Met
dit wetsvoorstel wordt
in de Wet arbeid en zorg een recht voor vrouwelijke
zelfstandigen, meewerkende
echtgenoten, beroepsbeoefenaars zonder arbeidsovereenkomst
en directeur-grootaandeelhouders (verder zelfstandigen) opgenomen op
een zwangerschaps- en bevallingsuitkering gedurende ten minste zestien weken
(analoog aan de uitkeringsduur voor werkneemsters).
In zijn algemeenheid kiezen
zelfstandigen voor het ondernemerschap met alle daaraan verbonden
risico’s en voordelen. Wel moet een zelfstandige in staat zijn zelf bepaalde
risico’s te dragen. De regering heeft vanuit dit vertrekpunt een zorgvuldige
afweging gemaakt over de invoering van een zwangerschaps- en
bevallingsuitkering voor vrouwelijke zelfstandigen. Op de private verzekeringsmarkt
geldt voor de verzekering van inkomensderving als gevolg van zwangerschap
en bevalling vaak een wachttijd van twee jaar. Verzekering is
alleen mogelijk in aanvulling op een private arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het risico bestaat dat vrouwelijke zelfstandigen die geen
financiële voorziening hebben getroffen in geval van zwangerschap en
bevalling te lang doorwerken tot de bevalling en te snel weer starten na de
bevalling. Hiermee kunnen zij de eigen gezondheid of de gezondheid van hun
kind in gevaar brengen. Met een wettelijke regeling wil de regering de
financiële noodzaak hiertoe verminderen. De regering heeft daarom
besloten tot de invoering van een zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor
vrouwelijke zelfstandigen.
De uitkering is gebaseerd op
de winst van de zelfstandige in het voorafgaande boekjaar, met een maximum
van 100% van het wettelijk minimumloon. Financiering van de
voorziening vindt plaats uit de collectieve middelen. De voorziening
wordt uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV).
Voormalig verplicht
verzekerden kunnen hun verzekeringen met betrekking tot de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) rblz.|2|
en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
bij het UWV voortzetten in de vorm van een vrijwillige
verzekering. De
huidige aanmeldtermijn hiervoor bedraagt vier weken. Dit wetsvoorstel
voorziet in verlenging van de aanmeldtermijn van vier weken naar dertien
weken. Hiermee wordt de toegang tot de vrijwillige verzekering verbeterd.
Dit wetsvoorstel vormt de
uitwerking van de afspraak uit het Coalitieakkoord van 7 februari 2007
¹ waarin
is opgenomen dat de mogelijkheid van een uitkeringsregeling
voor zwangerschapsverlof voor zelfstandigen en meewerkende partners zal
worden bezien.²
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4.
2. Hiermee komt de regering
tevens tegemoet aan een advies van de
Commissie Gelijke Behandeling en verschillende
moties van de Tweede Kamer over dit
onderwerp.
2. Achtergrond van het
wetsvoorstel
Op 1 januari 1998 werd de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingevoerd. De WAZ
regelde een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen op
minimumniveau. De WAZ kende ook een dekking voor
een zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen.
Op 1 januari 2001 is de zwangerschaps- en bevallingsregeling voor zelfstandigen
opgenomen in de Wet arbeid en zorg. De WAZ voorzag vanaf
dat moment alleen nog in een
verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen.
Op basis van een nadere
beschouwing van de noodzaak en wenselijkheid van een verplichte publieke
verzekering voor het arbeidsongeschiktheidsrisico van zelfstandigen is de
toegang tot de WAZ per 1 augustus 2004 afgesloten. Ten grondslag
aan dit besluit lag onder meer de constatering dat onder zelfstandigen geen
behoefte bestond aan een verplichte publieke
arbeidsongeschiktheidsverzekering in de vorm van de WAZ. De inkomenssolidariteit werd
als te groot ervaren en de premie als te hoog. Bovendien was er een
alternatief voorhanden, in de vorm van private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Met de Wet
einde toegang verzekering WAZ is tevens de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering voor zelfstandigen uit de Wet arbeid en zorg
komen te
vervallen.
Sinds de beëindiging van de
toegang tot de WAZ is in de praktijk gebleken dat de verzekerbaarheid van
inkomstenderving als gevolg van zwangerschap een aantal beperkingen kent.
Allereerst is op de private markt een verzekering voor
inkomensderving door zwangerschap en bevalling niet los verkrijgbaar. Inkomensderving door zwangerschap en bevalling is
alleen verzekerbaar als
aanvulling op een private arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarnaast hanteren veel
verzekeraars voor deze verzekering meestal een wachttijd van
twee jaar.
Deelname aan de vrijwillige
werknemersverzekeringen bij het UWV kan de hiervoor beschreven
beperkingen slechts in beperkte mate wegnemen, aangezien de vrijwillige
verzekering slechts openstaat voor zelfstandigen die vanuit een
dienstbetrekking of naast een dienstbetrekking werkzaamheden als zelfstandige verrichten
en ook bij de vrijwillige verzekering geldt dat de dekking tegen het
financiële risico van zwangerschap en bevalling onderdeel is van een breder
pakket. Met betrekking tot de vrijwillige verzekering geldt voorts dat de huidige
aanmeldtermijn van vier weken kort is. Dit wetsvoorstel voorziet
daarom in verlenging van de aanmeldtermijn van vier weken naar dertien
weken.
Conform het standpunt van de
regering bij het afsluiten van de toegang tot de WAZ, heeft de
Rechtbank Den Haag op 25 juli 2007 (nr. 257 427/ HAZA 06-170) geoordeeld dat
er geen juridische noodzaak is tot het treffen van een publieke
voorziening voor zelfstandigen. In zijn vonnis rblz.|3|
heeft de rechtbank bepaald
dat de Staat niet verplicht is op grond van internationaalrechtelijke
bepalingen een publiekrechtelijke zwangerschaps- en bevallingsregeling voor
vrouwelijke zelfstandigen te treffen of te handhaven.
De regering heeft
herinvoering van een zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen
zorgvuldig afgewogen. Enerzijds kiezen zelfstandigen bewust voor het
ondernemerschap met alle daaraan verbonden voordelen en risico’s.
Desgewenst kunnen zij zich tegen deze risico’s verzekeren op de private
markt. Dit was destijds de belangrijkste reden om de toegang tot de WAZ
inclusief de zwangerschaps- en bevallingsuitkering te beëindigen. Anderzijds
is de bescherming van de gezondheid van moeder en kind van groot
maatschappelijk belang. Verzekeringen tegen het financiële risico
als gevolg van zwangerschap kennen over het algemeen een wachttijd van
één of twee jaar. Daarnaast is de verzekering veelal gekoppeld aan
verzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Mede daardoor ligt het in de
praktijk niet binnen hun bereik om zich adequaat te verzekeren. In
zijn algemeenheid is bekend dat circa 45% van de zelfstandigen een
verzekering tegen arbeidsongeschiktheid heeft afgesloten. Het gevolg van het
onverzekerd zijn, kan zijn dat de desbetreffende vrouwen te lang doorwerken
vóór de bevalling en te snel weer beginnen na de bevalling, waardoor de
gezondheid van moeder en kind in gevaar kan komen. Voor de regering
heeft de doorslag gegeven dat het belang van de gezondheid van moeder
en kind voorop moet staan. Na ampele overweging, met name
ingegeven door het feit dat de WAZ eerst recent werd ingetrokken, heeft de
regering besloten tot de herinvoering van een zwangerschaps- en
bevallingsuitkering. De regering erkent dat dit een wijziging in het beleid is,
maar ziet dit vanwege het maatschappelijke belang dat met de regeling
gediend is niet als reden om af te zien van herinvoering van een
zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen.
3. Inhoud van het
wetsvoorstel
Het wetsvoorstel voorziet in
twee wijzigingen:
- voor de inkomensderving
van vrouwelijke zelfstandigen als gevolg van zwangerschap en bevalling
wordt een separate publieke voorziening getroffen;
- de aanmeldtermijn voor
een verzoek tot toelating tot de vrijwillige verzekeringen bij het UWV
wordt verruimd van vier weken naar dertien weken.
3.1. Zwangerschapsvoorziening
Dit wetsvoorstel regelt dat
in hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg
een recht voor zelfstandigen op
een uitkering in geval van zwangerschap en bevalling wordt opgenomen.
Het betreft een recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering
gedurende ten minste zestien weken, waarbij de hoogte van de uitkering is gebaseerd op de winst van de zelfstandige en maximaal
100% van het wettelijk
minimumloon bedraagt. De wijze van verstrekking van de
uitkering is analoog aan de regeling die al geldt voor de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering voor beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst. Een
uitkering in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging behoort
zodoende tot de mogelijkheden. Aansluiting bij de bestaande bepalingen uit
de Wet arbeid en zorg
en de ervaringen met de WAZ heeft als voordeel
dat de uitvoeringspraktijk hiermee bekend is en dat de benodigde
implementatietermijn beperkt is.
Vrouwelijke zelfstandigen,
beroepsbeoefenaars zonder arbeidsovereenkomst, directeuren-grootaandeelhouders
en meewerkende echtgenoten rblz.|4|
krijgen een aanspraak op een
uitkering. Hiermee wordt invulling gegeven aan de toezegging van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het algemeen overleg met
de Tweede Kamer van 26 september 2007 dat hij de positie van de
meewerkende echtgenoot nader zal bezien.
Het recht op
zwangerschapsuitkering vangt aan zes weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van
bevalling. Het recht loopt tot en met de dag van de bevalling. Indien de
betrokkene dat wenst, vangt het recht op uitkering aan op een later tijdstip,
doch uiterlijk vier weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van
bevalling.
Het recht op
bevallingsuitkering vangt aan op de datum na de bevalling en bedraagt tien weken.
Hierbij worden opgeteld de dagen dat de zwangerschapsuitkering
minder dan zes weken heeft bedragen. Ingeval de feitelijke datum van
bevalling ligt na de uitgerekende datum van bevalling, kunnen de
bevallings- en
zwangerschapsuitkering samen meer dan zestien weken bedragen.
De hoogte van de uitkering
is gebaseerd op de winst van de zelfstandige of de inkomsten als
beroepsbeoefenaar in het boekjaar voorafgaand aan de uitkering, met een
maximum van 100% van het wettelijk
minimumloon. Uit enquêteonderzoek blijkt
dat er 85 000 vrouwen zijn in de leeftijd van 20 tot 40 jaar met als
primaire inkomstenbron winst. 29% van deze vrouwen kent een inkomen van
maximaal €|5000,-. Voor werkneemsters in diezelfde leeftijdscategorie
geldt dit in 9% van de gevallen. In verhouding tot werkneemsters hebben
relatief veel vrouwelijke zelfstandigen een gering inkomen.
Hoofdlijn is dat de hoogte
van de uitkering wordt gerelateerd aan de winst die betrokkene in het
voorafgaande boekjaar gemiddeld per dag heeft genoten. Indien de
betrokkene in dat jaar minimaal 1225 uren heeft gewerkt - het
urencriterium dat in de Wet
inkomstenbelasting 2001 recht geeft op zelfstandigenaftrek - wordt als fictie gehanteerd dat de winst in het voorafgaande boekjaar
minimaal het wettelijk minimumloon van het desbetreffende jaar heeft
bedragen. De uitkering wordt dan vastgesteld op 100% van het wettelijk
minimumloon. Indien minder dan 1225 uren per jaar is gewerkt, wordt de uitkering vastgesteld naar rato van de gederfde
winst/inkomsten.
Hiermee wordt voorkomen dat
het aantrekkelijk is, met het oog op het recht op de zwangerschaps-
en bevallingsuitkering, om zich te presenteren als zelfstandige zonder dat
feitelijk inkomsten als zelfstandige zijn genoten.
Overigens geldt dat, in het
geval betrokkene zich heeft verzekerd voor de vrijwillige verzekering, op
grond daarvan reeds aanspraak bestaat op een loongerelateerde uitkering
op grond van de Wet arbeid en zorg. In dat
geval bestaat voor dat deel
geen aanspraak op een uitkering tot een maximum van 100% van het wettelijk
minimumloon op grond van dit wetsvoorstel. Dit om te
voorkomen dat het totaal van beide uitkeringen meer kan bedragen dan 100%
van het dagloon. In het geval betrokkene deels werkzaam is als
werknemer en deels als zelfstandige geldt dat betrokkene voor het deel dat
als werknemer werkzaamheden worden verricht recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof conform de
huidige bepalingen in de Wet
arbeid en zorg. Met dit wetsvoorstel wordt dat aangevuld met een
uitkering voor de inkomstenderving als zelfstandige, voor zover betrokkene niet
vrijwillig verzekerd is.
3.2. Verlenging
aanmeldtermijn vrijwillige verzekering
De ZW, de
WW, de WAO en de
Wet WIA bieden onder andere de mogelijkheid aan (ex-)werknemers die
starten als zelfstandige, om deze verplichte rblz.|5|
verzekering op vrijwillige
basis voort te zetten bij het UWV. Circa 75% van
de zelfstandigen start uit
een dienstverband of uitkering. Voor hen staat de mogelijkheid van vrijwillige
voortzetting van de verplichte werknemersverzekering open. De mogelijkheid van
vrijwillige verzekering bestaat ook voor andere groepen dan
startende zelfstandigen waarvan de verplichte verzekering eindigt,
bijvoorbeeld personen die tijdelijk in het buitenland werkzaam zijn. Uit
cijfers
van UWV valt af te leiden dat circa 2% van de vrouwelijke doelgroep in de
leeftijd van 20 jaar tot 40 jaar zich daadwerkelijk verzekerd bij het UWV. De
aanmeldtermijn voor de vrijwillige verzekeringen is nu vier weken na
beëindiging van de verplichte verzekering. Deze periode wordt als te
kort ervaren. Met dit wetsvoorstel wordt deze periode verlengd naar
dertien weken. Hiermee wordt potentiële deelnemers aan de vrijwillige
verzekering - meer dan nu het geval is - een redelijke termijn geboden om een
afweging te maken om al dan niet deel te nemen aan de vrijwillige
verzekering. Anderzijds wordt zoveel mogelijk voorkomen dat sprake is van
risicoselectie. Dit zou het geval kunnen zijn indien de aanmeldtermijn
voor een langere periode wordt verlengd. In dat geval zou bovendien de
relatie met de voorafgaande verplichte verzekering verwateren.
Daarnaast zal de
voorlichting over de vrijwillige verzekering bezien worden. Voorts studeert het
kabinet op de problematiek van arbeidsongeschiktheid van zelfstandige
ondernemers. In het eerste kwartaal van 2008 zal het kabinet de Tweede
Kamer hierover nader informeren.
4. Overgangsbepalingen en
evaluatiebepaling
Het recht op
zwangerschapsuitkering bestaat vanaf de dag van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel voor
alle vrouwelijke zelfstandigen die op of na de dag van
inwerkingtreding bevallen. Dit is ook het geval als sprake is van een recht op
zwangerschapsuitkering van één of enkele dagen. Het recht op zwangerschapsuitkering loopt door tot en met de dag van de
bevalling. Aansluitend volgt
een bevallingsuitkering.
Voorgesteld wordt om die
vrouwelijke zelfstandigen recht op een bevallingsuitkering te geven
die bevallen op of na de dag van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Degene
die vóór inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel is
bevallen, kan hieraan geen recht op uitkering ontlenen. Deze overgangsbepaling sluit aan bij de betreffende bepaling bij
de invoering van de WAZ.
De verruiming van de
aanmeldtermijn voor de vrijwillige verzekering is van toepassing op alle
gevallen waarin de verplichte verzekering is geëindigd op of na de datum van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel en waarvan de (op dit moment
geldende) aanmeldingsperiode van vier weken nog niet is
verstreken. Dat betekent dat sprake is van onmiddellijke werking op dit punt.
Het wetsvoorstel wordt drie
jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. Bij deze evaluatie zal specifiek
bezien worden in welke mate de regeling er in de praktijk toe heeft geleid
dat zelfstandige onderneemsters ook daadwerkelijk eerder stoppen met werken of
minder gaan werken in de periode vóór en na de bevalling.
Op dat moment kan vastgesteld worden of de regeling daadwerkelijk zijn
doel heeft bereikt en wat de betekenis daarvan moet zijn voor de opzet van
de regeling.
5. Financiering en
financiële en economische gevolgen
5.1. Financiering
De financiering van de
lasten als gevolg van de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen vindt
plaats uit de collectieve middelen. Hiertoe rblz.|6|
wordt jaarlijks een rijksbijdrage gestort in het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
De te betalen uitkeringen en
de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen komen,
op grond van artikel 115, eerste lid,
onderdeel
c en e, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, ten laste van dit fonds. De hoogte van de
rijksbijdrage wordt jaarlijks door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid vastgesteld op basis van een raming van de gerealiseerde en te
verwachten uitkeringslasten en uitvoeringskosten. Als alternatief voor deze
wijze van financiering is premieheffing bij zelfstandigen bezien. Dit
sluit immers aan op de financieringswijze van de regeling voor werknemers. De
uitvoeringskosten (circa €|10 mln) en administratieve lasten verbonden aan de
inning van deze premies staan echter in geen verhouding tot de te
verstrekken uitkeringen.
5.2. Financiële en
economische gevolgen
Zwangerschapsuitkering
Naar verwachting zullen ruim
5000 vrouwelijke zelfstandigen per jaar een beroep doen op de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering die wordt voorgesteld. Dit aantal is
gebaseerd op instroomgegevens over de periode 2000-2004.
Enerzijds is er sprake van een stijgend aantal zelfstandigen. Anderzijds is er
sprake van
een dalend geboortecijfer. Ook de samenstelling van de
zelfstandigenpopulatie wijzigt. Er is zodoende niet een één-op-éénrelatie
tussen de groei van het aantal zelfstandig ondernemers en het verwachte aantal
zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen. Zonder uitvoeringsgegevens
is er daarom op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat
het aantal uitkeringen (veel) zal afwijken van de 5000 uitkeringen per jaar
ten tijde van de WAZ. De uitkeringslasten worden geraamd op €|25,5
mln per jaar. De met de uitvoering gemoeide uitvoeringskosten bedragen
naar schatting circa €|1,5 mln per jaar. Bij de raming is uitgegaan van
invoering per 1 juli 2008.
Kosten zwangerschaps- en
bevallingsuitkering voor zelfstandigen (x €|1
mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
Structureel |
| Uitkeringslasten |
12,75x |
25,5x |
25,5x |
25,5x |
25,5x |
25,5xxx |
| Uitvoeringskosten
structureel |
0,75x |
1,5x |
1,5x |
1,5x |
1,5x |
1,5xxx |
| Uitvoeringskosten
implementatie |
1x |
0x |
0x |
0x |
0x |
0xxx |
| Totaal |
14,5x |
27x |
27x |
27x |
27x |
27xxx |
Vrijwillige verzekering
De aanleiding voor de
uitbreiding van de aanmeldtermijn voor de vrijwillige verzekering van vier naar
dertien weken is gelegen in de signalen dat startende ondernemers de
huidige termijn als erg kort ervaren. Met een verlenging van de
aanmeldtermijn wordt tegemoetgekomen aan de tijdsdruk die startende ondernemers op
dit punt ondervinden. Een langere aanmeldtermijn biedt
starters de gelegenheid om een betere afweging te maken van de alternatieven
om zich te verzekeren tegen de risico’s van inkomensderving door ziekte
en arbeidsongeschiktheid. Dit kan zowel tot meer als tot minder gebruik
van de vrijwillige verzekering leiden.
In hoeverre de huidige
aanmeldtermijn van invloed is op het feitelijke gebruik van de vrijwillige
verzekering is niet bekend. Verondersteld wordt dat de verruiming van de
aanmeldtermijn per saldo niet tot een substantieel hoger of lager gebruik van
de vrijwillige verzekering zal leiden, omdat het arbeidsongeschiktheidsrisico voor startende ondernemers niet wezenlijk
zal veranderen als gevolg
van de verlenging van de aanmeldingstermijn. Om dezelfde reden wordt
verondersteld dat er geen effect op de uitkeringslasten en
premie-inkomsten optreedt.
rblz.|7|
Bedrijfseffecten en
administratieve lasten
Het wetsvoorstel heeft een
positief effect op de positie van vrouwelijke zelfstandigen. Aan de
aanvraag van een zwangerschaps- en bevallingsuitkering zijn administratieve lasten
verbonden. Deze administratieve lasten hebben betrekking op
het doen van de aanvraag en het verkrijgen van de benodigde verklaring
van de arts of verloskundige. De extra administratieve lasten worden geraamd op
circa €|0,5 mln per jaar.
Het
UWV kan bij de
uitvoering van de onderhavige regeling in voorkomende gevallen op basis van
artikel 54 SUWI mede gebruik maken van informatie over
het inkomen
van zelfstandigen die bij de belastingdienst aanwezig is. Bij deze
gegevenslevering kan in de toekomst mogelijk worden aangesloten bij de inkomensbegrippen zoals opgenomen in het
wetsvoorstel basisregistratie inkomen (BRI). Voorts zal te zijner tijd bezien worden of met de invoering
van de BRI conform de uitgangspunten van de Wet eenmalige
gegevensuitvraag [lees: Wet eenmalige
gegevensuitvraag werk en inkomen, red.] een separate uitvraag van gegevens bij zelfstandigen door het
UWV achterwege kan blijven.
6. Ontvangen commentaren
Het wetsvoorstel is op
uitvoerbaarheid beoordeeld door het UWV, op
administratieve lasten door
Actal [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] en op toezichtbaarheidsaspecten door de
Inspectie Werk en Inkomen
(IWI).
De IWI voorziet geen
problemen bij het toezicht op de uitvoering van de nieuwe en aangepaste
wetsartikelen.
In de uitvoeringstoets geeft
het UWV aan dat het wetsvoorstel uitvoerbaar
is. Ook de beoogde
invoeringsdatum van 1 juli 2008 is haalbaar. Conform de suggestie van het UWV in
de uitvoeringstoets zijn de dereguleringsmogelijkheden nader bezien in nauw overleg
met het UWV. Dit heeft geleid tot een vereenvoudigde grondslagvaststelling. In het oorspronkelijke
conceptwetsvoorstel - dat
voor de uitvoeringstoets was voorgelegd aan het UWV - dienden altijd de inkomensgegevens te worden uitgevraagd
bij de betrokkene. Dat is
thans niet meer het geval. In het voorliggende wetsvoorstel wordt immers
uitgegaan van de fictie dat de betrokkene in het voorafgaande boekjaar
minimaal het wettelijk minimumloon heeft verdiend indien zij in
dat jaar meer dan 1225 uur heeft gewerkt. Aangezien het hier naar
schatting gaat om circa 75% van het totale aantal aanvragen, betekent deze
vereenvoudiging een reductie van de uitvoeringskosten en de administratieve
lasten. In de overige gevallen vindt de vaststelling van de hoogte
van de uitkering plaats op basis van de winst- en verliesgegevens.
In de toets op de
administratieve lasten wijst Actal erop dat er mogelijk alternatieven zijn waarmee
de administratielasten voor de aanvrager kunnen verminderen. In
absolute termen zijn de administratie lasten reeds zeer beperkt. Deze lasten
bedragen circa €|0,5 mln. Zoals hiervoor is toegelicht, is de grondslagvaststelling vereenvoudigd naar aanleiding van
zowel het commentaar van het UWV als van
Actal. Als gevolg van deze vereenvoudiging worden de
administratieve lasten gereduceerd.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Voor het begrip zelfstandige
wordt aansluiting gezocht bij de definities rblz.|8|
van zelfstandige in andere socialezekerheidswetten. In de
WAZ en in de ZW is een
zelfstandige
degene die winst uit (Nederlandse) onderneming geniet. Om het begrip winst
uit onderneming te verduidelijken, wordt een definitie van deze begrippen
opgenomen in de Wet arbeid en zorg. Deze
definitie sluit aan bij de
begrippen in de definitie van zelfstandige in de Wet
inkomstenbelasting 2001 en is nodig voor het vaststellen van de grondslag van de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering.
Ook voor de begrippen
aanmerkelijk belang en inkomsten uit tegenwoordige arbeid wordt aangesloten bij
de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor zover het gaat om het begrip
dienstbetrekking wordt aangesloten bij hetgeen in de ZW verstaan
wordt onder dienstbetrekking. Het gaat daarbij zowel om een publiekrechtelijke als een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Onderdelen B en
C
Met
dit wetsvoorstel wordt
beoogd een vrouwelijke zelfstandige het recht te geven op een uitkering
van ten minste zestien weken in verband met zwangerschap of bevalling.
De voorgestelde wijziging van artikel 3:17 van
de Wet arbeid en zorg
bepaalt daarvoor eerst het begrip zelfstandige.
Het
voorgestelde onderdeel a van het eerste lid bevat de definitie
voor beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst zoals de Wet arbeid en zorg
die nu ook kent.
In het voorgestelde eerste
lid, onderdeel b, wordt onder 1º en 2º het begrip zelfstandige
gedefinieerd zoals dat in diverse fiscale en socialezekerheidswetten wordt
gehanteerd. Onder het begrip zelfstandige wordt onder 3º en 4º tevens een
beroepsbeoefenaar zonder arbeidsovereenkomst verstaan. Deze persoon is
geen werknemer en kan thans geen recht op uitkering krijgen op grond
van de Wet arbeid en zorg.
Ook een
directeur-grootaandeelhouder wordt onder 5º in het voorgestelde eerste lid, onderdeel
b,
onder het begrip zelfstandige in de zin van deze wet gebracht en krijgt recht
op een uitkering voor de periode van zwangerschap en bevalling
voor ten minste zestien weken. In het voorgestelde eerste lid, onderdeel b,
onder 6º, krijgt tot slot ook een meewerkende echtgenoot het recht op een
uitkering op grond van deze wet, voor zover deze persoon niet onder één van de andere categorieën van het
tweede lid valt of op grond
van een arbeidsovereenkomst met haar echtgenoot als werknemer moet worden
beschouwd. Overigens hebben alfahulpen, die voldoen aan de gestelde
voorwaarden in de ZW, over het algemeen reeds aanspraak op
een zwangerschaps- en bevallingsuitkering omdat zij dan gezien worden
als beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst.
Voor de invulling van de
begrippen zelfstandige, beroepsbeoefenaar zonder arbeidsovereenkomst,
directeur-grootaandeelhouder en meewerkende echtgenoot is aangesloten
bij de terminologie in andere socialezekerheidswetten, in het bijzonder de
WAZ en
de ZW. In het onderhavige wetsvoorstel gaat het
evenwel steeds om de vrouwelijke zelfstandige, beroepsbeoefenaar zonder
arbeidsovereenkomst, directeur-grootaandeelhouder of meewerkende echtgenoot of
geregistreerde partner.
Het voorgestelde tweede lid
maakt het mogelijk ten aanzien van het begrip
directeur-grootaandeelhouder nadere regels te stellen. Dit zal worden uitgewerkt door de
Regeling aanwijzing
directeur-grootaandeelhouder, die nu geldt voor de ZW, de WAO
en de WW, aan te passen, opdat deze regeling ook voor
directeuren-grootaandeelhouders in deze wet van toepassing zal zijn.
Onderdelen
D, E en F
In de
onderdelen D, E en
F
wordt voorgesteld de artikelen van de Wet arbeid en zorg
omtrent het
recht op en de aanvraag van een uitkering zo rblz.|9|
te wijzigen dat ook een
vrouwelijke zelfstandige in de zin van deze wet een uitkering kan aanvragen.
Hierbij kan het gaan om het recht op een uitkering voor de periode van
zwangerschap en bevalling of om een uitkering in verband met vervanging.
Dit geldt op grond van artikel 3:18, in samenhang
met artikel 3:1, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, alleen voor de
vrouwelijke zelfstandige in
de zin van deze wet.
De vrouwelijke zelfstandige
die aanspraak wenst te maken op een zwangerschaps- en
bevallingsuitkering of een uitkering ter zake van vervanging doet hiertoe een aanvraag
bij het UWV uiterlijk twee weken vóór de datum waarop het recht op
uitkering moet ingaan. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een
schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige waarin de vermoedelijke
datum van bevalling is aangegeven (zie artikel 3:22 van de
Wet arbeid en zorg).
Voor de
uitkeringsvoorwaarden wordt aangesloten bij de huidige bepalingen in de Wet arbeid en zorg
met
betrekking tot beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst. Op hen
is in artikel 3:27 van de Wet arbeid en zorg
een aantal bepalingen uit de WAZ van overeenkomstige toepassing
verklaard en worden voorts
ten aanzien van de kring van verzekerden enige bepalingen die
voortvloeien uit internationale verplichtingen toegevoegd.
Onderdeel G
Onderdeel G stelt voor om
een derde lid toe te voegen aan artikel 3:23 van
de Wet arbeid en zorg. In
dit artikellid wordt bepaald dat indien een vrouwelijke zelfstandige in het
kalenderjaar voorafgaand aan de ingangsdatum van het recht op
zwangerschaps- of bevallingsuitkering ten minste het aantal uren heeft gewerkt
dat wordt vereist voor het urencriterium in de Wet
inkomstenbelasting 2001,
de hoogte van de uitkering altijd 100% van het minimumloon bedraagt.
Het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, wordt onder meer gehanteerd voor de zelfstandigenaftrek
en voor de meewerkaftrek. Een vrouwelijke zelfstandige, bedoeld in
artikel 3:17, wordt in dat geval geacht ten minste het wettelijk minimumloon te hebben verdiend met haar
arbeid in dat kalenderjaar.
Op dit moment geldt hiervoor dat 1225 uur of meer moet zijn gewerkt. Dit
kan aangetoond worden doordat (voorlopig) zelfstandigenaftrek of
meewerkaftrek is verkregen of indien dit niet het geval is, door bijvoorbeeld
een arbeidsovereenkomst of opdrachtverlening.
Indien door een vrouwelijke
zelfstandige minder dan 1225 uur is gewerkt in het kalenderjaar
voorafgaand aan de ingangsdatum van het recht op zwangerschaps- en
bevallingsuitkering, dan wordt de hoogte van de uitkering op grond van artikel
3:23,
eerste lid, vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van
de WAZ.
Onderdeel H
In onderdeel H wordt een
nieuw lid voorgesteld in artikel 3:29 van de
Wet arbeid en zorg, waarin wordt
aangegeven hoe bij samenloop van werkzaamheden in dienstbetrekking en
werkzaamheden als vrouwelijke zelfstandige of als beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst wordt omgegaan met de rechten op uitkering
op grond van paragraaf 1 en 2 van
afdeling 2 van de Wet arbeid en zorg. In dat geval geldt dat betrokkene
voor het deel dat als
werknemer werkzaamheden worden verricht recht heeft op zwangerschaps- en
bevallingsverlof conform de huidige bepalingen in paragraaf 1 van afdeling
2 van de Wet arbeid en zorg. Met
dit
wetsvoorstel wordt die
uitkering aangevuld met een uitkering voor de inkomstenderving als
vrouwelijke zelfstandige of als beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, voor
zover betrokkene niet vrijwillig is verzekerd.
rblz.|10|
De uitkeringen op
grond van paragraaf 1 en paragraaf 2
mogen samen niet meer bedragen dan
100% van de som van de inkomsten die de vrouwelijke zelfstandige
of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst ontving op de dag direct
voorafgaande aan de dag waarop recht op uitkering op grond van
afdeling 2, paragraaf 1, en de uitkering op grond van afdeling 2, paragraaf
2,
ontstaat. Het is nodig dit laatste te regelen met het oog op de persoon
die een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering)
op grond van de
Wet WIA ontvangt. Ter verduidelijking wordt
het volgende voorbeeld geschetst. Een persoon ontvangt een WGA-uitkering
(en is op grond van artikel 3:6 van de Wet arbeid en zorg
werknemer in
de zin van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1 van die wet) met een
loongerelateerde uitkering die werkzaamheden als vrouwelijke zelfstandige
of als beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst gaat verrichtten [lees: Een persoon ontvangt een WGA-uitkering
(en is op grond van artikel 3:6 van de Wet arbeid en zorg
werknemer in
de zin van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1 van die wet) en gaat werkzaamheden
verrichten als vrouwelijke zelfstandige
of als beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, red.]. Het dagloon is 100 en de verrichte
werkzaamheden leveren naar
verwachting 50 per dag op. De WGA-uitkering bedraagt daarom 35 per dag.
De totale inkomsten zijn daardoor 85 per dag.
In
geval van zwangerschap
heeft deze persoon zowel recht op een uitkering op grond van paragraaf
1
als op een uitkering op grond van paragraaf
2. De uitkering op grond van
paragraaf 1 is gebaseerd op het dagloon en bedraagt, gelet
op artikel 3:13 van de Wet arbeid en zorg, 100
per dag. De uitkering op grond van paragraaf 2 is gebaseerd op de inkomsten
als vrouwelijke zelfstandige
of als beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst en bedraagt, gelet op artikel 3:23 van de
Wet arbeid en zorg, 50 per dag. Totaal aan
uitkeringen bedraagt daarmee 150. Haar totale inkomen is dus 65
hoger dan de inkomsten die zij had vóór het zwangerschaps- en
bevallingsverlof. Dat is niet gewenst. Om te voorkomen dat in zo’n situatie de
uitkering oploopt tot 150 dienen beide uitkeringen tot uitbetaling te komen, voor
zover deze uitkeringen niet meer bedragen dan 100% van de
inkomsten die de zelfstandige ontving op de dag direct voorafgaande aan
de dag waarop recht op uitkering op grond van afdeling 2, paragraaf
1,
en de uitkering op grond van afdeling 2, paragraaf
2, ontstaat. Dit wordt
geregeld in het voorgestelde derde lid, onderdeel b.
Voor vrijwillig verzekerden
geldt op grond van het tweede lid van artikel 3:29 dat een uitkering op
grond van paragraaf 2, van afdeling 2, van de
Wet arbeid en zorg, slechts
kan worden verkregen voor zover deze uitkering de uitkering op grond van
paragraaf 1 van afdeling 2 overtreft.
Artikelen II tot en met V
De voorgestelde wijzigingen
in de artikelen II tot en met V wijzigen in de
Wet WIA, de WAO, de ZW
en in
de WW de aanvraagtermijn voor een verzoek om toelating tot de
vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering, de vrijwillige
Ziektewetverzekering en de vrijwillige werkloosheidsverzekering. Deze periode
wordt verruimd
van vier weken naar dertien weken. Na de inwerkingtreding van de
voorgestelde wijzigingen zal voor diegenen waarvoor de nu geldende aanvraagtermijn van vier weken nog niet is
verstreken en voor
toekomstige gevallen de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering
worden verruimd naar dertien weken. Deze verruiming geldt voor de zelfstandige,
maar ook voor de andere groepen die op grond van de Wet WIA, de
WAO, de ZW en de WW in aanmerking kunnen komen voor deelname aan een
vrijwillige verzekering.
rblz.|11|
Artikel VI
Aangezien het doel van
dit
wetsvoorstel is voor toekomstige gevallen bescherming te bieden aan de
gezondheid van moeder en kind door te voorkomen dat zelfstandigen
bij zwangerschap te lang doorgaan met werken en te vroeg hun
arbeid hervatten, wordt voorgesteld om uitsluitend zelfstandigen wier bevalling
heeft plaatsgevonden op of na de dag van inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel in aanmerking te laten komen voor een uitkering.
Verder wordt voorgesteld om
voor vrouwelijke zelfstandigen in de zin van de Wet arbeid en zorg
wier
bevalling uiterlijk tien weken na de inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt,
een uitzondering te maken op de indieningsvereisten van de
aanvraag om uitkering. Zij kunnen niet voldoen aan de eis, bedoeld in artikel 3:22 van de
Wet arbeid en zorg, om
uiterlijk twee weken
voorafgaand aan de datum van ingang van het zwangerschapsverlof een aanvraag om
uitkering in
te dienen. Om te voorkomen dat de
uitkeringsverstrekking los komt te staan van de periode van zwangerschap en bevalling is
ervoor gekozen een periode van vier weken na de datum van bevalling te
hanteren. De betrokkene kan in dat geval alsnog een aanvraag indienen
binnen vier weken na de datum van bevalling. Hierbij geldt wel dat het UWV
pas tot uitbetaling kan overgaan nadat een aanvraag is ingediend.
Artikel
VII
De regering acht een
evaluatie na afloop van drie jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
wenselijk om te bezien of de wetswijziging de beoogde effecten van bescherming van
moeder en kind zal hebben.
Artikel IX
Voorgesteld wordt om
het
onderhavige wetsvoorstel een citeertitel te geven, aangezien de
uitkering voor zwangerschap en bevalling weliswaar een onderdeel zal vormen van
de Wet arbeid en zorg, maar een op zichzelf
staande uitkering voor
vrouwelijke zelfstandigen vormt.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner