|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2005-2006, 2006-2007,
30 650.
Handelingen II 2006-2007, blz. 783-804, 1439-1441
Kamerstukken I 2006-2007, 2007-2008, 30 650 (A, B, C, D, E, F, G, H).
Handelingen I 2006-2007, blz. 482-488.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 10 juli 2008, Stb.
2008, 284, tot wijziging van de Wet werk en
bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen om gemeenten meer zekerheid te
geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het
arbeidsproces met behoud van uitkering gedurende maximaal twee jaar
onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten.
Inwerkingtreding: 18 juli 2008 (Stb. 2008,
285).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om gemeenten meer zekerheid te
geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het
arbeidsproces ten gevolge van persoonlijke werkbelemmeringen, die een
uitkering ontvangen op grond van de Wet werk en
bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, voor een langere periode met behoud van uitkering
onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten waardoor hun kans
op inschakeling in het arbeidsproces wordt vergroot;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I. Wet werk en bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt
gewijzigd:
1. In artikel 7
wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en
zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt
voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet
sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het
verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als
bedoeld in de artikelen 2 en 7
van die wet.
2. Aan paragraaf
2.1 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Art. 10a. Participatieplaatsen
-1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, degene die algemene bijstand ontvangt en
voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die
daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.
[MvT]
-2. Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden
primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die
onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet
worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. [MvT]
-3. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden
werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten indien er naar het
oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking
bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of
grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die zes maanden. [MvT]
-4. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden
werkzaamheden, verricht vóór 1 januari 2007, buiten beschouwing
gelaten.
-5. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid
additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een
periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of het
verrichten van die werkzaamheden een adequate voorziening is, dan wel of
een andere voorziening op grond van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, de voorkeur heeft. Indien een andere
voorziening op grond van artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, naar het oordeel van het college de voorkeur
heeft, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf
maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd en aansluitend die
andere voorziening op grond van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, aangeboden.
-6. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid
additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college uiterlijk
drie maanden vóór afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het
eerste lid, of, met het oog op de arbeidsinschakeling, een andere
voorziening op grond van artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, meer adequaat is. Indien dat niet het geval is,
kan het college de termijn van twee jaar verlengen met één jaar, onder
de voorwaarde dat de belanghebbende in het derde jaar in een andere
omgeving andere additionele werkzaamheden verricht dan die hij in de
eerste twee jaar heeft verricht.
-7. Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het zesde
lid, beoordeelt het college uiterlijk drie maanden vóór afloop van het
derde jaar of, met het oog op de arbeidsinschakeling, een andere
voorziening op grond van artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, meer adequaat is. Indien dat niet het geval is,
kan het college de termijn nogmaals verlengen met één jaar.
Art.
II. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers [MvT]
Artikel 38 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers komt te luiden:
Art. 38.
-1. Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van artikel
34, eerste lid, onderdeel a, degene die uitkering op grond
van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het
arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is
op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten gedurende maximaal twee jaar.
-2. Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden
primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die
onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders in het kader
van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
-3. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden
werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als
bedoeld in artikel 34, eerste lid,
onderdeel a, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten
indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht is op een
dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van
dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die
zes maanden.
-4. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden
werkzaamheden, verricht vóór 1 januari 2007, buiten beschouwing
gelaten.
-5. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid
additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een
periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of het
verrichten van die werkzaamheden een adequate voorziening is, dan wel of
een andere voorziening op grond van artikel 34,
eerste lid, onderdeel a, de voorkeur heeft. Indien een andere
voorziening op grond van artikel 34, eerste
lid, onderdeel a, naar het oordeel van het college de voorkeur
heeft, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf
maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd en aansluitend die
andere voorziening op grond van artikel 34,
eerste lid, onderdeel a, aangeboden.
-6. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid
additionele werkzaamheden verricht, beoordelen burgemeester en
wethouders uiterlijk drie maanden vóór afloop van de termijn van twee
jaar, bedoeld in het eerste lid, of, met het oog op de
arbeidsinschakeling, een andere voorziening op grond van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, meer adequaat is. Indien dat niet
het geval is, kunnen burgemeester en wethouders de termijn van twee jaar
verlengen met één jaar, onder de voorwaarde dat de belanghebbende in
het derde jaar in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden
verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht.
-7. Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het zesde
lid, beoordelen burgemeester en wethouders uiterlijk drie maanden vóór
afloop van het derde jaar of, met het oog op de arbeidsinschakeling, een
andere voorziening op grond van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, meer adequaat is. Indien dat niet het
geval is, kunnen burgemeester en wethouders de termijn nogmaals
verlengen met één jaar.
Art.
III. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen [MvT]
Artikel 38 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen komt te luiden:
Art. 38.
-1. Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van artikel
34, eerste lid, onderdeel a, degene die uitkering op grond
van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het
arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is
op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten gedurende maximaal twee jaar.
-2. Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden
primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die
onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders in het kader
van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
-3. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden
werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als
bedoeld in artikel 34, eerste lid,
onderdeel a, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten
indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht is op een
dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van
dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die
zes maanden.
-4. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden
werkzaamheden, verricht vóór 1 januari 2007, buiten beschouwing
gelaten.
-5. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid
additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een
periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of het
verrichten van die werkzaamheden een adequate voorziening is, dan wel of
een andere voorziening op grond van artikel 34,
eerste lid, onderdeel a, de voorkeur heeft. Indien een andere
voorziening op grond van artikel 34, eerste
lid, onderdeel a, naar het oordeel van het college de voorkeur
heeft, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf
maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd en aansluitend die
andere voorziening op grond van artikel 34,
eerste lid, onderdeel a, aangeboden.
-6. Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid
additionele werkzaamheden verricht, beoordelen burgemeester en
wethouders uiterlijk drie maanden vóór afloop van de termijn van twee
jaar, bedoeld in het eerste lid, of, met het oog op de
arbeidsinschakeling, een andere voorziening op grond van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, meer adequaat is. Indien dat niet
het geval is, kunnen burgemeester en wethouders de termijn van twee jaar
verlengen met één jaar, onder de voorwaarde dat de belanghebbende in
het derde jaar in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden
verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht.
-7. Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het zesde
lid, beoordelen burgemeester en wethouders uiterlijk drie maanden vóór
afloop van het derde jaar of, met het oog op de arbeidsinschakeling, een
andere voorziening op grond van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, meer adequaat is. Indien dat niet het
geval is, kunnen burgemeester en wethouders de termijn nogmaals
verlengen met één jaar.
Art.
IV. Evaluatie
-1. Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
-2. Indien het verslag, bedoeld in het
eerste lid, niet binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal is gezonden en de termijnen, bedoeld in de
artikelen 10a van de Wet
werk en bijstand, 38 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en 38 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen reeds zijn verstreken, kan het college van
burgemeester en wethouders die termijnen verlengen tot een halfjaar
nadat de Staten-Generaal het verslag heeft ontvangen.
Art.
V. Inwerkingtreding [MvT]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 10 juli 2008, Stb. 2008, 285, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 18 juli 2008, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 10
juli 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
Uitgegeven de zeventiende
juli 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|