de
Wwb neergelegde territorialiteitsbeginsel met zich mee
dat er geen recht bestaat op
behoud van bijstandsrechten.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb