Het
wetsvoorstel betreft invoering van de bevoegdheid voor het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV) en de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) om onder bepaalde voorwaarden
af te zien van het (verder)
terugvorderen van onverschuldigd betaalde uitkering.
De huidige regeling
De bestaande
socialezekerheidswetten hebben als doel om uitkeringsgerechtigden inkomensbescherming te
verlenen bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid en het
bevorderen van arbeidsparticipatie. Deze doelstellingen zijn in
de diverse socialezekerheidswet- en regelgeving uitgewerkt. Ter waarborging
van het draagvlak voor de sociale zekerheid en de betaalbaarheid van het
socialezekerheidsstelsel moeten vervolgens de publieke middelen gericht
worden ingezet, bij die personen waarvoor deze middelen zijn
bedoeld, voor zover deze personen tenminste aanspraak kunnen
maken op een uitkering.
Dit uitgangspunt heeft
bijvoorbeeld tot gevolg dat oudere rechthebbenden voorzieningen voor de oude
dag en nabestaande rechthebbenden inkomensondersteuning kunnen
blijven ontvangen, evenals dat een tegemoetkoming in de kosten voor kinderen
kan worden verstrekt.
Sinds de inwerkingtreding
per 1 januari 1997 van de Wet boeten, maatregelen
en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet BMT) geldt in
socialezekerheidswetten
dat in beginsel het volledige bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering dient te
worden teruggevorderd. Met het oog op de doelstellingen van de
wet in de werknemers- en volksverzekeringswetten is een rechtsplicht tot
terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering geschapen. Terugvordering en in aansluiting daarop de invordering
is immers niets meer dan het
herstel van de rechtmatige situatie.
Een adequaat
handhavingsbeleid impliceert dat in beginsel alle onverschuldigd betaalde uitkering wordt
teruggevorderd en dat de teruggevorderde rblz.|2|
bedragen ook daadwerkelijk ingevorderd worden: fraude mag
immers niet lonen.
De huidige rechtsplicht tot
terugvordering is de meest geëigende vorm om te bewerkstelligen dat
onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd. Het instrument van de
terugvordering dient als waarborg om te bewerkstelligen dat een
uitkeringsgerechtigde, na te veel uitkering te hebben ontvangen, in de
juiste uitkeringssituatie wordt geplaatst door hem de te veel ontvangen
uitkering te ontnemen.
Het is van primair belang
dat een ten onrechte genoten voordeel geheel ongedaan wordt gemaakt.
Zelfs het feit dat de uitkeringsgerechtigde zelf geen rol heeft gespeeld in
een foutieve toekenning is geen reden om hem eerder te vrijwaren van
corrigerende terug- en invorderingsacties en hem dit ongerechtvaardigde
voordeel te laten behouden.
Op dit principe is sinds de
invoering van de Wet BMT een beperkte versoepeling aangebracht. Zo
is in 1997 geregeld dat onder voorwaarden van terugvordering van geringe bedragen kan worden afgezien
(Stb. 1997, 789) [Veegwet SZW 1997, red.]. In 1999 is geregeld
dat in bepaalde situaties van (verdere) terugvordering kan worden afgezien,
bijvoorbeeld in de situatie waarin een debiteur gedurende vijf jaar dan wel
drie jaar volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan (Stb. 1998,
278) [Wet terugvordering en verhaal in verband met
herziening van het debiteurenbeleid, red.].
In de huidige
socialezekerheidswetgeving is echter geen expliciete mogelijkheid opgenomen voor het
UWV en de
SVB om mee te werken aan een (minnelijke) schuldregeling
en daardoor af te zien van een (gedeelte van) een vordering. Dit betekent
dat de debiteur of de bemiddelende schuldhulpverlener doorgaans de gang naar de
rechter moet maken voor een wettelijke schuldregeling.
De rechter heeft echter geen mogelijkheden om de vordering van de SVB of
het UWV bij een (minnelijke) schuldregeling te betrekken.
2.
Achtergrond van de
voorgestelde wijzigingen
Aanleiding
De Nederlandse Vereniging
van Volkskrediet (NVVK) heeft het UWV verzocht om mee te werken
aan de totstandkoming van minnelijke schuldregelingen. Daarnaast is het
kabinetsbeleid om de minnelijke schuldregeling waar mogelijk effectiever te
maken.
In 2004 verzocht het
UWV om
ruimere wettelijke mogelijkheden te krijgen in gevallen dat een algemeen
erkende schuldhulpverleningsorganisatie het UWV, als één van de
schuldeisers, verzoekt mee te werken aan een minnelijke schuldregeling en
waarbij de vordering van het UWV niet is ontstaan vanwege het niet of onvoldoende verstrekken van informatie en
de daaropvolgende boete. In
voorkomende gevallen worden pogingen om te komen tot een
minnelijke schuldregeling doorgaans gefrustreerd door het ontbreken van een
wettelijke mogelijkheid tot het meewerken daaraan. Het verzoek van het
UWV is aangehouden in afwachting van de Wet van 24 mei 2007 tot
wijziging van de Faillissementswet
in verband met herziening van de
schuldsaneringsregeling van natuurlijke personen (Stb. 2007, 192) (hierna:
WSNP).¹ De wijziging van de WSNP is op 1 januari 2008 in werking getreden
(Stb. 2007, 222).
De WSNP beoogt een
vereenvoudiging van de procedures en het beoordelingssysteem bij schuldsanering door een
eenvoudiger tussenkomst van de rechter in situaties
waarin duidelijk is dat een goede schuldregeling getroffen kan worden én de
schuldeisers geen goede gronden hebben om medewerking te weigeren (zie artikel
287a, vijfde lid, van de Faillissementswet).
Er volgt dan niet meer een
uitgebreide verificatievergadering, maar een rechtstreekse
tussenkomst van de rechter is mogelijk om een schuldregeling rblz.|3|
vast te stellen. De
WSNP beoogt eveneens een verlichting van de werklast voor de
rechterlijke macht en de bewindvoerders. De rechter toetst het belang van de
onwillige schuldeiser tegenover de belangen van de debiteur en de overige
schuldeisers. Zo nodig dwingt de rechter onredelijke crediteuren tot medewerking
aan de anders tot stand gekomen schuldregeling.
Ook nu de wijziging van de Faillissementswet
met de WSNP in werking is getreden, zullen het UWV
en
de
SVB nog niet kunnen medewerken aan een minnelijk schuldsaneringstraject als de
socialezekerheidsregelgeving
deze mogelijkheid niet
biedt. Dit heeft tot gevolg dat de debiteur zich steeds tot de rechter moet
wenden om het UWV en de SVB te dwingen tot medewerking. De rechter
heeft daartoe echter maar beperkte mogelijkheden.
1. Uit de evaluatie Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen van het
Wetenschappelijk Onderzoek- en
Documentatiecentrum (WODC) "Van schuld naar schone lei" is gebleken dat
met name
overheidsschuldeisers flexibeler zouden moeten inspelen op de WSNP. Een uitzondering hierop vormt de
belastingdienst, die al bij de voorbereiding
van de wet actief was betrokken en die het
beleid tijdig heeft afgestemd op de WSNP. De belastingdienst kan dan ook al meewerken aan
een minnelijke schuldregeling.
Het kabinetsbeleid en de
gewijzigde Faillissementswet
zijn aanleiding om de socialezekerheidsregelgeving
aan te passen opdat het UWV en de
SVB - anders dan
voorheen - onder voorwaarden kunnen meewerken aan een (minnelijke) schuldregeling.
De voorgestelde wetswijzigingen dragen bij aan het effectiever maken
van het minnelijke (schuldregelings)traject. Het UWV en de SVB kunnen op deze
wijze flexibeler inspelen op de WSNP. Daarnaast wordt een
consistent, samenhangend beleid beoogd. Hierbij wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij de ontwikkelingen in de Faillissementswet zonder dat afbreuk gedaan
mag worden aan de uitgangspunten van het handhavingsbeleid in
de socialezekerheidswetten dat misbruik moet worden voorkomen en dat
waar misbruik zich desondanks voordoet, dat niet mag lonen.
3.
Wijze van uitvoering
De nieuwe regeling
Met
dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld dat het UWV en de
SVB onder bepaalde voorwaarden kunnen
meewerken aan een (minnelijke) schuldregeling en kunnen besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien als de
schuldregeling tot stand is gekomen. Ook wordt geregeld dat de vorderingen
van het UWV en de SVB - al dan niet betrokken in een
schuldregeling, schuldsanering of faillissement - voortaan bevoorrecht zijn op
dezelfde wijze als de vorderingen van gemeenten op het gebied van
sociale zekerheid.
Voorwaarden voor medewerking
aan schuldregelingen
Het
UWV en de
SVB geven bij
een schuldregeling een (groot) deel van hun vordering prijs.
Aangezien het in deze
gevallen steeds gaat om onterecht verstrekt publiek geld mag van de schuldenaar
verwacht worden dat hij zich voor de duur van de schuldregeling tot
het uiterste inspant om zijn schulden te voldoen. Daarbij is het van
belang dat de schuldregeling met behulp van een erkende
schuldhulpverlener tot stand is gekomen, die op deze inspanningen toeziet. Het UWV en de SVB
moeten er daarbij op kunnen vertrouwen dat de
schuldhulpverlener zijn werk goed doet.
Aan de medewerking aan een
schuldregeling worden daarom enkele voorwaarden gesteld.
Zo moet de
schuldhulpverlener onafhankelijk en deskundig zijn. Van de schuldhulpverlener mag
verwacht worden dat hij vaststelt of er sprake is van een problematische
schuldsituatie.
De schuldhulpverlener stelt
daarbij onderzoek in naar het bestaan van de ingediende vorderingen en
onderzoekt of de ingediende vorderingen voldoende aannemelijk zijn.
De schuldhulpverlener moet voorts een op betrouwbaarheid getoetst en
zo nodig gedocumenteerd schuldregelingsvoorstel rblz.|4|
voorleggen. Hierbij wordt inzicht gegeven in de schuldpositie van
de schuldenaar, waarbij een
onderscheid wordt gemaakt tussen alle op dat moment bekende
preferente en concurrente vorderingen. Het voorstel bevat voldoende informatie
over de berekening van de aflossingscapaciteit van de schuldenaar, zo nodig
voorzien van bewijsstukken. Hierbij kan de methode voor de
berekening van het vrij te laten bedrag van de Vereniging van
Rechters-commissarissen in faillissement [lees: werkgroep
Rechters-commissarissen in faillissementen (Recofa), red.]) een leidraad zijn. Indien het voorstel
tot schuldregeling aantoont dat een schuldenaar gedurende een periode van 36
maanden zijn volledige aflossingscapaciteit inbrengt, kan dit één van
de indicaties zijn dat sprake is van een betrouwbaar voorstel. Een voorstel tot
schuldregeling kan echter ook van andere factoren afhankelijk zijn.
Het
UWV en de
SVB kunnen
voor de uitvoering van dit wetsvoorstel beleidsregels ontwikkelen.
Gelet op de aard van de vorderingen zijn het UWV en de SVB gehouden om
deze bevoegdheid prudent te hanteren.
Uitgesloten vorderingen
In dit wetsvoorstel worden
vorderingen ontstaan vanwege het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenplicht en waarbij als gevolg van dit gedrag een boete is opgelegd
of waarvan aangifte is gedaan bij het openbaar ministerie, expliciet
uitgesloten van een buitengerechtelijke schuldregeling. Hieronder vallen
naast de
vordering zelf in ieder geval de als gevolg van voornoemd gedrag
opgelegde boetes en vorderingen ontstaan als gevolg van een
vermoeden van opzet, misbruik of ander bedrieglijk handelen. In
deze gevallen dient medewerking aan een buitengerechtelijke schuldregeling met finale
kwijting niet aan de orde te komen.
Bevoorrechting
Een schuldeiser kan in
principe eisen dat een debiteur een schuld aflost, waarbij geldt dat
rechtmatige vorderingen dienen te worden betaald. Als er meerdere schuldeisers
zijn, dan hebben zij bij onvoldoende middelen ter algehele voldoening in
principe onderling gelijk recht op aflossing van hun vordering naar evenredigheid. De vorderingen van instanties als de
belastingdienst en gemeenten
gaan op grond van de wet van oudsher voor boven de vorderingen
van andere schuldeisers: zij hebben een bevoorrechte of preferente
vordering. De vorderingen van gemeenten op grond van de Ioaw,
Ioaz en Abw zijn preferent sinds de
Wet BMT en de nieuwe regeling voor
terugvordering en verhaal van kosten van bijstand in de Abw [ABW, red.].¹
Na de invoering van de Wet BMT hebben gemeenten vervolgens ruimte gekregen om in
problematische schuldensituaties mee te kunnen werken aan minnelijke schuldregeling. Ten aanzien van zogenoemde fraudeschulden
is er evenwel voor gekozen
om de verplichting tot terugvordering onverkort te handhaven.
1. Kamerstukken II 1987-1988, 20 598, nrs. 1-2,
5 en 6.
In principe wordt bij het
verlenen van uitkeringen door de overheid geen rekening gehouden met het
aflossen van schulden. Een onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering
of andere uitkering is niet bedoeld om direct of indirect bij te dragen
aan de aflossing van schulden ten behoeve van schuldeisers. Ook bij terugvordering is er in het algemeen geen aanleiding
om met het aflossen van
schulden rekening te houden ten nadele van de overheid, omdat
onverschuldigd betaalde uitkeringen, zowel van gemeenten als van het
UWV of
de
SVB, naar hun aard niet bedoeld zijn ter aflossing van vorderingen
van andere crediteuren. Als compensatie voor medewerking door gemeenten
aan schuldregeling is voor gemeenten geregeld dat de vorderingen
van gemeenten een bevoorrechte positie innemen.
rblz.|5|
De Abw is per 1 januari 2004
vervangen door de Wet werk en bijstand (Wwb), waarbij de bestaande
preferentie is gehandhaafd. Met de Wwb is de terugvordering van
bijstand niet langer een verplichting voor het college van burgemeester en
wethouders, maar een bevoegdheid, waaraan door het college van
een gemeente invulling zal moeten worden gegeven. Op vorderingen op
grond van de Ioaw en Ioaz
is het terugvorderingsregime van de Wet BMT van toepassing gebleven.
De vorderingen op grond van
de Ioaw en Ioaz zijn derhalve preferent sinds 1 januari 1997 en de
vorderingen op grond van de Wwb sinds 1 januari 2004.
De versoepeling van het
terugvorderingsregime heeft zich destijds niet uitgestrekt tot de wet- en
regelgeving op het gebied van sociale verzekeringen, omdat het aantal gevallen
van medewerking aan minnelijke schuldregelingen op dit
gebied als gering werd ingeschat. Thans wordt, naar aanleiding van
verzoeken uit de praktijk en de wens om een structurele oplossing te bieden bij
problematische schuldensituaties, voorgesteld eenzelfde versoepeling door
te voeren in de socialeverzekeringswetten. In verband daarmee zullen de
SVB en het UWV bij uitdeling dezelfde positie innemen als
gemeenten.
Zoals vermeld, hebben
schuldeisers een onderling gelijk recht om uit de netto-opbrengst van de
goederen van de schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid. In
beginsel zijn daarbij alle schuldeisers gelijk. Slechts de wet kan op dit
beginsel uitzondering maken. Destijds heeft de wet bij wijze van
uitzondering op het terugvorderingsregime in socialezekerheidswetgeving aan gemeenten een voorrecht
toegekend om medewerking te verlenen aan
schuldregelingen in problematische schuldensituaties. Thans is het van belang om
de vorderingen van het UWV en de SVB evenzeer een preferentie
te verlenen bij diezelfde medewerking. Door medewerking aan schuldregelingen bij problematische schulden gaan het
UWV en de SVB direct of
indirect bijdragen aan de aflossing van schulden ten behoeve van
schuldeisers. Hiervoor is noch een onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering,
noch een onverschuldigd betaalde uitkering van het UWV of de SVB
bedoeld. Ook hier geldt bij terugvordering dat er in het algemeen geen
aanleiding is om ten nadele van de overheid rekening te houden met het aflossen
van schulden.
Hierbij komt dat bij
medewerking aan schuldregeling het UWV en de
SVB akkoord dienen te gaan met
de Recofa-richtlijnen, die uitgaan van een hogere beslagvrije voet dan
[lees: dan bedoeld in, red.] de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Het UWV en de SVB moeten dan akkoord gaan met een
beduidend lager bedrag ter voldoening van hun vordering en uiteindelijk
een hoger bedrag afboeken. Ook moeten het UWV en de SVB bij een
buitengerechtelijke schuldregeling op het moment dat zij hieraan medewerking
verlenen, afzien van bijvoorbeeld de mogelijkheid de uitkering maandelijks te
verrekenen met hun vordering. Direct of indirect betekent
medewerking aan schuldregeling derhalve dat het UWV en de SVB ten nadele van hun
verhaalsmogelijkheden gaan bijdragen aan het betalen van andere
schulden van de betrokkene, waarvoor uitkering naar zijn aard in feite niet
is bedoeld. Op het moment dat dan sprake is van een gedeeltelijke
terugbetaling, is een versterkte positie van de vorderingen van het UWV en de SVB
gerechtvaardigd.
Tot slot gaat het in het
geval van vorderingen van de
SVB en het UWV om een uitkering verstrekt door
het UWV of de SVB, die niet op voorhand geweigerd kan worden vanwege
het aangaan van schulden door betrokkene, maar die slechts achteraf
kan worden teruggevorderd indien blijkt dat de uitkering ten
onrechte is verstrekt. Bovendien gaat het om uitkeringen die worden gefinancierd uit
publieke middelen of uit premies van andere betrokkenen. Met het
oog op de bovenuiteengezette doelstellingen rblz.|6|
van de wet geldt voorts een
rechtsplicht tot terugvordering van alle onverschuldigd betaalde uitkering in de
socialeverzekeringswetten. Ook betekent medewerking van het UWV en
de SVB aan een schuldregeling in alle gevallen dat een (groot)
deel van hun vordering wordt prijsgegeven.
Om bovenvermelde redenen
wordt voorgesteld om ook de vorderingen van het UWV
en de
SVB,
parallel aan vorderingen van gemeenten op het gebied van sociale zekerheid, preferentie te verlenen, zowel in een buitengerechtelijke
schuldsaneringsprocedure als
in een gerechtelijke schuldsaneringsprocedure en faillissement.
In verband met de
voorgestelde preferentie is ook de samenhang met de modernisering van het
faillissementsrecht relevant. De in verband daarmee ingestelde Commissie
insolventierecht (commissie-Kortmann) heeft onlangs een advies in
de vorm van een voorontwerp voor een Insolventiewet uitgebracht.
De commissie-Kortmann bepleit het afschaffen van bestaande
voorrechten van schuldeisers en van het niet toelaten van nieuwe
voorrechten. In het voorontwerp van de commissie-Kortmann worden de gewone
schuldeisers reeds - vooruitlopend op de bepleite afschaffing van
voorrechten - tegemoetgekomen doordat bevoorrechte vorderingen niet langer
volledig zullen voorgaan boven concurrente vorderingen. In plaats
daarvan zullen uitdelingen steeds ook aan concurrente schuldeisers ten
goede komen, met dien verstande dat bevoorrechte schuldeisers
een tweemaal zo groot percentage van hun vorderingen ontvangen als
concurrente schuldeisers. Het voorontwerp is thans onderwerp van een
brede consultatie, die zal lopen tot 15 september 2008. Vervolgens zal de
regering een standpunt formuleren. Met de realisering van daaruit
voortvloeiende wetgeving zal naar verwachting geruime tijd gemoeid zijn.
Gelet op de signalen van het UWV
en de NVVK en de doelstellingen van het kabinetsbeleid ten
aanzien van problematische schulden is het niet wenselijk om ten aanzien van
de medewerking aan schuldregelingen te wachten met indiening van
het onderhavige wetsvoorstel. Wel kan naar aanleiding van het
kabinetsstandpunt over de ontwerp-Insolventiewet van de commissie-Kortmann
en een
eventuele definitieve ontwerp-Insolventiewet een brede
heroverweging aan de orde zijn ten aanzien van het al dan niet verlenen van
preferentie aan vorderingen en boetes van de overheid en andere
schuldeisers.
Voor zover het afzien van
een vordering dan toch (deels) het geval kan of moet zijn, bijvoorbeeld bij
een faillissement of een gerechtelijke schuldregeling, laat het onderhavige
wetsvoorstel de bestaande situatie in stand, maar wordt wel voorgesteld
dat vorderingen van zowel het UWV, de
SVB als gemeenten preferent
zijn. Aangezien het wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan een oplossing
voor problematische schuldensituaties dient te worden vermeden dat in een
minnelijk traject vorderingen van het UWV of de SVB preferent zijn,
terwijl daarbuiten geen preferentie geldt. Medewerking aan een minnelijk traject
wordt in dat geval onnodig ontmoedigd. Voor vorderingen van het UWV
ten aanzien van door de werkgever verschuldigde socialeverzekeringspremies op grond van
hoofdstuk IV van de WW geldt al een voorrecht
dat gelijkwaardig is aan het voorrecht van de belastingdienst
bij
premieheffing en inning (artikel 66, tweede lid, van de
WW). Dit voorrecht blijft
gehandhaafd.
Finale kwijting
De bevoegdheid om van
terugvordering of verdere terugvordering af te zien als de schuldregeling
tot stand is gekomen, betekent dat het UWV en de
SVB het na de schuldregeling resterende deel van de vordering
volledig kunnen
kwijtschelden (finale kwijting). Het besluit tot het niet rblz.|7|
(verder) terug- en
invorderen van het restant wordt pas onherroepelijk als de vereiste schuldregeling
definitief tot stand is gekomen en is voltooid. Door de inwerkingtreding van
het besluit uit te stellen tot het moment waarop de schuldregeling tot
stand is gekomen, wordt voorkomen dat het UWV, respectievelijk de SVB,
in een positie zou geraken waarbij de vordering voor een gedeelte zou zijn
vervallen, terwijl een schuldregeling gaandeweg of achteraf niet haalbaar is
gebleken.
4.
Effecten van de voorgestelde
wijzigingen
Financiële gevolgen
De eenmalige
invoeringskosten worden door het UWV en de
SVB ingeschat als marginaal. Ook de
financiële effecten van de voorgestelde wijzigingen zijn naar verwachting niet
substantieel.
5.
Uitvoerbaarheid en gevolgen
voor burgers en bedrijven
Het UWV en de SVB
Het
UWV heeft, alvorens een
uitvoeringstoets uit te brengen, verzocht om nader overleg met het
ministerie van SZW over het conceptwetsvoorstel. De
SVB heeft een
uitvoeringstoets uitgebracht over het conceptwetsvoorstel. Daarin zijn bezwaren geuit
tegen de formulering van de bepaling in het wetsvoorstel welke vorderingen zijn uitgesloten van de regeling en tegen een aantal
voorwaarden waaraan de regeling moet voldoen. Nader overleg
tussen het UWV, de SVB en het ministerie van SZW heeft - met
instandhouding van de inhoud en de strekking van het wetsvoorstel - geleid tot
een aantal aanpassingen in het wetsvoorstel. De formulering van de
bepaling
welke vorderingen buiten schuldregeling vallen, is aangepast. Verder
is een aantal voorwaarden waaraan de regeling moet voldoen, geschrapt
aangezien deze impliciet volgen uit de resterende voorwaarden of overgelaten
kunnen worden aan nadere uitwerking in beleidsregels. Het UWV
heeft vervolgens in de uitvoeringstoets aangegeven het conceptwetsvoorstel
uitvoerbaar te achten. Ook aan de bezwaren van de SVB is in
het voorliggende wetsvoorstel tegemoetgekomen.
De Inspectie Werk en Inkomen
(IWI)
De
IWI heeft het
conceptwetsvoorstel bezien op toezichtbaarheid. Het conceptwetsvoorstel geeft de
IWI geen aanleiding tot het maken van opmerkingen met betrekking
tot de toezichtbaarheid. Enige technische opmerkingen van de IWI,
welke voornamelijk gericht zijn op verdere harmonisatie van de diverse socialezekerheidswetten, hebben geleid tot
aanpassing van het wetsvoorstel.
Uitvoeringspanel gemeenten
Over de
artikelen XI, XII en
XIII is aan het Uitvoeringpanel gemeenten advies gevraagd gelet op de
uitvoerbaarheid van deze wetswijzigingen. Het Uitvoeringspanel,
bestaande uit een representatieve groep gemeenten, is van mening dat
de voorgestelde wetswijzigingen geen aanleiding geven tot
opmerkingen over de uitvoerbaarheid. De voor de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw),
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en de Wet werk en inkomen kunstenaars
(Wwik) voorgestelde gewijzigde formulering van de bepaling welke
vorderingen buiten schuldregeling vallen, achten zij uitvoerbaar.
Voorts is aangegeven dat een aantal gemeenten de rblz.|8|
mogelijkheid tot preferentie
voor boetes wenselijk acht. Het Uitvoeringspanel geeft tot slot aan dat een
eenduidige terminologie en aanpak in de werknemersverzekeringswetten,
de volksverzekeringen [lees: volksverzekeringswetten,
red.] en de Ioaw, Ioaz en de Wwik de voorkeur
geniet. Met deze opmerkingen is zoveel mogelijk rekening gehouden, met dien
verstande dat de regering de wens tot het verlenen van preferentie aan
gemeentelijke boetes vooralsnog niet overneemt. Gelet op de bredere discussie omtrent preferenties naar aanleiding
van de ontwerp-Insolventiewet van de commissie-Kortmann kiest de regering
ervoor om de
voorgestelde preferentie op dit moment te beperken tot vorderingen van
de
SVB en het UWV en niet de daaruit voortvloeiende boete.
Actal
De totale omvang van de door
onderhavige regeling veroorzaakte administratieve lasten voor burgers of
bedrijven is nihil. Om deze reden is geen advies van Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] vereist.
De NVVK
De NVVK is in het kader van
het wetsvoorstel gevraagd om opmerkingen ten aanzien van het
wetsvoorstel. De NVVK heeft aangegeven in algemene lijnen te kunnen leven met
het wetsvoorstel, maar verzoekt rekening te houden met enige
opmerkingen. Deze door de NVVK ingebrachte opmerkingen hebben deels
geleid tot aanpassingen, voornamelijk in de memorie van toelichting.
Artikelsgewijs
Artikelen I tot en met X
In de
artikelen I tot en met
X worden de artikelen 58 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), 65a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ),
57a van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), 36c van de
Werkloosheidswet (WW), 25 van de Algemene
Ouderdomswet (AOW), 55a van de Algemene nabestaandenwet (Anw),
24c van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW),
34 van de Ziektewet (ZW),
21
van de Toeslagenwet (TW) en 79a
van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) voorgesteld. Deze artikelen maken het mogelijk
dat op het moment dat een voorstel tot schuldregeling wordt gedaan,
hieraan medewerking kan worden verleend door af te zien van een
vordering of een gedeelte van een vordering als gevolg van een
onverschuldigde betaling op grond van de genoemde wetten.
Met de voorgestelde
artikelen krijgen het UWV en de
SVB de bevoegdheid om, na een verzoek daartoe
van de schuldenaar en met inachtneming van enkele voorwaarden, te
besluiten om af te zien van een vordering of een gedeelte daarvan op het
moment dat een schuldregeling wordt aangeboden. Op dit moment is dit voor
het UWV en de SVB niet mogelijk.
In de eerste leden van de
artikelen 58 van de WAO,
65a van de WAZ,
57a van de Wajong,
36c van de WW,
25 van de AOW, 55a
van de Anw, 24c
van de AKW, 34 van de
ZW, 21
van de TW en 79a
van de Wet WIA worden de voorwaarden vermeld
waaraan minimaal moet zijn voldaan voordat het UWV
of de
SVB kan besluiten (deels) af te zien van een vordering en
kan instemmen met een
voorstel tot een schuldregeling. Deze voorwaarden zijn cumulatief: in het
voorstel tot schuldregeling dient duidelijk te zijn gemaakt dat in ieder
geval aan elk van deze eisen is voldaan.
rblz.|9|
Het uitgangspunt voor de
beoordeling is een voorstel tot schuldregeling gedaan door de schuldenaar.
Het UWV of de
SVB beoordeelt of er in het voorstel tot schuldregeling
sprake is van een situatie waarin de schuldenaar niet in staat wordt geacht
zijn schulden te voldoen of dat hij in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen, zoals bedoeld in
onderdeel a. Dit betekent
dat een structurele problematische schuldsituatie zeer binnenkort te
verwachten valt of al is ingetreden.
Onderdeel
b stelt als
voorwaarde dat de medewerking van het UWV of de
SVB redelijkerwijs
noodzakelijk is. Het UWV of de SVB moet, al dan niet na enig beperkt onderzoek,
aan de hand van het voorstel tot schuldregeling de conclusie trekken dat een
schuldregeling zonder het betrekken van de vordering van het UWV
en de SVB in redelijkheid niet mogelijk is. Het is daarvoor noodzakelijk
dat het UWV of de SVB een beeld heeft van de totale schuldensituatie
en het inkomen of eventuele vermogen van degene van wie wordt
teruggevorderd. Het UWV of de SVB moeten zich aan de hand van het voorstel
tot schuldregeling voorts op de hoogte kunnen stellen van de eisen
van de overige schuldeisers en of sprake is van een akkoord waarbij alle
schuldeisers zijn betrokken.
Op grond van onderdeel
c
dient uit het voorstel tot schuldregeling te blijken dat de vordering van
het UWV of de
SVB minstens evenredig met de vorderingen van de overige schuldeisers van gelijke rang wordt
voldaan. Bij de beoordeling
op dit punt speelt de zwaarte van het financiële belang dat het UWV of de SVB
heeft bij volledige nakoming een rol.
Onderdeel
d houdt in dat een
goed onderbouwd en betrouwbaar voorstel tot schuldregeling tot stand
moet zijn gekomen met behulp van een onafhankelijke en deskundige
schuldhulpverlener. Artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet biedt een
aanknopingspunt voor de onafhankelijkheid of deskundigheid van de desbetreffende schuldhulpverlener. Het kan
bijvoorbeeld gaan om een
voorstel tot schuldregeling dat tot stand is gekomen volgens de "Gedragscode
Schuldregeling" van de NVVK. Voordat medewerking aan een
schuldregeling kan worden verleend, dient uit het voorstel tot
schuldregeling te blijken dat het uiterste is gedaan om een volledige betaling van
de vordering tot stand te brengen. Aangezien het gaat om onverschuldigd
betaald publiek geld is deze voorwaarde van groot belang bij de
beslissing om van terugvordering af te zien en mee te werken aan een voorstel tot
schuldregeling. Daarbij speelt een rol waartoe een schuldenaar
redelijkerwijs financieel in staat kan worden geacht of de omstandigheid dat
redelijkerwijs is te voorzien dat geen alternatieven aanwezig zijn, die uitzicht
bieden op betaling van de vordering.
Onderdeel
e bepaalt dat bij
medewerking aan een schuldregeling mogelijke concurrentieverstorende
effecten bezien moeten worden. Bij medewerking aan schuldregelingen van
natuurlijke personen dient geen sprake te zijn van een schuld die
is ontstaan in relatie met activiteiten van betrokkene als ondernemer. Dit
onderdeel is van belang in het kader van de verantwoordelijkheid van de
rijksoverheid om indirecte, ongeoorloofde staatssteun te voorkomen.
Tot slot wordt in onderdeel
f voorgesteld om slechts medewerking te verlenen aan een
schuldregeling indien artikel 349 van de Fw [Faillissementswet,
red.] toegepast zal worden bij de uitdeling.
Op grond van dit artikel en de elders in het wetsvoorstel voorgestelde
preferentie van de vordering van het UWV of de
SVB krijgt het UWV of de
SVB, als uiteindelijk een schuldregeling tot stand komt, tweemaal zoveel
betaald als een concurrente schuldeiser indien de vordering van het
UWV of de SVB nog niet geheel is voldaan. Bij medewerking aan een
gedwongen schuldsaneringstraject zou dit eveneens rblz.|10|
het geval zijn geweest.
Het wetsvoorstel beoogt niet om het minnelijkeschuldsaneringstraject te
ontmoedigen.
Met betrekking tot de
toepassing van de criteria, bedoeld in de eerste leden van de artikelen I tot
en met X, kunnen het UWV en de
SVB nadere uitwerking geven in
beleidsregels. Hierin kunnen regels worden opgenomen over de persoon en de
positie van de schuldhulpverlener of regels ter voorkoming of beperking
van ongewenste neveneffecten voor andere gevallen door medewerking
aan een schuldregeling.
Medewerking aan een
schuldregeling kan overigens naast de in de voorgestelde wetswijzigingen beschreven
omstandigheden ook om andere gronden worden geweigerd,
mits dat op redelijke gronden gebeurt. Te denken valt aan de situatie
waarin er in de tien jaar voorafgaand aan het desbetreffende verzoek
eerder sprake is geweest van een schuldregeling waaraan het UWV of de SVB
heeft meegewerkt, maar die niet is nagekomen. Zonder aanvullende
omstandigheden is het in dat geval niet waarschijnlijk dat een nieuwe
schuldregeling en het opnieuw (gedeeltelijk) afzien van de vordering een
positief effect zal hebben op de positie van de betrokkene. De redelijkheid
van de beslissing van het UWV of de SVB kan in deze gevallen op grond
van de wijzigingen van de Fw
door de rechter worden getoetst.
In de tweede leden van de
artikelen 58 van de WAO,
65a van de WAZ,
57a van de Wajong,
36c van de WW,
25 van de AOW, 55a
van de Anw, 24c
van de AKW, 34 van de
ZW, 21
van de TW en 79a
van de Wet WIA wordt een aantal situaties vermeld
waarin medewerking aan een schuldregeling en daarmee het afzien van een (deel van) de terugvordering in geen geval
aan de orde is. Dit is het
geval bij het niet nakomen van de inlichtingenverplichtingen uit de socialezekerheidswetgeving, waarop een boete is
gevolgd. Daarbij kan het
bijvoorbeeld gaan om een vordering die ontstaat doordat een uitkering ten
onrechte enige tijd doorloopt, terwijl de betrokkene inmiddels werk heeft
gevonden, maar dat niet (tijdig) doorgeeft.
Ook in geval van een
aangifte op grond van het Wetboek
van Strafrecht door het UWV of door de
SVB wegens bijvoorbeeld opzettelijke fraude of valsheid in
geschrifte
wordt niet meegewerkt aan een schuldregeling ten aanzien van de vorderingen
die daarmee samenhangen.
In de derde leden van de
artikelen 58 van de WAO,
65a van de WAZ,
57a van de Wajong,
36c van de WW,
25 van de AOW, 55a
van de Anw, 24c
van de AKW, 34 van de
ZW, 21
van de TW en 79a
van de Wet WIA wordt voorgesteld dat het besluit
tot het afzien van de (verdere) terugvordering pas definitief wordt nadat
een voorstel tot schuldregeling door de overige schuldeisers is geaccordeerd
en aan de in het eerste lid genoemde vereisten voldoet. Het gaat
daarbij om een voorwaardelijke instemming. Het UWV
en de
SVB kunnen
instemmen met een gedeeltelijke betaling onder het gelijktijdig
verlenen van finale kwijting voor het restant van de terugvordering. Echter,
wanneer bijvoorbeeld sprake is van een schuldregeling die uiteindelijk niet tot
stand komt of niet wordt nagekomen, wordt het besluit om af te
zien van terugvordering ingetrokken. Er wordt in het derde lid een
limitatieve opsomming gegeven van de situaties die leiden tot intrekking van
het besluit tot het afzien van terugvordering of tot het ten nadele van de
schuldenaar wijzigen van dat besluit. Dit betekent dat nadat één of meerdere
van die situaties zich hebben voorgedaan en het intrekkingsbesluit is
genomen, de verplichting voor het UWV of de SVB om terug te vorderen,
herleeft. Dit brengt met zich mee dat het UWV of de SVB in het kader van
medewerking aan een voorstel tot schuldregeling bij de eerdere
besluitvorming ten aanzien van het afzien van terugvordering een
voorbehoud moet maken voor deze omstandigheden. De in de derde leden
genoemde situaties kunnen zich tijdens de looptijd van de schuldregeling
voordoen en vinden (met uitzondering van onderdeel a) rblz.|11|
hun oorzaak in
gedrag van de schuldenaar zelf. De situatie, bedoeld in onderdeel b, doet
zich bijvoorbeeld voor als de schuldenaar het betalen van de
aflossingsbedragen aan het UWV of de SVB staakt, dan wel stelselmatig te laat of
te weinig aflost. Onderdeel c heeft betrekking op het niet of onjuist
verstrekken van inlichtingen aan het UWV, de SVB of de bemiddelende
schuldhulpverlener, waardoor het UWV of de SVB ertoe is gebracht een onjuiste
beslissing te nemen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het verzwijgen van
eigen financiële middelen of van financiële middelen die weliswaar
aanwezig zijn, maar waarover pas op een later tijdstip kan worden
beschikt.
In de vierde leden van de
artikelen 58 van de WAO,
65a van de WAZ,
57a van de Wajong,
36c van de WW,
25 van de AOW, 55a
van de Anw, 24c
van de AKW, 34 van de
ZW, 21
van de TW en 79a
van de Wet WIA wordt een delegatiebevoegdheid
voorgesteld om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen ten
aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan
buitengerechtelijke schuldregelingen. Hierbij kan gedacht worden aan regels ten
aanzien van hetgeen waartoe een schuldenaar redelijkerwijs financieel in
staat kan worden geacht bij een schuldregeling, ten aanzien van mogelijke
alternatieven die ook kunnen leiden tot betaling van de vordering of regels
ter voorkoming van ongewenste precedentwerking.
In de
artikelen I tot en met
X worden de artikelen 59 van de WAO,
65b van de WAZ,
57b van de Wajong,
36d van de WW,
25a van de AOW,
55b van de Anw,
24d van de AKW,
34a van de ZW,
21a van de TW en
79b van de Wet WIA voorgesteld. Hiermee
wordt voorgesteld aan vorderingen op grond van genoemde wetten een preferentie toe te kennen. Deze preferente
status is geformuleerd
overeenkomstig de preferentie die vorderingen van gemeenten in dit soort
situaties op dit moment bezitten bij terugvorderingen en in
faillissementen. Een vordering van de
SVB en het UWV krijgt zowel bij
medewerking aan schuldregelingen, minnelijk of niet minnelijk, als daarbuiten
preferentie. De boete die voortvloeit uit bijvoorbeeld de overtreding van de
inlichtingenplicht valt buiten de voorgestelde preferentie.
Artikelen XI tot en met XIII
Bij de inwerkingtreding
van
de Wet BMT werd een artikel over het afzien van vorderingen na het
treffen van een schuldregeling in de Ioaw en de
Ioaz ingevoegd. In beide
gevallen betreft het artikel 25a. Deze artikelen worden met
het onderhavige
wetsvoorstel op onderdelen aangepast. Met de artikelen XI tot en met
XIII, eerste leden, worden de artikelen 25a
van de Ioaw, 25a
van de Ioaz en
31 van de Wwik in redactionele zin in overeenstemming gebracht met de overige
socialezekerheidswetten die door dit wetsvoorstel worden
gewijzigd.
Voorts worden in de
artikelen XI en XII in de onderdelen A, onder 2, aan de artikelen 25a
eerste lid,
onderdeel a, van de Ioaw en 25a, eerste lid, onderdeel
a, van de Ioaz toegevoegd dat ook in de situatie dat de belanghebbende al definitief is gestaakt
met het betalen van zijn schulden afgezien kan worden van
terugvordering door medewerking aan schuldregelingen.
Met de artikelen XI, onder 3 tot en met 6,
XII,
onder 3 tot en met 6, en XIII, onder 2 tot en met 5, worden in de desbetreffende artikelen van de Ioaw, de Ioaz en de Wwik
enkele voorwaarden die in de artikelen I tot en met X worden voorgesteld
ook in deze artikelen ingevoegd. Ook hier geldt dat medewerking aan schuldregelingen plaatsvindt op basis van een
onderbouwd voorstel van een
schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet. Voorts geldt dat bij medewerking aan een schuldregeling de
vordering van de gemeente voor een tweemaal rblz.|12|
zo hoog percentage
wordt voldaan als andere schuldeisers. Dit is mogelijk door toepassing van
artikel 349 van de Fw
als gevolg van de bestaande preferentie die
aan vorderingen van gemeenten is toegekend in de Ioaw, de Ioaz en de Wwik.
De voorwaarde dat bij
medewerking aan schuldregelingen gelet moet worden op mogelijke
concurrentieverstorende effecten wordt in de Ioaw, de Ioaz en de Wwik niet
voorgesteld. Gemeenten hebben een eigen financiële
verantwoordelijkheid om te voldoen aan de regels betreffende staatssteun en kunnen
daartoe zelf de passende middelen kiezen.
Met de voorgestelde
wijziging van de artikelen 25a, vijfde lid, van de
Ioaw, 25a, vijfde lid, van
de Ioaz en 31, vijfde lid, van de
Wwik worden de bestaande delegatiebevoegdheden in overeenstemming gebracht met
de delegatiebevoegdheden in
de voorgestelde artikelen in andere socialezekerheidswetten.
Nadere regels kunnen
bijvoorbeeld worden gesteld ten aanzien van hetgeen waartoe een
schuldenaar redelijkerwijs financieel in staat kan worden geacht bij een
schuldregeling, ten aanzien van mogelijke alternatieven die kunnen leiden tot
betaling van de vordering of regels ter voorkoming van ongewenste
precedentwerking.
Artikel XIV
Artikel XIV bevat een
aanvulling op artikel 3:16 van de Wet arbeid en
zorg. In dit artikel worden de
relevante artikelen van de ZW ten aanzien van het afzien van terugvordering
door medewerking aan schuldregelingen van overeenkomstige toepassing
verklaard op degenen die recht hebben op een uitkering op grond van
de Wet arbeid en zorg. Als gevolg van de in artikel XIV voorgestelde
wijziging worden de artikelen 34 en 34a
van de ZW eveneens onder de werking
van artikel 3:16 van de Wet arbeid en
zorg gebracht.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner