|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2007-2008, 2008-2009,
31 586.
Handelingen II 2008-2009, blz. 1933-1933.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 586 (A, B).
Handelingen I 2008-2009, blz. 541-541.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 4 december 2008, Stb.
2008, 510, tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten teneinde de Sociale
verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de
mogelijkheid te geven om van terugvordering af te zien door medewerking
aan voorstellen tot schuldregeling. Inwerkingtreding: 19 december 2008.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om in de socialezekerheidswetten
de mogelijkheid te creëren voor de Sociale
verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen om van
een vordering af te zien door medewerking aan voorstellen tot
schuldregeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
Na artikel 57b van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden twee artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 58.
-1. In afwijking van artikel 57, eerste lid, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of
gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde
betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
80, en
hiervoor een boete als bedoeld in artikel 29a
is opgelegd, dan wel indien
hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet
overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 59.
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 57 en
58 van deze wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
Art.
II. Wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
Na artikel 65 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen worden twee artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 65a. Schuldregeling
-1. In afwijking van artikel 63, eerste lid, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
verzoek van de belanghebbende, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering
af te zien door medewerking
aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
70, en
hiervoor een boete als bedoeld in artikel 48 is
opgelegd, dan wel indien
hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet
overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 65b. Preferentie
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 63 en
65a van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
III. Wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [MvT]
Na artikel 57 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten worden
twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 57a. Schuldregeling
-1. In afwijking van artikel 55, eerste lid, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
verzoek van de jonggehandicapte, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien
door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de jonggehandicapte niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de jonggehandicapte van de verplichting, bedoeld in artikel
62, en
hiervoor een boete als bedoeld in artikel 40 is
opgelegd, dan wel indien
hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de jonggehandicapte gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de jonggehandicapte zijn
schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet
overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 57b. Preferentie
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 55 en
57a van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
IV. Wijziging van de
Werkloosheidswet [MvT]
Na artikel 36b van de
Werkloosheidswet worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 36c.
-1. In afwijking van artikel 36, eerste lid, kan het
UWV, op verzoek van de werknemer, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te
zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de werknemer niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het UWV
wegens onverschuldigd betaalde uitkering ten minste zal worden
voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het UWV betrouwbare schuldregeling tot stand is gekomen door
tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel
25, en hiervoor een
boete als bedoeld in artikel 27a is opgelegd,
dan wel met betrekking tot
het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het besluit tot afzien
van terugvordering of verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de werknemer gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de werknemer zijn schuld
aan het UWV niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 36d.
Een vordering van het UWV als bedoeld in artikel 36 en
36c van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
V. Wijziging van de
Algemene Ouderdomswet [MvT]
Na artikel 24b van de
Algemene Ouderdomswet worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 25.
-1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan de
Sociale
verzekeringsbank, op verzoek van de
pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van
terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien
door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de pensioengerechtigde niet zal kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de
Sociale verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal
worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
de Sociale verzekeringsbank betrouwbare schuldregeling tot stand is
gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de pensioengerechtigde van de verplichting, bedoeld in artikel
49, en
met betrekking tot het niet naleven van die verplichting een boete als
bedoeld in artikel 17c is opgelegd, dan wel
indien hiervoor aangifte is
gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de pensioengerechtigde
of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn schuld aan de Sociale
verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 25a.
Een vordering van de Sociale
verzekeringsbank als bedoeld in de
artikelen 24 en 25 van deze
wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288
van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek.
Art.
VI. Wijziging van de Algemene nabestaandenwet [MvT]
Na artikel 55 van de Algemene
nabestaandenwet worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 55a.
-1. In afwijking van artikel 53, eerste lid, kan de
Sociale
verzekeringsbank, op verzoek van de
nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de
instelling aan welke ingevolge artikel 49 of
57 de uitkering wordt uitbetaald,
besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel
49 of 57
de uitkering wordt uitbetaald, niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft
opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de
Sociale verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal
worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
de Sociale verzekeringsbank betrouwbare schuldregeling tot stand is
gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke
ingevolge artikel 49 of
37 ¹ de uitkering wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in
artikel 35, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 39 is opgelegd, dan
wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is
gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de nabestaande, het
ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de
instelling aan welke ingevolge artikel 49 of
37 ¹ de uitkering wordt uitbetaald,
zijn schuld aan het de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 55b.
Een vordering van de Sociale
verzekeringsbank als bedoeld in de
artikelen 53 en 55a
van deze
wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 49 of
37" te worden vervangen door: artikel 49 of
57.
Art.
VII. Wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet [MvT]
Na artikel 24b van de
Algemene Kinderbijslagwet worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 24c.
-1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan de
Sociale
verzekeringsbank, op verzoek van de
verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van de
artikelen 7c of 21
kinderbijslag wordt
betaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien bij medewerking aan een
schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt,
of de persoon aan wie op grond van de artikelen
7c of 21 kinderbijslag wordt betaald, niet zal kunnen voortgaan
met het betalen van zijn
schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te
betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de
Sociale verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal
worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
de Sociale verzekeringsbank betrouwbare schuldregeling tot stand is
gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in
artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de
persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald,
van de verplichting, bedoeld in artikel 15, en
hiervoor een boete als
bedoeld in artikel 17a is opgelegd, dan wel met
betrekking tot het niet
naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op
grond van de artikelen 7c of
21 kinderbijslag wordt betaald, gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de verzekerde, dan wel
degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond
van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn schuld aan de
Sociale
verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 24d.
Een vordering van de Sociale
verzekeringsbank als bedoeld in de
artikelen 24 en 24c
van deze
wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
Art.
VIII. Wijziging van de
Ziektewet [MvT]
Na artikel 33b van de
Ziektewet worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 34.
-1. In afwijking van artikel 33, eerste lid, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
verzoek van de werknemer, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering
af te zien bij medewerking
aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de werknemer niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde
betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel
31, en hiervoor een
boete als bedoeld in artikel 45a is opgelegd,
dan wel met betrekking tot
het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de werknemer gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de werknemer zijn schuld
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 34a.
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in de artikelen
33 en 34 van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
IX. Wijziging van de
Toeslagenwet [MvT]
Na artikel 20b van de
Toeslagenwet worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 21.
-1. In afwijking van artikel 20, eerste lid, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op
verzoek van degene die aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
alsmede de instelling aan
welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te
zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat degene die aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of
zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge
artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, niet zal
kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde
betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
degene die aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel
22 toeslag wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in
artikel 12, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel
14a is opgelegd, dan
wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is
gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van degene die aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
alsmede de instelling aan
welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, degene van wie
wordt teruggevorderd gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene die aanspraak
maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag
wordt
uitbetaald, zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet
overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 21a.
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 20 en
21 van deze wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de
vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
X. Wijziging van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen [MvT]
Na artikel 79 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen worden twee artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 79a. Schuldregeling
-1. In afwijking van artikel 77, eerste lid, kan het
UWV, op
verzoek van degene van wie wordt teruggevorderd, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk
van verdere terugvordering
af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan
met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat
hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
degene van wie wordt teruggevorderd van de verplichting, bedoeld in
artikel 27, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 91 is opgelegd, dan
wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is
gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van degene van wie wordt teruggevorderd gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene van wie wordt
teruggevorderd zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet
overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 79b. Preferentie
Een vordering van het UWV als bedoeld in artikel 77 en
79a van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
XI. Wijziging van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
als volgt gewijzigd:
Artikel 25a wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
aanhef, wordt na "gedeeltelijk van verdere terugvordering van de uitkering af te
zien" ingevoegd: bij medewerking aan een schuldregeling.
2. Aan het eerste lid,
onderdeel a, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: of indien hij in
de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
3. Aan het slot van het
eerste lid, onderdeel b, vervalt "en".
4. Onder vervanging van de
punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel c, door een
puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd, luidende:
d. een naar het oordeel van
het college betrouwbare schuldregeling tot stand is gekomen door
tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet; en
e. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
5. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
13, en
hiervoor een boete als bedoeld in artikel 20a
is opgelegd, dan wel met
betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond
van het Wetboek van
Strafrecht.
6. In het derde lid wordt "Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van
terugvordering of tot het
gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering" vervangen door: Het
besluit
tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering.
7. Het vijfde lid komt te
luiden:
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
XII. Wijziging van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt
als volgt gewijzigd:
Artikel 25a wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
aanhef, wordt na "gedeeltelijk van verdere terugvordering van de uitkering af te
zien" ingevoegd: bij medewerking aan een schuldregeling.
2. Aan onderdeel a wordt een
zinsnede toegevoegd, luidende: of indien hij in de toestand verkeert
dat hij heeft opgehouden te betalen.
3. Aan het slot van het
eerste lid, onderdeel b, vervalt "en".
4. Onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma worden de
volgende onderdelen toegevoegd, luidende:
d. een naar het oordeel van
het college betrouwbare schuldregeling tot stand is gekomen door
tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet; en
e. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
5. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. de terugvordering die is
ontstaan door het niet nakomen door de belanghebbende van de
verplichting, bedoeld in artikel 13, en hiervoor
een boete als bedoeld in artikel 20a
is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die
verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht;.
6. In het derde lid wordt "Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van
terugvordering of tot het
gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering" vervangen door: Het
besluit
tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering.
7. Het vijfde lid komt te
luiden:
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
XIII. Wijziging van de Wet werk en inkomen kunstenaars
[MvT]
De Wet werk en inkomen
kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 31 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
aanhef, wordt na "gedeeltelijk van verdere terugvordering af te
zien"
ingevoegd: bij medewerking aan een schuldregeling.
2. Aan het slot van het
eerste lid, onderdeel b, wordt ", en" vervangen door een puntkomma.
3. Onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma worden de
volgende onderdelen toegevoegd, luidende:
d. een naar het oordeel van
het college betrouwbare schuldregeling tot stand is gekomen door
tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet; en
e. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
4. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. een terugvordering als
bedoeld in artikel 30 is ontstaan door het niet
nakomen door de kunstenaar
van de verplichting, bedoeld in artikel 20,
dan wel met betrekking tot
het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht;.
5. In het derde lid wordt "Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van
terugvordering of tot het
gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering" vervangen door: Het
besluit
tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering.
6. Het vijfde lid komt te
luiden:
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
XIV. Wijziging van de Wet arbeid en zorg [MvT]
In artikel 3:16, eerste lid,
onderdeel m, van de Wet arbeid en zorg wordt
"33b" vervangen door: 34a.
Art.
XIVa. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
Na artikel 35 van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen worden twee artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 35a. Schuldregeling
-1. In afwijking van artikel 34, eerste en derde lid, kan het
UWV, op verzoek van de
belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van
terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien
door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen
van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens
de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het UWV
wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan
naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke
rang;
d. een naar het oordeel van
het UWV betrouwbare schuldregeling tot stand is gekomen door
tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat
medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend
werkt; en
f. uitdeling in het kader
van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door
de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
12, eerste lid, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 21 is opgelegd, dan
wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het
afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is
gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn
schuld aan het UWV niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 35b. Preferentie
Een vordering van het UWV als bedoeld in artikel 34 en
35a van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
XV.
Deze wet treedt in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
4 december 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achttiende
december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|