Ingevolge
artikel 69 van de Zorgverzekeringswet
(Zvw) zijn de in het buitenland wonende personen die met toepassing van
de Europese socialezekerheidsverordening (Verordening (EEG) nr.
1408/71; hierna verordening) of een verdrag inzake sociale zekerheid
recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten ervan een bijdrage
verschuldigd. Het gaat om personen met een Nederlands pensioen of rente
en - in voorkomende gevallen - hun gezinsleden (hierna:
verdragsgerechtigden). Om het recht op zorg te kunnen effectueren, dienen
zij zich aan te melden bij het College voor
zorgverzekeringen (CVZ). Het CVZ is belast met de administratie van
deze aanmelding en met de heffing en inning van de bijdrage. Voorts
voorziet artikel 69 Zvw
in de mogelijkheid te bepalen dat de bijdrage door een orgaan dat
pensioen of een rente aan de verdragsgerechtigde uitkeert op dat
pensioen of die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds
wordt afgedragen. Overigens vallen onder het aan de verordening
ontleende begrip "pensioen of rente" ook
arbeidsongeschiktheids- en nabestaandenuitkeringen; voor de leesbaarheid
worden deze pensioenen, renten en uitkeringen in het hiernavolgende met
"pensioen(en)" aangeduid.
Ter
nadere uitvoering zijn in de artikelen
6.3.1 tot en met 6.3.7 van de Regeling
zorgverzekering regels gesteld omtrent de vaststelling en inning van
de bijdrage. De hoofdlijn van de in de Regeling
zorgverzekering neergelegde inhoudingssystematiek is als volgt. De
bijdrage, die is samengesteld uit een procentueel, inkomensafhankelijk
deel en een nominaal deel, wordt zoveel mogelijk ingehouden op het
pensioen. De inhouding vindt maandelijks plaats bij uitbetaling van het
pensioen door het orgaan dat het pensioen uitbetaalt (hierna: de
broninhouder, te weten de Sociale verzekeringsbank (SVB), het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), de pensioenfondsen en de werkgevers die
eigenrisicodrager zijn in de zin van artikel 40
van de Wet financiering sociale verzekeringen).
Het CVZ verstrekt aan de broninhouder de
benodigde gegevens voor de broninhouding, bijvoorbeeld wanneer die moet
worden stopgezet omdat de totaal verschuldigde bijdrage al in de loop
van het jaar is ingehouden.
ls er
een gezinslid dat geen eigen pensioen heeft, wordt het verschuldigde
nominale deel van de bijdrage eveneens op het pensioen van de
pensioengerechtigde ingehouden. Als een pensioen onvoldoende is om de
maandelijkse premie volledig in te houden, kan op eventuele andere
pensioenen het restant worden ingehouden.
Het is mogelijk dat de door de
verdragsgerechtigde verschuldigde bijdrage meer bedraagt dan de door
broninhouders ingehouden bijdrage. Dit kan zich voordoen als het
pensioen niet voldoende is of wanneer er nog andere inkomstenbronnen
zijn uit bijvoorbeeld vermogen. Daarom is in artikel
6.3.3 van de Regeling zorgverzekering
voorzien dat het CVZ het verschil tussen de
ingehouden en verschuldigde bijdrage vaststelt, verrekent, int of
uitkeert. Het CVZ is aldus belast met het vaststellen van de
eindafrekening.
Uitspraken
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Op 25 april 2007
heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(ABRvS)
uitspraak gedaan in een aantal gedingen tussen verdragsgerechtigden en
het CVZ (deze zaken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl).
Het CVZ heeft in zes zaken in een brief van
juni 2006 medegedeeld dat op de verschuldigde bijdrage de woonlandfactor
van het woonland waar de verdragsgerechtigde woont van toepassing is.
Daarnaast heeft het CVZ in tien zaken in een
brief aan de betrokken verdragsgerechtigden medegedeeld dat zij
verdragsgerechtigd zijn, recht hebben op zorg in het woonland en
dientengevolge een bijdrage verschuldigd zijn die op het pensioen zal
worden ingehouden.
In zijn uitspraken heeft de ABRvS beslist dat
de hiervoor aangehaalde brieven niet kunnen worden aangemerkt als een op
rechtsgevolg gerichte beslissing (dat wil zeggen, een beschikking in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), maar dat deze brieven slechts een mededeling van het CVZ bevatten.
Voor het bewerkstelligen van een rechtsgevolg voor betrokkenen is, aldus
de ABRvS, nog nadere besluitvorming noodzakelijk, zoals een besluit tot
inhouding van deze bijdrage dat een dergelijk rechtsgevolg wel
bewerkstelligt. De ABRvS merkt in eerderbedoelde tien uitspraken in een
extra overweging nog op dat betrokkenen tegen een besluit tot inhouding
van een bijdrage op hun pensioen in rechte kunnen opkomen. Voor zover
betrokkenen tegen een besluit tot inhouding van de bijdrage op het
pensioen bij het CVZ bezwaar hebben gemaakt, dient het ter zake bevoegde
orgaan na eventuele doorzending van het bezwaarschrift door het CVZ, een
beslissing te nemen, zo vervolgt de Raad.
Hoewel de Raad dit niet met zoveel woorden uitspreekt, wordt deze extra
overweging in de huidige uitvoeringspraktijk zo uitgelegd dat niet het CVZ,
maar de broninhouders (zelfstandig) bevoegd zijn tot het nemen van
beschikkingen om de verdragsbijdragen op het pensioen in te houden.
Vanuit de gedachte dat de ABRvS, als zij van mening zou zijn geweest dat
het CVZ het ter zake bevoegde orgaan is, dat wel met zoveel woorden zou
hebben uitgesproken, is dat op zich ook een begrijpelijke interpretatie.
Daarbij is overigens onduidelijk of die interpretatie dan ook voor
pensioenfondsen en eigenrisicodragers zou moeten gelden. Alle uitspraken
van de ABRvS betroffen immers zaken waarin de verdragsgerechtigden
klaagden over (eventuele) inhoudingen op publiekrechtelijke uitkeringen,
veelal het door de SVB uitgekeerde ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet (AOW). In twee zaken (LJN BA3741 en LJN BA3754)
speelde daarnaast (eventuele) inhouding op een privaatrechtelijk
pensioen. In BA3741 betrekt de ABRvS in de bedoelde overweging ook dat
pensioen. Dat zou erop zou kunnen duiden dat de Afdeling
van mening is
dat ook de instantie die het desbetreffende invaliditeitspensioen
uitkeert beschikkingen neemt. In BA3754 noemt de ABRvS echter slechts
alleen de AOW-uitkering in de bedoelde overweging.
Past men de uitleg die de uitvoeringspraktijk
aan de uitspraken van de ABRvS geeft op rechtlijnige wijze op
pensioenfondsen en eigenrisicodragers toe, dan zou dat tot de conclusie
leiden dat ook zij zelfstandig inhoudingsbeschikkingen nemen. Daarmee
zouden zij dan voor deze taak zelfstandig bestuursorgaan worden. Zij
zouden dan zelf bezwaren tegen dergelijke inhoudingsbeschikkingen moeten
behandelen en een belanghebbende zou beroep kunnen instellen bij de
bestuursrechter.
Aan de andere kant is niet uitgesloten dat een
rechter beslissingen tot inhouding door pensioenfondsen en
eigenrisicodragers, anders dan inhoudingen door de SVB en het UWV,
niet als beschikkingen, maar als feitelijke handelingen zou zien. Aldus
heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) enkele jaren geleden in een
gelijksoortige zaak tegen inhouding van de nominale premie Ziekenfondswet
op een pensioen besloten (CRvB 8 april 2004, RSV 2004/180) en mede om
die reden is de uitvoeringspraktijk er sinds de uitspraken van de ABRvS van uitgegaan dat men tegen inhoudingen door pensioenfondsen niet bij de
bestuursrechter, maar bij de civiele rechter op moet komen.
Kortom, sinds de uitspraken van de ABRvS van 25 april 2007 gaat de
uitvoeringspraktijk ervan uit dat de SVB en het UWV
zelfstandig inhoudingsbeschikkingen nemen, waartegen na bezwaar bij de
SVB en het UWV beroep bij de bestuursrechter mogelijk is, terwijl men er
- mede vanwege de uitspraak van de CRvB van 8 april 2004
- van
uitgaat dat de rechtsbescherming tegen inhoudingen door pensioenfondsen
en eigenrisicodragers civielrechtelijk is.
Zoals in de volgende paragraaf uiteen wordt gezet, heeft de wetgever
echter nooit bedoeld dat broninhouders zelfstandig beschikkingen nemen.
Dat leidt namelijk tot ongewenste gevolgen.
Consequenties
van deze uitspraken
Uit de systematiek
van de Zvw en de Regeling zorgverzekering
zoals hierboven is
uiteengezet, blijkt dat het CVZ
(eind)verantwoordelijk is voor de heffing en inhouding van de bijdrage
van verdragsgerechtigden. Een beslissing van het CVZ ter zake van die
eindafrekening - waarbij het CVZ kan besluiten tot teruggave van te veel betaalde bijdrage, een nadere heffing of verrekening
- is in de visie van de wetgever een op rechtsgevolg gerichte beslissing.
Vanuit deze gedachte heeft de wetgever eveneens
geredeneerd dat een aan de eindbeschikking van het CVZ voorafgaande
inhouding op het pensioen, die slechts geschiedt indien het CVZ de
broninhouder daartoe de benodigde gegevens heeft verschaft, onder
verantwoordelijkheid van het CVZ geschiedt. In de visie van de wetgever
is het dan ook het CVZ dat bevoegd is om een besluit te nemen ter zake
van deze inhouding (neemt een broninhouder beschikkingen, dan zou hij
dat in mandaat van het CVZ moeten doen) en in een rechtsgeschil een
standpunt in te nemen en te verdedigen.
De ABRvS
lijkt echter een andere mening te zijn toegedaan. Zijn uitspraken
tenderen er meer naar dat verdragsgerechtigden niet bij het CVZ,
doch bij het orgaan dat de bijdrage feitelijk inhoudt in rechte op
dienen te komen tegen de inhouding van de bijdrage. Het gevolg van een
dergelijke zienswijze is dat iedere instantie die op het pensioen een
bijdrage inhoudt bevoegd is ter zake een besluit te nemen en in bezwaar-
en rechterlijke procedures een standpunt ter zake van die
inhouding kan innemen. Dit is echter niet de bedoeling geweest van de
wetgever. De wetgever heeft beoogd dat het CVZ bij uitsluiting bevoegd
zou zijn.
De
mogelijke consequentie van de uitspraken van de ABRvS
is in meerdere
opzichten onwenselijk.
- Allereerst vloeit uit de
uitspraken voort dat er in juridische procedures met betrekking tot de
inhouding van de bijdrage die verdragsgerechtigden op grond van artikel
69 Zvw verschuldigd zijn een veelheid van
broninhouders bevoegd is. Hierbij gaat het niet alleen om de SVB
en het UWV, maar ook om enkele honderden ondernemings-,
beroeps- en bedrijfstakpensioenfondsen en om werkgevers die
eigenrisicodrager zijn.
- Afhankelijk van de broninhouder
zijn er mogelijk verschillende rechtsgangen aangewezen. Tegen
beslissingen van het CVZ (in casu de
eindafrekening) en van de SVB en het UWV staat een rechtsgang open bij
de bestuursrechter. De rechtmatigheid van inhoudingen door
pensioenfondsen en eigenrisicodragers daarentegen moet, afhankelijk van
het antwoord op de vraag of aan dergelijke inhoudingen een beschikking
voorafgaat, worden voorgelegd aan de bestuursrechter (indien dit het
geval is) of aan de civiele rechter (indien dit niet het geval is).
- De mogelijkheid geschillen voor
te leggen aan diverse rechters kan leiden tot gerechtelijke uitspraken
die niet met elkaar overeenstemmen. Ook bestaat het gevaar dat er voor
de rechter door de verschillende instanties verschillende standpunten
worden ingenomen over de rechtmatigheid van de inhouding.
- Het is uit een oogpunt van
belasting van de rechterlijke macht onwenselijk dat verschillende
rechters zich buigen over dezelfde rechtsvraag.
- Ten slotte is deze diversiteit
aan rechtsgangen voor de burger onduidelijk en leiden de verschillende
beroepsgangen tot (onnodige) extra administratieve lasten (zie hierna).
In
zijn uitvoeringstoets van 3 augustus 2007 verwijst het CVZ
naar een gezamenlijke brief van de Vereniging van
Bedrijfstakpensioenfondsen, de Unie van Beroepspensioenen en de
Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen van 3 juli 2007. Hierin geven
de koepels aan dat zij zich in hun verweer in juridische procedures
mogelijk niet uitsluitend kunnen beroepen op artikel
69 Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving
ter zake van de inhouding. Ook bestaat bij pensioenfondsen geen
draagvlak om procedures te voeren tegen rechthebbenden op een pensioen;
zij zijn van oordeel dat broninhouders gevrijwaard zouden moeten zijn
van dergelijke procedures tegen hun "klanten". In de opvatting
van pensioenfondsen voeren broninhouders slechts de wet uit. Een
eventueel geschil met pensioengerechtigden over de inhouding kan daarom
niet worden veroorzaakt door de beleidsvrijheid van de broninhouder.
Noodzaak
van de wijziging van de rechtsgang inzake broninhouding
De regering hecht
allereerst aan een eenduidige en transparante rechtsgang voor de burger.
Op grond van de uitspraken van de ABRvS kan de situatie zijn
ontstaan
dat het antwoord op de vraag welke instantie verantwoordelijk is voor de
inhouding op het pensioen afhangt van de vraag of er toevalligerwijze
naast een wettelijk pensioen of uitkering van de SVB
of het UWV
nog een aanvullende pensioenvoorziening bestaat. Een dergelijke
onduidelijkheid acht de regering ongewenst. Verder hecht de regering aan
eenduidige besluitvorming ter zake van de mogelijkheid een bijdrage in
te houden en de wijze waarop de bijdrage wordt vastgesteld. De huidige
situatie draagt het risico in zich van niet-eenduidige besluitvorming.
Dit kan veroorzaakt worden doordat de broninhouder ter zake van de
inhouding van de bijdrage een ander standpunt inneemt dan het CVZ
- die dit vervolgens bij de eindafrekening corrigeert - maar dit
kan, zoals hierboven aangegeven, ook veroorzaakt worden doordat de
verschillende rechtscolleges hierover uiteenlopende beslissingen nemen.
Voorts hecht de regering aan een laagdrempelige rechtsgang. Indien de
broninhouder een pensioenfonds is, is de verdragsgerechtigde aangewezen
op de rechtsgang bij de civiele rechter. Daardoor zullen diens
proceskosten aanmerkelijk hoger zijn dan degene die beroep bij de
bestuursrechter kan indienen. Ook is de procesrol enpositie [lees:
procesrol en -positie, red.] van de
verdragsgerechtigde anders dan bij de bestuursrechter.
Gezien de hiervoor genoemde redenen acht de regering het noodzakelijk te
voorzien in een wetswijziging die een eenduidige rechtsgang
bewerkstelligt. Hiertoe wordt in voorliggend wetsvoorstel expliciet
geregeld wat altijd al de bedoeling van artikel
69 van de Zvw is geweest, te weten dat de
beslissing tot heffing en inning van de bijdrage een beschikking van
het CVZ is. Tegelijkertijd wordt geregeld
dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat organen die
pensioen of rente uitkeren (hiermee worden voornamelijk de SVB, het UWV
en de pensioenfondsen bedoeld) in opdracht van het CVZ werkzaamheden
verrichten ter voorbereiding of uitvoering van deze heffings- en
inningsbeschikkingen van het CVZ, waarbij kan worden bepaald dat die
organen de bijdragen, bedoeld in het tweede lid, op het pensioen of de
rente inhouden en aan het Zorgverzekeringsfonds afdragen.
In
overleg met het CVZ zal nagegaan worden
welke voorbereidings- en uitvoeringshandelingen in welke gevallen
precies aan de SVB, het UWV en de
pensioenfondsen zullen worden opgedragen. Mede omdat in casu niet alleen
de uitvoering, maar ook de voorbereiding van de inhouding door de
broninhouders plaatsvindt - het CVZ meldt een broninhouder wel dat en
vanaf wanneer moet worden ingehouden, maar heeft vooraf geen inzicht in
het in te houden bedrag - ligt het in de rede dat het CVZ de betrokken
organen ook mandateert tot het, namens hem, nemen van beschikkingen
inzake de heffing van de bijdragen. Zou het CVZ dat niet doen (of zou,
bijvoorbeeld, een pensioenfonds het mandaat niet accepteren), dan zou
dat immers betekenen dat het pensioenfonds een beschikking voorbereidt,
deze aan het CVZ stuurt opdat deze de beschikking kan nemen, waarna het
CVZ de eenmaal genomen beschikking weer terug zou moeten zenden zodat
deze kan worden uitgevoerd. Dat zou leiden tot een tijdrovende "voorlegprocedure",
die door de wetgever niet is beoogd.
De
nu expliciet in artikel 69 Zvw
geregelde uitvoeringsconstructie is overigens voor de Zvw
niet nieuw. Ook artikel 96 Zvw
kent deze constructie: de voorbereidings- en uitvoeringshandelingen bij
een beschikking tot het opleggen van een boete wegens te laat
verzekeren, worden door het CVZ aan de
zorgverzekeraars opgedragen, waarbij het CVZ - in dit geval - de
zorgverzekeraars ook gemandateerd heeft tot het nemen van
boetebeschikkingen.
Het CVZ blijft in beide gevallen echter de
verantwoordelijke instantie. Dat betekent dat bezwaar aangetekend moet
worden bij het CVZ, dat beroep plaatsvindt bij de rechtbank en hoger
beroep bij de CRvB. Aldus wordt voorzien in één rechtsgang in geval
van bezwaar tegen de opgelegde bijdrage.
Tegelijk met de inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel zal paragraaf
6.3 van de Regeling zorgverzekering zo
gewijzigd worden dat ook daarin duidelijk geregeld zal zijn dat het het
CVZ is dat verantwoordelijk is voor de
heffing en inning van de verdragsbijdragen en dat de broninhouders
slechts inhouden in opdracht (waaronder mandaat) van het CVZ.
Overgangsrecht
Vanaf het moment
waarop voorliggend wetsvoorstel in werking treedt, zal duidelijk zijn
geregeld dat inhoudingsbeschikkingen beschikkingen van het CVZ
zijn, waartegen bezwaar bij het CVZ, beroep bij de rechtbank
en hoger
beroep bij de CRvB openstaat.
Voor tot dat moment genomen inhoudingsbeschikkingen of verrichte
inhoudingen is overgangsrecht getroffen. Zij worden vanaf de datum van
inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel beschikkingen van het CVZ.
Net als voor na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel genomen
inhoudingsbeschikkingen zal gelden, staat daartegen bezwaar bij het CVZ
en beroep bij de bestuursrechter open (eerste aanleg: rechtbank; hoger
beroep: CRvB).
Is op de dag waarop voorliggend wetsvoorstel in
werking treedt reeds bezwaar gemaakt tegen een inhoudingsbeschikking van
de SVB, het UWV of
- indien hier althans
sprake zou zijn van beschikkingen - van een pensioenfonds of een
eigenrisicodrager, dan wordt het bezwaar door hen naar het CVZ ter
afdoening doorgezonden indien daarop nog niet is beslist. Is wel op
bezwaar beslist, dan geldt de beslissing op bezwaar als een beslissing
op bezwaar, genomen door het CVZ.
Uit
het voorgaande zal duidelijk zijn geworden dat niet duidelijk is of bij
inhoudingen door een pensioenfonds of een eigenrisicodrager nu de
bestuursrechtelijke of de civielrechtelijke rechtsbescherming geldt.
Voor het geval het de civielrechtelijke zou zijn, geldt zonder nadere
regelgeving dat verdragsgerechtigden nog vijf jaar na iedere inhouding -
althans iedere vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
verrichte inhouding - een zaak bij
de civiele rechter zouden kunnen aanspannen. Om dit te voorkomen, is
geregeld dat zij in plaats van het aanspannen van een civiele procedure
gedurende dertien weken na het inwerking treden van deze wet bezwaar
kunnen indienen bij het CVZ. De
verdragsgerechtigden worden van deze mogelijkheid door het CVZ
schriftelijk op de hoogte gesteld.
Indien de verdragsgerechtigde reeds een
procedure is gestart bij de civiele rechter (en deze zich bevoegd zou
achten), acht de regering het onwenselijk om in dat geval ineens de
bevoegdheid aan de rechter te ontnemen. Deze zaken zullen door de
desbetreffende rechterlijke instantie worden afgehandeld. Het CVZ zal de
pensioenfondsen en de eigenrisicodragers aanbieden om zich in de zaak te
voegen dan wel om hen van verweerstukken te voorzien en mogelijk ook
andere diensten te verrichten om hen werk uit handen te nemen.
De verdragsgerechtigde die een rechtsgeding bij
de civiele rechter is begonnen, is natuurlijk wel zelf bevoegd om de
zaak in te trekken en bezwaar in te dienen bij het CVZ. Hiervoor geldt
een termijn van dertien weken na het inwerkingtreden van dit
wetsvoorstel.
Administratieve
lasten
Als gevolg van de
uitspraken van de ABRvS van 25 april 2007 zien broninhouders zich
geconfronteerd met de mogelijkheid dat zij betrokken worden in
juridische procedures over de inhouding van de bijdrage op uit te keren
pensioenen. Voor de SVB en een aantal pensioenfondsen is die
mogelijkheid al de realiteit. In zijn uitvoeringstoets geeft het CVZ
aan dat er begin augustus 2007 bij de particuliere pensioenfondsen en
levensverzekeraars sprake was van circa 125 zaken. De SVB heeft al ruim
tweeduizend bezwaarprocedures lopen. De conclusie is derhalve
gerechtvaardigd dat er sprake is van een verzwaring van de
administratieve lasten voor deze broninhouders als gevolg van deze
uitspraak. De wijziging van de Zvw waarin het
onderhavige wetsvoorstel voorziet, beoogt deze verzwaring teniet te
doen. De broninhouders kunnen - zoals bij de invoering van de Zvw was
beoogd - gewoon op de huidige voet doorgaan met het inhouden en
afdragen van de bijdragen en worden niet betrokken in bezwaar- en
beroepsprocedures inzake de inhouding van de bijdrage.
Artikelsgewijs
Artikel
I
Voorliggend
wetsvoorstel voorziet allereerst in een verduidelijking van artikel
69, vierde lid, in die zin dat in dat artikel expliciet wordt
opgenomen dat het CVZ belast is met het
nemen van beschikkingen inzake de heffing en de inning van de
verdragsbijdrage.
Vervolgens wordt voorgesteld onderdeel a van het zevende lid van artikel
69 Zvw te vervangen door een nieuw
onderdeel, waarin wordt aangegeven dat bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat organen die pensioenen of rente uitkeren, in opdracht
van het CVZ werkzaamheden in het kader van
de voorbereiding en uitvoering van de (beschikkingen tot) heffing en
inning van de verdragsbijdragen nemen [lees: verrichten, red.]. Hieronder valt in ieder geval de
broninhouding.
Met
de wijzigingen van het vierde en het zevende lid wordt expliciet
aangegeven dat het inhouden van de bijdrage een beschikking is van het CVZ en niet van de broninhouders.
Indien een verdragsgerechtigde het niet eens is met deze beschikking,
staat bezwaar open bij het CVZ en beroep bij de afdeling
bestuursrechtspraak van de rechtbank. In het geval dat een
verdragsgerechtigde hoger beroep wil instellen, is de CRvB
aangewezen
als het bevoegde rechtscollege (zie onderdeel
C van de bijlage bij de Beroepswet).
Artikel
II
Eerste lid
In artikel
II is het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid wordt geregeld
dat op het moment dat dit wetsvoorstel in werking
treedt, beslissingen
tot het heffen of innen van bijdragen die vóór het tijdstip van het
inwerkingtreden van deze wet al zijn ingehouden, als beschikking van het
CVZ worden aangemerkt. Deze bepaling werkt
terug tot het moment van de inwerkingtreding van de Zvw
op 1 januari 2006.
Deze overgangsbepaling heeft tot gevolg dat indien er bezwaar mogelijk
was bij een ander bestuursorgaan dan het CVZ
- te weten in ieder geval bij de SVB
of het UWV - het bezwaar nu moet worden ingediend bij het CVZ. Dit is voor
inhoudingen door de SVB en het UWV alleen relevant voor besluiten die
minder dan zes weken vóór de inwerkingtreding van deze wet
zijn genomen.
Voor alle andere besluiten is de termijn om bezwaar in te dienen
ingevolge de Awb reeds verstreken.
Ook
(een beslissing tot) inhouding van een pensioeninstantie of door een
eigenrisicodrager geldt ingevolge het eerste lid van artikel
II als een beschikking van het CVZ. Op
grond van het derde lid kan tegen een inhouding die tussen 1 januari
2006 en de inwerkingtreding van deze wet is
verricht nog tot dertien
weken na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel bezwaar bij het
CVZ worden aangetekend.
Tweede lid
Het
tweede lid regelt de situatie voor de gevallen waarin de verdragsgerechtigde vóór de inwerkingtreding van deze wet reeds bezwaar of
beroep heeft ingesteld.
Onderdeel
a
Als
de verdragsgerechtigde reeds bezwaar heeft ingediend bij de bevoegde
broninhouder (de SVB of het UWV, maar ook is
mogelijk dat bezwaar is ingediend bij een pensioenfonds of een
werkgever) en nog niet op dat bezwaar is besloten, vervalt op grond van
het eerste lid de bevoegdheid voor die broninhouder om te beslissen op
het bezwaar. Op grond van het voorgestelde eerste lid van artikel
II wordt de beslissing namelijk aangemerkt als een beslissing van
het CVZ. Het is onwenselijk dat de
verdragsgerechtigde die al bezwaar heeft ingediend bij de op dat moment
bevoegde instantie opnieuw bezwaar zou moeten indienen bij het CVZ. Om
deze reden is in het voorgestelde tweede lid, onderdeel a, artikel
6:15 van de Awb van overeenkomstige
toepassing verklaard. Het bestuursorgaan dat vóór inwerkingtreding van
deze wet bevoegd was, maar door het in werking treden van de wet dat
niet meer is, zendt het bezwaar door aan het CVZ. Het CVZ neemt de
beslissing op bezwaar.
Onderdeel
b
Indien een vóór het inwerkingtreden van deze wet
bevoegde broninhouder
reeds een beslissing op bezwaar heeft genomen, geldt deze beslissing op
bezwaar op grond van het voorgestelde artikel II,
tweede lid, onderdeel b, als een beslissing op bezwaar van het CVZ.
Indien de verdragsgerechtigde tegen de beslissing in beroep gaat bij de
rechtbank, is het CVZ bevoegd om in rechte op te treden. Aldus wordt
bereikt dat het verweer bij de rechter weer door één instantie - te
weten het CVZ - wordt gevoerd, in plaats van door de SVB, het UWV
of het CVZ (en mogelijk ook door het pensioenfonds of de
eigenrisicodrager).
Derde lid
Indien (de beslissing tot) inhouding door een pensioenfonds of een
eigenrisicodrager moet worden aangemerkt als privaatrechtelijke
beslissing of een feitelijke handeling, zou zonder overgangsrecht een
verjaringstermijn van vijf jaar gelden. Dit houdt in dat de
verdragsgerechtigde nog tot vijf jaar na het inhouden van de bijdrage
naar de civiele rechter zou kunnen gaan om de ingehouden bijdrage terug
te vorderen.
Het
overgangsrecht van het eerste lid van artikel II
zou de termijn om tegen een inhouding(sbeslissing) op te komen zonder
nader overgangsrecht vervolgens ernstig bekorten en meestal zelfs tot
nul reduceren. Het eerste lid leidt er immers toe dat (beslissingen tot)
inhouding door een pensioenfonds of een eigenrisicodrager, genomen vóór
de datum van inwerkingtreding van voorliggend
wetsvoorstel, gelden als
beschikkingen van het CVZ. Tegen
beschikkingen van het CVZ kan gedurende zes weken bezwaar worden gemaakt
(artikel 6:7 Awb).
Zou een (beslissing tot) inhouding meer dan zes weken vóór de
inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel zijn genomen, dan zou
daartegen zonder nader overgangsrecht geen bezwaar meer openstaan.
Niet is echter uitgesloten dat er verdragsgerechtigden zijn die nog van
plan waren om naar de civiele rechter te gaan, teneinde de
rechtmatigheid van de inhouding door hun pensioenfonds of
eigenrisicodrager aan te vechten. Hiervoor zouden zij, zonder het eerste
lid en mits de (beslissing tot) inhouding niet als beschikking zou
worden gezien, vijf jaar de tijd hebben gehad. Het is onwenselijk deze
mensen de mogelijkheid om tegen in het verleden liggende (beslissingen
tot) inhouding op te komen te ontnemen. Daarom maakt het wetsvoorstel
het voor deze gevallen mogelijk om tot dertien weken na het in werking
treden van deze wet alsnog bezwaar tegen in het verleden gelegen
(beslissingen tot) inhoudingen in te dienen bij het CVZ.
In feite komt het erop neer dat tegen deze inhoudingen de
bestuursrechtelijke rechtsgang wordt opengesteld als ware deze
inhoudingen beschikkingen van het CVZ, maar dan met een bezwaartermijn
van dertien weken, te rekenen vanaf de inwerkingtredingsdatum van
voorliggend wetsvoorstel. De groep verdragsgerechtigden op wie dit
betrekking heeft, zal tijdig, schriftelijk, door het CVZ op de hoogte
worden gesteld van deze mogelijkheid.
Vierde lid
In
het vierde lid is een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van het
eerste lid. Deze uitzondering geldt voor de situatie dat een
verdragsgerechtigde tegen het inhouden van de bijdrage reeds een
vordering heeft ingediend bij de civiele rechter op het moment dat deze wet
in werking is getreden. In dit geval zal het geschil worden
afgehandeld bij de instantie waar de rechtsgang is ingezet. Abstraherend
van de vraag of de civiele rechter in deze gevallen zonder bepaling
bevoegd zou zijn geweest, is in het vierde lid geregeld dat hij bevoegd
is om de zaak te behandelen. Zoals ook reeds in het algemene deel van
deze toelichting is aangegeven, zal het CVZ
de pensioenfondsen en eigenrisicodragers aanbieden zich in de zaak te
voegen, opdat het CVZ zelf verweer kan voeren, dan wel hen werk uit
handen te nemen door het betrokken pensioenfonds dan wel de betrokken
eigenrisicodrager bijvoorbeeld van verweerstukken te voorzien.
Het
is overigens wel mogelijk dat de verdragsgerechtigde die een
civielrechtelijke procedure is begonnen zelf besluit om de procedure
bij deze rechter in te trekken en in plaats daarvan bezwaar in te
dienen bij het CVZ. Dat kan op grond van het
voorgestelde artikel II, derde lid, tot
dertien weken na het in werking treden van dit
wetsvoorstel.
Het
vierde lid kan zich beperken tot de situatie waarin een geschil
aanhangig is gemaakt bij de civiele rechter. Immers, een beroep na een
beslissing op bezwaar van de SVB of het UWV
vindt plaats bij de rechtbank, en hoger beroep bij de
CRvB. Daarmee
geldt in de bestuursrechtelijke sfeer dezelfde rechtsgang als tegen
beschikkingen van het CVZ. Als gevolg van
het voorgestelde eerste lid van artikel II
en tweede lid, onderdeel b, zal een belanghebbende bij de bestuurlijke
rechter [lees: bestuursrechter, red.] vanaf de datum waarop voorliggend wetsvoorstel in werking
treedt wel het CVZ in plaats van de SVB of het UWV tegenover zich
vinden.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink