|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2007-2008, 2008-2009,
31 559.
Handelingen II 2008-2009, blz. 1275-1275.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 559 (A, ...).
Handelingen I 2008-2009, blz. 813-828, 853-876, 909-909.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 december 2008,
Stb. 2008, 586, tot intrekking van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand. Inwerkingtreding: 1 januari 2009 (Stb.
2008, 587).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in
het kader van deregulering het wenselijk is de Invoeringswet
Wet werk en bijstand in te trekken;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Wet werk en bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Aan artikel 1 worden, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een
puntkomma, vier onderdelen toegevoegd, luidende:
i. Algemene bijstandswet:
Algemene bijstandswet zoals deze luidde op 31 december 2003;
j. Wet inschakeling
werkzoekenden: Wet inschakeling werkzoekenden zoals deze luidde op 31
december 2003;
k. Besluit in- en
doorstroombanen: Besluit in- en doorstroombanen
zoals dit luidde op 31
december 2003;
l. Invoeringswet Wet werk en
bijstand: Invoeringswet Wet werk en bijstand zoals deze luidde
op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet van 29 december
2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb.
2008, 586).
B. [MvT]
Onder vernummering van het
vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid vervalt in artikel 46 het
derde lid.
C. [MvT]
Paragraaf 6.5 komt te
luiden:
§ 6.5. Verhaal
Art. 61. Algemeen
[MvT]
Kosten van bijstand kunnen
door het college worden verhaald in de gevallen en naar de regels
aangegeven in deze paragraaf.
Art. 62. Onderhoudsplicht
[MvT]
Kosten van bijstand kunnen
tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, worden verhaald:
a. op degene die bij het
ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot of
minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht
jegens zijn ouders niet of
niet behoorlijk nakomt;
b. op degene die zijn
onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;
c. op degene die zijn
onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind
aan
wie bijzondere bijstand is verleend.
Art. 62a. Uitkering tot
levensonderhoud [MvT]
Bij de beoordeling van het
bestaan van het verhaalsrecht, bedoeld in artikel 159a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 62, en de
omvang van het te verhalen
bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de
omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient
te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot
levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden
toegekend.
Art. 62b. Verhaal volgens
rechterlijke uitspraak [MvT]
-1. Indien een rechterlijke
uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming
met deze uitspraak.
-2. De betaling van het
verschuldigde geschiedt binnen 30 dagen na bekendmaking van het besluit
tot verhaal overeenkomstig het eerste lid.
-3. Degene op wie wordt
verhaald, kan binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden
tegen het besluit tot verhaal in verzet komen door een verzoekschrift aan
de rechtbank. Het verzet kan niet gegrond zijn op de bewering dat de
uitkering tot onderhoud ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld.
Indien tijdig verzet is gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het
verzet is ingetrokken of ongegrond verklaard.
-4. Het college is bevoegd,
met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt, het verschuldigde
bij dwangbevel in te vorderen.
Art. 62c. Bevoegd college
[MvT]
-1. Indien degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen en ten aanzien van wie door de
rechter een verhaalsbedrag verschuldigd op grond van artikel 159a van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek of artikel 62 is vastgesteld zijn
woonplaats verplaatst naar een andere gemeente en aldaar bijstand ontvangt of
heeft ontvangen, gaat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de
rechterlijke uitspraak op het college van de andere gemeente over.
-2. Het college van de
vertrekgemeente blijft bevoegd tot tenuitvoerlegging voor zover het gaat om
betalingsachterstanden ter zake van verhaal van bijstand die
door dat college is verleend.
Art. 62d. Indexering
[MvT]
-1. Het door de rechter
vastgestelde verhaalsbedrag verschuldigd op grond van artikel 159a van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek of artikel 62 wordt jaarlijks met
ingang
van 1 januari van rechtswege gewijzigd met het op grond van artikel 402a
van Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek vast te stellen percentage.
-2. De toepassing van het
eerste lid blijft achterwege indien de wijziging van rechtswege bij
rechterlijke uitspraak is uitgesloten.
Art. 62e. Gewijzigde
omstandigheden [MvT]
-1. Het door de rechter
vastgestelde verhaalsbedrag kan op verzoek van het college of van degene op
wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op
grond van gewijzigde omstandigheden.
-2. Het college kan aan de
rechter verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van een
rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek vast te stellen, indien de rechter:
a. deze uitspraak zou kunnen
wijzigen op de gronden, genoemd in de artikelen 157 en 401 van dat
boek;
b. geen rekening heeft
kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking
komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.
Art. 62f. Verhaal bij
schenking en nalatenschap [MvT]
Kosten van bijstand kunnen
door het college worden verhaald op:
a. degene aan wie de persoon
die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan
voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen
rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had
plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de
schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;
b. de nalatenschap van de
persoon, indien:
1º. aan die persoon ten
onrechte bijstand is verleend en voor zover vóór het overlijden nog geen
terugvordering heeft plaatsgevonden;
2º. bijstand is verleend in
de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.
Art. 62g. Mededeling
verhaalsbesluit [MvT]
-1. Het besluit tot verhaal
op grond van deze paragraaf, anders dan met toepassing van artikel
62b,
wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht, medegedeeld. Bij verhaal op de nalatenschap kan
de mededeling worden gericht
tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht kan
worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.
-2. Indien de belanghebbende
niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan het
college te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat,
kan het college overgaan tot verhaal in rechte.
Art. 62h. Verzoekschrift
tot verhaal [MvT]
-1. Verzoekschriften met
betrekking tot verhaal in rechte op grond van deze paragraaf, alsmede
verzoeken tot wijziging van een rechterlijke verhaalsuitspraak, worden
ingediend bij de rechtbank.
-2. Op de indiening en
behandeling van het verzoekschrift, alsmede op de procedure in hoger
beroep, zijn de artikelen 799, tweede lid, en 801 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
-3. Het college kan op grond
van deze paragraaf in rechte optreden zonder procureur.
Art. 62i. Schakelbepaling
[MvT]
De artikelen 58, vierde lid,
en artikel 60, eerste en vierde tot en met zesde lid, zijn met
betrekking tot het verhaal van kosten van bijstand van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.
D. [MvT]
Artikel 64 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In de aanhef van het
vijfde lid wordt "het eerste en het derde lid" vervangen door: het eerste
en het vierde lid.
2. In het zesde lid wordt "het eerste lid en het derde
lid" vervangen door: het eerste lid en het
vierde lid.
3. In het achtste lid wordt "het tweede
lid" vervangen door "het derde lid" en "het zesde
lid"
vervangen door: het zevende lid.
4. In het negende lid wordt "Het tweede
lid" vervangen door: Het derde lid.
5. In het tiende lid wordt "het derde
lid" vervangen door "het vierde lid" en "zevende lid" vervangen
door: achtste lid.
6. In het elfde lid wordt "het negende
lid" vervangen door: het tiende lid.
E. [MvT]
Na artikel 78 wordt een
hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 7A. Overgangsrecht
Art. 78a.
Toeslagenverordening [MvT]
De verordening, bedoeld in
artikel 38 van de
Algemene bijstandswet, geldt als de verordening,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c.
Art. 78b. Omzetting
besluiten [MvT]
-1. Door het college op grond
van de
Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
of het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluiten gelden
als
door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
-2. In afwijking van het
eerste lid gelden door het college op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen ten aanzien van personen die
een uitkering ontvangen op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers genomen besluiten als door hem genomen
besluiten op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
-3. Door het college of Onze
Minister op grond van de Invoeringswet Wet werk
en bijstand genomen
besluiten gelden met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Wet
van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Stb. 2008, 586) als door het college of Onze Minister genomen besluiten
op grond van deze wet.
Art. 78c. Krediethypotheek
[MvT]
Artikel 20 van de
Algemene bijstandswet en artikel 4, vierde lid, laatste
zin, van de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet, zoals die luidde op 31 december 2003,
blijven van toepassing op bijstand die op 31 december 2003 werd
verleend met toepassing van die artikelen.
Art. 78d. Gesubsidieerde
arbeid [MvT]
-1. Een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden, een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van die wet en een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het
Besluit in- en doorstroombanen gelden als een voorziening als bedoeld in
artikel 7, eerste lid,
onderdeel a.
-2. Op dienstbetrekkingen als
bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden blijft titel 10 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek alsmede de artikelen 4, tweede, zesde
en zevende lid, en 11, aanhef en onder a,
van de Wet inschakeling werkzoekenden van toepassing. Op deze
dienstbetrekkingen is
artikel 134, tweede lid, van de Ambtenarenwet
niet van toepassing.
Art. 78e. Bezwaar- en
beroepschriften [MvT]
-1. Op een bezwaar- of
beroepschrift dat:
a. vóór of op 31 december
2003 is ingediend tegen een door het college op grond van de
Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
of het Besluit in- en doorstroombanen genomen besluit en
waarop op die datum nog niet
onherroepelijk is beslist;
b. na 31 december 2003 is
ingediend tegen een op grond van de in het eerste lid bedoelde wetten
of het Besluit in- en doorstroombanen met toepassing van artikel
2,
tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand, na 31 december
2003 genomen besluit en waarop nog niet onherroepelijk is beslist op
het tijdstip dat de bepaling vervalt op grond waarvan het besluit is
genomen;
c. na 31 december 2003 is
ingediend en betrekking heeft op bijstandverlening waarop op grond van artikel
12, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk
en bijstand de
Algemene bijstandswet van toepassing is;
wordt beslist met toepassing
van onderscheidenlijk de Algemene bijstandswet, de Wet
inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op verzoeken als bedoeld in artikel 140 van
de
Algemene bijstandswet en verzoeken om een voorlopige voorziening
als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht.
-3. Op een bezwaar- of
beroepschrift dat vóór of op de dag van inwerkingtreding van de Wet van 29 december
2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb.
2008, 586) is ingediend tegen een door
het college of Onze Minister
op grond van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand genomen besluit en
waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met
toepassing van deze wet.
Art. 78f. Grondslag Bbz
2004 [MvT]
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen
en aan personen die algemene
bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig
beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen
voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van
ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de
artikelen 9, 10, 11,
32, 34, 40,
41, 45, 58,
77 en de paragrafen
4.2, 6.1 en 7.1.
Art. 78g. Zelfstandigen
[MvT]
-1. De artikelen 18, tweede
en derde lid, en 53a treden, voor zover het
betreft zelfstandigen als
bedoeld in artikel 78f, in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. De artikelen 14 tot en
met 14f, 66 en 142a
van de
Algemene bijstandswet, voor zover het
betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel
78f, vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-3. Waar in artikel 14,
eerste lid, van de
Algemene bijstandswet wordt verwezen naar de artikelen
8, zesde lid, onderdeel b, en 112 van
die wet, wordt in plaats van die
artikelen gelezen: artikel 2, derde lid, onderdeel
b, onderscheidenlijk artikel 38
van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
Art. 78h. Bijstand
buitenland [MvT]
-1. De Sociale
verzekeringsbank kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich in het
buitenland bevindt, voortzetten ten aanzien van:
a. degene die in december
1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 of
artikel 95 van de
Algemene bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment
in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan 31 december
1995 bijstand ontving op grond van artikel 82 van de
Algemene bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien
belanghebbende binnen 26 weken na die datum opnieuw bijstand aanvraagt.
-2. De in het eerste lid
bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het
niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
-3. De artikelen van deze wet
zijn niet van toepassing voor zover de omstandigheden het toelaten,
met uitzondering van hoofdstuk 2 en de paragrafen 6.1 tot en
met 6.5, met dien verstande dat de Sociale verzekeringsbank in de plaats treedt van het
college.
-4. Zodra ten minste 26 weken
zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het
eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het desbetreffende geval
niet langer van toepassing.
-5. In de middelen tot
dekking van de uitgaven verbonden aan de uitvoering van dit artikel
wordt voorzien door een rijksbijdrage aan de Sociale verzekeringsbank.
-6. Op de uitgaven, bedoeld
in het vijfde lid, komen in mindering de bedragen die door de Sociale
verzekeringsbank op grond van deze wet zijn ontvangen door terugvordering.
-7. Een nog niet afgehandeld
en tot Onze Minister gericht verzoek om op grond van artikel 6 van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand een besluit
te nemen, wordt vanaf 1
januari 2009 beschouwd als te zijn gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
-8. Bezwaren en beroepen die
zijn of worden ingesteld tegen een besluit genomen op grond van artikel
6 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand
gelden vanaf 1 januari 2009 als bezwaren en beroepen gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
Art.
II. Intrekking Invoeringswet Wet werk en
bijstand [MvT]
De Invoeringswet Wet werk en bijstand wordt ingetrokken.
Art.
III. Gewijzigde grondslag [MvT]
Na de inwerkingtreding van
deze wet berust het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 op
artikel 78f van de Wet werk en bijstand.
Art.
IV. Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek [MvT]
In artikel 159a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek wordt "artikel 13
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand" vervangen door:
paragraaf 6.5 van de Wet werk
en bijstand.
Art.
V. Wijziging van de Faillissementswet [MvT]
In artikel 33, vierde lid,
van de Faillissementswet
wordt "artikel 13 van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand" vervangen door: paragraaf 6.5
van de Wet werk en bijstand.
Art.
VI. Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 [MvT]
In artikel 6.3, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt "artikel 13 van
de Invoeringswet Wet werk en bijstand" vervangen door:
paragraaf 6.5 van de Wet werk en
bijstand.
Art.
VII. Wijziging van de Wet op
de lijkbezorging [MvT]
In artikel 22 van de Wet
op de lijkbezorging wordt "artikel 13 van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand" vervangen door:
paragraaf 6.5 van de Wet werk en
bijstand.
Art.
VIII. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht [MvT]
In onderdeel F, onder 2,
van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt
"artikel 13 van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand" vervangen door: paragraaf 6.5 van de
Wet werk en bijstand.
Art.
VIIIa. Intrekking Besluit van 10 oktober 2003, houdende vaststelling van het tijdstip
van inwerkingtreding van de
Wet werk en bijstand en van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Stb. 2003, 386)
Het Besluit van 10 oktober
2003, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wet werk en bijstand en van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb.
2003, 386) wordt ingetrokken.
Art.
VIIIb. Wijziging van de Wet werk en inkomen
kunstenaars
De Wet werk en inkomen
kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 8, onderdeel b, vervalt
"volgens bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen
voorwaarden".
B.
In artikel 11, eerste lid,
onderdeel c, vervalt "op grond van bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen voorwaarden".
Art.
VIIIc. Wijziging van de Wet decentralisering
langdurigheidstoeslag ¹
Indien het bij koninklijke
boodschap van 29 april 2008 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met decentralisering van de
langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke
participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen
(Kamerstukken 31 441) tot wet wordt verheven, komt artikel I,
onderdeel E, van die wet te luiden:
E.
Artikel 36 komt te luiden:
Art. 36.
Langdurigheidstoeslag
-1. Het college verleent op
aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder
doch jonger dan 65 jaar die langdurig een laag inkomen en geen in
aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen
uitzicht heeft op inkomensverbetering.
-2. Bij de vaststelling van
het inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt een eerder verstrekte
langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.
-3. Een persoon kan slechts
eenmaal binnen een periode van twaalf maanden in aanmerking komen
voor een langdurigheidstoeslag.
-4. De langdurigheidstoeslag
wordt verleend met ingang van de datum waarop de persoon langdurig
een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld
in artikel 34 heeft.
-5. De artikelen 12, 43,
44,
49 en 52 zijn niet van toepassing.
-6. De artikelen 5, 36 en
39,
zoals die luidden op 31 december 2008, blijven van toepassing op
een aanvraag voor een langdurigheidstoeslag in 2009, indien:
a. die aanvraag ziet op een
recht op een langdurigheidstoeslag dat in 2009 is ontstaan;
b. in 2008 een recht op een
langdurigheidstoeslag is ontstaan en een aanvraag daarvoor in 2008 is
ingediend; en
c. door toepassing van dit
lid de hoogte van een langdurigheidstoeslag niet lager uitvalt dan
zonder toepassing van dit lid het geval zou zijn. Dit lid vervalt met ingang
van 1 januari 2010.
1. Zie de toelichting
op artikel 36 in de memorie van toelichting bij de Wet van 29 december
2008 tot wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met
decentralisering van de langdurigheidstoeslag en op bevordering van
maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met
schoolgaande kinderen, red.
Art.
VIIId. Inwerkingtreding Aanpassingswet vierde tranche Awb
Tot het tijdstip waarop
artikel 23 van hoofdstuk 10 van het bij koninklijke boodschap van 24 augustus
2007 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere
wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht
(Aanpassingswet vierde tranche Awb) (Kamerstukken 31 124) tot wet is verheven
en in werking treedt, worden de in artikel I, onderdeel C, van deze wet
voorgestelde artikelen 62b, 62g
en 62i als volgt gelezen:
Art. 62b. Verhaal volgens
rechterlijke uitspraak
-1. Indien een rechterlijke
uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming
met deze uitspraak.
-2. Het besluit tot verhaal
overeenkomstig het eerste lid wordt bij brief medegedeeld aan degene op
wie wordt verhaald, met de aanmaning het verschuldigde binnen 30 dagen na verzending van de brief te voldoen.
-3. Degene op wie wordt
verhaald, kan binnen de termijn van het tweede lid tegen het besluit in
verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank. Het verzet kan
niet gegrond zijn op de bewering dat de uitkering tot onderhoud ten
onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Indien tijdig verzet is
gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het verzet is ingetrokken of
ongegrond verklaard.
-4. Indien aan de aanmaning
geen gevolg wordt gegeven, is het college, met uitsluiting van degene
die de bijstand ontvangt, bevoegd tot invordering van het verschuldigde over te gaan.
-5. Het besluit tot verhaal
levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt
betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.
Art. 62g. Mededeling
verhaalsbesluit
-1. Het besluit tot verhaal
op grond van deze paragraaf, anders dan met toepassing van artikel
62b,
wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht, medegedeeld. Daarbij wordt het bedrag of worden
de bedragen genoemd waarvan,
alsmede de termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt
verlangd. Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht
tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht kan
worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.
-2. Indien de belanghebbende
niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan het
college te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat,
kan het college overgaan tot verhaal in rechte.
Art. 62i. Schakelbepaling
De artikelen 58, vierde lid,
en 60, tweede, vierde en vijfde lid, zijn met
betrekking tot het verhaal
van kosten van bijstand van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. artikel 479e, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is; en
b. artikel 60, vierde lid,
niet van toepassing is indien degene op wie verhaal wordt gezocht zijn
verplichting, bedoeld in artikel 60, tweede lid,
niet nakomt.
Art.
IX. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 29 december 2008, Stb. 2008, 587, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2009, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 december 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
Uitgegeven de dertigste
december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|