Dit wetsvoorstel bevat een
aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met twee onderdelen:
- een
inspanningsverplichting voor bestuursorganen om burgers en bedrijven die voor een
bepaalde activiteit vergunningen, subsidies e.d. aanvragen, zo goed mogelijk
in te lichten over andere besluiten die aangevraagd moeten worden om
de activiteit uiteindelijk te mogen verrichten;
- een coördinatieregeling
voor de stroomlijning van procedures bij het voorbereiden en nemen van
met elkaar samenhangende besluiten en van de rechtsbescherming
daartegen, die waar wenselijk en nodig van toepassing kan worden
verklaard door de bijzondere wetgever of door de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen.
Het wetsvoorstel past in het
streven van achtereenvolgende kabinetten om de kwaliteit van de
dienstverlening door de overheid te verbeteren en om het bestuursrecht
slagvaardiger te maken. Een onderwerp dat hierbij uit de aard der zaak veel
aandacht krijgt, is dat van de vele vergunningen, ontheffingen en vergelijkbare besluiten die nodig zijn voor burgers,
bedrijven of instellingen
die bepaalde activiteiten willen ontplooien. In het kabinetsstandpunt naar
aanleiding van het advies van de Taskforce Vereenvoudiging Vergunningen
¹ is onder meer gesteld dat vergunningverlening een onmisbaar en effectief
middel is in gevallen waarin voorafgaande toetsing van mogelijk
risicovolle maatschappelijke activiteiten door de overheid
noodzakelijk is, maar dat er geen reden is voor het hanteren van een vergunning
als de bescherming van publieke belangen ook zonder voorafgaande
individuele toetsing kan worden gerealiseerd. Alle in regelgeving van de
centrale overheid opgenomen vergunningvereisten worden hierop getoetst en
aan de decentrale overheden is gevraagd om hetzelfde te
doen voor in hun regelgeving opgenomen vergunningvereisten.
In de genoemde
kabinetsreactie wordt verder benadrukt dat beslissingen op vergunningaanvragen in
een transparant proces tot stand moeten komen, zoveel mogelijk in
één procedure waarin de aanvrager centraal rblz.|2|
staat en deze zo weinig
mogelijk hinder ondervindt van de verdeling van verantwoordelijkheden over
diverse bestuursorganen. Ook Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006
betreffende diensten op de interne markt (PbEG L 376), hierna verder
aan te duiden als de Dienstenrichtlijn), benadrukt het belang hiervan. Deze
richtlijn bevat onder andere een verplichting voor de lidstaten om te
zorgen voor een centraal contactpunt ("één loket") voor informatie en
bijstand ten behoeve van de onder de richtlijn vallende
dienstverrichters.
De eenloketgedachte wordt niet alleen met organisatorische en
technische maatregelen bevorderd, maar tevens door wijziging van wetgeving. Het
bekendste voorbeeld daarvan in de vergunningensfeer is het in
oktober 2006 ingediende wetsvoorstel voor een Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, waarin een groot aantal vergunningen wordt
geïntegreerd in één omgevingsvergunning.² Een voorbeeld op een heel ander
terrein is de regeling voor samenloop van vergunningen en ontheffingen
die worden verleend ingevolge de op 1 januari 2007 in werking
getreden Wet
op het financieel toezicht, waarin eveneens is voorzien in
integratie in één besluit.³
1. Kamerstukken II 2004-2005,
29 515, nr. 93.
2. Kamerstukken II 2006-2007,
30 844, nrs. 1-3.
3. Zie artikel 1a:2a van de Wet
op het financieel toezicht.
In de nota
"Naar een
slagvaardiger bestuursrecht" ¹ is uiteengezet welke verbeteringen daarnaast in
het algemene bestuursrecht zijn en nog worden doorgevoerd in het
belang van een voortvarende besluitvorming en een vlotte en
doeltreffende afdoening van bestuursrechtelijke geschillen. Daarbij is onder
andere dit
wetsvoorstel aangekondigd. Inmiddels is aangekondigd dat de in
dit wetsvoorstel opgenomen coördinatieregeling in elk geval van toepassing
zal worden verklaard op energie-infrastructuurprojecten.²
1. Kamerstukken II 2003-2004,
29 279, nr. 16H.
2. Kamerstukken II 2004-2005,
29 023, nr. 9.
Een voorontwerp voor
dit
wetsvoorstel werd in maart 2000 gepubliceerd. Dat voorontwerp was
voorbereid door een door de Commissie wetgeving algemene regels van
bestuursrecht ingestelde subcommissie coördinatie besluitvormingsprocedures.
Op het voorontwerp zijn destijds adviezen en reacties ontvangen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG), het Interprovinciaal
Overleg (IPO), de Vereniging VNO-NCW, de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak (NVvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA).¹
Daarna is in het Awb-werk enige tijd prioriteit gegeven aan andere
wetsvoorstellen, die al verder in de procedure van wetgeving waren. In het
bijzonder bestuursrecht zijn intussen op deelterreinen wel enkele
regelingen ingevoerd (Natuurbeschermingswet
1998) of aangekondigd (Drank-
en Horecawet, Elektriciteitswet
1998, Mijnbouwwet) die gebaseerd
zijn op het voorontwerp. Geconstateerd kan worden dat het voorontwerp
als katalysator heeft gewerkt voor de introductie van coördinatieregelingen
op enkele bijzondere bestuursrechtelijke terreinen. Wat een meer
algemene regeling betreft, wordt de draad met dit wetsvoorstel weer
opgepakt. Wij menen dat het wetsvoorstel juist op dit moment een goede
aanvulling kan bieden op de hiervoor vermelde acties die eveneens tot doel
hebben om de informatievoorziening en de vergunningverlening
doelmatiger te doen verlopen.
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
In dit algemeen deel van
deze memorie gaan wij allereerst in op de doelstellingen van het wetsvoorstel
(paragraaf 2), op de achtergronden van de problematiek die daarbij aan
de orde is (paragraaf 3) en op hetgeen een algemene regeling in de Awb
op dit punt kan bieden (paragraaf 4). Vervolgens komt aan de orde hoe het
wetsvoorstel aansluit op andere bestaande en voorgenomen
wetgeving (paragraaf 5) en op de eenloketgedachte en de in
dat verband genomen en nog te nemen maatregelen (paragraaf
6). Daarna
bespreken wij de hoofdlijnen van de voorgestelde informatieregeling (paragraaf
7) en coördinatieregeling (paragraaf 8). De uitgebrachte adviezen
komen aan de orde waar dat relevant is, maar ook nog
afzonderlijk en in algemene zin: in paragraaf 9. Ten
slotte worden in
paragraaf 10 de
gevolgen van het wetsvoorstel voor het rblz.|3|
bedrijfsleven, voor de
administratieve lasten, voor het bestuur en voor de rechtspraak besproken. De
artikelsgewijze toelichting sluit deze memorie af.
2. Doelstellingen van het
wetsvoorstel
In veel wetten is het
verrichten van bepaalde activiteiten onderworpen aan toestemming van de
overheid. Deze toestemming heeft meestal de vorm van een vergunning of
ontheffing. Vaak is voor het verrichten van een bepaalde activiteit meer
dan één vergunning of ontheffing nodig en soms moeten deze
vergunningen of ontheffingen door verschillende bestuursorganen worden
verleend. In de praktijk leidt dit nogal eens tot problemen voor degene die de
activiteit wil ondernemen:
- hij ontdekt niet of te
laat dat hij een vergunningvereiste over het hoofd heeft gezien;
- er ontstaat niet op
hetzelfde moment duidelijkheid over de besluiten op de ingediende aanvragen;
- aan besluiten verbonden
voorschriften zijn tegenstrijdig;
- bestuursorganen gaan op
elkaar zitten wachten.
Het hoeft hierbij bepaald
niet te gaan om grote en complexe activiteiten. Bekend is het grote aantal
besluiten van verschillende bestuursorganen dat benodigd kan zijn voor
het starten van een horecabedrijf.¹
Nadere beschouwing van deze
problemen leert dat de kern ervan meestal ligt in de
ongelijktijdigheid van procedures en besluiten.² Uit het project "Aanpak strijdige
regels"
bleek dat zelfs de ervaring van inhoudelijke tegenstrijdigheid in veel
gevallen terug te voeren valt op het feit dat bestuursorganen bij de
uitvoering van regelgeving hun beslissingen niet gelijktijdig nemen.³
Daarnaast blijkt de informatieverstrekking over de benodigde besluiten in veel
gevallen niet adequaat.
1. Daarover onder andere het
MDW-rapport Openbare inrichtingen á la
carte en het onderzoeksrapport Lokale
regelgeving voor openbare inrichtingen,
aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van
respectievelijk 21 januari 2001
(Kamerstukken II 2000-2001, 24 036, nr. 207) en 21 juli
2004 (Kamerstukken II 2003-2004, 24 036, nr. 304) [MDW: project
Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, red.].
2. Zie hierover uitgebreider
M.S. Beerten, Afstemming van besluiten.
Een onderzoek naar een algemene
afstemmingsregeling voor samenhangende besluiten (diss. RUG), BOOM uitgevers, Den Haag 2004.
3. Brief van de
Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 januari 2005
over het project Aanpak strijdige
regels, Kamerstukken II 2004-2005, 29 515, nr. 49.
Voor de ongelijktijdigheid
van besluiten zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Om te beginnen dient
de aanvrager vaak niet alle aanvragen gelijktijdig of ongeveer gelijktijdig in.
Dat heeft hij in beginsel zelf in de hand, maar een adequate
informatievoorziening over de benodigdheid van vergunningen of ontheffingen
is hiervoor uit de aard der zaak wel een voorwaarde. Maar ook als de
betrokken bestuursorganen voldoende informatie verstrekken en er zelf alles
aan doen om gelijktijdig te beslissen - wat gelukkig steeds vaker
het geval is - blijkt gelijktijdigheid niet altijd mogelijk. Ten eerste niet,
omdat de procedures voor de totstandkoming van besluiten van elkaar
kunnen verschillen. Door de komst van de Awb
en nadien door de opneming
van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in die wet
[zie Wet
uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, red.] en de daarmee
gepaard gaande sanering van bijzondere voorbereidingsprocedures, is
er weliswaar veel meer eenvormigheid in procedures ontstaan, maar
de Awb kent - overigens op goede gronden - nog steeds twee
verschillende voorbereidingsprocedures: de "gewone" en de openbare. Verder
kunnen daarbinnen verschillen bestaan, bijvoorbeeld doordat beslistermijnen of
voorschriften over onderzoek en advies in bijzondere wetten verschillen of doordat in de ene procedure wel en in de andere niet de hoorplicht
geldt (afdeling 4.1.2 Awb). Ten tweede kan het zijn dat het ene besluit
wel en het andere niet in bezwaar of beroep wordt aangevochten door de
aanvrager of door een derde-belanghebbende, waarbij dan bovendien gaat
meespelen dat de procedures voor rechtsbescherming en de
bevoegde rechterlijke instanties niet in alle gevallen gelijk zijn. Vooral
wanneer er tegen één of meer van de betrokken besluiten bezwaar of beroep
wordt ingesteld, kan de situatie onoverzichtelijk worden, niet alleen voor de
aanvrager, maar ook voor de betrokken bestuursorganen zelf en voor eventuele derden-belanghebbenden.
Efficiëntere procedures
voor samenhangende besluiten zijn dus van belang voor zowel het
bestuur als voor burgers, bedrijven en instellingen. rblz.|4|
Organisatorische maatregelen
en ICT-maatregelen zijn daarvoor een belangrijke voorwaarde, maar
ze zijn niet voldoende om het probleem van uiteenlopende procedures op
te lossen. Integratie van nu nog afzonderlijke vergunningen in één enkele
vergunning met één loket, één besluit en één procedure, zoals onder
meer wordt voorzien via de in de toekomstige Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voorziene omgevingsvergunning, zal binnen het bereik
daarvan soelaas kunnen bieden, maar kan niet in alle gevallen
een oplossing zijn. Op het terrein van de Wabo blijft het belang van
coördinatie gelden ten aanzien van besluiten die niet in de omgevingsvergunning
zullen opgaan, maar waarbij het belang van afstemming met die
vergunning duidelijk is. In paragraaf 4.8.2 van de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel Wabo is hierop nader ingegaan.¹ Daarnaast bestaan er ook
buiten de betrokken onderdelen van het omgevingsrecht nog talloze vergunningen, zowel op het niveau van de
rijksoverheid als op dat
van de provincies, gemeenten en waterschappen, waarbij de noodzaak tot
coördinatie aanwezig kan zijn.² Bovendien kan er ook nauwe samenhang bestaan
met andere besluiten dan vergunningen. Het is dus van belang een
algemene wettelijke mogelijkheid te creëren om samenhang te brengen in
verschillende procedures, die kan worden toegepast wanneer de
situatie daarom vraagt.
Dit wetsvoorstel geeft
hieraan gestalte, door in de Awb een "coördinatieregeling"
aan te bieden die door de
bijzondere wetgever of het bestuur van toepassing kan worden
verklaard. Deze regeling zorgt voor een stroomlijning van de
procedures bij het voorbereiden en nemen van samenhangende besluiten en
van de rechtsbescherming daartegen. Via een bundeling van beslis- en
beroepsmomenten wordt in deze regeling gewaarborgd dat niet op
verschillende tijdstippen steeds verschillende maar met elkaar
samenhangende besluiten ter discussie kunnen worden gesteld. Hier ligt een
belang voor zowel de overheid als belanghebbende burgers, bedrijven en
instellingen.
Voor de reeds bestaande of
voorgenomen coördinatieregelingen in de bijzondere wetgeving heeft
het wetsvoorstel slechts tot gevolg dat de betrokken wettelijke regelingen vereenvoudigd kunnen worden en dat
eventuele lacunes worden
opgevuld (zie daarover uitgebreider paragraaf 5). Door de beschikbaarheid
van een algemene regeling wordt het in de toekomst bovendien voor
de bijzondere wetgever gemakkelijker om coördinatie voor te
schrijven, omdat hij eenvoudig bij de in dit wetsvoorstel opgenomen regelingen kan
aansluiten. Daarnaast wordt in meer algemene zin de mogelijkheid
verruimd om initiatieven te nemen tot procedurele coördinatie,
zowel door de lagere wetgever als door de betrokken bestuursorganen
zelf, al dan niet op initiatief van aanvragende burgers, bedrijven en
instellingen.
Verder legt dit wetsvoorstel
aan bestuursorganen een inspanningsverplichting op om burgers zo goed
mogelijk in te lichten over de besluiten die men moet aanvragen om een bepaalde activiteit uiteindelijk
te mogen verrichten. Het
coördineren van procedures komt immers niet goed van de grond als
initiatiefnemers niet weten welke besluiten er nodig zijn om een activiteit
te kunnen realiseren. Achtergrond hiervan is mede dat het door de
complexiteit van de regelgeving voor burgers, bedrijven en instellingen
soms moeilijk is om er achter te komen welke besluiten de overheid moet
nemen om uiteindelijk mogelijk te maken dat de door hen gewenste
activiteit kan worden gerealiseerd. Van een moderne overheid mag worden
verwacht dat zij deze informatie zoveel mogelijk via één kanaal
aan initiatiefnemers verschaft.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 844, nr. 3, blz. 45-46.
2. De Taskforce
Vereenvoudiging Vergunningen inventariseerde in mei 2005
897 voor het bedrijfsleven relevante
vergunningstelsels (bijlage 2 bij het rapport
van de Taskforce; Kamerstukken II 2004-2005, 29
515, nr. 84/bijlage). In het in
opdracht van dezelfde Taskforce door SIRA
consulting gedane onderzoek Kosten en effecten van vergunningverlening (SIRA
Consulting, Nieuwegein
april 2005) bleek bij 40 van de
77 daarin onderzochte vergunningstelsels sprake te
zijn van samenloop. Op blz. 24 van
het rapport zijn daarvan enkele voorbeelden
opgenomen.
3. Complexe besluitvorming
nader beschouwd
Uit ons rechtssysteem vloeit
voort dat de besluitvorming door de overheid haar grondslag in de wet
moet hebben. Bestuursorganen bezitten slechts bevoegdheden die
door de wetgever worden toegekend. De wet rblz.|5|
regelt voorts de wijze
waarop die bevoegdheden gehanteerd moeten worden. Op die manier moet
een zorgvuldige besluitvorming worden gegarandeerd, een besluitvorming die voldoet aan de rechtsstatelijke
eisen van rechtszekerheid
voor de burgers, van democratie en van doelmatigheid.
Het maken van regels die op
een evenwichtige wijze voldoen aan deze eisen vereist dat
rechtszekerheid en zorgvuldigheid steeds worden afgewogen tegen snelheid en
doelmatigheid. Op deze basis heeft de bijzondere wetgever voor verschillende
beleidsterreinen verschillende wetten tot stand gebracht, die elk verschillende belangen beogen te behartigen.
Om die reden bevat elke wet
haar eigen afwegingskader: het zogenaamde specialiteitsbeginsel.¹ De
bestuursrechtelijke wetgeving concentreert zich bijgevolg bijna steeds op
een bepaald besluit, zoals een vergunning, een uitkering of een ontheffing,
op een bepaald terrein, zonder rekening te houden met het feit dat in
veel situaties meer dan dat ene besluit nodig is, omdat meerdere belangen
betrokken zijn. Het resultaat daarvan is dat de burger voor het verrichten
van een activiteit soms verschillende besluiten van één of meer
bestuursorganen nodig heeft en dat deze besluiten door de bestuursorganen op de in
de verschillende wetten voorgeschreven wijze moeten worden genomen.
1. Vgl. R.J.N. Schlössels,
Het specialiteitsbeginsel. Over de structuur van
bestuursbevoegdheden, wetmatigheid van bestuur en beleidsvrijheid (diss.), Den
Haag 1998.
Behalve dat het voor de
burger niet altijd even gemakkelijk is om er achter te komen welke besluiten van
welke bestuursorganen hij nodig heeft, is het voor hem ook van belang
te weten welk van de benodigde besluiten doorslaggevend is of zijn
voor het uitvoeren van zijn voornemen. Alleen dan kan hij een adequate
afweging maken over het doorzetten of eventueel wijzigen van zijn voornemens
aangaande de te ondernemen activiteiten in het licht van de daarvoor
geldende vereisten.
Ook de overheid zelf wordt
bij het verwezenlijken van haar beleidsinitiatieven geconfronteerd met de
diversiteit van procedures voor besluiten die in een
concreet geval met elkaar samenhangen. In die gevallen is het evenzeer van
belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is welke besluiten nodig zijn
en dat de onderscheiden besluitvormingsprocessen zo worden gestructureerd dat
op een duidelijk moment komt vast te staan dat een beoogd
project doorgang zal vinden en dat de voorbereiding van de uitvoering kan worden
gestart.
Zowel bij een initiatief van
de burger als bij projecten van de overheid zelf doet zich een bijzondere
complicatie voor indien besluiten van bestuursorganen van verschillende
bestuursniveaus nodig zijn. Het bereiken van inhoudelijke en procedurele
samenhang door coördinatie van besluitvorming is naar zijn aard gemakkelijker als de verschillende besluiten door
één bestuursorgaan moeten
worden genomen (of door verschillende tot één bestuurslichaam
behorende bestuursorganen) dan als besluiten benodigd zijn van bestuursorganen die
niet tot hetzelfde bestuurslichaam of dezelfde bestuurslaag
behoren.
Met dit laatste wordt tevens
duidelijk dat deze problematiek meer dimensies heeft dan die van de
inrichting van de bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving. Voor tijdige en
samenhangende besluitvorming is ook vereist dat bestuursorganen
besluitvaardig zijn, bereid zijn tot samenwerking, het belang inzien van
interbestuurlijke inhoudelijke en procedurele afstemming en overigens over de
expertise beschikken om een kwalitatief goede besluitvorming te
realiseren. Al deze voorwaarden impliceren dat de betrokken bestuursorganen
gemeenschappelijke belangen hebben bij de totstandkoming van
besluiten. Het wekt tegen deze achtergrond geen verbazing dat de discussie
die enige jaren geleden werd gevoerd over "stroperige
besluitvorming" vooral was ontstaan naar aanleiding van grote infrastructurele
projecten.¹ Daarbij gaat het immers bij uitstek om veel met elkaar
samenhangende besluiten van veel bestuursorganen op verschillende niveaus en
bovendien om uiteenlopende maatschappelijke belangen. Het stroomlijnen
van procedures via bundeling van beslis- en rblz.|6|
beroepsmomenten is echter
evenzeer van belang op andere terreinen dan de infrastructuur en
belanghebbende burgers, bedrijven en instellingen zijn evenzeer als de
overheid gebaat bij snelle en efficiënte besluitvorming.
1. Vgl. Besluiten over grote
projecten, WRR-rapport 46, Den Haag
1994 en: H.P.Heida, F.A.M. Stroink, P.C.E. van Wijmen, Complexe besluitvorming, Preadviezen
VAR, Vereniging voor bestuursrecht,
VAR-reeks 120, Alphen a/d Rijn 1999 [WRR: Wetenschappelijke Raad voor
het regeringsbeleid; VAR: Vereniging voor Bestuursrecht, red.].
In zulke complexe
besluitvormingsprocessen waarbij vele belangen zijn betrokken, is het van groot
belang dat vooraf helderheid bestaat over de samenhang en de structurering van de besluitvorming in alle fasen van
het proces: de
voorbereidingsfase, de besluitvormingsfase en de rechtsbeschermingsfase. De
hiervoor aangegeven sectorgewijze opbouw van de wetgeving maakt dat
echter moeilijk, zo niet onmogelijk, waardoor een ongestructureerde
opeenstapeling van procedures optreedt. Gevolg daarvan is dat op
verschillende momenten bezwaar- en beroepsprocedures kunnen worden aangespannen,
waarmee in feite steeds weer nut en noodzaak van de
voorgenomen activiteit ter discussie kunnen worden gesteld.
4. Algemene regeling in de
Awb
Gelet op het voorgaande,
ligt een algemene regeling voor deze problematiek in de rede. Alleen via een
algemene regeling als de Awb kan immers voor het gehele bestuursrecht een oplossing worden geboden. Voordeel
hiervan is dat de wetgever
dan niet voor ieder geval weer een afzonderlijke coördinatieregeling behoeft
op te stellen, maar gebruik kan maken van de regeling in de Awb.
Daarbij komt dat de voorbereidingsprocedures voor het nemen van besluiten
via de Awb reeds in verregaande mate zijn gestandaardiseerd. Een
belangrijk voordeel van het opnemen van een regeling in de Awb is voorts
dat een verdere evaluatie van de werking in de praktijk zal
plaatsvinden, zodat een structuur ontstaat waarop in de toekomst verder kan worden
voortgebouwd.
Het is dus met name vanwege
het algemene karakter van deze problematiek dat de voorstellen een
plaats krijgen in de Awb. Om dezelfde reden kunnen zij, in tegenstelling
tot de bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving, geen verplichtend karakter
hebben. De thans voorgestelde, in paragraaf 3.5.3 van de Awb
op te nemen
regels over coördinatie van besluitvorming zijn daarom primair
faciliterend van aard: zoals gebruikelijk bij zogenaamde facultatieve regelingen
in de Awb (bijvoorbeeld de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in
afdeling 3.4) kunnen zij worden toegepast indien dat bij wettelijk
voorschrift is bepaald of indien de bevoegde bestuursorganen daartoe
besluiten.
De regeling bevat in
essentie een stroomlijning van procedures van voorbereiding en rechtsbescherming.
Belangrijk onderdeel daarvan is de aanwijzing van een coördinerend bestuursorgaan dat een centrale rol
vervult bij het verzorgen en
bewaken van samenhang bij de procedures waarop de regeling van
toepassing is verklaard. De figuur van het coördinerend bestuursorgaan geeft vanuit
het perspectief van de burger vorm aan de eenloketgedachte.
De eenloketgedachte
(waarover hierna meer in paragraaf 6 van deze toelichting) krijgt meer
expliciet gestalte in paragraaf 3.5.2 van
het wetsvoorstel, die aan de coördinatieregeling
voorafgaat. Die paragraaf bevat
enkele algemene bepalingen
met het oog op de informatieverschaffing over besluiten die van
belang zijn voor een bepaalde activiteit en dient daarmee tevens als
"aanloop" tot de coördinatieregeling. Anders dan het geval is met de
coördinatieregeling, is de toepassing van paragraaf 3.5.2 niet facultatief, maar bevat
die paragraaf regels die in de systematiek van de Awb plegen te worden
aangeduid als "dwingend recht". Wel moet daarbij worden aangetekend
dat de in paragraaf 3.5.2 neergelegde informatieverplichting het
karakter heeft van een inspanningsverplichting.
rblz.|7|
Het facultatieve karakter
van de coördinatieregeling betekent dat de regeling niet zonder meer van
toepassing is, maar dat daartoe apart een initiatief moet worden genomen. Dat kan
gebeuren door de wetgever of door de betrokken
bestuursorganen.
Toepasselijk verklaren van
de coördinatieregeling door de wetgever kan aantrekkelijk zijn indien
het gaat om besluiten die geregeld samen nodig zijn voor een bepaalde
activiteit. In een aantal gevallen is de formele wetgever er al toe
overgegaan in de wet een coördinatieprocedure voor te schrijven (zie daarover
uitgebreider de volgende paragraaf). In de toekomst hoeft de wetgever
in een dergelijk geval niet weer een nieuwe procedure te ontwerpen, maar
kan hij de regeling van de Awb van toepassing verklaren, zoals
bijvoorbeeld zal gebeuren in de al genoemde wetgeving voor
energie-infrastructuurprojecten. Ook de lagere wetgever zal dat kunnen doen (zie ook de
toelichting op artikel 3:21).
Toepasselijk verklaren door
bestuursorganen zal naar verwachting vooral in twee soorten gevallen
voorkomen. Ten eerste in situaties waarin het bestuursorgaan (eventueel
samen met andere bestuursorganen) in het algemeen bepaalde
werkprocessen wil stroomlijnen teneinde een meer klantgerichte benadering te
bereiken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de verschillende
vergunningen en ontheffingen die benodigd zijn voor het houden van
evenementen. Voor dergelijke veel voorkomende situaties van samenhang
tussen besluiten kan dan standaard voor procedurele coördinatie worden gekozen.
Ten tweede - meer ad hoc - in situaties waarin een bepaalde
voorgenomen activiteit een bijzonder complex samenstel van procedures
noodzakelijk maakt, of een samenstel waarbinnen voor de aanvrager de
inhoudelijke samenhang bijzonder groot is. In dat geval maakt de
Awb-regeling als het ware maatwerk mogelijk in de procedure. De extra besluitvormingslasten die dergelijk maatwerk vergt,
verdienen zich in zo’n
geval later weer terug.
Evenals het door de
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht gepresenteerde voorontwerp,
ziet de in paragraaf 3.5.3 vervatte coördinatieregeling op
procedurele coördinatie van besluitvorming. Daarmee wordt op zichzelf
nog niet bewerkstelligd dat er in de procedureel gekoppelde besluiten ook
inhoudelijke samenhang wordt gebracht, in die zin dat wordt voorkomen
dat besluiten worden genomen die onderling tegenstrijdig zijn.
Vanzelfsprekend is procedurele coördinatie wel een noodzakelijke voorwaarde om
tot inhoudelijke samenhang te komen: bij samenhangende besluiten die
op geheel verschillende tijdstippen worden voorbereid, tot stand komen
en eventueel bij de rechter worden bestreden, is het moeilijk
en soms zelfs onmogelijk om de inhoud van de desbetreffende besluiten op
elkaar af te stemmen. De voorgestelde coördinatieregeling
vergemakkelijkt dus het brengen van inhoudelijke samenhang in de besluiten,
omdat het de betrokken bestuursorganen en de voor hen werkende
diensten met elkaar in contact brengt. Verder zorgt procedurele coördinatie
ervoor dat de bereikte inhoudelijke samenhang in de fasen van inspraak en
rechtsbescherming niet weer verloren gaat en dat die ook voor de daarbij
betrokkenen zichtbaar blijft.
Hoewel de voorgestelde
coördinatieregeling het brengen van inhoudelijke samenhang in de besluiten
dus vergemakkelijkt en de taakopdracht van het zogenaamde coördinerend
bestuursorgaan dit ook insluit, blijft elk van de bestuursorganen daarbij
uiteraard wel gebonden aan het inhoudelijke afwegingskader van de wet
waarin de betrokken besluitbevoegdheid geregeld is. Procedurele
coördinatie doorbreekt dus niet het eerder genoemde
specialiteitsbeginsel: kort gezegd het beginsel dat elke wettelijke regeling die voorziet in het
nemen van bepaalde besluiten haar eigen afwegingskader kent. De
betrokken afwegingskaders tezamen bepalen de speelruimte om tot
inhoudelijke afstemming te komen. In het project "strijdige regels" bleek
overigens dat die speelruimte vaak aanzienlijk groter is dan wel eens wordt
verondersteld. In verreweg de meeste van de rblz.|8|
in dat project onderzochte
gevallen waarin op het eerste gezicht sprake leek te zijn van strijdige
regels, bleek het te gaan om verschillende interpretaties van de regels bij
uitvoering, om verwarring die ontstond doordat verschillende
bestuursorganen bij de uitvoering van regelgeving hun beslissingen volgtijdelijk
namen of om eisen die in de ogen van de betrokken ondernemer
onlogisch waren in relatie tot zijn praktijksituatie.¹ De twee eerstgenoemde
oorzaken hoeven zich bij procedurele coördinatie niet meer voor te doen. De
laatstgenoemde oorzaak kan niet worden opgelost door middel van een
algemene coördinatieregeling, maar is een zaak voor de bijzondere
wetgever. Dat laatste geldt ook in meer algemene zin: voor zover de
bijzondere afwegingskaders oorzaak zijn van afstemmingsproblemen in de praktijk, zal dat
vooral het geval kunnen zijn als zij onvoldoende ruimte laten
voor het afstemmen van beslissingen op specifieke praktijksituaties en dan is
het primair de bijzondere wetgever die daaraan iets kan doen,
bijvoorbeeld door meer aan burgers, bedrijven en instellingen zelf over te
laten, door de uitvoeringsinstanties meer interpretatieruimte te
bieden bij het nastreven van de wettelijke doelen, door in meer gevallen te
voorzien in mogelijkheden van ontheffing of in hardheidsclausules of door
nu nog afzonderlijke afwegingskaders met elkaar te integreren, zoals - uiteindelijk
- de bedoeling is bij de aangekondigde omgevingsvergunning. Voor
acties op dit punt verwijzen wij naar de voortgangsrapportages van
het programma Bruikbare Rechtsorde en van de verschillende
departementale herijkingsprogramma’s.
1. Kamerstukken II 2004-2005,
29 515, nr. 49.
5. Aansluiting op bestaande
en voorgenomen wetgeving
Aanvankelijk heeft de
discussie over coördinatie van besluitvormings- en rechtsbeschermingsprocedures
zich toegespitst op de juridische procedures voor van overheidswege
ondernomen infrastructurele werken en daarmee op het terrein van
ruimtelijke ordening en milieu. Op deze terreinen zijn al eerder
initiatieven genomen om uiteenlopende wettelijke procedures voor
voorbereiding en besluitvorming en ook de rechtsbescherming, te versnellen en beter op
elkaar af te stemmen. Genoemd kunnen onder andere worden
de procedurele regelingen in de Tracéwet, de
Ontgrondingenwet, de Wet
op de waterkering, de Reconstructiewet
concentratiegebieden, de Spoedwet
wegverbreding en de meer algemene coördinatieregelingen in
hoofdstuk 14 van de Wet
milieubeheer, hoofdstuk Va van Wet
op de Ruimtelijke Ordening en afdeling 3.6 van de nieuwe Wet
ruimtelijke ordening.
Vooruitlopend op hoofdstuk Va van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening werd
in enkele gevallen toevlucht gezocht tot afzonderlijke projectwetten
(Deltawet grote rivieren, Vergunningwet Westerschelde,
Wet
procedures vijfde baan Schiphol).
Deze regelingen kenmerken
zich door het aanbieden van instrumenten aan de overheid ter
bevordering van coördinatie en/of versnelling van besluitvorming en efficiënte bundeling van beslis- en beroepsmomenten.
Niet alleen vindt op deze
manier procedurele afstemming en coördinatie in de besluitvorming plaats,
maar ook worden voorwaarden geschapen om besluiten inhoudelijk
zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. De regelingen op het terrein
van de infrastructuur en de ruimtelijke ordening zijn primair geschreven
vanuit het perspectief van de (rijks)overheid, met als doel de spoedige
realisatie van ruimtelijke projecten tot stand te brengen, door middel van een
gestructureerd besluitvormingsproces.
Bij de voorbereiding van
dit
wetsvoorstel is bekeken hoe bovengenoemde coördinatieregelingen zijn
opgezet. Van de ervaringen die met de reeds tot stand gekomen wetgeving zijn
opgedaan, is gebruik gemaakt bij het opstellen van dit
wetsvoorstel. Zo kunnen de elementen uit het wetsvoorstel betreffende het
gelijktijdig
indienen en behandelen van de aanvragen voor besluiten, de indiening
van de aanvragen bij "één loket" als er een aangewezen coördinerend
bestuursorgaan is, de gelijktijdige toepassing rblz.|9|
voor alle besluiten van de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb
en de gelijktijdige bekendmaking en het synchroon lopen van
beroepsprocedures als
gemeenschappelijke noemers worden aangemerkt. Belangrijke elementen uit de
thans voorgestelde coördinatieregeling in paragraaf 3.5.3 van de Awb
zijn derhalve ontleend aan de bovengenoemde wetgeving,
omdat ze naar verwachting ook bruikbaar zijn voor andere besluiten
dan op het terrein van de ruimtelijke infrastructuur. In de artikelsgewijze
toelichting wordt meer specifiek aangegeven welke bepalingen uit andere
wetgeving model hebben gestaan voor de in dit wetsvoorstel opgenomen
bepalingen. Aangezien een belangrijke doelstelling van het wetsvoorstel is te
voorkomen dat er een wildgroei van coördinatieregelingen gaat
ontstaan, is in eerste instantie voortgebouwd op de gemeenschappelijke
basis die er voor een groot deel al is. Tevens is gebruik gemaakt van
onderzoek dat inmiddels is verricht, zoals het eerdergenoemde proefschriftonderzoek van
M.S. Beerten.
Naast overeenkomsten met
bestaande coördinatieregelingen zijn er ook verschillen. Zoals het IPO
in zijn reactie op het voorontwerp terecht opmerkte, gaat de voorgestelde regeling op sommige punten minder ver
dan enkele van de al
bestaande regelingen in bijzondere wetten. Een belangrijk verschil met de
bovengenoemde wetgeving is het niet-dwingende karakter van de in dit
wetsvoorstel opgenomen coördinatieregeling. Om de hierboven, in
paragraaf 4, uiteengezette reden moet in een algemene regeling als de Awb
worden volstaan met een facultatieve regeling, waaraan overigens
wel weer bij bijzondere wet een verplicht karakter kan worden gegeven.
Evenmin is voorzien in dwingende instrumenten als een "overrulebevoegdheid" (de mogelijkheid dat het coördinerend bestuursorgaan zelf de
besluiten neemt indien het bevoegde bestuursorgaan daarmee in
gebreke blijft, zoals door de Vereniging VNO-NCW bepleit in haar
reactie op het voorontwerp) of in beslistermijnen voor de administratieve
rechter. De reden daarvoor is dat het wetsvoorstel een algemene
coördinatieregeling bevat die op allerlei uiteenlopende situaties van
toepassing moet kunnen zijn, zonder de intentie te hebben om verdergaande coördinatieregelingen in bijzondere wetten te vervangen. Maar
het wetsvoorstel biedt de bijzondere wetgever wel een coördinatieregeling
aan, die hij desgewenst kan voorschrijven en die hij eventueel kan aanvullen met meer dwingende bepalingen. Dat
daaraan behoefte bestaat,
blijkt uit het feit dat inmiddels al in een aantal wetten of wetsvoorstellen
een dergelijke coördinatieregeling is opgenomen. Daarmee wordt ook bevorderd
dat niet steeds weer verschillende coördinatieregelingen
worden ontwikkeld, hetgeen voor de praktijk verwarrend zou zijn. Indien
gewenst, kunnen ook bepaalde onderdelen van de coördinatieregeling van
toepassing worden verklaard.
Dit wetsvoorstel doet geen
afbreuk aan reeds bestaande procedurele of inhoudelijke coördinatie-
en afstemmingsregelingen in de bijzondere wetgeving. In het kader van
de aanpassingswetgeving zal worden bezien in hoeverre de
coördinatieregeling van toepassing kan worden verklaard of als vervanging kan dienen
voor de daarmee overeenkomende delen van bestaande procedurele
regelingen in bijzondere wetten. Dat zal met name gelden voor de
regelingen over het synchroon laten lopen van procedures. Daarbij zullen
eventuele bepalingen die verder strekken of een ander oogmerk hebben dan
de algemene coördinatieregeling van de Awb uiteraard wel worden
gehandhaafd, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan bepalingen waarin
(striktere) termijnen worden gesteld aan bestuur of rechter, waarin
een zogenaamde "overrulebevoegdheid" is opgenomen, waarin op onderdelen wordt
afgeweken van de openbare voorbereidingsprocedure of
waarin verrekening van kosten en leges is geregeld. Dit zal
bijvoorbeeld aan de orde zijn bij de zogenaamde uitvoeringsmodule in de
rijksprojectenprocedure in de WRO [Wet
op de Ruimtelijke Ordening, red.] en bij de daarmee vergelijkbare bepalingen in de
Tracéwet en de Wet
op de waterkering. Hetzelfde rblz.|10|
geldt voor wettelijke
coördinatieregelingen die zijn geënt op het voorontwerp voor dit wetsvoorstel,
indien zij eerder in werking zijn getreden of nog kunnen treden dan dit
wetsvoorstel. Daarbij gaat het in elk geval om de coördinatieregeling in
artikel 19ka van de Natuurbeschermingswet
1998, de voorgenomen
coördinatieregelingen in de Drank-
en Horecawet ¹ en in de Elektriciteitswet
1998, de Mijnbouwwet en de
Gaswet,² de toekomstige
coördinatieregeling in artikel 17.9, vijfde en zesde lid, van de Wet
milieubeheer ³ de
coördinatieregeling op gemeentelijk niveau die sinds 1 februari 2006 in de
Wet op de
Ruimtelijke Ordening is opgenomen, de coördinatieregeling in
afdeling 3.6 van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en de coördinatieregeling
in de toekomstige Waterwet c.q. paragraaf 3.5 van de toekomstige Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (thans nog de
coördinatieregeling in de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren).4
1. Opgenomen in het bij de
Raad van State aanhangig gemaakte
wetsvoorstel tot wijziging van de Drank-
en Horecawet onder meer ter reductie van de administratieve lasten. Zie over de inhoud
van dit wetsvoorstel de voortgangsrapportage
inzake afschaffing of vereenvoudiging van VWS-vergunningstelsels die op 14 november 2006 aan
de Tweede Kamer is toegezonden
(Kamerstukken II 2006-2007, 29 515, nr. 171, blz. 4-5). Zie ook het door de
Staatssecretaris van
Economische Zaken op 27 oktober 2005 aan
de Tweede Kamer toegezonden actieplan "Minder Regels en Papierdrukte in de
Horeca" (Kamerstukken II 2005-2006, 29 515, nr. 102).
2. Zie de brief van de
Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer
van 6 april 2005 inzake
knelpunten regelgeving gaswinning, windenergie en
biomassa (Kamerstukken II 2004-2005, 29
023, nr. 9).
3. Zie het wetsvoorstel tot
wijziging van de Wet
milieubeheer in verband met
de implementatie van Richtlijn nr. 2004/35/EG
(milieuaansprakelijkheid) (Kamerstukken II 2006-2007, 30 920, nrs. 1-3). In het
nader rapport inzake dit wetsvoorstel is
aangegeven dat bij de invoering van de Wet
samenhangende besluiten Awb zal worden getoetst in hoeverre (alsdan nog) behoefte is aan
een specifieke coördinatiebepaling als
geformuleerd in artikel 17.9 Wet
milieubeheer (Kamerstukken II 2006-2007, 30 920, nr. 4, blz. 15).
4. Zie hierover de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel Waterwet
(Kamerstukken II 2006-2007, 30 818, nr. 3, blz.
126) en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wabo (Kamerstukken II
2006-2007, 30
844, nr. 3, blz. 47).
6. Aansluiting op de
eenloketgedachte
In paragraaf 1 van dit
algemeen deel werd reeds gerefereerd aan de zogenaamde eenloketgedachte. Door
het introduceren van een coördinerend bestuursorgaan, dat de gecoördineerde
behandeling van (aanvragen voor) besluiten moet bevorderen,
geeft de in dit wetsvoorstel voorgestelde coördinatieregeling nader
wettelijk vorm aan deze gedachte. Daarnaast geeft de in het wetsvoorstel
opgenomen verplichting voor bestuursorganen om aanvragers te informeren
over andere benodigde besluiten hieraan invulling.
Eén van de manieren om de
publieke dienstverlening te verbeteren, is het toegankelijk maken van
informatie over overheidsproducten via één loket. De gedachte daarachter is
dezelfde als die welke ten grondslag ligt aan dit
wetsvoorstel, namelijk de
wens om burgers niet lastig te vallen met de manier waarop het werk binnen de overheid
- noodzakelijkerwijs - is
verdeeld over
bestuursorganen en ambtelijke diensten. Het belang voor dit wetsvoorstel gaat echter
verder, omdat noch de voorgestelde coördinatieregeling, noch
de voorgestelde informatieregeling goed kunnen werken als de
informatievoorziening over overheidsproducten niet meer centraal wordt
georganiseerd. Niet alleen burgers, ook overheden zelf moeten zich eenvoudig
en snel kunnen informeren over benodigde besluiten, over de daaraan ten grondslag liggende wetsbepalingen
en over de bijbehorende
namen en adressen van de (andere) bevoegde instanties, die zij
desgewenst ook langs elektronische weg moeten kunnen benaderen. Op deze punten
zijn sedert de publicatie van het voorontwerp belangrijke vorderingen
gemaakt.
Via het overheidsloket op de
website www.overheid.nl is in 2006 gerealiseerd dat voor
een ieder een
volledig en samenhangend overzicht raadpleegbaar is van overheidsproducten, waaronder vergunningen,
ontheffingen e.d., door
middel van de samenwerkende productencatalogi van Rijk, gemeenten,
provincies en waterschappen. Via dat overzicht zijn ook de adressen van de
bevoegde instanties en de relevante wettelijke bepalingen te vinden. Hoewel
bij de opzet van dit loket primair aan burgers, bedrijven en
instellingen is gedacht, kan de informatie uit de aard der zaak ook overheden
helpen bij het informeren van hun burgers. In feite wordt langs deze weg
het door de Vereniging VNO-NCW in haar reactie bepleite "landelijke
informatiepunt" gerealiseerd op basis waarvan ook overheidsdiensten
uitsluitsel kunnen verkrijgen. Voor steeds meer producten wordt in dit
overheidsloket tevens een elektronisch aanvraagformulier opgenomen, zodat aanvragen
desgewenst direct elektronisch kunnen worden ingediend. Er
is een landelijke voorziening ontwikkeld die e-formulieren kan genereren.
Dienstverlening op maat wordt verder mogelijk gemaakt met de
ontwikkeling van de Persoonlijke Internetpagina, rblz.|11|
waarmee elke burger
gemakkelijk en op één plek toegang heeft tot alle overheidsorganisaties en tot
zijn eigen bij de overheid geregistreerde gegevens en meteen ook zaken
kan doen met de overheid en de voortgang van procedures kan volgen.¹
Ook bij de uitvoering van de nieuwe omgevingsvergunning zullen
daarop toegesneden ICT-faciliteiten een belangrijke rol spelen.²
Via het speciale
bedrijvenloket is al een begin gemaakt met de vraaggerichte ontsluiting van informatie
over wet- en regelgeving die specifiek voor ondernemers van belang
is. Doel was aanvankelijk om via dit loket de meest relevante
informatie op een toegankelijke manier te ontsluiten, maar voor de diensten
waarvoor op basis van de EU-Dienstenrichtlijn een "single point of
contact"
moet worden aangeboden, is dat niet langer voldoende. De
Dienstenrichtlijn voorziet in één plek waar alle voor dienstverlening noodzakelijke informatie kan
worden ingewonnen en waar tevens formaliteiten kunnen
worden vervuld. Gelet op de Dienstenrichtlijn wordt op dit moment bezien
hoe aan het bedrijvenloket een bredere opzet kan worden gegeven en hoe de
ontwikkeling daarvan versneld kan worden. Daarbij zal eveneens
de samenhang worden bezien met het initiatief van de EU om te
komen tot een pan-Europese portal voor overheidsdiensten, vooral wat betreft het
aanbieden van informatie in andere talen.
Niet alleen het internet,
maar ook de telefoon (daartoe is het project Contact Center Overheid (CCO)
van start gegaan) en de balie blijven belangrijke kanalen voor de
vormgeving van de eenloketgedachte, zowel ten behoeve van burgers als
bedrijven. Dat vraagt om een samenhang zodat alle kanalen goed op
elkaar zijn afgestemd. Daartoe wordt het zogenoemde "multichannelbeleid"
ontwikkeld. Ook hieraan wordt samen met gemeenten en
uitvoeringsorganisaties gestalte gegeven.
1. Voortgangsrapportage
elektronische overheid - najaar 2006;
bijlage bij Kamerstukken II 2006-2007, 29 362, nr. 111.
2. Bijvoorbeeld het "digitale
omgevingsloket"; zie hierover paragraaf 7.4 van de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel Wabo:
Kamerstukken II 2006-2007, 30 844, nr. 3, blz.
62-63.
7. Hoofdlijnen van de
informatieregeling
De in paragraaf 3.5.2
opgenomen regeling over de informatieverschaffing door de overheid aan de
burger over met elkaar samenhangende besluiten die voor een door
hem te ondernemen activiteit van belang zijn, kan een "aanloop" vormen
naar de coördinatieregeling (paragraaf
3.5.3), maar heeft ook zelfstandige
betekenis.
De in artikel 3:20 geregelde
informatieverschaffing door een bestuursorgaan strekt ertoe de burger die
een aanvraag heeft ingediend erop te attenderen dat ook andere
besluiten dan het aangevraagde van belang kunnen zijn voor (het kunnen
uitoefenen van) de door hem beoogde activiteit, met inbegrip van besluiten
die strekken tot het vaststellen van een financiële aanspraak met
het oog op die activiteit (zie artikel 3:19). De in dit artikel voorgeschreven
informatieverschaffing heeft het karakter van een inspanningsverplichting.
Daar is bewust voor gekozen. De in dit wetsvoorstel opgenomen informatieregeling
heeft niet het oogmerk om een verdergaande
overheidsaansprakelijkheid voor het onjuist of onvolledig verschaffen van informatie
te vestigen dan thans het geval is. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel door de
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht is
het vraagstuk van eventuele overheidsaansprakelijkheid nadrukkelijk onder ogen
gezien. Daarbij is geconstateerd dat het niet wenselijk is te
komen tot een uitbreiding van de overheidsaansprakelijkheid
ten opzichte van de toenmalige stand van de jurisprudentie, waarin
aansprakelijkheid overigens slechts in uitzonderlijke gevallen werd aangenomen.
Die jurisprudentie is sedertdien niet wezenlijk veranderd.
Het voorgestelde
artikel 3:20, tweede lid, schrijft voor welke informatie
ten minste in de kennisgeving
aan de aanvrager moet zijn opgenomen. Aangegeven moet worden om
welke andere besluiten het gaat, welk bestuursorgaan bevoegd is
het besluit te nemen en op welk wettelijk rblz.|12|
voorschrift die bevoegdheid
berust. Het staat het bestuursorgaan uiteraard vrij om naast deze gegevens
ook andere informatie te verstrekken.
8. Hoofdlijnen van de
coördinatieregeling
Paragraaf 3.5.3 voorziet in
een algemene regeling met het oog op de bundeling van beslis- en
beroepsmomenten voor door één of meer bestuursorganen te nemen besluiten. Het moet besluiten betreffen die
nodig zijn om een bepaalde
activiteit te verrichten of besluiten die strekken tot het vaststellen
van een financiële aanspraak met het oog op die activiteit (artikel
3:19). Meestal zal het gaan om op aanvraag te nemen besluiten, maar de regeling
is zodanig vormgegeven dat ook ambtshalve besluiten erdoor kunnen
worden bestreken.
De wettelijke regeling heeft
een faciliterend karakter en kan door de wetgever of de bevoegde
bestuursorganen van toepassing worden verklaard (artikel
3:21,
eerste lid). Met het oog op de wens om de regeling zo eenvoudig mogelijk te
maken en juridische complicaties rond de toepassing te vermijden, is,
anders dan in het voorontwerp, niet voorzien in een verplichte toepassing
van de coördinatieprocedure in gevallen waarin de te coördineren
besluiten afkomstig zijn van dezelfde bestuurslaag. Kortheidshalve zij verwezen
naar hetgeen daarover is opgemerkt in punt 3 van het nader rapport
naar aanleiding van het advies van de Raad van
State.
De regeling voorziet
uitsluitend in coördinatie van procedures, waarbij de rol van procesmanager in
handen wordt gelegd van een coördinerend bestuursorgaan, dat door de
wetgever of door de betrokken bestuursorganen in onderling overleg wordt
aangewezen (artikel 3:22). Het coördinerend bestuursorgaan beschikt uit
hoofde van de coördinatieregeling niet over
interventiebevoegdheden. Die passen immers niet in elk besluitvormingsproces. Op
terreinen waar dergelijke bevoegdheden wel voor de hand liggen, kunnen
interventiebevoegdheden eventueel bij bijzondere wet aan de
coördinatieregeling worden verbonden, zoals dit bijvoorbeeld in de Tracéwet
is gedaan. Niettemin kan het coördinerend bestuursorgaan in zijn rol
van procesmanager stimuleren tot inhoudelijke coördinatie van
besluitvorming, bijvoorbeeld door eraan bij te dragen dat alle relevante informatie
bij alle bestuursorganen aanwezig is. Het gevaar van inhoudelijk
tegenstrijdige besluiten wordt daardoor verkleind. De andere bij de besluitvorming
betrokken bestuursorganen dienen hun medewerking aan het
welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming te verlenen
(artikel 3:23).
De gecoördineerde procedure
begint met het indienen van de aanvragen voor de met elkaar
samenhangende besluiten. Als gezegd, moeten de benodigde aanvragen binnen
een tijdspanne van zes weken worden ingediend (artikel
3:24, eerste lid).
Als er op dat moment een coördinerend bestuursorgaan is aangewezen, moeten de aanvragen aldaar worden
ingediend (artikel 3:24,
tweede lid). Komen niet alle aanvragen binnen, dan wordt de aanvrager in de
gelegenheid gesteld dit binnen een te stellen termijn alsnog te
doen. Blijft deze aanmaning zonder gevolg, dan is het coördinerend
bestuursorgaan bevoegd om de coördinatieregeling alleen toe te passen op de
wel ingediende aanvragen dan wel een gedeelte daarvan, of verder
van coördinatie af te zien (artikel 3:24, derde lid). Daarnaast is het
mogelijk dat een wettelijk voorschrift waarin de rblz.|13|
coördinatieregeling
uitdrukkelijk van toepassing is verklaard, voorschrijft dat in zo’n geval geen
besluit wordt genomen op de wel ingediende aanvragen (artikel
3:24,
vierde lid).
De beslistermijn voor de
desbetreffende besluiten begint te lopen zodra de laatste aanvraag is
ontvangen, dus maximaal zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag,
tenzij er volgens artikel 3:24, derde lid, nog een extra termijn is gegund om
alsnog ontbrekende aanvragen in te dienen (artikel
3:25).
Wanneer voor
één of meer van
de besluiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van
afdeling 3.4 Awb geldt, dan moet die procedure worden gevolgd bij de
behandeling van de gezamenlijke aanvragen. In dat geval geldt geen
bezwaarschriftprocedure. Bij de toepassing van de voorbereidingsprocedure van
afdeling 3.4 wordt met het oog op de coördinatie door het coördinerend
bestuursorgaan afgeweken van enkele standaardbepalingen van die
afdeling, voornamelijk in die zin dat aan het coördinerend bestuursorgaan
taken worden toebedeeld zoals het ter inzage leggen, toezenden en
meedelen van (ontwerp)besluiten (artikel 3:26, eerste lid),
ter wille
van een efficiënte bundeling van besluitvorming.
De betrokken besluiten
worden door tussenkomst van het coördinerend bestuursorgaan gelijktijdig
bekendgemaakt en ter inzage gelegd. Daarmee wordt bereikt dat de
beroepstermijn voor alle besluiten op hetzelfde tijdstip begint (artikel
3:26, eerste
lid, onderdeel a en g, en artikel
3:27, tweede lid). Indien de bezwaarschriftprocedure geldt of administratief
beroep kan worden ingesteld,
is het coördinerend bestuursorgaan de spil in de stukkenstroom tussen
de belanghebbende en de betrokken bestuursorganen, resulterend
in het gelijktijdig bekendmaken door het coördinerend bestuursorgaan
van de beslissing(en) (artikel 3:27).
Voor het beroep op de
administratieve rechter blijft beroep in twee instanties als hoofdregel gelden.
Alleen indien ten aanzien van alle gecoördineerde besluiten beroep in eerste
en enige aanleg openstaat bij een andere administratieve
rechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State, de Centrale
Raad van Beroep of het College van Beroep voor het
bedrijfsleven),
blijft de afwijking van deze regel bestaan. Zowel de rechtbank als de andere
bestuursrechterlijke colleges kunnen de behandeling van de beroepen
of de hoger beroepen verwijzen naar een andere administratieve
rechter die zij voor de behandeling ervan meer geschikt achten. Een nadere
uiteenzetting over de diverse modaliteiten inzake de rechterlijke
competentie is gegeven in de toelichting op artikel
3:29.
9. De reacties op het
voorontwerp
Zoals in paragraaf 1 al werd
vermeld, zijn op het voorontwerp adviezen en reacties ontvangen van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal
Overleg (IPO), de Vereniging VNO-NCW, de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak (NVvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA).
In alle reacties ¹ werd de doelstelling van het wetsvoorstel onderschreven.
Uiteenlopende kanttekeningen werden geplaatst bij onderdelen van
het voorontwerp. Daarbij moet worden aangetekend dat de reacties
zijn uitgebracht in de zomer van het jaar 2000.
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Wat de informatieregeling
betreft, vond de Vereniging VNO-NCW de voorgestelde inspanningsverplichting
onvoldoende en bepleitte ook de VNG om daarvan een resultaatsverplichting te maken voor zover het de besluiten van het
eigen overheidslichaam betreft.
rblz.|14|
In
paragraaf 6 hebben wij
uiteengezet welke maatregelen de gezamenlijke overheden inmiddels namen en
nog zullen nemen om te bereiken dat de informatievoorziening op dit
punt geen lacunes meer hoeft te vertonen. Op dit moment achten wij de
zorg die uit deze beide reacties spreekt daarom niet meer nodig. Dat
betekent echter niet dat nu zonder meer een resultaatsverplichting kan
worden opgelegd. Het is namelijk de vraag wat zo’n verplichting in dit
geval zou kunnen inhouden. De Vereniging VNO-NCW wenste kennelijk een
situatie waarin de op een bepaald moment verkregen informatie
voor het vervolg bindend is: als het informerende bestuursorgaan op dat moment
een besluit vergeet te vermelden, dan moet dat maar
beschouwd worden als een bedrijfsongeval waarvan de gevolgen voor
rekening van de overheid komen. Om verschillende redenen is dit
niet mogelijk en ook niet wenselijk. Ten eerste kan een bestuursorgaan dat
een burger informeert met die informatie uit de aard der zaak niet zomaar
afdoen aan verplichtingen en bevoegdheden - vaak van andere
bestuursorganen - die door de wet in het leven zijn geroepen. Ten tweede vindt
dit soort informatieverstrekking tamelijk snel en informeel plaats en moet
dat ook zo kunnen blijven. Een burger moet vooral op weg geholpen
worden. Zou het informerende bestuursorgaan uitputtend moeten zijn, dan
zou dit vergen dat alle details van de voorgenomen activiteit ook aan het
informerende bestuursorgaan moeten worden meegedeeld, omdat
vaak daarvan afhangt of nog additionele besluiten nodig zijn. Nog
afgezien van de zin daarvan, zijn die details op het moment van zo’n eerste
contact uit de aard der zaak vaak nog niet duidelijk, juist ook omdat
ze meestal mede zullen worden ingevuld aan de hand van de reacties van de
benaderde bestuursorganen.
Wat de coördinatieregeling
betreft, bepleitte de Vereniging VNO-NCW in haar reactie veel
verdergaande oplossingen, met name op de terreinen van ruimtelijke ordening en
milieu. Daarbij werd vooral gedacht aan een verplichte "overrulebevoegdheid" voor het coördinerende bestuursorgaan en aan de mogelijkheid dat
aanvragers ook coördinatie kunnen afdwingen als er
bestuursorganen van meer overheidslichamen bij betrokken zijn.
Aan de voorkeur van VNO-NCW
om op de genoemde terreinen voor één bedrijfsactiviteit slechts
één besluit te hoeven aanvragen, komt de regering inmiddels tegemoet met de
voorgenomen omgevingsvergunning. In paragraaf 5 hebben wij
uiteengezet waarom een zogenaamde "overrulebevoegdheid" niet op zijn plaats is in
een algemene wet als de Awb. Bij het van toepassing verklaren
van de Awb-regeling kan de bijzondere wetgever een dergelijke
bevoegdheid uiteraard wel toevoegen indien daaraan behoefte bestaat.
Een bevoegdheid voor aanvragers om coördinatie af te dwingen als
bestuursorganen van meerdere overheidsorganisaties betrokken zijn, lijkt op het
eerste gezicht aantrekkelijk, maar zou in onze ogen niet het
daarmee beoogde effect kunnen hebben. Bedacht moet worden dat ook
in de voorgestelde opzet een aanvrager daarom kan verzoeken.
Wanneer de betrokken bestuursorganen daartoe bereid zijn, staat niets
eraan in de weg dat zij besluiten om gezamenlijk de coördinatieregeling toe te
passen (artikel 3:21, eerste lid, onderdeel b). Wanneer de samenwerking
echter moeizamer verloopt, wat door de afstand tussen de betrokken
bestuursorganen - over organisatiegrenzen heen - en de daaruit
voortkomende onbekendheid met elkaars bedrijfsprocessen al gauw het geval is, dan is
het echter maar zeer de vraag of de met de coördinatieregeling
beoogde voordelen niet teniet zullen worden gedaan door de dan ontstane
verwikkelingen in het verkeer tussen organisaties.
De VNG
was juist van mening
dat de in het voorontwerp opgenomen regeling op dit punt al te
ver ging. Zij pleitte ervoor te bepalen dat het bestuur een coördinatieverzoek van een aanvrager kan afwijzen, ook dus
als dat verzoek betrekking
heeft op besluiten van bestuursorganen die tot rblz.|15|
één gemeente behoren. Dit
omdat coördinatie in bepaalde (complexe) situaties soms niet mogelijk
of niet wenselijk is. Anders dan het voorontwerp, maakt het wetsvoorstel het
mogelijk dat bestuursorganen op dit punt een afweging maken.
De NOvA en de NVvR gingen in
hun reacties vooral in op de rechtsbescherming. De NOvA kon zich in grote
lijnen vinden in het voorontwerp, met uitzondering van het
onder omstandigheden en buiten de wil van de justitiabele terugbrengen
van de rechtsbescherming tot één instantie. Waar
rechtsbeschermingsprocedures uiteenlopen en we ze procedureel toch gelijk op willen laten
lopen, moet nu eenmaal een keuze worden gemaakt. De NOvA ziet dat
ook wel in, maar had liever gezien dat voor die gevallen juist gekozen was
voor - in alle gevallen - rechtspraak in twee instanties. Mede naar
aanleiding van soortgelijke opmerkingen van de Raad van State is in het nu
ingediende wetsvoorstel aan deze wens tegemoetgekomen. Er zal dus nimmer
sprake zijn van verlies van instantie als de coördinatieprocedure
wordt toegepast.
De Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak was van oordeel dat de voorstellen niets oplossen,
omdat de afzonderlijke wettelijke toetsingskaders in stand blijven. Dat
laatste klopt. Daarop zijn wij al ingegaan aan het slot van paragraaf
4.
Het gaat echter te ver om daaruit af te leiden dat procedurele coördinatie
alleen maar verwarrend zal werken voor de aanvragers. Als zich de door
de NVvR vermelde situatie voordoet dat enkele van de samenhangende
aanvragen wel, maar andere niet gehonoreerd kunnen worden, of dat in
beroep bij de rechter alle gehonoreerde aanvragen op één na in
stand blijven, dan valt dit in onze ogen voor de aanvrager beter te begrijpen
- en voor bestuursorganen en rechters ook gemakkelijker uit te leggen - wanneer dit in een gecoördineerde procedure gebeurt, dan als hij dit
bijvoorbeeld pas bij het in de tijd laatst genomen besluit of bij de in
tijd laatste rechterlijke uitspraak merkt.
10. Gevolgen van het
wetsvoorstel
10.1. De lasten voor burgers
en bedrijven
Dit wetsvoorstel leidt tot
vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. De
effecten worden hierna in algemene zin toegelicht. Opgemerkt wordt nog dat het
wetsvoorstel met de memorie van toelichting is voorgelegd
aan de Adviescommissie toetsing administratieve lasten (Actal). Actal heeft
daarop aangegeven dat er geen reden was om het wetsvoorstel te
selecteren voor een Actal-toets.
De coördinatieregeling
heeft een facultatief karakter. Dit heeft gevolgen voor de administratieve
lasten die rechtstreeks voortvloeien uit dít
wetsvoorstel. Toepassing van de
coördinatieregeling kan leiden tot vermindering van de lasten voor burgers
en bedrijven in de fase van de voorbereiding en van de rechtsbescherming.
De aanvrager kan zich voor het aanvragen van de benodigde
besluiten tot één aanspreekpunt wenden: het coördinerend
bestuursorgaan. De coördinatie door dit bestuursorgaan geldt ook voor de eventuele
fase van bezwaar en beroep. Ook hier kan de aanvrager profiteren van de
coördinatie van besluitvorming. Hoe groot de daling van de
administratieve lasten precies is (uitgedrukt in tijd en/of geld), hangt sterk af van de
aard en het aantal van de te coördineren besluiten.
In administratieve
lastenmetingen is becijferd dat een bezwaarmaker gemiddeld twee uren tijd kwijt
is aan een hoorzitting bij het bestuursorgaan, waarin hij zijn bezwaren
toelicht. Als in een situatie waarin een aanvrager van meerdere beschikkingen
bezwaar wil maken tegen twee ervan, met toepassing van de coördinatieregeling één hoorzitting wordt gehouden,
bedraagt de lastenverlaging
voor deze aanvrager dus twee uren ten opzichte rblz.|16|
van de situatie dat hij twee
verschillende hoorzittingen zou moeten bijwonen.
De in het wetsvoorstel
opgenomen coördinatieregeling kan op twee manieren worden geactiveerd (artikel
3:21, eerste lid): a) door de wetgever en b) door een besluit van
de bevoegde bestuursorganen. In beide gevallen wordt de
administratieve lastenvermindering door die regeling respectievelijk dat besluit
teweeggebracht en bij die gelegenheid geïncasseerd.
De in
het wetsvoorstel
opgenomen informatieregeling (paragraaf
3.5.2) heeft geen andere wettelijke
voorschriften of bestuursbesluiten nodig om te gaan werken. De gevolgen
daarvan zijn dus rechtstreeks aan dit wetsvoorstel toe te rekenen.
Op bestuursorganen rust de
inspanningsverplichting om diegene die een bepaald besluit aanvraagt
met het oog op een bepaalde activiteit, te informeren over eventuele andere
benodigde besluiten. Het gaat hierbij om de vraag welke andere besluiten
de aanvrager moet of kan aanvragen voor diezelfde activiteit, tot
wie hij zich in dat geval moet wenden voor het aanvragen van die besluiten
en op welke wettelijke bepalingen die besluiten zijn gebaseerd.
Het betreft hier een service van het bestuur, die een lastenverlagend effect
zal hebben voor aanvragers die meerdere besluiten nodig hebben voor
de door hen beoogde activiteiten, omdat het hen zoektijd en
zoekhandelingen kan besparen. De omvang van het voordeel (uitgedrukt in tijd of geld)
dat een aanvrager heeft van de informatieverplichting voor het
bestuursorgaan is
niet precies te schatten, omdat dat afhangt van factoren als
het aantal besluiten dat een aanvrager nodig heeft en de kennis die hij
zelf vooraf al daarover had of op andere wijzen eenvoudig kan bemachtigen,
bijvoorbeeld via beroepsorganisaties. Dit kan van geval tot geval
sterk verschillen. Voor de "professionele aanvrager" die geregeld een
bepaalde set besluiten nodig heeft, zal de besparing allicht geringer
zijn dan voor degene die een voor hem geheel nieuwe of unieke activiteit
wil ondernemen, zoals een startende ondernemer. Verder maakt het uiteraard
ook uit of een bestuursorgaan zich op dit moment al sterk dienstverlenend opstelt
- wat gelukkig steeds vaker
het geval is - of (nog) niet.
10.2. Bestuurlijke lasten
Dit wetsvoorstel heeft naar
verwachting per saldo geen nadelige financiële gevolgen voor het Rijk
en voor lagere openbare lichamen.
De regeling over
informatieverschaffing (paragraaf 3.5.2) vergt van bestuursorganen niet
meer inspanningen dan van die bestuursorganen op basis van de aldaar
aanwezige kennis in redelijkheid kan worden verlangd. Voor
standaardgevallen zal kunnen worden volstaan met het verstrekken van
brochures of andere informatie die op dit moment al bestaat of die nog
ter beschikking zal komen. In paragraaf 6 is aangegeven wat er in het
kader van de eenloketgedachte gebeurt en nog gaat gebeuren om de
centrale informatievoorziening te verbeteren. Daarmee zijn aanzienlijke
kosten gemoeid, maar die vloeien niet rechtstreeks uit dit wetsvoorstel
voort. Wel zullen die voorzieningen de werking en het effect van de
informatieregeling aanzienlijk kunnen ondersteunen en versterken.
Voor eventuele
bestuurslasten die uit de coördinatieregeling (paragraaf
3.5.3)
voortvloeien, geldt wat in de vorige paragraaf voor de administratieve
lasten reeds is opgemerkt: zij bestaan alleen dan als de wetgever of de
betrokken bestuursorganen zelf die regeling op specifieke besluiten van
toepassing hebben verklaard. Artikel 3:21, eerste lid, voorziet immers in
een facultatieve regeling.
rblz.|17|
Indien de regeling bij
wettelijk voorschrift van toepassing wordt verklaard, zullen de baten en
lasten moeten worden meegewogen in het kader van de wetgeving waarin
wordt overwogen om de coördinatieregeling van toepassing te verklaren.
Uit ervaringen bij de coördinatie van vergunningen op grond van de Tracéwet
valt af te leiden dat het coördinerend orgaan gemiddeld
ongeveer acht uur kwijt is aan de extra administratieve handelingen die
de coördinatie van een cluster van twee vergunningen meebrengt
(dossieropbouw, correspondentie, financiële afwikkelingen, eventueel overleg
e.d.). Indien de regeling bij besluit van één of meer bestuursorganen
zelf van toepassing wordt verklaard, zullen de baten en lasten
vergelijkbaar zijn. Ze zullen dan door de betrokken bestuursorganen zelf
zijn verdisconteerd in de afweging of de regeling al dan niet van
toepassing moet worden verklaard.
In het algemeen mag bij een
effectieve toepassing van de coördinatieregeling overigens worden
aangenomen dat de baten de lasten zullen overtreffen. De uit de regeling
voortvloeiende noodzaak tot afstemming tussen de diverse voor de
besluitvorming verantwoordelijke bestuursorganen, onder coördinatie van
het coördinerend bestuursorgaan, heeft immers tot gevolg dat door het
voeren van gelijktijdige en op elkaar afgestemde procedures vervolgens
efficiencywinst wordt geboekt. Een praktisch voorbeeld hiervan is dat
het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat hoorzittingen over besluiten die
dezelfde activiteit betreffen, kunnen worden gecombineerd en dat de
reacties op ontwerpbesluiten gebundeld plaatsvinden. Ook onderzoek naar
andere, reeds bestaande afstemmingsregelingen geeft geen reden om te
veronderstellen dat uit de toepassing van de coördinatieregeling extra
bestuurlijke lasten zullen voortvloeien. Eerder geeft dat onderzoek
aanleiding om het tegendeel te veronderstellen.¹ Ook het
bestuurslastenonderzoek dat ten behoeve van het wetsvoorstel Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht werd verricht, wijst in die richting.² Daarin werd
onder andere geconstateerd dat tegenover een toename van
coördinatielasten een forse daling van procedurele lasten staat.
1. Vgl. Evaluatiecommissie Wet
milieubeheer, Afstemmingsregelingen in de Wet milieubeheer.
Achtergrondstudie nr. 27, Den Haag 1996. In dit rapport is onder andere
geconstateerd dat de afstemmingsregeling tussen de Wm- en de
bouwvergunning [Wm: Wet milieubeheer, red.] heeft geleid tot toegenomen overleg tussen de
desbetreffende afdelingen, waardoor de werkrelaties zijn verbeterd. Bij
de eveneens onderzochte afstemmingsregeling tussen de Wm- en de
Wvo-vergunning [Wvo: Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, red.] is door sommige respondenten gewezen op het effect van
een stijging van overlegkosten ten gevolge van langduriger vooroverleg,
maar daartegenover constateert het rapport als meerwaarde van de
regeling onder andere een betere afstemming van voorschriften, met name
het voorkomen van overlappingen en doublures, en efficiencywinst.
2. Zie daarover 9.3 van de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel
(Kamerstukken 2006-2007, 30 844, nr. 3, blz. 75 e.v.).
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I,
onderdeel A
(nieuwe afdeling 3.5 Awb)
Paragraaf
3.5.1. Algemeen
Artikel 3:19 (Reikwijdte)
Dit artikel bepaalt de
reikwijdte van de bepalingen in deze afdeling. De in deze afdeling
opgenomen regels voor informatie over samenhangende besluiten en
coördinatie van besluitvorming gelden alleen indien er een bepaalde
mate van samenhang tussen de desbetreffende besluiten bestaat. In die
gevallen zijn er in het algemeen duidelijke voordelen verbonden aan
procedurele of inhoudelijke afstemming. Het kan daarbij zowel gaan om
besluiten op aanvraag als om ambtshalve te nemen besluiten.
Een dergelijke samenhang is
volgens de bepaling in de eerste plaats aanwezig indien er verschillende
besluiten nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen verrichten. Met
de woorden "die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen
verrichten" wordt op uiteenlopende besluiten gedoeld. Het kan gaan om
beschikkingen die specifiek op de activiteit zijn gericht, zoals een
vergunning of een ontheffing. Maar niet is uitgesloten dat een meer
algemeen besluit aan de verlening van die beschikkingen ten grondslag
ligt. Indien bijvoorbeeld uit een bestemmingsplan voortvloeit dat een
bepaalde activiteit is verboden en er bestaat toch behoefte aan het
mogelijk maken daarvan, dan is ook het wijzigen van een bestemmingsplan
een besluit dat nodig is om die activiteit rblz.|18|
te mogen verrichten. De
bepaling maakt het dus ook mogelijk dat de in deze afdeling vervatte
coördinatieregeling betrekking heeft op het tegelijkertijd tot stand
brengen van een algemeen besluit en een daarop gebaseerde beschikking
(vergunning).
Het is voorts niet
uitgesloten dat de regeling van toepassing is op een activiteit van meer
dan één initiatiefnemer, waarbij besluiten van meerdere aanvragers in
het geding zijn. In dat geval zal de te verschaffen informatie mede
betrekking kunnen hebben op door anderen aan te vragen besluiten die
nodig zijn voor een activiteit en zal de coördinatieregeling besluiten
van meerdere aanvragers kunnen omvatten.
Met het woord
"activiteit"
wordt hetzelfde bedoeld als in artikel 4:21 Awb. Niet alleen
vergunningen, ontheffingen e.d. vallen onder het bereik van afdeling
3.5, maar ook besluiten die strekken tot het vaststellen van een
financiële aanspraak met het oog op een bepaalde activiteit. Dit
laatste is in dit artikel expliciet bepaald. De formulering sluit aan op
die van de aanhef van artikel 4:12, eerste lid ("beschikking die strekt
tot het vaststellen van een financiële verplichting of aanspraak").
Hierbij valt met name te denken aan subsidies. Soms zal voor een project
geput kunnen worden uit verschillende bronnen voor subsidiëring, wat de
behoefte aan informatie over mogelijke subsidiebeschikkingen en aan
procedurele coördinatie kan versterken.
De regeling kan dus van
toepassing zijn zowel wanneer er verschillende besluiten van de eerste
soort - vergunningen, ontheffingen e.d. - aan de orde zijn als
wanneer er verschillende besluiten van de tweede soort - financiële
aanspraken - genomen moeten worden, terwijl ook een combinatie van één
of meer van de eerstgenoemde met één of meer van de laatstgenoemde
besluiten tot toepasselijkheid kan leiden.
Overigens geeft dit artikel
uitsluitend de buitengrens aan van het toepassingsgebied van afdeling
3.5. In tegenstelling tot paragraaf 3.5.2, over het verschaffen van
informatie inzake samenhangende besluiten, is paragraaf
3.5.3, over
coördinatie van besluitvorming, eerst daadwerkelijk van toepassing
wanneer op de in artikel 3:21, eerste lid, aangegeven wijze voor
toepassing is gekozen. Paragraaf 3.5.3 betreffende de coördinatie van
besluitvorming is een zogenaamde facultatieve regeling. In een ander opzicht
heeft paragraaf 3.5.2 echter een beperktere reikwijdte dan
paragraaf 3.5.3, aangezien paragraaf 3.5.2 alleen van toepassing is op besluiten
op aanvraag (zie artikel 3:20, eerste lid), terwijl
paragraaf 3.5.3 ook
ambtshalve te nemen besluiten omvat.
Paragraaf 3.5.2. Informatie
Artikel 3:20
(Informatieverschaffing)
Eerste lid
Het eerste lid van dit
artikel legt aan bestuursorganen een inspanningsverplichting op om te
bewerkstelligen dat de aanvrager van een besluit wordt geïnformeerd
over het feit dat er nog andere besluiten moeten worden aangevraagd om
de beoogde activiteit te kunnen uitvoeren. Het moet dan, gelet op
artikel 3:19, gaan om besluiten die nodig zijn om de activiteit in
kwestie te mogen verrichten of om besluiten die strekken tot het
vaststellen van een financiële aanspraak met het oog op de activiteit
in kwestie. Verwacht mag worden dat de in paragraaf 6 vermelde
overheidsloketten aanzienlijk kunnen bijdragen aan het verwerven van
inzicht over de vraag voor welke activiteiten welke besluiten als regel
benodigd zijn. Het ligt in de rede dat het bestuursorgaan één en ander
nagaat bij de behandeling van een (eerste) aanvraag. Om de nodige
flexibiliteit te rblz.|19|
bewerkstelligen, is niet exact voorgeschreven op welk
moment de informatie moet worden verschaft. Ook als een aanvraag nog
onvolledig is, zal onder omstandigheden reeds informatieverschaffing
kunnen plaatsvinden, zij het dat het risico bestaat dat het
bestuursorgaan dan nog niet een zelfde inzicht in de aard van de te
ondernemen activiteit heeft als het geval zou zijn geweest bij een
volledig aanvraag. Met het oog op een soepele toepassing en het
vermijden van formalisering is evenmin voorgeschreven op welke wijze,
schriftelijk of mondeling, de informatie door het bestuur moet worden
verschaft. Dat kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook gebeuren door
verstrekking van een op de betrokken activiteit toegesneden
publieksbrochure, indien die voorhanden is en voldoende volledige
informatie bevat.
Als regel zal ook reeds in
informeel vooroverleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan aan de
orde kunnen komen dat er nog andere besluiten nodig zijn om de
activiteit te kunnen verrichten. Verwacht mag dan ook worden dat van
deze bepaling een stimulans uitgaat om een zodanig vooroverleg te
voeren. Het gaat echter te ver om een wettelijke verplichting op te
nemen om altijd vooroverleg te hebben over de besluiten die nodig zijn
om een activiteit te kunnen verrichten. Zoals is uiteengezet in het
kabinetsstandpunt inzake de eerste evaluatie van de Awb
¹ zou een
wettelijke regulering van het vooroverleg immers leiden tot onnodige
formalisering en onvermijdelijk betekenen dat er een nieuwe fase van
informeel vooroverleg ontstaat vóór het wettelijk geregelde
vooroverleg.
Als gezegd, heeft dit
artikel nadrukkelijk het oogmerk van een inspanningsverplichting. De
term "bevorderen" geeft dit ook aan. Aansprakelijkheid
voor het niet of onjuist verstrekken van informatie kan op deze grond
dan ook niet snel worden aangenomen. Het artikel heeft met andere
woorden een serviceverlenend oogmerk. Dit neemt uiteraard niet weg dat
bij de behandeling van een (eerste) aanvraag serieus en consequent
aandacht moet worden besteed aan de vraag of nog andere besluiten nodig
zijn. Het ligt in de rede dat in twijfelgevallen daartoe contact wordt
opgenomen met de aanvrager, maar voorgeschreven is dit niet. Aangezien
het om een inspanningsverplichting gaat, ligt het niet in de rede dat
kosten voor het verstrekken van de informatie in rekening worden
gebracht.
1. Kamerstukken II 1997-1998,
25 600 VI, nr. 46.
De woorden
"redelijkerwijs
kan aannemen" begrenzen de informatieverplichting in tweeërlei
opzicht.
In de eerste plaats kan niet
zonder meer van elk bestuursorgaan worden verwacht dat het exact op de
hoogte is van alle door de centrale overheid en door decentrale
overheden vastgestelde regelgeving die voorziet in op aanvraag te nemen
besluiten. Naarmate de betrokken regelgeving beter via algemene bronnen
als de genoemde loketten of brochures ontsloten is of meer betrekking
heeft op de werkzaamheden van het betrokken bestuursorgaan zelf, kan
eerder worden verondersteld dat het bestuursorgaan van de geldende
regelgeving op de hoogte is. Vaak zal sprake zijn van een "hoofdvergunning": een vergunning die essentieel is om de voorgenomen
activiteit te mogen verrichten. Het bestuursorgaan dat die
hoofdvergunning afgeeft, zal beter in staat zijn om voorlichting te
geven over andere benodigde vergunningen en ontheffingen dan een
bestuursorgaan dat - min of meer toevallig - het bevoegde
bestuursorgaan is voor een bepaalde deelvergunning voor een klein aspect
van de beoogde activiteiten.
In de tweede plaats strekken
deze woorden ertoe dat de informatieplicht niet verder reikt dan tot
hetgeen redelijkerwijs uit door de aanvrager beschikbaar gestelde
informatie (als regel zijn dat de aanvraag en de daarbij verschafte
gegevens en bescheiden) kan worden afgeleid.
Er is dus geen sprake van
een ongeclausuleerde verplichting om informatie te verschaffen over
andere besluiten die moeten worden aangevraagd. rblz.|20|
Wel mag worden
verondersteld dat het bestuursorgaan in staat is om na te gaan of sprake
is van een aanvraag voor een besluit waarvoor ingevolge artikel
3:21,
eerste lid, onderdeel a (uit hoofde van een wettelijk voorschrift) of
b
(uit hoofde van een besluit van een bestuursorgaan), coördinatie van
besluitvorming verplicht is gesteld. Voorts mag worden aangenomen dat
het bestuursorgaan, onafhankelijk van de omstandigheid of coördinatie
van besluitvorming verplicht is gesteld, informatie kan verschaffen over
andere door het bestuursorgaan zelf op aanvraag nog te nemen besluiten.
Enkele voorbeelden kunnen
het bovenstaande verduidelijken. Iemand die voor de vestiging van een
horeca-inrichting alleen een Drank-
en Horecawet-vergunning aanvraagt bij
burgemeester en wethouders zal door burgemeester en wethouders ook
moeten worden geïnformeerd over een benodigde bouwvergunning, een
milieuvergunning (of melding) en een eventuele terrasvergunning waarvoor
burgemeester en wethouders onderscheidenlijk de burgemeester het bevoegd
gezag zijn. Als regel mag worden verondersteld dat burgemeester en
wethouders ook redelijkerwijs kunnen aannemen dat er in voorkomende
gevallen een provinciale vergunning of ontheffing is vereist voor het
maken van een aanlegsteiger in een waterweg die bij de provincie in
beheer is. Deze informatie behoeft de gemeente overigens niet zelf in
huis te hebben. Het gaat er slechts om dat de informatie de
belanghebbende bereikt door tussenkomst van burgemeester en wethouders.
Burgemeester en wethouders vervullen in dit geval de zogenaamde eenloketfunctie.
Vanzelfsprekend moet het
gaan om informatie die voor de aanvrager relevant is. In het hiervoor
genoemde voorbeeld zal duidelijk zijn dat het verschaffen van informatie
over de benodigde vergunning of ontheffing voor een aanlegsteiger
achterwege kan blijven indien de betrokken locatie niet aan een
provinciale waterweg grenst. Het criterium zal steeds moeten zijn of het
op basis van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat het voor de
belanghebbende relevant is om in kennis gesteld te worden van het
benodigde besluit. Het spreekt vanzelf dat dit veelal afhankelijk is van
concrete en individuele omstandigheden. Zo kan worden verondersteld dat
een restauranthouder die voornemens is tot uitbreiding over te gaan van
zijn viersterrenrestaurant geen behoefte heeft aan informatie over de
mogelijkheden inzake de verlening van een speelautomatenvergunning,
terwijl deze informatie voor de eigenaar van een snackbar juist zeer
relevant kan zijn, omdat de aanwezigheid van een speelautomaat in het
algemeen van wezenlijk belang is voor het exploitatieresultaat van een
dergelijke onderneming.
De informatieverplichting is
uitdrukkelijk beperkt tot op aanvraag te nemen besluiten. Doel van de
regeling is immers primair dat een belanghebbende ervan op de hoogte
wordt gesteld dat hij nog andere aanvragen moet doen, wil de voorgenomen
activiteit daadwerkelijk kunnen plaatsvinden. Daarnaast is het denkbaar
dat er nog ambtshalve besluiten moeten worden genomen of dat er
wetgeving is die zich verzet tegen de voorgenomen activiteit of deze
slechts onder bepaalde voorwaarden mogelijk maakt. Hoewel het uiteraard
van belang is dat de aanvrager ook hiervan op de hoogte is, gaat de
verplichting niet zover dat de aanvrager ook van ambtshalve te nemen
besluiten en geldende wettelijke voorschriften op de hoogte moet worden
gebracht. Aangenomen mag worden dat deze onderwerpen in informeel
vooroverleg als regel in voldoende mate ter sprake komen. Verder mag ook
van een aanvrager worden verwacht dat hij zich verdiept in de geldende
wetgeving die van belang is voor de door hem te verrichten activiteit en
dat hij zelf de benodigde nadere informatie verwerft en de aanvragen
indient. Een verplichting voor het informerend bestuursorgaan om uit
eigen beweging de andere eventueel betrokken bestuursorganen te
informeren over de gepleegde informatieverstrekking, zoals voorgesteld
door het IPO, lijkt ons niet gewenst.
rblz.|21|
Het in
artikel 3:20, eerste lid, gebezigde begrip "aanvraag" is gedefinieerd
in artikel 1:3, derde lid, Awb. Hieronder vallen ingevolge vaste
jurisprudentie ook meldingen waarop van bestuurszijde moet worden
gereageerd met een besluit, zoals die ingevolge artikel
8.19, tweede
lid, van de Wet
milieubeheer. Een aan een belastingaanslag voorafgegane
aangifte daarentegen is geen aanvraag in de zin van de Awb
(artikel 8,
derde lid, Algemene
wet inzake rijksbelastingen; zie ook Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5, blz. 37, vraag 2.25). Dit betekent dat de regels
over de informatieverplichting geen betrekking hebben op op aangifte te
nemen belastingbesluiten.
Wij merken ten slotte op dat
de tekst van artikel 3:20, eerste lid, ook de situatie omvat waarin voor
de beoogde activiteit nog aanvragen van anderen nodig zijn. Ook dat moet
aan de betrokken aanvrager worden medegedeeld.
Tweede lid
Het tweede lid geeft een
opsomming van enkele gegevens waarover in ieder geval informatie moet
worden gegeven. De opsomming is niet limitatief en staat er dus niet aan
in de weg dat ook over andere gegevens informatie wordt verstrekt die op
de desbetreffende besluiten betrekking hebben. Voor elk afzonderlijk
besluit moeten deze gegevens kenbaar worden gemaakt.
Voor besluiten die zijn
opgenomen in het overheidsloket op www.overheid.nl
zijn de namen en
adressen van de bevoegde instanties en de betrokken wettelijke
voorschriften eenvoudig aan die website te ontlenen. Laatstgenoemde
gegevens zijn belangrijk, aangezien de belanghebbende op die wijze de
weg wordt gewezen naar de exacte voorwaarden voor het nemen van het
besluit en andere in verband met dat besluit relevante wettelijke
verplichtingen.
Het is verder denkbaar dat
de voorwaarden om voor clusters van veel voorkomende besluiten in
aanmerking te komen, gestandaardiseerd - bijvoorbeeld in brochurevorm - beschikbaar zullen zijn. Hetzelfde geldt voor de adresgegevens van
de bevoegde bestuursorganen en de wettelijke voorschriften waarop de
besluiten zijn gebaseerd. Het woord "kennisgeving"
in dit artikel
moet overigens niet aldus worden opgevat dat de informatie altijd
schriftelijk moet worden verschaft.
Paragraaf 3.5.3. Coördinatie
van besluitvorming en rechtsbescherming
Artikel 3:21
(Toepasselijkheid)
Voor het toepassen van de in
paragraaf 3.5.3 vervatte regeling over procedurele coördinatie is niet
voldoende dat er ingevolge artikel 3:19 in een concreet geval sprake is
van besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen
verrichten en van besluiten die strekken tot het vaststellen van een
financiële aanspraak met het oog op die activiteit. Bovendien is nodig
dat op één van de in artikel 3:21, eerste lid, aangegeven wijzen is
besloten tot toepassing. Daarmee wordt duidelijk dat paragraaf 3.5.3 in
beginsel een facultatief karakter heeft: zij wordt niet dwingend
voorgeschreven, maar kan door de wetgever of de betrokken
bestuursorganen van toepassing worden verklaard.
De aanhef van artikel
3:21,
eerste lid, spreekt over "besluiten". Hieronder vallen derhalve zowel
besluiten op aanvraag als ambtshalve te nemen besluiten. Daarbij moet
het wel steeds gaan om besluiten als genoemd in artikel
3:19, dus "besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen
verrichten of besluiten die strekken tot het vaststellen van een
financiële aanspraak met het oog op die activiteit". Anders dan het
IPO in zijn advies leek aan te nemen, kan deze paragraaf dus niet worden
rblz.|22|
gebruikt om uitsluitend algemene besluiten tot vaststelling van
wettelijk geregelde beleidsplannen te coördineren.
De regeling kan volgens de
onderdelen a en b van het eerste lid van toepassing worden verklaard bij
wettelijk voorschrift of bij besluit van de bevoegde bestuursorganen.
Hiermee wordt, op dezelfde wijze als bij de facultatieve uniforme
openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 (zie artikel
3:10, eerste
lid, Awb), zowel aan de (materiële) wetgever als aan de betrokken
bestuursorganen de bevoegdheid toegekend om tot toepassing te besluiten.
De eerste mogelijkheid is
dat de wetgever paragraaf 3.5.3 van toepassing verklaart (onderdeel a).
De wetgever zal daarbij moeten aangeven welk bestuursorgaan als
coördinerend bestuursorgaan zal gaan optreden (zie artikel
3:22).
Onderdeel a maakt het als
gezegd ook mogelijk dat lagere wetgevers tot toepassing van de
coördinatieregeling besluiten, bijvoorbeeld bij provinciale of
gemeentelijke verordening. Ook bij afdeling
3.4 komen deze vormen in de
praktijk veelvuldig voor. Indien in een gemeente bijvoorbeeld voor een
evenement verschillende vergunningen zijn vereist, zou de gemeenteraad
in een verordening de regeling voor procedurele coördinatie uit deze
paragraaf van toepassing kunnen verklaren. De gemeenteraad kan dit niet
alleen doen voor besluiten die volledig vallen binnen het bereik van de
gemeentelijke regelgeving, maar in beginsel ook voor besluiten die op
gemeentelijk niveau worden genomen, maar die door een hogere wetgever
zijn gereguleerd, tenzij die hogere regeling daaraan in de weg staat.
Dat laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn als in de hogere regeling
reeds is voorzien in een eigen coördinatieregeling die uitputtend is
bedoeld.
Indien de wetgever tot
toepasselijkheid van procedurele coördinatie heeft besloten, dient de
aanvrager zijn medewerking aan deze coördinatie te verlenen door zijn
aanvragen voor de diverse besluiten binnen een tijdspanne van zes weken
in te dienen (artikel 3:24, eerste lid). Blijft hij daarin, na
aanmaning, nalatig, dan kan daarop door de wetgever de sanctie worden
gesteld dat de door hem wel ingediende aanvragen niet worden behandeld (artikel
3:24, vierde lid).
De tweede mogelijkheid is
dat de bij de besluitvorming betrokken bestuursorganen zelf tot
coördinatie besluiten (onderdeel b). Betreft het uitsluitend besluiten
van één bestuursorgaan, dan kan dat bestuursorgaan hiertoe zonder meer
overgaan. In dat geval is het denkbaar dat zo’n coördinatiebesluit
voortvloeit uit een beleidsregel die ertoe strekt dat het bestuursorgaan
als vaste gedragslijn hanteert dat op bepaalde door hem te nemen
samenhangende besluiten als regel de coördinatieregeling uit de Awb
wordt toegepast.
Gaat het daarentegen om
besluiten van verschillende bestuursorganen, dan moeten die
bestuursorganen, ieder voor zover hun bevoegdheid strekt, hiertoe
besluiten. Daartoe zal vanzelfsprekend tevoren moeten worden overlegd,
waarbij tevens afgesproken zal moeten worden welk bestuursorgaan als
coördinerend bestuursorgaan zal optreden (zie artikel
3:22). Eén en
ander zal eenvoudig zijn indien het bestuursorganen betreft die van
dezelfde organisatie deel uitmaken, zoals de burgemeester en het college
van burgemeester en wethouders. Als gezegd, is de regeling echter ook
bestemd voor gevallen waarin bestuursorganen die niet tot dezelfde
bestuurslaag behoren tot coördinatie willen overgaan. De formulering
van onderdeel b laat de nodige ruimte voor de precieze vormgeving van
het door de bevoegde bestuursorganen te nemen coördinatiebesluit. Het
coördinatiebesluit kan een in één document vervat, gezamenlijk
besluit zijn, ondertekend door alle bevoegde bestuursorganen. Ook is
denkbaar dat de coördinatie berust op een bundel gelijkluidende
coördinatiebesluiten van elk bestuursorgaan afzonderlijk, waarin elk rblz.|23|
bestuursorgaan voor de "eigen" besluiten heeft geregeld dat deze onder
de coördinatieregeling vallen.
Uitgangspunt van deze
regeling, waarbij bestuursorganen kunnen besluiten om tot procedurele
coördinatie over te gaan, is dat ook de aanvrager er belang bij heeft
dat zijn aanvragen gecoördineerd worden behandeld. Aangenomen mag
immers worden dat dit de kwaliteit en snelheid van de besluitvorming
bevordert. De regeling strekt echter niet zo ver dat coördinatie in de
praktijk ook kan plaatsvinden als de aanvrager weigert daaraan mee te
werken. Indien hij nalatig blijft met indiening van de benodigde
aanvragen, biedt artikel 3:24, derde lid, aan het coördinerend
bestuursorgaan de mogelijkheid om door te gaan met coördinatie op basis
van de wel ingediende aanvragen, of een gedeelte daarvan, dan wel geheel
van verdere coördinatie af te zien. Slechts indien daarin uitdrukkelijk
bij wettelijk voorschrift is voorzien, is er de sanctie van het niet
behandelen van aanvragen (artikel 3:24, vierde lid).
Uit de redactie van het
eerste lid, aanhef en onder b, kan verder worden afgeleid dat het
bereik van de coördinatie door de betrokken bestuursorganen wordt
bepaald in het besluit dat tot coördinatie wordt overgegaan. Dat
betekent dat het ook mogelijk is om desgewenst één of enkele van de
voor een bepaalde activiteit benodigde besluiten van de
coördinatieregeling uit te zonderen, bijvoorbeeld omdat er geen
inhoudelijke samenhang met de andere besluiten bestaat of omdat snel en
eenvoudig op een bepaalde aanvraag kan worden beslist terwijl het
betrokken besluit het mogelijk maakt om alvast voorbereidende
werkzaamheden te verrichten, in afwachting van de overige besluiten. In
het vooroverleg met de aanvrager kunnen hierover afspraken worden
gemaakt.
Voorts merken wij nog op dat
niets zich ertegen verzet dat een belanghebbende op eigen initiatief kan
vragen om een coördinatiebesluit op basis van onderdeel b van dit
artikel te nemen. Dit vloeit rechtstreeks voort uit het petitierecht in
artikel 5 van de Grondwet. Op zo’n verzoek zal binnen een redelijke
termijn moeten worden beslist, waarbij de betrokken bestuursorganen
overigens ruime beleidsvrijheid hebben.
De vraag kan rijzen of aan
de aanvrager de mogelijkheid zou moeten worden geboden om
(gedeeltelijke) opheffing van een eenmaal in gang gezette coördinatie
te verzoeken. Alleen al ter wille van de eenvoud beantwoorden wij deze
vraag ontkennend. Dit zou betekenen dat lopende de coördinatieprocedure
op een andere procedure zou moeten worden overgestapt, met alle
problemen voor bestuursorganen en (derden-)belanghebbenden van dien.
Maar afgezien van de complicaties die dit zou opleveren, lijkt een
dergelijke voorziening ook niet nodig. Van aanvragers mag worden
verwacht dat zij zich tevoren rekenschap geven van de voor- en nadelen
van coördinatie. Dit is ook een onderwerp dat bij uitstek geschikt is
om in het vooroverleg tussen burger en bestuur te bespreken.
Voorts wordt opgemerkt dat
het "coördinatiebesluit" bij toepassing van onderdeel b uitdrukkelijk
is uitgezonderd van bezwaar en beroep door opneming van dit besluit in
artikel 8:4 Awb. Voor een nadere toelichting wordt kortheidshalve
verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel B).
Zoals in de commentaren op
het voorontwerp terecht werd opgemerkt, is procedurele coördinatie niet
goed mogelijk wanneer de besluitvorming op andere gronden al aan
bepaalde perioden is gebonden, zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij
subsidieregelingen die met zogenoemde tenders werken. In het tweede lid
van artikel 3:21 zijn zij daarom van de coördinatieregeling
uitgezonderd. Omdat een coördinatieprocedure zich ook minder goed laat
denken bij fiscale besluiten, bevat het tweede lid ook daarvoor een
uitzondering.
rblz.|24|
Artikel 3:22 (Coördinerend
bestuursorgaan)
Om de coördinatieregeling
goed uit te kunnen voeren, moet één bestuursorgaan verantwoordelijk
worden voor het proces. Ook als het gaat om bestuursorganen die behoren
tot één rechtspersoon, is het van belang dat duidelijk wordt welk
bestuursorgaan verantwoordelijk is (bijvoorbeeld het college van
burgemeester en wethouders of de burgemeester).
Indien de
coördinatieregeling ingevolge artikel 3:21, eerste lid, onderdeel a,
bij wettelijk voorschrift van toepassing is verklaard, wordt bij of
krachtens dit voorschrift tevens het coördinerend bestuursorgaan
aangewezen. Hetzelfde geldt indien bij afzonderlijk besluit door de
bevoegde bestuursorganen tot coördinatie wordt besloten. In dat geval
moet de aanwijzing in het coördinatiebesluit zelf worden vastgelegd,
zodat vanaf het moment van de bekendmaking - en daarmee de
inwerkingtreding van het coördinatiebesluit - tevens duidelijk is
welk bestuursorgaan als coördinerend bestuursorgaan optreedt.
Het zal van de aard van de
samenhangende besluiten afhangen welk bestuursorgaan het beste de rol
van coördinerend bestuursorgaan kan vervullen. Indien de besluitvorming
voornamelijk een lokale uitstraling heeft, ligt het in de rede de
coördinatie op gemeentelijk niveau (burgemeester en wethouders, de
gemeenteraad of de burgemeester) te leggen. Bij besluiten met een
bredere uitstraling ligt coördinatie op provinciaal niveau
(gedeputeerde staten, provinciale staten of de commissaris van de Koningin)
of zelfs op rijksniveau (door een minister) in de rede.
Volledigheidshalve
merken wij nog op dat de aanwijzing als coördinerend bestuursorgaan
zich uiteraard niet voordoet indien sprake is van besluiten van slechts
één bestuursorgaan. Het spreekt vanzelf dat dat bestuursorgaan in dat
geval de taken uitvoert die in deze regeling aan het coördinerend
bestuursorgaan zijn toebedeeld.
Artikel 3:23 (Coördinatie
en medewerking)
Met het
"bevorderen van een
doelmatige en samenhangende besluitvorming" is een open formulering
beoogd, die ruim moet worden uitgelegd. In de eerste plaats moet
hieronder worden verstaan het zo effectief en efficiënt mogelijk
organiseren van alle in deze paragraaf vervatte procedurestappen,
gerekend vanaf de fase van voorbereiding van de besluiten tot en met de
fase van de rechtsbescherming. Van het coördinerend bestuursorgaan
wordt een actieve opstelling verwacht om de besluitvorming, inclusief
eventuele bezwaar- en beroepsprocedures, zowel voor de belanghebbende
burgers als voor de medebetrokken bestuursorganen zo snel en soepel
mogelijk te laten verlopen.
De wettelijke bepalingen in
paragraaf 3.5.3 bevatten de nodige voorzieningen die het coördinerend
bestuursorgaan in staat stellen deze taak te effectueren. Zo is er in
artikel 3:24 in voorzien dat de aanvragen voor de benodigde besluiten
bij het coördinerend bestuursorgaan binnenkomen en is aan het
coördinerend bestuursorgaan de bevoegdheid toegedeeld om bij het
ontbreken van aanvragen de coördinatieprocedure geheel of gedeeltelijk
buiten toepassing te laten. Op grond van artikel 3:26 is voorts
gewaarborgd dat stukken ter inzage worden gelegd bij het coördinerend
bestuursorgaan, dat het coördinerend bestuursorgaan wettelijk
verplichte mededelingen, toezendingen e.d. verricht van ontwerpbesluiten
en definitieve besluiten en van de kennisgevingen daarvan in dag-,
nieuws- of huis-aan-huisbladen. Ook is er daar in voorzien dat
zienswijzen kunnen worden geadresseerd aan het coördinerend
bestuursorgaan. Verder rust op het coördinerend bestuursorgaan de
inspanningsverplichting om, als mondelinge zienswijzen worden ingebracht
(als regel door middel van een hoorzitting), deze hoorzitting te
organiseren en ervoor te zorgen dat aldaar alle ontwerpbesluiten die
gelijktijdig voorwerp van inspraak zijn tezamen en tegelijkertijd op de
hoorzitting aan de orde komen. Verder is in rblz.|25|
de artikelen 3:27 en
3:28
bij het coördinerend bestuursorgaan de bevoegdheid neergelegd om de
door de betrokken bestuursorganen genomen besluiten en beslissingen op
bezwaar of administratief beroep gelijktijdig bekend te maken.
Vastgesteld kan dan ook worden dat het coördinerend bestuursorgaan een
regiefunctie is toebedeeld in het "procesmanagement" van de
besluitvorming.
In de tweede plaats biedt
het eerste lid een expliciet handvat om, uiteraard binnen de grenzen van
de toepasselijke wetgeving, te voorzien in een meer inhoudelijke
samenhang tussen de te nemen besluiten. De in de onderdelen a en
b
opgenomen formulering is nagenoeg identiek aan artikel 14.3, eerste lid,
van de Wet milieubeheer. Zoals is uiteengezet in het
algemeen deel van
deze memorie, behelst de in paragraaf 3.5.3 neergelegde
coördinatieregeling een lichte vorm van coördinatie, hetgeen betekent
dat het coördinerend bestuursorgaan niet de beschikking heeft over
zware coördinatie-instrumenten, zoals "overrulebevoegdheden" en
aanwijzingsbevoegdheden. Op dit punt is de voorgestelde regeling goed
vergelijkbaar met de coördinatieregeling in hoofdstuk 14 van de Wet
milieubeheer. Dit laat uiteraard onverlet dat het coördinerend
bestuursorgaan zich bij zijn activiteiten die primair zijn gericht op
een goede beheersing van de procedure actief kan opstellen met het oog
op het belang van een inhoudelijk samenhangende besluitvorming. Dat door
afzonderlijke bestuursorganen inhoudelijk niet volledig consistente
besluiten worden geproduceerd, is, hoe onwenselijk op zichzelf ook, voor
burgers wellicht nog enigszins te begrijpen. Als zij zich via één
loket tot het bestuursorgaan wenden, zal van dat begrip geen sprake meer
zijn. Het is dus van groot belang dat het coördinerend bestuursorgaan
ook het inhoudelijke aspect van de coördinatie de nodige aandacht
geeft.
Voor het coördinerend
bestuursorgaan ligt hier derhalve ook een taak om te voorkomen dat
gelijktijdig af te geven vergunningen onderling tegenstrijdige
voorschriften of beperkingen bevatten. De bemoeienis kan echter niet zo
ver gaan dat het afgeven van een vergunning kan worden tegengehouden om
redenen die het wettelijk kader van de betrokken vergunning te buiten
gaan. Voor een dergelijke ingreep dient door de bijzondere wetgever een
specifieke wettelijke grondslag te worden gecreëerd. In dit verband
verwijzen wij naar hetgeen in paragraaf 4 van het algemeen deel van deze
memorie is gezegd.
Artikel 3:23 heeft
tevens
als oogmerk dat zoveel mogelijk de besluitvorming aangaande besluiten op
aanvraag én ambtshalve te nemen besluiten wordt gecoördineerd.
Praktisch gezien komt dit erop neer dat het coördinerend bestuursorgaan
de nodige stappen neemt om te bewerkstelligen dat na de indiening van de
aanvragen voor besluiten die op aanvraag moeten worden genomen (vgl.
artikel 3:24) ook de voorbereiding van ambtshalve te nemen besluiten ter
hand wordt genomen. Ook hiervoor geldt dat van het coördinerend
bestuursorgaan mag worden verwacht dat binnen de grenzen van de
wettelijke kaders zoveel mogelijk inhoudelijke afstemming wordt
aangebracht.
De medewerkingsplicht van
het tweede lid heeft het karakter van een inspanningsverplichting.
Bijzondere sancties op het niet verlenen van medewerking ontbreken. In
dit opzicht is er geen verschil tussen de regels in geval van
gecoördineerde besluitvorming en de regels die normaliter gelden. Zo
blijft gelden dat bij het niet tijdig nemen van besluiten bezwaar en
beroep openstaat overeenkomstig artikel 6:2,
aanhef en onder b, Awb. Omdat bijzondere
sancties ontbreken, wordt, anders dan bijvoorbeeld in artikel 7d, derde
lid, van de Wet op de
waterkering, artikel 6, tweede lid, van de Wet
procedures vijfde baan Schiphol en artikel 14.4 van de Wet
milieubeheer,
niet gesproken over het "vorderen van medewerking".
rblz.|26|
Artikel 3:24 (Indiening
aanvragen)
Het eerste lid stelt voorop
dat de benodigde aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig moeten worden
ingediend. Onder "de besluiten" worden vanzelfsprekend verstaan de
besluiten die op grond van artikel 3:21, eerste lid, gecoördineerd
moeten worden behandeld. Deze bepaling is inhoudelijk ontleend aan
artikel 18, eerste lid, van de Wet
op de waterkering (inmiddels
vervallen), artikel 4, eerste lid, van de Wet
procedures vijfde baan Schiphol, artikel 7b, eerste lid, van de
Wet
verontreiniging oppervlaktewateren en artikel 7, tweede lid, van de Spoedwet
wegverbreding. In dit wetsvoorstel gaat het om een
inspanningsverplichting die rust op de aanvrager, dat wil zeggen degene die de
in artikel 3:19 bedoelde activiteit wenst te verrichten.
Volstrekt gelijktijdige
indiening is niet voorgeschreven. Om de voorgestelde regeling flexibel
te houden, is de aanvrager enige ruimte gelaten in de termijn waarbinnen
hij zijn aanvragen indient. Daarbij geldt een maximumtermijn van zes
weken tussen de eerste en de laatste aanvraag. Deze termijn is ontleend
aan artikel 14.2, eerste lid, van de Wet
milieubeheer, waarin een
vergelijkbare regeling is opgenomen. Wordt de termijn van zes weken
overschreden, dan is het derde of vierde lid van toepassing (zie
hierna).
Zodra de laatste aanvraag is
ontvangen, begint de beslistermijn voor het nemen van de besluiten te
lopen (zie artikel 3:25).
In bijzondere gevallen
(bijvoorbeeld bij bepaalde subsidies) kan het aangewezen zijn om
uitdrukkelijk gelijktijdige indiening voor te schrijven. Voor die
gevallen zal de bijzondere wetgever een voorziening moeten treffen.
Gekozen is voor indiening
bij één loket (zie het tweede lid). Het tweede lid geeft, althans wat
beschikkingen betreft, derhalve een uitzondering op de in artikel 4:1 Awb
neergelegde hoofdregel dat aanvragen worden ingediend bij het
bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. De
beslissingsbevoegdheid blijft namelijk liggen bij het desbetreffende
bestuursorgaan. Daarom is er in het tweede lid tevens in voorzien dat
laatstgenoemd bestuursorgaan aanstonds een afschrift van de aanvragen
ontvangt. Mocht de aanvrager zijn aanvraag abusievelijk indienen bij het
beslissingsbevoegde bestuursorgaan en dus niet bij het coördinerend
bestuursorgaan, dan is het beslissingsbevoegde bestuursorgaan op grond
van de in artikel 2:3, eerste lid, Awb opgenomen doorzendverplichting
gehouden om de aanvraag door te zenden naar het coördinerend
bestuursorgaan, omdat het coördinerend bestuursorgaan op grond van
artikel 3:24 de eerste stappen moet nemen die nodig zijn voor de
behandeling van de aanvraag.
De aanvrager moet op
zodanige wijze meewerken dat gelijktijdige behandeling van de aanvragen
kan plaatsvinden. Dient hij aanvragen te laat in (dus later dan zes
weken na de eerste aanvraag), dan heeft het bestuursorgaan volgens het
derde lid de mogelijkheid om, na "aanmaning", de coördinatie niet
voort te zetten of te beperken tot de besluiten waarvoor het
bestuursorgaan dat nog wel mogelijk en wenselijk acht. Deze laatste
mogelijkheid is in het derde lid voorzien door middel van de woorden
"ten aanzien van bepaalde besluiten", die een flexibele toepassing
mogelijk maken (uiteraard moet wel worden aangegeven om welke besluiten
het gaat). Dit biedt overigens het bestuur geen vrijbrief om de
behandeling van de andere aanvragen op de lange baan te schuiven. Voor
die besluiten waarbij de coördinatie niet wordt voortgezet, herleven de
normaliter geldende procedures en beslistermijnen. Bij besluiten op
aanvraag zijn stappen in die procedures en beslistermijnen veelal
gekoppeld aan de ontvangst van de aanvraag (vgl. onder andere de beslistermijn
in artikel 4:13 Awb). Met het oog daarop is in de laatste volzin van het
derde lid de rblz.|27|
fictie ingevoerd dat het tijdstip waarop wordt besloten om
de coördinatieregeling niet toe te passen, wordt beschouwd als het
tijdstip van ontvangst van de aanvraag. Bij zogenaamde fictieve positieve
beslissingen (fatale termijnen bij niet tijdig beslissen op een
aanvraag) wordt op deze wijze ook voorkomen dat vergunningen van
rechtswege blijken te zijn verleend als de coördinatieregeling
uiteindelijk niet wordt toegepast.
Artikel 3:25 (Aanvang
beslistermijn)
Om te voorkomen dat het
bestuursorgaan al met de behandeling van een aanvraag moet beginnen
voordat de andere samenhangende aanvragen zijn ontvangen, is in dit
artikel bepaald dat de beslistermijn pas begint te lopen zodra alle
aanvragen binnen zijn. Als regel zal het bestuursorgaan er tevoren van
op de hoogte zijn om welke besluiten het gaat. Omdat de
coördinatieregeling van toepassing is verklaard bij wettelijk
voorschrift of bij besluit van de bevoegde bestuursorganen, is het
immers bekend welke besluiten onder de coördinatieregeling vallen. De
enige onzekerheid is of de aanvrager daadwerkelijk alle besluiten
aanvraagt. Via goed vooroverleg kan deze onzekerheid worden weggenomen.
Als uiteindelijk niet alle benodigde besluiten worden aangevraagd, duurt
het op grond van artikel 3:24, eerste lid, zes weken
vóór het
coördinerend bestuursorgaan de betrokkene in de gelegenheid kan stellen
om alsnog de ontbrekende aanvragen in te dienen (vgl. artikel
3:24,
derde lid) of onder de in artikel 3:24, vierde lid, vermelde condities
kan besluiten om de wel ingediende aanvragen niet te behandelen.
Toepassing van artikel 3:24, derde lid, heeft tot gevolg dat de
beslistermijn wordt opgeschort totdat de ontbrekende aanvraag is
ontvangen dan wel de termijn voor het indienen van de ontbrekende
aanvraag is verstreken. Daarnaast kan de beslistermijn uiteraard ook
worden opgeschort indien nog ontbrekende gegevens geleverd moeten worden
(artikel 4:15).
Artikel 3:26 (Voorbereiding)
Verwacht mag worden dat de
coördinatieregeling vooral zal worden toegepast in gevallen waarin de
wettelijke bepalingen over procedures of termijnen uiteenlopen. Dat kan
bijvoorbeeld het geval zijn wanneer één of meer besluiten volgens de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling
3.4 Awb
moeten
worden voorbereid. Hiertoe behoren onder andere milieuvergunningen. Het
eerste lid strekt ertoe dat in die gevallen alle samenhangende besluiten
(gelijktijdig) de voorbereidingsprocedure van afdeling
3.4 doorlopen.
De procedure van afdeling
3.4 treedt dus in de plaats van de procedures die normaliter voor de
voorbereiding gelden krachtens enig wettelijk voorschrift. Gevolg van de
vantoepassingverklaring van afdeling 3.4 is dat de
bezwaarschriftenprocedure niet wordt gevolgd. Deze procedure is namelijk
uitgesloten via artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, Awb. Ingeval
beroep wordt ingesteld, wordt het beroep dus rechtstreeks door de
bestuursrechter behandeld (zie artikel 3:29), zonder voorafgaande
bezwaarschriftfase.
Met het oog op de
coördinatie moeten wel enkele bijzondere voorzieningen worden getroffen
voor een eenvormige toepassing van enkele standaardbepalingen uit afdeling
3.4.
Onderdeel a van het eerste
lid regelt daarom dat het (ontwerp)besluit en de daarbij behorende
stukken in ieder geval bij het coördinerend bestuursorgaan ter inzage
worden gelegd. Op die manier wordt de "loketfunctie" van dat
bestuursorgaan gewaarborgd.
Om dezelfde reden is in
onderdeel c geregeld dat zienswijzen ook aan het coördinerend
bestuursorgaan kunnen worden geadresseerd. Het staat de belanghebbende
overigens vrij om ervoor te kiezen zijn zienswijze te rblz.|28|
adresseren aan het
beslissingsbevoegde bestuursorgaan. Via goed procesmanagement zullen de
betrokken bestuursorganen erin moeten voorzien om elkaar op de hoogte te
houden van naar voren gebrachte zienswijzen.
Belangrijk is verder
onderdeel b, dat rechtstreeks is ontleend aan artikel 14.3, tweede lid,
onderdeel b, van de Wet
milieubeheer. Hierin is aan het coördinerend
bestuursorgaan een inspanningsverplichting opgelegd om alle
ontwerpbesluiten gezamenlijk voorwerp van (mondelinge) inspraak te laten
zijn. Dit betekent dat in voorkomende gevallen in beginsel alle
besluiten gezamenlijk en gelijktijdig op een eventuele hoorzitting aan
de orde moeten komen.
Om een praktische toepassing
van de voorbereidingsprocedure ten aanzien van alle besluiten
gezamenlijk mogelijk te maken, waarborgt onderdeel d dat over alle
besluiten door een ieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht
indien ten aanzien van één of meer van de te coördineren besluiten is
voorgeschreven dat dit recht aan een ieder toekomt. Krachtens artikel
3:15, tweede lid, Awb is er immers in diverse wettelijke regelingen in
voorzien dat het recht om zienswijzen naar voren te brengen niet alleen
toekomt aan belanghebbenden, maar aan een ieder. Juist omdat het de
bedoeling is dat alle ontwerpbesluiten gezamenlijk voorwerp van inspraak
zijn, zou het niet doelmatig zijn om dan een onderscheid te maken tussen
ontwerpbesluiten waarover alleen belanghebbenden en ontwerpbesluiten ten
aanzien waarover een ieder zienswijzen naar voren kan brengen en daarmee
de gecoördineerde voorbereidingsprocedure te belasten met ingewikkelde
ontvankelijkheidskwesties.
Ingevolge
onderdeel e moet het coördinerend bestuursorgaan de vereiste
kennisgevingen doen aan belanghebbenden en in dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, alsmede de aanverwante toezending en mededeling van
(ontwerp)besluiten. Vergelijkbare voorzieningen zijn opgenomen in de
artikelen 14.3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
milieubeheer,
artikel 7e, onderdeel b, van de Wet
op de waterkering, artikel 41,
vijfde lid, onderdeel a, van de Reconstructiewet
concentratiegebieden, 39k, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet op de
Ruimtelijke Ordening en
artikel 20, vierde lid, onderdeel b, van de Tracéwet.
Als regel zal in de gevallen
waarin afdeling 3.4 wordt toegepast de beslistermijn uit die afdeling
van toepassing worden op de besluiten die volgens die procedure worden
voorbereid. Deze termijn is zes maanden, met een verlengingsmogelijkheid
voor gevallen waarin het een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp
betreft (artikel 3:18, eerste en tweede lid). Het is echter niet onmogelijk
dat in een enkel uitzonderlijk geval een besluit onder de
coördinatieregeling valt waarvoor normaliter een (wettelijke)
beslistermijn geldt die langer is dan die uit afdeling
3.4. Om de
voorbereidingsprocedure uniform te houden, is in onderdeel f van het
eerste lid voor dat specifieke geval geregeld dat dan die langere
beslistermijn gaat gelden voor alle besluiten. Aangenomen moet immers
worden dat die lange beslistermijn noodzakelijk is om tot een zorgvuldig
besluit te komen. Het is dan moeilijk aanvaardbaar dat het enkele feit
van toepassing van de coördinatieregeling zou leiden tot een bekorting
van de normaliter geldende beslistermijn. Als gezegd, gaat het hier
echter naar verwachting om zeer zeldzame gevallen. In het kader van de
aanpassingswetgeving zal ten slotte nog aandacht worden besteed aan de
verhouding tot beslistermijnen waarvan de overschrijding leidt tot
beschikkingen van rechtswege en de verhouding tot wettelijke bepalingen
die voorzien in het afgeven van verklaringen van geen bezwaar of geen
bedenkingen alvorens het besluit kan worden genomen.
Onderdeel g van het eerste
lid voorziet er ten slotte in dat bij de toepassing van afdeling
3.4 de
termijn voor het instellen van beroep bij de administratieve rechter
(ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, Awb
is er geen
bezwaarschriftprocedure) voor alle besluiten op hetzelfde tijdstip
aanvangt. Bij toepassing van afdeling 3.4 Awb
is deze termijn in artikel 6:8, rblz.|29|
vierde lid, Awb gekoppeld aan de datum waarop het desbetreffende
besluit ter inzage wordt gelegd. Nu er in artikel 3:27 in wordt voorzien
dat alle besluiten gelijktijdig bij het coördinerend bestuursorgaan ter
inzage worden gelegd, volgt uit artikel 3:26, eerste lid, onderdeel g,
dat de beroepstermijn ook in die gevallen voor alle besluiten
gelijktijdig begint.
Op de terinzagelegging zijn
voor het overige de regels van afdeling 3.4
normaal van toepassing. Dat
betekent onder meer dat artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur (Wob)
van overeenkomstige toepassing is op de ter inzage te leggen stukken (artikel
3:11, tweede lid). Dit kan vooral van belang zijn indien ook
besluiten tot het vaststellen van een financiële aanspraak in de
coördinatie zijn betrokken. Het IPO wees erop dat volledige
terinzagelegging van de daarop betrekking hebbende stukken onder
omstandigheden ongewenst kan zijn. In zo’n geval zijn dus de normale
uitzonderingsgronden van de Wob van toepassing.
Als voor geen van de
besluiten normaliter de openbare voorbereidingsprocedure geldt, zijn de
"gewone" regels over de voorbereiding van beschikkingen uit de
Awb van
toepassing (tweede lid). Deze moeten dan ook worden toegepast als het
gaat om besluiten die van algemene strekking zijn, vandaar de
mogelijkheid van "overeenkomstige" toepassing. Van groot belang is dat
de toepassing van afdeling 4.1.2 in dit geval wordt aangevuld met de
bijzondere voorzieningen uit de hierboven toegelichte onderdelen b tot
en met f van het eerste lid, die een gebundelde besluitvorming mogelijk
maken (gezamenlijke gelegenheid zienswijzen naar voren te brengen,
mededeling en kennisgeving van de betrokken besluiten, gecombineerde
hoorzittingen e.d.).
Duidelijkheidshalve wordt
erop gewezen dat de toepassing van afdeling
4.1.2 Awb
betekent dat,
anders dan bij toepassing van afdeling 3.4, eerst de
bezwaarschriftprocedure moet worden gevolgd alvorens beroep bij de
administratieve rechter kan worden ingesteld.
Artikel 3:27 (Bekendmaking)
Dit artikel voorziet erin
dat de bevoegde bestuursorganen "hun" besluiten toezenden aan het
coördinerend bestuursorgaan, dat vervolgens de besluiten gelijktijdig
bekendmaakt en ze - indien van toepassing - gelijktijdig ter inzage
legt. Dit is derhalve een afwijking van de normaliter geldende regel dat
elk bestuursorgaan de eigen besluiten zelf bekendmaakt. Door de
gelijktijdige, gecoördineerde bekendmaking en terinzagelegging is
gewaarborgd dat de beroepstermijn voor alle besluiten op hetzelfde
tijdstip aanvangt. Ingevolge artikel 6:8 begint de beroepstermijn
namelijk te lopen met ingang van de dag na de bekendmaking of - als afdeling
3.4 van toepassing is - terinzagelegging van het besluit. De
figuur van gelijktijdige bekendmaking en terinzagelegging door het
coördinerend bestuursorgaan is daardoor van groot belang voor het
synchroon laten lopen van de rechtsbeschermingsprocedures. Een
vergelijkbare voorziening treft men aan in de artikelen 7h van de
Wet op de waterkering, 20, tiende lid, van de
Tracéwet, 10, negende lid, van
de Ontgrondingenwet, 39m van de
Wet op de
Ruimtelijke Ordening, 10,
zevende lid, van de Spoedwet
wegverbreding en 10 van de Wet
procedures vijfde baan Schiphol. Voor het geval - onverhoopt - niet tijdig
wordt beslist, vervult de uniforme beslistermijn deze synchroniserende
functie ten aanzien van een daartegen eventueel in te stellen beroep
(zie de toelichting op artikel 3:26).
Om redenen, reeds
uiteengezet in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze memorie, is
afgezien van sancties op het niet (gelijk)tijdig beslissen in de vorm
van overrulebevoegdheden e.d. Wel mag worden verwacht dat wanneer een
bestuursorgaan nalatig blijft met het nemen van een besluit, de andere
bestuursorganen het nalatige bestuursorgaan zullen rblz.|30|
aanspreken op het
uitblijven van het besluit. Als gezegd, ligt hier eveneens een taak voor
het bestuursorgaan dat als coördinerend bestuursorgaan is aangewezen.
We wijzen er nog op dat
artikel 3:27 uitsluitend betrekking heeft op de bekendmaking en de
terinzagelegging van het besluit. Deze bepaling laat onverlet specifieke
verplichtingen tot mededeling van de besluiten aan andere
belanghebbenden die eventueel voortvloeien uit bijzondere wetgeving.
Artikel
3:28 (Bezwaar en
administratief beroep)
De in dit artikel opgenomen
voorzieningen zijn nodig voor de gevallen waarin afdeling
3.4 Awb
niet
van toepassing is (vgl. artikel 3:26, tweede lid). In die gevallen zal
als regel immers de bezwaarschriftprocedure of een procedure voor
administratief beroep openstaan alvorens beroep bij de bestuursrechter
kan worden ingesteld. Het eerste en tweede lid zijn in procedureel
opzicht vergelijkbaar met artikel 3:24, tweede lid, en
artikel 3:27.
Evenals bij het beroep op de administratieve rechter het geval is, dient
het bezwaar of administratief beroep betrekking te hebben op een
specifiek besluit. Wel is het uiteraard denkbaar dat bij bezwaar of
administratief beroep tegen meerdere besluiten, de verschillende
bezwaren en beroepen worden gebundeld in één bezwaar- of
beroepschrift, dat in dat geval juridisch evenwel moet worden
gekwalificeerd als een bundel bezwaar- en beroepschriften.
Het derde lid waarborgt dat
verzoeken om rechtstreeks beroep (overslaan bezwaarschriftprocedure) als
bedoeld in artikel 7:1a alleen kunnen worden ingewilligd als voor alle
te coördineren besluiten door alle bezwaarmakers een dergelijk verzoek
is gedaan. Zonder een dergelijke voorziening zou de
rechtsbeschermingsprocedure voor de te coördineren besluiten uiteen
kunnen gaan lopen, hetgeen niet in het belang is van een doelmatige
coördinatie. Om redenen van efficiency is de beslissingsbevoegdheid
inzake verzoeken om rechtstreeks beroep neergelegd bij het coördinerend
bestuursorgaan. Het gaat immers om een procedurele beslissing die snel
moet worden genomen en waarvoor vereist is dat zicht bestaat op alle
binnenkomende bezwaarschriften. Nu het coördinerend bestuursorgaan
ingevolge het eerste lid het ontvangstadres is voor alle
bezwaarschriften, ligt deze keuze voor de hand. Uiteraard gaan wij ervan
uit dat te nemen beslissingen op verzoeken om rechtstreeks beroep worden
genomen in goed onderling overleg tussen het coördinerend
bestuursorgaan en de andere betrokken bestuursorganen.
Artikel 3:29 (Beroep bij de
administratieve rechter)
Dit artikel regelt de
relatieve en absolute bevoegdheid van de administratieve rechters die
in beroep en hoger beroep te oordelen hebben over besluiten die onder de
coördinatieregeling vallen. In zoverre is het artikel een lex specialis
ten opzichte van de competentieregels in afdeling 8.1.1 Awb
en in de
bijzondere procesrechtelijke wetten (Wet
op de Raad van State, Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en Beroepswet). Aan de
competentieregeling in artikel 3:29 liggen twee uitgangspunten ten
grondslag:
- de regeling mag geen verlies van
instantie tot gevolg hebben;
- alle te coördineren besluiten
waartegen beroep of hoger beroep wordt ingesteld, moeten steeds door hetzelfde rechtscollege worden beoordeeld (eenheid van competentie).
Voorkomen moet worden dat
voor de met elkaar samenhangende besluiten verschillende rechtbanken
bevoegd kunnen zijn. Voor de relatieve competentie knoopt het eerste lid
daarom aan bij de zetel van het coördinerend bestuursorgaan, zulks in
afwijking zo nodig van artikel 8:7 rblz.|31|
Awb, ten opzichte waarvan de regeling
in artikel 3:29, eerste lid, als een lex specialis moet worden opgevat.
Ingevolge het eerste lid
blijft de regel van beroep in twee instanties onverkort gelden waar deze
nu ook geldt. Anders dan in het voorontwerp is in het nu voorliggende
wetsvoorstel die regel ook aangehouden voor die besluiten waartegen
normaliter beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) zou
openstaan indien deze worden gecoördineerd met één of meer besluiten
waartegen wel beroep in twee instanties openstaat. Hiermee volgen wij de
adviezen van de Raad van State en de NOvA. Uit het eerste lid vloeit dus
voort dat indien tegen één of meer van de te coördineren besluiten
beroep in eerste aanleg bij de rechtbank openstaat, dit gaat gelden voor
alle besluiten die onder de coördinatieprocedure vallen, ook al staat
tegen sommige van deze besluiten normaliter beroep in eerste en enige
aanleg open bij de ABRvS, de CRvB of het CBb. Hiermee wordt voorkomen
dat toepassing van de coördinatieregelingen voor belanghebbenden
verlies van een instantie zou kunnen opleveren. Een ander argument voor
deze keuze is dat daarmee ook beter wordt aangesloten bij de systematiek
die uiteindelijk in het wetsvoorstel Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht is neergelegd, waarin eveneens wordt uitgegaan van
rechtspraak in twee instanties. De nu gemaakte keuze heeft tot gevolg
dat als één of meer besluiten worden gecoördineerd tezamen met de
omgevingsvergunning, de normaliter geldende rechtsbeschermingsprocedure
voor de omgevingsvergunning, namelijk rechtspraak in twee instanties,
leidend zal zijn. De genoemde argumenten wegen naar ons oordeel op tegen
het nadeel dat dan in een enkel geval de rechtbank zal moeten oordelen
over besluiten die normaliter niet tot de competentie van de rechtbank
behoren.
Anders dan in het
voorontwerp is, naar aanleiding van het advies van de Raad van
State, in
artikel 3:29 voorts een specifieke regeling opgenomen over de absolute
rechterlijke competentie.
Het tweede lid ziet op de
situatie waarin, anders dan in de situatie van het eerste lid, de
coördinatieprocedure uitsluitend besluiten omvat waartegen beroep in
eerste en enige aanleg openstaat bij de ABRvS, de
CRvB en/of het CBb.
Gelet op de algemene rechterlijke rol van de ABRvS (die anders dan de
CRvB en het CBb geen gespecialiseerde administratieve rechter is) ligt
het in de rede de ABRvS in die situatie bevoegd te laten zijn ter zake
van alle te coördineren besluiten indien reeds één of meer van die
besluiten beroep tot de competentie van de ABRvS behoren (onderdeel a)
[lees: indien reeds bij één of meer van die besluiten beroep tot de competentie van de
ABRvS behoort (onderdeel a), red.].
Vervolgens geldt ingevolge onderdeel b een logische voorrangsregeling
die competentie aan het CBb toedeelt als onder de coördinatieprocedure
slechts besluiten vallen waartegen (normaliter) beroep in eerste en
enige aanleg openstaat uitsluitend bij het CBb dan wel bij het CBb en de
CRvB. Uit onderdeel c vloeit voort dat de CRvB de bevoegde rechter is
indien de coördinatieprocedure slechts betrekking heeft op besluiten
die reeds uitsluitend tot de competentie van de CRvB behoren.
Het derde lid betreft de
competentie van de hogerberoepsrechter. Deze bepalingen regelen dus het
vervolg (hoger beroep) op het eerste lid (beroep in eerste aanleg bij de
rechtbank). Hier is dezelfde lijn gevolgd als in het tweede lid voor de
competentie met betrekking tot beroep in eerste en enige aanleg.
Volledigheidshalve zij nog
opgemerkt dat in de situatie waarin de coördinatieprocedure betrekking
heeft op één of meer besluiten waartegen beroep in twee instanties
openstaat én één of meer besluiten waartegen beroep in eerste en enige
aanleg openstaat bij de ABRvS, het CBb en/of de CRvB, volgens het eerste
lid tegen alle besluiten beroep in eerste aanleg komt open te staan bij
de rechtbank en hoger beroep bij de ingevolge het derde lid bevoegde
instantie.
rblz.|32|
Het vierde
lid biedt als sluitstuk op de competentieregeling de mogelijkheid voor
volgens de voornoemde competentieregeling bevoegde administratieve
rechter de beroepen of hoger beroepen te verwijzen naar een andere
administratieve rechter die hij meer geschikt acht. In
uitzonderingsgevallen is het immers denkbaar dat door voornoemde
competentieregeling ertoe leidt een [lees: dat door voornoemde
competentieregeling een, red.] bepaalde administratieve rechter
bevoegd wordt gemaakt om te oordelen over een samenstel van
gecoördineerde besluiten, terwijl het zwaartepunt evident ligt bij één
of meer besluiten dat normaliter tot de competentie van een andere
rechter behoort. Men denke aan het geval waarin de ABRvS volgens de
voornoemde competentieregeling bevoegd is geworden, omdat een besluit
van relatief gering gewicht normaliter tot haar competentie behoort,
terwijl het zwaartepunt van het geschil ligt bij besluiten die
normaliter tot de competentie van het CBb behoren. Ook is het denkbaar
dat de ingevolge het eerste lid bedoelde rechtbank de behandeling van de
beroepen doorverwijst naar bijvoorbeeld de rechtbank te Rotterdam
indien het zwaartepunt van het geschil één of meer besluiten betreft die
normaliter op grond van de in een bijzondere wet geregelde
competentieverdeling tot de bevoegdheid van die rechtbank behoren. Ook
bij het vierde lid geldt de regel dat de eenheid van competentie ten
aanzien van de gecoördineerde besluiten niet kan worden doorbroken. Bij
toepassing van het vierde lid worden dus alle beroepen of hoger beroepen
verwezen naar de andere rechter in eerste aanleg of hogerberoepsrechter.
Het artikel biedt niet de mogelijkheid voor de rechtbank om een beroep
in eerste aanleg te verwijzen naar de ABRvS, het CBb of de CRvB,
oordelend in eerste en enige aanleg, aangezien dit een verlies van
instantie zou opleveren. Omgekeerd ligt het evenmin in de rede dat de
ABRvS, het CBb of de CRvB, volgens het tweede lid, oordelend in eerste
en enige aanleg, een zaak verwijst naar de rechtbank.
Gecombineerde behandeling
van de beroepszaken wordt niet voorgeschreven. Er mag van worden
uitgegaan dat de administratieve rechter in beginsel gebruik maakt van
de bevoegdheid tot voeging op grond van artikel 8:14 Awb. Tot voeging
kan de rechter ambtshalve besluiten; er kan ook door partijen om worden
gevraagd. Ook dit stemt overeen met de keuze die in wetgeving op het
terrein van infrastructuur is gemaakt. Zoals aangegeven in de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Tracéwet (eerste
tranche) kan het het beste aan de betrokken bestuursrechter worden
overgelaten om een beslissing te nemen over gevoegde behandeling van
beroepen, aangezien het niet bij voorbaat is uitgesloten dat er
aanleiding is niet alle zaken gevoegd te behandelen: "Gedacht kan
worden aan het geval dat er in een beroepszaak aanleiding is
prejudiciële vragen te stellen aan een internationaal gerechtshof. Het
hoeft dan niet bij voorbaat zo te zijn dat alle zaken gevoegd moeten
worden. Dit is met name van belang indien ook zonder dat ten aanzien van
alle beroepszaken een uitspraak is gedaan een deel van het werk kan
worden gerealiseerd".¹
Om de redenen die in
paragraaf 5 van het algemeen deel van deze memorie reeds nader zijn
uiteengezet, is, anders dan in bijvoorbeeld de Tracéwet
en de Wet
op de Ruimtelijke Ordening, niet voorzien in beslistermijnen voor de rechter.
De in dit wetsvoorstel
opgenomen coördinatieregeling voorziet niet in een inhoudelijke
bundeling van de besluiten tot één besluit. Er blijft sprake van
verschillende (deel)besluiten. Dit betekent dat beroepen ook per besluit
moeten worden ingesteld en dat per beroep afzonderlijk griffierecht is
verschuldigd. Wel is het mogelijk dat verschillende beroepen tegen
verschillende besluiten worden vervat in één samenhangend
beroepschrift.
1. Kamerstukken II 1998-1999,
26 343, nr. 3, blz. 10.
rblz.|33|
Artikel I,
onderdeel B
(nieuw artikel 8:4, onderdeel l, Awb)
Overeenkomstig het daartoe
strekkend advies van de Raad van State worden door bestuursorganen te
nemen besluiten inzake het toepassen van de coördinatieregeling
uitgezonderd van bezwaar en beroep. Een dergelijk besluit zal overigens
ook los hiervan op grond van artikel 6:3 Awb
meestal reeds niet voor
bezwaar en beroep vatbaar zijn omdat het een beslissing betreft inzake
de procedure ter voorbereiding van een besluit.
De uitsluiting van bezwaar
en beroep krijgt wetstechnisch vorm door toevoeging van dit besluit aan
de opsomming in artikel 8:4 Awb. Hiertoe wordt een nieuw
onderdeel l ingevoegd, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheid dat
ingevolge artikel I, onderdeel J, van het wetsvoorstel Vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003-2004, 29 702,
nrs. 1-2)
aan artikel 8:4 reeds een onderdeel m wordt toegevoegd, terwijl thans
nog een onderdeel l ontbreekt.
Artikel III (Citeertitel)
Omdat naar deze
wijzigingswet naar verwachting veelvuldig zal worden verwezen, is een
citeertitel opgenomen.
De Minister van Justitie,
(mede namens de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),
E.M.H. Hirsch Ballin