|
BESLUIT van 22 augustus 2008, Stb. 2008, 348, ter bekendmaking van de tekst van de herziene Grondwet.
Inwerkingtreding: 4 september 2008.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 augustus 2008, nr. 2008-00000291989,
Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;
Gelet op artikel
141 van de Grondwet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
De
tekst van de herziene Grondwet wordt
bekendgemaakt door plaatsing van dit besluit met deze tekst in het Staatsblad,
in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad
van Aruba.
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad,
in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad
van Aruba zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 augustus
2008
BEATRIX
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
Uitgegeven de vierde
september 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Tekst
zoals deze luidt na de laatstelijk bij de Wet van 27 juni 2008, Stb.
2008, 272, en de Wet van 27 juni 2008, Stb. 2008, 273, daarin
aangebrachte veranderingen
[GRONDWET voor het Koninkrijk der
Nederlanden van 24 augustus 1815, Stb. 1815, 45. Laatste tekstplaatsing:
Stb. 2006, 240. Inwerkingtreding: 12
september 1840 (Stb. 1840, 54), red.]
HOOFDSTUK
1
Grondrechten
Art. 1.
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in
gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Art. 2.
-1. De wet regelt wie Nederlander is.
-2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van
vreemdelingen.
-3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens
verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
-4. Ieder heeft het recht het land te verlaten,
behoudens in de gevallen bij de wet bepaald.
Art. 3.
Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare
dienst benoembaar.
Art. 4.
Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden
van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te
worden
verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.
Art. 5.
Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het
bevoegd gezag in te dienen.
Art. 6.
-1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of
levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet.
-2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit
recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het
belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Art. 7.
-1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de
drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid
volgens de wet.
-2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er
is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.
-3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door
andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof
nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
De wet
kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan 16 jaar regelen ter
bescherming van de goede zeden.
-4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op
het maken van handelsreclame.
Art. 8.
Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan
dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.
Art. 9.
-1. Het recht tot vergadering en betoging wordt
erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
-2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de
gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Art. 10.
-1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te
stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
-2. De wet stelt regels ter bescherming van de
persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
-3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van
personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt
gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.
Art. 11.
Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te
stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.
Art. 12.
-1. Het binnentreden in een woning zonder
toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of
krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet
zijn aangewezen.
-2. Voor het binnentreden overeenkomstig
het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel
van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde
uitzonderingen.
-3. Aan de bewoner wordt zo spoedig
mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien
het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de
strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen
regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de
wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten
indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking
blijvend verzet.
Art. 13.
-1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de
gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
-2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar,
behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn
aangewezen.
Art. 14.
-1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen
belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, één en ander naar bij of
krachtens de wet te stellen voorschriften.
-2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf
verzekerd te zijn wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
-3. In de gevallen bij of krachtens de wet
bepaald
bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade indien in het algemeen
belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de
uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.
Art. 15.
-1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet
bepaald
mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
-2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn
vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval
door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke
invrijheidstelling indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
-3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop
zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
-4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen,
kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de
vrijheidsontneming verdraagt.
Art. 16.
Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke strafbepaling.
Art. 17.
Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de
rechter die de wet hem toekent.
Art. 18.
-1. Ieder kan zich in rechte en in administratief
beroep doen bijstaan.
-2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van
rechtsbijstand aan minderdraagkrachtigen.
Art. 19.
-1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is
voorwerp van zorg der overheid.
-2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van
hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
-3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze
van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.
Art. 20.
-1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding
van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
-2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op
sociale zekerheid.
-3. Nederlanders hier te lande die niet in het
bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.
Art. 21.
De zorg van de overheid is gericht op de
bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.
Art. 22.
-1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van
de volksgezondheid.
-2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is
voorwerp van zorg der overheid.
-3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en
culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.
Art. 23.
-1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende
zorg der regering.
-2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het
toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het
onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven,
één en ander bij de
wet
te regelen.
-3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van
ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
-4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend
openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal
openbare scholen.
Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits
tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven,
al dan
niet in een openbare school.
-5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten
dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met
inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
-6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager
onderwijs zodanig geregeld dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas
bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die
regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de
keuze der
leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
-7. Het bijzonder algemeen vormend lager
onderwijs,
dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het
openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden
vast waarop voor het
bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de
openbare kas worden verleend.
-8. De regering doet jaarlijks van de staat van het
onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
HOOFDSTUK
2
Regering
§ 1.
Koning
Art. 24.
Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de
wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.
Art. 25.
Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning
krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft,
met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het
koningschap
op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn
grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde
graad van bloedverwantschap.
Art. 26.
Het kind waarvan een vrouw zwanger is op het
ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt
het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
Art. 27.
Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging
overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en
hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.
Art. 28.
-1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de
wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
-2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan
beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun
nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
-3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter
zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde
vergadering.
Art. 29.
-1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe
nopen, kunnen bij een wet één of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.
-2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de
Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde
vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte stemmen.
Art. 30.
-1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal
ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning
ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden.
De nieuwe kamers
beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Zij kunnen het voorstel
alleen aannemen
met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
-2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand
van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen
binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen
teneinde
te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger
alleen benoemen met
ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Art. 31.
-1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging
alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.
-2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het
eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde
opvolger, zolang deze nog
geen Koning is.
Art. 32.
Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk
gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in
een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw
aan de
Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.
Art. 33.
De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit
nadat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Art. 34.
De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over
de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake
in verenigde vergadering.
Art. 35.
-1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de
Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het
daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in
verenigde
vergadering bijeenkomen.
-2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan
verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt
bekendgemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.
-3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk
gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake
in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de
Koning de
uitoefening van het koninklijk gezag.
-4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de
persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De
Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Art. 36.
De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag
tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet waarvan het voorstel door of
vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in
verenigde
vergadering.
Art. 37.
-1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een
regent:
a. zolang de Koning de leeftijd van 18 jaar
niet heeft bereikt;
b. indien een nog niet geboren kind tot het
koningschap geroepen kan zijn;
c. indien de Koning buiten staat is verklaard het
koninklijk gezag uit te oefenen;
d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk
gezag tijdelijk heeft neergelegd;
e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens
afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.
-2. De regent wordt benoemd bij de wet. De
Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
-3. In de gevallen,
genoemd in het eerste lid, onderdeel c en d, is de nakomeling
van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent
indien hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
-4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet
en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De
wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de
vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in
verenigde
vergadering.
-5. Op de regent zijn de artikelen 35 en
36 van
overeenkomstige toepassing.
Art. 38.
Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk
gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van
State.
Art. 39.
De wet regelt wie lid is van het koninklijk huis.
Art. 40.
-1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het
Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk
huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.
-2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van
het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun
functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn
vermoedelijke opvolger
krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten
van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.
-3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen
van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte stemmen.
Art. 41.
De Koning richt, met inachtneming van het openbaar
belang, zijn Huis in.
§ 2.
Koning en ministers
Art. 42.
-1. De regering wordt gevormd door de Koning en de
ministers.
-2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn
verantwoordelijk.
Art. 43.
De minister-president en de overige ministers worden
bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.
Art. 44.
-1. Bij koninklijk besluit worden ministeries
ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.
-2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet
belast zijn met de leiding van een ministerie.
Art. 45.
-1. De ministers vormen tezamen de ministerraad.
-2. De minister-president is voorzitter van de
ministerraad.
-3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het
algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.
Art. 46.
-1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen
worden benoemd en ontslagen.
-2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin
de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister
op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de
verantwoordelijkheid van de minister.
Art. 47.
Alle wetten en koninklijke besluiten
worden door de
Koning en door één of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.
Art. 48.
Het koninklijk besluit waarbij de minister-president
wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de
overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de
minister-president ondertekend.
Art. 49.
Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de
ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning
een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij
trouw aan de
Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
HOOFDSTUK
3
Staten-Generaal
§ 1.
Inrichting en
samenstelling
Art. 50.
De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele
Nederlandse volk.
Art. 51.
-1. De Staten-Generaal bestaan uit de Tweede Kamer en
de Eerste Kamer.
-2. De Tweede Kamer bestaat uit honderdvijftig leden.
-3. De Eerste Kamer bestaat uit vijfenzeventig leden.
-4. Bij een verenigde vergadering worden de kamers als
één beschouwd.
Art. 52.
-1. De zittingsduur van beide kamers is vier jaren.
-2. Indien voor de provinciale staten bij de wet een
andere zittingsduur dan vier jaren wordt vastgesteld, wordt daarbij de zittingsduur van de
Eerste Kamer in overeenkomstige zin gewijzigd.
Art. 53.
-1. De leden van beide kamers worden gekozen op de
grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
-2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime
stemming.
Art. 54.
-1. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks
gekozen door de Nederlanders die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, behoudens bij de
wet te bepalen uitzonderingen ten aanzien van Nederlanders die geen ingezetenen zijn.
-2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij
die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij
onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van ten minste één jaar en hierbij tevens is ontzet van
het kiesrecht.
Art. 55.
De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de
leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der
kamer,
gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.
Art. 56.
Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn, is
vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten
van het kiesrecht.
Art. 57.
-1. Niemand kan lid van beide kamers zijn.
-2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens
zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van
State, lid van de Algemene Rekenkamer, Nationale
ombudsman of substituut-ombudsman, of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij de
Hoge Raad.
-3. Niettemin kan een minister of
staatssecretaris
die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld, dit ambt verenigen met het lidmaatschap van de
Staten-Generaal, totdat omtrent die beschikbaarstelling is beslist.
-4. De wet kan ten aanzien van andere openbare
betrekkingen bepalen dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van
één der
kamers kunnen worden uitgeoefend.
Art.
57a.¹
De wet regelt de tijdelijke
vervanging van een lid van de Staten-Generaal wegens zwangerschap
en bevalling, alsmede wegens ziekte.
1. Zie additioneel
artikel I, red.
Art. 58.
Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar
nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de
geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.
Art. 59.
Alles wat verder het kiesrecht en de verkiezingen
betreft, wordt bij de wet geregeld.
Art. 60.
Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden
van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en
belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe
vervulling
van hun ambt.
Art. 61.
-1. Elk der kamers benoemt uit de leden een
voorzitter.
-2. Elk der kamers benoemt een griffier. Deze en de
overige ambtenaren van de kamers kunnen niet tevens lid van de Staten-Generaal zijn.
Art. 62.
De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding
van de verenigde vergadering.
Art. 63.
Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en
gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De
kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden
van het
aantal uitgebrachte stemmen.
Art. 64.
-1. Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden
ontbonden.
-2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in
tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de
nieuw gekozen
kamer binnen drie maanden.
-3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de
nieuw gekozen kamer samenkomt.
-4. De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding
optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren. De zittingsduur van
een na ontbinding optredende Eerste Kamer eindigt op het tijdstip waarop de zittingsduur
van de
ontbonden kamer zou zijn geëindigd.
§ 2.
Werkwijze
Art. 65.
Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een
bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van
de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid
gegeven.
Art. 66.
-1. De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn
openbaar.
-2. De deuren worden gesloten wanneer een
tiende deel
van het aantal aanwezige leden het vordert of de voorzitter het nodig oordeelt.
-3. Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in
verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en
besloten.
Art. 67.
-1. De kamers mogen elk afzonderlijk en in verenigde
vergadering alleen beraadslagen of besluiten indien meer dan de helft van het aantal zitting
hebbende leden ter vergadering aanwezig is.
-2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van
stemmen.
-3. De leden stemmen zonder last.
-4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke
oproeping gestemd wanneer één lid dit verlangt.
Art. 68.
De ministers en de staatssecretarissen geven de
kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door
één of meer leden
verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de
Staat.
Art. 69.
-1. De ministers en de staatssecretarissen hebben
toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.
-2. Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in
verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.
-3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan
door de personen daartoe door hen aangewezen.
Art. 70.
Beide kamers hebben, zowel ieder afzonderlijk als in
verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.
Art. 71.
De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de
staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte
worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de
Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk
hebben overgelegd.
Art. 72.
De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde
vergadering een reglement van orde vast.
HOOFDSTUK
4
Raad van
State, Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman en vaste colleges van advies
Art. 73.
-1. De Raad van State of een afdeling van de Raad
wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur,
alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te
bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven.
-2. De Raad of een afdeling van de Raad is belast met
het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt
de uitspraak voor.
-3. De wet kan aan de Raad of een afdeling van de Raad
de uitspraak in geschillen van bestuur opdragen.
Art. 74.
-1. De Koning is voorzitter van de Raad van
State. De
vermoedelijke opvolger van de Koning heeft na het bereiken van de leeftijd van
18 jaar van
rechtswege zitting in de Raad. Bij of krachtens de wet kan aan andere leden van het koninklijk huis
zitting in de Raad worden verleend.
-2. De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit
voor het leven benoemd.
-3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een
bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.
-4. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij
door de Raad worden geschorst of ontslagen.
-5. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
Art. 75.
-1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en
bevoegdheid van de Raad van State.
-2. Bij de wet kunnen aan de Raad of een afdeling van
de Raad ook andere taken worden opgedragen.
Art. 76.
De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek
van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.
Art. 77.
-1. De leden van de Algemene Rekenkamer worden bij
koninklijk besluit voor het leven benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
-2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een
bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.
-3. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij
door de Hoge Raad worden geschorst of ontslagen.
-4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
Art. 78.
-1. De wet regelt de inrichting, samenstelling en
bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer.
-2. Bij de wet kunnen aan de Algemene Rekenkamer ook
andere taken worden opgedragen.
Art. 78a.
-1. De Nationale ombudsman verricht op verzoek of uit
eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Rijk en van andere bij of
krachtens de wet aangewezen bestuursorganen.
-2. De Nationale ombudsman en een substituut-ombudsman
worden voor een bij de wet te bepalen termijn benoemd door de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd
worden zij ontslagen. In de gevallen bij de wet aangewezen kunnen zij door de Tweede
Kamer der
Staten-Generaal worden geschorst of ontslagen. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
-3. De wet regelt de bevoegdheid en werkwijze van de
Nationale ombudsman.
-4. Bij of krachtens de wet kunnen aan de Nationale
ombudsman ook andere taken worden opgedragen.
Art. 79.
-1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving
en bestuur van het Rijk worden ingesteld bij of krachtens de wet.
-2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en
bevoegdheid van deze colleges.
-3. Bij of krachtens de wet kunnen aan deze colleges
ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.
Art. 80.
-1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde
colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij de wet te stellen.
-2. Adviezen, uitgebracht ter zake van voorstellen van
wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, worden, behoudens bij de wet te bepalen
uitzonderingen, aan de Staten-Generaal overgelegd.
HOOFDSTUK
5
Wetgeving en
bestuur
§ 1.
Wetten en andere
voorschriften
Art. 81.
De vaststelling van wetten geschiedt door de regering
en de Staten-Generaal gezamenlijk.
Art. 82.
-1. Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door
of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
-2. Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de
Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of
vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de
verenigde vergadering.
-3. Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede
Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door
één of meer leden
aanhangig gemaakt.
Art. 83.
Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de
Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de
Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.
Art. 84.
-1. Zolang een voorstel van wet, ingediend door of
vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is
aangenomen, kan het door haar, op voorstel van één of meer leden, en vanwege de regering worden
gewijzigd.
-2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de
verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door
haar, op voorstel van één of meer leden, en door het lid of de leden door wie het aanhangig is
gemaakt, worden gewijzigd.
Art. 85.
[Geschiedenis]
Zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft
aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer,
die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede
Kamer
kan één of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in
de Eerste Kamer
te verdedigen.
Art. 86.
-1. Zolang een voorstel van wet niet door de
Staten-Generaal is aangenomen, kan het door of vanwege de indiener worden ingetrokken.
-2. Zolang de Tweede Kamer onderscheidenlijk de
verenigde vergadering een door haar in te dienen voorstel van wet niet heeft aangenomen, kan het door
het lid of de leden door wie het aanhangig is gemaakt, worden ingetrokken.
Art. 87.
-1. Een voorstel wordt wet, zodra het door de
Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning is bekrachtigd.
-2. De Koning en de Staten-Generaal geven elkaar
kennis van hun besluit omtrent enig voorstel van wet.
Art. 88.
De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding
van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.
Art. 89.
-1. Algemene
maatregelen van bestuur worden bij
koninklijk besluit vastgesteld.
-2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden
daarin alleen gegeven krachtens de wet. De wet bepaalt de op te leggen straffen.
-3. De wet regelt de bekendmaking en de
inwerkingtreding van de algemene maatregelen van bestuur. Zij treden niet in werking voordat zij zijn
bekendgemaakt.
-4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op andere vanwege het Rijk
vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.
§ 2.
Overige bepalingen
Art. 90.
De regering bevordert de ontwikkeling van de
internationale rechtsorde.
Art. 91.
-1. Het Koninkrijk wordt niet aan verdragen gebonden
en deze worden niet opgezegd zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De
wet bepaalt de gevallen waarin geen goedkeuring is vereist.
-2. De wet bepaalt de wijze waarop de goedkeuring
wordt verleend en kan voorzien in stilzwijgende goedkeuring.
-3. Indien een verdrag bepalingen bevat welke afwijken
van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaken, kunnen de kamers de goedkeuring alleen
verlenen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Art. 92.
Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in
artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot
wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.
Art. 93.
Bepalingen van verdragen en van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties die naar haar ¹ inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht
nadat zij zijn bekendgemaakt.
1. Volgens de redactie
dient "haar" te worden vervangen door: hun.
Art. 94.
Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke
voorschriften vinden geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder
verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Art. 95.
De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van
verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Art. 96.
-1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan
na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal.
-2. De toestemming is niet vereist wanneer het
overleg met de Staten-Generaal tengevolge van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is
gebleken.
-3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter
zake in verenigde vergadering.
-4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van
overeenkomstige toepassing voor een verklaring dat een oorlog beëindigd is.
Art. 97.
-1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming
van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van
de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.
-2. De regering heeft het oppergezag over de
krijgsmacht.
Art. 98.
-1. De krijgsmacht bestaat uit vrijwillig dienenden en
kan mede bestaan uit dienstplichtigen.
-2. De wet regelt de verplichte militaire dienst en de
bevoegdheid tot opschorting van de oproeping in werkelijke dienst.
Art. 99.
De wet regelt vrijstelling van militaire dienst
wegens ernstige gewetensbezwaren.
Art. 99a.
Volgens bij de wet te stellen regels kunnen plichten
worden opgelegd ten behoeve van de civiele verdediging.
Art. 100.
-1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf
inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of
bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van
inlichtingen
over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening
in geval
van gewapend conflict.
-2. Het eerste lid geldt niet indien dwingende
redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinderen.
In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk
verstrekt.
Art. 101.
(Vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb.
1995, 401)
Art.
102. (Vervallen bij Rijkswet van 22
juni 2000, Stb. 2000, 294)
Art. 103.
-1. De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving
van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen
uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.
-2. Daarbij kan worden afgeweken van de
grondwetsbepalingen inzake de bevoegdheden van de besturen van provincies,
gemeenten en waterschappen,
van de grondrechten geregeld in de artikelen 6, voor zover dit de uitoefening buiten
gebouwen en
besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft, 7,
8, 9, 12, tweede en derde lid, en
13, alsmede van artikel 113, eerste en derde lid.
-3. Terstond na de afkondiging van een
uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij koninklijk besluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig
oordelen, beslissen de Staten-Generaal omtrent het voortduren daarvan; zij beraadslagen en
besluiten
ter zake in verenigde vergadering.
Art. 104.
Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht
van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.
Art. 105.
-1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van
het Rijk wordt bij de wet vastgesteld.
-2. Jaarlijks worden voorstellen van algemene
begrotingswetten door of vanwege de Koning ingediend op het in artikel 65 bedoelde tijdstip.
-3. De verantwoording van de ontvangsten en de
uitgaven van het Rijk wordt aan de Staten-Generaal gedaan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De
door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening wordt aan de Staten-Generaal
overgelegd.
-4. De wet stelt regels omtrent het beheer van de
financiën van het Rijk.
Art. 106.
De wet regelt het geldstelsel.
Art. 107.
-1. De wet regelt het burgerlijk recht, het strafrecht
en het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken, behoudens de bevoegdheid tot regeling
van
bepaalde onderwerpen in afzonderlijke wetten.
-2. De wet stelt algemene regels van bestuursrecht
vast.
Art. 108.
(Vervallen bij Wet van 25 februari 1999, Stb.
1999, 133)
Art. 109.
De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij
stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.
Art. 110.
De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak
openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.
Art. 111.
Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
HOOFDSTUK
6
Rechtspraak
Art. 112.
-1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de
berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.
-2. De wet kan de berechting van geschillen die niet
uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan
gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van
behandeling en de
gevolgen van de beslissingen.
Art. 113.
-1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.
-2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt
bij de wet geregeld.
-3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend
door de rechterlijke macht worden opgelegd.
-4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels
stellen.
Art. 114.
De doodstraf kan niet worden opgelegd.
Art. 115.
Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid,
bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.
Art. 116.
-1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de
rechterlijke macht.
-2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en
bevoegdheid van de rechterlijke macht.
-3. De wet kan bepalen dat aan rechtspraak door de
rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.
-4. De wet regelt het toezicht door leden van de
rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en
door de personen, bedoeld in het vorige lid.
Art. 117.
-1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak
belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven
benoemd.
-2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een
bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.
-3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door
een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.
-4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.
Art. 118.
-1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie
personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
-2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de
grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken
wegens schending van het
recht.
-3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere
taken worden opgedragen.
Art. 119.
De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens
ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na
hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij
koninklijk
besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.
Art. 120.
De rechter treedt niet in de beoordeling van de
grondwettigheid van wetten en verdragen.
Art. 121.
Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald
vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij
rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.
Art. 122.
-1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na
advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of
krachtens de wet te stellen
voorschriften.
-2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.
HOOFDSTUK
7
Provincies,
gemeenten, waterschappen en andere openbare lichamen
Art. 123.
-1. Bij de wet kunnen provincies en
gemeenten worden opgeheven en nieuwe ingesteld.
-2. De wet regelt de wijziging van provinciale en
gemeentelijke grenzen.
Art. 124.
-1. Voor provincies en
gemeenten wordt de bevoegdheid
tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten.
-2. Regeling en bestuur kunnen van de besturen van
provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet.
Art. 125.
-1. Aan het hoofd van de provincie en de
gemeente
staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar,
behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.
-2. Van het bestuur van de provincie maken ook deel
uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het
college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
Art. 126.
Bij de wet kan worden bepaald dat de commissaris van
de Koning wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven
ambtsinstructie.
Art. 127.
Provinciale staten en de gemeenteraad stellen,
behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale
onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.
Art. 128.
Behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 123, kan
de toekenning van bevoegdheden als bedoeld in artikel
124, eerste lid, aan andere organen dan
die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de
gemeenteraad geschieden.
Art. 129.
-1. De leden van provinciale staten en van de
gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de
provincie
onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van
de
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
-2. De leden worden gekozen op de grondslag van
evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
-3. De artikelen 53, tweede lid, en
59 zijn van toepassing. Artikel 57a
is van overeenkomstige toepassing.¹
-4. De zittingsduur van provinciale staten en de
gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
-5. De wet bepaalt welke betrekkingen niet
gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan
bepalen
dat beletselen voor
het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet
aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
-6. De leden stemmen zonder last.
1. Zie additioneel
artikel I, red.
Art. 130.
De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te
kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn, toekennen aan
ingezetenen die geen
Nederlander zijn, mits zij ten minste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die
tevens
Nederlander zijn.
Art. 131.
De commissaris van de Koning en de burgemeester
worden bij koninklijk besluit benoemd.
Art. 132.
-1. De wet regelt de inrichting van provincies en
gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen.
-2. De wet regelt het toezicht op deze besturen.
-3. Besluiten van deze besturen kunnen slechts aan voorafgaand toezicht worden onderworpen in bij of
krachtens de wet te bepalen gevallen.
-4. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan
alleen geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
-5. De wet regelt de voorzieningen bij in gebreke
blijven ten aanzien van regeling en bestuur, gevorderd krachtens artikel
124, tweede lid. Bij de
wet kunnen met afwijking van de artikelen 125 en 127 voorzieningen worden getroffen voor het
geval het
bestuur van een provincie of een gemeente zijn taken grovelijk verwaarloost.
-6. De wet bepaalt welke belastingen door de besturen
van provincies en gemeenten kunnen worden geheven en regelt hun financiële verhouding tot het
Rijk.
Art. 133.
-1. De opheffing en instelling van waterschappen, de
regeling van hun taken en inrichting, alsmede de samenstelling van hun besturen, geschieden volgens
bij de wet te stellen regels bij provinciale verordening, voor zover bij of krachtens de wet niet
anders is bepaald.
-2. De wet regelt de verordenende en andere
bevoegdheden van de besturen van de waterschappen, alsmede de openbaarheid
van hun vergaderingen.
-3. De wet regelt het provinciale en overige toezicht
op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met
het recht of het algemeen belang.
Art. 134.
-1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen
voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.
-2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze
openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid
van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende
bevoegdheid
worden verleend.
-3. De wet regelt het toezicht op deze besturen.
Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens
strijd met het recht of het
algemeen belang.
Art. 135.
De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij
twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar
lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.
Art. 136.
De geschillen tussen openbare lichamen worden bij
koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de
rechterlijke macht of hun
beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
HOOFDSTUK
8
Herziening
van de Grondwet
Art. 137.
-1. De wet verklaart dat een verandering in de
Grondwet, zoals zij die voorstelt, in overweging zal worden genomen.
-2. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe
door of vanwege de Koning ingediend voorstel, een voorstel voor zodanige wet splitsen.
-3. Na de bekendmaking van de wet, bedoeld in het
eerste lid, wordt de Tweede Kamer ontbonden.
-4. Nadat de nieuwe Tweede Kamer is samengekomen, overwegen beide kamers in tweede lezing het
voorstel tot verandering, bedoeld in het eerste lid.
Zij kunnen dit alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte stemmen.
-5. De Tweede Kamer kan, al dan niet op een daartoe
door of vanwege de Koning ingediend voorstel, met ten minste twee derden van het aantal
uitgebrachte stemmen een voorstel tot verandering splitsen.
Art. 138.
-1. Voordat de in tweede lezing aangenomen voorstellen
tot verandering in de Grondwet door de Koning worden bekrachtigd, kunnen bij de wet:
a. de aangenomen voorstellen en de ongewijzigd
gebleven bepalingen van de Grondwet voor zoveel nodig aan elkaar worden aangepast;
b. de indeling in en de plaats van hoofdstukken,
paragrafen en artikelen, alsmede de opschriften, worden gewijzigd.
-2. Een voorstel van wet,
houdende voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen
de kamers alleen aannemen met ten minste twee derden van
het aantal uitgebrachte stemmen.
Art. 139.
De veranderingen in de Grondwet, door de
Staten-Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond
in werking nadat zij
zijn bekendgemaakt.
Art. 140.
Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten
die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven
gehandhaafd totdat daarvoor
overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.
Art. 141.
De tekst van de herziene Grondwet wordt bij
koninklijk besluit bekendgemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen
kunnen worden vernummerd en
verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.
Art. 142.
De Grondwet kan bij de wet met het Statuut
voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen
139, 140 en 141 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Additionele
artikelen
Art. I.
De artikelen 57a en 129,
derde lid, tweede volzin, treden eerst na vier jaar of op een bij of
krachtens de wet te bepalen eerder tijdstip in werking.¹
1. Zie de Wet
van 20 januari 2005, Stb. 2005, 52, red.
Art. II.
Artikel 54, tweede lid, naar de tekst van 1983 blijft
gedurende vijf jaren of een bij of krachtens de wet te bepalen kortere
termijn van kracht. Deze termijn kan bij de wet voor ten hoogste vijf
jaren worden verlengd.
Art. 54, tweede lid
Van het kiesrecht is uitgesloten:
a. hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet
aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is
veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste één jaar en hierbij
tevens is ontzet van het kiesrecht;
b. hij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak
wegens een geestelijke stoornis onbekwaam is rechtshandelingen te
verrichten.
Art. III. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. IV. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. V. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. VI. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. VII. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. VIII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. IX.
Artikel 16 is niet van toepassing ten aanzien van
feiten, strafbaar gesteld krachtens het Besluit
Buitengewoon Strafrecht.
Art. X. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. XI.
(Vervallen bij Rijkswet van 6 oktober 1999, Stb.
1999, 454)
Art. XII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XIII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XIV.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XV. (Vervallen
bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995, 404)
Art. XVI.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XVII.
(Vervallen bij Wet van 25 februari 1999, Stb.
1999, 135)
Art. XVIII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XIX.
Het formulier van afkondiging, vastgesteld bij
artikel 81, en de formulieren van verzending en kennisgeving, vastgesteld bij de
artikelen 123, 124, 127, 128 en 130 van de Grondwet naar de tekst van 1972, blijven van kracht totdat daarvoor een
regeling is getroffen.
Art. 81.
Het formulier van afkondiging der wetten is het
volgende:
"Wij" enz. "Koning der
Nederlanden", enz.
"Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
"Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat" enz.
(De beweegredenen der wet).
"Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze" enz.
(De inhoud der wet).
"Gegeven", enz.
Ingeval een Koningin regeert of het Koninklijk gezag
door een Regent of door de Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor nodige wijziging
in dit formulier gebracht.
[Art. 123.
Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het
voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan
de Eerste Kamer met het
volgende formulier:
"De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan
de Eerste Kamer het hiernevens gaande voorstel des Konings en is van oordeel, dat
het, zoals het
daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden aangenomen."
Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen van het
voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan de Koning met het volgende formulier:
"De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt de
Koning haar dank voor Zijn ijver in het bevorderen van de belangen van de Staat en verzoekt
Hem
eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen."] ¹
1. Volgens de redactie
is artikel 123 in deze tekstplaatsing ten onrechte geschrapt.
[Art. 124.
Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit,
geeft zij daarvan kennis aan de Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:
"Aan de Koning.
"De Staten-Generaal betuigen de Koning hun dank
voor Zijn ijver in het bevorderen van de belangen van de Staat en verenigen zich met het
voorstel zoals
het daar ligt."
"Aan de Tweede Kamer.
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan
de Tweede Kamer kennis, dat zij zich heeft verenigd met het voorstel betrekkelijk
..., op de ... aan haar
door de Tweede Kamer toegezonden."
Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het
voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan de Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende
formulieren:
"Aan de Koning.
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt de
Koning haar dank voor Zijn ijver in het bevorderen van de belangen van de
Staat, en verzoekt Hem
eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen."
"Aan de Tweede Kamer.
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan
de Tweede Kamer kennis, dat zij de Koning eerbiedig heeft verzocht het voorstel
betrekkelijk
..., op de ... aan haar door de Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging te nemen."]
¹
1. Volgens de redactie
is artikel 124 in deze tekstplaatsing ten onrechte geschrapt.
[Art. 127.
De voordracht daartoe behoort uitsluitend aan de
Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings
voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende
formulier:
"De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan
de Eerste Kamer het hiernevengaande voorstel, en is van oordeel, dat de Staten-Generaal daarop 's
Konings bewilliging behoren te verzoeken."] ¹
1. Volgens de redactie
is artikel 127 in deze tekstplaatsing ten onrechte geschrapt.
[Art. 128.
Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone
wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan de Koning met het
volgende formulier:
"De Staten-Generaal, oordelende dat het
nevengaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering van de belangen van de Staat, verzoeken
eerbiedig
daarop 's Konings bewilliging."
Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer
met het volgende formulier:
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft
kennis aan de Tweede Kamer, dat zij zich heeft verenigd met het van haar op de ... ontvangen voorstel
betrekkelijk ... en daarop namens de Staten-Generaal 's Konings bewilliging heeft
verzocht."
Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt,
zo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geen
genoegzame reden gevonden om op het hiernevens teruggaande voorstel 's Konings
bewilliging te verzoeken."] ¹
1. Volgens de redactie
is artikel 128 in deze tekstplaatsing ten onrechte geschrapt.
Art. 130.
De Koning doet de Staten-Generaal zo spoedig mogelijk
kennis dragen of hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die
kennisgeving geschiedt met één der volgende formulieren:
"De Koning bewilligt in het voorstel."
of:
"De Koning houdt het voorstel in
overweging."
Art. XX.
(Vervallen bij Rijkswet van 10 juli 1995, Stb.
1995, 402)
Art. XXI.
(Vervallen bij Rijkswet van 6 oktober 1999, Stb.
1999, 454)
Art. XXII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XXIII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XXIV.
(Vervallen bij Wet van 25 februari 1999, Stb.
1999, 135)
Art. XXV.
(Vervallen bij Wet van 25 februari 1999, Stb.
1999, 135)
Art. XXVI.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XXVII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XXVIII.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XXIX.
(Vervallen bij Wet van 10 juli 1995, Stb. 1995,
404)
Art. XXX.
(Vervallen bij Rijkswet van 6 oktober 1999, Stb.
1999, 454)
Behoort bij het Koninklijk
besluit van 22 augustus 2008.
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
|