|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2005-2006, 30 650
Wijziging
van de Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen om gemeenten
meer zekerheid te geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling
in het arbeidsproces met behoud van uitkering gedurende maximaal twee
jaar onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Keuze juridische
vormgeving |
| 3 |
Doelgroep en
indicatiestelling |
| 4 |
Inhoud terugkeerbanen |
| 5 |
Begeleiding |
| 6 |
Duur |
| 7 |
Beloning en
financiering |
| 8 |
Commentaren |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Aanleiding
De
Raad voor werk en inkomen (RWI) heeft op 19 april 2005 het voorstel
"Omdat iedereen nodig is" uitgebracht met aanbevelingen voor de aanpak
van de problematiek aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In dat
voorstel wordt uitgegaan van de zogenaamde "ladderbenadering". Kern
daarvan is dat de
individuele afstand tot de arbeidsmarkt leidend is voor de soort dienstverlening
die wordt aangeboden. In datzelfde voorstel stelt de Raad dat gemeenten
behoefte hebben aan een extra instrument, de "participatiebaan",
voor het - voor wat betreft de inschakeling op de arbeidsmarkt - moeilijkste deel van hun bijstandsbestand.
De regering is het met de
RWI eens dat aandacht voor bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot
de arbeidsmarkt belangrijk is en dat ook mensen die nog (lang)
niet klaar zijn voor een reguliere arbeidsplaats perspectief dient te
worden geboden. Daarbij is geconstateerd dat de huidige wettelijke kaders
onvoldoende zekerheid bieden voor gemeenten om deze mensen optimaal
te kunnen helpen en veel gemeenten huiverig zijn om
uitkeringsgerechtigden gedurende langere periode te laten werken met behoud van
uitkering. Met het thans voorliggende wetsvoorstel wil de regering mogelijke
angst van gemeenten wegnemen dat de rechter zal oordelen dat
er sprake is van een arbeidsovereenkomst door gemeenten meer zekerheid
te geven dat uitkeringsgerechtigden onder bepaalde voorwaarden
gedurende langere perioden werkzaamheden kunnen verrichten met
behoud van uitkering. Uitgangspunt daarbij is dat recht wordt gedaan aan de
beleidsvrijheid die gemeenten met de Wet werk en bijstand
(Wwb)
hebben gekregen als het gaat om reïntegratie. Dit betekent concreet dat de
invulling van de doelgroep, indicatiestelling en inhoud en omvang van de
werkzaamheden de verantwoordelijkheid is van de gemeenten. Op deze
manier worden gemeenten in staat gesteld dit rblz.|2|
instrument een plaats te
geven binnen hun reïntegratievoorzieningen en zo optimaal maatwerk te
bieden.
2. Keuze juridische
vormgeving
In het RWI-voorstel zijn
twee vormen van "participatiebanen" gepresenteerd,
namelijk werken met
behoud van uitkering en het inzetten van de uitkering als
loon(kosten)subsidie. In het tweede geval wordt een formele arbeidsrelatie aangegaan
met de gemeente of met een (tussen)werkgever en dient er gewerkt te worden tegen het
wettelijk minimumloon naar rato
van de arbeidsduur.
Uitgangspunten van het instrument (conform het RWI-voorstel) waarmee
rekening is gehouden bij de juridische vormgeving zijn met name het tijdelijk karakter en de restrictie dat de beloning
niet meer bedraagt dan de
uitkering (plus een eventuele stimuleringspremie).
De variant waarbij er
sprake is van een arbeidsovereenkomst heeft een aantal consequenties
die zich niet goed verhouden tot de uitgangspunten van het instrument. Om
dit probleem te ondervangen, zou in een aparte wet geregeld
moeten worden dat aan een participatiebaan in de vorm van een arbeidsovereenkomst bepaalde consequenties niet zijn
verbonden die normaal wel
aan een dienstbetrekking zijn verbonden. Daarnaast zou ten aanzien
van het loon geregeld moeten worden dat de gemeente
als
subsidievoorwaarde stelt dat het netto-inkomen van de betrokkene in beginsel
niet hoger is dan de netto-uitkering (wil althans niet hetzelfde probleem
ontstaan van de ID-banen [in- en doorstroombanen als bedoeld in het Besluit
in- en doorstroombanen, red.], namelijk een te geringe uitstroomprikkel).
Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het wettelijk minimumloon. Dat heeft tot gevolg dat het aantal werkuren
zodanig moet worden
bepaald dat per maand niet meer aan inkomen verdiend wordt dan de
uitkering die betrokkene zou hebben gehad als hij/zij de arbeidsovereenkomst niet zou zijn aangegaan. De berekening van
dat aantal werkuren is
buitengewoon ingewikkeld doordat allerlei fiscale regelingen en
inkomensafhankelijke regelingen wél van toepassing zijn op personen met recht op een
uitkering en niet op personen met een inkomen uit arbeid of
juist niet van toepassing zijn op personen met recht op een uitkering en wel
op personen met een inkomen uit arbeid. Verder zullen de loonkosten voor
de werkgever hoger zijn dan de netto-uitkering. Dit komt omdat de werkgever een brutoloon moet betalen en werkgeverslasten
heeft. Van deze
werkgeverslasten kan op een aantal punten niet per wet worden afgeweken.
Waar wettelijke uitzonderingen niet mogelijk zijn (fiscale wetgeving, Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, pensioenen en eventueel
Werkloosheidswet en Ziektewet), zijn fikse administratieve
c.q. financiële lasten
voor gemeenten en bedrijven de consequentie om te regelen dat de
participatiebanen voldoen aan de gestelde eisen.¹ Daarom is besloten om van
deze variant af te zien.
1. Een uitgebreide
uiteenzetting van de afwegingen ten aanzien van de
juridische vormgeving is te vinden in
Kamerstukken II 2005-2006, 29 544, nr. 42.
De variant werken met
behoud van uitkering (in het vervolg terugkeerbaan genoemd) is daarentegen
uitvoeringstechnisch eenvoudig en vergt weinig wettelijke
aanpassingen. Het is binnen de Wwb, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz) al mogelijk om uitkeringsgerechtigden te laten werken met
behoud van uitkering. Op dit moment is echter
onduidelijk in hoeverre de rechter de duur van het werken met behoud van
uitkering meeweegt in zijn oordeel of er sprake is van een
arbeidsovereenkomst. Dienaangaande is nog geen jurisprudentie bekend. Door de
voorgestelde aanpassing van de Wwb, Ioaw en Ioaz wordt vermeden dat bij
het verrichten van werkzaamheden, zolang voldaan wordt aan de
voorwaarden zoals opgenomen in het eerste juncto vierde lid van de
voorgestelde artikelen 10a van de Wwb
en 38 van de rblz.|3|
Ioaw
en Ioaz, sprake is
van een arbeidsovereenkomst. De regering is van mening dat deze
variant de voorkeur geniet.
3. Doelgroep en
indicatiestelling
De terugkeerbanen zijn
specifiek bedoeld voor uitkeringsgerechtigden met een kleine kans op
inschakeling in het arbeidsproces tengevolge van persoonlijke
werkbelemmeringen en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de
arbeidsmarkt. Voor de rest van de inactieven die onder de
verantwoordelijkheid van de gemeente vallen, hebben gemeenten andere
(reïntegratie-)instrumenten die meer geëigend zijn om hen te reïntegreren. Het doel
van de terugkeerbanen is om betrokkene dichter bij de arbeidsmarkt te brengen. Dit houdt in dat
ernaar gestreefd wordt
betrokkene door te laten
stromen naar een volgende trede op de reïntegratieladder,
waarbij het accent meer ligt op arbeidsactivering (bijvoorbeeld leerwerktrajecten,
scholing, taalcursussen) of arbeidstoeleiding (bijvoorbeeld bemiddeling,
sollicitatiecursus) en uiteindelijk naar reguliere arbeid. Uitsluitend mensen die
een uitkering ontvangen op grond van de Wwb, de
Ioaw
of de Ioaz
komen in aanmerking voor een terugkeerbaan.
Het is aan de
gemeenten
om zorg te dragen voor de vaststelling en operationalisering van indicatiecriteria
voor de mensen die in aanmerking komen voor deze
werkzaamheden. Op deze wijze blijft het decentrale karakter van de Wwb
intact. Dit is nodig omdat juist de kennis van de relevante arbeidsmarkt,
de individuele benadering en maatwerk cruciaal zijn bij het bepalen van
de afstand tot de arbeidsmarkt en bij de doelmatige inzet van terugkeerbanen.
Het vaststellen van gemeentelijke indicatiecriteria doet hier recht aan.
4. Inhoud terugkeerbanen
Terugkeerbanen zijn
tijdelijke additionele werkzaamheden met behoud van uitkering in het
kader van de reïntegratie. Omdat terugkeerbanen zijn bedoeld voor mensen met
een grote afstand tot de arbeidsmarkt, ligt het voor de hand dat wordt
gezocht naar werkzaamheden die passen bij de vaardigheden van deze mensen. Deze werkzaamheden kunnen van
velerlei aard zijn en
dienen nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene richting de reguliere
arbeidsmarkt. Daarbij kunnen deze activiteiten tevens van nut zijn voor de samenleving.
De
Wwb biedt al
mogelijkheden voor de gemeente om het instrument werken met behoud in te
zetten in het kader van reïntegratie. Bij het al bestaande instrument "werken met behoud van
uitkering" staat het snel verkrijgen van regulier
werk voorop. Het verschil met de in dit wetsvoorstel beschreven terugkeerbanen
is dat, hoewel het uiteindelijke doel het verkrijgen van regulier
werk is, de inzet van terugkeerbanen de doorgroei van betrokkene naar een
volgende trede op de reïntegratieladder beoogt. De terugkeerbanen dienen
perspectief te bieden aan de uitkeringsgerechtigden die nog niet bemiddelbaar
zijn voor regulier werk. Daarom zijn terugkeerbanen
uitsluitend additioneel van aard, voor een specifieke doelgroep en kunnen voor
een langere periode - van maximaal twee jaar - worden ingezet. Daarmee
zijn de terugkeerbanen een specifieke vorm van werken met behoud van
uitkering.
Zoals voor alle door het
college aangeboden voorzieningen die gericht zijn op
arbeidsinschakeling, geldt op grond van artikel
9, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb
ook voor
terugkeerbanen dat de betrokkene de plicht heeft om daarvan gebruik
te maken indien dat door de gemeente nodig geacht wordt. Dit volgt
uit het centrale uitgangspunt van de Wwb dat werk boven inkomen gaat.
Mensen die tot de doelgroep van de terugkeerbanen rblz.|4|
behoren, dienen
door gebruik te maken van de aangeboden terugkeerbaan invulling
te geven aan hun reïntegratieverplichting. De regels omtrent de
verlaging van de bijstand in het geval de betrokkene deze verplichting niet
nakomt, worden door de gemeenteraad vastgelegd in de gemeentelijke verordening, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de
Wwb.
5. Begeleiding
Begeleiding van de mensen
is een belangrijk aspect van de terugkeerbanen. De invulling hiervan is
een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het ligt in de rede dat
regelmatig wordt gekeken naar het functioneren van de betrokkene en
bezien wordt of de desbetreffende terugkeerbaan nog steeds de juiste weg
naar werk is. Daarnaast is het belangrijk dat er goede begeleiding
plaatsvindt bij het uitvoeren van de werkzaamheden (voor zover dit wenselijk
is voor het functioneren van de betrokkene in de werkzaamheden). Dit is de
verantwoordelijkheid van de partij bij wie betrokkene werkzaamheden
verricht.
Het maken van afspraken
tussen gemeente en uitkeringsgerechtigde over de uitwerking van de terugkeerbaan zorgt ervoor dat alle partijen (uitkeringsgerechtigde,
gemeente en eventuele
derde voor wie werkzaamheden worden verricht) optimaal
bij de terugkeerbaan worden betrokken. Het bij de gemeentelijke
reïntegratieactiviteiten gebruikelijk op te stellen trajectplan kan hier goede diensten
bewijzen. De gemeente kan in het trajectplan de intentie van de
terugkeerbaan verduidelijken. Verder kan nader worden ingegaan op de
betrokkenheid van een eventuele derde bij wie de uitkeringsgerechtigde werkzaamheden verricht, zoals afspraken over de
begeleiding door een
derde. Ook aspecten als eventuele scholing van betrokkene en controle op
het reïntegratietraject door de gemeente kunnen hierin worden geregeld.
Daarnaast is het
belangrijk dat gedurende de periode dat iemand in een terugkeerbaan
werkzaamheden verricht, door het college meerdere malen een diagnose wordt
gesteld van de problemen die ten grondslag liggen aan de afstand tot de
arbeidsmarkt van de betrokkene. Op die manier zal er na beëindiging van de
terugkeerbaan, maar waarschijnlijk al eerder, een duidelijk beeld
ontstaan van de mogelijkheden van betrokkene voor verdere reïntegratie.
Met dit inzicht kan desgewenst een ander reïntegratie-instrument
of hulpverlening in gang worden gezet om belemmeringen voor reïntegratie weg te
nemen.
6. Duur
Uitgangspunt van de
regering voor wat betreft reïntegratie-instrumenten is dat deze tijdelijk van
aard zijn en maximaal perspectief op regulier werk blijven bieden. De
regering is van mening dat niemand mag worden afgeschreven en er altijd een kans
bestaat dat betrokkene (ook al is het na een lange periode) weer naar
de arbeidsmarkt kan worden geleid. De terugkeerbanen zijn een
reïntegratie-instrument omdat het doel is om betrokkene dichter bij de
arbeidsmarkt te krijgen. Er zit dus een bepaalde maximumduur aan de terugkeerbanen. De gedachte hierachter is dat als iemand na
een langere periode van
werkzaamheden nog geen stap hoger op de reïntegratieladder kan
zetten, de terugkeerbaan blijkbaar niet (meer) het geschikte reïntegratie-instrument voor de betrokkene is. De regering is
van mening dat een
periode van twee jaar voldoende lang is om werkervaring/werkritme of sociale
vaardigheden op te doen en dat gemeenten in die periode voldoende
tijd hebben om een goede diagnose te stellen van de problemen die ten
grondslag liggen aan de afstand tot de arbeidsmarkt.
rblz.|5|
De
regering is voornemens
twee jaar na invoering van deze wet - dus al
vóór de evaluatie,
bedoeld in artikel IV - te bekijken of het in bepaalde gevallen en onder
bepaalde voorwaarden mogelijk gemaakt moet worden om van de maximale duur
van twee jaar af te wijken. Gemeenten hebben op dit moment nog onvoldoende inzicht in hun bestand. De ervaring van
de afgelopen jaren leert
dat het aantal mensen uit het Wwb-bestand dat als onbemiddelbaar wordt
beschouwd sterk dalende is. Daarbij komt dat deze daling is gerealiseerd terwijl een deel van het reïntegratiebudget
voor de doelgroep onbenut
is gebleven. Een evaluatie is zinvoller naarmate het inzicht in het
bestand en de benutting van het beschikbare reïntegratiebudget
gegroeid is. Daarnaast werkt de horizon van twee jaar als extra prikkel voor
gemeenten om te investeren in de uitstroom naar een trede hoger op de
reïntegratieladder dan wel regulier werk. De regering zal de inspanningen van
gemeenten om betrokkene dichterbij de arbeidsmarkt te brengen, betrekken bij haar oordeel. Ook zal de regering
meenemen hoe eventuele
vooruitgang door gemeenten is gevolgd, bijvoorbeeld door het
periodiek stellen van een diagnose en door begeleiding van de betrokkene.
Het is niet de bedoeling
dat mensen nadat een terugkeerbaan is beëindigd weer thuis komen te
zitten. Ook indien de betrokkene nog niet klaar is voor een volgende stap op
de ladder, hebben gemeenten en uitkeringsgerechtigden voldoende mogelijkheden.
Zo blijft het ook na twee jaar werken met behoud van uitkering in een terugkeerbaan voor de betrokkene
mogelijk om
vrijwilligerswerk te verrichten. Bovendien kan door het inzicht dat gemeenten
gedurende de terugkeerbaan verkrijgen in de (on)mogelijkheden van de betrokkene na twee jaar of mogelijk al eerder
een ander
reïntegratie-instrument of hulpverlening worden ingezet om deze problemen aan te
pakken.
7. Beloning en
financiering
De werkzaamheden in een
terugkeerbaan vinden niet plaats in het kader van een
arbeidsovereenkomst. De betrokkene heeft derhalve geen recht op loon. Wel heeft hij
recht op Wwb-, Ioaw- of
Ioaz-uitkering. Verder
geldt voor mensen die
werkzaamheden verrichten in een terugkeerbaan hetzelfde gemeentelijke instrumentarium als voor de rest van de gemeentelijke
doelgroep (onder andere de mensen
met een Wwb-, Ioaw- of Ioaz-uitkering
die niet in een
terugkeerbaan werkzaamheden verrichten). De gemeente
heeft dus ook de mogelijkheid om eventueel een stimuleringspremie toe
te kennen.
Een bijstandsgerechtigde
blijft gedurende de periode dat hij/zij werkzaamheden in een terugkeerbaan
verricht een uitkering ontvangen en blijft dus ook als
bijstandsgerechtigde geregistreerd, zodat hij/zij voor de raming van het budget voor het
inkomensdeel (I-deel) van de Wwb blijft meetellen. Voor mensen in
een terugkeerbaan met een Ioaw- of
Ioaz-uitkering geldt dat gemeenten de
kosten van de uitkering conform de huidige financieringssystematiek voor een deel (75%) kunnen declareren bij het Rijk en voor een
deel (25%) kunnen bekostigen uit de toegekende budgetten.
Gemeenten kunnen de bijkomende kosten van terugkeerbanen
(begeleiding, enz.) ten laste brengen van het W-deel [werkdeel, red.]. Het gaat hierbij niet om de
uitvoeringskosten (kosten die voortvloeien uit de wettelijke taak van
gemeenten, zoals het bepalen van de noodzaak van een
reïntegratievoorziening en het aanbieden ervan), maar om kosten die direct aan een
reïntegratievoorziening zijn toe te rekenen.
rblz.|6|
8. Commentaren
Het wetsvoorstel en de
memorie van toelichting zijn voorgelegd aan de Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) en aan het
uitvoeringspanel SZW.
Het commentaar van de IWI
had betrekking op onderdelen van het wetsvoorstel die naar aanleiding van
het advies van de Raad van State daarin niet langer zijn
opgenomen.
In het voortraject van
het wetsvoorstel is de vormgeving van de terugkeerbanen meerdere keren met de
VNG
besproken. Hierin heeft de VNG aangeven, net als de
regering, voorstander te zijn voor de variant waarin de termijn voor werken
met behoud van uitkering wordt opgerekt. In reactie op het
uiteindelijke wetsvoorstel geeft de VNG aan dat zij vindt dat participatie in de
samenleving als uitgangspunt genomen moet worden en niet reïntegratie.
Daarnaast pleit de VNG ervoor dat aan gemeenten moet worden overgelaten
welke termijn als maximum gaat gelden voor de terugkeerbanen.
De regering is van mening
dat uitstroom naar de arbeidsmarkt het uiteindelijke doel van de
terugkeerbanen moet zijn. Ook voor moeilijk reïntegreerbaar geachte groepen zijn
voldoende voorbeelden bekend dat uitstroom naar regulier
werk tot de mogelijkheden behoort. Tenzij mensen geïndiceerd zijn voor de
Wet sociale werkvoorziening, kan moeilijk eenduidig worden
vastgesteld dat een dergelijk perspectief niet bestaat. In dit wetsvoorstel is
uitvoerig beschreven waarom de regering voor een maximale duur van de terugkeerbanen van twee jaar kiest. Het commentaar
van de VNG op het
wetsvoorstel heeft niet tot wijziging van het wetsvoorstel geleid.
De bespreking van de
uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel in het uitvoeringspanel betrof -
voor zover hier relevant - de invulling van het begrip additionaliteit en
de maximering van de duur.
De maximering van de duur
levert geen problemen op mits voor iedereen geldt dat de periode vóór invoering van
de wet bij de berekening buiten
beschouwing gelaten
wordt. Dat is zo in het wetsvoorstel opgenomen. De bespreking heeft - uitgezonderd enige inmiddels verwerkte redactionele commentaren
- voor het
overige geen aanleiding gegeven tot wijziging van het wetsvoorstel en
memorie van toelichting.
Artikelsgewijs
Artikel
I.
Wet werk en
bijstand
Artikel 10a, eerste en
tweede lid
In
artikel 10a, eerste
lid, is geregeld dat alleen bijstandsgerechtigden met een kleine kans op
inschakeling in het arbeidsproces en die daardoor vooralsnog niet
bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt voor een terugkeerbaan in aanmerking komen. De
werkzaamheden in een terugkeerbaan moeten aan twee voorwaarden voldoen, namelijk dat de werkzaamheden
in het kader van de
reïntegratie van de betrokkene worden verricht en dat het om additionele
werkzaamheden gaat.
Mensen verrichten
werkzaamheden in een terugkeerbaan in het perspectief van hun reïntegratie.
Dit wil zeggen dat de activiteit primair gericht moet zijn op het
bevorderen van de mogelijkheden van de betrokkene om uit de bijstand te
stromen naar reguliere arbeid en niet primair op het realiseren van het bedrijfsdoel van degene voor wie zij deze werkzaamheden
verrichten. Activiteiten
kunnen niet het karakter hebben van gewone productieve
arbeid. Mocht dit wel het geval zijn, dan is een terugkeerbaan niet de meest geëigende weg om de betrokkene verder te
rblz.|7|
helpen bij reïntegratie.
Een terugkeerbaan is een opstap naar regulier werk, geen gewoon werk.
Het gaat zoals gezegd bij
terugkeerbanen om additioneel werk. Additionaliteit houdt in dat het een
speciaal gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie die een
uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Hij zal
minder productief zijn dan zijn collega’s op een reguliere
arbeidsplaats. Gemeenten kunnen, indien gewenst, in beleidsregels het begrip
additionaliteit nader uitwerken. De terugkeerbanen mogen de
concurrentieverhoudingen niet nadelig beïnvloeden. Dit vloeit mede voort uit
Europese regelgeving. Gelet op de additionaliteit van de arbeid zal dat
niet gauw aan de orde zijn.
De maximale duur dat
betrokkene werkzaamheden kan verrichten met behoud van uitkering is
twee jaar. Andere vormen van werken met behoud van uitkering van
de betrokkene (zoals work first) tellen ook mee voor de maximale duur van
twee jaar. Als iemand dus eerst een halfjaar werkt met behoud van
uitkering in het kader van work first, kan hij/zij daarna nog maar anderhalf
jaar op een terugkeerbaan werkzaamheden verrichten. Dit om te
voorkomen dat de maximale duur van een terugkeerbaan op een oneigenlijke
manier wordt opgerekt. De regering wil echter voorkomen dat met deze
regelgeving de mogelijkheden worden geblokkeerd om na afloop van een terugkeerbaan in aanmerking te komen voor bepaalde trajecten waar werken met behoud van uitkering een onderdeel
van uit maakt. Trajecten
waar (maximaal zes maanden) wordt gewerkt met behoud van uitkering (om
de werkgever over de streep te trekken) en er naar het oordeel van het
college een reëel uitzicht bestaat dat betrokkene daarna een
arbeidscontract krijgt, zijn mogelijk. Hierbij kan gedacht worden aan een
leerwerktraject of een stage. Om deze mogelijkheid open te houden, is in het
tweede lid van artikel 10a opgenomen dat werkzaamheden
met behoud van uitkering
in een dergelijk traject voor een periode van maximaal zes maanden
niet mee worden genomen voor het maximum van twee jaar van
een terugkeerbaan.
Artikel 10a, derde lid
In dit lid wordt geregeld
dat werkzaamheden die zijn verricht vóór 1 januari 2007 - de
voorziene datum van inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel -
niet
meetellen voor het bereiken van de maximumduur van een terugkeerbaan van
twee jaar. Aldus wordt voorkomen dat gemeenten met betrekking
tot op dat moment voorkomende (dan wel op een later moment te
starten) terugkeerbaan zullen moeten onderzoeken of sprake is geweest van
werken met behoud van uitkering in een eerdere periode waarin
afzonderlijke registratie daarvan niet noodzakelijk was.
Artikel II.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers
In dit artikel wordt
hetzelfde geregeld als onder artikel I, alleen dan voor mensen met een uitkering
op grond van de Ioaw.
Artikel III.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen
In dit artikel wordt
hetzelfde geregeld als onder artikel I, alleen dan voor mensen met een uitkering
op grond van de Ioaz.
rblz.|8|
Artikel V.
Inwerkingtreding
Gestreefd wordt naar een
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel op 1 januari 2007.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|