|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2007-2008, 31 366.
Handelingen II 2007-2008, blz. 5422-5448, 5566-5567.
Kamerstukken I 2007-2008, 31 366 (A, B, C, D).
Handelingen I 2007-2008, blz. 1258-1258.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 mei 2008, Stb.
2008, 192, tot wijziging van de Wet arbeid en zorg
in verband met een uitkering aan zelfstandigen bij zwangerschap en
bevalling en een verruiming van de periode voor deelname aan een
vrijwillige verzekering in enkele socialezekerheidswetten
(Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen).
Inwerkingtreding: 4 juni 2008.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de Wet arbeid en zorg te wijzigen
om een uitkering mogelijk te maken voor zelfstandigen bij zwangerschap
en bevalling, alsmede enkele socialezekerheidswetten
te wijzigen om de periode te verruimen waarin op grond van deze wetten
deelname aan een vrijwillige verzekering kan worden verzocht;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Wet arbeid en zorg [MvT]
De Wet arbeid en zorg wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1:1 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het opschrift van artikel
1:1 komt te luiden: Algemene begrippen.
2. Onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma worden de volgende
onderdelen toegevoegd:
c. winst uit onderneming: de
belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling,
bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet;
d. dienstbetrekking: een
dienstbetrekking in de zin van de Ziektewet;
e. aanmerkelijk belang:
aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
f. inkomsten uit
tegenwoordige arbeid: het gezamenlijke bedrag van:
1º. het belastbaar loon uit
tegenwoordige arbeid, bedoeld in afdeling 3.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
2º. het belastbaar loon ter
zake van het in Nederland verrichten van arbeid, bedoeld in afdeling 7.2 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001;
3º. het belastbaar
resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft
als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92
van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
4º. het belastbaar
resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, bedoeld in afdeling
7.2 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91,
eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
B. [MvT]
Het opschrift van hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 2, komt te luiden: De zelfstandige en de
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst.
C. [MvT]
Artikel 3:17 komt als volgt
te luiden:
Art. 3.17. Het begrip
zelfstandige en beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
-1. Voor de toepassing van
deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst: de werknemer, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel b,
die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel
c, van de Ziektewet geen
werknemer in de zin van die wet is;
b. zelfstandige: de persoon
jonger dan 65 jaar die:
1º. in Nederland woont en
die winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor
eigen rekening feitelijk drijft;
2º. niet in Nederland woont
en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in
afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming
niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
3º. anders dan uit
dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet;
4º. anders dan in
dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een
aanmerkelijk belang heeft;
5º.
directeur-grootaandeelhouder is en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en
risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is;
6º. anders dan in
dienstbetrekking of als zelfstandige als bedoeld in de subonderdelen 1º tot en met
5º meewerkt in de onderneming van een echtgenoot of geregistreerde
partner.
-2. Door Onze Minister
worden, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels
gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in het eerste
lid, onder 5º, wordt verstaan.
D. [MvT]
Artikel 3:18 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het opschrift komt te
luiden: Recht op uitkering voor de zelfstandige en de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst.
2. Voor de tekst wordt de
aanduiding "-1." geplaatst.
3. De volgende leden worden
toegevoegd:
-2. De vrouwelijke
zelfstandige heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op
uitkering gedurende ten minste zestien weken.
-3. Het recht op uitkering in
verband met zwangerschap vangt aan zes weken vóór de dag na de
vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige,
tot en met de dag van de
bevalling. Indien de vrouwelijke zelfstandige dat wenst, vangt het recht op
uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch
uiterlijk vier weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
-4. Het recht op uitkering in
verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt
tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat de
uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van
bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum
van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen.
-5. Voor de toepassing van
het vierde lid worden dagen waarover de vrouwelijke zelfstandige
ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op uitkering in
verband met zwangerschap maar die uitkering nog niet is ingegaan,
aangemerkt als dagen waarover zij uitkering in verband met zwangerschap
heeft genoten.
-6. Geen recht op uitkering
heeft de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in
de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden afgeweken van het zesde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die
rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na
rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel
a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000 rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-8. Zo nodig in afwijking van
het zesde en het zevende lid en de daarop berustende bepalingen,
bestaat recht op een uitkering voor de persoon voor wie dit recht voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een
verdrag of van een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie en bestaat geen recht op een
uitkering voor de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere
mogendheid van toepassing is.
-9. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan, in afwijking van het zesde lid en van
artikel 3:17, eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven
aan
de kring van verzekerden.
E. [MvT]
In artikel 3:21 wordt "de
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst" telkens vervangen door: de
vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst.
F. [MvT]
Artikel 3:22 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt
voor "vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst"
ingevoegd: vrouwelijke zelfstandige of de.
2. In het eerste lid,
onderdeel b, wordt na "zwangerschapsverlof" ingevoegd: , respectievelijk
het recht op uitkering, bedoeld in artikel
3:18, tweede lid,.
3. In het tweede lid wordt
voor "beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst" ingevoegd: vrouwelijke
zelfstandige of de vrouwelijke.
G. [MvT]
Aan artikel 3:23 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-3. Zo nodig in afwijking van
het tweede lid bedraagt de uitkering in verband met zwangerschap en
bevalling 100% van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
indien de vrouwelijke zelfstandige in het kalenderjaar voorafgaand aan
het jaar waarin het recht op uitkering ontstaat als zelfstandige,
aan werkzaamheden voor één of meer ondernemingen ten minste het aantal uren
heeft besteed dat is vermeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
H. [MvT]
Artikel 3:29 wordt als volgt
gewijzigd:
1. De laatste zin van het
tweede lid vervalt.
2. Onder vernummering van
het derde tot en met het zevende lid tot het vierde tot met het achtste
lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-3. Indien een vrouwelijke
zelfstandige of een vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst over
eenzelfde periode zowel recht heeft op een uitkering op grond van paragraaf
1 als op een uitkering op grond van paragraaf 2 van
deze afdeling, worden haar, in afwijking van het tweede lid, zowel de
uitkering op grond van zowel paragraaf 1
als de uitkering op grond van
paragraaf 2 uitbetaald, mits de vrouwelijke zelfstandige of de
vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst niet vrijwillig verzekerd is
als bedoeld in de tweede afdeling, hoofdstuk IV, van de
Ziektewet en voor zover:
a. werkzaamheden als
vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
worden verricht; en
b. de uitkering op grond van paragraaf
1 en de uitkering op grond van
paragraaf 2 samen niet meer
bedragen dan 100% van de som van de inkomsten uit of in verband
met arbeid die de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst ontving op de dag direct voorafgaande aan
de dag waarop recht op uitkering op grond van afdeling
2, paragraaf 1, en de uitkering op grond van afdeling 2,
paragraaf 2, ontstaat.
3. In het achtste lid
(nieuw) wordt "het derde en vierde lid" vervangen door: het vierde en vijfde
lid.
Art. II.
Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
[MvT]
In artikel 19, eerste lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
wordt "vier weken" telkens
vervangen door: dertien weken.
Art. III.
Wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
[MvT]
Artikel 83 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, wordt "vier
weken" vervangen door: dertien weken.
2. In het tweede lid wordt "vier weken na de
dagtekening" vervangen door: dertien weken na de
dagtekening.
Art. IV.
Wijziging van de Werkloosheidswet
[MvT]
In artikel 54, tweede lid,
van de Werkloosheidswet wordt "vier weken"
telkens vervangen door:
dertien weken.
Art. V.
Wijziging van de
Ziektewet
[MvT]
In artikel 66 van de
Ziektewet wordt in het eerste lid "vier weken" telkens vervangen
door "dertien weken" en wordt in het tweede lid "vier weken na de
dagtekening" vervangen door: dertien weken na de dagtekening.
Art. VI.
Overgangsbepaling [MvT]
-1. De bepalingen van deze
wet zoals deze luiden na de inwerkingtreding van deze wet zijn niet van
toepassing op vrouwelijke zelfstandigen wier bevalling heeft plaatsgevonden
vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, noch op
vrouwelijke beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst aan wie een uitkering op
grond van paragraaf 2 ¹ is toegekend vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
-2. De verplichting, bedoeld
in artikel 3:22 van de Wet arbeid en
zorg, om, indien de vrouwelijke
zelfstandige voor een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling in
aanmerking wenst te komen, uiterlijk twee weken vóór de datum van
ingang van het recht op uitkering, bedoeld in artikel
3:18, tweede lid, een
aanvraag in te dienen, geldt niet voor de vrouwelijke zelfstandige
wier bevalling binnen tien weken na inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt. De
vrouwelijke zelfstandige, bedoeld in de vorige zin, kan een
aanvraag voor een uitkering voor de periode van zwangerschap en bevalling
uiterlijk vier weken na de datum van bevalling indienen.
1. Volgens de redactie
dient "paragraaf 2" te worden vervangen door: hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en
zorg.
Art. VII.
Evaluatie [MvT]
Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding
van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Art. VIII.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Art. IX.
Citeertitel [MvT]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 mei 2008
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de derde
juni 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|