|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2006-2007, 2007-2008, 30 819.
Handelingen II 2007-2008, blz. 5080-5089, 5114-5114.
Kamerstukken I 2007-2008, 30 819 (A, B, C, D).
Handelingen I 2007-2008, blz. 1413-1415.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET van 19 juni 2008, Stb.
2008, 340, houdende regels voor een inkomensvoorziening voor oudere
werklozen (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen).
Inwerkingtreding: 1 december 2009 (Stb.
2008, 341). Vervalt met ingang van 1 juli 2016.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers tot
stand te brengen in verband met de wijziging van het WW-stelsel
en de bijzondere arbeidsmarktpositie van ouderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
begrippen en algemene bepalingen
Art.
1. Algemene begrippen [MvT]
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
- aanvrager: de persoon die een aanvraag voor een uitkering op grond van
deze wet heeft ingediend dan wel schriftelijke toestemming heeft gegeven
om een aanvraag in te dienen;
- CWI: Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
- eerste dag van werkloosheid: de eerste dag van werkloosheid, bedoeld
in artikel 16a van de Werkloosheidswet;
- kind: het kind jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd
kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie
de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, op grond van de
Algemene
kinderbijslagwet, kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen;
- minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
- re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel een
rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
- uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een uitkering op
grond van deze wet;
- UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
- werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet;
- werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet.
Art.
2. Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden [MvT]
-1. Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde
partner;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd;
c. gehuwde: als partner
geregistreerde.
-2. Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de
persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins. [MvT
+ bis]
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in
ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en: [MvT
+ bis]
a. zij met elkaar gehuwd zijn
geweest of in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van
een uitkering op grond van deze wet voor de toepassing van deze wet
daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is
geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en
strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het
derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het
derde lid. [MvT
+ bis]
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid,
onderdeel d. [MvT
+ bis]
HOOFDSTUK
2
De
uitkering
§
1. De voorwaarden
voor het recht op uitkering
Art.
3. Recht op uitkering [MvT]
-1. Recht op een uitkering op grond van
deze wet heeft de persoon: [MvT]
a. wiens eerste dag van werkloosheid
tussen 30 september 2006 en 1 juli 2011 ligt;
b. op die dag 60 jaar of ouder is;
c. die na die dag meer dan drie
maanden recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; en
d. op wie geen uitsluitingsgrond van
toepassing is.
-2. Het recht op uitkering ontstaat op de
dag nadat de geldende uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet is
verstreken.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing
indien artikel 42b van de Werkloosheidswet
toepassing heeft
gevonden ten aanzien van een recht op uitkering op grond van die wet
waarbij de eerste dag van werkloosheid lag vóór 1 oktober 2006 waarna
dat recht geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na die
datum een nieuw recht op uitkering is ontstaan. [MvT]
Art.
4. Vaststelling recht op uitkering [MvT]
-1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht
op een uitkering op grond van deze wet bestaat.
-2. Een aanvraag wordt ingediend bij het
UWV.
-3. Het recht op uitkering kan niet worden
vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag
waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend.
Art.
5. Later ontstaan van het recht op uitkering [MvT]
Indien geen recht op uitkering is ontstaan omdat op de persoon, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, één of meer uitsluitingsgronden van toepassing
waren, ontstaat alsnog recht op die uitkering op de dag dat zich geen
van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
Art.
6. Uitsluitingsgronden [MvT]
-1. Voor het recht op uitkering gelden de
volgende uitsluitingsgronden:
a. het buiten Nederland wonen of
verblijf houden anders dan wegens vakantie; [MvT
+ bis]
b. het niet rechtmatig verblijf
houden in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000; [MvT
+ bis]
c. het rechtens zijn vrijheid zijn
ontnomen; [MvT
+ bis]
d. het onbetaald verlof genieten als
bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet ter
hoogte van het bedrag van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg
van het genieten van dat verlof; [MvT
+ bis]
e. het genieten van vakantie; [MvT
+ bis]
f. het bereiken of hebben bereikt
van de eerste dag van de kalendermaand waarin de leeftijd van 65 jaar
wordt bereikt. [MvT
+ bis]
-2. Het eerste lid, onderdeel a, is
niet van toepassing ten aanzien van de persoon die gedurende het
buitenlands verblijf meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn
voor zijn inschakeling in de arbeid, mits: [MvT
+ bis]
a. die activiteiten niet langer
duren dan zes maanden;
b. die activiteiten blijkens een
intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een aansluitende
dienstbetrekking voor ten minste zes maanden;
c. die activiteiten plaatsvinden in
een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in
Zwitserland; en
d. het bedrag dat het UWV
is
verschuldigd ter zake van die activiteiten niet hoger is dan het op
grond van artikel 4.2, derde lid, van het
Besluit SUWI vastgestelde
bedrag.
-3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder intentieverklaring verstaan: een ondertekende verklaring
waarin de ondertekenaar aangeeft dat hij het voornemen heeft om een
persoon die meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn
inschakeling in de arbeid, na afloop van die activiteiten in dienst te
nemen. [MvT
+ bis]
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is
niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf
of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire
inrichting of een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden.
[MvT
+ bis]
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor gevallen waarin toepassing van het eerste
lid, onderdeel a tot en met d, tot onbillijkheden zou
kunnen leiden, op grond waarvan die onderdelen niet van toepassing zijn.
[MvT
+ bis]
-6. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot: [MvT
+ bis]
a. het begrip vakantie genieten,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel e;
b. de vaststelling van de periode
gedurende welke de aanvrager of uitkeringsgerechtigde in afwijking van
het eerste lid, onderdeel e, met behoud van zijn recht op
uitkering vakantie kan genieten.
§
2. Eindigen,
herleven of wijzigen van het recht op uitkering
Art.
7. Eindigen en herleving van het recht op uitkering [MvT]
Het recht op een uitkering eindigt op de dag dat:
a. er ten aanzien van de
uitkeringsgerechtigde een uitsluitingsgrond van toepassing is; [MvT]
b. de uitkeringsgerechtigde
overlijdt.
Art.
8. Herleven van het recht op uitkering [MvT]
Indien geen recht op een uitkering meer bestaat omdat op de persoon,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, één of meer uitsluitingsgronden als
bedoeld in artikel 6 van toepassing waren, herleeft het recht op die
uitkering op de dag dat zich ten aanzien van die persoon geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet. [MvT]
Art.
9. Intrekking en herziening beschikkingen [MvT]
-1. Onverminderd artikel 19 herziet het
UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen
in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet
volledig nakomen van de artikelen
12, 13, 14 of 15 en de
daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering ten onrechte is
vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog
bedrag is vastgesteld;
b. anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld;
c. het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, ertoe leidt dat niet
kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen zijn,
kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
§
3. De hoogte van
de uitkering
Art.
10. Hoogte van de uitkering
-1. De uitkering bedraagt per
kalendermaand:
0,7 x (A - B)
waarbij:
A staat voor het minimumloon; en
B staat voor het in de desbetreffende kalendermaand verworven inkomen.
-2. Onder inkomen als bedoeld in het eerste
lid wordt verstaan het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven.
-3. Op de uitkering wordt inkomen in
verband met arbeid geheel in mindering gebracht.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld met betrekking tot het inkomen uit arbeid
in het bedrijfs- en beroepsleven, bedoeld in het eerste en tweede lid,
en het inkomen in verband met arbeid, bedoeld in het derde lid. Daarbij
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het
inkomen alsmede van de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.
-5. De uitkering bedraagt ten hoogste het
bedrag van de uitkering die de werknemer op grond van artikel 47 van de
Werkloosheidswet
ontving voorafgaand aan eerstgenoemde uitkering.
-6. Het vijfde lid is niet van toepassing
voor zover het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden als lid
van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend
orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse
verkiezing wordt samengesteld of een algemeen bestuur van een
waterschap.
-7. Een uitkeringsgerechtigde kan niet meer
uitkering ontvangen op grond van deze wet dan 70% van het minimumloon.
HOOFDSTUK
3
Rechten en
plichten in verband met het recht op uitkering
Art.
11. Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling [MvT]
De uitkeringsgerechtigde heeft recht op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV
noodzakelijk
geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
Art.
12. Informatieplicht, medewerking controle en
procedurevoorschriften [MvT]
-1. De aanvrager, de uitkeringsgerechtigde
en de instelling waaraan op grond van artikel 30 een uitkering op grond
van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen
beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het
recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de
uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van
re-integratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet voor zover een
recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een
blijvend gehele weigering. [MvT]
-2. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde: [MvT]
a. voldoen aan elke oproep van het
UWV of van één of meer door het UWV aangewezen personen om aanwezig te
zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats voor beantwoording
van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan
onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van de
controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d;
b. beantwoorden vragen die door het
UWV of door één of meer door het UWV aangewezen personen in verband met
het recht op uitkering op grond van deze wet worden gesteld; [MvT
+ bis]
c. werken mee door zich te laten
onderzoeken door het UWV of één of meer daartoe door het UWV aangewezen
personen; [MvT
+ bis]
d. leven door het UWV vastgestelde
voorschriften als bedoeld in artikel 17 na. [MvT
+ bis]
-3. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van: [MvT]
a. het re-integratiebedrijf dat in
opdracht van het UWV werkzaamheden verricht; of
b. personen die met toestemming van
het UWV zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf als bedoeld in
onderdeel b,
c. voor zover dit noodzakelijk is
voor de uitvoering van de bij overeenkomst aan deze personen en
rechtspersonen opgedragen taken.
-4. De uitkeringsgerechtigde die bij
deelname aan een re-integratietraject zijn re-integratieverplichtingen
niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het
re-integratiebedrijf. [MvT]
Art.
13. Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht
op uitkering op grond van deze wet [MvT]
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde gedragen zich zodanig dat zij door hun doen en
laten het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de
Toeslagenwet,
niet benadelen of zouden kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin
van dit lid is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel
12. [MvT]
-2. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde voorkomen dat zij door eigen toedoen geen algemeen
geaccepteerde arbeid behouden.
-3. De aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde heeft door eigen toedoen geen algemeen
geaccepteerde arbeid behouden, indien: [MvT]
a. hieraan een dringende reden ten
grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde ter zake een verwijt
gemaakt kan worden;
b. de dienstbetrekking is beëindigd
door of op verzoek van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde zonder
dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat
deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
-4. Het niet voeren van verweer door de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde tegen of het instemmen van de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde met de beëindiging van de
dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot
overtreding van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid. [MvT]
Art.
14. Plichten gericht op het vergroten van mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid [MvT]
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde trachten in voldoende mate de mogelijkheden tot
het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid te behouden of te
verkrijgen. [MvT]
-2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in
het eerste lid, zijn de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde in elk
geval verplicht: [MvT]
a. zich geneeskundig te laten
behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV
of
het re-integratiebedrijf in opdracht van het UWV, op grond van het
advies van een arts daartoe opdracht geeft en de genezing niet te
belemmeren; [MvT
+ bis]
b. mee te werken aan activiteiten of
werkzaamheden, gericht op inschakeling in de arbeid, die het UWV
wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van
algemeen geaccepteerde arbeid; [MvT
+ bis]
c. mee te werken aan aanpassing van
de arbeidsplaats en aan persoongebonden voorzieningen die het UWV
verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die
voorzieningen te verkrijgen; [MvT
+ bis]
d. mee te werken aan het opstellen
van de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, en het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van
die wet; [MvT
+ bis]
e. te voldoen aan de verplichtingen
die zijn opgenomen in de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a,
eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen,
en het re-integratieplan, bedoeld in artikel
30a, derde lid, van
die wet. [MvT
+ bis]
Art.
15. Plichten gericht op inschakeling in de arbeid [MvT]
De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde:
a. staan als werkzoekende
geregistreerd bij de CWI, indien hen daartoe het recht toekomt op grond
van artikel 25 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
b. trachten in voldoende mate
algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; [MvT]
c. aanvaarden aangeboden algemeen
geaccepteerde arbeid; [MvT]
d. stellen geen eisen in verband met
door hen te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van
algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; [MvT]
e. voorkomen dat zij door eigen
toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen.
Art.
16. Vrijstelling en ontheffing van verplichtingen [MvT]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld waarbij groepen personen worden vrijgesteld van de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14 en 15.
[MvT]
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan aanvragers en
uitkeringsgerechtigden in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan
worden verleend van verplichtingen hen opgelegd op grond van de
artikelen 14 en 15. [MvT]
Art.
17. Uitkeringsreglement [MvT]
-1. Het UWV stelt een uitkeringsreglement
vast, dat bepalingen bevat omtrent:
a. voorschriften ten behoeve van een
doelmatige controle;
b. voorschriften met betrekking tot
het genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering;
c. andere voorwaarden die aan het
ontvangen van uitkering zijn verbonden.
-2. Het op grond van het eerste lid door
het UWV vastgestelde uitkeringsreglement behoeft goedkeuring van Onze
Minister.
Art.
18. Verplichting werkgever [MvT]
De werkgever is verplicht de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde
gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hen bij of krachtens deze
wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de bij of krachtens
deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de
arbeidstijd kan geschieden.
HOOFDSTUK
4
Handhaving
Art.
19. Weigering uitkering bij niet-nakoming verplichtingen
[MvT]
-1. Het UWV weigert een uitkering op grond
van deze wet blijvend geheel indien de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde de verplichting, bedoeld in artikel
13, tweede lid,
niet is nagekomen. Indien het niet nakomen van de verplichting die
persoon niet in overwegende mate kan worden verweten, weigert het UWV in
afwijking van de eerste zin de uitkering over een periode van 26 weken
gedeeltelijk door de uitkering te halveren. [MvT]
-2. Het UWV weigert een uitkering op grond
van deze wet indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een
verplichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel c of e,
niet of niet behoorlijk is nagekomen blijvend naar de mate waarin die
persoon met het verrichten van de betreffende arbeid inkomen zou kunnen
hebben verwerven. [MvT]
-3. Het UWV weigert een uitkering op grond
van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting hem op grond van
de artikelen 12, 13, eerste lid, 14 of
15 onderdeel a, b
of d, of artikel 55, tweede lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid,
niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. [MvT]
-4. Een maatregel als bedoeld in het derde
lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de gedraging verweten kan worden.
Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. [MvT]
-5. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig
nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in
artikel 15, onderdeel a, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder
aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. [MvT]
-6. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. [MvT]
-7. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 21 wordt opgelegd. [MvT]
Art.
20. Maatregel bij herleving van de uitkering [MvT]
Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 19 heeft opgelegd,
zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in
artikel 8 een weigering van de uitkering voort.
Art.
21. Boete bij niet-nakoming verplichtingen [MvT]
-1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op
van ten hoogste €|2269,00 ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel
12, eerste lid, van deze wet.
-2. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet
behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van deze wet indien dit niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
Art.
22. Nadere regels betaling van boeten
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan
worden verleend.
Art.
23. Afwijking van artikel 8:69 Awb [MvT]
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke
boete is vastgesteld ook ten nadele van de betrokken persoon wijzigen.
Art.
24. Invordering bestuurlijke boete
-1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete
met een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de overtreder ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank
onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke
boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan
het UWV indien de overtreder een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
UWV.
-4. Zolang de overtreder zijn verplichting,
bedoeld in artikel 21, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV in afwijking van
artikel 4.4.1.9, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd
tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de
vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4.4.4.2.3 van de Algemene wet
bestuursrecht, niet bij de invordering van
een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de hoogte van het op grond van artikel
24,
eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen
waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
Art.
25. In kennis stellen re-integratiebedrijf van
sanctieoplegging [MvT]
Indien het UWV de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de uitkering op
grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft
geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het
UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die persoon
werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van dat
besluit in kennis voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van
de werkzaamheden door het re-integratiebedrijf.
HOOFDSTUK
5
Betaling
van de uitkering door het UWV
Art.
26. Uitbetaling van de uitkering [MvT]
Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat.
Art.
27. Betaling van de uitkering [MvT]
-1. Het UWV betaalt de uitkering per vier
kalenderweken of per maand achteraf. [MvT]
-2. In afwijking van het eerste lid is het
UWV bevoegd de uitkering over een kortere periode te betalen indien
voorheen over die kortere periode loon of uitkering werd ontvangen. [MvT]
-3. In afwijking van het eerste lid betaalt
het UWV een gedeelte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht
bestaat als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die
maand voorafgaande twaalf kalendermaanden of, indien het recht op
uitkering eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de
desbetreffende kalendermaand. De vakantiebijslag bedraagt 8/108 van de
uitkering. [MvT]
-4. Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wijzigt de in
het vierde lid genoemde breuk dienovereenkomstig. Het gewijzigde
percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop op grond
van deze wet recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat. [MvT]
-5. De vakantiebijslag wordt betaald zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Art.
28. Inhouding vereveningsbijdrage [MvT]
-1. Op de uitkering wordt een bedrag
ingehouden dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever
op grond van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen
op het overeenkomstige loon van een werknemer die verzekerd is op grond
van die wet inhoudt.
-2. Indien op grond van hoofdstuk 3
van de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden
waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming
van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij
ministeriële regeling voor de toepassing van het van het eerste lid een
gemiddeld percentage vastgesteld.
Art.
29. Overlijdensuitkering [MvT]
-1. Na het overlijden van de
uitkeringsgerechtigde wordt met ingang van de dag na het overlijden een
overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de echtgenoot van de
uitkeringsgerechtigde;
b. bij ontstentenis van de
echtgenoot, aan het kind of de kinderen;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten
aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan
voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de uitkeringsgerechtigde wordt voor
de toepassing van dit artikel gelijkgesteld de persoon wiens overlijden
heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou
hebben bereikt, doch vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden, en
die uitsluitend op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
geen recht op een uitkering had.
-3. De overlijdensuitkering is gelijk aan
het bedrag van de uitkering over een periode van vier weken, berekend
naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag
van overlijden van de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
-4. In verband met het overlijden van de
uitkeringsgerechtigde is artikel 6, eerste lid, onderdeel f, niet
van toepassing.
-5. De overlijdensuitkering wordt op
verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste
lid, door het UWV uitbetaald.
-6. Het bedrag van de overlijdensuitkering
wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na het overlijden
gelegen dagen reeds is uitbetaald.
-7. De overlijdensuitkering is niet vatbaar
voor beslag.
-8. De overlijdensuitkering wordt in een
bedrag ineens uitbetaald.
Art.
30. Betaling aan instellingen [MvT]
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde
aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een
bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV
bevoegd de uitkering
tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de
uitkeringsgerechtigde zonder diens machtiging uit te betalen aan het College
voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel
60, eerste lid, van
de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de uitkeringsgerechtigde in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen en het UWV van de desbetreffende inrichting of van het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de
opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de uitkering aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat
verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid toepassing vindt,
heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het
gedeelte van de uitkering op grond van deze wet dat niet aan het
College voor zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
-4. Een herziening van de uitkering op
grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art.
31. Verjaringstermijn [MvT]
De uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of
is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling wordt niet
meer betaald.
Art.
32. Voorschot [MvT]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op de uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze
wet.
Art.
33. Opschorting en schorsing van de betaling [MvT]
-1. Onverminderd artikel 32 schort het
UWV de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien het op
grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde
vermoedens heeft dat: [MvT]
a. het recht op uitkering niet of
niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering
bestaat; of
c. de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in de artikelen
12,
eerste of tweede lid, 13, 14 of 15 niet is nagekomen.
-2. Indien een re-integratiebedrijf aan het
UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een aanvrager of
een uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleent aan de op hem
betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, neemt
het UWV een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of
schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur
van ten hoogste acht weken. [MvT]
-3. Het UWV stelt het re-integratiebedrijf
in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in
het tweede lid. [MvT]
Art.
34. Terugvordering [MvT]
-1. Een uitkering die op grond van deze wet
onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als
bedoeld in artikel 9 of 19 door het
UWV onverschuldigd is betaald of
verstrekt, wordt door het UWV teruggevorderd. [MvT]
-2. Het in aanmerking nemen van in de
voorafgaande drie maanden ontvangen inkomen wordt niet als
terugvordering beschouwd. [MvT]
-3. De uitkering wordt van de
belanghebbende teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde
periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend later
inkomsten ontvangt waarmee bij de vaststelling van de uitkering rekening
zou zijn gehouden. [MvT]
-4. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder een uitkering verstaan een uitkering op grond van artikel
10, verminderd met de inhouding op grond van artikel 28 en vermeerderd
met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet.
-5. De persoon van wie wordt teruggevorderd,
verstrekt desgevraagd aan het UWV de inlichtingen die voor de
terugvordering van belang zijn. [MvT]
Art.
35. Afzien van terugvordering [MvT]
-1. In afwijking van artikel
34, eerste en
derde lid, kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere
terugvordering af te zien, indien de persoon van wie wordt
teruggevorderd: [MvT]
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten,
alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en
b, genoemde termijn is drie jaar, indien: [MvT]
a. het gemiddelde inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 12, eerste lid.
-3. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. [MvT]
-4. In afwijking van artikel
34, eerste en
derde lid, kan het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te
vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag
niet te boven gaat. [MvT]
Art.
36. Executoriale titel beschikking tot terugvordering
[MvT]
-1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde
uitkering, bedoeld in artikel 34, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 24 is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddelde inkomen van de
belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het UWV de aflossingsbedragen
lager vaststelt.
Art.
37. [Nadere regelgeving terugvordering] [MvT]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 34, 35 en 36 alsmede omtrent de termijn waarvoor
uitstel van betaling kan worden verleend van hetgeen onverschuldigd is
betaald.
Art.
38. Bepaling hoogte uitkering bij terugvordering [MvT]
Onder uitkering in de zin van artikel 34 wordt verstaan de uitkering,
bedoeld in artikel 10, verminderd met de inhouding op grond van
artikel
28 en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet.
Art.
39. Onvervreemdbaarheid [MvT]
-1. Een uitkering op grond van deze wet is
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
uitkering op grond van deze wet onder welke vorm of benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elke beding strijdig met dit artikel
is nietig.
HOOFDSTUK
6
Financiering
Art.
40. Financiering [MvT]
-1. De op grond van deze wet te betalen
uitkeringen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen
ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de
Toeslagenwet.
-2. Ter dekking van de uitkeringen en de
kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt het Toeslagenfonds voorzien van
middelen van het Rijk alsmede van de met de toepassing van artikel 21
verkregen boeten.
-3. Het UWV beheert en administreert
afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het
eerste lid, in de vorm van een onderdeel van het Toeslagenfonds.
HOOFDSTUK
7
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
Art.
41. Algemene beslistermijnen [MvT]
-1. Onverminderd artikel 42 worden
beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een
persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking
niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
Art.
42. Bijzondere beslistermijnen [MvT]
-1. Een beschikking over de betaling van
een voorschot op grond van artikel 4.4.1.11 van de
Algemene wet
bestuursrecht wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de
aanvraag. [MvT]
-2. Indien een beschikking als bedoeld in
het eerste lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven,
wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van
een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien. [MvT]
Art.
43. Afzien van horen belanghebbende [MvT]
In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet
bestuursrecht kan van
het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de
belanghebbende niet binnen een door het UWV
gestelde redelijke termijn
verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
Art.
44. Beslistermijn in bezwaar [MvT]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht beslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
Art.
45. Delegatiebepaling bezwaar medische besluiten
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan
een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art.
46. Strafbaar feit
-1. De werkgever die zijn verplichting als
bedoeld in artikel 18 niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
-2. Het in het eerste lid omschreven
strafbare feit is een overtreding.
Art.
47. Beroep in cassatie [MvT]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad
van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake
van schending of verkeerde toepassing van artikel 2, tweede tot en met
zesde lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van
een gerechtshof.
HOOFDSTUK
8
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
48. Verruiming grondslag lagere regelgeving
-1. De volgende algemene maatregelen van
bestuur berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de
desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die maatregelen
genoemde artikelen van deze wet:
a. het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998: artikel
2, zesde lid;
b. het Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid: artikel
6, vierde lid;
c. het Boetebesluit
socialezekerheidswetten: artikel 21, zevende lid;
º¹
d. het Besluit van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december
1989 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur houdende
vaststelling van een gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet
dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds en voor de Ziektewet:
¹ artikel 28, tweede lid;
e. het Reglement
justitiële jeugdinrichtingen: artikel 6, vierde lid;
f. het Besluit
ontheffing verplichtingen WW en Wet WIA: artikel 16, tweede lid.
-2. De volgende ministeriële regelingen
berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de
desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die regelingen
genoemde artikelen van deze wet:
a. het Besluit Tica inzake betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd
betaalde uitkering: ² artikel 22 en artikel
37;
b. de Regeling
terugvordering geringe bedragen: artikel 35, vierde lid;
c. de Regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid van 24 juni 1997,
nr. SV/AVF/97/2347, tot vaststelling van een gemiddeld premiepercentage
voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds (Stcrt.
1997, 119): ³ artikel 28, tweede lid;
d. de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA: artikel 16, eerste lid;
e. Scholingsregeling
WW: artikel 14,
tweede lid;
f. de Vakantieregeling
WW: artikel 6, zesde lid.
01. Volgens de redactie
dient "zevende lid" te worden vervangen door: vijfde lid.
1. Volgens de redactie had dit besluit dienen te zijn
ingetrokken, omdat een delegatiebepaling in dit besluit voor de Regeling
vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten
gunste komt van het wachtgeldfonds en de Regeling
vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen ontbreekt,
voornoemde regelingen niet op dit besluit zijn gebaseerd en dit besluit
sinds 1 januari 1992 (Stb. 1991, 764) niet meer is aangepast.
2. Volgens de redactie
dient "Besluit Tica inzake betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd
betaalde uitkering" te worden vervangen door: Regeling betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde
betalingen.
3. Zie: Regeling
vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten
gunste komt van het wachtgeldfonds, red.
Art.
49. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
50. Inwerkingtreding [MvT]
-1. Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Deze wet vervalt met ingang van 1 juli
2016.
1. Bij Besluit
van 18 augustus 2008, Stb. 2008, 341, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 juli 2009, red.
Art.
51. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
19 juni 2008
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achtentwintigste
augustus 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|